BIJL 3 - 20230915_t_NL.IMRO.1931.BP2102BT043-VG01 - 18 sep
Tekst van het document
Op kavelniveau zijn er voor de bedrijven die zich in de toekomst op het terrein willen vestigen mogelijkheden voor het treffen van aanvullende maatregelen om meer waterbergend vermogen te creëren. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat voor het plangebied een kleine kans op overstromingen van tussen de 1/300 per jaar en 1/3.000 per jaar geldt. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Hitte Het plangebied is thans gelegen in het buitengebied, waar hittestress een minder belangrijk rol speelt dan in het stedelijk gebied. Met de beoogde ontwikkeling worden meerdere maatregelen getroffen die hittestress tegengaan. Het plangebied wordt aan de randen groen (o.a. natuurlijke oevers) ingericht en er wordt nieuw oppervlaktewater aangelegd. Het planten van nieuwe bomen (aan de bedrijfsstraat) zorgt voor meer groen en schaduw en het aanbrengen van water brengt koelte. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in halfverharding. Dit levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress.
Voor bedrijven die zich in de toekomst op het terrein willen vestigen zijn er, zowel bij het ontwerp van het gebouw (bijvoorbeeld groene daken) als de inrichting van het buitenterrein, mogelijkheden voor het treffen van aanvullende maatregelen om hittestress tegen te gaan.
28
Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen en rondom het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan. In de huidige situatie zijn er al verschillende watergangen rondom het plangebied aanwezig. Door de randen van het plangebied verder groen in te richten wordt een bijdrage geleverd aan het vasthouden van water. Conclusie Vanuit de Omgevingsverordening worden er aanvullend op het voorgaande geen eisen gesteld aan het voorgenomen plan op de betreffende locatie. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsverordening.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Kwantitatieve bedrijventerreinenstrategie regio Midden-Holland Zoals vermeld is in toelichting paragraaf 3.1.3 heeft de regio Midden-Holland als uitwerking op de provinciale behoefteraming een kwantitatieve bedrijventerreinenstrategie opgesteld ('Naar een bedrijventerreinenstrategie voor Midden-Holland' d.d. 5 maart 2020). In deel I van de bedrijventerreinenstrategie wordt de kwantitatieve verdieping van vraag en aanbod van bedrijventerreinen in de regio Midden-Holland behandeld. Er wordt concreet ingegaan op de locatie- en huisvestingseisen van de sectoren uit de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen en de verwachte omvang van de vervangingsvraag die ontstaat als gevolg van transformatie van bedrijventerreinen. Midden-Holland beschikt over een groot aantal bedrijventerreinen die een grote economische en maatschappelijke waarde hebben voor de regio. De bedrijventerreinen zijn goed voor ca. 37% van de totale werkgelegenheid in de regio. De ruimtevraag voor bedrijven bestaat uit twee componenten: 1. 2.
uitbreidingsvraag; dat is de vraag die ontstaat door groei van bestaande bedrijven en instroom van bedrijven van buiten de regio; en vervangingsvraag; dat is de vraag die ontstaat door transformatie van bestaande bedrijventerreinen en uitplaatsing van bedrijven.
29
Planspecifiek Met het voorliggende plan wordt het bedrijventerrein De Nieuwe Wetering aan de oostzijde uitgebreid. Uit de vertaling van provinciale behoefteraming voor bedrijventerreinen in de kwantitatieve bedrijventerreinenstrategie voor de regio Midden-Holland blijkt dat er in de regio Midden-Holland tot en met 2030 naar verwachting een uitbreidingsvraag van 79-92 ha bestaat. De uitbreidingsvraag is onderverdeeld in drie segmenten:
• • •
regulier gemengd (MKB): 43-52 ha; grootschalige logistiek (> 3 ha): 31 ha; HMC (hogere milieucategorieën): 5-9 ha.
Het plan biedt ruimte aan 4,2 ha netto uit te geven bedrijventerrein. De uitbreiding kan gezien worden als 'regulier gemengd (MKB)'. Voor dergelijke uitbreidingen is er een behoefte van 43-52 ha. De Nieuwe Wetering IV is opgenomen in de meest recente behoefte-inventarisatie van de regio MiddenHolland, waarbij de gemeente Krimpenerwaard als ontwikkelingsperiode 2022-2032 voor ogen heeft. Tevens worden er verschillende bedrijventerreinen in de gemeente Krimpenerwaard, zoals Schoonhoven Noord en Galgoord, getransformeerd naar woningbouw. Hierdoor ontstaat er naast een uitbreidingsvraag ook een vervangingsvraag van ca. 3,5 ha aan bedrijventerreinen van milieucategorie 3.1 of hoger voor de bestaande bedrijven in de gemeente Krimpenerwaard. Ook hier levert de ontwikkeling van De Nieuwe Wetering IV een bijdrage aan. Op dit moment is de nieuwe kwalitatieve bedrijventerreinenstrategie voor de regio Midden-Holland in voorbereiding, die later dit jaar wordt aangeboden aan de provincie ter vaststelling. De Nieuwe Wetering IV is hierin opgenomen met 4 ha (netto).
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard, die de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 14 juli 2021 heeft vastgesteld, geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd. Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:
• • •
Waarden van heel de Krimpenerwaard; Waarden per gebied; Waarden van de kernen.
De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'.
30
In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels. Vitale kernen De kernen zijn het hart van de gemeenschap in de Krimpenerwaard. Hier wonen, werken en ontmoeten mensen elkaar. Hier zijn bloeiende verenigingen, doen mensen hun boodschappen, gaan kinderen naar school en wordt er gesport. Voor alle kernen zet de gemeente onder andere in op de volgende speerpunten:
• • • • • •
toename woningen in relatie tot behoefte; een diverser woningaanbod; ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid; bevorderen gezondheid; gezond en veilig woon- en leefklimaat; toekomstbestendige winkelgebieden.
Planspecifiek De voornoemde speerpunten voor de kernen, waaronder Bergambacht, zijn van toepassing op voorliggend plan. Uit toelichting paragraaf 3.1.3 en toelichting paragraaf 3.3.1 blijkt dat er behoefte is aan bedrijventerreinen in de gemeente Krimpenerwaard. Het beoogde bedrijventerrein zal ingericht worden als een veilige en gezonde leefomgeving plaatsvinden, zoals beschreven is in toelichting paragraaf 2.2. Met name het speerpunt 'ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid' is van belang. Gezonde vitale bedrijven leveren een positieve bijdrage aan de gemeente. Ze zorgen voor werkgelegenheid en dragen bij aan de lokale economie. De gemeente zet in op duurzame, moderne bedrijventerreinen met een meerwaarde voor de Krimpenerwaard. Daarbij wordt gekeken naar de toekomstmogelijkheden van bestaande bedrijventerreinen. Tevens wordt gestreefd naar compacte bedrijventerreinen door uitbreiding bij bestaande bedrijventerreinen. Bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen wordt ingezet op duurzaamheid, maatschappelijke meerwaarde en goede bereikbaarheid. De uitbreiding van bedrijventerrein De Nieuwe Wetering wordt dan ook als wenselijk gezien. Het terrein beschikt over een goede bereikbaarheid via de Handelsweg en de N210. Daarnaast wordt er ingezet op klimaatadaptatie, duurzaamheid, energie-opwek en een goede groen- en waterstructuur.
Er kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan in lijn is met de omgevingsvisie. 3.4.2 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (vastgesteld op 13 december 2016) vormt de welstandsnota van de gemeente Krimpenerwaard. Het doel bij deze nota is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen. Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'. Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven. Per gebied zijn in de nota een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Naast de gebieden zijn op de gebiedenkaart gebieden met een ontwikkelingskader aangegeven. Dit zijn de gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt.
31
Planspecifiek Op de niveaukaart is aangegeven dat voor het plangebied een 'gewoon' welstandsniveau geldt. Op de gebiedenkaart is het plangebied aangeduid als 'landelijk gebied'. De welstandsnota bevat voor gebieden met een 'gewoon' welstandsniveau een set criteria, die stuurt op inpassing van bouwplannen zonder de kwaliteit van het gebied uit het oog te verliezen. De woordkeuze en bandbreedte van de criteria bieden ten opzichte van het bijzondere niveau meer mogelijkheden om tot een eigen invulling te komen. Voor het 'landelijk gebied' is het uitgangspunt dat bouwplannen geen afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de hoofdoriëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. Om de ruimtelijke kwaliteit van voorliggend plan te borgen is een beeldkwaliteitsplan (Buro SRO, 21 december 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1) opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan wordt door de gemeenteraad als aanvulling op de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld en zal het welstandskader bij de omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen vormen.
32
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
33
Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen; D11.3: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarden van een oppervlakte van 75/100 ha of meer en een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De voorgenomen ontwikkeling omvat een bruto oppervlakte van ca. 5 ha. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-procedure) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.procedure plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden de belangrijkste milieugevolgen, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, aan de hand van de relevante selectiecriteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn, in beeld gebracht in een aanmeldnotitie (Buro SRO, 26 januari 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Op basis van de aanmeldnotitie kan geconcludeerd worden dat belangrijke milieugevolgen uitgesloten kunnen worden. Het bevoegd gezag heeft op basis van de aanmeldnotitie een besluit genomen over de uitkomst van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is als bijlage bij de voorliggende toelichting gevoegd (gemeente Krimpenerwaard, 28 maart 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Hieruit volgt dat uitgesloten kan worden dat het project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft en dat het opstellen van een milieueffectrapport daarom niet benodigd is. Er is geen sprake van een aparte bezwaaren beroepsprocedure bij het besluit over de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk Planspecifiek Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik zijn een verkennend bodemonderzoek (AT MilieuAdvies, augustus 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4) en een nader bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek (AT MilieuAdvies, november 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5) uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er volgens de Wet bodembescherming aanleiding voor de uitvoering van nader onderzoek. Ter plaatse van het brughoofd van de brug gesitueerd aan de secundaire weg zijn in de (boven)grond tot ca.
0,55 m -mv namelijk matig tot sterk verhoogde gehalten aan lood, zink en PAK aangetoond. In het nader bodemonderzoek dient de omvang van deze (matig tot) sterke verontreiniging te worden vastgesteld middels verdere horizontale en verticale afbakening. Op deze wijze kan de eventuele ernst van de verontreiniging worden bepaald. Voor een geval van ernstige bodemverontreiniging geldt een saneringsplicht.
34
Elders op de locatie zijn in grond en grondwater geen of licht verhoogde gehalten vastgesteld voor de onderzochte stoffen (reguliere parameters). Deze licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding voor de uitvoering van een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. Ook geven de licht verhoogde gehalten geen beperkingen ten aanzien van het beoogde gebruik van de locatie als bedrijventerrein. De gestandaardiseerde gehalten voor PFAS in de kleiige bovengrond voldoen volgens het Tijdelijk handelingskader aan de toepassingswaarden voor klasse Wonen/Industrie grond. De gestandaardiseerde gehalten aan PFAS in de venige ondergrond voldoen aan de toepassingswaarden voor klasse AW-grond. Vanwege het aantreffen van drie stukken asbesthoudend golfplaatmateriaal op het maaiveld tussen de slootkant en één van de gronddepots alsmede door de aangetroffen bijmenging aan puin in de grond ter plaatse van boringen 05, 08, 13, 36 en 38 dient op deze plekken asbestonderzoek in bodem plaats te vinden. Een bijmenging aan puin kan mogelijk duiden op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Asbestonderzoek in bodem wordt uitgevoerd door middel van het graven van inspectiegaten en het verrichten van asbestanalyses. Verder wordt geadviseerd om alle aanwezige asbesthoudende plaatmaterialen aan het maaiveld van de locatie te verwijderen en af te voeren naar een stortplaats.
Nader bodemonderzoek een indicatief asbestonderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er volgens de Wet bodembescherming geen aanleiding voor de uitvoering van saneringsmaatregelen. De hoeveelheid (matig tot) sterk met lood, zink en PAK verontreinigde bovengrond in de omgeving van boring 36 van het verkennend bodemonderzoek is met nader bodemonderzoek vastgesteld op ca. 20 m³. Het verontreinigingsoppervlak bedraagt ongeveer 35 m², bij een verontreinigde laagdikte van 0,55 m (verontreinigd traject 0,0-0,55 m -mv). Gezien de beperkte omvang (<25 m³) is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waardoor geen saneringsplicht geldt. Uit het indicatief asbestonderzoek in bodem is naar voren gekomen dat de tussenwaarde voor asbest in de grond ter plaatse van de vindplaats van stukken asbesthoudend plaatmateriaal op het maaiveld in het verkennend bodemonderzoek en ter hoogte van boringen 05, 08, 13, 36 en 38 (met een puinbijmenging in de grond) niet wordt overschreden. Hierdoor wordt een aanvullend asbestonderzoek middels proefsleuven niet noodzakelijk geacht. Verondersteld mag worden dat in de grond geen sprake zal zijn van een overschrijding van de interventiewaarde voor asbest. Hierdoor geldt met betrekking tot asbest geen saneringsplicht.
Conclusie Gelet op het voorgaande is de kwaliteit van de bodem en het grondwater in voldoende mate in beeld gebracht en is nader onderzoek niet benodigd. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er dient dan ook geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is vanuit het aspect bodem.
4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
35
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' verslechtert. Indien het plan wel 'in betekenende mate' bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden.
Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Er is een onderzoek luchtkwaliteit (Langelaar Milieuadvies, 28 juli 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6) uitgevoerd. Onderzocht is of er inzake luchtkwaliteit mogelijke belemmeringen zijn vanuit de Wet milieubeheer. Op basis van het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
•
Het onderhavige plan maakt geen gevoelige bestemmingen zoals scholen of kinderdagverblijven mogelijk. Een onderzoeksplicht op basis van de wet- en regelgeving over gevoelige bestemmingen is niet aan de orde.
•
Met behulp van de NSL-rekentool en ISL3a zijn de concentratietoenamen door de ingeschatte bedrijfsemissies en verkeersgeneratie op 38 rekenpunten in de directe omgeving van het plangebied berekend. Op kortere afstand liggen geen plaatsen waar – rekening houdend met het toepasbaarheidsbeginsel – de luchtkwaliteit onderzocht moet worden. De bedrijfsemissies en verkeersemissies leiden cumulatief op geen van de rekenpunten tot een concentratietoename voor stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) die groter is dan 1,2 μg/m³ (3% van de jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m³).
•
Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit op plaatsen waar de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek luchtkwaliteit kan geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het onderhavige plan.
36
4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige objecten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder mogelijk. Er wordt tevens geen nieuw geluidsgezoneerd industrieterrein, een nieuwe weg of een nieuwe spoorweg mogelijk gemaakt. Daarmee is de Wet geluidhinder niet van toepassing. In toelichting paragraaf 4.5 is aandacht voor het aspect milieuzonering (industrielawaai). Er dient geconcludeerd te worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het plan.
4.5 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
37
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
• •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven), zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Het voorliggende bestemmingplan maakt milieubelastende activiteiten mogelijk, te weten bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.1 of 3.2. Derhalve dient beoordeeld te worden of het voorgenomen plan geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving. Om te bepalen op welke plek binnen het plangebied milieubelastende met een bepaalde milieucategorie plaats mogen vinden dient er voldaan te worden aan de richtafstanden volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', waarbij de woningen in de kern Bergambacht ten (noord)westen van het plangebied als maatgevend worden gezien. Dit betreft de woning aan de Provincialeweg 9b en de woningen aan de Godevaertshoef. Voor het deelgebied 'entree' in het noordwesten van het plangebied geldt dat er een gemengde bestemming opgenomen wordt, waar kantoren en bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan zijn. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 m tot woningen. Op een afstand van meer dan 100 m zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. Daarmee wordt er voldaan aan de relevante richtafstanden en vormt het voorgenomen plan geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving. In het voorgenomen plan zijn geen gevoelige bestemmingen opgenomen.
Derhalve hoeft niet beoordeeld te worden of er sprake is van hinder en gevaar door de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten in de omgeving. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
38
4.6 Waterhuishouding 4.6.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Daarnaast zullen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) de komende jaren richtinggevend worden voor het regionale waterbeheer in Nederland. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) In het NBW hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is meesturend voor het ruimtelijk beleid. Als een van de eerste stappen is afgesproken dat de waterschappen in beeld brengen hoeveel waterberging er nodig is om aan de zogenaamde werknormen te kunnen voldoen. Voor stedelijk gebied houdt dit bijvoorbeeld in, dat de hoeveelheid wateroppervlak die nodig is om te zorgen dat bij neerslag het waterpeil maar eens in de 100 jaar tot aan het maaiveld kan stijgen.
