CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJl 4 Bijlagen bij planregels BP Lekdijk-West 113, Bergambacht

Raadsvergadering 6 februari 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Lekdijk-West 113 Bergambacht17.415 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan LEKDIJK-WEST 113, BERGAMBACHT Gemeente Krimpenerwaard

STATUS:

VASTGESTELD

DATUM:

7 december 2023

IMRO IDN:

NL.IMRO.1931.BP2302BG065-VG01

OPDRACHTNEMER IntROview B.V. Sterrenlaan 24 2743 LS Waddinxveen telefoon 0182 630480 info@introview.nl www.introview.nl

OPDRACHTGEVER R. Rijntjes Lekdijk-West 113 2861 EV Bergambacht

STATUS Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:

DATUM 25 oktober 2022 2 maart 2023 18 juli 2023 7 december 2023

VERSIE 2e versie 1e versie 2e versie 1e versie

bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht

Bijlagen bij regels

Bijlagen bij regels

3

bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht

4

Bijlagen bij regels

bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht

Inhoudsopgave Bijlagen bij regels

3

Bijlage 1

Staat van Bedrijfsactiviteiten

6

Bijlage 2

Natuurbeheertypen

9

Bijlage 3

Landschapsbeheertypen

26

Bijlage 4

Slootbeheertypen

35

Bijlage 5

Inrichtingsplan Krimpenerwaard

44

Bijlagen bij regels

5

bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht

Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten

6

Bijlagen bij regels

Staat van bedrijfsactiviteiten aan huis

OMSCHRIJVING

0 1 A A 2

3 B

CATEGORIE

A B

GROOTSTE AFSTAND

-

GEVAAR

-

GELUID

-

LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW Dienstverlening t.b.v. de landbouw: - algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o.<= 500 m² - plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. <= 500 m² VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN Consumptie-ijsfabrieken: p.o. <= 200 m² Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen: - v.c. < 2500 kg meel/week Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk: - cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocoladewerken met p.o. <= 200 m² - suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: p.o. <= 200 m² Vervaardiging van wijn, cider e.d. VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT Vervaardiging van kleding en -toebehoren (excl. van leer) HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D. Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen Grafische afwerking Binderijen Grafische reproduktie en zetten Overige grafische aktiviteiten Reproduktiebedrijven opgenomen media VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUKTEN Aardewerkfabrieken: - vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW VERVAARDIGING VAN KANTOORMACHINES EN COMPUTERS Kantoormachines- en computerfabrieken VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKTR. MACHINES, APPARATEN EN BENODIGDH. Elektrotechnische industrie n.e.g.

VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G. Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m2 Fabricage van munten, sieraden e.d. Muziekinstrumentenfabrieken BOUWNIJVERHEID Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m² HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS Autobeklederijen

STOF

0 2 4 2 0 1 0 3 6

AFSTANDEN IN METERS

GEUR

01 014 014 014 15 1552 1581 1581 1584 1584 1584 1593 t/m 1595 18 182 20 205 22 2222.6 2223 2223 2224 2225 223 26 262, 263 262, 263 30 30 31 316 33 33 36 361 362 363 45 45 50 5020.4

nummer

SBI-CODE

30 30

10 10

30 30

10 10

30 30

2 2

10

0

30

0

30

2

30

10

30 C

10

30

2

30 30 10

10 10 0

30 30 30 C

10 10 0

30 30 30

2 2 2

10

10

30

10

30

2

10

10

30

0

30

2

10 0 30 30 30 0

0 0 0 0 0 0

30 10 30 10 30 10

0 0 0 10 10 0

30 10 30 30 30 D 10

2 1 2 2 2 1

10

10

30

10

30

2

30

10

30

10

30

2

30

10

30

10

30

2

30

0

30

0

30

2

0 30 30

10 10 10

10 10 30

0 10 10

10 30 30

1 2 2

0

10

30

10

30

2

0

0

10

10

10

1

Staat van bedrijfsactiviteiten aan huis

OMSCHRIJVING

GROOTSTE AFSTAND

CATEGORIE

VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN Verhuurbedrijven voor roerende goederen n.e.g. - COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE A Computerservice- en informatietechnologie-bureau's e.d. - SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK Natuurwetenschappelijk speur- en ontwikkelingswerk Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek - GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven - CULTUUR, SPORT EN RECREATIE Studio's (film, TV, radio, geluid) Muziek- en balletscholen Dansscholen Bibliotheken, musea, ateliers, e.d. F Sportscholen, gymnastiekzalen - OVERIGE DIENSTVERLENING Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten Fitnesscentra, badhuizen en sauna-baden B Persoonlijke dienstverlening n.e.g.

GEVAAR

71 714 72 72 73 731 732 85 8512, 8513 92 921, 922 9234 9234.1 9251, 9252 9262 93 9302 9304 9305

GELUID

GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING Handelsbemiddeling (kantoren) - DETAILHANDEL EN REPARATIE T.B.V. PARTICULIEREN Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen) - LOGIES-, MAALTIJDEN- EN DRANKENVERSTREKKING Cateringbedrijven - VERVOER OVER LAND Taxibedrijven - POST EN TELECOMMUNICATIE Post- en koeriersdiensten A Telecommunicatiebedrijven - VERHUUR VAN EN HANDEL IN ONROEREND GOED A Verhuur van en handel in onroerend goed

STOF

51 511 52 527 55 5552 60 6022 64 641 642 70 70

AFSTANDEN IN METERS

GEUR

-

nummer

SBI-CODE

0

0

10

0

10

1

0

0

10

10

10

1

10

0

30 C

10

30

2

0

0

30 C

0

30

2

0 0

0 0

30 C 10 C

0 0

30 10

2 1

0

0

10

0

10

1

10

10

30

10

30 D

2

0

0

10

0

10

1

30 0

10 0

30 10

30 R 0

30 10

2 1

0

0

10

0

10

1

0 0 0 0 0

0 0 0 0 0

30 C 30 30 C 10 30 C

10 0 0 0 0

30 30 30 10 30

2 2 2 1 2

0 10 0

0 0 0

10 30 C 10 C

0 0 0

10 30 10 D

1 2 1

-

-

bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht

Bijlage 2 Natuurbeheertypen

Bijlagen bij regels

9

Bijlage 1 Natuurbeheertypen In deze bijlage zijn de natuurbeheertypen beschreven die in het plangebied worden nagestreefd. Hiervoor is het Handboek Natuurdoeltypen (Bal et al., 2001) en de Index Natuur en Landschap benut. Het gaat om een beschrijving die is toegespitst op het veenweidegebied en daardoor (deels) kan afwijken van de (landelijke) beschrijving van de natuurbeheertypen uit de Index Natuur en Landschap. De Index Natuur en Landschap beschrijft welke typen natuur, agrarische natuur en landschap we kennen in Nederland en is de basis voor de natuurbeheerplannen van de provincies. De Index vervangt eerdere beschrijvingen en typeringen, ten behoeve van een goede afstemming tussen beheerders en overheden en om interpretatieverschillen tussen natuur- en landschapsdoelen te voorkomen.

Zoete plas (N04.02) Zoete plas betreft grote en kleine wateren. Het beheertype Zoete plas omvat waterlichamen, breder dan 4 m. en dieper dan 20 cm. (gemiddelde waterdiepte), van stilstaande, of zeer langzaam stromende wateren (Bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12). In de Krimpenerwaard betreft het petgaten en plassen die min of meer geïsoleerd zijn van eutrofe wateren. De petgaten zijn ontstaan door afgraving van veen. Het water is neutraal en mesotroof tot zwak eutroof. Petgaten zijn matig groot, min of meer langwerpig gevormd, vrij ondiep, stilstaand, zoet water met waterplanten en verlandingsgemeenschappen. (Bron: Handboek Natuurdoeltypen, Bal et al.).

2

Moeras (N05.01) Moeras ontstaat in stilstaand voedselrijk, zoet water. De bodems zijn zeer nat, voedselrijk en matig zuur tot neutraal. Typische moerasplanten zijn hoge grassen als riet en rietgras, grote zeggen, biezen en galigaan. Moeras omvat open begroeiingen van riet, lisdodde en biezen in water; rietlanden en rietruigten. De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40 cm. onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke droogteperioden. In de nattere delen varieert de grondwaterstand tussen 0 en – 20 cm. In veengebieden mag de laagste grondwaterstand niet wegzakken tot meer dan een halve meter onder maaiveld. Door veenafbraak, vochttekorten en vorming van regenwaterlenzen ontstaan anders soortenarme vegetaties en een versnelde ontwikkeling naar bos in gang gezet wordt. De zuurgraad bevindt zich tussen zwak zuur tot zwak basisch. De typische begroeiingen, vegetaties met biezen, riet of grote zeggenvegetaties, komen onder voedselrijke omstandigheden voor. In mesotrofe tot matig eutrofe omstandigheden kunnen overgangen naar trilvenen en veenmosrietlanden voorkomen. Door de grote stapeling van organisch materiaal in oude rietlanden en ruigten kunnen deze vegetaties (tijdelijk) overgaan in een grasrijke vegetatie. Een deel van de rietlanden wordt gemaaid, maar niet jaarlijks (overjarig riet).

Moeras kan een voorstadium vormen voor Veenmosrietland en moerasheide.

Ranges waarbij voor moeras kenmerkende vegetaties kunnen voorkomen: gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG)

Moeras in Bergambacht -West

3

Gemaaid rietland (N05.02) Gemaaid rietland is rietland dat grotendeels jaarlijks in het winterhalfjaar gemaaid wordt, waarbij het riet wordt verwijderd. Gemaaide rietland komt vaak gezamenlijk voor met andere moerassen. Gemaaid rietland komt voor op natte tot vochtige bodems en staat onder invloed van oppervlaktewater. Belangrijk voor de rietgroei is enige aanvoer van voedingsstoffen via het water om ervoor te zorgen dat de bodem niet te zuur wordt. Het wordt gedomineerd door riet en kan vrij rijk zijn aan mossen of moerasplanten. Gemaaid rietland kan, als de kragge dikker wordt, overgaan naar Veenmosrietland en moerasheide. Zonder maaibeheer en watertoevoer zal gemaaid rietland overgaan naar struweel en bos.

4

Veenmosrietland en moerasheide (N06.01) Veenmosrietland en moerasheide zijn vrij voedselarme moerastypen. In veenweidegebieden vormt het veenmosrietland vaak linten langs sloten en petgaten. Veenmosrietland bestaat uit een vrij ijle rietlaag. Moerasheide bestaat vooral uit veenmossen. De vegetatie is laag en zeer open, riet en andere hoge moerasplanten zijn slechts hier en daar aanwezig (Bron: Index). Het betreffen zeer natte tot natte, zure tot matig zure en oligotrofe kraggen. De kragge bestaat uit veen met een dikte tot 2,5 meter; dit veen is onderverdeeld in een 10-80 cm dikke, jonge veenlaag boven een oude veenlaag. De kragge beweegt doorgaans met de waterstand op- en neer, waardoor het grondwaterpeil gelijk staat met het maaiveld. Het veen kan echter ook vastzitten aan de ondergrond. De invloed van regenwater is relatief groot is. Menging van basenrijk water is noodzakelijk (Bron: Handboek). Veenmosrietland en moerasheide zijn oude verlandingsstadia in de reeks van open water naar moerasbos. De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40 cm. onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke droogteperioden. In de nattere delen liggen de grondwaterstanden tussen 0 en 20 cm. Vanuit jong rietland kan bij een toenemende dikte meer invloed ontstaan van regenwater, waardoor veenmosrietland en in een later stadium moerasheide tot ontwikkeling kan komen.

Bij moerasheide is de invloed van regenwater het grootst. Veenmosrietland en moerasheide vormen een natuurlijk, laat stadium in de successiereeks (Bron: Index).

Ranges waarbij voor veenmosrietland en moerasheide kenmerkende vegetaties kunnen voorkomen voor gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) en gemiddelde voorjaars-grondwaterstand (GVG).

5

Nat Schraalland (N10.01) Blauwgraslanden en kleine zeggenvegetaties worden tot nat schraalland gerekend. De vegetatie is kruiden- en zeggenrijk. De graslanden komen voor op voedselarme, matig zure tot basische bodems die gedurende de winter het waterpeil tenminste op of rond het maaiveld hebben (0-20 cm. beneden maaiveld) en ’s zomers slechts oppervlakkig uitdrogen (Bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12). Op plekken met een lage zuurgraad komt het kleine zeggenschraalland voor vanwege de grote invloed van regenwater. Blauwgraslanden zijn soortenrijke, vochtige hooilanden van voedselarme, zwak zure tot neutrale bodems. De vegetatie wordt gestuurd door de beperkte beschikbaarheid van alle nutriënten (Bron: Handboek Natuurdoeltypen, Bal et al.). Uit historische gegevens blijkt dat de flora van de schraallanden rijk is aan soorten. In de kruidlaag van het blauwgrasland waren grassen als tandjesgras, kruipend struisgras en reukgras, zeggesoorten als blauwe zegge en blonde zegge van betekenis. Het schraalland was ook rijk aan mossoorten. Soorten als spaanse ruiter, blonde zegge, blauwe zegge, rondbladige zonnedauw en klokjesgentiaan werden in het verleden waargenomen (Bron: Onbemeste hooilanden in de Krimpenerwaard; een historisch overzicht, Drs B Husson). Door jaarlijks te hooien blijft het voedselarme karakter behouden.

In laagveengebieden komen nat schraallanden voor op locaties met hoge grondwaterstanden, tijdelijke inundaties met gebufferd schoon oppervlaktewater of wat beter gebufferde bodems. Vaak zijn de bodems matig zuur. De aanwezigheid van bufferstoffen is van essentieel belang. De graslanden worden doorgaans niet bemest (Bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12).

Ranges waarbij voor nat schraalgrasland kenmerkende vegetaties kunnen voorkomen voor gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) zuurgraad (pH) en voedselrijkdom.

6

Nat schraalland in de Berkenwoudse driehoek

7

Vochtig Hooiland (N10.02) Vochtig hooiland is ontstaan door de ontginning van moerassen of natte bossen en door langdurig gebruik als hooiland. Vochtig hooiland komt voor op natte veen- en kleibodems. Het gaat om bloemrijke graslanden. Vochtig hooiland is minder zeggenrijk dan nat schraalland. Microgradiënten in het vochtgehalte zijn belangrijk. In vochtig hooiland komen overgangen naar grote zeggenvegetaties en ruigten met moerasspirea voor. Het vochtig hooiland bestaat voor minimaal 60% uit een korte gesloten graslandvegetatie. De vochtig hooilanden worden allen gekenmerkt door vochtige, matig voedselrijke en gebufferde condities. Vochtige hooilanden zijn weinig gevoelig voor overstroming met nutriëntenrijk en slibrijk oppervlaktewater, mits slibafzetting beperkt blijft (maximaal enkele millimeters per winter). Veel dotterbloemhooilanden hebben overgangen naar kleine zeggenvegetaties in veenweidegebieden, als gevolg van stagnatie van regenwater (Bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12). Het meest komt grasland met waterkruiskruid en dotterbloem voor, dat ’s winters onder water staat en ’s zomers maximaal 30 centimeter ontwaterd zijn (Handboek Natuurdoeltypen, Bal et al.). In de schraallanden van de Krimpenerwaard kwamen heischrale soorten als klokjesgentiaan (vaak massaal), harlekijn, tormentil, struik- en dopheide e.d.

regelmatig voor (Bron: Onbemeste hooilanden in de Krimpenerwaard, een historisch overzicht. Drs. B. Husson). Vochtige hooilanden worden jaarlijks gehooid, soms tweemaal al dan niet met nabeweiding. De graslanden worden doorgaans niet bemest. Om verzuring tegen te gaan kan, bij uitzondering, ruige stalmest of bekalking toegepast worden (Bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12).

