BIJL 1 Toelichting Lekdijk-Oost 66 en 68 te Bergambacht (NL.IMRO.1931.BP2002BG037-VG01)
Tekst van het document
Toelichting Bestemmingsplan Lekdijk-Oost 66 en 68 te Bergambacht NL.IMRO.1931.BP2002BG037-VG01
Toelichting in opdracht van Particulier initiatief
betreffende de locatie Lekdijk-Oost 66 en 68 te Bergambacht Gemeente Krimpenerwaard documentkenmerk 2003/132/ROS versie vastgesteld vestiging Arkel datum 16 november 2021
opgesteld door:
gecontroleerd door:
ing. J.A. Welmers
Bsc E. van den Hurk
Senior projectleider RO
Projectleider RO
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies.
Tritium Advies BV Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid
Tritium Advies is gevestigd in:
T.
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
Arkel >> Neer >> Nuenen >>
I.
www.tritium.nl
Prinsenbeek >> Rijkevoort
KvK-nr.
17108024
pagina 1 van 42
Inhoudsopgave pagina Inleiding
4
Aanleiding en doel
4
Ligging plangebied
4
Vigerend bestemmingsplan
5
Leeswijzer
6
Planbeschrijving
7
Huidige situatie
7
Toekomstige situatie
7
Beleidskader
10
Rijksbeleid
10
Provinciaal beleid
13
Gemeentelijk beleid
19
Milieuaspecten
23
Bodem
23
Geluid
24
Luchtkwaliteit
25
Externe veiligheid
25
Bedrijven en Milieuzonering
27
Watertoets
29
Flora en fauna
32
Cultuurhistorie
34
Archeologie
35
M.e.r.-beoordeling
37
Kabels en leidingen
37
Hoofdstuk 5. Juridische planaspecten
38
5.1
Inleiding
38
5.2
Toelichting op de verbeelding
38
5.3
Toelichting op de planregels
38
5.4
Beschrijving bestemmingen
39
Hoofdstuk 6. Uitvoerbaarheid
41
6.1
Economische uitvoerbaarheid
41
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
41
pagina 2 van 42
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1:
Landschappelijke inpassing (Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten BV, 19 april 2021).
Bijlage 2:
Verkennend Bodemonderzoek (Hoste Milieutechniek BV, 20247VRB, 6 oktober 2020).
Bijlage 3:
Verkennend Bodemonderzoek (Hoste Milieutechniek BV, 20285VRB, 11 november 2020).
Bijlage 4:
Ako wegverkeerslawaai (Tritium Advies, 2003/132/ROS-01, 6 juli 2020).
Bijlage 5:
Quickscan flora en fauna (Tritium Advies, 2003/132/ROS-02, 16 februari 2021).
Bijlage 6:
Stikstofberekening Lekdijk-Oost (Tritium Advies, 2003/132/ROS-04, 30 oktober 2020).
Bijlage 7:
Archeologisch Bureau- en Inventariserend Veldonderzoek (Transect, 2924, 19 februari 2021).
pagina 3 van 42
Inleiding Aanleiding en doel De initiatiefnemer is voornemens de bedrijfslocatie aan de Lekdijk Oost 66 en 68 te Bergambacht te herontwikkelen. Het plangebied is gelegen binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’, vastgesteld op 13 december 2011. Een gedeelte van het plangebied is gelegen binnen de bestemming ‘Wonen’, waar in totaal één vrijstaande woning mag worden gerealiseerd. Voorts mag binnen deze bestemming geen bedrijfsbebouwing worden uitgevoerd / zijn gebouwd. Het andere gedeelte van het plangebied is gelegen in de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Hierbinnen mag binnen het bouwvlak enkel één bedrijfswoning worden gerealiseerd. Binnen deze bestemming is bedrijfsbebouwing wel toegestaan (onder andere reële grondgebonden graasdierbedrijven). Het planvoornemen behelst de sloop van alle bebouwing binnen het plangebied ten behoeve van de nieuwbouw van in totaal drie woningen met bijgebouwen. Eén van de woningen wordt in het gedeelte gerealiseerd dat in het vigerend bestemmingsplan reeds is bestemd voor wonen, de andere twee woningen worden gerealiseerd in het gedeelte met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Voor laatstgenoemde geldt, zoals benoemd in artikel 3.7.3 van het vigerende bestemmingsplan, een wijzigingsbevoegdheid wat de toevoeging van een woning mogelijk maakt indien wordt voldaan aan enkele voorwaarden.
Voor onderhavig planvoornemen is het meest relevant dat, om gebruik te maken van bovengenoemde wijzigingsbevoegdheid, er in totaal 1000 m² aan bedrijfsbebouwing dient te worden gesaneerd. Er wordt in onderhavig voornemen circa 644 m² aan bedrijfsbebouwing geamoveerd, waarmee niet voldaan wordt aan de voorwaarden en daarmee niet gebruik kan worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. Derhalve wordt in plaats van het gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid een nieuw bestemmingsplan opgesteld voor de totale ontwikkeling om het planvoornemen alsnog mogelijk te maken. De gemeente Krimpenerwaard heeft, in oog nemende de potentiële kwaliteitsverbetering die met het planvoornemen gepaard gaat, aangegeven in hoofdlijnen medewerking te willen verlenen aan het planvoornemen.
Ligging plangebied De locatie ligt aan de Lekdijk Oost en betreft de huisnummers 66 en 68. Het plangebied ligt in het buitengebied van Bergambacht, gemeente Krimpenerwaard, tegen het dorp Ammerstol aan. De locatie betreft de kadastrale percelen gemeente Bergambacht, sectie B, nummers 5310 en 5467 en nummer 5469 gedeeltelijk. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5750 m² en is thans voor een groot gedeelte bebouwd / verhard.
pagina 4 van 42
Figuur 1.1: Bestaande situatie bebouwing plangebied
Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’, van de voormalige gemeente Bergambacht, vastgesteld op 13 december 2011. Een gedeelte van het plangebied is gelegen in de bestemming ‘Wonen’, waar in totaal één vrijstaande woning is toegestaan. Het andere gedeelte van het plangebied is gelegen in de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Hierbinnen mag binnen het bouwvlak enkel één bedrijfswoning worden gerealiseerd alsmede reële grondgebonden graasdierbedrijven en ondergeschikte nevenactiviteiten in de bestaande bebouwing. Daarnaast geldt voor vrijwel het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Voor een klein deel geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’.
pagina 5 van 42
Figuur 1.2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ (plangebied rood omlijnd)
Leeswijzer Het eerste hoofdstuk ‘Inleiding’ geeft kort weer waarop deze toelichting van het bestemmingsplan betrekking heeft. Tevens wordt hier de ligging van de beoogde ontwikkeling in de omgeving weergegeven en wordt ingegaan op het vigerend bestemmingsplan. In het tweede hoofdstuk ‘Planbeschrijving’ worden de huidige en toekomstige situatie beknopt besproken. In het derde hoofdstuk ‘Beleidskader’ komt achtereenvolgens het Rijksbeleid, het provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid aan de orde. Voorts worden de milieu-planologische aspecten bodem, geluid, archeologie en andere mogelijke belemmeringen besproken in hoofdstuk 4 (Milieuaspecten). In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planaspecten van het plan. Als laatst word in hoofdstuk 6 zowel de economische- als maatschappelijke uitvoerbaarheid behandeld.
pagina 6 van 42
Planbeschrijving Huidige situatie Gemeente Krimpenerwaard Het plangebied ligt binnen de gemeente Krimpenerwaard. Het grondgebied van de gemeente Krimpenerwaard (voormalige gemeente Bergambacht) bestaat uit een karakteristiek open agrarisch veenweidegebied met lintbebouwing. In algemene zin is in Krimpenerwaard de industrie, bouwnijverheid en bedrijven in de vervoer- en communicatiesector sterk aanwezig. De activiteiten van de aanwezige bedrijven zijn hierbij gericht op de lokale en regionale markt. De nietcommerciële- en commerciële dienstverlening zijn relatief ondervertegenwoordigd. Plangebied en omgeving De locatie (Lekdijk-Oost 66 en 68) is gelegen in het buitengebied van de gemeente Krimpenerwaard. Momenteel is het plangebied bebouwd met twee woningen en circa 644 m2 aan bedrijfsbebouwing. In de directe omgeving bevinden zich voornamelijk woonfuncties, groen, agrarische velden en -bedrijven en een recreatiemogelijkheid. Het plangebied is gelegen aan de Lekdijk-Oost, een 60 km/uur weg en loopt in het westen over naar de weg Lekdijk-West. Het plangebied ligt aan de voet van de dijk en is met een pad rechtstreeks aangesloten op de dijk. Ten oosten van het plangebied is op relatief korte afstand het dorp Ammerstol gelegen.
Toekomstige situatie Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Krimpenerwaard. Het planvoornemen behelst het amoveren van de bestaande bebouwing (woningen en bedrijfsgebouwen) en de realisatie van drie woningen met bijgebouwen. Daarmee komt het huidige agrarische bouwperceel op Lekdijk-Oost 66 te vervallen.
Figuur 2.1 Stijl van een voorgelegde, beoogde woning.
pagina 7 van 42
De beoogde woningen (en de sloop van de bedrijfsbebouwing) voorzien in de toekomstige situatie in een kwaliteitsimpuls van de directe omgeving. Het wordt beoogd om de woningen in een boerderijstijl, aansluitend bij de landschappelijke elementen, op te bouwen. De achterste woning zal meer vormgegeven worden als schuur.
Figuur 2.2 Terreinindeling perceel toekomstige situatie.
Het planvoornemen wordt tevens landschappelijk ingepast. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan (Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten B.V., Landschappelijke inpassing van nieuwe woningen aan Lekdijk-Oost 66 en 68 te Bergambacht, d.d. 19 april 2021) opgesteld. Het inpassingsplan kan geraadpleegd worden in bijlage 1 behorend bij dit bestemmingsplan. De realisatie en instandhouding van de belangrijke structuurgevende elementen uit het landschappelijk inpassingsplan, die van ruimtelijk belang zijn voor de kwaliteitsverbetering, is in dit bestemmingsplan ook gewaarborgd (met een voorwaardelijke verplichting). Voor een uitgebreide beschrijving van de landschappelijke inpassing wordt naar het inpassingsplan verwezen. Daarnaast wordt de beoogde uitstraling van de te realiseren woningen voorgelegd aan de commissie
pagina 8 van 42
Ruimtelijke Kwaliteit. Bij het ontwerp van de woningen wordt aansluiting gezocht bij de welstandscriteria conform de Nota ruimtelijke kwaliteit zoals beschreven in paragraaf 3.3. Verkeer en parkeren Parkeren Het Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard is vastgesteld op 29 januari 2019. De bestaande beleidslijn om de parkeerbehoefte te toetsen aan de parkeerkerncijfers van het CROW publicatie 317 (en de rechtsopvolger) is hierin vastgesteld. Hierbij zijn de volgende nuanceringen aangebracht: -
de gemiddelde parkeernorm wordt als uitgangspositie opgenomen;
-
parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein;
-
alle dorpen vallen onder de noemer ‘rest bebouwde kom’;
-
het buitengebied valt onder de noemer ‘buitengebied’;
-
voor de gehele gemeente geldt dat sprake is van ‘niet stedelijk’.
Als blijkt dat de parkeerbehoefte niet op eigen terrein kan worden opgelost en er geen (economisch) haalbaar alternatief in de directe omgeving voor handen is, dan zal er vanuit parkeeroptiek over de vergunningaanvraag een negatief advies worden verstrekt. Hiermee wordt voorkomen dat de extra parkeerbehoefte wordt afgewenteld op de omgeving. Van deze beleidslijn kan afgeweken worden indien redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat voldoende parkeerruimte op eigen terrein worden aangelegd. Het plangebied is momenteel overwegend bebouwd. De huidige woon- en bedrijfsbebouwing wordt gesloopt ten behoeve van de bouw van drie woningen met bijgebouwen. De beoogde woningen zijn te omschrijven als ‘koop, vrijstaand’, waarvoor in het buitengebied en een niet-stedelijk gebied een parkeernorm van 2 tot 2,8 parkeerplaatsen geldt. Conform het gemeentelijk beleid, geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaats per woning. In onderhavige situatie dient derhalve 7,2 (8) parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd te worden. Op het terrein is voldoende ruimte aanwezig om 7,2 (8) parkeerplaatsen te realiseren. De realisatie van de parkeerplaatsen wordt in de planregels van dit bestemmingsplan gewaarborgd middels een parkeerregeling die verwijst naar het model van het Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard. Derhalve vormt het aspect parkeren geen belemmering voor het planvoornemen.
