BIJL 1 Toelichting Lekdijk-Oost 66 en 68 te Bergambacht (NL.IMRO.1931.BP2002BG037-VG01)
Tekst van het document
toxische vloeistof
0
880
LT3
toxische vloeistof
0
> 4000
GF1
brandbaar gas
0
40
GF2
brandbaar gas
0
280
GF3
brandbaar gas
332
355
GT2
toxisch gas
0
245
GT3
toxisch gas cat. 3
0
560
GT4
toxisch gas cat. 4
0
> 4000
GT5
toxisch gas cat. 5
0
> 4000
pagina 26 van 42
Het plangebied is gelegen binnen de maximale effectafstand van de stofcategorie GF3. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de vaarweg (> 200 meter). Gezien de geringe hoeveelheid transport van gevaarlijke stoffen over de Lek waarvan het invloedsgebied over het plangebied heen valt (GF3, 332 tanks per jaar) en de bevolkingsdichtheid binnen het plangebied ten opzichte van de bestaande situatie op hoofdlijnen gelijk blijft (en de bestaande, planologische situatie meegenomen, zelfs afneemt), wordt een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk geacht. Hoogspanningslijnen Hoewel hoogspanningslijnen geen onderdeel uitmaken van externe veiligheid is wel onderzocht of er hoogspanningslijnen in of nabij het plangebied zijn gelegen. In verband met magnetische velden als mogelijke veroorzaker van leukemie bij kinderen, heeft het voormalig ministerie van VROM in 2005 een beleidsadvies uitgebracht. VROM adviseert om te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de zogenaamde magneetveldzone. De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn (bovengronds) betreft de lijn Krimpen - Diemen (380 kV), gelegen op een afstand van circa 8,25 kilometer. Deze lijn heeft aan weerszijde een indicatieve zone van 110 meter. Het plangebied valt ruimschoots buiten deze zone.
Conclusie Op meer dan 200 meter afstand van het plangebied wordt de stof GF3 over de binnenvaartroute vervoerd. Gezien de geringe hoeveelheid transport van gevaarlijke stoffen over de Lek waarvan het invloedsgebied over het plangebied heen valt (GF3, 332 tanks per jaar) en de bevolkingsdichtheid binnen het plangebied ten opzichte van de bestaande situatie gelijk blijft, wordt een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk geacht. aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
Bedrijven en Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijk ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze bedrijvenlijst is opgenomen in de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, editie 2009 (verder: VNG-uitgave). In een gebied waar men te maken heeft met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd is sprake van een gebied met functiemenging. In onderhavige situatie is hier sprake van. In de nabije omgeving bevinden zich zowel woningen als relevante bedrijfsfuncties. Onderstaand is een uitsnede van het bestemmingsplan weergeven. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Stolwijk. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich als een gemengd gebied. Dit betekent dat de te hanteren richtafstanden met één stap verlaagd mogen worden. In genoemde uitgave zijn minimale richtafstanden opgenomen tussen bedrijven uit deze milieucategorieën en burgerwoningen.
pagina 27 van 42
Figuur 4.2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’. Plangebied rood omlijnd.
De relevante bedrijven c.q. inrichtingen zijn genummerd. Het bedrijventerrein (linksonder in figuur 4.2) is dusdanig ver gelegen dat deze geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 1. Lekdijk 17 Binnen het bestemmingsplan ‘Dorpsgebied’ (vastgesteld op 25 oktober 2011) is onderhavige locatie bestemd als ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming zijn bedrijven toegestaan met ten hoogste categorie B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging'. Bedrijven met categorie B1 behelzen bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Het dichtstbijzijnde gelegen punt van het perceel van het plangebied is op circa 75 meter gelegen van het bedrijfsperceel. Gezien de afstand en het type bedrijfsactiviteiten die onder bedrijven met categorie B1 vallen, is het plangebied op ruim voldoende afstand gelegen. 2. Lekdijk-Oost 58 Aan de Lekdijk-Oost 58 is een intensieve veehouderij gelegen. Voor alle dieren (met of zonder geuremissiefactor) geldt een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object (gevel-tot-gevelafstand).
