CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 2: Plantoelichting Bestemmingsplan IJsseldijk-West 13 Ouderkerk aan den IJssel

Raadsvergadering 17 december 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan IJsseldijk-West 13 Ouderkerk aan den IJssel16.105 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor het borgen van de overzichtelijkheid van de uitrit dient nog wel aandacht te worden besteed aan de bomen direct ten zuiden van de aansluiting. Deze beperken het zicht op en vanaf de aansluiting enigszins. Variant 2 met de aansluiting op de Abelenlaan heeft de voorkeur ten opzichte van variant 1. Verder leidt variant 1 tot (meer) onoverzichtelijke/onveilige situaties vanwege de korte afstand van de oostelijke aansluitingen tot het

38/64

kruispunt IJsseldijk-West – Dorpsstraat – Abelenlaan. Het smalle profiel van de aansluitingen speelt daarbij ook een rol. Tenslotte is het zicht op de openbare weg voor het verkeer dat het plangebied wil verlaten in variant 1 minder dan in variant 2. Immers is in variant 1 een schuine aansluiting vereist in verband met het te overbruggen hoogteverschil, waar deze in variant 2 haaks is. Parkeren In het parapluplan parkeren is vastgelegd dat de parkeerbehoefte wordt berekend aan de hand van het CROW. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is bepaald aan de hand van kencijfers uit CROW publicatie 381. Binnen de beoogde ontwikkeling wordt het bestaande parkeeraanbod van het plangebied opgeheven, daarom is het niet mogelijk om de parkeerbehoefte van de bestaande bebouwing te salderen met de beoogde ontwikkeling. In tabel 4.4 is de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling berekend. Aangezien de beoogde ontwikkeling uitgaat van een ontwikkeling voor senioren, wordt het minimale aantal in de bandbreedte aangehouden. Functie

Aantal

Norm

Parkeerbehoefte

Koop, appartement, duur

15 woningen

1,4 per woning

21

Koop, appartement, midden

8 woningen

1,2 per woning

9,6

Koop, appartement, goedkoop

9 woningen

0,9 per woning

8,1

Totaal

38,7

Tabel 4.4: De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling De norm voor bezoekersparkeren is 0,3 per woning. Voor 32 woningen zijn dit 9,6 parkeerplaatsen. In totaal bedraagt de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling 50 parkeerplaatsen. Op basis van het CROW kan de parkeerbehoefte per periode bepaald worden door te rekenen met de aanwezigheidspercentages voor gecombineerd gebruik. Het maatgevende moment voor wonen is de werkdagavond. Hierbij geldt er voor bewoners een aanwezigheidspercentage van 90% en voor bezoekers van 80%. De parkeerbehoefte voor bewoners bedraagt 34,83 en voor bezoekers 7,7. De totale parkeerbehoefte op basis van dubbelgebruik bedraagt 42,53 parkeerplaatsen, dit zijn afgerond 43 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied worden in totaal 43 parkeerplaatsen gerealiseerd. De totale parkeerbehoefte wordt daarmee volledig op eigen terrein opgevangen. Conclusie De beoogde ontwikkeling zal zorgen voor een verkeerstoename van 223 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate laag dat de invloed op verkeersdoorstroming op het omliggende wegennet nihil is. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 43 parkeerplaatsen. Het parkeeraanbod binnen de beoogde ontwikkeling bedraagt 43 parkeerplaatsen, waarmee de volledige parkeerbehoefte op eigen terrein kan worden opgevangen.

Het aspect verkeer en parkeren staat hiermee de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

39/64

4.5

Water

Inleiding De initiatiefnemers van een ruimtelijk plan behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van deze ruimtelijke onderbouwing wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Provinciaal Waterplan Hoogheemraadschapsbeleid Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder: HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, de algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie: www.hhsk.nl). In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen.

Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan:  Het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe;  De waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen;

40/64

Het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd; Het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.

In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn. Huidige situatie Algemeen Op de locatie staat momenteel een vrijstaand woonhuis met eigen oprit aan de IJsseldijk-West. Op het perceel staan twee gebouwen, waarvan één is ingericht als woonhuis en de andere als opslag. Grondwater en bodem Het plangebied ligt niet in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Omdat het plangebied in de bebouwde kom ligt is het niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. De gronden ten zuiden van het plangebied bestaan uit klei. Ten zuiden van het plangebied is sprake van een grondwatertrap Ib. Dit betekent dat de hoogste grondwaterstand (GHG) 18 centimeter onder het maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) is 68 centimeter onder het maaiveld. De gemiddelde maaiveldhoogte in het plangebied is circa – 1,20 NAP m. Waterkwantiteit Binnen het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. De zuidzijde en een deel van de oostzijde grenzen aan een waterpartij. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water.

Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich in de beschermingszone (WBZ-4) van een waterkering. Ook bevindt het noordelijke deel van het plangebied zich in de kernzone van de waterkering. Werkzaamheden binnen deze zones zijn vergunningplichtig. Het bouwvlak komt boven het profiel van vrije ruimte en op een afstand van ten minste 14,25 meter vanaf de binnenkruin (15,25 meter vanaf de rand van het asfalt).

41/64

Figuur 4.4: Legger HHSK (plangebied omcirkeld) Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie Algemeen In de beoogde situatie worden 32 appartementen gerealiseerd. Grondwater en bodem De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de bodem en grondwater. Waterkwantiteit Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard stelt als eis dat 5% van de toename in verharding gecompenseerd dient te worden als deze toename meer dan 500 m2 bedraagt. In de toekomstige situatie neemt het verharde oppervlak toe met circa 217 m2. Watercompensatie is daarmee niet benodigd. De oppervlakte verhard/onverhard in de bestaande en toekomstige situatie is in onderstaande figuren weergegeven. Bestaand 2

Nieuw 1054 m2

Bebouwd

959,41 m

Groen

2118,16 m2

2027 m2

Halfverharding

790,53 m2

536 m2

Verharding

779,76 m2

1029 m2

Water

438,52 m2

439 m2

42/64

Bestaand

Nieuw

Verhard

2134,44 m

2

2.351 m2

+ 216,56 m2

Onverhard

2951,95 m2

2.734 m2

- 217,95 m2

Figuur 4.5: Overzicht in m² verhard/onverhard bestaande situatie

43/64

Figuur 4.6: Overzicht in m2 verhard/onverhard toekomstige situatie Figuur 4.7 geeft de ligging van de watergangen grenzend aan het plangebied weer. Donkerblauwe arcering is een hoofdwatergang (Beschermingszone 5 meter). Lichtblauwe arcering is een overige watergang (Beschermingszone 1 meter). Werkzaamheden in de watergangen en binnen de beschermingszones zijn en/of meldingsplichtig. Denk hierbij aan het plaatsen van beschoeiingen, het dempen en graven van water en het plaatsen en hebben van een steiger.

44/64

Figuur 4.7: Watergangen Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in-) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Conclusie Uit de waterparagraaf blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in de kernzone van de waterkering en de oppervlakte aan verhard oppervlakte neemt niet toe. Er is een vergunning op basis van de keur nodig voor de activiteiten binnen de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering en voor de activiteiten binnen de kern- en beschermingszone van de watergangen.

45/64

4.6

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek en conclusie In 2022 is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door RSK Netherlands. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 6. In dit onderzoek zijn geen sterk verontreinigende stoffen aangetroffen waardoor er geen aanleiding is om te veronderstellen dat er op de locatie sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het aspect 'bodem' zal daarom geen probleem opleveren voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is:  Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet;  De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Onderzoek Het plangebied ligt in een zone die is geclassificeerd als Waarde Archeologie 3 en een gedeelte Waarde Archeologie 2 (zie figuur 4.5). Hier geldt een onderzoekseis bij bodemingrepen dieper dan 0,30 meter onder maaiveld en groter dan 100 m2 bij WA-3 en voor WA-2 groter dan 50 m2. Omdat het project voorziet in grotere bodemingrepen is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd.

46/64

Figuur 4.8: Uitsnede archeologische beleidskaart ten opzichte van het plangebied (blauwe cirkel) Het archeologisch onderzoek is toegevoegd in bijlage 5. Dit is een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Uit het bureauonderzoek en het veldonderzoek bleek dat het plangebied is gelegen op IJssel-klei op veen. Op basis hiervan konden in het plangebied verschillende archeologische niveaus voorkomen. Voor de periode vóór de Late Middeleeuwen gold een lage verwachting, omdat het plangebied destijds een veengebied vormde. Tijdens het veldonderzoek zijn inderdaad de verwachte komafzettingen aangetroffen en zijn geen aanwijzingen gezien om de lage archeologische verwachting voor de periode tot de Late Middeleeuwen aan te passen. In de Late Middeleeuwen werd het plangebied ontgonnen. Resten uit de periode Late Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd werden op basis van het bureauonderzoek verwacht in de top van de IJssel-klei en in eventueel daarop gelegen ophooglagen vanaf het maaiveld. Specifiek werd verwacht dat de oudste resten uit de 17e of 18e eeuw zullen dateren, toen de eerste bewoning is ontstaan binnen het plangebied. De resten uit dit niveau zouden naar verwachting behoren tot bewoning en bestaan uit muurresten, beerputten, waterputten, afvalkuilen, aardewerk, natuursteen, schelp, glas, hout, bot en leer.

Mogelijk zijn de resten van oudere bewoningsfasen verstoord door latere bouwfasen. Mogelijk zijn de oudere resten begraven onder later aangebrachte ophogingslagen. Tijdens het veldonderzoek zijn relatief dunne resten IJssel-oeverklei aangetroffen, maar op basis van deze geringe overgebleven dikte worden hierin geen archeologische resten uit de periode vanaf de Late Middeleeuwen verwacht. Hoewel ook het niveau van de oude bouwvoor werd aangetroffen onder een dik ophogingspakket, werden daarin enkel sporen gezien van het bombardement uit de Tweede Wereldoorlog dat in het plangebied heeft plaatsgevonden. Vandaar dat de hoge archeologische verwachting voor de periode vanaf de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd naar laag kan worden bijgesteld. Op basis van dit onderzoek is een advies uitgebracht. De gemeente geeft aan dat er op basis van het eerdere milieukundig onderzoek mogelijk sprake is van plaatselijke verstoring en ophoging, zodat de 18e/19e eeuwse resten van bebouwing nog intact aanwezig kunnen zijn. Ook is niet bekend hoe de riolering, kabels en leidingen worden aangelegd. Daarom is er een vervolgonderzoek nodig in de vorm van een gravend onderzoek.

47/64

Conclusie Op basis van het advies dat is uitgebracht, is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen op de verbeelding en in de regels. Hiermee is geborgd dat de eventueel aanwezige archeologische resten worden beschermd.

4.8

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.

Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet in werking getreden. De grondslag voor de toetsing is de Wet basisnet, het Bevt en de Regeling basisnet. Met het inwerking treden van het Bevt vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR geen onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor beide situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10 -6 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor

48/64

ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Onderzoek

Figuur 4.9: Uitsnede risicokaart plangebied zwart omlijnd (bron: www.atlasleefomgeving.nl) Uit de informatie op de risicokaart blijkt dat de hogedrukaardgasleiding A-518 zich ten zuidwesten van het plangebied bevindt. Het invloedsgebied van deze hogedrukaardgasleiding bedraagt 380 meter. De afstand van het plangebied tot deze hogedrukaardgasleiding is circa 420 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van deze hogedrukaardgasleiding. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden. Ten noorden van het plangebied bevindt zich het spoortraject Rotterdam Blijdorp - Gouda waarover vervoer van gevaarlijke stoffen van o.a. de stofcategorie D4 plaatsvindt. Het invloedsgebied hiervan is 4 kilometer. De afstand van het plangebied tot dit spoortraject is circa 3 kilometer. Omdat dit groter is dan 200 meter, kan er volgens het Bevt worden voldaan met een beknopte verantwoording en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

49/64

Beknopte verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via de IJsseldijk. Deze weg sluit aan op de Abelenlaan, die vervolgens aansluit op het verdere wegennetwerk van Ouderkerk aan den IJssel zoals de N475. Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid Ter plaatse van het plangebied wordt woningbouw mogelijk gemaakt. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen.

Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Uit de beknopte verantwoording komt naar voren dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd.

De nieuwbouw zal worden voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

50/64

4.9

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies , wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.

Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek en conclusie In de beoogde situatie worden woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In de omgeving van het plangebied bevinden zich naast woningen ook andere functies en een ontsluitingsweg waardoor de omgeving van het plangebied getypeerd kan worden als een 'gemengd gebied'. Rondom het plangebied bevinden zich vooral functies die in milieucategorie 1 en 2 vallen met een maximale richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. De afstand van het plangebied tot deze functies is groter dan 10 meter. Daarnaast heeft het plangebied reeds de bestemming 'wonen' waardoor de ontwikkeling geen belemmering vormt voor de omliggende functies. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich het bedrijventerrein waar planologisch bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan zijn. De bijbehorende richtafstand is 30 meter in een gemengd gebied. De afstand van de gevel van de beoogde woning tot dit bedrijventerrein is groter dan 30 meter. Ook aan deze afstand wordt voldaan.

51/64

Figuur 4.10: Richtafstand 30 meter gemeten vanaf de perceelsgrens van de bestemming Bedrijventerrein Ten zuiden van het plangebied bevindt zich ook een kerk. Kerken vallen in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. De afstand van het plangebied tot deze kerk bedraagt circa 30 meter. Er wordt voldaan aan deze richtafstand. Conclusie Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Ecologie Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

52/64

Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Onderzoek en conclusie Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geel deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status zoals Natura 2000.

Het plangebied maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Boezems Kinderdijk en ligt op circa 5 km afstand. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt aan de overkant van de weg, op circa 15 m afstand.

53/64

Figuur 4.11: Uitsnede Natura 2000-kaart ten opzichte van het plangebied (rode punt) (bron: natura2000.nl)

Figuur 4.12: Uitsnede NNN-kaart ten opzichte van het plangebied (rode rechthoek)(bron: atlasleefomgeving.nl) Soortenbescherming Om te bepalen wat de effecten van de ontwikkeling op beschermde dier- en plantensoorten zijn, is een quickscan ecologie uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat het voorkomen van en negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfsplaatsen wordt uitgesloten. In verband met de mogelijk aanwezigheid van algemene broedvogels in de tuin is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat vogels niet tot broeden komen. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig in de tuin. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland. Om de rugstreeppad zich niet te laten vestigen in het plangebied, gedurende de aanlegfase, is het van belang om het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen. Op grond van bovenstaande analyse worden negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten;

54/64

de sloop en nieuwbouw van woonbebouwing aan de IJsseldijk West 13 is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden. Daarom dient er één kant op gewerkt te worden bij de start van de werkzaamheden zodat eventueel aanwezige amfibieën en algemene zoogdieren het plangebied kunnen verlaten. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Stikstof Toetsingskader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming:  verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving;  vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen;  legt de rol van het bevoegd gezag voor verlening van vergunningen bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen:  De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen.  Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.

 Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk. Daarom wordt de grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar aangehouden. Stikstof wordt gemeten in de eenheid 'mol'. De depositie wordt uitgedrukt in mol per hectare per jaar. Als de grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar niet wordt overschreden, betekent dat er door de ontwikkeling geen sprake is toename van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied.

55/64

Onderzoek Met het rekenmodel AERIUS (versie 2023.2) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatiefase en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd. De memo van het onderzoek is opgenomen in bijlage 7. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 8 en 9. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (versie 2023.2) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

4.12 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4 weergegeven. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijnstof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijnstof (PM2,5)

Tabel 4.5: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

56/64

Onderzoek Het plan betreft de realisatie van 32 woningen. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Abelenlaan. Uit het CIMLK blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 17,3 µg/m³ voor NO2, 16,7 µg/m³ voor PM10 en 9,4 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.13 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden, zie hiervoor 4.8. Onderzoek en conclusie In en rondom het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

57/64

58/64

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch-juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van het beoogde appartementencomplex, een belangrijke beheer- en gebruiksfunctie. Het bestemmingsplan voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

5.2

Opbouw regels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels. De overgangs- en slotregel maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.

5.3

De bestemmingen

In het bestemmingsplan zijn verschillende bestemmingen toegekend aan het plangebied. Hieronder wordt ingegaan op de inhoud van deze bestemmingen. Artikel 3 Water De bestemming 'Water' heeft betrekking op een deel van de watergang aan de zuidzijde van het plangebied die voor de waterhuishouding in het gebied van belang is. Artikel 4 Wonen Binnen de bestemming Wonen wordt het realiseren van maximaal 32 gestapelde woningen mogelijk gemaakt. Met een bouwvlak is de positie van het gebouw vastgelegd en met aanduidingen de goot- en bouwhoogte. Artikel 5 Waarde - Archeologie Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen, is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen, afgestemd op het gemeentelijk archeologiebeleid. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden, waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn, slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag aan de archeologische waarden. Wanneer het bouwen of het uitvoeren van deze werken en werkzaamheden niet dieper gaan dan 30 cm of groter is dan 100 m² is dit niet nodig. Artikel 6 Waterstaat - Waterkering In het belang van de aanwezige waterkeringen, met bijbehorende beschermingszone(s) in het plangebied is er een beschermingszone opgenomen.

Deze strook is mede bepalend voor het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkering. De betreffende gronden zijn aangewezen voor waterkeringsdoeleinden. Deze gronden zijn als zodanig bestemd in combinatie met andere aan deze gronden gegeven bestemmingen.

59/64

60/64

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de woningen. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De uitvoering van de beoogde ontwikkeling wordt gedaan door een ontwikkelaar. Door middel van een anterieure overeenkomst is de dekking van de gemaakte kosten verzekerd. Hierin zijn ook afspraken gemaakt ten aanzien van planschade.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het vooroverleg is het bestemmingsplan aan de wettelijke vooroverlegpartners gestuurd. Er zijn reacties ontvangen van het Hoogheemraadschap, de Veiligheidsregio Hollands Midden en de Provincie. Deze reacties zijn verwerkt in het bestemmingsplan. Participatie Op 25 april 2023 is een inloopavond georganiseerd. Een verslag van deze avond is toegevoegd in bijlage 2. Op basis van de reacties is een visualisatie gemaakt waarop te zien is op welke wijze de privacy richting de omgeving kan worden bevorderd.

61/64

Figuur 6.1: Visualisatie verbetering privacy richting omgeving 

A: Aan de oostzijde van het plangebied kan een hoge haag in combinatie met een rij leilindes een mooie groene, privacybiedende erfafscheiding zijn. Doordat het gebouw hier relatief ver van de erfgrens staat is het verminderen van inkijk door bijvoorbeeld gesloten borstweringen hier minder / niet aan de orde;  B: Er is nog (meer dan) voldoende ruimte langs het dijktalud om een aantal bomen bij te planten. Deze bomen trekken de bestaande bomenrij langs de Abelenlaan dan verder door, er blijft voldoende afstand tot de gebouwgevels. Deze bomen doen veel om de inkijk van en naar het gebouw te beperken;  C: Een lage (1,2 meter) groenblijvende haag, eventueel tegen een geheel gesloten schutting o.i.d. biedt bescherming tegen inschijnende koplampen van auto's die het plangebied verlaten. Er is onderzocht of een andere ontsluiting mogelijk is. Dit is verwerkt in paragraaf 4.4. Hieruit blijkt dat de ontsluiting op de Abelenlaan uit het oogpunt van verkeersveiligheid de beste optie is. In het verdere participatieproces zijn in augustus 2024 gesprekken met omwonenden gevoerd over de planontwikkeling.

6.3

Vooroverleg

Conform artikel 3.1.1. Bro heeft vooroverleg plaatsgevonden met de volgende instanties. 1. Provincie Zuid-Holland 2. Veiligheidsregio Hollands Midden 3. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 4. Omgevingsdienst Midden-Holland Ad. 1 Provincie Zuid-Holland geeft aan dat er sprake is in het concept ontwerpbestemmingsplan van 50% koopappartementen in de categorie midden huur. Zij zouden graag zien dat de grens van €355.000 wordt opgenomen zoals afgesproken in de Woondeal/Realisatieagenda van de Regio Midden-Holland. Daarnaast zouden zij meer sociale huurwoningen willen zien. In het concept ontwerpbestemmingsplan wordt niet gesproken over huurwoningen. Aannemelijk is dat er sprake is van een typefout, namelijk duur in plaats van huur. In het kader van de

62/64

Woondeal/Realisatieagenda van de Regio Midden-Holland wordt 25% van het totaal aantal woningen gerealiseerd onder de grens van €355.000. Ad. 2 Veiligheidsregio Hollands Midden geeft aan dat er geen goede beoordeling van de bestrijdbaarheid van een gebouwbrand plaats heeft kunnen vinden. Dit omdat er onduidelijkheden zijn over de maatvoering en bochtstralen binnen het plangebied en de locatie van een benodigde brandkraan ontbreekt. Ad. 3 Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard geeft in hun reactie aan dat zij geen bezwaar hebben tegen het vaststellen het concept ontwerpbestemmingsplan. In deze reactie worden wel enkele aandachtspunten aangestipt. Deze aandachtspunten zijn verwerkt en opgenomen in paragraaf 4.5. Ad. 4 De Omgevingsdienst Midden-Holland geeft aan dat het concept ontwerpbestemmingsplan nog niet procedure kan worden gebracht omdat deze nog niet voldoet aan de huidige wet- en regelgeving. De Omgevingsdienst adviseert daarom om de acties uit te voeren die zij adviseren in hun reactie. De acties zijn uitgevoerd en bijgewerkt in de verbeelding, regels en de toelichting.

6.4

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan 'IJsseldijk-West 13 Ouderkerk aan den IJssel' heeft van 20 december tot en met 30 januari 2024 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn kon eenieder een schriftelijke en/of mondelinge zienswijze bij de gemeenteraad indienen. Binnen de termijn zijn vier zienswijzen ontvangen. Deze zijn samengevat en beantwoord in de nota zienswijzen (bijlage 12).

63/64

64/64

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=7811f895-0d5a-487e-806a-de5981edb5f2