BIJL 1 - TAM omgevingsplan Lorentzweg Motivering
Tekst van het document
Er is daarmee sprake van een acceptabele parkeersituatie. Door Goudappel is tevens onderzocht in hoeverre er sprake is van restcapaciteit in de omgeving van het plangebied. Op het drukste moment is de huidige parkeerbezetting 75%. Tot een parkeerbezetting van 85% is er sprake van een acceptabele parkeersituatie. In de huidige situatie is er daarmee sprake van een acceptabele
pagina 29 van 52
parkeerbezetting. De toekomstige parkeerbezetting is maximaal 73%. Ook in de toekomstige situatie is er daarmee sprake van een acceptabele parkeerbezetting. Gesteld kan worden dat er met de voorgenomen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.2 Duurzaamheid en gezondheid De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.
Planspecifiek De beoogde woningen worden gasloos en op zijn minst volgens de BENG-methode gebouwd (bij voorkeur ENG). Gebouwen en de openbare ruimte zullen ruimte bieden voor onder andere nestkasten en -gelegenheden, wat positief bijdraagt aan de biodiversiteit. In de ‘Zuid-Hollandse Omgevingsverordening’ is ingegaan op de risico's van klimaatverandering en wat voor gevolgen dit heeft voor de beoogde ontwikkeling. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat er voor het plangebied geen noemenswaardige kans op overstromingen, droogte of hitte is. Bovendien wordt met onderhavig plan een positieve bijdrage geleverd aan de oppervlakte aan openbaar groen. Bovendien wordt ingezet op een duurzame en gezonde woonbuurt, waarbij gezamenlijk gebruik en kans op ontmoeting gestimuleerd worden door onder andere de aanleg van wandelpaden door de centrale groenvoorziening. Dit zet tevens aan tot beweging en draagt bij aan een goede mentale gezondheid.
5.3 Geluid De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
pagina 30 van 52
Het
•
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
•
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
•
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
•
gebouw voor kinderopvang met bedden;
•
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. beschermen
van
deze
geluidsgevoelige
gebouwen
gebeurt
aan
de
hand
van
vastgestelde
geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
Planspecifiek Het plangebied is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van meerdere wegen. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Akoestisch Buro Tideman, 24.162.01, d.d. 22 juli 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). De geluidbelasting bedraagt maximaal 63 dB op de meest zuidelijke woning. Op navolgende afbeelding is het blok met de drie woningen waar een overschrijding van de standaardwaarde plaatsvindt weergegeven.
Geluidbelasting op woningen zuidkant plangebied (bron: Akoestisch buro Tideman)
pagina 31 van 52
De geluidbelasting op het plan is hoger dan de standaardwaarden van het Bkl. Bij een geluidbelasting op de gevel tussen de standaardwaarde (53 dB) en de grenswaarde (70 dB) vindt een bestuurlijke afweging plaats. Het bevoegd gezag kan geluid tot en met de grenswaarde toestaan als ze: 1.
Geen maatregelen kan treffen om aan standaardwaarde te voldoen;
2.
Overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt;
3.
Afweegt of maatregelen financieel doelmatig zijn en er geen bezwaren zijn van stedenbouw, verkeerskunde, vervoerskunde, landschap, techniek
4.
Afweegt of het gecumuleerd geluid aanvaardbaar is;
5.
Afweegt of het gezamenlijk geluid aanvaardbaar is.
- Ad 1: Maatregelen in de vorm van afscherming in het tussengebied is reeds verwerkt in het plan door het toepassen van een scherm met een hoogte van 1,8 meter langs de tuin van de woning op nummer 10 om het geluid vanaf de Talmastraat af te schermen. Door toepassing van dit scherm wordt een geluidluwe buitenruimte gerealiseerd. - Ad 2: De overschrijding van de standaardwaarde bedraagt 10 dB en is 7 dB lager dan de grenswaarde. - Ad 3: De wegdekverharding van de Talmastraat bestaat uit een klinkerverharding en kan worden vervangen door (geluidreducerend) asfalt. Het vervangen van een wegdek is een taak van de wegbeheerder. Gezien de kosten van (stil) asfalt en mogelijke civieltechnische problemen is deze oplossing voor het terugdringen van de geluidbelasting op de locatie niet haalbaar. - Ad 4 en 5: Het gezamenlijk geluid is hier gelijk aan het cumulatief geluidniveau. Deze geluidbelasting is aanvaardbaar indien de standaard geluidwering van de gevel wordt verhoogd met maximaal 10 dB tot Ga;k= 30 dB. De vereiste geluidwering per gevel kan worden afgeleid uit figuur 4-2 van het onderzoek van Tideman. In aanvulling op het voorgaande heeft de Omgevingsdienst Midden-Holland een nadere afweging van de hogere geluidwaarden opgesteld (Omgevingsdienst Midden-Holland, 2025-00016907, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9).
Om de beoogde woningen toe te laten legt het bevoegd gezag een omgevingswaarde van maximaal 63 dB voor het gezamenlijk geluid vast. Conclusie Het aspect geluid is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van de gewenste functie wonen aan deze locatie indien de gevel worden voorzien van voldoende geluidwerende voorzieningen. In paragraaf 5.4 is aandacht voor het aspect geluid in relatie tot activiteiten en milieuzonering.
pagina 32 van 52
5.4 Activiteiten en milieuzonering De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteit beschikbaar is.
De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Zones, waarden en afstanden Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden. Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen.
Gebiedstypen In de meeste omgevingsplannen worden, behalve regels voor het hele ambtsgebied, ook regels opgenomen voor verschillende gebiedstypen, bijvoorbeeld voor woongebied, centrumgebied, bedrijventerrein, industrieterrein en buitengebied. Er wordt onderscheid gemaakt in twee soorten woongebieden: het gebiedstype ‘rustig woongebied’ en ‘gemengd gebied met wonen’. De gemeente dient in het omgevingsplan de locatie van de gebiedstypen aan te wijzen en hier regels aan te verbinden. Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Met gemengd gebied met wonen wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Onder een gemengd gebied met wonen kan ook lintbebouwing en woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden verstaan. Voor een gemengd gebied met wonen geldt geen functiescheiding met inwaartse zonering. Hierdoor zijn er geen aanvullende planregels nodig die inwaartse zonering vormgeven, zoals die volgens deze handreiking wel gelden
pagina 33 van 52
op een bedrijventerrein en andere werkterreinen. Het uitgangspunt in een gemengd gebied met wonen is dat hier alleen milieuhinderlijke activiteiten gevestigd worden, die naar aard en impact op de omgeving passend zijn. In de basis mag het gebruik niet leiden tot milieuhinder buiten de grens van de bedrijfslocatie, dan wel verder reiken dan de overzijde van de openbare weg waaraan de activiteit ligt. De standaard (gebiedsgerichte) regels in het omgevingsplan (en in eerste instantie de Bruidsschat) bieden de basis om activiteiten wat betreft hun milieugebruiksruimte evenwichtig aan locaties toe te kunnen delen. Bestaande activiteit Wanneer van een bestaande rechtmatige activiteit bekend is dat deze niet voldoet aan de nieuwe milieuwaarden voor geur en geluid, ligt het voor de hand om de bestaande milieugebruiksruimte specifiek (op maat) te regelen. Dit kan bijvoorbeeld via een eigen functieaanwijzing met regels of met een maatwerkvoorschrift. Voor de bestaande activiteiten kan daarom een overgangsbepaling worden opgenomen op basis waarvan een bestaande, maar niet onderkende overschrijding van de waarden onder voorwaarden kan worden voortgezet. Het moet gaan om een rechtmatige en feitelijk aanwezige geluid- of geurbelasting, ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan.
Andere milieuthema’s dan geur en geluid Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:
•
Luchtverontreiniging.
•
Externe veiligheid en gevaar.
•
Trillinghinder.
•
Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.
•
Lichthinder.
•
Spuitzones.
•
De hinder door verkeer aantrekkende werking.
Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden woningen gerealiseerd. Daarmee wordt voorzien in milieugevoelige gebouwen. Er dient in beeld te worden gebracht of omliggende bedrijven als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsuitvoering en ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere milieubelastende activiteiten. Middelbare school Ten noorden van de planlocatie, aan de overzijde van de Berlagestraat, bevindt zich een middelbare school. De afstand van de planlocatie tot aan het zuidelijk gelegen plein van de school bedraagt ongeveer 15 meter. In de huidige situatie bevinden zich rondom de school reeds woningen. Dit betekent dat de milieugebruiksruimte van de school door deze woningen al wordt beperkt. Daarnaast geldt dat de woningen aan de noordzijde van het plangebied, aan de Berlagestraat, niet gesloopt of verbouwd zullen worden. Dit zijn bestaande woningen die met de beoogde ontwikkeling behouden blijven. Daarmee voorziet de voorgenomen ontwikkeling niet in beperkingen
pagina 34 van 52
voor de bedrijfsvoering van de school. Tevens kan aangenomen dat ter plaatse van de bestaande woningen reeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Centrumfuncties Ten zuiden van de planlocatie bevindt zich het dorpscentrum van Lekkerkerk. Volgens het bestemmingsplan 'Dorpskernen', wat onderdeel is van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Krimpenerwaard, zijn deze gronden mede bestemd voor wonen, detailhandel, bedrijven in milieucategorie 1 en 2 en maatschappelijk doeleinden en meer. Direct aan de overzijde van de Talmastraat bevinden zich een bibliotheek, een kantoor, een barbier en een bloemist. Dit zijn activiteiten die volgens de indicatieve lijst zoals opgenomen in de handreiking Activiteiten en Milieuzonering A5 geschikt zijn voor functiemenging. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschikt de planlocatie over de bestemming 'Wonen'. Dit betekent dat de milieugebruiksruimte van de bestaande bedrijfsactiviteiten in de huidige situatie al worden beperkt door deze woningen. Het realiseren van de woningen voorziet niet in een nieuwe belemmering voor deze activiteiten. Daarmee voorziet de beoogde ontwikkeling ook niet in een (nieuwe) beperking van de bedrijfsvoering van deze bedrijfsactiviteiten.
Conclusie Gezien het voorgaande vormen de milieubelastende activiteiten van de beoogde ontwikkeling geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van de omliggende woningen. Wat betreft milieuzonering is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.5 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
2.
Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 140 woningen. Bij woningbouwontwikkelingen tot 3.000 woningen en met twee ontsluitingswegen is altijd sprake van een NIBM-project. Dit betekent dat beoogde ontwikkeling aan te merken is als een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van
pagina 35 van 52
de luchtkwaliteit. Verdere toetsing van het aspect luchtkwaliteit op grond van artikel 5.54 van het Bkl niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over
2022
fijnstof
(PM10
en
PM2,5)
en
stikstofdioxide
(NO2)
nabij
het
plangebied (receptor:
62251686_15476869) bedragen respectievelijk maximaal 18,2 μg/m³, 9,8 μg/m³ en 19,9 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
Planspecifiek De gemeente heeft een archeologische beleidskaart voor haar grondgebied op laten stellen. Op de beleidskaart Archeologie van de gemeente Krimpenerwaard is het zuidelijke deel van het plangebied aangemerkt als Waarde Archeologie 4. Het noordelijke deel met Waarde - Archeologie 7. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de beleidskaart.
pagina 36 van 52
Uitsneden archeologische beleidskaart
Voor het plangebied met de 'Waarde - Archeologie 7' geldt een vrijstellingsgrens bij werkzaamheden kleiner dan 10.000 m² en die niet dieper reiken dan 3 meter onder het maaiveld. Voor het plangebied met 'Waarde Archeologie 4' geldt een vrijstellingsgrens voor werkzaamheden met een oppervlakte kleiner dan 1.000 m² en die niet dieper reiken dan 30 cm onder het maaiveld. In het noordelijke deel wordt de vrijstellingsgrens van 10.000 m² niet overschreden. In het zuidelijke deel wordt de hier geldende vrijstellingsgrens van 1.000 m² niet overschreden. Daarnaast vinden de bodemingrepen hier hoofdzakelijk plaats ter plaatse van bestaande bebouwing. De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarmee grotendeels niet in nieuwe verstoringen van de bodem. Negatieve effecten op de archeologische waarden kunnen daarmee worden uitgesloten. Het laten uitvoeren van een archeologisch onderzoek wordt voor de beoogde ontwikkeling niet nodig geacht. De planlocatie beschikt niet over monumentale gebouwen of objecten. Ook is het plangebied niet gelegen in een gebied van cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.7 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
•
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
•
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
pagina 37 van 52
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).
Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden woningen gerealiseerd op gronden die reeds ten behoeve van wonen gebruikt worden. Derhalve voorziet de beoogde ontwikkeling vergeleken met de bestaande situatie niet in de realisatie van een strenger bodemgebruik. Normaliter wordt het laten uitvoeren van bodemonderzoek niet nodig geacht. Met de voorgenomen ontwikkeling worden delen van de woningen gerealiseerd op gronden die nu tot het openbaar gebied worden gerekend. Daarnaast heeft Lekkerkerk een geschiedenis met bodemverontreiniging. In dit kader is daarom een bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, 40154, d.d. 3 oktober 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). De grond is beoordeeld als maximaal kwaliteitsklasse Industrie. De baksteenhoudende zandige en kleiige bovenen ondergrond worden beoordeeld als klasse Industrie. De overige boven- en ondergrond wordt beoordeeld als klasse Landbouw/natuur. De verhogingen worden veroorzaakt door de aanwezige bodemvreemde bijmengingen (met name baksteen). In het grondwater is geen overschrijding van de signaleringsparameter gemeten. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. Ter plaatse van de demping bij Br01 is in de ondergrond een massieve ondoordringbare laag aangetroffen.
Vooralsnog kan niet worden uitgesloten of er (verontreinigd) dempingsmateriaal aanwezig is. Boorraai Br01 bevindt zich ter plaatse van een parkeerplaats. Voor zover bekend wordt deze locatie in de toekomstige situatie een groenstrook. Indien hier graafwerkzaamheden worden uitgevoerd tot dieper dan 0,7 m-mv, is nader onderzoek vereist om vast te stellen of de sloot is gedempt met verontreinigd materiaal. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbestonverdachte locatie wordt gehandhaafd. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbestonverdachte locatie wordt gehandhaafd. Conclusie De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning en de beoogde herontwikkeling. Aanbevolen wordt om grond die vrijkomt bij graafwerkzaamheden te hergebruiken binnen het project. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank. Bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden op de locatie dient rekening te worden gehouden met de in het rapport beschreven regels en voorschriften.
Te allen tijde geldt de verplichting dat bodemlagen van verschillende kwaliteit apart ontgraven dienen te worden en, indien van toepassing, worden teruggeplaatst in de oorspronkelijke bodemlaag. In het vervolg dient er voor de vergunningsaanvraag bij de activiteit 'bouwen' wel een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd te worden.
pagina 38 van 52
5.8 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen.
Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken.
(Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra
pagina 39 van 52
maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.
Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving).
Buisleiding en gasontvangststation Ten noorden van de planlocatie bevindt zich een gasontvangststation met gasbuisleiding(en). De afstand van de planlocatie tot aan het gasontvangststation bedraagt ongeveer 160 meter. De planlocatie is niet gelegen in het brandaandachts- of het explosieaandachtsgebied van de gasbuisleiding of het gasontvangststation. Derhalve vormen de buisleiding en het gasontvangstation geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er bevinden zich geen andere risicovolle activiteiten of buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd in de omgeving van het plangebied.
pagina 40 van 52
Transport gevaarlijke stoffen De planlocatie is gelegen op relatief korte afstand van de Lek, op een afstand van ongeveer 270 meter. De Lek is een rivier waarover de transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het brandaandachtsgebied van de Lek betreft 30 meter en het explosieaandachtsgebied 200 meter. Omdat het plangebied zich buiten deze risicoafstanden bevindt brengt dit geen belemmeringen voor de planontwikkeling met zich mee. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
5.9 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld.
Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
•
aanwezige dier- en plantensoorten;
•
typen natuurlijke habitats;
•
leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.
pagina 41 van 52
Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en faunaactiviteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
•
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
•
andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
Planspecifiek In de huidige situatie is het plangebied bebouwd. Omdat een groot deel van de bestaande bebouwing gesloopt zal worden is er mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden. Derhalve is er voor de planlocatie een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Econsultancy, 21275.001, d.d. 20 maart 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek beschreven. Gebiedsbescherming In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 750 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is ook niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Boezems Kinderdijk, bevindt zich op circa 2,1 kilometer afstand ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, de Biesbosch, bevindt zich op circa 11 kilometer afstand ten zuidoosten van de onderzoekslocatie.
Ondanks deze afstand is door de omvang van het project een significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied niet uit sluiten. In dat kader is een AERIUS-berekening met de AERIUS Calculator uitgevoerd (Buro SRO, SR240330, d.d. 6 januari 2026, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Uit de berekening volgt dat er voor de aanleg- en gebruiksfase geen sprake van resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de omliggende Natura 2000-gebieden zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Met het oog op de bepalingen omtrent Natura 2000-gebieden uit de Omgevingswet en AMvB’s is geen vergunning benodigd.
pagina 42 van 52
Soortenbescherming Binnen het plangebied bevinden zich locaties die geschikt zijn als potentiële verblijfsplaats van vleermuizen en (jaarrond beschermde) nestgelegenheden voor broedvogels. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen wanneer het verwijderen van nestgelegenheden, groen en snoeiafval buiten het broedseizoen uitgevoerd wordt. Er dient voor de uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek tevens meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde broedvogels. Nader soortenonderzoek Uit het nader onderzoek (Econsultancy, 21.275.002, d.d. 3 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7) is gebleken dat bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden aan de woonblokken niet kan worden uitgesloten dat dertig nesten van de huismus worden vernield of beschadigd. Bij de sloop gaan ook essentiële kwetterplekken verloren. Er wordt een ontheffing nodig geacht om de ingreep plaats te laten vinden. Bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden aan de woonblokken kan niet worden uitgesloten dat zes nesten van de gierzwaluw worden vernield of beschadigd. Er wordt een ontheffing nodig geacht om de ingreep plaats te laten vinden.
Bij de voorgenomen sloopwerkzaamheden aan de woonblokken kan niet worden uitgesloten dat drie paarverblijven van de gewone dwergvleermuis worden vernield of beschadigd. Er wordt daarom een ontheffing nodig geacht om de ingreep plaats te laten vinden. Om broedgevallen van de kauw en andere algemene broedvogels te voorkomen ten tijde van de werkzaamheden wordt er geadviseerd om maatregelen op te nemen in het ecologisch werkprotocol en rekening te houden met de algemene zorgplicht. Conclusie Er is ontheffing van de natuurregelgeving van de Omgevingswet nodig om de beoogde sloop uit te kunnen voeren. Op 17 juni 2024 is de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-actitiviteit voor dit plan ingediend. De aanvraag is in behandeling bij de Omgevingsdienst Haaglanden. De verwachting is dat in de zomer van 2025 een vergunning wordt afgegeven. De tijdelijke permanente maatregelen (tijdelijke nestkasten) zijn eind 2024 reeds aangebracht in de directe omgeving van het plangebied.
5.10 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
pagina 43 van 52
Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van
het
hoogheemraadschap
het
Waterbeheerprogramma
2022-2027
vastgesteld.
In
het
Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Met het waterbeheerprogramma worden allereerst veel van de taken van het waterschap op dezelfde wijze voortgezet. Het waterschap gaat zich de komende jaren richten op de doelen waarvoor waterschappen zijn opgericht:
•
het voorkomen en waar mogelijk beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
•
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
•
vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen;
•
het zuiveren van afvalwater.
Planspecifiek Watercompensatie Bij een toename van verhard oppervlak is watercompensatie noodzakelijk. Om dit in beeld te brengen is in navolgende verhardingsbalans een vergelijking tussen de huidige en beoogde situatie gemaakt.
Verhardingsbalans (bron: Buro SRO)
pagina 44 van 52
Uit de verhardingsbalans blijkt dat de oppervlakte aan verhard oppervlak sterk afneemt. Watercompensatie is dan ook niet vereist. Waterafvoer Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool, maar (vertraagd) afgevoerd naar de in de omgeving liggende watergangen. Met het realiseren van minder verharding en meer groen wordt het water zo lang mogelijk vastgehouden binnen het plangebied. Het afvalwater zal worden aangesloten op het bestaande rioolsysteem. Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen in een primaire of regionale waterkering. Oppervlaktewater Binnen en rondom het plangebied bevinden zich geen watergangen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in aanpassingen van de watergangen. Wel is er een kleine waterpartij in het midden van het plangebied, naast de Jan Ligthartstraat, aanwezig. Deze blijft met de beoogde ontwikkeling behouden. Conclusie Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
5.11 Ontplofbare oorlogsresten Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, kan ODMH niet met zekerheid stellen dat die er niet zijn. Derhalve adviseert de ODMH dat als men bij graafwerk toch stuit op een verdacht object de passende maatregelen worden genomen. Vooralsnog vormt dit aspect geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.12 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
pagina 45 van 52
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
•
Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag
•
Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.
de kenmerken van het project
2.
de plaats van het project
3.
de kenmerken van de potentiële effecten
Planspecifiek Het initiatief betreft een ontwikkeling die valt onder “Projecten” uit kolom 1 (namelijk: J11: stedelijk ontwikkelingsproject) in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een m.e.r.- beoordeling is nodig. B&W bepalen in een m.e.r.-beoordelingsbesluit of er een m.e.r.-plicht is. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld (Buro SRO, SR240330, d.d. 6 januari 2026, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
pagina 46 van 52
6 Juridische aspecten 6.1 Algemeen Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO. Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding en in de regels zijn de functies toegekend aan locaties. Aan deze locaties zijn regels voor de activiteit bouwen en regels betreffende het gebruik verbonden. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
6.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
6.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende werkingsgebieden op alfabetische volgorde. Dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
•
toepassingsbereik;
•
functieomschrijving;
•
beoordelingsregels bouwactiviteiten;
•
beoordelingsregels gebruiksactiviteiten;
•
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
pagina 47 van 52
6.4 Toelichting op functies en locaties De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Krimpenerwaard. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorliggend TAMomgevingsplan bevat de volgende functies/werkingsgebieden.
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begripsbepalingen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het TAM-omgevingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. De begrippen die reeds opgenomen zijn in Bijlage I van het omgevingsplan van de gemeente Krimpenerwaard en in de Omgevingswet en AMVB's zijn hierin niet meegenomen. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de gebruikelijke meetbepalingen in de gemeente Krimpenerwaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Artikel 3 Toepassingsbereik Dit artikel regelt het toepassingsbereik van onderhavig TAM-omgevingsplan Artikel 4 Aanvraagvereisten In
dit
artikel
wordt
beschreven
welke
aanvraagvereisten
van
toepassing
zijn
bij
een
aanvraag
omgevingsvergunning.
Hoofdstuk 2: Functies en activiteiten Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod Met dit artikel wordt al het gebruik anders dan wat onderhavig TAM-omgevingsplan mogelijk maakt uitgesloten. Artikel 6 Groen De functie 'Groen' is toegekend aan de groenvoorzieningen aan de randen van het plangebied en de belangrijkste
groenstructuren
in
het
binnengebied.
Naast
groen
zijn
water,
speelvoorzieningen,
nutsvoorzieningen, straatmeubilair en voet- en fietspaden mogelijk. Binnen de bestemming 'Groen' mogen geen gebouwen worden gebouwd, maar wel bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. Artikel 7 Maatschappelijk - Welzijnsinstelling Het beoogde woonzorgcomplex (welzijnsinstelling) heeft de functie 'Maatschappelijk - Welzijnsinstelling' gekregen. Deze functie maakt het mogelijk ter plaatse een woonzorgcomplex te bouwen bestaande uit 31 zorgwoningen. Tevens zijn bijeenkomstruimtes, dagbestedingsactiviteiten en kantoren toegestaan. Bij het hoofdgebouw mogen verder bijbehorende bouwwerken en overkappingen gerealiseerd worden.
pagina 48 van 52
Artikel 8 Tuin De voortuinen bij de grondgebonden woningen en de beneden-bovenwoningen zijn voorzien van de functie 'Tuin'. Binnen deze functie mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd. Artikel 9 Verkeer De functie 'Verkeer' is toegekend aan de beoogde wegen, parkeervoorzieningen (en reserveringen) en enkele overige delen van het openbaar gebied. Binnen deze functie zijn wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en fietspaden en verblijfsgebieden zoals pleinen mogelijk. In de functie ‘Verkeer’ mogen uitsluitend nutsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd. Artikel 10 Wonen De functie 'Wonen' is toegekend aan de woonpercelen. Binnen deze functie is wonen, eventueel met aan-huisgebonden
beroepen,
mogelijk.
Daarnaast
zijn
bij
de functie
behorende
voorzieningen
als
erven,
nutsvoorzieningen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, tuinen en water mogelijk. Hoofdgebouwen mogen binnen het bouwvlak gebouwd worden. Het maximum aantal woningen is in de regels vastgelegd. In totaal zijn niet meer dan 148 woningen mogelijk binnen de bestemming 'Wonen', waarvan 39 woningen de bestaande woningen betreffen. Met aanduidingen op de verbeelding zijn de maximale goot- en bouwhoogten aangegeven. Verder zijn de woningtypen (aaneengebouwd en/of gestapeld) die in een bouwvlak gebouwd mogen worden op de verbeelding aangegeven. Bij woningen mogen bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen gebouwd. Hierbij gelden per type bouwwerk verschillende goot- en bouwhoogten. Op enkele locaties mogen bergingen en garageboxen worden gerealiseerd. Om ervoor te zorgen dat bij enkele woningen in het zuidwestelijke deel van het plangebied voldaan kan worden aan het gemeentelijk geluidbeleid is een geluidscherm hier verplicht gesteld middels een voorwaardelijke verplichting. Artikel 11 Waarde - Archeologie (4 en 7) Deze functies toegekend aan de zones met een middelhoge en lage archeologische verwachtingswaarde. Hierbij gelden vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek, die overeen komen met de archeologische beleidskaart.
Alvorens er grondbewerkingen volgens de onderliggende functies kunnen plaatsvinden die de vrijstellingsgrenzen overschrijden, moet er archeologisch onderzoek plaatsvinden om te bezien of er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Als er geen archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen de grondbewerkingen plaatsvinden. Als er wel archeologische waarden worden aangetroffen zal bekeken moeten worden hoe die het beste zeker gesteld kunnen worden. Deze onderzoeksplicht/vergunningplicht is uitgezonderd voor het normale beheer en onderhoud van de gronden, evenals voor gronden waarvan kan worden aangetoond dat reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag.
Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 12 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein
pagina 49 van 52
nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 13 Aanvullende beoordelingsregels bouwactiviteiten In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Deze bepalingen hebben betrekking op het overschrijden van bouwgrenzen. Artikel 14 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om af te wijken van hetgeen is bepaald in onderhavig hoofdstuk van het omgevingsplan. Artikel 15 Parkeren In dit artikel is bepaald dat in voldoende parkeergelegenheid voorzien moet worden, waarbij wordt verwezen naar de gemiddelde kencijfers van het CROW.
Hoofdstuk 4: Overgangsregels Artikel 16 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik.
pagina 50 van 52
7 Financiële haalbaarheid Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De bevoegde overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal, een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
Planspecifiek De gemeente zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
pagina 51 van 52
8 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 140 woningen, waaronder 31 zorgwoningen. Hiervoor worden 95 bestaande woningen gesloopt. Het initiatief is getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met het beleid. Vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving komen geen belemmeringen voort. Bovendien wordt de ontwikkeling stedenbouwkundig zorgvuldig ingepast. Alle aspecten afwegende kan de toedeling van de beoogde functies aan de locatie als evenwichtig worden beoordeeld.
pagina 52 van 52