Deze afstand verschilt op basis van of het geurgevoelig object behoort (heeft) tot een veehouderij, of er diercategorieën aanwezig zijn waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld of hiervan beide geen sprake is. Conform artikel 3, lid 2 van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij:
pagina 28 van 42
a. tenminste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en; b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De minimale afstand zoals boven genoemd geldt conform artikel 4 ook voor diercategorieën waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. De minimumafstand bedraagt te allen tijde conform artikel 5, lid 1 Wgv: a. 50 meter binnen de bebouwde kom; b. 25 meter buiten de bebouwde kom. Het gaat bij de minimumafstand om de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van het (dichtstbijzijnde) geurgevoelig object. Indien het dierenverblijf niet overdekt is, wordt de afstand gemeten vanaf de begrenzing van het dierenverblijf dat het dichtst is gelegen bij het desbetreffende geurgevoelig object. De afstand tussen de perceelsgrenzen van de intensieve veehouderij en het plangebied bedraagt circa 125 meter. Er wordt derhalve voldaan aan het principe ‘vaste afstanden’ conform de Wgv. Indien aan de vaste afstanden voldaan wordt, kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het plangebied is niet gelegen in een concentratiegebied conform bijlage I van de Meststoffenwest, waarmee gesteld kan worden dat de voorgrondbelasting maatgevend is en de achtergrondbelasting niet inzichtelijk gemaakt hoeft te worden.
Gezien de bestaande planologische situatie van het plangebied (deels bestemd voor wonen, deels bestemd als agrarisch, maar met mogelijkheid om binnenplans te wijzigen naar wonen) en de bestaande woningen tussen het plangebied en de intensieve veehouderij, wordt geacht dat het woon- en leefklimaat niet (kwantitatief) inzichtelijk gemaakt hoeft te worden met het softwareprogramma V-Stacks. De overige functies / bedrijven liggen op voldoende afstand van het plangebied gelegen dat deze het woon- en leefklimaat niet op een dusdanige negatieve manier beïnvloedt. Conclusie Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Uit de inventarisatie is gebleken dat voldaan werd aan de aan te houden richtafstanden. Er kan worden geconcludeerd dat de functies aan de Lekdijk 17 en Lekdijk-Oost 58 geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Het bovenstaande in acht houdende, kan voorts gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de Lekdijk-Oost 66 en 68 te Bergambacht. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt hiermee geen belemmering voor het planvoornemen.
Watertoets Nationaal beleid Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen.
pagina 29 van 42
Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo).
Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder: HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten. In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan: 1.
het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe;
2.
de waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen;
3.
het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd;
4.
het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.
Bij aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem dient bij het HHSK een vergunning aangevraagd te worden tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn. Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het Hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Het doel van dit beleid betreft het voorkomen van ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoename is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren.
pagina 30 van 42
Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Kleine plannen betreffen plannen met een verhardingstoename tot 500 m². Middelgrote plannen houden plannen in met een verhardingstoename groter dan 500 m² met een kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak. Grote plannen zijn plannen groter dan 10 hectare bruto planoppervlak. Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben namelijk een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid over de berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.
Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: 1.
de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en;
2.
de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder.
Planontwikkeling Er worden in het kader van voorliggende planontwikkeling sloop- en bouwwerkzaamheden uitgevoerd. Beoogd wordt om 2 woningen (gezamenlijk 176 m²), schuren en bijgebouwen (gezamenlijk 704 m²) en een mestsilo en een kelder (151 m²) te amoveren. Dit komt overeen met een totaal te slopen oppervlakte van 1031 m². Beoogd wordt de bouw van 3 woningen met bijhorende bijgebouwen. De bouwvlakken van deze woningen zijn 140 m², 126 m² en 126 m² groot. De te realiseren woningen hebben daarmee een gezamenlijke oppervlakte van 392 m². Voorts wordt bij iedere woning 50 m2 aan bijgebouwen planologisch toegestaan en is er per perceel nog enige ruimte voor vergunningsvrije bijgebouwen. Uitgaande van drie bijgebouwen van 50 m2 betreft het totaal te realiseren oppervlak 542 m2. In de toekomstige situatie zal gebruik blijven worden gemaakt van de bestaande oprit. Derhalve kan gesproken worden van een verhardingsafname met 1031 – 542 = 489 m². De toekomstige verharding alsmede de tuinverharding is in zowel de bestaande als toekomstige situatie niet meegenomen. Afname i.p.v. toename → dus Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is daarmee geen watercompensatie nodig. Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitloogbare materialen.
Het hemelwater vanaf de toekomstige verharding infiltreert in de bodem of vloeit af naar het oppervlaktewater (wat evenals in de huidige situatie gebeurt). Voor eventueel vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een watervergunning worden aangevraagd.
pagina 31 van 42
Verder ligt in en langs het plangebied de primaire waterkering. Rondom de waterkering wordt een kern- en beschermingszone gehanteerd. Het plangebied ligt binnendijks, binnen de waterkering van Dijkring 15. Voor het uitvoeren van werkzaamheden en het aanbrengen van werken binnen de zoneringen van de betreffende waterkering dient een watervergunning bij de hoogheemraadschap te worden aangevraagd. Werken moeten voldoen aan de geldende beleidsregels. Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Flora en fauna Ten aanzien van het aspect flora en fauna heeft Tritium Advies een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Tritium Advies, quickscan flora en fauna, projectnummer 2003/132/ROS-02, versie 2, d.d. 16 februari 2021), raadpleegbaar als bijlage 5 behorende bij dit bestemmingsplan. Doel van dit onderzoek is bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding(en) van de natuurwetgeving. Hierin is het volgende vastgesteld: Beschermde gebieden / stikstof Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN. De provincie Zuid-Holland hanteert geen externe werking als het gaat om NNN, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval betreft het een beperkte ingreep (sloop van bebouwing en realisatie van drie nieuwe woningen). De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn met circa 3,8 kilometer en 7,2 kilometer op relatief korte afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien deze afstand valt een significant negatief effect in het kader van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Er dient derhalve een berekening van de stikstofdepositie uitgevoerd te worden om een negatief effect aan te tonen dan wel uit te sluiten.
Tritium Advies heeft een stikstofdepositie berekening uitgevoerd (Tritium Advies, 2003/132/ROS04, stikstofberekening Lekdijk-Oost 66 en 68 te Bergambacht, versie 1, d.d. 30 oktober 2020) met het programma AERIUS Calculator 2020. De volledige berekening is raadpleegbaar in bijlage 6 behorend bij dit bestemmingsplan. Uit de berekening is gebleken dat ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit zijn te sluiten. Een vergunning in het kader van de Wnb is derhalve niet aan de orde. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat met betrekking tot het te gebruiken materieel gekozen is voor een worst-case benadering; het is de verwachting dat in de aanlegfase gewerkt zal worden met modern(er) materieel. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien voor het beoogde planvoornemen. Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren.
pagina 32 van 42
Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels.
Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De bebouwing is ongeschikt als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden in de omgeving van het plangebied. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de sloopwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Wel dient eventuele verlichting tot het minimum te worden beperkt en dienen de aanwezige watergang en begroeiing niet te worden verlicht.
Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen.
pagina 33 van 42
De ODMH heeft in dit kader geadviseerd maatregelen te nemen om de kolonisatie van het gebied door rugstreeppad uit te sluiten. Deze maatregelen bestaan uit het plaatsen van een amfibie scherm rond het gebied in de voortplantingsperiode - grofweg van eind maart tot begin augustus van de rugstreeppad. Ongewervelden / overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om, bij werkzaamheden, schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Cultuurhistorie De Cultuurhistorische kaart van de provincie Zuid-Holland, sinds januari 2017 van kracht, kent verschillende kaarten met betrekking tot cultuurhistorie. De kaarten met verschillende thema’s binnen de kop ‘kaart 4 Beleidskaart’, ‘Zones \ kernen \ woonheuvels met archeologische verwachtingen’ geeft voor het plangebied met betrekking tot archeologische waardevolle zones verschillende verwachtingen weer. Voor komafzettingen met veen (0 – 3 m) wordt de waarde geen of laag weergegeven. Voor oude stroomgordels en geulafzettingen (3 – 5 m), oude stroomgordels en geulafzettingen (>5 m) en rivierduinen (> > 5 m) wordt de waarde hoog weergegeven. Algemeen uitgangspunt is dat verwachte archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden moeten blijven. Met betrekking tot de archeologische verwachtingen wordt in paragraaf 4.9 verder ingegaan op het aspect archeologie. Voorts is het plangebied gelegen binnen de erfgoedlijn ‘Goeree-Overflakkee’. Een erfgoedlijn is een geografische structuur die meerdere monumentale stippen met één gemeenschappelijk historisch verhaal verbindt tot een streep of lijn op de kaart. Erfgoedlijnen zijn als zodanig kenmerkende ensembles van erfgoed, landschap en water die beschikken over een groot recreatief-toeristisch potentieel.
