BIJL 2 Toelichting en regels C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven BP2109BG029-VG01
Tekst van het document
Bestemmingsplan C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven Gemeente Krimpenerwaard
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Verstoep: Projectnummer Buro SRO:
C. G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven NL.IMRO.1931.BP2109BG029-VG01 vastgesteld 08 februari 2022 3150 / 3313 66.90.37
Opdrachtgever:
Fam. Lindsen, C. Zorgboerderij 'De Hem', C.G. Roosweg 21
Projectbetrokkenen:
Verstoep bouwadvies en architectuur Dhr. J. de Jong Vrouwenmantel 3 2871 NJ Schoonhoven 0182-320111 www.verstoep.nl info@verstoep.nl
In samenwerking met:
Buro SRO Mevr. J. Jentink Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG te Arnhem 026-3523125 www.buro-sro.nl arnhem@buro-sro.nl
2
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3 6.4
5 Inleiding Aanleiding voor het bestemmingsplan Ligging plangebied Leeswijzer Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid Milieu Water Ecologie Verkeer Cultuurhistorie en archeologie Economische uitvoerbaarheid Juridische planbeschrijving Algemeen Wijze van bestemmen Procedure Algemeen Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro Verslag zienswijzen
7 7 7 8 9 9 10 14 14 15 17 21 21 28 29 31 31 33 35 35 35 37 37 37 37 37
Bijlagen bij de toelichting
39
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12
41 43 45 47 49 51 53 55 57 59 61 63
Advies Agrarische BeoordelingsCommissie Cultuurhistorische quickscan Bodemonderzoek Akoestisch onderzoek Geurberekening Resultaat watertoets C.G. Roosweg 23 Resultaat watertoets C.G. Roosweg 21 Quickscan wet Natuurbescherming C.G. Roosweg 23 Ecologische verantwoording C.G. Roosweg 21 Advies veiligheidsregio Hollands Midden Nota van beantwoording vooroverleg Besluit hogere grenswaarde
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
3
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Hoofdstuk 4 Artikel 14 Artikel 15
65 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Agrarisch met waarden Wonen Waarde - Archeologie 5 Waarde - Cultuurhistorie 1 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsgregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
67 67 71 72 72 78 81 84 86 86 86 86 87 87 88 88 89 89 89
Bijlagen bij de regels
91
Bijlage 1
93
4
Sloopkaart
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
Toelichting
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
5
6
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het bestemmingsplan
De eigenaar van het pand aan de C.G. Roosweg 23 in Schoonhoven heeft de voormalige agrarische bedrijfswoning in gebruik als burgerwoning. Deze eigenaar wil nu een karakteristiek bijgebouw op het erf ook in gebruik nemen als woning, om een tweede woning op het perceel te creëren. Tegelijkertijd wil de zorgboerderij "Bij de Hem", eigenaar en gebruiker van het perceel op nr. 21, een nieuwe wagenberging realiseren aan de achterzijde van het perceel en de bestaande moestuin verplaatsen. Binnen het huidige agrarische bouwvlak is daar echter onvoldoende ruimte voor. Deze ontwikkelingen op nr. 21 en 23 passen niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat deze wel passend zijn op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan waarin beide locaties worden opgenomen. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de C.G. Roosweg te Schoonhoven. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging plangebied, plangebied in rood (bron:openstreetmap.org)
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
7
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
8
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
Hoofdstuk 2
Het initiatief
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied ligt in het buitengebied van de Krimpenerwaard, tussen de kernen Schoonhoven en Bergambacht. De C.G. Roosweg is de verbindingsweg tussen deze twee kernen. Langs de weg ligt lintbebouwing bestaande uit agrarische bedrijvigheid en wonen. Het plangebied ligt op de oeverwal langs de rivier Lek. Vanaf de oeverwal werden de veengronden in smalle, opstrekkende kavels ontgonnen. In vergelijking met het veenweidegebied is het landschap op de oeverwal kleinschalig door de hoeveelheid begroeiing op de percelen en hier aanwezige boomgaarden. C.G. Roosweg 23 Op het perceel van nummer 23 was in het verleden een agrarisch bedrijf gevestigd. De boerderij is gesticht omstreeks 1870 en is aan te merken als 'karakteristiek'. Kenmerkend voor het erf is het ensemble van boerderij, hooiberg, wagenschuur en overige bijgebouwen waaronder een boenstoep/spoelhuis. De bijgebouwen hebben hun oorspronkelijke agrarische functie verloren en zijn anno nu niet meer rendabel voor agrarische bedrijfsvoering. C.G. Roosweg 21 Op het perceel van nummer 21 is een agrarisch bedrijf met zorgboerderij gevestigd. Op het terrein staan achter de bedrijfswoning meerdere bijgebouwen. Er is een varkenshouderij aanwezig, die ook onderdeel is van de zorgactiviteiten. Ook worden er kippen gehouden waarvan de eieren vanuit "huis" worden verkocht.
Daarnaast beschikt de zorgboerderij over een aantal zoogkoeien en paarden. De dagbestedingsactiviteiten van de zorgboerderij bestaan uit dierverzorging, werken in de groentetuin, onderhoud van het terrein, houtverwerking en andere activiteiten in de werkplaats.
Luchtfoto huidige situatie, plangebied in rood (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
9
2.2
Toekomstige situatie
C.G. Roosweg 23 Het initiatief is om de bestaande wagenschuur op het erf geschikt te maken voor bewoning. Hiermee wordt het mogelijk gemaakt dat twee generaties samen op één erf kunnen wonen, zodat de kinderen in de toekomst de eventueel noodzakelijke zorg voor hun ouders op zich kunnen nemen. De te verbouwen wagenschuur bestaat uit één bouwlaag met een zadeldak en aan de achterzijde een aanbouw met een lessenaarsdak. De wagenschuur heeft een hoge cultuurhistorische waarde, niet alleen op zichzelf maar ook in combinatie met de andere gebouwen op het erf. Zo blijkt uit de cultuurhistorische quickscan die is opgenomen in bijlage 2.
Huidige voorgevel van de wagenschuur
Bij de verbouw van de schuur tot woning blijven de karakteristieke kenmerken van het gebouw in tact, zoals de gevelopeningen en herkenbare stalramen. De aanbouw aan de achterzijde wordt vernieuwd, zodat de woning voldoende groot is voor een modern wooncomfort.
Impressie van de toekomstige voor- en achtergevel
10
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
Impressie van de toekomstige zijgevels, met behoud van de karakteristieke raampjes
De overige bijgebouwen blijven in stand, met uitzondering van de carport aan de achterzijde van het erf. Een aantal van deze bijgebouwen heeft ook een cultuurhistorische waarde, zoals de hooiberg, de daarachter gelegen gereedschapsschuur en het boenhok aan de oostzijde. In het bouwhistorisch rapport wordt gesteld dat de cultuurhistorische waarden op het perceel tweeërlei zijn: enerzijds op gebouwniveau, anderzijds het traditionele beeld van het erf als geheel (het ensemble). Zo is de te behouden schuur achter de bestaande boerderijwoning op gebouwniveau niet bijzonder, maar voor het historische beeld van het erf wel. Met het oog op het behoud van het ensemble maken, met uitzondering van de tot woning te verbouwen schuur, de waardevolle bijgebouwen onderdeel uit van de woonbestemming bij de bestaande boerderij. De schuur/berging aan de noordoostzijde op het achterste gedeelte van het perceel is op zich niet behoudenswaardig. De schuur gaat echter functioneren als bijgebouw bij de nieuw te realiseren woning, waarvoor een aparte woonbestemming wordt opgenomen.
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
11
Situering van gebouwen op het perceel (tekening: Verstoep bouwadvies en architectuur)
Het agrarisch bouwvlak dat nu doorloopt achter de bestaande bebouwing wordt ingekort en aangepast naar de nieuwe woonsituatie. C.G. Roosweg 21 De zorgboerderij heeft de wens om een nieuwe wagenberging te bouwen aan de achterzijde van het perceel. Daarvoor is het nodig om de bestaande moestuin, die door cliënten wordt onderhouden, te verplaatsen. De hiervoor benodigde ruimte kan niet binnen het huidige bouwvlak worden gevonden. De wens is om het bouwvlak, dat nu een oppervlakte heeft van ca. 3.650 m², te vergroten met ca. 900 m 2. De moestuin wordt gerealiseerd aan de achterzijde en vormt de overgang naar het agrarische gebied.
12
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
Gewenste ontwikkelingen bij zorgboerderij 'De Hem' (tekening: Verstoep bouwadvies en architectuur)
De initiatiefnemers hebben elkaar nodig om hun plannen te realiseren. Voor de eigenaar van nr. 23 is het van belang dat er geen vee meer wordt gehouden in een aantal bijgebouwen op nr. 21, omdat deze gebouwen te dicht op de nieuwe woning staan. Concreet gaat het om een privéberging bij de woning en een gebouw wat nu in gebruik is voor de eierenverkoop en waar konijnen gehuisvest zijn (niet-bedrijfsmatig). De stal waar voorheen varkens werden gehouden krijgt een passende invulling ten behoeve van de zorgactiviteiten. Andersom is de uitbreiding van de zorgboerderij geprojecteerd op gronden die in eigendom zijn van nr. 23. Door de gewenste ontwikkelingen op elkaar af te stemmen en te regelen in één bestemmingsplan, kunnen beide gewenste initiatieven gerealiseerd worden. Ten behoeve van de uitbreiding van het agrarisch bouwvlak is een advies gevraagd aan de Stichting Agrarische Beoordelingscommissie (zie bijlage 1). De commissie heeft geconstateerd dat uitbreiding van het bouwvlak noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en adviseert medewerking te verlenen aan het plan.
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
13
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst. Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied.
Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2). De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
14
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro. Ladder duurzame verstedelijking C.G. Roosweg 23 Met het initiatief wordt een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Volgens de geldende jurisprudentie is er bij een woningbouwontwikkeling van minder dan 12 woningen geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het toetsen van dit initiatief aan de Ladder is dan ook niet nodig. C.G. Roosweg 21 Het bouwvlak van het agrarisch bedrijf met de zorgboerderij wordt met ca. 900 m 2 uitgebreid. Een uitbreiding van een agrarisch bedrijf wordt niet gezien als een stedelijke ontwikkeling, omdat het bedrijf per definitie gebonden is aan het buitengebied. De zorgactiviteiten zijn gerelateerd aan het agrarische bedrijf en de hier aanwezige mogelijkheden.
Verplaatsing van de zorgboerderij naar het stedelijk gebied is dan ook geen optie. Bovendien wordt met dit plan het bouwvlak van nr. 23 ingekort. Per saldo neemt het oppervlak aan bouwvlak hierdoor nauwelijks toe. Een verdere toetsing van het plan aan de ladder is niet nodig.
3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Deze zijn op 01-04-2019 in werking getreden. Met het samenvoegen van verschillende beleidsplannen c.q. verordeningen sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Onder meer de Visie ruimte en mobiliteit en de Verordening ruimte zijn in het Omgevingsbeleid opgegaan. Met het Omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Vanuit het bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beleid voor ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, zoals benoemd op de kwaliteitskaart en uitgewerkt in richtpunten. De kwaliteitskaart toont in vier lagen de gebiedskenmerken en kwaliteiten die de provincie belangrijk vindt. De vier lagen zijn samengevat in één kaartbeeld; de integrale kwaliteitskaart.
De vier lagen zijn: laag van de ondergrond laag van de cultuur- en natuurlandschappen laag van de stedelijke occupatie laag van de beleving
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
15
Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact is. Er wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.
(bron: Omgevingsvisie Zuid-Holland, 2019)
Planspecifiek C.G. Roosweg 23 Op het perceel van nummer 23 blijft het bestaande erfensemble behouden. Een bestaand bijgebouw wordt verbouwd tot een woning. Binnen de systematiek van de omgevingsvisie is hier sprake van een inpassing. De ruimtelijke impact is heel beperkt. C.G. Roosweg 21 Bij de agrarische zorgboerderij op nummer 21 wordt het bouwperceel aan de achterzijde uitgebreid, ten behoeve van een nieuw bijgebouw. Met deze ontwikkeling worden de overige bebouwing en het gebruik van de kavel niet gewijzigd. De opzet van de huidige kavel blijft behouden, met een bedrijfswoning aan het lint en het smalle, diepe bouwvlak met de bedrijfsgebouwen erachter, gescheiden van de naastgelegen percelen door de lengtesloten. Achter de nieuwe bebouwing wordt een moestuin ingericht. Gezien de beperkte omvang van de nieuwe bebouwing die zicht voegt in het verlengde van de al bestaande bebouwing en strokenstructuur, is hier sprake van een inpassing. Het plan past in de ruimtelijke structuur van het gebied. Richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit Op basis van de Kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland behorende bij de structuurvisie zijn twee landschapstypen relevant voor het plangebied. Dit zijn het veen(weide)landschap en de linten. De landschappelijke waarden van het gebied moeten in dit plan behouden blijven.
Veen(weide)landschap De structuur in de veen gebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied is van belang.
16
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
Het maken van nieuwe (agrarische) natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoort daarbij tot de mogelijkheid. Richtpunten: Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders. Planspecifiek In het initiatief blijft de structuur van de beide kavels behouden, met woningen aan het lint en de bijgebouwen erachter, gescheiden van de naastgelegen percelen door de lengtesloten. De nieuwe woning op nr. 23 wordt in een bestaand karakteristiek bijgebouw gerealiseerd. De uitbreiding op nr. 21 vindt plaats in het verlengde van de bestaande bebouwing. Door de moestuin aan de achterzijde te realiseren wordt een geleidelijke overgang naar het veenweidelandschap gerealiseerd. De landschappelijke waarden in het gebied blijven behouden. Milieubeschermingsgebied - boringsvrije zone Het plangebied ligt in een beschermingszone van een waterwingebied, de zogeheten boringsvrije zone. In deze zone zijn boorputten en het graven dieper dan 2,5 meter verboden.
Bij activiteiten in de boringsvrije zone moet voor alle grondroerende zaken een vergunning/ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. Met voorliggend initiatief worden geen ingrepen gedaan die in dit kader vergunningplichtig zijn. Het initiatief past binnen het beleid van de provincie Zuid-Holland.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Nota ruimtelijke kwaliteit De gemeente Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de 'Nota Ruimtelijke kwaliteit' vastgesteld. Doel van de Nota is het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist te harmoniseren en dereguleren met behoud van kwaliteit. Bij de Nota Ruimtelijke kwaliteit horen twee kaarten; de niveaukaart en de gebiedenkaart. Op de niveaukaart is aangegeven wat het minimale toelatingsniveau is om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Op de gebiedenkaart zijn de gebieden weergegeven die zich onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën. Planspecifiek Het zuidelijk deel van het plangebied heeft de aanduidingen 'bijzonder' en 'polderlint'. In de gebieden met een bijzonder welstandsniveau gelden extra criteria die aansturen op een zorgvuldige inpassing van bouwplannen. Inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit zijn hier gewenst. Een plan moet een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het straatbeeld.
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
17
Uitsnede gebiedenkaart, plangebied in rood
Uitsnede niveaukaart, plangebied in blauw
Op de Gebiedenkaart ligt het zuidelijk deel van het plangebied in de 'polderlinten' (groen). De polderlinten hebben een bijzonder welstandsniveau. De waarde is in ieder geval gelegen in het goed behouden historische karakter met als basis de combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen en de afwisselende lintbebouwing. De verkaveling met dicht op elkaar gelegen sloten leidt tot langwerpige kavels met tussen de kavels doorzichten op het achterland. Het uitgangspunt is dat bouwplannen een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de hoofdoriëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. In dit deel van het plangebied staan de bestaande woningen, en wordt de nieuwe woning van nr. 23 mogelijk gemaakt door middel van een interne verbouwing. Met voorliggend plan vinden in dit deel van het plangebied geen ruimtelijke veranderingen plaats. Op de Niveaukaart heeft het overige deel van het plangebied de aanduiding 'gewoon'. Bij een gewoon niveau is het uitgangspunt het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Bouwplannen aan achterkant van een perceel kunnen eenvoudiger beoordeeld worden dan bouwplannen aan de voorkant.
De uitbreiding van het bouwvlak op nr. 21 wordt aan de achterzijde gerealiseerd. Hier geldt, in tegenstelling tot de bebouwing in het lint, een gewoon welstandsniveau. De nieuwe bebouwing wordt in de lijn van de bestaande bedrijfsbebouwing gerealiseerd. De opzet van de huidige kavel blijft behouden, met een bedrijfswoning aan het lint en de langgerekte bedrijfsbebouwing erachter. Met dit plan blijft de bestaande ruimtelijke kwaliteit behouden. Het initiatief is passend binnen de Nota ruimtelijke kwaliteit. 3.3.2 Omgevingsvisie Krimpenerwaard In de Omgevingsvisie (vastgesteld op 14 juli 2021) geeft de gemeente aan welke toekomstige ontwikkelingen zij ziet voor de komende jaren. De visie is opgesteld in samenspraak met de gemeenschap en geeft richting aan ruimtelijk-maatschappelijke ambities en opgaven. Als belangrijke opgaven worden gezien: sterke en leefbare kernen, duurzame economische ontwikkeling, klimaat- en energietransitie en veranderingen in het landelijk gebied. Het buitengebied van de Krimpenerwaard is bijzonder en waardevol. Omdat niet elk gebied hetzelfde is, is een gebiedsindeling gemaakt, verbeeld in de Richting- en Ruimtekaart. Het plangebied ligt in het gebied 'Dynamiek langs de rivieren'.
De speerpunten hier zijn: versterken van de linten ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid fysieke bereikbaarheid waterveiligheid als basisvoorwaarde samenwerken aan een goede waterkwaliteit
18
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
De linten zijn belangrijk voor het beeld van de Krimpenerwaard. Ontwikkelingen in de linten dragen bij aan het behoud van de linten. Bij voorkeur komen nieuwe functies (zoals wonen, recreatie en toerisme, andere agrarische verdienmodellen en duurzame ontwikkelingen) in bestaande (cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing of in de plaats van bestaande bebouwing. Omdat ieder lint zijn eigen karakter en kwaliteiten heeft, kunnen de ontwikkelingsmogelijkheden per lint verschillen. Planspecifiek Het plangebied ligt in de lintbebouwing langs de C.G. Roosweg. Met voorliggend plan is sprake van een passende en relatief kleinschalige door-ontwikkeling op de locaties nr. 21 en 23. De zorgboerderij op nr. 21 is een voorbeeld van verbrede landbouw. Hier is behoefte aan een beperkte uitbreiding van het agrarisch bouwvlak aan de achterzijde om de bouw van een wagenschuur mogelijk te maken. Op nummer 22 is het agrarisch bedrijf beëindigd en het plan is om een cultuurhistorisch waardevolle schuur om te bouwen tot woning, zodat er meerdere generaties op één erf kunnen worden. Beide zijn passende ontwikkelingen in het speerpunt "versterken van de linten". Het initiatief past binnen het beleid van de Omgevingsvisie Krimpenerwaard. 3.3.3 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied', vastgesteld door de gemeenteraad van Schoonhoven op 5 maart 2010.
Tevens gelden het 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', vastgesteld op 29 januari 2019 en het 'Parapluplan Cultuurhistorie en Archeologie', vastgesteld op 30 oktober 2014. In het bestemmingsplan 'Buitengebied' heeft het gehele plangebied de bestemming 'Agrarisch met Waarden'. Op beide percelen ligt een bouwvlak waarbinnen de agrarische bedrijfswoning en de bedrijfsgebouwen gerealiseerd mogen worden. Het perceel op nr. 21 heeft tevens de aanduiding 'Zorgboerderij'. Onderstaande afbeelding geeft de huidige bestemming van het gebied weer.
Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied' gemeente Schoonhoven, plangebied in rood (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
19
De uitbreiding van het agrarisch bouwvlak op nr. 21 en de verbouw van een bestaand bijgebouw tot woning op nr. 23 (in combinatie met de beëindiging van het agrarisch bedrijf ter plaatse) zijn beleidsmatig mogelijk op grond van de wijzigingsbevoegdheden in het bestemmingsplan 'Buitengebied'. In onderhavige situatie is echter gekozen voor een herziening van het bestemmingsplan met het oog op de rechtszekerheid en de onderlinge onlosmakelijke samenhang tussen beide ontwikkelingen. Tevens gelden de volgende plannen: 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' (vastgesteld d.d. 29 januari 2019) om te waarborgen dat er bij nieuwe ontwikkelingen op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. In paragraaf 4.4 wordt hier op ingegaan; 'Parapluplan Cultuurhistorie en Archeologie' (vastgesteld d.d. 20 oktober 2014) met het doel de cultuurhistorische waarden te beschermen (zie ook paragraaf 4.5).
20
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1
Milieu
4.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek C.G. Roosweg 23 Ter plaatse van de nieuwe woonbestemming is een bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 3. Uit het veldwerk blijkt dat er geen asbestverdacht materiaal op of in de bodem of in de puinlaag is aangetroffen. Er zijn geen verontreinigingen aangetroffen die de norm voor nader onderzoek overschrijden. De conclusie uit het onderzoek is dat het aspect bodem geen belemmering is voor de beoogde ontwikkeling. C.G. Roosweg 21 Voor de locatie C.G. Roosweg 21 is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk, omdat de wagenberging geen verblijfplaats betreft waar personen langer dan 2 uur verblijven. Uit een controle van de aanwezige bodeminformatie blijkt bovendien dat de locatie onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. 4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang.
Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
21
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 16001017 (aan de C.G. Roosweg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2018 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)
NO2 (stikstofdioxide) 21,05 µg/m3
PM10 (fijnstof) 19,47 µg/m3
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 11,97 µg/m3
40 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Met het initiatief wordt een nieuwe woning gerealiseerd, wordt het bouwvlak van de bestaande zorgboerderij uitgebreid en wordt een moestuin mogelijk gemaakt. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, gelijk aan 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving.
In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
22
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
Planspecifiek Voor voorliggend document is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. Beide percelen liggen in de geluidscontour van de C. G. Roosweg, een weg met een maximumsnelheid van 80 km/u. Op het perceel van nummer 23 wordt een nieuw geluidsgevoelig object gerealiseerd. C.G. Roosweg 23 Voor de nieuwe woning is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidsbelasting van de omliggende wegen op de nieuwe woning in kaart te brengen. Dit onderzoek is na te lezen in bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt dat de maximale geluidsbelasting op de woning 53 dB zal bedragen. Hiermee wordt de voorkeursgrens van 48 dB overschreden, maar de maximaal toelaatbare grenswaarde wordt niet overschreden. Maatregelen om deze geluidsbelasting te reduceren stuiten op bezwaren van financiële, stedenbouwkundige of landschappelijke aard. Voor de woning is een hogere grenswaarde verleend. Het besluit hogere waarden is opgenomen in bijlage 12. De binnenwaarde van de geluidsbelasting mag niet meer bedragen dan 33 dB. Nadat het definitieve ontwerp gereed is, kunnen de noodzakelijk geluidwerende maatregelen aan de gevels worden vastgesteld. Nr. 21 De uitbreiding van het agrarisch bouwperceel is niet geluidsgevoelig. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
4.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor: geurgevoelig object gelegen in: concentratiegebied binnen bebouwde kom concentratiegebied buiten bebouwde kom niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom
maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m³ 2,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen: binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter; buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom.
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
23
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. Planspecifiek C.G. Roosweg 23 Voor de nieuwe woning is de ligging naast het agrarisch bedrijf op nr. 21 van belang. De afstand tussen de nieuw te realiseren woning en een aantal van de bedrijfsgebouwen bedraagt minder dan de voorgeschreven. 25 meter. Met de eigenaar van nr. 21 is overeengekomen dat in twee gebouwen geen vee (meer) zal worden gehouden. In een derde gebouw kan alleen in het achterste deel nog (rund)vee worden gehouden. Voor rundvee geldt een vaste afstand van 25 meter tot een naastgelegen woning. Aan deze afstand wordt voldaan. In voorliggend bestemmingsplan is vastgelegd dat op een deel van het perceel veestallen zijn uitgesloten. Voor de overige bijgebouwen op het perceel is een geurberekening uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 5. Uit deze berekening blijkt dat het houden van dieren in de overige bijgebouwen niet zal leiden tot overlast voor de bestaand en de nieuwe woning. In deze bijgebouwen van de zorgboerderij kunnen dieren gehouden worden zonder dat dit het woon- en leefklimaat van op nr. 23 negatief beïnvloedt. C.G.
Roosweg 21 De uitbreiding van het agrarisch bouwperceel betreft geen ontwikkeling die gevoelig is voor geur. Zoals hiervoor is vermeld, wordt voor een deel van het agrarisch bouwperceel opgenomen dat hier geen vee mag worden gehouden. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur. 4.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen.
In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
24
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
Planspecifiek C.G. Roosweg 23 De dichtstbijzijnde functies die mogelijk hinder op kunnen leveren zijn het agrarisch bedrijf annex zorgboerderij op het naastgelegen perceel nr. 21 en een kleinschalig dierenpension op de C.G. Roosweg 19. Het aspect geur van het naastgelegen bedrijf is reeds behandeld in paragraaf 4.1.4. Wat betreft mogelijke geluidhinder treden geen wijzigingen op ten opzichte van de bestaande situatie. De bedrijfsgebouwen hebben een afschermende werking voor het geluid. De richtafstanden uit de VNG-brochure gelden voor een 'rustige woonwijk'. In onderhavige situatie is er echter geen sprake van een rustige woonwijk, maar van een gemengd gebied met een menging en woningen en agrarische en andere bedrijvigheid. De richtafstanden kunnen in dat geval met 1 stap worden verlaagd. De richtafstand voor het dierenpension bedraagt daarmee 50 meter. De feitelijke afstand tussen het pension en de nieuwe woning bedraagt ruim 90 meter. Het dierenpension is daarom geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. De woning legt evenmin beperkingen op aan de bedrijfsvoering van het dierenpension, omdat er in dat geval al meerdere woningen op kortere afstand liggen die in dat geval maatgevend zijn. C.G. Roosweg 21 De uitbreiding van het agrarisch bouwperceel is geen milieugevoelige functie.
De uitbreiding vindt plaats aan de achterzijde van het perceel op voldoende afstand van omliggende woningen. Het plan is uitvoerbaar op het aspect milieuzonering. 4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
25
Planspecifiek Met het initiatief wordt een nieuw kwetsbaar project mogelijk gemaakt, namelijk de woning op nr.23. De vergroting van het agrarisch bouwperceel op nr. 21 is uitbreiding van de bestaande functie, die niet leidt tot een verhoging van het groepsrisico. Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Screenshot risicokaart.nl, plangebied in groen omcirkeld
Uit de risicokaart is op te maken dat ten zuiden van het plangebied op ca. 350 meter een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water ligt. Het PR-plafond voor transport over water ligt bij de vaarwegbegrenzing (zwarte stippellijn). Het plangebied ligt gezien de afstand buiten het invloedsgebied van deze transportroute over water. Direct ten zuiden van het plangebied ligt de provinciale weg de N210, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De afstand tussen de beoogde nieuwe woning en de N210 is circa 60 meter. Hiermee ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze weg (200 m). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet voor de (spoor-)wegen, gezien de ligging, worden ingegaan op de mogelijkheden voor: de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. De Veiligheidsregio heeft dit in haar brief d.d. 14 april 2021 gedaan (zie bijlage 10). De Veiligheidsregio heeft geen bezwaren tegen het bestemmingsplan. Wel kunnen aanvullende eisen worden gesteld bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen.
Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire
26
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Er zijn voldoende mogelijkheden om dit advies tijdig op te volgen. Conclusie Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat er voldoende mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid. 4.1.7 Milieueffectrapportage Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. De m.e.r.
is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. het plan of besluit is direct m.e.r.-plichting. Dit geldt in de volgende situaties: a. in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt; b. een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming; c. op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. 2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 'plannen' geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; 3.
het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; 4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht. Planspecifiek Het onderhavige plan omvat de verbouw van een bestaand gebouw tot woning en een uitbreiding van een agrarisch bouwperceel ten behoeve van de bouw van een wagenberging. Deze ontwikkelingen zijn niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in onderdeel D, categorie 11.2 van de bijlage bij het
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
27
Besluit m.e.r.. Het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid 4, zoals hierboven genoemd. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is. Er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht en er hoeft geen aanmeldnotitie m.e.r. te worden opgesteld. Wel zijn in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht (zie hoofdstuk 4). Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in dit bestemmingsplan geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen.
4.2
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Waterbeheerplan 2016-2021 Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de
28
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
leggers. Het hoogheemraadschap houdt het land veilig en bewoonbaar, nu en in de toekomst, en draagt bij aan de leefbaarheid van het gebied. Het beheer en onderhoud zijn gericht op het vergroten van de toekomstbestendigheid van het (afval)watersysteem. Bij grote investeringen in nieuwe infrastructuur en de aanleg van woon- of werkgebieden, denkt het Hoogheemraadschap actief mee met initiatiefnemers over de mogelijke gevolgen van hun plannen voor overstromingsrisico's, wateroverlast, de waterkwaliteit en de afvalwaterketen. In het waterbeheerplan staan 10 doelen van het Hoogheemraadschap omschreven. Deze doelen hebben onder andere betrekking op waterveiligheid, optreden bij incidenten en het onderhouden van de waterkering. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan.
De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Planspecifiek Met voorliggend plan wordt het bouwvlak aan de C.G. Roosweg 21 aan de achterzijde uitgebreid ten behoeve van de bouw van een wagenberging van 200 m². Een deel van het achterterrein is in de huidige situatie reeds verhard. Naar verwachting blijft de uitbreiding van het verhard oppervlak onder de grens van 500 m² waarboven compensatie van waterberging moet plaatsvinden. Als bij verdere uitwerking van de plannen blijkt dat de uitbreiding van het verhard oppervlak meer bedraagt dan 500 m² zal in overleg met het Hoogheemraadschap worden bepaald waar compensatie kan plaatsvinden, bijvoorbeeld door verbreding van de bestaande watergangen. Daarvoor zal dan een watervergunning worden aangevraagd. Op de locatie C.G. Roosweg 23 vindt geen uitbreiding van bebouwing of verharding plaats. Compensatie van waterberging is hier niet aan de orde. Voor beide locaties is de digitale watertoets ingevuld (zie bijlage 6 en 7).
Uit de watertoets blijkt dat nader overleg met het Hoogheemraadschap nodig is, omdat er sprake is van waterstaatkundige belangen. De voorzijde van de percelen ligt binnen de beschermingszone van de watergang. Hier vinden echter geen ingrepen plaats. In het plangebied is geen waterkering aanwezig. Het plangebied ligt in de boringsvrije zone van een waterwingebied. Deze is in voorliggend plan met de gebiedsaanduiding Milieuzone - boringsvrije zone en de bepaling in artikel 9.1 opgenomen. Het initiatief heeft geen gevolgen voor de boringsvrije zone. Het Hoogheemraadschap heeft in haar reactie in het kader van vooroverleg aangegeven dat het plan geen nadelige invloed heeft op het watersysteem. Het plan is uitvoerbaar op het aspect water.
4.3
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-012017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
C.G. Roosweg 21 en 23, Schoonhoven
29
Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek C.G.Roosweg 23 Om de gevolgen van het plan op beschermde gebieden en soorten te beoordelen, is voor de ontwikkeling op het perceel C.G. Roosweg 23 een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Deze Quickscan is te vinden in bijlage 8. De bevindingen en conclusies van dit onderzoek zijn hieronder weergegeven. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op een afstand van ruim 3 kilometer van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Lek' en op 295 meter van het NNN-gebied De Hem en Buitenlanden Ammerstol. Op basis van de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand tot deze gebieden worden hier geen effecten verwacht. De realisatie van een nieuwe woning zal niet leiden tot een toename van stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. Evenmin wordt een effect op weidevogels verwacht. Soortenbescherming In het plangebied zijn geen beschermde dieren- of plantensoorten aangetroffen. In het rapport wordt geconcludeerd dat het project uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming.