CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 1 Toelichting IJsseldijk-Noord 148, Ouderkerk aan den IJssel.pdf

Raadsvergadering 13 september 2022, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan IJsseldijk-Noord 148, Ouderkerk a/d IJssel19.199 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

principe-instemming voor dit project. De betreffende jongveestal wordt daarom op termijn buiten gebruik gesteld. De jongveestal krijgt dan een andere functie. Hiermee wordt de situatie voor omliggende woningen verbeterd. Dit is middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de planregels en op de verbeelding. Daarnaast is op de verbeelding een aanduiding opgenomen waarvoor vanuit de regels behorende bij dit plan geldt dat het oprichten van dierenverblijven binnen deze aanduiding niet is toegestaan. Daarmee wordt geborgd dat binnen 25 meter van de woningen geen nieuwe dierenverblijven worden opgericht, waarmee aan de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij kan worden voldaan.

4.1.4 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met name paragraaf 5.2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per m3 (µg/m3) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. 4.1.4.1 Uitbreiding in dieraantallen In augustus 2009 heeft InfoMil de “Handreiking bij beoordelen fijn stof bij veehouderijen” gepubliceerd. In mei 2010 is deze vastgesteld en definitief gemaakt. Deze handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de gemeente als bevoegd gezag, bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe vestigingen en uitbreidingen, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking geeft op basis van rekenvoorbeelden aan wanneer een project als NIBM beschouwd kan worden.

In het onderhavige project is er een toename van de veestapel van 109 melkkoeien (RAV-nummer A1.14), 58 jongvee (RAV-nummer A3.100) en 1 fokstier (RAV-nummer A7.100). Volgens de lijst Emissiefactoren fijn stof voor veehouderij, versie 1 april 2015, bedraagt de aan te vragen fijnstofemissie: 158 melkkoeien x 118 g/dier/jaar = 18.640 g/jaar. 45 melkkoeien x 118 g/dier/jaar = 5.310 g/jaar. 118 jongvee x 38 g/dier/jaar = 4.484 g/jaar. 1 fokstier x 170 g/dier/jaar = 1.700 g/jaar. De vergunde fijnstofemissie bedraagt: 94 melkkoeien x 118 g/dier/jaar = 11.090 g/jaar. 60 jongvee x 38 g/dier/jaar = 2.280 g/jaar. Dit betekent dat de toename in fijnstofemissie 16.762 g/jaar is. Bij de beoordeling van NIBM dient 26

uitgegaan te worden van de toename fijnstofemissie in g/jaar. De handreiking bij beoordelen fijn stof bij veehouderijen geeft grenswaarden ten aanzien van de totale emissie bij afstanden oplopend van 70 – 160 meter. Bij 70 meter is de NIBM-vuistregelgrens 324.000 g/jaar oplopend tot 1.376.000 g/jaar bij 160 meter. Dit betekent concreet dat op 70 meter elk project met een emissie minder dan 324.000 g/jaar oplopend tot op 160 meter elk project met een emissie minder dan 1.376.000 g/jaar als NIBM is aan te merken. De grenswaarden voor de verschillende afstanden zijn in de onderstaande tabel weergegeven.

De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen op een afstand van 20 meter van de projectlocatie (gemeten van emissiepunt tot gevel woning). Er geldt een NIBM-vuistregelgrens van 324.000 g/jaar bij een afstand van 70 meter. In onderhavig geval is sprake van een toename van emissie van 16.762 g/jaar op een afstand van 20 meter. Dit is minder dan de NIBM-vuistregelgrens, waarmee de voorgenomen uitbreiding als NIBM is aan te merken. De gemeente stelt de voorwaarde dat de stalgedeelten voor zover gelegen binnen een afstand van 25 meter voor omliggende woningen binnen de planperiode buiten werking worden gesteld voor het houden van dieren nadat de nieuwe stal is opgericht en volledig in gebruik is. Hiermee wordt de situatie voor aangrenzende woningen verbeterd. De afstand van de dichtstbijzijnde woning ten opzichte van de uitbreiding is dan ongeveer 170 meter. 4.1.4.2 Uitbreiding van verkeersbewegingen Naast uitbreiding in dieraantallen moet ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen worden. In onderhavig geval zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.3.2). Hiermee is de uitstoot van de toename in het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee verder onderzoek achterwege kan blijven.

4.1.4.3 Woon- en leefklimaat Naast effecten op de omgeving moet ook onderzocht worden of ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Hierbij is het van belang te kijken naar de feitelijke luchtkwaliteit ter plaatse. Dit is echter alleen van belang als gevoelige objecten in het kader van de luchtkwaliteit worden opgericht. In onderhavig geval is geen sprake van het oprichten van een gevoelig object in het kader van de luchtkwaliteit. Hiermee kan verdere toetsing achterwege blijven.

4.1.5 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen, worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: 1. Woningen. 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende 27

voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Het aantal verkeersbewegingen zal bij de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.3.2). Tevens is een goede ontsluiting aan de IJsseldijk-Noord gerealiseerd, waarbij op eigen terrein voldoende gelegenheid is om te keren en parkeren. Hiermee zal de geluidbelasting die wordt veroorzaakt door vrachtverkeer niet verder toenemen. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden, uitgezonderd de gewenste windmolen, geen geluidoverlast veroorzakende inrichtingen opgericht. In het nu geldende bouwvlak is het oprichten van een kleine windmolen toegestaan. Voor het oprichten ervan is wel een omgevingsvergunning en melding Activiteitenbesluit Milieubeheer nodig en dient in dat kader de aanvaardbaarheid nog wel te worden aangetoond op basis van een concrete locatie. Nu in het voorliggende plan het bouwvlak wordt uitgebreid ontstaat ook de mogelijkheid de kleine windmolen op grotere afstand van gevoelige objecten in de omgeving te plaatsen. Gelet op de ligging van de uitbreiding van het bouwvlak en de afstand ten opzichte van gevoelige objecten van meer dan 100 m is het aannemelijk dat de kleine windmolen te zijner tijd is te vergunnen en voldaan kan worden aan de (geluid)normen.

Hiermee is geen sprake van een toename van het eventueel veroorzaakte industrielawaai van de projectlocatie aan de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen geluidgevoelige objecten opgericht. Hiermee kan verdere toetsing achterwege blijven.

4.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen een risicocontour en/of het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen de risicocontour en/of het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn standaard afstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grenswaarden van het plaatsgebonden risico.

Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en nabij gelegen, al dan niet geprojecteerde, (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2 lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. 4.1.6.1 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) Voor ruimtelijke plannen zijn spoorwegen, vaarwegen en autowegen risicorelevant als er binnen een zone van 200 meter vanaf de transportas een ontwikkeling gepland wordt. Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het doorgaand verkeer dient plaats te vinden aan de hand van de circulaire “Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (ministeries van VROM, BZK en VenW)” uit 2004 en de wijziging daarop van 1 augustus 2008, waarin grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico zijn opgenomen. Daarnaast kent de circulaire de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Indien binnen het invloedsgebied (binnen 200 meter vanaf de as van de transportroute) nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico of een significante stijging van 28

het groepsrisico optreedt, dient bij de vaststelling van het RO-besluit, het groepsrisico te worden verantwoord. Nabij de planlocatie (binnen een afstand van 200 meter) zijn geen transportroutes waarover mogelijk transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt gelegen. 4.1.6.2 Transport- en buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden aangehouden moeten worden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is hierbij in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het 'Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen' (VROM, 19 maart 2010 geactualiseerd) staan in bijlage 6 inventarisatieafstanden genoemd. Voor de inventarisatie van de bebouwing is een bepaalde afstand waarbinnen een inventarisatie noodzakelijk wordt geacht. De inventarisatieafstand loopt uiteen van 45 meter bij een leidingdiameter van 4 inch en een druk van 40 bar tot 580 meter bij een leidingdiameter van 42 inch en een druk van 80 bar. Deze afstanden gelden aan weerszijden van de betreffende leiding. In de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035, zoals vastgesteld op 12 oktober 2012, zijn de invloedsgebieden van buisleidingen voor transport weergegeven.

Indien binnen de invloedsgebieden ontwikkelingen plaatsvinden dient het groepsrisico te worden verantwoord. Het plangebied is niet binnen een invloedsgebied van een buisleiding gelegen. 4.1.6.3 Plaatsgebonden risico In onderhavige situatie is sprake van melkveehouderij. Een melkveehouderij veroorzaakt zelf vaak geen risico's voor de woon- en leefomgeving in het kader van externe veiligheid en is daarom vaak geen Bevi inrichting, mits geen risicovolle elementen worden opgericht als propaantanks, koelinstallaties of vergistingsinstallaties. In onderhavige situatie is geen sprake van het oprichten van dergelijke risicovolle installaties, waarmee melkveehouderij geen Bevi inrichting is en geen risico's aan de directe omgeving zal veroorzaken. Bij de gewenste ontwikkeling wordt een kleine windmolen opgericht. Windmolens worden vanuit het Bevi gezien als een risicovolle inrichting. Het is daarbij van belang dat binnen de risicocontour van de windmolen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten gelegen mogen zijn. Voor windmolens met een wiekdiameter tot 20 meter geldt een risicocontour van 100 meter. De gewenste windmolen zal geen grotere wiekdiameter dan 20 meter krijgen. Het dichtstbijzijnd (beperkt) kwetsbaar object is gelegen op een afstand van ongeveer 196 meter van de gewenste windmolen.

Hiermee zijn binnen de risicocontour van de gewenste windmolen geen kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten zijn gelegen en daarmee geen sprake is van onevenredige risico's voor de woon- en leefomgeving. Naast het feit dat een inrichting geen onevenredige risico's voor de woon- en leefomgeving mag veroorzaken, mag een gevoelige inrichting (waar veelvuldig mensen aanwezig zijn) ook geen hinder ondervinden van mogelijk in de omgeving aanwezige inrichtingen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in vastgelegde risicocontouren. Deze risicocontouren worden bepaald aan de hand van de kans dat zich in een gebied een ongeval met fatale afloop voordoet. Binnen de risicocontouren is de kans gelijk aan of groter dan 1 op 1 miljoen (10-6) per jaar dat zich een ongeval voordoet met een fatale afloop. Indien een ontwikkeling plaatsvindt binnen een risicocontour dan dient het plaatsgebonden risico te worden verantwoord. Volgens de Risicokaart, zoals weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie niet binnen de risicocontour (10-6 per jaar) gelegen van een mogelijke risicobron.

29

Risicokaart. Bron: Interprovinciaal overleg (IPO). Gezien de planlocatie niet binnen een risicocontour (10-6 per jaar) van een risicobron is gelegen, zijn ten aanzien van het plaatsgebonden risico geen belemmeringen te verwachten. 4.1.6.4 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de planlocatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De planlocatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.

4.1.7 Overstromingsgebieden Er is sprake van een overstromingsrisico zodra een onbeheersbare hoeveelheid water de polder instroomt. Dat kan in deze regio zijn vanuit een van de grote rivieren en/of een (voormalige) zeearm. Bijvoorbeeld als er een gat in een waterkering ontstaat of als er over een grote lengte zoveel water over de dijken loopt dat zandzakken en/of andere noodmaatregelen de instroom niet stoppen. Een fors lekkende of overlopende sluisdeur, zonder dat een onbeheersbare situatie ontstaat, is dus geen overstroming. Water op het land door hevige regenval is geen overstroming, maar wateroverlast. Er is sprake van inundatie als land bewust onder water wordt gezet. De planlocatie is in een overstromingsgebied gelegen. 30

Het betreft hier een gebied met een mogelijke overstromingsdiepte van 3,5 meter. Hierover is het volgende omschreven: 0 - 20 cm: Berg belangrijke zaken op een hoge en droge plaats op. Bescherm uw bezittingen tegen waterschade (zandzakken). Auto's kunnen nog stapvoets rijden. 20 - 50 cm: Breng uzelf, uw gezin en belangrijke zaken in veiligheid. Mensen die hulp nodig hebben kunnen nog te voet bereikt worden. Help anderen zoveel mogelijk. 50 - 80 cm: Militaire voertuigen kunnen nog rijden. U bent nog bereikbaar voor hulpdiensten. Breng uzelf en uw gezin in veiligheid. Kijk waarop u op een veilige plaats hulp kunt bieden. 80 cm - 2 m: De eerste verdieping van uw huis is veilig. Breng uzelf en uw gezin in veiligheid en neem uw noodvoorraad en een radio op batterijen mee. Luister naar de Rampenzender (lokale radiozender) en volg instructies van de hulpverleners op. 2 m - 5 m: De tweede verdieping van uw huis is veilig. Breng uzelf en uw gezin in veiligheid en neem uw noodvoorraad en een radio op batterijen mee. Luister naar de Rampenzender (lokale radiozender) en volg instructies van de hulpverleners op. Meer dan 5 m: Ga naar het hoogste punt van uw huis en neem uw noodvoorraad mee. Zorg dat u bij een uitgang bent, of op het dak, zodat u bereikbaar bent voor hulpverleners (boot of helikopter).

Hang een wit laken uit het raam zodat hulpverleners kunnen zien dat er nog iemand in huis is. Bij de bouw van de gebouwen zullen nodige veiligheidsmaatregelen getroffen moeten worden. Hierbij wordt gedacht aan het slechts plaatsen van elektra op voor water niet bereikbare plaatsen, het verhogen van de aanleghoogte van de bebouwing en het onderheien van de bebouwing. Gezien het geen overstromingsdiepte betreft van meer dan 5 meter, is de tweede verdieping van het huis altijd veilig. Hierbij bestaat altijd een mogelijkheid voor iedereen een veilig onderkomen te vinden. In dit geval is geen sprake van oprichten van gebouwen die bestemd zijn voor menselijk verblijf.

4.1.8 Lichthinder In melkveestallen wordt de laatste jaren steeds meer verlichting toegepast. Tezamen met hogere goot- en nokhoogtes en de toepassing van open zijgevels kan dit leiden tot meer lichtuitstoot naar de omgeving. Omwonenden kunnen hier hinder van ondervinden. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat een lichtbron effecten kan hebben op de flora en fauna in de omgeving. Om overlast te voorkomen dient daarom lichthinder zoveel mogelijk te worden tegengegaan. Om lichthinder tegen te gaan zal bij de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van het toepassen van verlichting (lichtarmaturen) in de stal die, door vorm en spiegeloptiek van de armaturen, een zo minimaal mogelijke uitstraling van licht naar buiten toe heeft. Daarnaast zal uitstraling van licht worden tegengaan door erfbeplanting. Tevens zal de lichtsterkte in de stal teruggebracht worden tijdens de avonduren. Er wordt een lichtregime toegepast, alleen specifieke nachtverlichting tussen 22.00 en 06.00 uur. Hiermee zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige lichthinder aan de omgeving.

31

4.1.9

Voortoets MER-beoordeling

4.1.9.1 Algemeen Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. of 2.

Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. 4.1.9.2 Dit project Conform de geldende vergunning mogen ter plaatse 94 melkkoeien en 60 vrouwelijk jongvee gehouden worden. In de gewenste situatie wordt het bedrijf uitgebreid middels uitbreiding van de ligboxenstal en het toevoegen van vier voeropslagen. Dit project voorziet in het uitbreiden van een melkveehouderij met 109 melkkoeien, 58 vrouwelijk jongvee en 1 fokstier. De betreffende activiteiten, het houden van melkkoeien en vrouwelijk jongvee, komen voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r.. Om die reden is een vormvrije m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen. Hiertoe is een vormvrije aanmeldingsnotitie m.e.r. opgesteld en ter beoordeling aan de gemeente en de omgevingsdienst toegezonden.

De gemeente heeft op basis van deze vormvrije aanmeldingsnotitie en de beoordeling daarvan een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen, waarin zij hebben besloten dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijke milieugevolgen te verwachten zijn en dat daarmee geen aanvullende PlanMER procedure nodig is. Voor het m.e.r.-beoordelingsbesluit, inclusief de vormvrije aanmeldingsnotitie m.e.r., wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. 1. Kenmerken van het project: Het betreft een project van geringe omvang. Het aantal te houden dieren zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten. Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen. 32

2. Plaats van het project: Het project is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. 3. Kenmerken van het potentiële effect: De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Een uitzondering hierop vormt de toename van ammoniakemissie uit de dierverblijven en ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal geen nadelige effecten op beschermde natuurgebieden tot gevolg hebben. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1). In de uitgevoerde haalbaarheidsonderzoeken en de toetsing van haalbaarheidsaspecten in deze toelichting komen ook geen effecten op te beschermen waarden in of in de omgeving van het projectgebied naar voren. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2

Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.

Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Boezems Kinderdijk) is gelegen op een afstand van ongeveer 7 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

33

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. De initiatiefnemer heeft reeds een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (bijlage 5). De voorgenomen ontwikkeling blijft binnen de vergunde rechten uit deze vergunning, waarmee geen sprake zal zijn van een toename van de vergunde emissie van ammoniak. Daarmee zal geen sprake zijn van een toenemende depositie op de betreffende gebieden. De vigerende vergunning is in de planregels behorende bij dit plan opgenomen als gebruiksplafond ten aanzien van de emissie en depositie van stikstof. Om aan te tonen of de voorgenomen ontwikkeling zal leiden tot een projecteffect op de betreffende gebieden is met het rekenprogramma AERIUS Calculator een berekening gemaakt. Uit deze berekening, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een projecteffect op de betreffende gebieden (de toename van de depositie op de betreffende gebieden is niet groter dan 0,00 mol per hectare per jaar). Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden.

Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; 34

rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.

Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.

Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende 35

maatregelen gevraagd. Om aan te tonen of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot mogelijke aantastingen van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten is door een ecologisch onderzoeksbureau een quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarin de voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de Wet natuurbescherming. Uit deze quicskscan, waarvan de rapportage is opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten, mits de volgende maatregelen in acht worden genomen: Voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden in de periode maart tot juli dient bekeken te worden of zich in het plangebied (nesten van) broedvogels bevinden. Bij voorkeur geen verlichting van de bouwplaats gebruiken. Indien dit alsnog noodzakelijk is dan dient de verlichting naar beneden gericht te worden om uitstraling naar buiten te voorkomen en dient deze afgeschermd te worden. Het opslaan van grond en/of zand op hopen dient zoveel mogelijk voorkomen te worden om te voorkomen dat er een vestigingshabitat ontstaat voor de rugstreeppad. De in de quickscan genoemde maatregelen zullen bij de voorgenomen ontwikkeling in acht worden genomen.

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten worden aangetast.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. De voorgenomen uitbreiding vindt plaats op ongeveer 257 meter van het dichtstbijzijnde gebied.

Op een dergelijke afstand zal de voorgenomen uitbreiding geen nadelige invloed hebben op de betreffende gebieden.

36

Uitsnede kaart NNN. Bron: Provincie Zuid-Holland.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden. De locatie is niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.

4.3

Verkeer en parkeren

Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeers- en infrastructuur. Hierbij is het van belang of de voorgenomen ontwikkeling grote veranderingen ten aanzien van verkeer en infrastructuur teweeg brengt.

4.3.1 Ontsluiting Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de IJsseldijk-Noord. De projectlocatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de IJsseldijk-Noord. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

37

4.3.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Hierbij zal de verkeersdruk op de omgeving en de infrastructuur niet toenemen. Omdat geen sprake is van toename van de verkeersbewegingen zal de verkeersveiligheid ter plaatse ook niet nadelig worden beïnvloed. Bij melkveehouderijen met 200 melkkoeien behoren een aantal verkeersbewegingen. Deze zijn onder te verdelen in vaste verkeersbewegingen per week en incidentele verkeersbewegingen (in bepaalde perioden). De onderverdeling is als volgt te maken: Vaste verkeersbewegingen: Ophalen melk met tankwagen - 3x per week, resulteert in 6 verkeersbewegingen per week; Bulkwagen met krachtvoer - 0,5x per week (1x in 14 dagen), resulteert in 1 verkeersbeweging per week; Ophalen kalveren - 1x per week, resulteert in 2 verkeersbewegingen per week; Ophalen slachtvee - 0,5x per week (1x in 14 dagen), resulteer in 1 verkeersbeweging per week; Servicebus (onderhoud en techniek) - 1x per week, resulteert in 2 verkeersbewegingen per week; Levering overige goederen (bestelbus) - 2x per week, resulteert in 4 verkeersbewegingen per week. Totaal: 16 verkeersbewegingen per week, waarvan 10 met vrachtverkeer. Daarnaast is sprake van twee agrarische bedrijfswoning met verkeersbewegingen voor privédoeleinden.

Incidentele verkeersbewegingen: Tijdens de werkzaamheden bij de maïsoogst en ruwvoeroogst zal het ruwvoer moeten worden ingekuild. Dit is een incidentele periode welke uitsluitend tijdens de oogst van het ruwvoer zal plaatsvinden. De meeste verkeersbewegingen noodzakelijk voor het inkuilen van het ruwvoer zullen ook van achter de stal vandaan komen waar de gronden gelegen zijn waarop ruwvoer wordt geteeld en niet vanaf de openbare weg. Ook tijdens het uitrijden van de mest zullen incidenteel, tijdens de toegestane periode, meer verkeersbewegingen plaatsvinden. Ook deze verkeersbewegingen zullen grotendeels op het land plaatsvinden en niet op de openbare weg. Bij uitbreiding van een melkveehouderij in het algemeen zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Er is meer krachtvoer nodig en er zal meer melk worden afgedragen, maar dit kan in dezelfde vrachtwagen plaatsvinden die dan voller wordt geladen. Er is alleen sprake van een extra levering van overige goederen, wat een toename van 10 verkeersbewegingen per week met een bestelbus inhoudt. Het aantal verkeersbewegingen bij de bedrijfswoningen voor privédoeleinden zal met uitbreiding van het bedrijf eveneens niet toenemen. Concreet gezegd zal het aantal verkeersbewegingen met de voorgenomen ontwikkeling met maximaal 10 per week toenemen.

4.3.3 Infrastructuur Een nieuwe ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben op de bestaande infrastructuur. Hierbij is het van belang de bestaande infrastructuur zoveel mogelijk te behouden en, waar mogelijk, te versterken. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.

38

4.3.4 Parkeren In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

4.4

Archeologie

4.4.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. De gemeente Krimpenerwaard heeft een eigen archeologiebeleid vastgesteld, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem in beeld is gebracht op een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de waarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

Uit het onderstaande fragment van de archeologische beleidskaart van de gemeente blijkt dat de bodemverstoringen als gevolg van de verlenging van de stal en de aanleg van enkele voeropslagen is gelegen binnen de zone WA-4 en WA-7.

39

Uitsnede Archeologische beleidskaart Bron: gemeente Krimpenerwaard Voor WA-4 geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen dieper dan 0,3 meter en groter dan 1.000 m² Voor WA-7 geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen dieper dan 3 meter en groter dan 10.000 m². De ontwikkeling op de gronden met de aanduiding WA-4 bedragen respectievelijk 150 m² en 175 m². Daarmee blijven de bodemingrepen ruimschoots onder de 1.000 m². De ontwikkeling op gronden met de aanduiding WA-7 blijven ruimschoots onder de 10.000 m². Gelet op het bovenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoering van dit project.

4.5

Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

40

4.5.1 Waterparagraaf Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening. In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. Naast veiligheid en wateroverlast (waterkwantiteit) zullen ook de gevolgen van het ruimtelijk plan of project voor de waterkwaliteit en verdroging bezien worden.

4.5.2 Waterbeleid De projectlocatie valt binnen het werkgebied van Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. Het beheergebied van Schieland en de Krimpenerwaard strekt zich uit tussen Rotterdam, Schoonhoven en Zoetermeer. De missie van HHSK wordt aangeduid met "schoon water en droge voeten". Schieland en de Krimpenerwaard beheert het systeem van watergangen, boezems, stuwen, gemalen en inlaten in het beheersgebied. Het hoogheemraadschap zorgt voor een goed waterpeil en een goede kwaliteit van het oppervlaktewater met daarin een gevarieerd planten- en dierenleven. Het beheersgebied van Schieland en de Krimpenerwaard ligt beneden NAP. Zonder waterkeringen zou dit gebied dus onder water staan. Schieland en de Krimpenerwaard zorgt ervoor dat de waterkeringen in het beheersgebied op hoogte zijn en stabiel blijven. Eén van de taken van de waterbeheerder omvat het realiseren en onderhouden van een goed werkend watersysteem nu en in de toekomst anticiperend op klimaatsveranderingen. Het regionale watersysteem moet zijn afgestemd op de bestaande functies in het gebied waarbij het waterpeil gehandhaafd wordt door onder andere het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Neerslag dat op onverhard terrein valt, blijft op het land staan en zal vervolgens grotendeels infiltreren in de bodem en deels verdampen.

Dit is afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, zoals bodemsamenstelling, verzadigingsgraad van de bodem en terreinhelling. Een (klein) deel van het water zal over het maaiveld afstromen en uiteindelijk zal het water terecht komen in het oppervlaktewater of de riolering. De waterafvoer van onverharde gebieden kenmerkt zich door twee elementen: een door de bodempassering veroorzaakte vertraging ten opzichte van de regenbui en een kleiner afvoervolume doordat een belangrijk deel van de regen niet tot afstroming komt. De afvoer van een bepaald terrein verandert en versnelt door het terrein te verharden, af te koppelen of door drainering aan te leggen (drie aspecten die vaak voorkomen bij ruimtelijke ontwikkelingen). Het regenwater kan niet (optimaal) infiltreren in de bodem vanwege de aangebrachte verharding. De waterafvoer van verharde, gedraineerde en afgekoppelde gebieden kenmerkt zich door een versnelde afvoer met een grotere piek over het maaiveld naar het oppervlaktewater of naar de riolering. Door geen voorzieningen te treffen, zoals het aanleggen van extra open water, kunnen ruimtelijke ontwikkelingen dus leiden tot een versnelde afvoer en eventuele onacceptabele hoge peilstijgingen.

Daarnaast is in het verleden open water gedempt voor onder andere stedelijke uitbreiding en agrarische herverkaveling, waardoor sommige delen van het regionale watersysteem te weinig ruimte hebben voor het bergen en afvoeren van water en er knelpunten ontstaan. Met alternatieve vormen van water bergen en vasthouden worden alle effectieve vormen van het vertragen van de waterafvoer door maatregelen gericht op water vasthouden dan wel water bergen bedoeld, anders dan de reguliere waterberging in de vorm van open water. Alternatieve vormen van bergen en vasthouden is een onderwerp waar meerdere partijen mee te maken hebben en voordeel van kunnen hebben.

41

4.5.3 Referentiesituatie Het projectgebied bevindt zich aan IJsseldijk-Noord 148 en heeft de bestemming 'Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden'. Ter plaatse is een melkveehouderij aanwezig. De referentiesituatie voor hydrologisch neutraal ontwikkelen bestaat uit 4.755 m2 verhard oppervlak, zijnde dakoppervlak. Tevens is sprake van 5.037 m2 aan erfverharding en voeropslagen. Het totaal verharde oppervlak bedraagt dus 9.792 m2.

4.5.4 Voorgenomen activiteit De voorgenomen ontwikkeling realiseert het uitbreiden van een ligboxenstal en voeropslagen aan IJsseldijk-Noord 148. Hierbij zal 823 m2 aan nieuw verhard oppervlak, zijnde dakoppervlak worden opgericht. Tevens zal nog eens 1.729 m2 aan erfverharding en voeropslagen worden aangelegd. De totale toename van het verharde oppervlak ter plaatse bedraagt dus 2.552 m2.

4.5.5 Hydrologisch neutraal ontwikkelen Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen. 1. Kleine plannen :

Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2.

2. Middelgrote plannen:

Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m2 en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak

3. Grote plannen :

Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak

Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m2 verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK. Middelgrote plannen Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. De berekeningsmethode en normen zijn verderop in dit hoofdstuk toegelicht. De gestandaardiseerde berekeningsmethode levert een compensatie-eis in "kuubs waterberging" (m3) op voor de ontwikkelaar van het plan. De compensatie-eis kan ook worden uitgedrukt in een te realiseren wateroppervlak (m2) of als percentage van de verhardingstoename (%). Als gevolg van de omgevingsfactoren (mogelijke waterpeilstijging, bodemtype, bestaande gebiedsfuncties, etc.) en de planeigenschappen (verhardingstoename) verschilt de compensatie-eis van (peil)gebied tot (peil)gebied.

Voor dit peilgebied bedraagt het percentage 5,5%. Grote plannen Bij grote plannen wordt maatwerk toegepast. Grote plannen hebben in de regel veel invloed op de 42

waterhuishouding. Bij dergelijke plannen wordt het plangebied veelal grotendeels heringericht. Dit biedt mogelijkheden om systeemaanpassingen door te voeren, wat (kosten)voordelen voor het watersysteem en voor de ontwikkelaar kan opleveren. Het is daarom gewenst om de waterhuishouding in het gebied apart te beschouwen. HHSK zal daarom het watersysteem bij grote plannen apart doorrekenen. Daarbij wordt naast waterberging ook aspecten als waterstructuur, inrichting, waterkwaliteit en onderhoud meegenomen. Hieronder is een berekening opgenomen van de benodigde compensatie.

4.5.6 Schoon inrichten Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; een bergingsvoorziening gerealiseerd. De projectlocatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater (afvalwater, reinigingswater stallen en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard) wordt opgevangen in de binnen de inrichting aanwezige mestkelders onder de stallen. De mestkelders beschikken over voldoende capaciteit hiervoor. In de voorgenomen activiteit wordt geen afvalwater geloosd. Al het opgevangen afvalwater wordt tegelijk met de mest afgevoerd en verwerkt. Het hemelwater afkomstig van de voeropslagen op het bedrijf wordt opgevangen in een aparte voorziening, waarin ook de perssappen worden opgevangen. Hiermee wordt menging van hemelwater dat afstroomt op oppervlakte en/of grondwater met perssappen voorkomen. Het hemelwater afkomstig van de voeropslag wordt tegelijkertijd met de perssappen afgevoerd en verwerkt.

4.5.7 Waterberging Zoals aangetoond in de paragraaf "Waterbeleid" (paragraaf 4.5.2) is de projectlocatie niet in een gebied gelegen waar problematiek speelt rondom water. Hiermee worden geen belemmeringen verwacht voor realisatie van waterberging. Om hydrologisch neutraal te bouwen en versnelde afvoer te voorkomen, wordt waterberging toegepast. Zoals blijkt uit de gegevens uit de paragraaf "Hydrologisch neutraal ontwikkelen" (paragraaf 4.5.5) is voor de berging van het water een capaciteit nodig van 113 m2. Om de gestelde capaciteit te kunnen bergen zal een bestaande sloot verbreed worden. In bijlage 7 is een situatieschets opgenomen waarop de gewenste bergingsvoorziening is aangegeven. Voor de gewenste compenserende waterberging is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een 43

werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden vereist. Deze zal te zijner tijd worden aangevraagd. Voorwaarde voor een dergelijke vergunning is dat er geen sprake mag zijn van een onevenredige inbreuk op de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. Zoals reeds nader omschreven in deze toelichting zal met de gewenste ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige inbreuk op deze waarden. Ook het verbreden van de betreffende watergangen zal geen onevenredige inbreuk doen op deze waarden. Het is daarmee aannemelijk dat de betreffende vergunning kan worden verleend.

44

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub b en/of c van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is over dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro.

In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Te maken kosten (bijvoorbeeld voor vergunningverlening) worden door de gemeente middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Krimpenerwaard. Verder is ook eventuele planschade in de overeenkomst vastgelegd. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

5.2

Vooroverleg

Vooroverleg is gevoerd met Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) en de provincie Zuid-Holland.

45

5.2.1 Reactie provincie Zuid-Holland In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is een concept van het bestemmingsplan door middel van een E-formulier bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland aangemeld en het HHSK. Naar aanleiding daarvan hebben Gedeputeerde Staten geen aanleiding gezien te reageren op het plan, omdat er geen provinciale belangen in het geding zijn. 5.2.2 Reactie waterschap Het HHSK heeft in het kader van het vooroverleg aangegeven te kunnen instemmen met het plan, omdat het plan geen nadelige invloed heeft op het watersysteem. Als aandachtspunt is aangegeven dat voor de uitvoering van onderdelen van het plan nog wel een watervergunning nodig is. De watervergunning wordt ten tijde van het terinzage leggen van het plan aangevraagd.

5.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "IJsseldijk Noord 2005" en het bestemmingsplan "Buitengebied Ouderkerk aan den IJssel" van gemeente Krimpenerwaard en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure heeft het ontwerp van het bestemmingsplan vanaf woensdag 27 april 2022 zes weken ter inzage gelegen. Van de geboden mogelijkheid om zienswijzen in te dienen is geen gebruik gemaakt. In het kader van burgerparticipatie is in het voortraject reeds met de buren gesproken over de plannen van initiatiefnemer. In 2015 is reeds overleg geweest met de directe buren en de gemeente naar de plannen. De directe buren hadden een aantal opmerkingen die verwerkt zijn in het uiteindelijke plan. De relatie tussen de buren is goed en zij hebben mondeling aangegeven akkoord te zijn met de plannen. Een verslag van de dialoog met de omgeving is reeds bij de gemeente ingediend. De gemeente heeft dit beoordeeld en akkoord bevonden. Vanwege privacy overwegingen is het verslag niet als bijlage bij de voorliggende stukken opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=266482c9-b5af-4c84-b56e-3f27025c0810