Een erfgoedlijn bestaat dus uit objecten die deel uitmaken van een groter geografisch geheel, met een gezamenlijk verhaal dat belangrijk is voor de geschiedenis van Zuid-Holland. Het planvoornemen behelst de sloop van de verouderde, bestaande bedrijfsbebouwing en de realisatie van hoogwaardig kwalitatieve nieuwbouw die het landschap versterken. Het plangebied valt buiten de overige cultuurhistorische aanduidingen. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
pagina 34 van 42
Archeologie Het plangebied heeft in het vigerend bestemmingsplan de archeologische aanduiding ‘Waarde – Archeologie 2’. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter. Hier kan van worden afgeweken indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en/of beperkingen te verbinden. Bovenstaande is niet van toepassing indien de activiteiten en/of bouwwerken betrekking hebben op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering en/of het gaat om een bouwwerk met ten hoogste een oppervlakte van 100 m² en/of waarvoor geen bouwwerkzaamheden (waaronder begrepen: heien en het slaan van damwanden) worden verricht dieper dan 30 cm onder maaiveld.
Er worden bouwwerkzaamheden verricht dieper dan 30 cm onder het maaiveld en er worden bouwwerken toegevoegd met een groter oppervlakte dan 100 m². Derhalve is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Transect heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, projectkenmerk 2924, Bergambacht, Lekdijk-Oost 66 en 68. Gemeente Krimpenerwaard (ZH) Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, d.d. 19 – 02 – 2021). Zie hiervoor bijlage 7. Uit het onderzoek is het volgende geconcludeerd, en wordt het volgende advies gegeven aan het bevoegd gezag: Conclusie Op basis van het bureauonderzoek is een hoge verwachting opgesteld voor archeologische resten uit het Mesolithicum en Neolithicum in de top van de rivierduin die wordt verwacht in het plangebied. Dit vormde een hoge en droge locatie in het rivierengebied die aantrekkelijk was als bewoningslocatie. Sporen van deze bewoning worden verwacht in de vorm van vondststrooiingen en nederzettingsresten. Deze kunnen zowel in de top van het rivierduinzand voorkomen als in afvallagen die vanaf de donk in het veen doorlopen. Vanaf de Bronstijd is de rivierduin naar verwachting overgroeid met veen, waardoor er een lage verwachting geldt voor resten uit de Bronstijd tot en met Vroege Middeleeuwen.
Voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd geldt een middelhoge verwachting op nederzettingsresten, sporen van landgebruik en verkaveling wegens de ligging van het plangebied langs een ontginningslint. Uit het veldonderzoek is gebleken dat de rivierduinafzettingen op een diepte vanaf circa 6,80 m -Mv in het zuiden, 4,50 m -Mv in het midden en 0,05 m -Mv in het noorden van het plangebied bevinden. De top van de rivierduin is als intact te beschouwen. In combinatie met de vondst van een verbrande hazelnootdop in de top van het rivierduinzand in één van de boringen is met name de verwachting op resten uit het Mesolithicum hoog. De datering van pollenmonsters afkomstig van de rivierduin wijst ook op deze ouderdom. Voor de overige perioden zijn geen indicaties gevonden. De aanwezigheid van resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd vanaf het maaiveld kan ook niet worden uitgesloten, waardoor de verwachting op deze resten onveranderd blijft.
pagina 35 van 42
Advies De hoge verwachting leidt ertoe dat in het plangebied met name in de top van het rivierduinzand rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische resten. In het kader van de vergunningsverlening betekent dit dat aanvullende onderzoeksinspanning nodig is om deze verwachting te toetsen (het vaststellen of en in hoeverre in het plangebied sprake is van een behoudenswaardige vindplaats (IVO, karterende/waarderende fase)). Dit kan het beste plaatsvinden met behulp van karterende boringen, waarbij in een noord-zuid richting boringen om de 5 m worden gezet met als doel het bepalen van de diepte waarop het rivierduinzand ligt en het opsporen van mogelijke afvallagen die vanaf de donk in het veen doorlopen. Een dergelijk onderzoek kan tevens bepalen of en op welke locatie het waardevol is om een waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Een dergelijk onderzoek dient uitgevoerd te worden als de bouwwerkzaamheden dieper reiken dan het archeologisch bodemniveau en de eventueel aanwezige resten in dit niveau in gevaar brengen. Voor de locaties waar dit niet het geval is kunnen archeologische resten in situ bewaard blijven. Deze worden dan niet opgegraven en bewaard voor toekomstige generaties. Het is tevens mogelijk om de bouwplannen dusdanig aan te passen dat de archeologische resten niet in gevaar komen door de geplande bouwwerkzaamheden.
In dit geval spreekt men van archeologisch vriendelijk bouwen en kan er worden overgegaan tot vrijgave voor de voorgenomen plannen. Indien dit echter niet mogelijk is, zal er een aanvullende onderzoeksinspanning noodzakelijk zijn. Op de plekken waar heipalen aangebracht zullen worden, zullen deze waarschijnlijk tot in het archeologisch niveau reiken. Op deze plekken kan vervolgonderzoek worden vereist indien het heipalenplan niet voldoet aan de regels die vastgelegd zijn in de beleidsnota archeologie van de gemeente Krimpenerwaard. Deze regels stellen dat er een voorkeur uitgaat naar een fundering op staal en zonder palen, dat het aantal heipalen geminimaliseerd dient te worden, dat de afstand tussen heipalen minimaal 4 m moet bedragen en dat de typen palen de bodem zo weinig mogelijk verstoren, zoals grondvervangende palen. Schroefpalen en groutinjectepalen dienen altijd vermeden te worden. Indien er niet kan worden voldaan aan deze regels dient er vervolgonderzoek plaats te vinden. Dit zou bijvoorbeeld kunnen plaatsvinden door het voorboren van de locaties van de heipalen met een avegaar boor tot in de top van het rivierduinzand, waardoor archeologische monsters genomen en onderzocht kunnen worden. Deze keuze is echter sterk afhankelijk van de bouwplannen en de verstoringsdieptes hiervan.
Ten tijde van dit onderzoek waren deze gegevens nog niet beschikbaar, waardoor voor de heipalen nog geen passend advies kan worden gegeven. In het archeologisch rapport is een advieskaart opgenomen met daarin het advies voor de verschillende strategieën voor vervolgonderzoek in het plangebied. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Krimpenerwaard) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. De dubbelbestemmingen zullen derhalve vooralsnog aangehouden worden in het bestemmingsplan. Het archeologisch rapport is als separate bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd.
pagina 36 van 42
M.e.r.-beoordeling Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welke activiteiten direct een m.e.r.-plicht geldt. Verder zijn in onderdeel D van het Besluit m.e.r.-activiteiten aangewezen waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In dit kader zijn voor deze activiteiten in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor de ontwikkeling in het plangebied is de categorie stedelijk ontwikkelingsproject het meest relevant. Op de D-lijst van het Besluit m.e.r. is in categorie 11.2 aangegeven dat een stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r-beoordelingsplichtige activiteit is, wanneer de volgende drempelwaarden worden overschreden: •
een oppervlakte van 100 hectare of meer;
•
een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of;
•
een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De ontwikkeling betreft de sloop van de bestaande bedrijfswoning en de bedrijfsbebouwing, en de bouw van in totaal 3 vrijstaande woningen met bijhorende bijgebouwen. De drempelwaarde zoals omschreven ligt vele malen hoger dan onderhavige ontwikkeling. Evenwel dient het bevoegd gezag bij activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: •
de kenmerken van de projecten;
•
de plaats van de projecten;
•
de kenmerken van de potentiële effecten.
Onderzoek en conclusies Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten. Voor het plan is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Wellicht ten overvloede kan worden opgemerkt dat uit de samenvatting van de onderzoeken in dit hoofdstuk volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten.
Kabels en leidingen Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen voor de voorgenomen planontwikkeling.
pagina 37 van 42
Hoofdstuk 5. Juridische planaspecten 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding ervan de primaire informatie geeft over waar gebouwd mag worden (bouwvlak voor bouwen). Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. De ordening van regels is daartoe zodanig opgezet dat bij iedere bestemming een nagenoeg compleet beeld van de regels voor die bestemming is gegeven. Desondanks blijven aanvullend inleidende bepalingen en algemene bepalingen nodig.
5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De verbeelding is getekend op basis van een recente kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn aangegeven:
• • •
de grens van het plangebied; de (dubbel)bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden; bouwvlakken;
De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. Een bepaalde kleur geeft aan om welke bestemming het gaat. Deze kleur maakt daarom meteen duidelijk welk artikel uit de regels geraadpleegd moet worden. Het bouwvlak geeft de begrenzing weer waarbinnen gebouwen opgericht mogen worden. In het bouwvlak moeten hoofdgebouwen gesitueerd worden. De overige aanduidingen geven een specifieke situatie weer, waarvoor in de regels een aparte regeling is opgenomen.
5.3 Toelichting op de planregels De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:
pagina 38 van 42
•
inleidende regels;
•
bestemmingsregels;
•
algemene regels;
•
overgangs- en slotregels.
Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 van de regels bevat bepalingen die, net als de in hoofdstuk 3 opgenomen “Algemene regels”, algemeen gelden voor alle bestemmingen zoals opgenomen in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen (artikel 2) en het artikel betreffende de wijze waarop bijvoorbeeld hoogtematen en oppervlaktematen moeten worden gemeten en berekend. In Hoofdstuk 3 zijn onder andere procedureregels, algemene gebruiksregels en flexibiliteitsbepalingen opgenomen. In Hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en de slotregel opgenomen. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden planregels gegeven voor de binnen het plangebied bestaande functies. Per planregel zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan of wijziging) toegestaan. Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (goothoogte en dergelijke) en wordt gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak, kan hiervoor in de regel zonder meer een omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend. Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: -
Een anti-dubbeltelregel.
-
Algemene bouwregels: hierin wordt de situering van woningen en bijgebouwen op het perceel bepaald;
-
Algemene gebruiksregels: hierin wordt ingegaan op algemene verbodsregels van het bestemmingsplan;
-
Algemene afwijkingsregels: hierin worden situaties aangehaald waarbij afgeweken kan worden van hetgeen geregeld in het bestemmingsplan;
-
Algemene wijzigingsregels;
-
Algemene procedureregels.
Overgangs- en slotbepaling Dit hoofdstuk bevat: - Overgangsrecht; - Slotregel
5.4 Beschrijving bestemmingen Agrarisch met waarden In deze bestemming staat handhaving van het bestaand agrarisch gebruik centraal. De bestemmingsregeling gaat uit van de bestaande situatie en heeft in eerste instantie een beheerkarakter, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige waarden van het gebied.
pagina 39 van 42
Wonen De binnen de bestemming wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, aan-huisverbonden-beroepen, bed & breakfast, groenvoorzieningen, tuin en erven, wegen en paden, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen met daarbij behorende bouwwerken. In de regels zijn voorschriften verbonden aan het aantal woningen en de hieraan verbonden omvang en maatvoering, alsmede aan bijhorende bouwwerken. Waarde 2 - Archeologie De voor ‘Waarde - Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Uitzonderingen en afwijkingsmogelijkheden op dit verbod zijn opgenomen in de bij dit bestemmingsplan horende regels. Waarde 3 - Archeologie De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Uitzonderingen en afwijkingsmogelijkheden op dit verbod zijn opgenomen in de bij dit bestemmingsplan horende regels. Waarde - Waterstaat - Waterkering De voor Waarde - Waterstaat - Waterkering aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een waterkering.
pagina 40 van 42
Hoofdstuk 6. Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van een of meer woningen;
• • •
de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1000 m² of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
•
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1500 m² bedraagt;
•
de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m².
Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk wanneer de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn. Ten behoeve van dit plan zal een anterieure overeenkomst gesloten met initiatiefnemer. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve in dit geval niet noodzakelijk. Het voorliggend bestemmingsplan is dan ook financieel haalbaar.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In dat kader is een concept van het bestemmingsplan door middel van een E-formulier bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland aangemeld en toegezonden aan het Hoogheemraadschap
pagina 41 van 42
van Schieland en de Krimpenerwaard. De provincie heeft geen aanleiding gezien inhoudelijk te reageren. Het Hoogheemraadschap heeft aangegeven dat het plan geen nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Wel is verzocht de dubbelbestemming ‘Waterstaat-Waterkering’ op de verbeelding in overeenstemming te brengen met de actuele legger. De verbeelding is op dat punt aangepast. Zienswijzen Conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerp bestemmingsplan vanaf 30 juni 2021 gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn geen zienswijzen ingediend.
pagina 42 van 42