BIJL 1 Toelichting IJsseldijk-Noord 148, Ouderkerk aan den IJssel.pdf
Tekst van het document
IJSSELDIJK-NOORD 148, OUDERKERK AAN DEN IJSSEL. bestemmingsplan
IJsseldijk-Noord 148, Ouderkerk aan den IJssel. bestemmingsplan
Plannaam:
IJsseldijk-Noord 148, Ouderkerk aan den IJssel.
ID code:
NL.IMRO.1931.BP2108BG051-VG01
Gemeente:
Krimpenerwaard
Opdrachtgever:
Veehouderij Verkaik
Plan gemaakt door:
DLV Advies
Versie:
Vastgesteld
Datum :
13 september 2022
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het project 1.2 Plangebied 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en Milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Verkeer en parkeren 4.4 Archeologie 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Vooroverleg 5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.4 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan
3 4 4 4 5 7 9 9 10 14 14 16 23 24 24 33 37 39 40 45 45 45 46 46 47 47 47 49
2
T oelichting
3
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het project
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "IJsseldijk Noord 2005" en het bestemmingsplan "Buitengebied Ouderkerk aan den IJssel 2013" van gemeente Krimpenerwaard ten behoeve van het uitbreiden van de melkveehouderij middels het vergroten van de ligboxenstal, het realiseren van vier nieuwe voeropslagen en het oprichten van een kleine windmolen op de locatie IJsseldijk-Noord 148 te Ouderkerk aan den IJssel. Tevens wordt met voorliggend bestemmingsplan planologisch vastgelegd dat de bestaande jongveestal achter de bedrijfswoning binnen de planperiode buiten gebruik wordt gesteld, nadat de nieuwe stal is opgericht en volledig in gebruik is. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief verder toegelicht, daar is een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De bedrijfsvoering (looplijnen, indeling van arbeid etc.) wordt geoptimaliseerd en er vindt tevens efficiëntieverbetering plaats. Ontwikkelingen in de melkveehouderij gaan snel. Gelet op de huidige en toekomstige situatie in de Nederlandse en Europese melkveehouderij is een duurzame en grootschalige melkveehouderij gewenst. Met de bedrijfsontwikkeling speelt de ondernemer in op toekomstige ontwikkelingen op het gebied van dierenwelzijn, koecomfort en het beperken van negatieve effecten op het milieu.
Tevens dient het plan om een goede concurrentiepositie te verkrijgen binnen de Nederlandse en Europese melkveesector en om de kostprijs te kunnen verlagen. De nieuwe te bouwen stal voldoet aan de laatste milieutechnische en diertechnische inzichten en voldoet aan alle milieu- en dierenwelzijn eisen. De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met de regels uit het vigerende bestemmingsplan. Echter, omdat het initiatief past op de locatie en gewenst is, wordt door de gemeente in principe medewerking verleend. De gemeente heeft hiervoor in 2015 reeds een principe uitspraak gedaan (brief datum 13 juni 2015) waarin zij bevestigen voornemens zijn om in principe medewerking te verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling. Hiertoe dient het geldende bestemmingsplan te worden herzien met voorliggende partiële herziening conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Middels voorliggend document wordt op basis van onderzoeken gemotiveerd waarom medewerking kan worden verleend en waarom dat kan in het kader van de Wro.
1.2
Plangebied
De locatie is gelegen aan de noordkant van Ouderkerk aan den IJssel en wordt begrensd door de IJsseldijk-Noord. De betreffende locatie is kadastraal bekend onder gemeente Ouderkerk aan den IJssel, sectie B, nummers 4242, 4243, 4244 en 4245. In de volgende figuur is de topografische ligging van de projectlocatie weergegeven.
4
Topografische kaart. Bron: Topografische Dienst Kadaster.
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Voor de locatie is het beleid uit het bestemmingsplan "IJsseldijk-Noord 2005" van gemeente Krimpenerwaard, vastgesteld door de gemeenteraad op 13 december 2007, onverkort van toepassing. Tevens is, voor een deel van de locatie, het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Ouderkerk aan den IJssel 2013", zoals is vastgesteld door de gemeenteraad op 9 juli 2014, onverkort van toepassing. Daarnaast geldt het Parapuluplan Parkeren Krimpenerwaard, vastgesteld op 29 januari 2019. Zoals te zien in de volgende figuur is de projectlocatie aan de IJsseldijk-Noord 148 in Ouderkerk aan den IJssel, vanuit het bestemmingsplan "IJsseldijk-Noord 2005", gelegen in een gebied met de bestemmingen 'Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden' en 'Agrarisch gebied' van toepassing en de dubbelbestemming 'Waterkeringsdoeleinden' op het meest noordelijke deel van het plangebied. Tevens zijn op de projectlocatie de aanduidingen 'één blok vormend' en 'opslag niet milieuhinderlijke goederen' van toepassing.
5
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan IJsseldijk Noord 2005. Bron: Gemeente Krimpenerwaard. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie, vanuit het bestemmingsplan "Buitengebied Ouderkerk aan den IJssel 2013" voor een deel gelegen in een gebied met de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Er zijn vanuit het bestemmingsplan "Buitengebied Ouderkerk aan den IJssel 2013' verder geen dubbelbestemmingen en/of aanduidingen van toepassing op de locatie.
6
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Ouderkerk aan den IJssel 2013. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. In onderhavige situatie is sprake van het uitbreiden van een melkveehouderij. De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met de regels zoals gesteld in het bestemmingsplan "IJsseldijk Noord 2005" en het bestemmingsplan "Buitengebied Ouderkerk aan den IJssel 2013". Op de tot agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat het navolgende van toepassing is: de agrarisch bedrijfsbebouwing waaronder begrepen sleufsilo's en (mest)bassins en waaronder, niet begrepen kassen, dient gesitueerd te worden op een agrarisch bouwblok rond het bestaande agrarisch bedrijf, waarbij de afstand tussen de bestaande bedrijfsbebouwing en de nieuw op te richten bebouwing ten hoogste 10 meter mag bedragen. De gewenste bebouwing is (deels) buiten het bouwvlak gesitueerd, waarmee het in strijd is met de geldende bestemmingsplannen. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is het noodzakelijk de geldende bestemmingsplannen te herzien middels een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd), conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Voorliggend document dient als toelichting, waarmee wordt aangetoond dat geen sprake is van belemmeringen op beleidsmatig, milieutechnisch en ruimtelijk vlak.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: 1. Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de het project. 2. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden het project getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. 3. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het project aan de aspecten milieu, ecologie, verkeer en parkeren, archeologie en cultuurhistorie en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, waar nodig, aanvullende onderzoeken uitgevoerd. 4. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het project. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project getoetst en wordt nader ingegaan op handhaving. 7
8
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt het voorgenomen initiatief behandeld.
2.1
Huidige situatie
2.1.1 Gebiedsprofiel De locatie is gelegen aan de IJsseldijk-Noord 148 in Ouderkerk aan den IJssel en is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Krimpenerwaard. De locatie is gelegen in een bebouwingslint dat deel uitmaakt van het veenweidelandschap. De verkaveling van het landschap kenmerkt zich door lange smalle kavels die begrensd worden door watergangen. Het bebouwingslint kent een gemengd karakter met woonfuncties en (agrarische) bedrijfsfuncties. Aan weerszijden van de projectlocatie zijn burgerwoningen gelegen.
2.1.2 Ruimtelijke structuur De projectlocatie bestaat in de huidige situatie uit een melkveebedrijf. Ter plaatse zijn een bedrijfswoning, diverse bedrijfsgebouwen en voer- en mestopslagen aanwezig. De nokrichting is evenwijdig aan de verkaveling. Alleen de tweede bedrijfswoning vormt hierop een uitzondering. Het huidige bouwvlak ter plaatse is ongeveer 0,78 hectare groot. In de volgende figuur is de huidige situatie in een luchtfoto weergegeven.
Luchtfoto huidige situatie. 9
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse de ligboxenstal uit te breiden en vier extra voeropslagen te realiseren buiten het bouwvlak. In de gewenste situatie zal het volgende aan bebouwing en/of verharding worden opgericht: Bebouwing --------------------------------------------Ligboxenstal: 823 m2 Voeropslagen: 1.135 m2 --------------------------------------------Erfverharding: 594 m2 --------------------------------------------Totaal: 2.552 m2 De toename in verhard oppervlak bedraagt dus 2.552 m2. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. De volledige tekeningen op schaal zijn opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting.
10
Gewenste situatie. Bron: DLV Advies Het huidige bouwvlak is niet groot genoeg om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Hierdoor is het noodzakelijke om het bouwvlak te vergroten. De omvang van het totale bouwvlak (zowel het voorste als het gekoppelde achterste deel) bedraagt na uitvoering van het project ongeveer 1,46 hectare. Tevens wordt met voorliggend bestemmingsplan planologisch vastgelegd dat de bestaande jongveestal achter de bedrijfswoning binnen de planperiode buiten gebruik wordt gesteld, nadat de nieuwe stal is opgericht en volledig in werking is. Het voorgenomen project is op enkele punten strijdig met het beleid zoals is opgenomen de vigerende bestemmingsplannen van gemeente Krimpenerwaard, waarvoor een partiële herziening op deze bestemmingsplannen noodzakelijk is. De gemeente Krimpenerwaard heeft als antwoord op het eerder ingediende principeverzoek ten behoeve van dit project door middel van een brief (datum 13 juni 2015) aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het voorgenomen project van de initiatiefnemer, mits de ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft op de ruimtelijke, milieutechnische en landschappelijke aspecten. In deze toelichting wordt verder aangetoond of sprake is van eventuele nadelige gevolgen op de genoemde aspecten.
2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij nieuwe ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving zijn door een landschapsdeskundige tekeningen opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekeningen zijn in de volgende figuren weergegeven (Inpassingsplan veehouderij Verkaik, d.d. oktober 2020).
11
Tekening landschappelijke inpassing bedrijf. Bron: Bui-tegewoon.
12
Tekening landschappelijke inpassing voeropslag. Bron: Bui-tegewoon. Deze tekeningen maken onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan. In dit inrichtingsplan is beschreven op welke manier is voorzien in landschappelijke voorzieningen in en om het perceel en welke soort beplanting daarvoor wordt toegepast. Hiermee kan worden gesteld dat sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Voor het gehele inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting. Als aanvulling op het landschappelijk inrichtingsplan zullen specifiek de voorzieningen voor de opslag van voer worden ingepast in het landschap door middel van het aanbrengen van nieuwe beplanting die deze voorzieningen aan het directe zicht zullen onttrekken en zullen inkleden in het landschap. Deze tekening is toegevoegd aan het landschappelijk inrichtingsplan dat als bijlage 2 van deze toelichting is opgenomen. Op het deel van het bouwvlak waarop de opslag van voer zal plaatsvinden worden, ook met het oog op de landschappelijke inpassing, gebouwen uitgesloten. Hiertoe is in de regels behorende bij dit plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee dit juridisch wordt geborgd.
13
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.
De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 14
aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.
Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.
De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." 15
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.
Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de projectlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie heeft haar beleid eenvoudiger, transparanter en toegankelijker gemaakt voor initiatiefnemers in Zuid-Holland. Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot 1 integraal Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht provincies om een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening te maken. De Zuid-Hollandse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is per 1 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsvisie geeft de beleidsuitgangspunten op hoofdlijnen weer. De Omgevingsvisie is niet juridisch bindend. De juridische borging van de Omgevingsvisie vindt plaats in de Omgevingsverordening, waarin de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie in regels zijn vastgelegd. De provincie wil nieuwe bebouwing in het landelijk gebied beperken om zo de openheid te handhaven. Agrarische ontwikkelingen (in de vorm van bebouwing en kassen) vinden plaats op bouwpercelen of anderszins geconcentreerd en houden rekening met de aanwezige kenmerken en waarden. Nieuwvestiging van intensieve veehouderij wordt niet toegelaten binnen de provincie. Intensieve veehouderij is vanwege de schaal en de aard van de bedrijfsvoering en de daarmee samenhangende ruimtelijke verschijningsvorm, in het algemeen niet passend bij het Zuid-Hollandse landschap en het karakteristieke gebruik daarvan.
Glastuinbouw en boom- en sierteelt worden alleen in de daarvoor toegewezen gebieden toegestaan. 16
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van intensieve veehouderij, glastuinbouw en/of boom- en sierteelt. Het gewenste initiatief betreft een uitbreiding van een melkveehouderij. Daarbij wordt een kwaliteitsslag gemaakt en wordt de nieuwe bebouwing gebouwd volgens de huidige eisen op het gebied van duurzaamheid en energie. Dit komt ten goede van de ruimtelijke kwaliteit en de beeldkwaliteit ter plaatse. Het ruimtebeslag van de voorgenomen uitbreiding is relatief kleinschalig en beperkt. De toename van bebouwing in het buitengebied blijft daarmee eveneens beperkt. Verder streeft de provincie naar het behoud en een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij geeft de provincie richting aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een zogenaamde 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en ruimtelijke ontwikkelingen naar mate van impact op de omgeving. De gebiedskwaliteit is weergegeven in de kwaliteitskaart.
Daarin zijn de volgende lagen opgenomen: Laag van de ondergrond; Laag van de cultuur- en natuurlandschappen; Laag van de stedelijke occupatie; Laag van de beleving. Laag van de ondergrond: De locatie is vanuit de laag van de ondergrond gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen' en 'rivierdeltacomplex - rivierklei / veen'. Het buitengebied van Zuid-Holland is relatief plat. Binnen het relatief platte landschap zijn nog een aantal bijzondere natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. In het gebied dat is aangemerkt als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen' dienen ontwikkelingen de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand te houden. Daarnaast dienen, waar mogelijk, archeologische waarden herkenbaar te worden gemaakt bij nieuwe ontwikkelingen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling vindt de uitbreiding uitsluitend plaats in het gebied dat is aangemerkt als 'rivierdeltacomplex - rivierklei / veen'. De impact van de ontwikkeling op het gebied dat is aangemerkt als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen' blijft daarmee zeer beperkt. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen op het reliëf of de mogelijk voorkomende archeologische waarden in het betreffende gebied. Daarnaast staat de voorgenomen ontwikkeling de instandhouding van het reliëf en het herkenbaar maken van mogelijke archeologische waarden niet in de weg. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten voor het gebied dat is aangemerkt als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzettingen'. In het gebied dat is aangemerkt als 'rivierdeltacomplex - rivierklei / veen' heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van het gebied. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Bij ontwikkelingen in dit gebied dient het verschil tussen de komgronden en oeverwallen herkenbaar te blijven. De voorgenomen ontwikkeling is relatief kleinschalig van aard en betreft de uitbreiding van een reeds bestaand agrarisch bedrijf.
Het bouwvlak zal daarbij beperkt worden vergroot. De impact op het landschap is daarmee beperkt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een mogelijk aantasting van het herkenbare reliëf en/of het herkenbare verschil tussen de komgronden en oeverwallen. De voorgenomen 17
ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap en/of een onevenredige aantasting van de herkenbaarheid van de landschappelijke elementen in het gebied. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten voor het gebied dat is aangemerkt als 'rivierdeltacomplex - rivierklei / veen'. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarnaast tot een kwaliteitsslag in het gebied, omdat nieuwe, kwalitatief hoogwaardige bebouwing wordt opgericht die voldoet aan de huidige eisen op het gebied van duurzaamheid en energie. Dit bevordert de beeldkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de aspecten uit de laag van de ondergrond. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen: De locatie is vanuit de cultuur- en natuurlandschappen gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'lint' en als 'veen(weide)landschap'. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Er zijn verschillende typen linten te onderscheiden. Het lint waarin de locatie is gelegen betreft een dijklint. In een dijklint is de bebouwing op of tegen de dijk gelegen. Er is in het lint weinig ruimte voor uitbreiding van de bebouwing.
Daarnaast dienen linten als onderscheidende bouwvorm herkenbaar te blijven in het gebied. bij de voorgenomen ontwikkeling vindt de gewenste uitbreiding niet plaats in het lint, maar in de achtergelegen polder. Het lint zal daarmee met de voorgenomen ontwikkeling niet worden aangetast. De structuur van het lint blijft in zijn geheel en ongewijzigd behouden. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten die zijn opgenomen voor linten. De structuur in de veen(weide)gebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst in deze gebieden. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden.
Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf. De gewenste uitbreiding wordt ingepast in het landschap en wordt zodanig vormgegeven dat het verkavelingspatroon herkenbaar blijft in het landschap en niet wordt aangetast. Daarnaast is de gewenste uitbreiding relatief kleinschalig van aard, waarmee de impact op het landschap beperkt blijft. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van het veen(weide)gebied. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de aspecten uit de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. Laag van de stedelijke occupatie: Vanuit de laag van de stedelijke occupatie is de locatie gelegen in gebied dat niet nader is gekenmerkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen (nadelige) invloed hebben op de aspecten uit de laag van de stedelijke occupatie. Laag van de beleving: Vanuit de laag van de beleving is de locatie gelegen in gebied dat niet nader is gekenmerkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen (nadelige) invloed hebben op de aspecten uit de laag van de 18
beleving. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de gebiedskwaliteit. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. In gebieden met beschermingscategorie 1 zijn ruimtelijke ontwikkelingen in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden. In gebieden met beschermingscategorie 2 zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, maar met inachtneming van het instandhouden van de specifieke waarden. De locatie is gelegen in een gebied waarvoor geen aanvullende beschermingscategorie geldt. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling mogelijk is zonder aanvullende voorwaarden. De provincie wil daarnaast de depositie van stikstof van de landbouw, maar ook van de industrie en verkeer, langdurig en stevig terugdringen, ruimtelijke en economische ontwikkeling mogelijk maken en natuurherstel realiseren. Het is daarbij van belang dat de stikstofdepositie van ruimtelijke ontwikkeling niet mag toenemen.
Zoals nader omschreven in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1) zal de emissie van ammoniak met de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen. Daarnaast zal, zoals beschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.3.2), geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. De stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet toenemen. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland.
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsverordening bevat de juridische vertaling van de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie, welke tegelijkertijd met de Omgevingsverordening is opgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn in regels vertaald en vastgelegd in de Omgevingsverordening. De meest recente versies van zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Ten aanzien van agrarische bedrijven zijn in de Omgevingsverordening de volgende bepalingen opgenomen: "Artikel 6.18 Agrarische bedrijven 1. Een bestemmingsplan voor agrarische gronden voldoet aan de volgende voorwaarden: a. nieuwe agrarische bebouwing, uitgezonderd kassen en schuilgelegenheden voor vee, wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel van maximaal 2 hectare; b. in afwijking van onderdeel a, kan bij samenvoeging van twee akkerbouwbedrijven de omvang van het agrarisch bouwperceel worden vergroot tot de op het moment van samenvoeging bestaande maximaal mogelijke planologische omvang van beide bouwpercelen gezamenlijk, mits het achter te laten bouwperceel wordt gesaneerd; c. nieuwe agrarische bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven; d. bij een volwaardig agrarisch bedrijf wordt ten hoogste één agrarische bedrijfswoning toegelaten; e.
nieuwe kassen, anders dan bedoeld in de artikelen 6.15, 6.16 en 6.17, worden alleen toegelaten bij bestaande volwaardige glastuinbouwbedrijven tot een oppervlak van 2 hectare per bedrijf en bij bestaande volwaardige boom- en sierteeltbedrijven tot een oppervlak van 300 m² per bedrijf; f. nieuwe boom- en sierteelt, anders dan bedoeld in artikel 6.16, wordt uitgesloten; g. nieuwe intensieve veehouderij als hoofdtak of als neventak wordt uitgesloten; h. verplaatsing van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande intensieve veehouderij, kan worden toegelaten; 19
i.
uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande hoofdtak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare; j. uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande neventak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare, voor zover de neventak meer dan 20% bedraagt van de economische bedrijfsomvang; k. nieuwe geitenhouderij wordt uitgesloten als hoofdtak en als neventak, evenals uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt. 2. In afwijking van het eerste lid, onder e, kan een bestemmingsplan voorzien in een oppervlak van meer dan 2 hectare kassen bij een bestaand volwaardig glastuinbouwbedrijf en meer dan 300 m² kassen bij een volwaardig boom- en sierteeltbedrijf, mits: a. tegenover de uitbreiding van de bestaande oppervlakte van de kassen staat: in gelijke mate duurzame sanering van bestaande kassen elders buiten het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II; of een combinatie van ten minste 50% duurzame sanering van bestaande kassen en ruimtelijke maatregelen als bedoeld in artikel 6.9, derde lid; b.
de ruimtelijke kwaliteit in beide gebieden per saldo wordt verbeterd; c. de uitbreidingslocatie niet is gelegen binnen een gebied met beschermingscategorie 1 of 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II; d. de kassen op de saneringslocatie zijn opgericht voor 1 januari 2014; e. gebleken is dat verplaatsing van het uit te breiden bedrijf naar een glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, geen reële mogelijkheid is; en f. de belangen van andere functies in de omgeving van de uitbreidingslocatie niet in onevenredige mate worden geschaad. 3. Een bestemmingsplan voor agrarische gronden kan onder de volgende voorwaarden voorzien in verbredingsactiviteiten bij agrarische bedrijven, waaronder zorg, recreatie, energieopwekking en de verkoop van producten uit eigen teelt: a. het oprichten van bebouwing of het aanbrengen van verharding voor de verbredingsactiviteit is in beperkte mate mogelijk binnen het agrarisch bouwperceel, dat hiervoor in afwijking van het eerste lid, onder a en b, zo nodig vergroot kan worden met ten hoogste 0,5 hectare; b. de agrarische functie blijft de hoofdfunctie van het bedrijf; en c.
de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven wordt niet belemmerd." Het eerste lid bevat algemene bepalingen ten behoeve van (het uitvoeren van) agrarische bedrijven en is derhalve van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder a: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een uitbreiding van een agrarisch bouwperceel zodat alle aanwezige bebouwing en voorzieningen hierbinnen komen te liggen. Daarbij wordt het bouwvlak uitgebreid naar een omvang van ongeveer 1,46 hectare. Dit past ruimschoots binnen de maximaal toegelaten omvang van 2 hectare. Na uitbreiding van het bouwperceel zullen alle voorzieningen en alle bebouwing binnen het bouwperceel gelegen zijn. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 6.18, lid 1, onder b: Er is geen sprake van samenvoeging van twee of meer bedrijven. Tevens is een grotere omvang niet noodzakelijk. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder c: Het huidige bouwvlak is veel te beperkt om te kunnen voorzien in een duurzame en doelmatige bedrijfsvoering. De noodzakelijke voorzieningen voor de opslag van voer en de staluitbreiding kunnen niet 20
binnen het huidige bouwvlak worden opgericht omdat dit simpelweg te klein is. Deze voorzieningen zijn echter noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. Derhalve is de wijziging van het bouwvlak noodzakelijk om ter plaatse te kunnen blijven voorzien in een duurzame en doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 6.18, lid 1, onder d: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van nieuwe bedrijfswoningen en/of het toevoegen van extra wooneenheden. Wel zijn ter plaatse reeds twee bedrijfswoningen legaal aanwezig en bestemd. Er zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van nieuwe bedrijfswoningen. Het aantal bedrijfswoningen zal daarbij niet toenemen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 6.18, lid 1, onder e: Er is geen sprake van het oprichten van kassen. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder f: Er is geen sprake van boom- en sierteelt. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder g: Er is geen sprake van intensieve veehouderij, ook niet als neventak. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder h: Er is geen sprake van (verplaatsing van) een intensieve veehouderij. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad.
6.18, lid 1, onder i: Er is geen sprake van een uitbreiding en/of het in gebruik nemen van bebouwing voor een hoofdtak intensieve veehouderij. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder j: Er is geen sprake van een uitbreiding en/of het in gebruik nemen van bebouwing voor een neventak intensieve veehouderij. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ad. 6.18, lid 1, onder k: Er is geen sprake van een geitenhouderij. Dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Gezien het voorgaande kan aan de voorwaarden uit het eerste lid worden voldaan. Het tweede lid gaat over het mogelijk maken van een grotere oppervlakte aan kassen bij een glastuinbouwbedrijf. Daarvan is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Het tweede lid is daarom niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Het derde lid gaat over het uitvoeren van verbredingsactiviteiten bij een agrarisch bedrijf. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van verbredingsactiviteiten. Ook dit lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Zoals blijkt uit het voorgaande voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de regels die zijn gesteld ten behoeve van (het uitvoeren van) agrarische bedrijven.
Naast specifieke regels voor een ruimtelijke ontwikkeling gelden vanuit de verordening ook algemene regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is het van belang te kijken naar de impact van een 21
ontwikkeling op het landschap en de omgeving. Hierin wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen: 1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); 2. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar voorziet in een wijziging op structuurniveau (aanpassen); 3. de ruimtelijke ontwikkeling past niet bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren). De nieuwe erfdeling volgt de bestaande structuur van het landschap. Het kavelpatroon en de aanwezige watergangen bepalen in belangrijke mate deze structuur. Ten behoeve van dit project is het niet noodzakelijk om bestaande watergangen te dempen. Ter compensatie wordt nieuw oppervlakte water gerealiseerd. Gelet op het voorgaande is er sprake van een zorgvuldige inpassing van het project waarbij voldoende aandacht is besteed aan beeldkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in wijzigingen aan de structuur van het landschap en zal een (zeer) beperkte impact hebben op de omgeving. De toetsing aan de kwaliteitskaart heeft reeds plaatsgevonden in de paragraaf "Omgevingsvisie Zuid-Holland" (paragraaf 3.2.1).
Daaruit is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart. Op de projectlocatie is reeds de bestaande melkveehouderij aanwezig. De ontwikkeling past binnen de schaal van het gebied. Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, die niet voorziet in wijzigingen op structuurniveau en die voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). Verder zijn binnen de provincie verschillende beschermingscategorieën aangewezen voor de bescherming en instandhouding van waardevolle landschappen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2. Ten aanzien van deze gebieden gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën a. een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikk eling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden; b.
een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden." De locatie is niet gelegen in een gebied waarvoor een aanvullende beschermingscategorie is opgenomen. De aanvullende voorwaarden zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen onevenredige aantasting van het landschap en/of de ruimtelijke kwaliteit tot gevolg hebben. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een landschappelijke inpassing uitgewerkt. Deze draagt bij aan een zorgvuldige inbedding van het project in de omgeving. De nieuwe bebouwing is met zorg vorm gegeven. Er worden dekkende kleuren toegepast. De bouwmassa van de ligboxenstal wordt aan de voorzijde doorbroken met een aanbouw met een lagere nokhoogte waarin onder andere het tanklokaal, technische ruimten en een ontvangsruimte zijn ondergebracht. Het huidige erf bestaat uit verouderde bedrijfsbebouwing met daarachter de voer- en mestopslagen.
22
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard De gemeente Krimpenerwaard heeft op 14 juli 2021 de 'Omgevingsvisie Krimpenerwaard' vastgesteld. Hierin legt de gemeente vast welke toekomstige ontwikkelingen zij zien voor de leefomgeving. Deze visie geeft richting aan ruimtelijk-maatschappelijke ambities en opgaven. De Omgevingsvisie heeft de voorgaande structuurvisies vervangen. Speer punt: ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid De gemeente zet in op gezonde en vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid binnen de gemeente en ontwikkelruimte voor ondernemers. Zij geven ruimte aan ondernemers om te starten, te groeien en te ontwikkelen op een duurzame en maatschappelijk verantwoorde manier. Gezonde vitale bedrijven leveren een positieve bijdrage aan de Krimpenerwaard. Ze zorgen voor werkgelegenheid en dragen bij aan de lokale economie en lokale initiatieven. Ondernemers moeten voldoende kans krijgen om zich te ontwikkelen. Dit is de basis voor de toekomst en draagt bij aan vernieuwing en innovatie en lokale werkgelegenheid. De gemeente stimuleert en omarmt nieuwe initiatieven en koestert bestaande lokale bedrijven, mits deze toekomstgericht zijn en passen bij het karakter van de Krimpenerwaard. Speer punt: ruimte voor adaptieve landbouw De gemeente geeft ruimte aan omgevingsbewuste (agrarische) ondernemers.
De melkveehouderij heeft een groot deel van de landbouwgrond van de Krimpenerwaard in gebruik. Zij zijn belangrijk voor de voedselvoorziening, natuur-, landschap- en weidevogelbeheer als ook voor biodiversiteit. De melkveehouderij is de basis in de Krimpenerwaard, maar heeft in aantallen vee geen groeimogelijkheden. De gemeente ziet toekomst in een extensievere landbouw. De groei zit vooral in toegevoegde waarde op het product of bedrijf in de vorm van andere maatschappelijke diensten. In samenwerking met de agrarische sector en andere overheden wordt gezocht naar economische perspectieven die het gebied versterken. Kringlooplandbouw en adaptieve landbouw (minder input van buitenaf en meer gebruik maken van de natuurlijke omstandigheden) vormen hierbij uitgangspunt. Naast de landelijke beperkingen (mestwetgeving, broeikasgassen en stikstof) stellen o.a. ook de bodemdaling, natuurontwikkeling en de verkeersveiligheid de landbouw voor nieuwe uitdagingen. 3.3.2 Toetsing initiatief aan omgevingsvisie Weidebeheer en melkveehouderij zijn twee functies die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Een ecomisch duurzaam melkveehouderijbedrijf kan een belangrijke bijdrage leveren aan het behoud van het open landschap tussen de stedelijke gebieden. De nieuwe bebouwing wordt aan de rand van het gebied gepositioneerd en sluit aan op de bestaande verkavelingspatronen.
Het agrarisch erf gaat zorgvuldig om met de beschikbare ruimte doordat er sprake is van een compact en efficiënt ingericht erf. Daarnaast wordt (op termijn), in het kader van adaptieve landbouw, eveneens voorzien in voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie in de vorm van een kleine windturbine en zonnepanelen. Op die manier draagt het initiatief bij aan de doelen uit de structuurvisie.
23
Hoofdstuk 4
Ruimtelijke- en Milieuaspecten
De uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan of project moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1.6, lid 1 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project. Van de ruimtelijke- en milieuaspecten wordt in dit hoofdstuk verslag gedaan. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in het volgende hoofdstuk behandeld. De toets aan het beleid is in het vorige hoofdstuk al aan de orde gekomen.
4.1
Milieu
4.1.1 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient eerst inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. De gronden waarop de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt is in gebruik als grasland. Uit ervaring blijkt dat deze gronden nagenoeg altijd schoon zijn, mits geen boomgaarden aanwezig zijn geweest en geen sloten zijn gedempt. In onderhavig geval is geen sprake van gedempte sloten en/of aanwezige boomgaarden, ook niet in het verleden. Tevens zijn op de projectlocatie, zowel in de huidige situatie als in het verleden, geen bodemverontreinigende activiteiten bekend. Hiermee kan worden aangenomen dat de projectlocatie waarschijnlijk schoon is, waarmee geen sprake is van een verwachte verontreiniging. De uitbreiding bestaat enkel uit dierverblijven en voeropslagen.
Er is geen sprake van bebouwing met een functie waarbinnen personen meer dan twee uur verblijven. De melkstal kan mogelijk worden gezien als een functie waarbinnen personen verblijven. De bodem ter plaatse van de bestaande bebouwing is in het verleden bij het oprichten van de betreffende bebouwing echter reeds onderzocht en geschikt bevonden. Er hebben zich ter plaatse geen verontreinigende activiteiten voorgedaan, waarmee geen sprake is van een mogelijk verontreinigde locatie. Gezien de melkstal in reeds bestaande bebouwing wordt opgericht is de locatie van de melkstal reeds onderzocht en geschikt bevonden, waarmee de bodem ter plaatse van de gewenste melkstal geschikt is voor de gewenste functie.
4.1.2 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. 4.1.2.1 Milieuzonering vanuit de projectlocatie Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een melkveehouderij uitgebreid. In de VNG handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' zijn ten aanzien van een melkveehouderij richtafstanden opgenomen ten aanzien van geluid, geur, fijn stof en gevaar.
Als binnen deze afstanden gevoelige objecten gelegen zijn veroorzaakt de melkveehouderij hinder aan deze gevoelige objecten en zullen maatregelen getroffen moeten worden deze hinder te beperken. 24
De grootste richtafstand uit de VNG handreiking bedraagt 100 meter (voor geur). In de huidige situatie is de afstand van jongveestal achter de bedrijfswoning tot aan een woning van derden 20 meter. Hiermee wordt niet aan de gestelde richtafstanden voldaan. De betreffende jongveestal wordt echter buiten gebruik gesteld als de nieuwe stal is opgericht en volledig in gebruik is. De jongveestal krijgt dan een andere functie, waardoor binnen de richtafstanden van het gevoelig object geen dieren meer gehouden kunnen worden. Hiermee wordt de situatie voor omliggende woningen verbeterd. Dit is middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de planregels en op de verbeelding. Daarnaast is op de verbeelding een aanduiding opgenomen waarvoor vanuit de regels behorende bij dit plan geldt dat het oprichten van dierenverblijven binnen deze aanduiding niet is toegestaan. Daarmee wordt geborgd dat binnen 25 meter van de woningen geen nieuwe dierenverblijven worden opgericht, waarmee aan de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij kan worden voldaan. Bij de gewenste ontwikkeling wordt een kleine windmolen opgericht om ter plaatse te voorzien in een duurzame winning van energie ten behoeve van de eigen energiebehoefte. Voor windmolens met een wiekdiameter tot 20 meter geldt als grootste richtafstand een afstand van 100 meter (voor geluid).
Binnen 100 meter van de gewenste windmolen zijn geen gevoelige objecten (ook geen bouwvlakken van omliggende bedrijven en/of functies) gelegen, waarmee aan de richtafstanden wordt voldaan en de gewenste windmolen niet zal leiden tot onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. 4.1.2.2 Milieuzonering ten aanzien van de projectlocatie Als bij een inrichting nieuwe gevoelige objecten worden opgericht in het kader van geur, geluid, luchtkwaliteit of externe veiligheid, dan mag dit gevoelig object geen hinder ondervinden van eventueel omliggende hinder veroorzakende inrichtingen.Tevens mag de ontwikkeling van een nieuw gevoelig object geen belemmering zijn van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestemmingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen gevoelige objecten opgericht in het kader van geluid, geur, luchtkwaliteit en/of externe veiligheid. Hiermee zal op de projectlocatie geen hinder ondervonden worden van eventueel omliggende bedrijven en/of inrichtingen en zullen geen bedrijven en/of bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
4.1.3 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen. De gemeente Krimpenerwaard heeft een eigen geurbeleid. Dit is in werking getreden op 1 januari 2017. In een geurverordening is onder andere de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom teruggebracht tot 25 meter.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding met dieren zonder geuremissiefactor. Hierbij dienen de gestelde vaste afstanden aangehouden te worden. Het dichtstbijzijnd geurgevoelig object (gemeten van emissiepunt tot gevel gevoelig object) is gelegen op ongeveer 20 meter. Dit betreft een bestaande situatie binnen het geldende agrarische bouwperceel. Hiermee wordt niet aan de gestelde afstanden voldaan. De gemeente stelt de voorwaarde dat stallen voor zover gelegen binnen een afstand van 25 meter voor omliggende woningen binnen de planperiode buiten werking worden gesteld voor het houden van dieren, nadat de nieuwe stal is opgericht en volledig in gebruik is. Dit is opgenomen in de 25