In de huidige (planologische) situatie is op het perceel woon- en bedrijfsbebouwing gelegen. Door het vervangen van deze bebouwing met enkel drie woningen en bijhorende bijgebouwen neemt in vergelijking met de bestaande situatie het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie af. Het aspect verkeer vormt hiermee geen belemmering voor het planvoornemen.
pagina 9 van 42
Beleidskader In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Het Rijksbeleid zal worden besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Voor het provinciaal beleid van Zuid-Holland wordt gebruik gemaakt van de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening ZuidHolland. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt onder andere ingegaan op de Structuurvisie.
Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie De NOVI geeft richting en helpt om te keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij in het bijzonder op ontwikkelingen waarbij meerdere nationale belangen samenkomen en op het in samenhang maken van keuzes tussen die belangen. Nationale belangen zijn vanwege het relatief kleinschalige karakter van het voorgenomen initiatief echter niet aan de orde. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Het Rijksbeleid is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (inwerking getreden op 13 maart 2012). De SVIR is gericht op het nationaal beleid op het gebied van ruimte en mobiliteit voor de middellange termijn (2028, met doorkijk naar 2040). Om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden, kiest het Rijk voor drie doelen: •
het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland;
•
het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
•
het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven.
Het Rijk benoemt in de SVIR 13 nationale belangen waarvoor het verantwoordelijk is en waarmee het resultaat wil boeken. Daarbuiten ligt de verantwoordelijkheid bij de lokale overheden. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. Het planvoornemen raakt echter geen nationale belangen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, worden in het Barro geborgd, dat op 30 december 2011 in werking is getreden. De Barro is ook wel bekend als Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. In het Barro worden een aantal projecten die van Rijksbelang zijn benoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project zijn vervolgens regels gegeven waaraan ruimtelijke onderbouwingen moeten voldoen. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn: a.
de mainportontwikkeling van Rotterdam;
b.
de bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren;
c.
de bescherming en behoud van de Waddenzee;
pagina 10 van 42
d.
de bescherming en behoud van enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam;
e.
de uitoefening van defensietaken;
f.
veiligheid op Rijk’s vaarwegen;
g.
toekomstige uitbreiding van infrastructuur;
h.
de elektriciteitsvoorziening;
i.
de ecologische hoofdstructuur (EHS);
j.
de veiligheid van primaire waterkeringen;
k.
reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas;
l.
maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer;
m.
duurzame verstedelijking.
Door de nationale belangen vooraf in ruimtelijke onderbouwingen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en vermindering van de bestuurlijke drukte. De bedoeling is duidelijk: belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen, worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Dat zal inderdaad kunnen leiden tot een versnelde uitvoering van die projecten. Daar staat tegenover dat gemeenten die een ruimtelijk plan opstellen dat raakt aan een belang van de projecten in het Barro nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten checken. Gebeurt dat niet, dan bestaat het risico op een reactieve aanwijzing van Gedeputeerde Staten of van de Minister. Het effect daarvan is dat bepaalde onderdelen van de omgevingsvergunning niet in werking treden. Het plangebied valt niet binnen één van de projecten die aangewezen zijn in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. Ladder voor duurzame verstedelijking In het besluit ruimtelijke ordening is een Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) opgenomen die bij elk bestemmingsplan in acht moet worden genomen.
Per 1 juli 2017 is een vereenvoudigde Ladder in werking getreden. Gemeenten, provincies en projectontwikkelaars hoeven alleen bij nieuwbouwplannen buiten stedelijke gebieden uitgebreid te motiveren waarom de nieuwbouw daar nodig is. De Laddertoets moet alleen uitgevoerd worden wanneer sprake is van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling. Er wordt in de ladder geen afgebakende definitie gegeven voor ‘stedelijke ontwikkeling’. Wel blijkt uit jurisprudentie1 dat de bouw van circa 12 woningen aangemerkt wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het Bro benoemt als bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. In de huidige situatie behelst het plangebied, gezien de invulling van woon- en bedrijfsfuncties / -bebouwing, bestaand stedelijk gebied. Het planvoornemen is met (gedeeltelijke) bestemmingswijziging en de daarmee verbonden sloop en nieuwbouw van in totaal 3 woningen (met bijgebouwen) dusdanig klein van schaal dat dit niet wordt aangemerkt als een nieuwe, stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op dit initiatief.
1
zie o.a. ABRvS 18 december 2013, ECLI:RVS:2013:2471, resp. ABRvS 9 april 2014, ECLI:RVS:2014:1252)
pagina 11 van 42
Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening alsnog aangetoond te worden dat er behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling. In de regio Midden-Holland, waar Krimpenerwaard deel van uitmaakt, zal de groei van het aantal huishoudens vanaf 2020 de natuurlijke groei overstijgen. De gemeente Krimpenerwaard heeft de ambitie om in de regio op basis van de ruimte en onderscheidende kwaliteiten in te zetten op een toename van het aantal huishoudens dat sterker is dan de huidige prognoses. De geraamde ‘natuurlijke groei’ (+ 1.860 huishoudens 2015-2025, + 2.500 huishoudens 20152030) is voor de woningbouwambities van de gemeente Krimpenerwaard de basis voor het woningbouwprogramma. De kernen Bergambacht en Krimpen aan de Lek zijn procentueel gezien de sterkste groeiers. Om deze groei te kunnen faciliteren, heeft de gemeente Krimpenerwaard in haar woonvisie de ambitie minimaal 3.000 nieuwe woningen te realiseren in de periode 2015-2030 (500 meer dan de eerder vastgestelde behoefte van 2.500 woningen). Er is voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Aangezien onderhavig te realiseren woningen worden gerealiseerd in het koopsegment en een hoogwaardig woonmilieu (wonen in een landelijk milieu) bieden, voldoet het planvoornemen daarmee aan een goede ruimtelijke ordening.
Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Onderdeel zijn de Deltabeslissingen (waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimtelijke adaptatie), de Beleidsnota Noordzee met ruimtelijk plan, de verankering van waterafspraken uit het Energieakkoord, de Natuurvisie, de Internationale Waterambitie en de plannen en maatregelenprogramma’s waarmee we voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu. Het Nationaal Waterplan vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen, maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zomaar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn verwerkt: •
hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid;
•
gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van de watersystemen in Nederland;
•
benodigde maatregelen en ontwikkelingen;
•
beheerplannen voor de stroomgebieden;
•
beheerplannen voor de gebieden met overstromingsrisico;
•
mariene Strategie;
•
beleidsnota Noordzee;
•
functies van de rijkswateren.
In het nieuwe Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics), zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven.
pagina 12 van 42
Waterbesluit Het Waterbesluit vormt samen met de Waterregeling een uitwerking van bepalingen van de Waterwet. De Waterwet maakt het mogelijk of schrijft voor dat bepaalde onderwerpen worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur (bijvoorbeeld het Waterbesluit), een ministeriële regeling (bijvoorbeeld de Waterregeling) of in regelgeving van decentrale overheden. Dit waarborgt de samenhang tussen verschillende aspecten van het waterbeheer en bevordert ook de overzichtelijkheid van de waterbeheerregelgeving. Bij het opstellen van het Waterbesluit is prioriteit gegeven aan die gevallen waarin de wet nadere regeling voorschrijft. Daarnaast is voor de gevallen waarin nadere regeling kan plaatsvinden het uitgangspunt gekozen om het accent vooral te leggen op ‘codificeren’, in plaats van ‘modificeren’ van bestaande regelgeving. Hierbij is het uitgangspunt dat gestreefd wordt naar zo min mogelijk regels met een zo laag mogelijke regeldruk. Belangrijke onderwerpen in het Waterbesluit zijn: •
de landelijke rangorde bij watertekorten, de zogenaamde verdringingsreeks: verdringingsreeks bij watertekorten;
•
de toedeling van oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen in beheer bij het Rijk: rijkswateren en regionale wateren;
•
de procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren: beheerplannen;
•
enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's;
•
de vergunningplicht en algemene regels voor het gebruik van rijkswaterstaatswerken: gebruik maken van een waterstaatswerk;
•
de wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan: een watervergunning aanvragen.
Conclusie Rijksbeleid Het planvoornemen is niet in strijd met de hiervoor geformuleerde nationale belangen.
Provinciaal beleid Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale Staten van Zuid-Holland zowel de Omgevingsvisie ZuidHolland als de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Op 1 augustus 2020 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden. De provincie Zuid-Holland ziet in totaal 6 richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving. Deze staan niet op zichzelf, maar zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Door in te zetten op de zes ambities wordt gericht op het sterker maken van de provincie Zuid-Holland. Bij de zes ambities is een aantal opgaven vastgesteld. Hierbij is geen eindbeeld geschetst; er is gekozen om ambities te schetsen die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Het betreft de volgende ambities: 1.
naar een klimaatbestendige delta;
2.
naar een nieuwe economie: the next level;
3.
naar een levendige meerkernige metropool;
pagina 13 van 42
4.
energievernieuwing;
5.
best bereikbare provincie;
6.
gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
In het programma Ruimte zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie nagestreefd zullen worden. Omgevingskwaliteit Het centrale doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie Zuid-Holland streeft hierbij naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciale omgevingsbeleid wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen zoals opgenomen in de Omgevingswet. Er wordt gericht op het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en het in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is weergegeven in de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit', behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit werkt de provincie vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid die zij van provinciaal belang acht.
De 12 opgaven zijn: landschap en cultuurhistorie, gezondheid en veiligheid, natuur en recreatie, ruimte en verstedelijking, wonen, bodem en ondergrond, cultuurparticipatie en bibliotheken, klimaatadaptatie, zoetwater en drinkwater, bereikbaarheid, regionale economie en energievoorziening. Kwaliteitskaart In de Omgevingsvisie heeft de provincie een Kwaliteitskaart opgenomen. Deze gaat over het buitengebied (de ruimte tussen steden en dorpen) en over de rand van steden en dorpen. Op deze kaart staan kwaliteiten van Zuid-Holland benoemd. De provincie vraagt gemeenten om voor ontwikkelingen in en nabij het buitengebied de kwaliteitskaart te benutten en gebruik te maken van de opgestelde gebiedsprofielen. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact daarvan van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: 1.
de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder;
2.
een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid;
3.
hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.
pagina 14 van 42
De Kwaliteitskaart geeft voor het plangebied de laag ‘stads- en dorpsranden’ weer. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij worden drie typen ‘overgangskwaliteiten’ onderscheden. Het front, het contact en de overlap. Op de kaart staan deze hoogwaardige en bijzondere fronten. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de: 1.
de kwaliteit van het front (contrast). Een scherpe rand tussen bebouwing en land, waarbij de bebouwing en landschap ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd. Er zijn verschillende situaties denkbaar, waarbij landschappelijke grenzen zorgen voor een scherp contrast tussen bebouwing en landschap. De stad aan de rivier of aan zee (waterfront, zeefront), appartementsgebouwen langs de duinrand of de bebouwingsrand rond een (verder vrij onbebouwde) droogmakerij. Stad en buitengebied brengen hun eigen eigenschappen maximaal tot expressie. Vormen van hoogbouw kunnen hier aan het karakter bijdragen. Bij water- en zeefronten bieden combinaties met de waterkering kansen voor kwaliteit. Het ‘wegfront’ vraagt om extra aandacht voor verbindingen tussen stad en ommeland. Hier is het vaak niet het geval dat bebouwing en landschap met het gezicht naar elkaar zijn gekeerd. De grens is scherp, maar men mist de kwaliteiten van het ‘zicht op elkaar’;
2.
contactkwaliteit. Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon;
3.
de kwaliteit in de overlap (‘contact’). Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Er wordt een geïntegreerde ontwikkeling ontworpen van woon-, werk-, productie- en vrijetijdslandschappen die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap en met een goede dooradering van recreatieve routes.
De overgangskwaliteiten zijn verder uitgewerkt in de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. Gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit, gemeente Krimpenerwaard Het plangebied is gelegen binnen verschillende kaarten die ingaan op relevante waarden. De relevante kaarten worden hieronder besproken. Kwaliteit- in stad en dorpsgebied Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘Nederzetting aan de rivier’. Nieuwe woonwijken liggen achter de dijk en volgen de landschappelijke patronen van de veenweide. Er worden verschillende ambities gevolgd: •
de oriëntatie van het dorpscentrum op de rivier bewaren en versterken. Centrumfuncties
pagina 15 van 42
krijgen bij voorkeur hier een plek; •
het contrast tussen (historische) bebouwing langs de dijk en nieuwe woonwijken in de veenweide behouden;
•
nieuwe ontwikkelingen behouden of versterken het contrast tussen rivierdijk en veenweide;
•
handhaven van belangrijke zichtlijnen tussen landschap en stad (Gouda, Haastrecht, Schoonhoven); bijvoorbeeld zicht op de stadscoulisse vanuit het landschap resp. doorzicht of panorama op het landschap vanuit de stad.
Kwaliteit van de stads- en dorpsrand De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. De kwaliteit van de rand kan op verschillende manieren tot uitdrukking komen. Waar landschap en bebouwing als het ware ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd met een heldere en vaststaande landschappelijke grens is het de kwaliteit van het front (contrast). Randen waar bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende landschappelijke structuren worden gekenmerkt door de kwaliteit van verweving (contactkwaliteit). Randen waar de grens tussen bebouwing en landschap diffuus is bezitten de kwaliteit van de overlap tussen stad en landschap (contract). Het plangebied is gelegen aan de aanduiding ‘Rand aan veenweide’. De rand tussen dorp en veenweide loopt in een rechte lijn parallel met de verkaveling of haaks erop. Woonbebouwing en bedrijventerreinen staan met voor- of achterkant naar het landschap. Er worden verschillende ambities gevolgd: •
randen vormen een zachte, waterrijke en groene overgang naar het landschap;
•
behouden en versterken van de visuele en functionele verweving van dorpsrand met veenweide, bijvoorbeeld door toegankelijke kades door de veenweide naar het dorp;
•
landschappelijke patronen, zoals watergangen, kades of rijen knotwilgen zorgen voor verweving van bebouwing en landschap;
•
zichtlijnen vanuit het dorp naar het landschap langs landschappelijke structuren zoals sloten handhaven.
Linten blijven linten De bebouwing van het landelijk gebied is geconcentreerd in de linten. Door de ontginning vanuit de rivieren hebben de linten een oost-west oriëntatie. De linten zorgen voor een geleding van het landschap in noord-zuid richting en lange open ruimtes in oost-west richting. De linten in het gebied zijn in twee categorieën te onderscheiden: dijklinten en veenlinten. Het plangebied is gelegen aan een dijklint. In de linten kan nieuwbouw van burgerwoningen plaatsvinden als zo’n ontwikkeling bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en als voldaan wordt aan regelgeving conform de provinciale Verordening ruimte. Tevens zijn hier ook algemene richtlijnen van de kwaliteitskaart op van toepassing: •
linten blijven linten en behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst;
•
bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.
pagina 16 van 42
Er worden met betrekking tot de instandhouding van de ruimtelijke kwaliteiten van dijklinten verschillende ambities gevolgd: •
contrast verdichte dijklinten en open veenweidegebied beleefbaar houden;
•
doorzichten over opstrekkende verkaveling vanaf de dijk zoveel mogelijk behouden, poldersloten lopen door tot aan de dijkvoet;
•
bij dijkversterking rekening houden met het karakteristieke dwarsprofiel van de dijk en aanhechting bebouwing aan de dijk;
•
herkenbaar houden van de ruimtelijke structuur van de verkaveling: dwars op de dijk, variërend van haaks tot enigszins onder een hoek;
•
in stand houden van het profiel dat gewoonlijk asymmetrisch is met bebouwing binnendijks aan de dijkvoet en op sommige plekken buitendijks op dijkniveau;
•
bebouwing staat met het gezicht naar de dijk;
•
bebouwing aan de dijkvoet staat bij voorkeur parallel met de verkaveling, bebouwing op dijkniveau bij voorkeur parallel met de dijk;
•
bedrijfsgebouwen staan achter de rooilijn van de woningen;
•
nieuwe ontwikkelingen houden rekening met toekomstige dijkversterkingen.
Tot slot is van belang dat het plangebied op verschillende kaarten is gelegen binnen de aanduiding ‘veenweide met riviereninvloed’. De veenweidepolders lopen door tot aan de rivierdijken. Het hoogteverschil is geleidelijk en er is geen duidelijke oeverwal te onderscheiden. Wel is door de directe invloed vanuit de rivier hier meer klei in de bodem aanwezig en liggen de gronden hierdoor iets hoger. Het veenweidegebied is een uniek en karakteristiek onderdeel van het Hollandsche landschap. De structuur ervan wordt bepaald door de rivieren en de parallel aan de rivieren aangelegde tiendwegen, kades en weteringen van waaruit het gebied vanaf de middeleeuwen ontgonnen is. Hierdoor is een landschap ontstaan met lange rechte lijnen en lange smalle kavels. Het waterpeil is er hoog en het grondgebruik is overwegend grasland. De veenweide loopt tot aan de rivierdijk, alleen in de ondergrond is de voormalige rivierinvloed afleesbaar. De leegte, rust en openheid in het veenweidegebied zo dicht onder de rook van de stad, zijn een bijzondere kwaliteit van de Krimpenerwaard. Ontwikkelingen zijn gericht op een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied. Conclusie Het plangebied is op de Kwaliteitskaart gelegen binnen de gebiedsaanduidingen ‘veencomplex – veen’, ‘veen(weide)landschap’ en ‘steden en dorpen’.
De ruimtelijke kwaliteit blijft navolgend de bestemmingswijziging tenminste gelijk aan de huidige situatie. De vormgeving van de bebouwing verandert in positieve zin; de nieuwbouw betreft kwalitatief hoogstaande elementen die het landschap en het buitengebied van Krimpenerwaard versterken. De nieuwbouw doet, de sloop van de bestaande bebouwing in acht nemende, niets af van het contrast tussen (historische) bebouwing langs de dijk en overige nieuwbouw. Daarnaast wordt de belevingswaarde van het veenweidegebied niet aangetast. De kleinschalige ontwikkeling tast de richtlijnen zoals genoemd niet aan. Er is geen strijd met provinciale belangen. Omgevingsverordening Zuid-Holland De Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In deze verordening zijn alle regels voor de fysieke leefomgeving van het bestaande provinciale omgevingsbeleid samengevoegd. De Omgevingsverordening is op 1 augustus 2020 geconsolideerd. Hiervoor zijn verschillende kaarten opgesteld. Voor zover relevant worden deze hieronder toegelicht:
pagina 17 van 42
Kaart 5: Milieubeschermingsgebieden voor grondwater Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘Boringsvrije zone’. Het doel van een boringsvrije zone is het beschermen van het diepe grondwater. In boringsvrije zones gelden maximale diepten voor het roeren van de bodem, namelijk 2,5 meter. Het planvoornemen voorziet niet in het roeren van de bodem op een dergelijke diepte. Derhalve wordt voldaan aan de provinciale bepalingen met betrekking tot ‘Milieubeschermingsgebieden voor grondwater’. Overigens wordt de boringsvrije zone in onderhavig bestemmingsplan overgenomen om het diepe grondwater ook in de toekomst bescherming te bieden. Kaart 9: Ontgrondingen Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘Ontgrondingen’. De Omgevingsverordening schrijft verschillende vrijstellingen voort op de verboden van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingswet. Het gaat hierbij onder meer om vrijstellingen met betrekking tot het egaliseren van percelen met hoogteverschillen van niet meer dan 0,25 meter, het doen van archeologische opgravingen en het maken, wijzigen, verwijderen en onderhouden van bouwwerken, kunstwerken en hun funderingen. Het planvoornemen voorziet in het maken en wijzigen van funderingen alsmede het maken en wijzigen van gebouwen. Er wordt derhalve voldaan aan de provinciale regels met betrekking tot ‘Ontgrondingen’.
Kaart 17: Gebieden met verplichte peilbesluiten Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘gebied verplicht peilbesluit’. Het waterschapsbestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden waarvan de plaats geometrisch is bepaald. Daarnaast moeten peilbesluiten actueel zijn en in ieder geval rekening houden met veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en met de aanwezige functies en belangen. Het voornemen voorziet niet in aantastingen aan het nabijgelegen oppervlaktewater. Derhalve wordt voldaan aan de provinciale eisen met betrekking tot ‘gebieden met verplichte peilbesluiten’. Het kwaliteitsbeleid van de Omgevingsverordening Zuid-Holland gaat uit van een ‘ja, mits’-principe. Dit behelst dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie hanteert het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die onderscheid maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing, nieuw gebruik van grond of nieuw gebruik van bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving. Daarnaast sluit dit handelingskader bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten bij de aard en schaal van het gebied passen alsmede voldoen aan de relevante richtpunten van de Kwaliteitskaart.
Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'veen(weide)landschap’ en ‘steden en dorpen’. Hierbij gelden de volgende richtlijnen: •
bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden;
•
ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen;
•
ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden;
•
nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren / linten en niet in de veenweidepolders.
De richtlijnen met betrekking tot de aanduiding ‘steden en dorpen’ zijn al behandeld in voorgaande paragraaf. De nieuwe bebouwing wordt geplaatst binnen bestaande structuren en versterken de huidige kenmerkende landschapselementen. De bestaande vervallen bebouwing wordt bovendien
pagina 18 van 42
geamoveerd, wat eveneens verzorgt in de versterking van de bestaande landschapselementen van het gebied. Conclusie Het plangebied is in de huidige situatie bebouwd met woningen en bedrijfsbebouwing. De landschappelijke kwaliteiten zullen door het amoveren van deze bestaande bebouwing en de beoogde nieuwbouw worden verbeterd, gezien de verouderde bebouwing vervangen wordt door kwalitatieve nieuwbouw die aansluit bij de kenmerkende landschapselementen. Derhalve voldoet het planvoornemen aan de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Gemeentelijk beleid Structuurvisie K5 Gemeenten In 2009 hebben in totaal vijf gemeenten in de Krimpenerwaard een structuurvisie opgesteld. Hierin staan de hoofdlijnen voor de gewenste ontwikkeling van het gebied vermeld. De centrale opgave voor de K5 is enerzijds het voeren van een evenwichtige koers in het spanningsveld tussen het versterken van sociaal-economische aspecten en anderzijds het waarborgen van de cultuurhistorische, natuur- en landschapskwaliteiten. Met name het patroon van dijk- en dorpslinten en het waterrijke slagenlandschap zijn kenmerkend voor de regio. In een groot deel van het gebied blijft de grondgebonden melkveehouderij de belangrijkste functie. In bepaalde gebieden zal natuur ontwikkeld worden met recreatief medegebruik. In het zuiden van de Krimpenerwaard zijn ook beperkte mogelijkheden voor hervestiging van bedrijven die in het kader van natuurontwikkeling worden uitgekocht. Daarnaast wordt, binnen bestaande opstallen, ruimte geboden aan activiteiten op het vlak van verbrede landbouw en vernieuwend ondernemerschap. De belangrijkste uitgangspunten voor de kernen zijn leefbaarheid, bereikbaarheid van voorzieningen en een woningbouwcapaciteit die het mogelijk maakt om in de eigen woningbehoefte te voorzien.
Daarbij is het de inzet om enerzijds zuinig om te gaan met de ruimte en anderzijds woon- en werkmilieus te creëren van een schaal en ruimtelijke kwaliteit die passen bij de kernen. De K5 structuurvisie voorziet in een kernenprofilering die een kader biedt voor de afstemming en sturing van investeringen tussen kernen. Situatie planvoornemen Met de beoogde sloop van de (verouderde) woon- en bedrijfsbebouwing en nieuwbouw van drie woningen met bijgebouwen wordt de cultuurhistorische, natuur en landschapskwaliteiten van het buitengebied van de gemeente Krimpenerwaard beter gewaarborgd. De nieuwbouw is van kwalitatief hoogwaardige staat. Er zijn geen kenmerkende landschapselementen gelegen op de plaatsen waar de beoogde nieuwbouw wordt gerealiseerd. De bestaande landschappelijke structuur van het veenweidelandschap wordt niet aangetast en met de voorgenomen landschappelijke ingrepen versterkt. Het planvoornemen voldoet daarmee aan de Structuurvisie K5 Gemeenten. Nota ruimtelijke kwaliteit Op 13 december 2016 heeft de gemeenteraad van Krimpenerwaard de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Krimpenerwaard’ vastgesteld. De nota is vervolgens op 1 januari 2017 in werking getreden. Met de Nota Ruimtelijke kwaliteit is gekozen om het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist te harmoniseren en dereguleren met behoud van kwaliteit.
pagina 19 van 42
Bij de nota horen twee kaarten: de niveau- en de gebiedenkaart. Op de niveaukaart is aangegeven wat het minimale toelatingsniveau is om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Op de gebiedenkaart zijn de gebieden weergegeven die zich onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën.
Figuur 3.1: de Visiekaart met plangebied rood omcirkeld.
Figuur 3.2: de Gebiedenkaart met plangebied rood omcirkeld.
De Lekdijk-Oost 66 en 68 wordt aangemerkt als landelijk gebied met een gewoon welstandsniveau. Het landelijk gebied en diverse dorpslinten zijn voorbeelden van gebieden met een gewoon niveau. Bouwplannen in gebieden met een gewoon niveau zullen ten opzichte van het soepele gebied met meer aandacht bekeken worden. De lat ligt hoger, gezien de beeldbepalende ligging en bijbehorende uitstraling op bezoekers en passanten. Uitgangspunt in gebieden met een gewoon niveau is het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Bouwplannen aan achterkanten kunnen hier veelal eenvoudiger beoordeeld worden dan bouwplannen aan voorkanten.
pagina 20 van 42
De waarde is in ieder geval gelegen in de combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen en de afwisselende lintbebouwing. De verkaveling met dicht op elkaar gelegen sloten leidt tot langwerpige kavels met tussen de kavels doorzichten op het achterland. De bebouwing is gelijnd aan de verkaveling, waarbij boerderijen een woning aan de straatkant hebben en de stal hier in de regel achter is gelegen. Deze wijze van erfinrichting is kenmerkend voor het gebied en zorgt voor doorzichten over de erven. Enkele objecten zijn cultuurhistorisch waardevol. Het beleid is gericht op het behoud van de oorspronkelijke structuurelementen, het gegroeid bebouwingspatroon en de cultuurhistorische bebouwing. Het uitgangspunt is dat bouwplannen geen afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de hoofdoriëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. Criteria Bij de bespreking van bouwplannen wordt in samenhang met beschrijving en uitgangspunten getoetst aan de hand van de volgende criteria: 1.
Ligging:
•
het landelijke karakter van de lintbebouwing blijft behouden;
•
hoofdgebouwen staan aan de voorzijde van kavels en zijn met de voorgevel op de straat gericht, tweedelijns bebouwing is ondergeschikt en is geordend zoals gebruikelijk op traditionele erven;
•
rooilijnen van hoofdmassa’s verspringen onderling en volgen de verkaveling;
•
de rooilijnen zijn per bouwmassa in samenhang;
•
doorzichten naar achterland behouden;
•
bijgebouwen staan achter de voorgevelrooilijn;
•
grootschalige bebouwing staat in beginsel op achterterreinen;
•
ondergeschikte bouwwerken zoals voorzieningen voor paarden in beginsel op het achtererf plaatsen en uitvoeren in terughoudende kleuren.
2.
Massa:
•
de bouwmassa is evenwichtig, in harmonie met het gebiedskarakter en afgestemd op historische bebouwingskenmerken (hoofdvorm en nokrichting);
•
gebouwen zijn individueel en afwisselend en hebben een eenvoudige tot gedifferentieerde opbouw met een eenvoudige rechthoekige plattegrond;
•
per kavel is er één hoofdmassa;
•
woningen hebben in beginsel één tot anderhalve laag met een flinke kap;
•
bedrijfsgebouwen hebben een eenvoudige, schuurachtige vorm;
•
uitbreidingen zoals aanbouwen en dakkapellen vormgeven als toegevoegd ondergeschikt element of opnemen in de hoofdmassa;
•
bijgebouwen zijn eenvoudig van vorm en ondergeschikt aan de hoofdmassa.
3.
Architectonische uitwerking:
•
de architectuur volgt het beeld van landelijke bebouwing met individuele panden;
•
bebouwing is onnadrukkelijk aanwezig in het landschap;
•
het accent ligt op de bebouwing aan de weg en bebouwing in de tweede lijn is eenvoudig vormgegeven (met inbegrip van eventuele woningen);
•
de architectonische uitwerking en detaillering zijn verzorgd en evenwichtig;
pagina 21 van 42
•
de voorgevel van een bedrijfsgebouw is horizontaal geleed;
•
wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op hoofdvolume.
4.
Materiaal en kleur
•
materialen en kleuren zijn terughoudend en in beginsel traditioneel;
•
grote vlakken bestaan uit kleine elementen of hebben een duidelijke textuur, zoals baksteen of betimmering;
•
kleuren afstemmen op belendingen;
•
daken van bedrijfsgebouwen zijn in beginsel grijs.
pagina 22 van 42
Milieuaspecten Bodem Ten aanzien van het aspect bodem is door Hoste Milieutechniek een verkennend bodemonderzoek (inclusief asbest) uitgevoerd voor de locatie Lekdijk-Oost 66 te Bergambacht (Hoste Milieutechniek BV, verkennend bodemonderzoek, projectcode 20247VRB, kenmerk U20-0735, d.d. 6 oktober 2020) en de locatie Lekdijk-Oost 68 te Bergambacht (Hoste Milieutechniek BV, verkennend bodemonderzoek, projectcode 20285VRB, kenmerk U20-0837, d.d. 11 november 2020). Hieronder volgen de belangrijkste conclusies voor beide locaties. Voor de volledige onderzoeken kunnen de rapporten worden geraadpleegd, welke zijn bijgevoegd als bijlage 2 en 3 van dit bestemmingsplan. Lekdijk-Oost 66 Aanleiding tot het uitvoeren van het bodemonderzoek is de voorgenomen herinrichting van de locatie. In het nieuwe plan wordt de huidige bebouwing gesloopt en wordt de locatie ingericht ten behoeve van de nieuwe woonfunctie. Aanleiding tot het instellen van het onderzoek naar asbest in de grond is de vermoede aanwezigheid van ongedefinieerde puinfundering en potentieel asbestverdachte bijmengingen in de bodem. Het doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de algemene bodemkwaliteit om te bepalen of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen met tuin). Waarnemingen en resultaten: Verdeeld over de locatie zijn in totaal veertien boringen / asbestinspectiegaten verricht.
Tijdens het verrichten van de boringen is gebleken dat de bodemopbouw over het algemeen als volgt te beschrijven is. De bovenlaag bestaat voornamelijk uit kleiig zand of klei. Een eenduidige opbouw voor de ondergrond is niet vastgesteld. In de zuidelijk gelegen slootdemping zijn houtsnippers toegepast. Ter plaatse van de voormalige oostelijke kavelsloot is (grotendeels onder halfverharding) een zandpakket aangetroffen. Ter plaatse van de westelijke demping is in de klei onderlaag van 1,8 tot 2,0 m-mv een bijmenging met slib aangetroffen. Verspreid over de locatie zijn zwakke tot lokaal matige bijmengingen met puin aangetroffen. Op het erf tussen de gebouwen (binnenplaats) is gebroken puin aangebracht als halfverharding. Het puin is toegepast op een kleilaag tot circa 1,0 m-mv. Daaronder ligt een pakket zand. Uit het chemisch-analytisch onderzoek blijkt het volgende: De grond en het grondwater zijn niet tot maximaal licht verontreinigd met de onderzochte parameters. Er is zowel op het maaiveld als in de bodem visueel geen asbest verdacht materiaal aangetroffen. In de onderzochte monsters is geen asbest aangetoond. Geconcludeerd wordt dat de bodem van de onderzoekslocatie niet is verontreinigd met asbest.
Interpretatie en aanbevelingen: De indicatieve CROW 400 veiligheidsklasse voor graafwerkzaamheden ter plaatse van het perceel kan op basis van de huidige onderzoeksgegevens geclassificeerd worden als “geen veiligheidsklasse”. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er verder milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen voor het beoogde gebruik aan de Lekdijk Oost 66.
pagina 23 van 42
Lekdijk-Oost 68 Aanleiding tot het uitvoeren van het bodemonderzoek is de voorgenomen herinrichting van de locatie. In het nieuwe plan wordt de huidige bebouwing gesloopt en wordt de locatie ingericht ten behoeve van de nieuwe woonfunctie. De nieuwbouw zal plaatsvinden op de huidige vloeren / funderingen van de te slopen bebouwing. Deze worden dus niet verwijderd maar blijven intact. Aanleiding tot het instellen van het onderzoek naar asbest in grond is de terreininrichting en het vermoeden van de aanwezigheid van ongedefinieerd puin in de bodem. Het doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de algemene bodemkwaliteit om te bepalen of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen met tuin). Waarnemingen en resultaten: Tijdens het verrichten van de boringen is gebleken dat de bodemopbouw over het algemeen bestaat uit kleiig zand of klei in de bovenlaag. Lokaal is een veenlaag (oorspronkelijk) aangetroffen op een diepte vanaf 1,1 m-mv. In boringen 01, 02 ,03 en 05 is de bovengrond volledig grind of repac. De klei bovengrond rondom het oude woonhuis bevat sporen baksteen. Verder is in boring 02 volledig hout in de ondergrond van 1,3 tot 1,5 m-mv aangetroffen. Verder zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen in de bodemopbouw. Op het maaiveld en/of in de bodem is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
Uit het chemisch-analytisch onderzoek blijkt dat de grond en het grondwater niet tot maximaal lichtverontreinigd zijn met de onderzochte parameters. In de onderzochte monsters is geen asbest aangetoond. Geconcludeerd wordt dat de bodem van de onderzoekslocatie niet is verontreinigd met asbest. Interpretatie en aanbevelingen: De indicatieve CROW 400 veiligheidsklasse voor graafwerkzaamheden ter plaatse van het perceel is op basis huidige onderzoeksgegevens “geen veiligheidsklasse”. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er verder milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen voor het beoogde gebruik aan de Lekdijk-Oost 68.
Geluid Ten aanzien van het aspect geluid heeft Tritium Advies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Tritium Advies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, projectnummer 2003/132/ROS-01, versie 0, d.d.6 juli 2020). Dit volledige rapport kan worden geraadpleegd als bijlage 4 behorend bij dit bestemmingsplan. In het rapport is het volgende vastgesteld: Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van het gedeelte van de weg Lekdijk-Oost met een snelheidsregime van 60 km/uur. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur weg Lekdijk en het gedeelte van de weg Lekdijk-Oost met een snelheidsregime van 30 km/uur. Conform opgave van de Omgevingsdienst Midden-Holland kunnen de wegen Lekdijk en Lekdijk-Oost als één juridische geluidbron worden beschouwd. Voor de 30 km/uur weg Lekdijk-Oost/Lekdijk geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de bouwblokken overschrijdt. Voor de gezoneerde weg Lekdijk-Oost geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de bouwblokken overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde.
pagina 24 van 42
Aangezien in onderhavige situatie geen sprake is van een ‘procedure hogere waarde’, wordt een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels van de woningen niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Het aspect geluid (wegverkeerslawaai) vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Het akoestisch onderzoek is als separaat rapport opgenomen in de bijlage van dit bestemmingsplan.
Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) vervallen. Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de “Wet luchtkwaliteit”. De “Wet luchtkwaliteit” kent een aantal nieuwe begrippen zoals 'niet in betekenende mate' (NIBM) en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Voor nieuwe plannen betekent dit dat er nagegaan dient te worden of het plan past binnen het Besluit en/of de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’. Kleine en grote projecten Niet alle ruimtelijke projecten hoeven in het NSL te worden opgenomen. Nederland telt ongeveer 5000 bouwprojecten. Het overgrote deel ervan heeft vrijwel geen invloed op de luchtkwaliteit. Daarom introduceert de “Wet luchtkwaliteit” ‘kleine’ en ‘grote’ projecten. Een paar honderd grote projecten dragen ‘in betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat dan vooral om bedrijventerreinen, infrastructuur (wegen) en woningbouwprojecten met meer dan 1500 woningen. Conclusie Middels voorliggend planvoornemen wordt een al bestaande woning op de eerste verdieping gelegaliseerd. Dit leidt niet tot een toename van verkeersbewegingen aangezien in de bestaande situatie al gewoond wordt.
Het project draagt dan ook 'niet in betekende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. Desalniettemin is met behulp van de NSL-monitor vastgesteld of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde normen. De waarde van het dichtstbijzijnde rekenpunt (15476730) aan de Lekdijk-Oost bedraagt in het jaar 2020 18,03 μg/m3 en in het jaar 2030 14,90 μg/m3 (PM10). Daarmee wordt ruim voldaan aan de norm van 40 μg/m3 voor fijnstof. De waarden NO2 en de PM2,5 voldoen daarnaast in de jaren 2020 en 2030 ook aan de vastgestelde waarden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit ter plaatse geen belemmering vormt voor de beoogde bestemmingswijziging en de daar bijhorende legalisatie.
Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. pagina 25 van 42
Wanneer er sprake is van een situatie waarin externe veiligheid een rol speelt en waarin de overheid als bevoegd gezag een beslissing dient te nemen, moet namelijk beoordeeld worden of de situatie niet in strijd is met de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en dient het groepsrisico verantwoord te worden.
Figuur 4.1: Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied met rode cirkel aangeduid)
De buitenste zijde van de binnenvaartroute Corridor Amsterdam – Rijn is gelegen op circa 220 meter van het plangebied. Over de binnenvaartroute vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Er varen geen zeeschepen over de binnenvaartroute. Tabel 4.1 geeft een inventarisatie weer van de verschillende gevaarlijke stoffen die over de binnenvaart vervoerd worden. Tabel 4.1: gegevens binnenvaartroute Corridor Amsterdam - Rijn Stofcategorie
Hoeveelheden
Maximale effectafstand
(binnenvaartschepen)
(m)
LF1
brandbare vloeistof
8903
45
LF2
zeer brandbare vloeistof
9063
45
LT1
toxische vloeistof
0
730
LT2