CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 1 Plantoelichting Bestemmingsplan Provincialeweg Oost 72b Haastrecht

Raadsvergadering 28 november 2023, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bestemmingsplan Provincialeweg Oost 72b, Haastrecht15.486 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Provincialeweg Oost 72b, Haastrecht Gemeente Krimpenerwaard toelichting

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1931.BP2205BG028-VG01

Datum:

2023-08-21

Contactpersoon Buro SRO:

Dhr. R. van der Made | Dhr. T.B. Wilde

Kenmerk Buro SRO:

SR220127

In samenwerking met/ een initiatief van:

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 13 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 20

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 23 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 23 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 24 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 25 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 26 4.5 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 27 4.6 Geur .................................................................................................................................................................. 28 4.7 Cultureel erfgoed ..............................................................................................................................................

29 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 30 4.9 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 31 4.10 Water .............................................................................................................................................................. 34 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 37

5 Juridische Planbeschrijving................................................................................................................... 39 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 39 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 39 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 39 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 40

6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 41 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 41 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 41

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens het perceel aan de Provincialeweg Oost 72b te Haastrecht, gelegen aan de Hollandsche IJssel, te herstructureren. De agrarische bedrijfsvoering wordt beëindigd en er wordt ca. 1.113 m² aan voormalige agrarische opstallen gesaneerd. Hiervoor in de plaats wordt één nieuwe vrijstaande woning gebouwd binnen het bestaande bouwvlak. De voormalige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Voor het beoogde initiatief is een principeverzoek ingediend. Op 15 april 2020 heeft de gemeente Krimpenerwaard laten weten in principe akkoord te gaan en onder voorwaarden bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het voorgestelde plan. Het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' staat het voorgenomen plan niet toe. Wel is er in het geldende bestemmingsplan onder artikel 3.7.5 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee bij sanering of sloop van 1.000 m² aan bedrijfsbebouwing er één woning mag worden gebouwd. Met het voorliggende plan wordt echter niet voldaan aan de wijzigingsbevoegdheid, omdat er binnen het toekomstige woonperceel meer dan 100 m² aan bijgebouwen aanwezig zal zijn.

Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is daarom een partiële herziening van het bestemmingsplan nodig, waarmee de bestemming 'Wonen' aan de locatie wordt toegekend om zo het gebruik als woonperceel mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Provincialeweg Oost 72b te Haastrecht (gemeente Krimpenerwaard). De Provincialeweg Oost is onderdeel van de verbindingsweg tussen Gouda en Oudewater en bevindt zich ten oosten van de kern Haastrecht. Haastrecht is een kern in het noordoostelijk deel van de gemeente Krimpenerwaard. Het plangebied is kadastraal bekend onder de kadastrale gemeente Haastrecht, sectie F, percelen 575 en 576 en beslaat een oppervlakte van ca. 9.275 m².

5

De navolgende afbeeldingen tonen globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Earth)

Begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: PDOK)

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)’, vastgesteld op 15 december 2015 door de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard. De gronden zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden' en op een deel van het plangebied is een bouwvlak gevestigd. Op het bouwvlak is ook de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' van toepassing. Tevens is een deel van de gronden voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.

6

De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)’ (plangebied rood omkaderd)