39
Kaderrichtlijn Water (KRW) De KRW is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW maakt het mogelijk om verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan de gestelde waterkwaliteitseisen die afhankelijk zijn van onder meer het type water. De KRW is inmiddels geïmplementeerd in Nederlandse regelgeving door middel van de Waterwet. De Waterwet geeft op nationaal niveau onder andere invulling aan de KRW. De KRW is daarmee indirect van toepassing op onderhavig plan.
4.6.2 Beleid Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Het plangebied valt onder Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). De missie van dit hoogheemraadschap luidt: ‘Droge voeten en schoon water’. Deze missie heeft betrekking op de veiligheid en de waterkwaliteit, en is uitgewerkt in het missiestatement: veiligheid voor inwoners en bedrijven, voldoen aan de complexe wateropgave in stedelijk en landelijk gebied, efficiënt en doelmatig werken, oog voor het waterschap als functionele overheid en voor de wijze waarop de organisatie naar buiten treedt. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang. Zo wordt het verlies aan waterberging in de bodem gecompenseerd. Uit berekeningen zal blijken hoeveel ruimte voor compenserende waterberging nodig is. De aanleg van de bergingsvoorziening komt voor rekening van plannemer van de ruimtelijke ingreep. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld.
In het Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Met het waterbeheerprogramma worden allereerst veel van de taken van het waterschap op dezelfde wijze voortgezet. Het waterschap gaat zich de komende jaren richten op de doelen waarvoor waterschappen zijn opgericht:
• • • •
het voorkomen en waar mogelijk beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen; het zuiveren van afvalwater.
Het waterbeheer staat daarnaast voor een grote veranderopgave als gevolg van tal van grote ontwikkelingen. Om te kunnen blijven werken aan ‘droge voeten en schoon water’, moet het hoogheemraadschap zich nog nadrukkelijker en soms met nog meer inzet richten op deze ontwikkelingen. Het hoogheemraadschap gaat aan de hand van drie thema's voor de toekomst aan de slag met deze veranderopgave:
•
een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat in 2027;
• •
een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen in 2027; water en waterschap als onderdeel van de samenleving in 2027.
40
4.6.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie In de huidige situatie bestaat het plangebied uit grasland met watergangen tussen de percelen, waarvan een deel gedempt wordt. Door de uitbreiding van het bedrijventerrein zal er een verhardingstoename optreden. De verhardingstoename, exclusief de reeds aangelegde Handelsweg, is als volgt opgebouwd:
• • •
uitgeefbare kavels (100% verharding, exclusief groene oevers): 38.412 m²; verharding openbaar gebied (100% verharding): 3.494 m²; verhardingstoename: 41.906 m².
Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard hanteert bij middelgrote plannen doorgaans een compensatie-eis tussen 5% en 20% van de verhardingstoename. Voor het betreffende plan wordt in overleg met het hoogheemraadschap een compensatienorm van 10% gehanteerd, wat betekent dat 10% van de verhardingstoename in de vorm van de aanleg van open water (10% van 41.906 = 4.191 m²) gecompenseerd moet worden. Ten opzichte van de uitgangssituatie bedraagt de oppervlakte aan te dempen watergangen 1.590 m². De oppervlakte aan te handhaven water bedraagt 3.057 m². De totale oppervlakte aan water dat binnen het plangebied aanwezig zou moeten zijn, om de watercompensatie opgave binnen het plangebied op te kunnen lossen, bedraagt daarmee 4.191 + 1.590 + 3.057 = 8.838 m². Binnen het plangebied is 4.648 m² aan wateroppervlakte voorzien. Deze oppervlakte bestaat uit 3.057 m² te handhaven water en 1.591 m² nieuw water ten opzichte van de uitgangssituatie. De resterende 4.190 m² aan extra oppervlaktewater wordt buiten het plangebied gecompenseerd. Op het kadastrale perceel gemeente Bergambacht, sectie B, perceel 5155, ten zuidwesten van het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan, wordt 3.319 m² extra oppervlaktewater aangelegd. De overige 871 m² aan extra oppervlaktewater wordt op het kadastrale perceel gemeente Bergambacht, sectie B, perceel 4108, aan de Kadijk, aangelegd.
Op de kaarten die als bijlage bij de toelichting zijn gevoegd (Buro SRO, 21 december 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7) is de watercompensatie opgave visueel weergegeven. Waterkeringen en watergangen Binnen het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. De watergangen in het plangebied zijn in de legger aangewezen als ‘overig water’. Van de watergangen binnen het plangebied wordt een deel gedempt en blijft 1.512 m² behouden. Ter compensatie zijn/worden 3.384 m² aan nieuwe watergangen aangelegd.
41
Hemelwater, afvalwater en grondwater De toekomstige eigenaren van de bedrijfspercelen zijn zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater. Hemelwater, afkomstig van de bedrijfskavels, wordt zo lang mogelijk op eigen terrein vastgehouden, waarna het (vertraagd) afgevoerd wordt via het aanwezige oppervlaktewater. Hemelwater dat infiltreert in de bodem en dat wordt geloosd op het oppervlaktewater moet, al dan niet na zuivering, voldoende schoon zijn. Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen. Hemelwater van het openbaar gebied wordt ingezameld met een regenwaterstelsel en wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. Daarbij kan waterpasserende verharding worden toegepast. De nieuwe bedrijfsgebouwen worden uitsluitend voor de lozing van (huishoudelijk) afvalwater aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Bedrijfsmatig afvalwater mag niet op gemeentelijk rioleringssysteem worden geloosd. Het plangebied zal hoog genoeg aangelegd moeten worden om hemelwater- en grondwateroverlast te voorkomen. Hierbij zal rekening gehouden worden met de peilniveaus van het watersysteem in de omgeving. Conclusie De verhardingstoename die er als gevolg van het voorgenomen plan optreedt wordt gedeeltelijk binnen het plangebied en gedeeltelijk buiten het plangebied gecompenseerd.
Na uitvoering van de watercompensatie vormt het aspect water geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Cultureel erfgoed 4.7.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In en in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook ligt het plangebied niet binnen een beschermd dorpsgezicht. Met het voorgenomen plan zal het verkavelingspatroon van het veenweidelandschap verdwijnen. Echter is het plangebied in de huidige situatie al afgezonderd van het landschap door de aanwezigheid van de Handelsweg. Wel blijven de sloten aan de rand van het plangebied behouden en worden deze voorzien van een groene uitstraling. Hiermee wordt een zachte overgang naar het landschap gecreëerd. Daarmee dient er geconcludeerd te worden dat er als gevolg van het voorgenomen plan geen cultuurhistorische waarden verloren gaan.
42
4.7.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Uit het raadplegen van de Archeologische beleidskaart Krimpenerwaard blijkt dat het plangebied ligt in een gebied met een lage verwachtingswaarde (categorie 7). Hierbij geldt dat er bij bodemingrepen dieper dan 3 m onder het maaiveld en groter dan 10.000 m² een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Naar verwachting worden deze normen niet overschreden.
Desondanks is er een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd om de archeologische verwachting te specificeren (Transect, 1 juli 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). Op basis van het bureauonderzoek geldt in het zuiden van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum - Neolithicum. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied op (de flank van) een rivierduin volgens de geologische kaart. Op deze rivierduin, die mogelijk ook tot in het plangebied reikt, zijn archeologische waarden bekend uit de periode Mesolithicum en Neolithicum. Deze kunnen zich tot een diepte van 8,0 m -Mv bevinden. Het is onbekend op welke diepte de rivierduinafzettingen in het plangebied te verwachten zijn, aangezien deze lokaal sterk kunnen verschillen. Na het Neolithicum is het gebied gelegen in een kom- en veengebied, wat ongunstig is geweest voor bewoning. Het bevindt zich daarnaast buiten de bekende bewoningskernen en is op basis van historisch kaartmateriaal in gebruik geweest als weiland. De archeologische verwachting voor de periode Bronstijd Nieuwe tijd is hierom laag. Conclusie In het plangebied bestaat deels een middelhoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische waarden. Er wordt geadviseerd om deze zone op te nemen in het bestemmingsplan met een middelhoge archeologische verwachting.
Indien er in dit gebied werkzaamheden plaatsvinden die de vrijstellingsgrenzen overschrijden, wordt geadviseerd om een verkennend archeologisch booronderzoek uit te voeren. Dit onderzoek heeft als doel de aan- of afwezigheid van rivierduinafzettingen vast te stellen. Aan de zone met een middelhoge verwachting in het zuiden van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' toegekend. Voor het overige gedeelte van het plangebied geldt een lage archeologische verwachting. Dit gebied kan vrijgegeven worden voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel geldt dat wanneer tijdens de grondwerkzaamheden in het plangebied onverhoopt toch archeologisch relevante zaken tevoorschijn komen, deze conform de Erfgoedwet moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag (in deze de gemeente Krimpenerwaard). Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
43
4.8 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
44
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
45
Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt een bedrijventerrein en daarmee (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk. Er worden geen risicovolle (Bevi)-inrichtingen mogelijk gemaakt in het voorliggende bestemmingsplan. Met de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart.
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (risicokaart.nl)
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Aan de Provincialeweg 9, op het ten westen van het plangebied gelegen bedrijventerrein De Nieuwe Wetering, is een risicovolle inrichting gevestigd. Het betreft Bosch Car Service De Gruyter en De Jong met als hoofdactiviteit handel in en reparatie van auto's. Er is een propaantank aanwezig met een PR 10-6-contour van 10 m. Deze propaantank valt onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De afstand tussen het plangebied en deze risicovolle inrichting bedraagt ca. 280 m. Hiermee vormt de risicovolle inrichting aan de Provincialeweg 9 geen belemmering. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen inrichtingen mogelijk die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Dit is vastgelegd in de artikelen 3.4.1 onder c en 4.4.1 onder c van de regels. Transportroutes van gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt aan de zuidzijde van de Provincialeweg (N210), waarover (in beperkte mate) vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Echter geldt er geen PR 10-6-contour voor deze weg. De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour. Het plangebied is wel binnen het invloedsgebied van het groepsrisico gelegen.
Op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet, ondanks een kleine kans, ingegaan worden op het effect van een ongeval met gevaarlijke stoffen ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
46
Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om de taken goed uit te voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan geschikte uitvalswegen, bluswatervoorzieningen en de aanbevolen opkomsttijd. Het plangebied is goed bereikbaar voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke uitvalswegen. Voor hulpdiensten is de toegang tot het plangebied gegarandeerd middels de Ambachtstraat (westzijde) en de Handelsweg (noordzijde). Voor bluswatervoorzieningen kan gebruik worden gemaakt van het oppervlaktewater in de omgeving. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen, zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie. In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid.
Binnen het plangebied zijn geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Indien toch minder zelfredzame personen aanwezig zijn, wordt ervan uitgegaan dat zij met behulp van valide personen in veiligheid kunnen worden gebracht. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes van de risicobron (noordzijde) af te realiseren. Op die manier kunnen personen wegvluchten van transportroute (N210). Bij een calamiteit met een giftige gaswolk zijn, gezien de intensiteit en de aard van het vervoer van gevaarlijke stoffen en de afstand tot de weg, geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters en het uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Voor de nieuwbouw waar mensen verblijven geldt dat de mechanische ventilatie met één druk op de knop uitgeschakeld moet kunnen worden in geval van een incident in de omgeving. Dit voorkomt dat bij een incident in de omgeving giftige (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Dit kan bereikt worden door de stekker van de mechanische ventilatie op een makkelijk bereikbare plek te plaatsen.
Advies veiligheidsregio In het kader van het wettelijk vooroverleg is de Veiligheidsregio Hollands Midden in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen (artikel 9 Bevt). In het uitgebrachte advies concludeert de veiligheidsregio dat er ten aanzien van de fysieke veiligheid geen aandachtspunten zijn. Buisleidingen Binnen en in de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig. Conclusie Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de N210. In dat kader is er advies uitgebracht door de veiligheidsregio, waaruit volgt dat er geen aandachtspunten zijn. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen inrichtingen of buisleidingen aanwezig. Verder worden er met het plan geen risicovolle (Bevi-)inrichtingen mogelijk gemaakt. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
47
4.9 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden.