CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 1 Plantoelichting en -regels Bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36 Bergambacht

Raadsvergadering 5 juli 2022, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36 Bergambacht22.534 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Toelichting

25

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

4.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Van een 'rustig buitengebied' is sprake wanneer er in de nabijheid vrijwel geen andere functies voorkomen. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd.

Onderzoek/ beoordeling Sprake is van een gemengd buitengebied, omdat naast de nog enkele veehouderijbedrijven ook woningen en overige niet-agrarische functies voorkomen. Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 4.1 vermeld. Tabel 4.1: Richtafstanden en omgevingstype. Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd of er in de omgeving van de geplande woning milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf ligt op 260 meter afstand aan de Benedenberg 46. Verder zijn er geen veehouderijbedrijven of overige niet agrarische functies gelegen, doch alleen woningen. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen de nieuwe woning aan de Benedenberg 34 in Bergambacht. Conclusie De planontwikkeling geeft vanuit milieuzonering geen beperkingen, omdat er binnen het invloedsgebied (zowel bestaand als toekomstige ontwikkeling) geen milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. Geconcludeerd kan worden dat in deze situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.1.3 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader wegverkeerslawaai Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van wonen. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk.

26

Toelichting

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

Onderzoek/ beoordeling De relevante weg in de directe omgeving van het plangebied is de Benedenberg. Voor deze weg geldt een maximum snelheid van 60 km/uur. Bij verandering van een bestemmingsplan moet er in principe worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Cauberg Huygen B.V. te Rotterdam (rapport van 29 november 2021, rapportnummer 06796-53257-03, Bijlage 1). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat ten gevolge van wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden voor de woning niet wordt overschreden. De maximale waarde op de voorgevel van de woning bedraagt 47 dB na 5 dB aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder. Er is geen hogere waarde benodigd. Conclusie Gezien bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 4.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.

Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Onderzoek/ beoordeling De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' (oktober 2013). Dankzij het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland is als veel bekend van de bodemkwaliteit. Door gebruik te maken van deze kennis kan in veel gevallen worden volstaan met een verminderde onderzoeksinspanning, wat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven oplevert. In de beleidsnota worden vele raakvlakken concreet uitgewerkt en het beleid vormt hierdoor een goed handvat bij de beoordeling van bodemonderzoeken voor omgevingsvergunningen. Bij een omgevingsvergunning dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Mede ten behoeve van dit bestemmingsplan is een historisch vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725 uitgevoerd door Hoste Milieutechniek B.V. te Hazerswoude-Dorp (rapport van 28 juli 2020, kenmerk U20-0586, Bijlage 2).

Op basis hiervan kan het volgende worden afgeleid: Uit informatie verkregen via de Omgevingsdienst Midden-Holland en het landelijk bodemloket blijkt dat op de onderzoekslocatie en directe omgeving geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. De locatie is gelegen in een zone “diffuse spoed” voor de bestemming wonen met grote moestuin. Tijdens de locatie-inspectie zijn twee ondergrondse tanks aangetroffen ter hoogte van de geplande bouw aan de noordzijde van de locatie. De tanks bevatten een kleine hoeveelheid olie en worden voor de start van de bouw gesaneerd. Aanbevolen wordt een verkennend bodem onderzoek uit te voeren voor de gehele locatie volgens onderzoeksstrategie VED-HE (verdacht heterogeen, NEN-5740) op basis van de diverse bedrijvigheid tot nu toe waarbij de ondergrondse brandstoftanks als aparte deellocatie worden onderzocht volgens onderzoeksstrategie VEP-OO (verdachte locatie met één of meerdere ondergrondse tanks, NEN-5740). Conclusie Voor het oprichten van een woning kan planologisch vergunning worden verleend, omdat er geen grootschalige bodemverontreiniging wordt verwacht. Echter voor het onderdeel bouwen van de omgevingsvergunning moet een verkennend bodemonderzoek worden aangeleverd. Binnen de exploitatie wordt hiermee rekening gehouden. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van bodem.

Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast

Toelichting

27

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland. 4.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen). In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 4.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden. Tabel 4.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer. stof jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden 3 PM2,5 25 µg/m n.v.t. n.v.t. n.v.t. PM10 40 µg/m3 n.v.t. 50 µg/m3 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c.

de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; d. het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld. AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen.

De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de

28

Toelichting

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderzoek/ beoordeling Het plan omvat het oprichten van één woning, zodat sprake is van een project Niet in betekenende mate (NIBM). Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Om toch een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrond- concentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Benedenberg. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het plangebied niet in de weg staat. Conclusie De nieuwe woning valt onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor deze planontwikkeling een luchtonderzoek achterwege kan blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen.

Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Transport over water Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt in de omgeving van het plangebied geen spoorbaan. Er is geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen rijksweg of provinciale weg met een route gevaarlijke stoffen, zodat deze planontwikkeling geen belemmering vormt (de N207 ligt 400 m ten oosten van het plangebied). De Benedenberg zelf is ook niet opgenomen als een route gevaarlijke stoffen. Transport per buisleiding Voor risico-afstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding waarvan de PR en/of GR contour reikt tot het plangebied. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor

Toelichting

29

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

de ontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Risicokaart zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd (figuur 6). Er zijn geen belemmeringen voor deze planontwikkeling.

Figuur 6: Uitsnede Risicokaart (plangebied zwart aangeduid). Niet gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2014 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van NGE voor het beheergebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg.

30

Toelichting

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

4.2

Waterparagraaf

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Beleid hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie www.hhsk.nl/diensten/publicaties). In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken.

Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan: het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe; de waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen; het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd; het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.

In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het Hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn. Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Toetsingscriteria Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Onderstaand is per type toegelicht hoe HHSK omgaat met de typen ruimtelijke ontwikkelingen: 1. Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² 2. Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak 3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak

Toelichting

31

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK. Onderzoek/ beoordeling Waterhuishoudkundige situatie Het projectgebied maakt onderdeel uit van de Polder Bergambacht in peilgebied GPG-499 (peilbesluit Bergambacht) met een flexibel peil tussen de -1,91 m en – 1,86 m NAP. Rondom het plangebied liggen watergangen, geen hoofdwatergangen zijnde. Toekomstige situatie Het plangebied bestaat uit een bestemmingsvlak voor 'Wonen' met de aanduiding 'Kantoor'. Er worden binnen deze bestemming een paardenstal (361 m²) en schuur tegen paardenstal (54 m²) gesloopt. Voorts wordt de verharding met een oppervlakte van circa 500 m² verwijderd. In de plaats hiervan komt er een woning en bijgebouw met een oppervlakte van afgerond 365 m².

Per saldo neemt het verhard oppervlak af. Dit betekent dat er op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap geen watercompensatie nodig is. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling is niet van invloed op de veiligheidssituatie in het plangebied. Het plangebied ligt buiten de kern- en beschermingszones van de waterkeringen. Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor de nieuwe woningen wordt gebruik gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. In de voorliggende situatie ligt het voor de hand om hemelwater zoveel mogelijk af te voeren naar aangrenzend oppervlaktewater. 4.2.1 Wateradvies De Watertoets is via www.dewatertoets.nl op 13 juni 2020 (dossiercode 20200613-40-23531) uitgevoerd.

Op basis hiervan is geconcludeerd dat er waterstaatkundige belangen zijn. Het voorontwerpbestemmingsplan zal aan het hoogheemraadschap worden toegezonden met de mogelijkheid hierop te reageren. De resultaten worden verwerkt, nadat het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is afgerond. 4.2.2 Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling, nadat het hoogheemraadschap een positief wateradvies heeft gegeven.

32

Toelichting

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. 4.3.1 Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid.

Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De plankaart (zie figuur 7) laat zien dat er alleen in het zuidelijke gedeelte dieper dan 5 m maaiveld een grote kans op archeologische sporen is op oude stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld.

Figuur 7: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland (plangebied zwart omlijnd).

