BIJL 3 Bijlagen bij Plantoelichting Bestemmingsplan Bredeweg 3 Haastrecht
Tekst van het document
1,9 km 330 m
Stikstof Geen
AERIUS, reeds uitgevoerd N.v.t.
30 km
Geen
N.v.t.
800 m 16 km
Geen Geen
N.v.t. N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
20
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde sloop van meerdere opstallen en realisatie van 9 nieuwbouw woningen aan de Bredeweg 3 te Haastrecht is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit is reeds gedaan middels de AERIUS-Calculator. Deze stikstofberekening is gerapporteerd in een separate notitie.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Gedurende de werkzaamheden dient de planlocatie bij voorkeur niet extra verlicht te worden in de periode april-oktober. Derhalve dienen de werkzaamheden zo veel mogelijk overdag plaats te vinden. Indien extra verlichting noodzakelijk is, dient lichtverstoring hierbij zo veel mogelijk voorkomen te worden. De verlichting mag derhalve niet omhoog of in de richting van de te behouden woning gericht worden. In de gebruiksfase dient de planlocatie bij voorkeur zo minimaal mogelijk verlicht te worden. De verlichting dient niet direct omhoog of op de woning gericht te worden.
Indien het gebruik van verlichting gewenst is dient gebruikt gemaakt te worden van vleermuisvriendelijke verlichting (lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel en eventueel toepassen van amberkleurig licht).
21
• Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 3. • De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
22
Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1 Bijlage 2
Fotografische impressie Ecologie rugstreeppad
23
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Bredeweg 3 te Haastrecht en bestaat uit een woonperceel met woningen en meerdere bijgebouwen. De foto weergeeft het huis, dat binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden blijft.
Figuur 2
De garageboxen (1) die binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gesloopt worden.
24
Figuur 3
Binnenzijde van de garageboxen (1).
Figuur 4
De schuur (2) welke binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gesloopt zal worden.
25
Figuur 5
Binnenzijde van de schuur (2)
Figuur 6
De opslagruimte (3) welke binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gesloopt zal worden.
26
Figuur 7
Binnenzijde van de opslagruimte (3).
Figuur 8
Het ronde gebouw met rieten kegeldak (4) en kippenhok (5), welke binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gesloopt worden.
27
Figuur 9
Het weiland in het zuidwesten van de planlocatie.
Figuur 10
Een impressie van de tuin (oosten) en groene structuren in de omgeving.
28
Bijlage 2 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (figuur 1, Diepenbeek & Creemers, 2006).
Figuur 1
Impressies van de verschillende levensstadia van rugstreeppad. Bron: bovenste foto’s RAVON, onderste foto’s: Blom Ecologie.
29
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.
Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen.
Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Indien er sprake is van het ontstaan van mogelijk geschikt voortplantingswater dient het ontoegankelijk maken van een perceel voor de migratie en voortplantingsperiode (april-september) uitgevoerd worden. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaars- en zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).
30
Figuur 2
Bij hevige regenval kunnen ondiepe plassen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad, waarin eisnoeren afgezet kunnen worden. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden (bron: Blom Ecologie).
In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode (september-april) van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
Figuur 3
Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn (bron foto’s: Blom Ecologie).
31
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 32
Voortoets stikstofdepositie Ontwikkeling Bredeweg 3 te Haastrecht
Van den Heuvel Milieuadvies Adres: Postcode + plaats: Telefoon: Email: Website:
Lekdijk 44 2967 GB Langerak 0184-600240 info@vandenheuvelbv.eu www.vandenheuvelbv.eu
Titel document: Auteur: Referentie: Versie: Datum:
Voortoets stikstofdepositie ontwikkeling Bredeweg 3 te Haastrecht Trevor Versluis 21202 1.4 30 januari 2023
AERIUS kenmerk aanlegfase: RuGXKgWhBzBc AERIUS kenmerk gebruiksfase: S46GJfcgd4de
Pagina 2 van 16
Inhoudsopgave 1. Inleiding ................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 4 1.2 Plangebied ..................................................................................................................................... 4 1.3 Nieuwe situatie.............................................................................................................................. 5 1.4 Ligging plangebied in relatie tot stikstofgevoelige habitats.......................................................... 6 2. Beleidskader............................................................................................................................. 7 2.1 Wet natuurbescherming ............................................................................................................... 7 2.2 Programma Aanpak Stikstof (PAS) ................................................................................................ 7 2.3 Wet stikstofreductie en natuurverbetering ..................................................................................
7 2.4 Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden.................................................................................... 7 3. Uitgangspunten ........................................................................................................................ 8 3.1 Aanlegfase ..................................................................................................................................... 8 3.2 Gebruiksfase ................................................................................................................................ 11 4. Emissiebepaling ...................................................................................................................... 12 4.1 Aanlegfase ................................................................................................................................... 12 4.2 Gebruiksfase ................................................................................................................................ 12 4.3 Aanwijzing stikstofgevoelige habitat Polder Stein ...................................................................... 13 4.4 Gebouwinvloed ........................................................................................................................... 14 5.
Rekenresultaat en conclusie.................................................................................................... 15
Bijlage – AERIUS-exports ............................................................................................................ 16
Pagina 3 van 16
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Bredeweg 3 te Haastrecht is een woonperceel gelegen, waarop een hoofdgebouw en enkele bijgebouwen zijn gebouwd. De initiatiefnemer is voornemens om de bijgebouwen te saneren en een twee-onder-een-kapper, 10 schuurappartementen, 2 hooibergwoningen en een veldschuur te realiseren. Om de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden vanwege deze ontwikkeling te berekenen is Van den Heuvel Milieuadvies gevraagd een stikstofdepositieonderzoek op te stellen.
1.2 Plangebied Het plangebied betreft het woonperceel Bredeweg 3 te Haastrecht en is kadastraal bekend gemeente Haastrecht, sectie B, nummer 4080. Het plangebied wordt aan alle zijden begrensd door water.
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied
Pagina 4 van 16
1.3 Nieuwe situatie In de nieuwe situatie zijn de schuren gesloopt en hebben deze plaatsgemaakt voor een twee-ondereen-kapper, 10 schuurappartementen, 2 hooibergwoningen en een veldschuur. De boerderijwoning blijft behouden. Daarnaast is het terrein ingericht met verhardingen en parkeerplaatsen.
Afbeelding 2: Situatietekening nieuwe situatie
Afbeelding 3: Impressieschets nieuwe situatie
Pagina 5 van 16
1.4 Ligging plangebied in relatie tot stikstofgevoelige habitats Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat is gelegen binnen het Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’ en is gelegen op een afstand van circa 10,4 kilometer tot het plangebied. Op grotere afstand zijn stikstofgevoelige habitats gelegen binnen de Natura 2000-gebieden ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’, ‘Zouweboezem’ en ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Er zijn geen stikstofgevoelige habitats aanwezig binnen de Natura 2000-gebieden ‘De Wilck’, ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ *, ‘Boezems Kinderdijk’ en ‘Donkse Laagten’. Tabel 1: Stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden Gebieds- Natura 2000-gebied Circa afstand stikstofgevoelige habitats nummer tot plangebied 70 Lingegebied & Diefdijk-Zuid 21,5 kilometer 82 Uiterwaaden Lek 10,4 kilometer 102 De Wilck Geen stikstofgevoelige habitats aanwezig 103 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 12,8 kilometer 104 Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein 1,8 kilometer * 105 Zouweboezem 14,9 kilometer 106 Boezems Kinderdijk Geen stikstofgevoelige habitats aanwezig 107 Donkse Laagten Geen stikstofgevoelige habitats aanwezig * Op dit moment is het Natura 2000-gebied beleidsmatig niet voorzien van stikstofgevoelige habitats.
Gebleken is dat in het zuidelijk deel (Polder Stein) habitattype glanshaver- en vossenstaarthooilanden aanwezig. Hierom heeft het ministerie het gebied in 2019 bij de Europese Commissie aangemeld als Habitatrichtlijngebied. Het aanwijzen van het habitattype in het Natura 2000-gebied is in voorbereiding. Omdat dit habitattype stikstofgevoelig is, is er in de voortoets vanuit gegaan dat het stikstofgevoelige habitat al aangewezen is. Daarmee wordt een indicatie verkregen of dit plan gevolgen kan hebben tijdens de vergunningaanvragen.
12,8 km
1,8 km
14,9 km
10,4 km
21,5 km Afbeelding 4: Afstand plangebied tot stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden
Pagina 6 van 16
2. Beleidskader 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. Bij significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing op basis van de Wnb verleend kan worden.
2.2 Programma Aanpak Stikstof (PAS) Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen (Natura 2000-gebieden). Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten waar stikstof bij vrij komt. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
2.3 Wet stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet regelt dat er artikels worden toegevoegd aan de Wnb. In de toegevoegde artikels zijn de doelstellingen opgenomen met betrekking tot de reductie van de stikstofdepositie. Om de doelen te realiseren worden maatregelen genomen welke worden opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering. Deze wet voorziet hierin. Daarnaast is in de wet een bouwvrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor activiteiten in de bouwsector toegevoegd. Dit betekent onder andere dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten. De Raad van State heeft op 2 november 2022 in een tussenuitspraak beoordeeld dat de bouwvrijstelling niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. Hoewel de bouwvrijstelling daarmee van tafel is, betekent dat niet dat er nu een algehele bouwstop geldt. Net als in de situatie vóórdat de bouwvrijstelling werd ingevoerd, blijft het mogelijk om per project onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van de uitstoot van stikstof.
2.4 Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden Op 25 november 2022 heeft de Minister voor Natuur en Stikstof het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden vastgesteld. Hiermee zijn de aanwijzingsbesluiten van 101 Natura 2000-gebieden gewijzigd. Deze habitattypen en soorten zijn door middel van het wijzigingsbesluit aan de aanwijzingsbesluiten toegevoegd. De betreffende habitattypen moeten worden betrokken bij toestemmingverlening.
Pagina 7 van 16