Ranges waarbij voor vochtig hooiland kenmerkende vegetaties kunnen voorkomen voor gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) zuurgraad (pH) en voedselrijkdom.

8

Vochtig hooiland bij het Paddenpad in de Krimpenerwaard

9

Kruiden- en Faunarijk grasland (N12.02) Kruiden- en faunarijk grasland omvat graslanden die kruidenrijk zijn. De vegetatie kan behoren tot allerlei verbonden van graslandvegetaties; onder meer kamgrasvegetaties of de meer algemene witbolgraslanden. Het grasland wordt meestal extensief beweid of gehooid en niet of slechts licht bemest. Het beheertype Kruiden- en faunarijk grasland kan voorkomen op diverse bodems van vochtig tot droog en heeft doorgaans een (matig) voedselrijk karakter. Gradiënten binnen (grond)waterpeil en voedselrijkdom zorgen voor diverse vegetatietypen. Kenmerkende of bijzondere soorten van schrale beheertypen ontbreken grotendeels binnen Kruiden- en faunarijk grasland. De planten die in dit beheertype voorkomen zijn merendeels algemenere soorten die weinig specifieke eisen aan de abiotische omgeving stellen (Bron: Index Natuur en Landschap, Bij12).

10

Glanshaverhooiland (N12.03) Glanshaverhooiland bevat hooilanden met (zeer) bloemrijke vegetaties van het glanshaververbond. Het komt voor op van matig vochtige tot periodiek overstroomde gronden. Glanshaverhooilanden zijn vegetaties van vochtige tot vrij droge, matig voedselrijke en vaak kalkhoudende omstandigheden. De samenstelling is afhankelijk van onder andere bodemtype, vochtigheid (en eventuele overstromingsduur) en kalkrijkdom. De graslanden kunnen structuurrijk zijn met overgangen naar zoomvegetaties of ruigten. De graslanden worden doorgaans niet bemest (Bron: Index Natuur en Landschap, Bij12).

11

Ruigteveld (N12.06) Tot dit beheertype behoren over grote oppervlakte voorkomende ruigtevelden met dominantie of in mozaïek voorkomende ruigtevegetaties, die meestal ontstaan zijn na grootschalige ingrepen. Plaatselijk kunnen verspreide struiken opslaan of kan struweel voorkomen. In droge ruigte kan riet domineren (Bron: Index).

12

Vochtig weidevogelgrasland (N13.01) Vochtig weidevogelgrasland omvat natte en vochtige graslanden met primair een weidevogeldoelstelling; beiden zijn belang voor een diversiteit in soorten. De zuurgraad dient matig zuur tot neutraal te zijn, de voedselrijkdom is minimaal licht voedselrijk. Het kan zowel kruidenrijke als door bemesting voedselrijke (raaigras)graslanden bevatten (Bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12). Weidevogelgrasland wordt doorgaans gekenmerkt door hoge grondwaterstanden. In de winter liggen de waterstanden dichtbij of net boven het maaiveld. Weidevogelgrasland kenmerkt zich door een mozaïek van verschillende beheersvormen van grasland (diversiteit in maaidata, beweiding, plasdras etc.), een rijke en bereikbare bodemfauna, insectenrijkdom als gevolg van een kruidenrijke grasmat (‘kuikengrasland’), een open landschap met weinig dekking voor predatoren en brede, rijk begroeide slootkanten. De graslanden worden periodiek bemest met organische mest om het aanbod van voedsel te verzorgen voor weidevogels. De bemestingsdruk mag echter niet te hoog zijn, landelijk wordt aanbevolen een bemesting elke 3 jaar met 20 ton ruige stalmest per hectare, waarbij de natste delen niet bemest worden (Bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12).

13

Hoog- en Laagveenbos (N14.02) In de Krimpenerwaard komt van dit beheertype laagveenbos voor. Laagveenbos komt voor op natte standplaatsen op venige bodem met dominerende soorten als zwarte els, zachte berk en grauwe wilg. Vegetatiekundig behoren deze bossen tot het Elzenverbond, verbond van de berkenbroekbossen en verbond van wilgenbroekstruwelen. Zwarte els en moerasplanten domineren. De grondwaterstand is in de winter op of aan maaiveld en in de zomer zakt deze slechts ondiep weg. Wanneer de grondwaterstand meer dan circa een halve meter wegzakt, leidt dat tot mineralisatie van veen en het optreden van vochttekorten, hetgeen leidt tot een afname van de soortenrijkdom en verruiging van de vegetatie. In de laagveenbossen vindt buffering vooral plaats onder invloed van oppervlaktewater dat zich onder de kragge bevindt. Naarmate de veenlaag dikker wordt neemt de oppervlaktewaterinvloed af en verzuurt de bovengrond onder invloed van regenwater. In laagveenbossen met elzen ontstaat variatie bij een hoge ouderdom door het ontstaan van hogere wortelkluiten en poelen na het omvallen van oude bomen. Opvallend binnen bos op laagveen zijn diverse typische moerasplanten, zoals moerasvaren. Veel veenbossen zijn op een natuurlijke manier ontstaan, soms na stopzetten van maaibeheer van rietlanden (Bron: Index Natuur en Landschap, Bij12).

Ranges waarbij voor hoog- en laagveenbos kenmerkende vegetaties kunnen voorkomen voor gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) en gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG).

14

Eendenkooi (N17.04) Eendenkooien kennen een aantal onderdelen: allereerst de kooiplas, een centraal stuk open water. Aan de kooiplas zitten drie of meerdere vangpijpen; sloten, voorzien van rietschermen, waar de eenden in gelokt kunnen worden. Het complex van kooiplas en vangpijpen is omgeven door het kooibos. Er wordt onderscheid gemaakt tussen levende kooien en rustende kooien. De zogenaamde levende kooien kennen speciale rechten (afpalingsrecht) en moeten vangklaar zijn. Rustende kooien kennen deze rechten niet en hier is geen minimumeis aan de staat van onderhoud. Het beheer bestaat uit het openhouden van kooiplas en vangarmen, onderhoud in het kooibos en het vangklaar houden van minimaal één van de vangarmen.

Een eendenkooi in Deelgebied Bilwijk

15

bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht

Bijlage 3 Landschapsbeheertypen

26

Bijlagen bij regels

Bijlage 2 Landschapsbeheertypen In deze bijlage zijn de landschapsbeheertypen beschreven die in het plangebied worden nagestreefd. Hiervoor is de Index Natuur en Landschap benut. De Index Natuur en Landschap beschrijft welke typen natuur, agrarische natuur en landschap we kennen in Nederland en is de basis voor de natuurbeheerplannen van de provincies. De Index vervangt eerdere beschrijvingen en typeringen, ten behoeve van een goede afstemming tussen beheerders en overheden en om interpretatieverschillen tussen natuur- en landschapsdoelen te voorkomen.

Poel en klein historisch water (L01.01) Algemene beschrijving Poelen zijn natuurlijke of gegraven laagtes, gemaakt om over water voor vee te kunnen beschikken. Andere al dan niet gegraven kleine wateren met een historische betekenis zijn bijvoorbeeld voorraadbassins voor bluswater, visvijvers, schapenwasplaatsen, pingoruïnes en veenputten. Vaak vervulden poelen meerdere functies. De mens heeft altijd water nodig gehad en daarvoor zijn zowel bestaande natuurlijke wateren als zelf gegraven laagtes gebruikt. Ook uit de middeleeuwen zijn putten en kuilen bekend. Tot op de dag van vandaag worden poelen gegraven en gebruikt. Poelen en kleine wateren in het landschap kunnen dus al eeuwen oud zijn, alhoewel sommige van zeer recente datum zijn, denk aan nieuw gegraven amfibieënpoelen. Het beheertype Poel en klein historisch water is te vinden in heel Nederland. Er zijn diverse vormen bekend. In het waterrijke West-Nederland dienden de sloten veelal als veedrinkplek en waren poelen dan ook minder noodzakelijk. In dit gebied vinden we de veenputten die door het kleinschalig afgraven van veen zijn ontstaan. Als drinkplaats voor vee zijn poelen daar te vinden waar ander drinkwater niet voorhanden was. Vooral in Oost- en Zuid-Nederland zijn poelen veel voorkomende landschapselementen. In de kustgebieden zijn poelen aangelegd om in zoet water te voorzien in een zilte omgeving.

Deze poelen werden dan in een kunstmatige verhoging gegraven. Dit zijn de zogenaamde hollestelles. Deze zijn vooral in Zeeland te vinden en liggen vaak buitendijks. Wateren die als bluswater dienden zijn veel nabij boerderijen en nederzettingen te vinden. Visvijvers komen vooral veel in Brabant en Zuid-Limburg voor. Het is belangrijk de historische contouren/vormen te behouden, zeker bij de visvijvers. Openheid rondom (een deel van) de poel kan de zichtbaarheid en beleefbaarheid vergroten en is van belang om een goed voortplantingsbiotoop voor amfibieën te behouden. In het verleden was zeker bij veedrinkpoelen het element bereikbaar voor vee en dus in ieder geval deels onbegroeid. Vaak stonden er wel enkele bomen bij een poel voor schaduw voor de dieren en tegen verdamping. Soms kennen poelen gemetselde randen, zoals uit Zuid-Limburg bekend is. Poelen zijn van groot belang als voortplantingsbiotoop voor amfibieën en libellen in het cultuurlandschap. Afbakening  Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Een poel mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied.  Het element heeft een oppervlakte van minimaal 0,5 en maximaal 50 are.

 Vijvers die een onderdeel zijn van een park- of tuinaanleg vallen niet onder dit beheertype, maar onder beheertype Historische tuin.  Sloten behoren niet tot dit beheertype.

2

Houtwal en houtsingel (L01.02) Algemene beschrijving Houtwallen en houtsingels komen in heel Nederland voor en er zijn vele lokale varianten zoals; graften, grubben, dykswâlen, schurvelingen of houtkaden. Houtwallen komen vooral voor in cultuurlandschappen in het Zandgebied, Heuvelland en het Duingebied. Lijnvormige landschapselementen met wallichaam in het laagveengebied worden houtkade genoemd. Ook de begroeiing op graften en holle wegen in Zuid-Limburg valt onder dit type. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringende landschap. Houtwallen en houtsingels zijn bepalend voor het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden. Deze lijnvormige elementen vormen een belangrijk biotoop voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Ze zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen en als verbindingszone voor fauna. Afbakening Een houtwal of houtsingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken. De begroeiing wordt als hakhout beheerd.  De houtwal of houtsingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed.  Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.03 Elzensingel.

 Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype.

3

Elzensingel (L01.03) Algemene beschrijving Elzensingels zijn lijnvormige landschapselementen die bestaan uit een enkele rij zwarte elzen, en vaak langs slootkanten staan. Deze elzensingels komen vooral voor in het laagveen-, zand- of rivierengebied en zijn zeer kenmerkend voor de Friese Wouden en komen in verscheidene andere delen van Nederland voor, zoals het Groninger Westerkwartier, de Gelderse Vallei, Midden-Brabant en de gebieden rond Staphorst en Vriezeveen. Elzensingels zijn van belang voor schuilmogelijkheden voor fauna in het cultuurlandschap. Afbakening  Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten éénrijig landschapselement dat grotendeels bestaat uit Zwarte els en als hakhout wordt beheerd.  Een elzensingel is minimaal 25 meter lang.  Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype L01.13 Bomenrij/solitaire boom.  Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype.

4

Knotboom (L01.08) Algemene beschrijving Knotbomen zijn bomen met een opgaande stam, waarbij periodiek de boven op die stam groeiende takken (of pruik) worden geoogst. Door die oogst ontstaat er op deze hoogte een vergroeiing van de stam: de knot. De knotboom levert gemakkelijk oogstbaar hout op dat op een plaats groeit waar het vee er niet bij kan. Knoteiken worden traditioneel een keer in de zeven tot acht jaar geknot. Bij knotessen gebeurde dat eens in de vijf tot zes jaar en knotwilgen en knotpopulieren worden meestal eens in de vier jaar geknot. Al van voor het begin van onze jaartelling zijn er vermeldingen bekend van knotbomen. Het gaat dan om de soorten wilg, populier, es, els, eik en haagbeuk. Knotessen, knothaagbeuken en knoteiken kunnen bijzonder oud worden. Ook wilgen en bijvoorbeeld populieren worden als knotboom veel ouder dan wanneer ze vrijuit groeien. Voor grote delen van vooral Laag Nederland is de knotwilg een zeer kenmerkend landschapselement. Utrecht en Zuid-Holland zijn de provincies met de meeste knotbomen, geschat wordt dat het alleen daar al om honderdduizenden exemplaren gaat. Andere knotboomrijke gebieden zijn Zuid-Limburg, de Achterhoek, de Liemers, het gebied van de grote rivieren en Zeeuws-Vlaanderen. Het silhouet van knotbomen is uit veel regio’s bekend. Per gebied verschillen echter wel de boomsoorten die ervoor worden gebruikt.

In het oosten van het land staan knoteiken, essen en wilgen in houtwallen en als overstaanders in heggen. Maar ze zijn daar en in het zuiden ook te vinden in graften, langs holle wegen en terras- en bosranden. Ze komen zelfs midden in bossen voor als markering van vroegere hakhoutpercelen. Knotelzen staan vaak op armere gronden, ze zijn vooral kenmerkend voor akkerranden in landschappen met kampontginningen, slagenlandschappen en esdorpenlandschappen. Ze kwamen vroeger op veel plaatsen in Nederland voor, langs slootkanten als geknotte elzenhagen, maar ook in rijen tussen akkers en weilanden. In laagveengebieden en langs rivieren en dijken staan verschillende wilgen- en populierensoorten, maar daar en vooral in het laagveengebied worden ook gewone essen gebruikt. De bodem heeft daar weinig draagkracht en essen kunnen geknot veel ouder worden dan doorgroeiende essen. Knotbomen bieden broedgelegenheid aan diverse vogels, waaronder de Steenuil en Wilde eend. Vooral oude knotbomen kunnen zeldzame hierop groeiende mossen en korstmossen herbergen. Afbakening  Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot).  Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in kleine groepen. Een kleine groep bestaat uit maximaal 20 bomen.

 Vlakvormige elementen met knotbomen, behoudens kleine groepen, horen niet tot dit beheertype maar kunnen mogelijk gerangschikt worden onder het beheertype L01.12 Hakhoutbosje of L01.13 Griendje mits voldaan wordt aan de eisen van deze beheertypen.

5

Hakhoutbosje (L01.11) Algemene beschrijving Boeren hebben al eeuwenlang behoefte aan hout voor allerlei doeleinden. Het kan hierbij gaan om brandhout, staken voor de groentetuin of hout voor gereedschapsstelen. Dit soort bosjes wordt in de volksmond ook wel geriefhoutbosje genoemd. In de loop der tijd zijn deze bosjes vaak in onbruik geraakt omdat er steeds minder behoefte aan het hout kwam. Ook werden in sommige regio’s deze bosjes gebruikt om aan ziekten doodgegaan vee te dumpen. Afbakening  Een hakhoutbos(je) is een vrijliggend vlakvormig landschapselement, met inheemse bomen en/of struiken dat als hakhout wordt beheerd.  Een hakhoutbosje is minimaal 1,0 are en maximaal 1,0 hectare groot.  Kleine vrijliggende bosjes zonder hakhoutbeheer of met een zeer beperkte vorm van hakhoutbeheer behoren tot het beheertype L01.04 Bossingel en Bosje

6

Rietzoom en klein rietperceel (L01.14) Algemene beschrijving Rietzomen bestaan uit smalle rietstroken die grenzen aan agrarisch gebruikte percelen. Deze rietstroken kunnen zowel individueel als in samenhang met elkaar voorkomen, en in de laatste vorm soms vele kilometers lengte beslaan. Vanwege een extensief gebruik van deze rietzomen, zijn ze een belangrijk broedgebied voor rietvogels, en eveneens van belang voor amfibieën, ringslang, libellen en moerasvegetaties. Afbakening  Een rietzoom bevindt zich langs een waterloop en bestaat uit riet-, biezen en/of zeggevegetaties, waarvan riet meer dan 50% van de oppervlakte inneemt.  De rietzoom heeft een breedte van minimaal 2 meter en is minimaal 25 meter lang.  Een klein rietperceel is een vlakvormig element met een vegetatie die overwegend uit riet bestaat. Het rietperceel heeft een maaibare oppervlakte van maximaal 0,5 ha.

7

Natuurvriendelijke oever (L01.15) Algemene beschrijving Natuurvriendelijke oevers komen in heel Nederland voor langs waterlopen maar het meest karakteristiek zijn de natuurvriendelijke oevers voor Laag Nederland. Natuurvriendelijke oevers zijn door de mens aangebracht in de vorm van een plas- of dras berm of een flauw talud langs een bestaande waterloop. De begroeiing bestaat uit plantensoorten van natte ruigten en natte graslanden. Door de kenmerkende flora en fauna hebben deze oevers een hoge ecologische waarde. Zij zijn gebonden aan typische terreinomstandigheden. Afbakening  Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een plas- of drasberm of flauw talud (minimaal 1:3) met een begroeiing van inheemse planten.  De oever heeft een breedte van tenminste 3 meter en maximaal 10 meter en heeft een minimale lengte van 25 meter.

8

bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht

Bijlage 4 Slootbeheertypen

Bijlagen bij regels

35

Bijlage 3 Slootbeheertypen In deze bijlage zijn de slootbeheertypen beschreven die in het plangebied worden nagestreefd. De bestaande natuurbeheertypen dekken niet de variatie in waternatuur die binnen een veenweideslotennetwerk mogelijk is. Het streven is een variatie aan waternatuur te krijgen, met nadruk op de voedselarmere type en verlandingstypen. Er zijn daarom een aantal slootbeheertypen benoemd om richting te geven aan deze beoogde variatie.

Kroos of draadalgensloot Sloten die gedurende een groot deel van het groeiseizoen voor een groot deel begroeid zijn met kroos of draadalgen. Door de krooslaag groeien er vaak geen ondergedoken waterplanten en is het zuurstofgehalte van het water laag. De macrofaunagemeenschap is daardoor soortenarm en er is een risico op vissterfte. Deze begroeiing is te vinden in zeer voedselrijk water (hoge nutriëntenbelasting) en ontstaat eerder in ondiepe watergangen.

2

Uniform begroeide sloot Sloten met vrij veel ondergedoken waterplanten zoals grof hoornblad of smalle waterpest die de hele waterkolom vullen. Door de waterplantenbegroeiing is een geschikt leefmilieu voor kleine waterdieren en kleine of jonge vis. Door de uniforme begroeiing en de sterke schommelingen in zuurstofgehaltes is de soortenrijkdom hiervan wel beperkt. Deze begroeiing is te vinden in matig voedselrijk water met een voedselrijke bodem, meestal de smallere watergangen en regelmatig onderhoud.

3

Gevarieerd begroeide sloot Sloten met een variatie van ondergedoken en drijfbladplanten met daartussen open water. Deze begroeiing is door de variatie aan biotopen en door een stabiele zuurstofhuishouding zeer geschikt voor een grote variatie aan kleine waterdieren en vis. Deze begroeiing is alleen te vinden in voedselarm water (inclusief bodem) met een lage onderhoudsfrequentie en kan zowel worden gevonden in kleine en ondiepe wateren als in brede en diepe vaarten

4

Diepe, weinig begroeide sloot Sloten die niet of nauwelijks begroeid zijn met waterplanten. In deze wateren is vaak vooral grote (oude) vis te vinden. Deze sloten kunnen een belangrijke functie hebben voor de overleving van vis bij warm of koud weer. In voedselrijke wateren is de begroeiing beperkt door een overmaat aan algen, waardoor de zuurstofgehaltes sterk kunnen schommelen. In voedselarme wateren kan zwevend stof, humuszuren of het maaibeheer de reden zijn voor de beperkte begroeiing. Vaak te vinden in watergangen die relatief breed en diep zijn.

5

Krabbenscheersloot Sloten met een krabbenscheervelden die daardoor ook geschikt zijn voor de groene glazenmaker en voor broedende zwarte sterns. Krabbenscheervelden kunnen ontstaan in matig tot voedselrijk water met relatief extensief maaionderhoud, maar waar door regelmatig baggeren wel voldoende waterdiepte aanwezig is. Omdat de plant zich alleen vegetatief voortplant zijn nabijgelegen bronpopulaties nodig voor de ontwikkeling.

6

Verlandingsvegetatie Sloten met een dichte begroeiing van oever- en drijfbladplanten. Dergelijke sloten zijn waardevol voor libellen, amfibieën en voor specifieke vissoorten zoals modderkruipers. Extensief onderhoud (maaien én baggeren) is een voorwaarde. In voedselrijke wateren ontstaat deze vegetaties snel, in voedselarmere wateren duurt het langer.

7

bestemmingsplan Lekdijk-West 113, Bergambacht

Bijlage 5 Inrichtingsplan Krimpenerwaard

44

Bijlagen bij regels

05-03-2019

INRICHTINGSPLAN KRIMPENERWAARD DEEL A

Versie: Datum:

9.0 5 maart 2019

1

Colofon Titel Projectnummer Fase Bestuurlijk OG Programmamanager Projectleider van Telefoon Bureauhoofd Auteurs

Inrichtingsplan Krimpenerwaard DOS-2017-0006333 Definitiefase

R.J.M. Ligtenberg Stuurgroep Veenweiden Krimpenerwaard

A.M. Bijlmer (Programmabureau Veenweide) en W. Stempher (Arcadis)

Bestandnaam Status

2

Inhoudsopgave 1 Aanleiding project ........................................................................... 5 1.1 Kader ................................................................................... 5 1.2 Historie van de natuuropgave in de Krimpenerwaard.................. 6 1.3 Doelen ................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................ 7 2 De natuuropgave ........................................................................ 8 2.1 Uitwerking van de natuuropgave in de Krimpenerwaard .............

8 2.2 Uitwerking naar doelen..........................................................15 2.3 Wordt voldaan aan de opgave?...............................................17 3 Gebiedsbeschrijving....................................................................20 3.1 Ligging ................................................................................20 3.2 Begrenzing en ligging deelgebieden ........................................21 3.3 Ontstaansgeschiedenis Krimpenerwaard ..................................23 Ontstaan van het natuurlijk landschap ..........................................23 Bewonings- en ontginningsgeschiedenis ........................................24 Bodemdaling .............................................................................25 Waterbeheer .............................................................................26 Bemaling...................................................................................26 Ontwikkelingen in de landbouw en veeteelt ...................................27 3.4 Beschrijving huidige situatie en knelpunten ..............................28 Watersysteem ...........................................................................28 Waterkwaliteit ...........................................................................30 Bodem(daling) ...........................................................................32

Natuur ......................................................................................34 4 Natuur ......................................................................................37 4.1 Historisch landschapsbeeld ....................................................37 4.2 Botanische graslanden, historische en huidige natuurwaarden ....38 4.3 Kleinschalige landschapselementen, historische en huidige natuurwaarden ..............................................................................43 4.4 Weidevogels, historische en huidige natuurwaarden ..................44 4.5 Waternatuur, historische en huidige natuurwaarden ..................51 5 Natuurdoelen en -beheertypen.....................................................54 5.1 Natuurdoelen .......................................................................54 Natuurdoelen op landschapsniveau...............................................54 Weidevogelnatuur ......................................................................55 Botanische natuur ......................................................................55 Kleinschalige landschapselementen ..............................................56 Waternatuur ..............................................................................56 Ecologische verbinding................................................................63 5.2 Natuurbeheertypen

...............................................................64 6 Inrichtingsprincipes en uitgangspunten .........................................66 6.1 Weidevogelnatuur: inrichting en beheer ..................................66 6.1.1 Sturende factoren voor een goed weidevogelgebied .........66 6.1.2 Inrichtingsmaatregelen en uitgangsprincipes...................75 6.2 Botanische natuur: ontwikkeling van soortenrijke graslanden .....80 6.2.1 Sturende factoren........................................................80 6.2.2 Inrichtingsmaatregelen en uitgangsprincipes...................83 6.3 Kleinschalige landschapselementen .........................................91 6.4 Waternatuur: variatie in fysische chemie, inrichting en beheer ...91 6.4.1 Fysische-chemie ..........................................................92 6.4.2 Inrichting ...................................................................95

3

6.5 Watersysteem: aan- en afvoer en peilbeheer ......................... 101 Toekomstbestendigheid ............................................................ 104 Peilbeheer ............................................................................... 104 6.6 Ecologische verbinding ........................................................ 108 6.7 Aandachtspunten bij de uitvoering ........................................ 110 Inventarisatie huidige (beschermde) natuurwaarden .................... 110 Inventarisatie houtige landschapselementen ................................ 110 Gefaseerde uitvoering plaggen ................................................... 110 Gefaseerde peilopzet en verplaatsen dotterbloemen ..................... 111 Voorbeeld van een gefaseerde uitvoering op deelgebiedniveau ...... 112 7 Beheer.................................................................................... 113 7.1 Natuurbeheer zonder extensief agrarisch medegebruik............ 113 7.2 Natuurbeheer met extensief agrarisch medegebruik ................ 121 Literatuur ...................................................................................... 125

4

1 Aanleiding project In het Groene Hart, in de driehoek tussen Gouda, Krimpen aan de IJssel en Schoonhoven, ligt het eeuwenoude polderlandschap van de Krimpenerwaard. Al vanaf begin jaren negentig ligt er in dit gebied een substantiële opgave voor het realiseren van 2.250 ha natuur. Partijen in de Krimpenerwaard en de provincie Zuid-Holland werken al langere tijd samen aan de toekomst van het polderlandschap in de Krimpenerwaard. Ontwikkelingen van de afgelopen jaren hebben geleid tot een nieuwe aanpak voor het gebied. Vanaf eind 2014 hebben de regionale overheden uit de Krimpenerwaard aangegeven dat zij zelf deze natuuropgave wil realiseren en dat zij dat wil doen met behulp van agrariërs en beheerders uit het gebied. Dit is vastgelegd in de Gebiedsovereenkomst Krimpenerwaard (2014). Het voorliggend inrichtingsplan is een uitwerking van de natuuropgave door het gebied waarin ook extensief agrarisch medegebruik uitdrukkelijk een plek heeft gekregen. Dit inrichtingsplan vormt daarmee een uitwerking van het nieuwe bestemmingsplan voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van de gemeente Krimpenerwaard.

1.1

Kader

Ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelen uit de Gebiedsovereenkomst wordt er in 2018 door de gemeente Krimpenerwaard een nieuw bestemmingsplan voor de nog te ontwikkelen NNN-gebieden opgesteld. Hierin wordt beschreven waar er natuurontwikkeling zal plaatsvinden en in welke delen natuur gerealiseerd en beheerd kan worden middels extensief agrarisch medegebruik en in welke delen alleen natuurontwikkeling mogelijk is middels regulier natuurbeheer. Parallel daaraan stelt het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard een peilbesluit op waarin de (nieuwe) peilen voor het NNN worden vastgelegd. Beide documenten vragen om een inhoudelijke onderbouwing: het inrichtingsplan. Het inrichtingsplan zal als bijlage worden opgenomen in het bestemmingsplan. Na vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard worden de inrichtingskaarten uit het inrichtingsplan opgenomen in het Natuurbeheerplan van de provincie Zuid-Holland. Het inrichtingsplan leidt daarnaast tot wijziging van het watersysteem (watersysteemgrenzen, waterstromen, hoeveelheid oppervlaktewater). Deze wijzigingen zullen naar verwachting leiden tot bijstelling van de KRW-waterlichamen en de

5

doelen die daar bij horen. De wijzigingen worden meegenomen bij de totstandkoming van het volgende KRW-plan (2022-2027). In het inrichtingsplan wordt, per gebied en natuurtype, de randvoorwaarden voor beheer en inrichting weergegeven. Als zodanig biedt dit plan een kader voor de verdere uitvoering van het NNN (uitwerking van het inrichtingsplan tot een definitief ontwerp en uiteindelijk een bestek) en voor zelfrealisatieplannen van particulieren uit het gebied.

Historie van de natuuropgave in de Krimpenerwaard 1.2

De landinrichting Krimpenerwaard heeft een lange geschiedenis. Aanvankelijk was deze vooral gericht op verbetering van de landbouwkundige status. Begin van de jaren negentig werd er een substantiële natuuropgave aan de plannen toegevoegd. Deze is later gespecificeerd als 2.250 ha nieuw ter ontwikkelen natuur in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, later: Natuurnetwerk Nederland). Deze landinrichting Krimpenerwaard mondde uit in het Veenweidepact Krimpenerwaard dat eind 2005 door vijftien partijen is gesloten. In het pact werkten overheden en maatschappelijke organisaties samen aan de toekomst van de Krimpenerwaard. Eind 2014 hebben de Provincie Zuid-Holland, de voormalige gemeenten van de Krimpenerwaard en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) de Gebiedsovereenkomst Krimpenerwaard 20142021 vastgesteld en ondertekend. In deze overeenkomst staan de afspraken over het aanleggen en beheren van het NNN in de regio met de verschillende partijen. De partijen trekken samen op om de natuurdoelen te realiseren in de Krimpenerwaard.

1.3

Doelen

In de Krimpenerwaard ligt een natuuropgave in het kader van de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Het gaat om het realiseren van doelen voor (weide)vogels en kwetsbare flora en fauna die van oudsher thuishoren in het veenweidelandschap. Deze natuurtypen vormen samen een logische robuuste ecologische structuur en ecologische verbinding. De aanleg vindt plaats in combinatie met de realisatie van een bijpassend robuust en ecologisch duurzaam watersysteem in het kader van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het tegengaan van bodemdaling. De NNN opgave in de Krimpenerwaard staat niet op zichzelf. Doordat in nabijgelegen (veenweide)gebieden eveneens natuurontwikkeling/-herstel plaatsvindt, wordt een groter (landelijk) netwerk van natuur gecreëerd. De

6

opgave is om de oorspronkelijk hoge biodiversiteit van het veenweidegebied robuust te herstellen. Dit is noodzakelijk omdat de biodiversiteit, met name in landbouwgebieden, de afgelopen 30 jaar substantieel is afgenomen (Wereld Natuurfonds, 2015 en CBS, 2016). Ook in de Krimpenerwaard is de biodiversiteit sterk afgenomen. Door herstel van leefgebieden en het creëren van een robuust netwerk van natuurgebieden is uitwisseling tussen populaties mogelijk en zijn populaties in de toekomst beter bestand tegen calamiteiten als droogtestress of strenge winters. Naast de NNN-natuuropgave kent het gebied een KRW-opgave die stelt dat het water een ‘goede ecologische toestand’ moet hebben. Dit wordt uitgedrukt in een chemische doelstelling en een ecologische doelstelling van het water. De biologische kwaliteit is het belangrijkste onderdeel van de kwaliteitsbeoordeling van de KRW voor de ecologische toestand. De meeste waterlichamen in Nederland voldoen niet aan de gewenste 1 biologische kwaliteit in de KRW beoordeling , ook de watergangen in de Krimpenerwaard niet (Schipper e.a., 2016). Nevendoelen van de natuur- en wateropgave is het vertragen en/of waar mogelijk stoppen van de bodemdaling en het mogelijk maken van extensief recreatief medegebruik van het gebied (ook de gebieden buiten de NNNbegrenzing).

In het voorliggend inrichtingsplan wordt hoofdzakelijk ingegaan op de natuur- en wateropgave.

1.4

Leeswijzer

Dit plan bestaat uit 3 delen: beschrijving van het kader en de gevolgde lijn in uitwerking van de opgaven en doelen (hoofdstuk 1 en 2), de inhoudelijke onderbouwing van de natuur- en waterdoelen en hun plaatsing in het landschap (hoofdstuk 3 t/m 5) en de praktische uitwerking van de doelen in het gebied (hoofdstuk 6 t/m 7). In Deel B van het inrichtingsplan, worden de verschillende deelgebieden en hun toekomstige inrichting beschreven.

1

http://www.clo.nl/indicatoren/nl1420-krw-biologische-kwaliteit-oppervlaktewater

7

2 De natuuropgave In Nederland bestaat een groot deel van het landoppervlak al eeuwenlang uit agrarisch gebied. De agrarische activiteit is gedurende die periode op verschillende manieren veranderd maar het landschap heeft altijd plaats geboden aan verschillende soorten die profiteerden van het menselijk gebruik van het landschap (zie verder hoofdstuk 3). Toen echter in de loop van de 20ste eeuw de landbouw veel intensiever werd en het landschap eenvormiger, zijn veel van deze natuurwaarden afgenomen in aantal en diversiteit. Uit onderzoek blijkt dat de afgelopen tussen 1990 en 2013 de biodiversiteit in het agrarisch gebied in Nederland tot 40% is afgenomen (Wereld Natuurfonds, 2015). Ook buiten de agrarische gebieden neemt de biodiversiteit af. Om deze afname te stoppen en de biodiversiteit weer te herstellen, zijn op Rijks- en Europees niveau beleidsprogramma’s gestart. In de jaren ’90 werd de Ecologische Hoofdstructuur (later het Natuurnetwerk Nederland; NNN) en het Natura 2000-programma opgetuigd. Begin deze eeuw werd vanuit Europa de Kaderrichtlijn Water ingesteld die tot doel heeft de waterkwaliteit te verbeteren. De beleidsprogramma’s zijn vertaald naar opgaven per provincie en per gebied.

Een deel van de NNN- en KRW-opgave is in de Krimpenerwaard terecht gekomen in de vorm van 2.250 hectare te realiseren natuur met een goede ecologische en chemische waterkwaliteit in de sloten.

2.1 Uitwerking van de natuuropgave in de Krimpenerwaard In de Krimpenerwaard hebben de gemeente en het Hoogheemraadschap de uitvoering van de natuuropgave op zich genomen. In 2012 is in opdracht van de toenmalige strategiegroep Krimpenerwaard2 een visiedocument opgesteld voor de natuuropgave in de Krimpenerwaard: Grutto en Dotter (DLG, 2012). Op basis van de landschappelijke eigenschappen, abiotische potenties, huidige natuurwaarden en historische referenties van het gebied en op basis van de bedreigde status van bepaalde (veenweide)natuur, is hierin een procentuele oppervlakteverdeling van natuurtypen opgesteld. Deze bestaat uit: • 50% weidevogelnatuur; • 35% botanische natuur; • 15% kleinschalige landschapselementen.

2

waarin de publieke partijen zitten die het Veenweidepact zijn aangegaan.

8

Hoewel de procentuele onderverdeling van deze natuurtypen de indruk wekt dat ze strikt gescheiden zijn, zal er op landschapsniveau een overlap plaatsvinden tussen de typen en versterken ze elkaar. Het is een landschappelijk samenhangend systeem en van een strikte ruimtelijke scheiding van de natuurtypen is in praktijk dan ook geen sprake. De percentages worden als richtlijn gevolgd. De verdeling van natuurtypen kent een wenselijke ruimtelijke configuratie in het landschap (zie hoofdstuk 5). Historische referenties en ecologische eisen van de natuurtypen geven aanwijzingen voor keuzes voor de plaatsing in het landschap van de verschillende natuurtypen. Eén van de belangrijkste randvoorwaarden die bij de realisatie van de natuuropgave is gesteld, is om het agrarisch gebruik binnen de NNNbegrenzing te behouden en te combineren met de natuuropgave. Dit is een politieke wens en geen noodzaak vanuit de natuur- en waterdoelen. Een tweede randvoorwaarde bij de realisatie van de natuuropgave is om een robuust watersysteem te realiseren dat gekenmerkt wordt door grote peilvakken, een efficiënt beheer en zo veel mogelijk afstroming onder vrij verval. In het licht van deze randvoorwaarden zijn enkele kaderstellende besluiten genomen over de indeling van het NNN-gebied in de Krimpenerwaard.

Zo zijn er binnen de NNN-begrenzing delen aangewezen waarbinnen natuurdoelen middels extensief agrarisch medegebruik kunnen worden gerealiseerd en beheerd. Daarnaast zijn er delen waarbinnen alleen natuurbeheer mogelijk is en (extensief) agrarisch medegebruik niet is toegestaan (zie figuur 2.1). In combinatie hiermee zijn er ook uitgangspunten geformuleerd over het peilbeheer in deze gebieden (zie figuur 2.2). De locatie van de gebieden met extensief agrarisch medegebruik zijn mede gebaseerd op de ‘kern – schil’ benadering uit Grutto en Dotter (DLG, 2012). De ligging van de gebieden met extensief agrarisch medegebruik is strategisch gekozen: zoveel mogelijk dicht bij de boerderijlinten en bij voorkeur op de hoger gelegen, meer kleiige gebieden. Hiermee wordt de historische ‘gebruiksgradiënt’ van het oude veenweidelandschap nagebootst: een meer intensief gebruik nabij de boerderij en meer extensief beheer in het (meer venige en nattere) achterland (zie figuur 2.3). Deze ruimtelijke onderverdeling in extensief agrarisch medegebruik en natuurbeheer en de principekeuzes in peilbeheer zijn vastgelegd in de Natuur- en Waterkaders (2014).

9

Waterpeil Voor de realisatie van de KRW- en natuurdoelen is het noodzakelijk om het peil op te zetten en een flexibel (natuurlijk) peilverloop te geven. Een goede waterkwaliteit is sturend voor het behalen van de natuurdoelen. Voor het tegengaan van bodemdaling is peilopzet of peilfixatie een manier om bodemdaling te vertragen. De historische gebruiksgradiënt volgend, komen de meer droge gebieden direct achter de boerderijen te liggen en de meer natte gebieden verder naar het achterland. Dit is vertaald naar het onderscheidt tussen gebieden met extensief agrarisch medegebruik en gebieden met natuurbeheer en leidt daarmee tot een verschil in peilbeheer tussen deze gebieden (zie figuur 2.1). In de gebieden waar alleen natuurbeheer plaatsvindt, gaat het peil (in de meeste gevallen) omhoog en kent het een natuurlijk (neerslag gestuurd) peilverloop. In de gebieden waar extensief agrarisch medegebruik mogelijk is, zal het peil in de meeste gevallen niet omhoog gaan. In sommige van deze gebieden wordt het peil echter wel gefixeerd. Door bodemdaling zullen deze gebieden op den duur een kleinere drooglegging krijgen. De verwachting is dat de bodemdaling zal vertragen als gevolg van deze peilfixatie (zie figuur 2.2).

Zelfrealisatie van natuur Omdat extensief agrarisch medegebruik mogelijk blijft in een deel van het NNN en particulier natuurbeheer een speerpunt is in de realisatie van het NNN, worden particulieren en agrarische bedrijven zo veel mogelijk gefaciliteerd bij hun planontwikkeling voor natuur. Hiervoor is een instrumentenkoffer samengesteld met regelingen en middelen die de grondeigenaar kunnen helpen de natuur te realiseren binnen zijn eigen bedrijfsvoering. Eén van de middelen is het ter beschikking stellen en/of financieren van een ecologisch adviseur. De opgestelde particuliere natuurplannen zijn zoveel als mogelijk meegenomen in dit inrichtingsplan.

10

Figuur 2.1 Delen van het NNN binnen de Krimpenerwaard waar extensief agrarisch medegebruik mogelijk is en delen waar uitsluitend natuurbeheer mogelijk is.

Figuur 2.2 Delen van het NNN binnen de Krimpenerwaard waar geen wezenlijke peilverhoging plaatsvindt (en geen flexibel peilbeheer wordt ingesteld) en delen waar wel een peilverhoging plaatsvindt (en flexibel peilbeheer wordt ingesteld).

11

Figuur 2.3 Een schematisch voorstelling van de historische gebruiksgradiënt waarbij links de meer drogere en voedselrijkere delen van het landschap liggen en naar rechts het vochtiger en voedselarmer wordt (Van Gemeren et al., 2015).

Landschappelijk beeld Met de hierboven genoemde uitgangspunten en met de historische referenties en abiotische randvoorwaarden van de soorten, kan er vanuit de natuuropgave een samenhangend landschappelijk beeld gevormd worden waarin alle natuurdoelen een plek hebben en door hun ligging elkaar versterken. Het landschappelijk beeld heeft (in het grootste deel van het NNN-gebied) de gebruiksgradiënt (zie figuur 2.3) als basis. Dat betekent dat dichtbij de boerderijen er voornamelijk voedselrijkere en drogere natuur te vinden is en meer naar ‘achteren’ (van de boerderij af) de percelen voedselarmer en vochtiger worden. Dit is onder andere terug te vinden in het verschil in beheerrichtlijnen voor terrestrische natuur en het verschil in peilbeheer tussen het voor- en achterland die in dit inrichtingsplan worden beschreven. Weidevogels gebruiken in dit model zowel voor- als achterland waarbij het achterland meer als broed- en kuikenbiotoop wordt benut en het voorland meer als foerageergebied voor de adulte vogels. De hoge botanische waarden, zoals schrale graslanden en verlande sloten, worden met name gevonden in het meer vochtige en schralere achterland waar ook een betere waterkwaliteit in de sloten is te vinden. In de gebieden dichterbij de boerderij, waar extensief agrarisch medegebruik is toegestaan, ontwikkelen ook botanische waarden.

Door gefaseerd sloot- en maaibeheer en minder intensieve bemesting (ten opzichte van de huidige situatie) worden graslanden bloemrijker en gevarieerder. Deze botanische graslanden bevatten meer algemenere soorten dan de botanische graslanden in het achterland. De ontwikkeling van de meer algemenere waarden is echter van belang voor o.a. de insectenrijkdom en een positieve ontwikkeling van het bodemleven.

12

Door minder intensieve bemesting, het (pleksgewijs) vergraven van oevers en het fixeren en/of opzetten van het waterpeil neemt de ecologische kwaliteit van het water toe. De gebieden waar het peil wordt opgezet krijgen een eigen, gescheiden, wateraanvoer waardoor er geen ‘besmetting’ met voedselrijk landbouwwater plaatsvindt. Drijfplanten en onderwatervegetatie nemen hierdoor toe waardoor ook een meer diverse (water)fauna ontwikkelt. Een belangrijke randvoorwaarde hierbij is het wegnemen van eventuele baggerachterstanden en fosfaatrijke baggerlagen in de sloten (kwaliteitsbaggeren). Een ecologische verbinding voor typische veenweidesoorten zoals groene glazenmaker, waterspitsmuis en ringslang, loopt via de meest natte en schrale percelen in het achterland. Doelsoorten van de ecologische verbinding zoals kamsalamander en heikikker geven de voorkeur aan vochtige, soortenrijke graslanden en een soort als groene glazenmaker volgt de watergangen met krabbenscheer. Kleinschalige landschapselementen liggen verspreid door het gebied. Het zijn vaak wat ruigere delen, overhoekjes, eendenkooien, landscheidingskades en pestbosjes, met een cultuurhistorische oorsprong. Het beheer van deze elementen is in de loop van de afgelopen jaren verwaarloosd waardoor ze nog verder zijn verruigd en het hakhout is doorgeschoten.

Vanuit hun cultuur-historische oorsprong liggen deze elementen meestal meer achter in het landschap. De nattere landschapselementen (veenputjes, moeraselementen) vormen in het landschap een onderdeel in de ecologische verbinding voor typische veenweidesoorten terwijl de meer bosachtige elementen als eendenkooien en pestbosjes een habitat vormen voor kleine zoogdieren en vogels. In figuur 2.4 en 2.5 is, ter verbeelding van het hiervoor geschetste landschappelijke streefbeeld, de toekomstige inrichting (conform dit inrichtingsplan) van respectievelijk deelgebied Den Hoek en Middelblok op schetsniveau weergegeven.

13

Figuur 2.4 Toekomstig landschappelijk beeld (schetsontwerp) deelgebied Den Hoek.

Figuur 2.5 Toekomstig landschappelijk beeld (schetsontwerp) deelgebied Middelblok.

14

2.2

Uitwerking naar doelen

Om het landschappelijk beeld te kunnen realiseren, wordt in dit inrichtingsplan gebruik gemaakt van de bestaande ‘natuurtaal’ in Nederland: de SNL en KRW. SNL-typen (natuurbeheertypen) staan beschreven in de index Natuur en Landschap. De KRW kent een soortgelijke verdeling in Rivier- en Meertypen (R- en M-typen) die uitgaat van de natuurlijke toestand van een watertype. Voor uitvoering van de natuuropgave is het dus noodzakelijk om het beeld en de natuurtypen te vertalen naar de SNL-systematiek en de KRW-typen. De SNL- en KRW-typen vormen de bouwstenen voor de realisatie van het NNN-gebied. Deze vertaling is verder uitgewerkt in hoofdstuk 5. Bij de uitwerking van het landschappelijk beeld blijkt dat de combinatie van verschillende natuur- en waterdoelen en de randvoorwaarden die zijn gesteld vanuit de politiek, leiden tot een aantal beperkingen in locatiekeuze voor natuurbeheertypen. Dit heeft gevolgen voor natuurbeheertypen in gebieden met extensief agrarisch medegebruik en voor de locatie in het landschap van typen waternatuur.

Extensief agrarisch medegebruik Omdat er bij de relevante natuurbeheertypen twee typen zijn (vochtig weidevogelgrasland (N13.01) en kruiden- en faunarijk grasland (N12.01)) die een relatief grote differentiatie toestaan in voedselrijkdom en vochttoestand van de bodem, worden in gebieden met extensief agrarisch medegebruik in voornamelijk deze twee typen toegepast (zie verder paragraaf 7.2). Binnen de gebieden met extensief agrarisch medegebruik zullen de natuurbeheertypen vochtig weidevogelgrasland en kruiden- en faunarijk grasland dan ook in een meer droge en meer voedselrijke vorm voorkomen dan in de gebieden waar alleen natuurbeheer mogelijk is. Omdat de gebieden met extensief agrarisch medegebruik en met natuurbeheer meestal aan elkaar grenzen, ontstaat er op deze manier op landschapsniveau een differentiatie van vochtige en droge en voedselarme en (in beperkte mate) voedselrijke gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=2ebd988c-55d1-453f-9eae-7909dff3e6a4