Toelichting

33

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

4.3.2 Gemeentelijke beleidsnota archeologie De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de Archeologienota Krimpenerwaard vastgesteld. Deze nota schept duidelijkheid over de archeologische waarden binnen de gemeente en geeft richtlijnen over de omgang hiermee. Op grond van de archeologische beleidskaart (zie figuur 8) heeft het gebied een hoge tot zeer hoge lage trefkans, waarbij in beginsel een onderzoekseis geldt voor bodemingrepen dieper dan 0,3m –Mv en een plangebied groter dan 50/ 100 m². In het bestemmingsplan heeft het plangebied alleen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. In verband met het oprichten van een woning is onderzoek naar archeologie uitgevoerd.

Figuur 8: Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart (plangebied geel gestreept omlijnd). 4.3.3 Archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek in de vorm van een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd door ADC ArcheoProjecten B.V. te Amersfoort (rapport van 24 december 2020, nummer 5243, Bijlage 3). Op basis van de onderzoeksresultaten voor het ontwikkelgebied en de voorgenomen bodemingrepen kan het volgende worden geconcludeerd (overgenomen uit rapport). Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit volgt dat het plangebied zich in de Krimpenerwaard bevindt, een voormalig veengebied dat zich tussen Hollandsche IJssel, de Lek/Nieuwe Maas en de Vlist uitstrekt. In het plangebied en de directe omgeven ervan zijn geen aanwijzingen voor fossiele stroomgordels of crevasses. Hoewel volgens de landschappelijke eenhedenkaart van de Krimpenerwaard zich ter plaatse in de ondergrond een uitloper van een rivierduinencomplex bevindt, wordt dit weersproken door een geologische boring ten oosten van het plangebied. Uit het profiel van deze boring blijkt dat de ondergrond wordt gevormd door een circa 6,90 m dik veenpakket met daarop een circa 0,5 m dik kleidek. Rivierduinafzettingen zijn niet aangetroffen.

De verwachting voor resten uit de Prehistorie, Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen wordt daarom als laag bestempeld. In de Late Middeleeuwen werden de veengebieden van de Krimpenerwaard op grote schaal ontgonnen en in gebruik genomen voor de landbouw. De bewoning concentreerde zich op de koppen van de percelen langs ontginningsbases, waaronder aan beide zijden van huidige Benedenberg. Deze as

34

Toelichting

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

dateert uit de tweede fase van de ontginning die zich in de periode 13e -15e eeuw voltrok. Door ontwatering en de daaraan gerelateerde veenoxidatie en inklinking kregen de bewoners in toenemende mate te maken met hoge grondwaterstanden. Hierdoor werd men gedwongen de woonplaatsen op te hogen met als gevolg dat aan de zuidzijde van de Benedenberg een reeks huisterpen ontstond. Eén van de huisterpen strekt zich mogelijk uit tot in het noordelijk deel van het plangebied. Ter plaatse moet daarom rekening worden gehouden met de aanwezigheid van opgebrachte kleilagen met daarin baksteen, houtskool en eventueel fragmenten van allerlei gebruiksvoorwerpen, die informatie kunnen geven over de bewoningsgeschiedenis van de locatie. Hierbij moet worden opgemerkt dat de bodem in delen van het plangebied als gevolg van de bouw en sloop van agrarische opstallen en de aanleg van kabels en leiden en twee ondergrondse olietanks is verstoord. Met name op de tanklocaties moet rekening worden gehouden met diepe verstoringen. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. Het booronderzoek wijst uit dat ondergrond van het plangebied uit zwak kleiig bosveen (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop) bestaat.

In geen van de boringen zijn klei- of zandlagen lagen aanwezig die aan oude stroomgordels te relateren zijn. Binnen de maximale boordiepte (550 cm -mv, circa 6,80 m –NAP in boring 2) is geen rivierduinzand aangetroffen. Indien inderdaad een uitloper van een rivierduincomplex aanwezig is, zal deze zich dieper in de ondergrond bevinden. Het aanwezige veen wordt afgedekt door een 25 tot 35 cm dikke kalkloze, zwak siltige kleilaag gevolgd door een 30 tot 45 cm dikke kalkloze, zwak zandige kleilaag. Beide bestaan uit komafzettingen (Formatie van Echteld). De bovenste kleilaag is bewerkt en vormt de huidige bouwvoor. In tegenstelling tot hetgeen de kaart Verwachting en Beleid - Krimpenerwaard en Bodemkaart landinrichtingsgebied Krimpenerwaard schaal 1:25.000 aangeven zijn tijdens het booronderzoek geen lagen/pakketten aangetroffen die te relateren zijn aan een woonheuvel. Op basis van de maaiveldhoogte moet deze mogelijk ten westen van het plangebied, ter plaatse van het woonhuis (Benedenberg 36), gezocht worden en lijkt deze op genoemde kaarten te ruim begrensd te zijn. ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen.

Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van archeologie. 4.3.4 Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het plangebied stonden een boerderij en kantoor, welke inmiddels zijn gesloopt. Ten oosten van de herbouwde woning wordt een woning opgericht; de cultuurhistorische waarden worden hierdoor niet aangetast. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

Toelichting

35

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

4.4

Flora en fauna

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Donkse Laagten' ligt circa 4,8 km zuidelijker. Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein', bevindt zich op een afstand van circa 8,6 km ten noorden van het plangebied.

In zuidwestelijke richting ligt op circa 9,4 km de 'Boezems Kinderdijk'. Sprake is alleen van de sloop van een paardenstal en het verwijderen van verhardingen ten behoeve van het oprichten van een woning, zodat Natura2000-gebieden niet worden beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht als gevolg van deze wijziging. Ten noorden het plangebied ligt bestaande en nieuw natuur op minimaal 620 m afstand. Ten zuiden van het plangebied ligt op 200 meter een belangrijk weidevogelgebied. 1,85 kilometer noordoostelijker ligt een ecologische verbinding van NNN (figuur 9). De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ecologische hoofdstructuur.

Figuur 9: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met rode stip aangegeven.)

36

Toelichting

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

4.4.1 Stikstofdepositie In onderhavige situatie is er sprake van het toevoegen van één woning in het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Donkse Laagten' ligt 4,8 km ten zuiden van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Boezems Kinderdijk' bevindt zich op 9,4 km afstand, terwijl het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt 8,6 km ten noordoosten van het plangebied ligt. Deze drie gebieden zijn niet stikstofgevoelig, met dien verstande dat de Polder Stein waarschijnlijk binnenkort wordt aangewezen als habitatrichtlijngebied. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder de in te voeren Omgevingswet op 1 januari 2023). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. Voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten geldt een vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. De tijdelijke gevolgen van door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie kunnen daarmee buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning.

De woning wordt bijna energie-neutraal gebouwd. Verder vindt er geen toename van het aantal verkeersbewegingen plaats, omdat een kantoorfunctie vervalt. Daarom kan worden gesteld dat er voor de gebruiksfase geen toename van N-emissie plaatsvindt. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering. Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. 4.4.2 Flora- en faunatoets Bij een bestemmingsplan moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband met deze woningbouwontwikkeling heeft Watersnip Advies te Reeuwijk heeft een ecologisch onderzoek uitgevoerd (rapport van september 2020, projectnummer 20A070, Bijlage 4). Op basis hiervan kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport). Natuurgebieden Natura2000 Habitattypen

Soorten NNN-gebieden § Omgevingsvisie/verordening Soortgroep Flora Algemeen

Toelichting

Gevolgen Natura2000-gebied Uiterwaarden Lek’ (8,9 km) heeft habitattypen die zijn aangewezen als stikstofgevoelig. Vanwege de afstand tot het Natura2000-gebied en de omvang van het project is een stikstofberekening niet nodig. Nee Nee Nee Overtreding verbodsbepalingen Nee Voor de beschermde soorten, Bastaardkikker, Bunzing, Egel en Hermelijn geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) door de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden.

37

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

Vogels

Vissen Amfibieën

Reptielen Zoogdieren Vleermuizen Overige soorten

Nee. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Vogelnesten die jaarrond beschermd worden door de Wnb, zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen het plangebied. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Nee Nee, mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen. Nee Nee Nee Nee

Aanbevelingen Resumerend worden de volgende mitigerende maatregelen voorgestaan. Binnen het plangebied zijn bomen en struiken aanwezig waarin algemene broedvogels kunnen gaan broeden. Deze vegetatie kan daarom het beste verwijderd worden buiten het broedseizoen van vogels (grofweg van half maart tot half juli). Als er een vogel aan het broeden is, mag deze niet verstoord worden totdat de jongen uitgevlogen zijn. Geadviseerd wordt te voorkomen dat er gedurende de voortplantingsperiode (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen. Natuur-inclusief bouwen De ontwikkelaar/initiatiefnemer heeft de intentie om voor de nieuwbouw binnen het plangebied gebruik te maken van natuur-inclusief bouwen. In de nieuwe bebouwing wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van vleermuizen door het inbouwen van vleermuiskasten. Algemene Zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet Natuurbescherming de algemene zorgplicht.

Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd er vanuit de Wet natuurbescherming geen beperkingen worden opgelegd aan deze planontwikkeling. De in het rapport opgenomen aanbevelingen zullen worden overgenomen bij de planuitwerking.

38

Toelichting

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

4.5

Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

4.5.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen planologisch relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

Toelichting

39

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

40

Toelichting

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.

5.2

Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond (GBKN) schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven. Gekozen is voor een gedetailleerd bestemmingsplan.

5.3

Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 5.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor parkeren opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 5.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

Toelichting

41

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

5.3.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen De op de kaart voor 'Wonen' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor gebouwen en andere voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Binnen deze bestemming zijn hoofdgebouwen toegestaan. In de planregels en/of op de verbeelding is onder meer de toegestane hoogte van hoofdgebouwen en de maximale inhoud hiervan vastgelegd. Met betrekking tot de situering van de hoofdgebouwen zijn op de verbeelding bouwvlakken ingetekend, waarin een hoofdgebouw gesitueerd dient te worden. Buiten het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) toegestaan. Hierbij geldt dat de gronden buiten het bouwvlak voor maximaal 50% mogen worden bebouwd tot een maximum van 50 m². Op basis van het Besluit omgevingsrecht kan vergunningvrij meer worden gebouwd in het achtererf; één en ander is afhankelijk van de omvang van het bebouwingsgebied. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Binnen de bestemming ‘Wonen’ is bij recht de uitoefening van een beroep aan huis mogelijk tot maximaal 40% van de oppervlakte van het hoofdgebouw met een maximum van 50 m².

Belangrijke voorwaarden zijn dat de activiteit moet worden uitgeoefend door de bewoner van de woning, er geen nadelige invloed mag ontstaan op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte mag optreden. Via een afwijking onder voorwaarden is ook een bedrijf aan huis mogelijk tot een oppervlakte van maximaal 30% van de bebouwing tot een maximum van 30 m². De voorwaarden zijn gelijk aan die voor het uitoefenen van een beroep aan huis. Daarnaast is als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie een Bed & Breakfast toegestaan. Artikel 4 en 5 Waarde - Archeologie 2 en 3 Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek naar archeologie zijn alleen de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2 en 3' opgenomen in het plangebied om archeologische (verwachtings)waarden juridisch-planologisch te beschermen. In de dubbelbestemmingen is aangegeven in welke mate en onder welke voorwaarden werkzaamheden zijn toegestaan. De opgelegde beperkingen zijn opgelegd om te voorkomen dat (mogelijk) voorkomende archeologische waarden worden aangetast. Van de mogelijkheden die de onderliggende bestemming biedt voor de uitvoering van (bouw)werkzaamheden kan pas gebruik worden gemaakt indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat als gevolg van de geplande werkzaamheden geen schade wordt toegebracht aan archeologische waarden.

Aan een te verlenen omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden die er op gericht zijn om archeologische resten te behouden. Deze voorwaarden kunnen ook gericht zijn op de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. Verlangd kan worden dat de werkzaamheden plaatsvinden onder archeologische begeleiding. 5.3.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Artikel 6 Antidubbeltelregel Het artikel 'Antidubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Artikel 7 Algemene bouwregels In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons en kelders. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Artikel 9

42

Algemene afwijkingsregels

Toelichting

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid dient een belangenafweging ten grondslag te liggen. Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. Artikel 10 Overige regels In de 'Overige regels' zijn de regels over parkeren opgenomen met verwijzing naar de CROW-publicatie 381 (december 2018). Als regel wordt uitgegaan van de maximum parkeernorm. Voorts is in dit artikel een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om te kunnen afwijken van de parkeernormen. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen. Artikel 11 Overgangsrecht Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming.

Artikel 12 Slotregel Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

5.4

Handhaving bestemmingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak. 3. Realistische en inzichtelijke regeling Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4.

Actief handhavingsbeleid Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. Conclusie Het bestemmingsplan is zodanig opgesteld met toelichting, regels en verbeelding dat handhaving op naleving hiervan goed mogelijk is.

Toelichting

43

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

44

Toelichting

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid en resultaten overleg

Economische uitvoerbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. Het betreft een particulier voornemen waarvan de lasten door initiatiefnemer zullen worden gedragen. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale, regionale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten anterieure exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen om een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de overeenkomst. De economische uitvoerbaarheid door initiatiefnemer is voorts voldoende aangetoond.

6.2

Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp bestemmingsplan door middel van een E-formulier bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland aangemeld. De Watertoets is doorlopen via de Watertoets.nl. De resultaten zijn verwerkt in paragraaf 4.2.1. De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft bij brief van 16 november 2020 medegedeeld dat er In de directe omgeving van de planlocatie geen brandkranen zijn gesitueerd die dienst kunnen doen als primaire bluswatervoorziening voor de brandweer. Echter is er wel voldoende open water in de omgeving beschikbaar. De opkomsttijd van de brandweer naar het plangebied wordt overschreden met circa één minuut. Geadviseerd wordt deze geringe overschrijding te accepteren mede gezien de realisatie van bouwkundige en installatietechnische voorzieningen welke (behoren te) voldoen aan het nieuwbouwniveau van het Bouwbesluit. De opmerkingen geven geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig ontwerpbestemmingsplan is de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken heeft daartoe vanaf 23 maart 2022 zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn geen mondelinge en/of schriftelijke zienswijzen ingediend.

Toelichting

45

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

46

Toelichting

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

Bijlage bij toelichting

Bijlage bij toelichting

47

bestemmingsplan Benedenberg 34 en 36, Bergambacht

Bijlage 1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

48

Bijlage bij toelichting

Bezoekadres: Hoofdweg 76 3067 GH Rotterdam Postadres: Hoofdweg 70 3067 GH Rotterdam T +31 (0)88-5152505 E info@cauberghuygen.nl W http://www.cauberghuygen.nl K.V.K. 58792562 IBAN NL71RABO0112075584

Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder; bestemmingsplanwijziging oprichten 1 woning ten oosten Benedenberg 36 in Bergambacht Datum Referentie

29 november 2021 06796-53257-03

Referentie Rapporttitel

06796-53257-03 Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder; bestemmingsplanwijziging oprichten 1 woning ten oosten Benedenberg 36 in Bergambacht

Datum

29 november 2021

Opdrachtgever

Van Baaren Aannemers De Smaragd 21 2872 ZT SCHOONHOVEN De heer A. Renes

Contactpersoon

Behandeld door

De heer ir. K. Scholts Cauberg Huygen B.V. Bezoekadres: Hoofdweg 76 3067 GH Rotterdam Postadres: Hoofdweg 70 3067 GH Rotterdam Telefoon 088-5152505

Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder; bestemmingsplanwijziging oprichten 1 woning ten oosten Benedenberg 36 in Bergambacht

06796-53257-03 29 november 2021 Pagina 2

Inhoudsopgave 1

Inleiding

4

1.1

Aanleiding onderzoek

4

2

Wet geluidhinder

6

2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.1.6 2.1.7 2.2

Wetversie Wet geluidhinder Systematiek grenswaarden en verzoek tot hogere grenswaarden Begrip gevel Wegverkeerslawaai Spoorweglawaai Industrielawaai Cumulatie geluidbronnen Gemeentelijk geluidbeleid

6 6 6 7 7 8 8 8

3

Invoergegevens onderzoek

9

3.1 3.2 3.3

Gehanteerde stukken Rekenmethode geluidbelastingen wegverkeerslawaai Nadere toelichting invoergegevens en parameters rekenmodel wegverkeer-

9 9 10

4

Berekeningsresultaten en beoordeling

11

4.1 4.2 4.3

Algemeen Rekenresultaten wegen Advies aanvraag hogere waarden

11 11 11

5

Samenvatting en conclusie

12

Bijlagen Bijlage I Bijlage II Bijlage III

Situatietekening Overzicht model Berekeningsresultaten

Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder; bestemmingsplanwijziging oprichten 1 woning ten oosten Benedenberg 36 in Bergambacht

06796-53257-03 29 november 2021 Pagina 3

1

Inleiding

In opdracht van Van Baaren Aannemers is door Cauberg Huygen B.V. in verband met een bestemmingsplanwijziging voor het oprichten van één woning ten oosten van Benedenberg 36 in Bergambacht een akoestisch onderzoek verricht. In figuur 1.1 wordt de locatie van het plan weergegeven. Voorliggende rapportage een update van een door Cauberg Huygen uitgevoerd voorgaand onderzoek voor deze locatie met als kenmerk: 06796-53257-02 d.d. 7 augustus 2020.

Figuur 1.1:

1.1

Situering planlocatie Benedenberg

Aanleiding onderzoek

Er wordt één geluidgevoelige bestemming in de zin van de Wet geluidhinder gerealiseerd. Op de locatie is reeds een woning en overige gebouwen aanwezig. Alle bebouwing wordt gesloopt en er worden twee nieuwe woningen gerealiseerd. Volgens het bestemmingsplan mag slechts één woning gerealiseerd worden op de locatie. Om een extra geluidgevoelige bestemming (woning) mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging nodig. Voor deze bestemmingsplanwijziging is een akoestisch onderzoek nodig. Onderzocht is of de geluidbelastingen voldoen aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder, het gemeentelijk beleid en indien nodig worden de aan te vragen hogere grenswaarden benoemd.

Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder; bestemmingsplanwijziging oprichten 1 woning ten oosten Benedenberg 36 in Bergambacht

06796-53257-03 29 november 2021 Pagina 4

Op de locatie van de bestaande woning wordt een nieuwe woning opgetrokken welke verder van de weg ligt. Ten oosten van deze locatie wordt een nieuwe woning gerealiseerd.

Vervanging bestaande woning

Nieuwe woning

Figuur 1.2:

Nieuwe plansituatie

De planlocatie bevindt zich volgens de Wet geluidhinder alleen binnen de zone van de weg: Benederberg. De weg betreft een 60 km/uur weg en heeft daarom een geluidzone. In figuur 1.1 is de weg aangegeven.

Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder; bestemmingsplanwijziging oprichten 1 woning ten oosten Benedenberg 36 in Bergambacht

06796-53257-03 29 november 2021 Pagina 5

2

Wet geluidhinder

2.1.1

Wetversie Wet geluidhinder

Ten behoeve van dit geluidonderzoek is gebruik gemaakt van de Wet geluidhinder, zoals deze geldt per 1 mei 2017 (Stb. 2017,131). 2.1.2

Systematiek grenswaarden en verzoek tot hogere grenswaarden

In de Wet geluidhinder en in het Besluit geluidhinder worden voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai twee typen grenswaarden benoemd: de zogenaamde voorkeursgrenswaarde en de maximaal te verlenen ontheffingswaarde. Per geluidbron (bijvoorbeeld per weg, per spoorweg, per industrieterrein) wordt aan de grenswaarden getoetst. Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde kan een zogenaamde hogere grenswaarde worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, mits de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden. Het vaststellen van een hogere waarde door het bevoegd gezag is mogelijk indien maatregelen om de geluidbelasting te reduceren aan de geluidbron of tussen bron en ontvanger (gebouw), zoals schermen of verkeersreducerende maatregelen, niet doelmatig zijn of bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard ondervinden. Indien ook de maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt overschreden is in principe geen geluidgevoelige functie mogelijk tenzij deze wordt voorzien van dove gevels of van gebouwgebonden geluidschermen. 2.1.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=12077dda-15ca-4652-87e6-c9e60866c37d