Met voorliggend plan wordt beoogd een deel van de bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats één nieuwe woning te bouwen en de voormalige bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Het realiseren van een burgerwoning is binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ niet toegestaan. Middels de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3.7.5 is het onder voorwaarden mogelijk extra woningen te realiseren en de bestemming te wijzigen naar de bestemming ‘Wonen’. De beoogde ruimte-voorruimtewoning kan echter niet volgens deze wijzigingsbevoegdheid worden gerealiseerd, aangezien niet voldaan kan worden aan alle voorwaarden. De totale oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt in de toekomstige situatie immers meer dan 100 m², wat conform de bestemming ‘Wonen’ maximaal toegestaan is. Derhalve is een partiële herziening van het bestemmingsplan nodig om het planvoornemen juridischplanologisch mogelijk te maken. Voorliggend plan voorziet hierin. Naast het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' geldt voor de planlocatie het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard'. Dit plan is door de raad vastgesteld op 29 januari 2019. Het zorgt voor een uniforme parkeerbepaling voor het gehele grondgebied van de gemeente Krimpenerwaard.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van (voor)overleg en inspraak zijn opgenomen.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie De locatie Provincialeweg Oost 72b betreft een agrarisch bedrijfsperceel. Er zijn verschillende voormalige agrarische bouwwerken in het gebied gesitueerd. Het agrarische gebruik is deels beëindigd, een gedeelte van de schuren wordt nog gebruikt voor het houden van schapen en de overige bebouwing wordt gebruikt als opslag. De overige erfbebouwing met daarbij een stukje weiland zijn achtergebleven. Het plangebied ligt ingeklemd tussen de Provincialeweg Oost en de Hollandse IJssel wat het een unieke locatie maakt. Aan de Provincialeweg Oost bevinden zich meerdere (voormalige) agrarische bedrijven en burgerwoningen. Het perceel is omzoomd door open water en aan de achterzijde gaat het perceel over in het open veenweidegebied. De navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie van het plangebied.

8

Impressie huidige situatie plangebied (bron: Verstoep)

Schematische weergave van de bestaande bebouwing (bron: Verstoep)

Een groot deel van de gebouwen op het perceel verkeert in een matige bouwtechnische staat en zijn toe aan vernieuwing/verbetering. Het voornemen bestaat daarom onder andere uit het slopen en renoveren van deze gebouwen.

9

2.2 Toekomstige situatie Het voornemen bestaat op hoofdlijnen uit het slopen van 1.113 m² aan gebouwen en de realisatie een nieuwe woning. Zo wordt er voldaan aan het aantal vierkante meters dat gesaneerd moet worden ten aanzien van de ruimte-voor-ruimteregeling zoals die over het algemeen in de gemeente Krimpenerwaard wordt gehanteerd. Navolgende afbeelding laat zien welke bebouwing en hoeveel vierkante meters er gesloopt worden.

Te amoveren bebouwing (wit/rood gearceerd) (bron: Verstoep)

Het doel is om een nieuwe kwalitatieve en duurzame invulling aan het perceel te geven. In de toekomstige situatie blijft de bestaande (bedrijfs)woning behouden. Een deel van de bestaande bijgebouwen blijft behouden en wordt gerenoveerd. In de eindsituatie zijn daarmee bij de bestaande woning twee schuren aanwezig. Daarnaast wordt op het noordelijk deel van het perceel een nieuwe woning met bijbehorend bijgebouw gerealiseerd. Deze woning dient als compensatie voor de gesloopte agrarische bedrijven. De bestaande inrit naar het perceel wordt verlegd zodat er sprake is van een centrale toegang tot het perceel voor beide woningen. De verplaatsing van de inrit draagt ook bij aan de verkeersveiligheid, omdat het zicht in de huidige situatie op de Provincialeweg Oost niet goed is. De woningen worden met enige afstand van elkaar gesitueerd in het plangebied om er voor te zorgen dat er twee solitaire woningen met een eigen identiteit worden gecreëerd en er geen bebouwingsenclave ontstaat. De woningen hebben daarnaast allebei de beschikking over een bijgebouw. Nu de agrarische bebouwing op het perceel grotendeels wordt gesaneerd komt er ook meer ruimte om het plangebied groen in te richten en landschappelijke kwaliteit toe te voegen. De bestaande hoogstamboomgaard zal worden uitgebreid en versterkt.

Deze manier van het inrichten van het perceel sluit aan bij de omgeving en versterkt de kwaliteit van het gebied.

10

Met het voorliggende plan wordt er bij de bestaande woning een grotere oppervlakte aan bijgebouwen mogelijk gemaakt dan doorgaans gebruikelijk is (zie ook toelichting paragraaf 1.3). Dit extra oppervlak aan bijgebouwen is om diverse redenen aanvaardbaar. Het perceel bij de bestaande woning is relatief groot stuk land en is op enige afstand van andere woningen gelegen. Een weiland en een boomgaard maken onderdeel uit van de gronden die bij de woning behoren. Om de gronden goed te kunnen beheren en onderhouden is ruimte voor de opslag van materalen nodig. Tevens wordt er gebruik gemaakt van vee (hobbymatig) om het weiland te begrazen. Voor het vee (schapen) is in het kader van dierenwelzijn/diergezondheid een deugdelijke schuil-/stalgelegenheid noodzakelijk. Daarnaast is met het oog op een toekomstige bed & breakfast ruimte gereserveerd in een bijgebouw. Het is niet wenselijk om het vee en een bed & breakfast onder één dak te huisvesten. Een extra bijgebouw kan hierin voorzien. Tot slot dient opgemerkt te worden dat er meer dan 1.000 m² aan gebouwen gesloopt wordt en dat de wijzigingsbevoegdheid (zie toelichting paragraaf 1.3) het mogelijk maakt om in dit geval een woning met een grotere inhoud dan 700 m³ te realiseren. In het onderhavige geval wordt geen grotere woning maar een grotere oppervlakte aan bijgebouwen mogelijk gemaakt.

Navolgende afbeelding toont de toekomstige situatie met de bebouwing en inrichting van het plangebied.

11

Schematische weergave toekomstige situatie (bron: Verstoep)

12

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Voorliggend plan is kleinschalig van aard, waardoor het geen landelijke gevolgen heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambitie die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot ruimte voor klimaatadaptatie en een goede fysieke leefomgeving, door het groene karakter van het perceel te versterken en de woning duurzaam te bouwen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd.

Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

13

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In het onderhavige geval wordt er per saldo één woningen toegevoegd. Daarmee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Desalniettemin dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening aangetoond te worden dat er sprake is van een behoefte. Uit toelichting paragraaf 3.3.2 blijkt dat er gemeentelijk een behoeft aan woningen bestaat. Voorliggende plan komt door het toevoegen van een woning aan deze behoefte tegemoet. Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 februari 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

• • •

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem;

14

•

energie.

In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.

Ambities en sturing

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level

3.

Omgevingskwaliteit

Naar een levendig meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

• •

Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken. Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit.

•

Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

15

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Navolgend worden de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader omschreven. Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als 'bijzonder reliëf - oude stroomgordels en geulafzetting' en 'rivierdeltacomplex - rivierklei/veen'. Bij ontwikkelingen in het rivierengebied dient het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar gehouden te worden. De onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap worden bij ontwikkelingen herkenbaar en in stand gehouden. Binnen het plangebied is er geen verschil tussen komgronden en oeverwallen en zijn geen onregelmatige patronen en reliëf herkenbaar. Daarnaast heeft het opruimen van een groot deel van bebouwing een positief effect op het landschap. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen aan een dijklint, waarbij de bebouwing op of tegen een dijk staat, er is weinig ruimte voor nieuwe bebouwing. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn een aantal richtpunten voor de linten:

• •

Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst.

•

Bij nieuw ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor de historische gaafheid van een lint richtinggevend. Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

•

Door de ligging aan het lint van de Provincialeweg Oost zijn tevens de richtpunten van 'linten' van belang. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwingsconcentraties langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Bij een dijklint staan woningen op of tegen de dijk, dit is bij het voorliggende plan ook het geval. De ontwikkeling van het plangebied sluit aan bij de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor de historische gaafheid. De nieuwe woning wordt op afstand van de bestaande woning gebouwd zodat er twee opzichzelfstaande woningen met eigen identiteit ontstaan. Hiermee wordt het karakter van het lint zoveel mogelijk geborgd en verbetert de ruimtelijke kwaliteit, mede door het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing. Het plangebied bevindt zich in een veen(weide)landschap. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. De relevante richtpunten voor het veen(weide)landschap zijn:

•

Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.

• • •

Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders.

In het voorgenomen plan wordt het huidige verkavelingspatroon in stand gehouden, er zijn geen wijzigingen voorzien die het verkavelingspatroon aanpast. Het plangebied kent in de huidige situatie een relatief gesloten karakter door het verrommelde bebouwingsbeeld. In het voorgenomen plan wordt het plangebied heringericht en krijgt het een deel van de openheid terug.

16

Laag van de beleving Het plangebied is gelegen aan een fiets- en wandelroute. Het netwerk van fiets- en wandelpaden (indicatief op kaart weergeven) en vaarwegen verbindt een verscheidenheid van stedelijke en landelijke gebieden, natuur- en recreatiegebieden en andere toeristische trekpleisters. Dit netwerk is bedoeld als ontsluiting, maar ook als middel om stad en landschap van Zuid-Holland te ervaren. Richtpunten voor de fiets- en wandelroutes zijn:

• •

Voorkomen van (nieuwe) obstakels en omwegen in het recreatief netwerk. Recreatieve voorzieningen worden zoveel mogelijk gekoppeld aan recreatieknooppunten in het recreatieve netwerk. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van het cultuurhistorisch erfgoed of andere recreatief interessante locaties.

De beoogde ontwikkeling voorziet in de verplaatsing van de inrit die toegang geeft tot het plangebied. De verplaatsing van de inrit betekent dat hij op een nieuwe positie het fietspad kruist. In de huidige situatie is het zicht vanaf het plangebied op de weg en het fietspad niet optimaal, in de nieuwe situatie wordt dit verbeterd. Een bestaand obstakel, het kruisen van het fietspad door een inrit, wordt in positieve zin aangepast met de nieuwe positie van de inrichting in het voorliggende plan. Het plangebied is daarnaast gelegen aan een historische vaarweg. De historische vaarwegen hebben de uitstraling van regionale landschappelijke dragers door eenheid en samenhang in de inrichting van de oevers en begeleidende beplanting en door de vormgeving van kruisende infrastructuur. Er is aandacht nodig voor zicht op en vanaf het water. Als ontwikkelingen plaatsvinden aan kanalen en vaarten buiten het stedelijk gebied, dan dragen deze bij aan versterking van hun rustige en voorname karakter, behoud en versterking van erfgoed als identiteitsdragers en herstel van continuïteit (ook aanliggend landschap) waar nodig. De oevers van rivieren, vaarten, kanalen en plassen zijn waar mogelijk openbaar toegankelijk. Richtpunten voor historische vaarwegen zijn:

• •

Om oevers en water openbaar toegankelijk en beleefbaar te houden is er geen ruimte voor verdere verdichting en privatisering van de oevers, direct grenzend aan het water. Ontwikkelingen aan kanalen en vaarten buiten het stedelijk gebied dragen bij aan de versterking van het karakter van de kanalen en vaarten.

Het voorliggende plan voorziet in de herinrichting van het plangebied waarbij diverse voormalige agrarische opstallen worden gesaneerd. Op deze manier ontstaat een opener landschap waarbij ook het zicht op het water deels wordt hersteld. Er wordt dus een bijdrage geleverd aan het beleefbaar houden van de historische vaarweg. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voornoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Krimpenerwaard'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart: Herkenbaar waterrijk veen(weide) De veenweidepolders lopen door tot aan de rivierdijken. Hier is het hoogteverschil geleidelijk en is we geen duidelijke oeverwal te onderscheiden. Het contrast van de verdichte dijklinten op de oeverwal en het open veenweidegebied dient beleefbaar te zijn. Doorzichten over opstrekkende verkaveling vanaf de wegen op de dijk moet zoveel mogelijk behouden blijven. Met de beoogde ontwikkeling blijft het contrast tussen het dijklint en het open veenweidegebied behouden en de doorzichten worden versterkt.

17

Weg door stad en land Tussen de provinciegrens en Stolwijkersluis ligt de N228 op de dijk van de IJssel. De Hollandsche IJssel is achter de sluis bij Gouda een smal boezemwater, waardoor de rivier vanaf de weg nauwelijks te zien is. Soms is de dijk van de overkant of een enkele boot zichtbaar. Langs de weg ligt aan weerskanten losse bebouwing. De ambities voor de N-weg zijn.

• •

Behoud van het profiel en continuïteit van de dijk, zorgvuldige inpassing van de weg; Zicht op het water, de dijk aan de overzijde en gebruik gerelateerd aan het water behouden en waar mogelijk verbeteren.

Onderhavig initiatief heeft beperkt invloed op de weg door de verplaatsing van de inrit. Deze verplaatsing is echter niet van dien aard dat het profiel en continuïteit van de dijk wordt aangetast. Het zicht op het water wordt beter door de herinrichting van het plangebied. Linten blijven linten Het plangebied ligt aan een dijklint. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de ruimtelijke structuur van de verkaveling langs de dijk. De zone langs de rivieren was het vroegst bebouwde gebied, van daaruit is het achterliggende land ontgonnen. De ontginningsrichting is haaks op de rivier. De bebouwing ligt als een aaneengesloten band langs de dijk. Binnendijks staat de meeste bebouwing beneden aan de dijkvoet en incidenteel op dijkniveau. Ook staat regelmatig aan de kant van de rivier bebouwing op dijkniveau. Het rivierdijklint kenmerkt zich door een mix van agrarische bebouwing, burgerwoningen en bedrijven. Enkele ambities waarbij wordt aangesloten met voorliggend plan zijn dat er wordt aangesloten bij de ruimtelijke structuur van de verkaveling, dwars op de dijk en met het gezicht naar de dijk. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 februari 2023 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en

18

de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen voldoet. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties.

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling kleiner dan 3 hectare is. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.

Onderhavig plan houdt rekening met de risico's van klimaatverandering. Het plangebied wordt heringericht, en er is een afname van verhard oppervlak. Ook wordt er verder van de dijk af gebouwd, wat ruimte biedt voor dijkverzwaring en/of versterking. Het plangebied wordt daardoor klimaatbestendiger ingericht. Voorts wordt ook hemelwater afgekoppeld van het vuilwaterriool en geïnfiltreerd in de bodem. Natuurnetwerk Nederland De gronden ten noordoosten van het plangebied behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. In artikel 6.24 is opgenomen dat een bestemmingsplan voor gronden binnen het Natuurnetwerk Nederland geen bestemmingen mag aanwijzen die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Er hoeft geen rekening gehouden te worden met ontwikkelingen buiten het Natuurnetwerk Nederland (geen externe werking). Het beoogde plan geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en wijzigt de bestemming van de gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren niet. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

19

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard, die de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 14 juli 2021 heeft vastgesteld, geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd. Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:

• • •

Waarden van heel de Krimpenerwaard; Waarden per gebied; Waarden van de kernen.

De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'. In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels. Krachtig buitengebied Het buitengebied van de Krimpenerwaard is bijzonder en waardevol, maar staat voor uitdagingen. Hoe behouden we de kwaliteiten van het buitengebied, houden we droge voeten, hoe gaan we om met de ontwikkelingen in de landbouw, de vraag naar duurzame energie en de vraag naar ruimte voor bebouwing? Het antwoord op deze vragen is niet voor het hele buitengebied hetzelfde. Daarom zijn er ook verschillen aangegeven in de gebieden. Deze gebieden zijn weergegeven op de richting- en ruimtekaart. Per gebied is aangegeven waar de gemeente op inzet en welke speerpunten van belang zijn.

Planspecifiek De planlocatie behoort volgens de richting- en ruimtekaart tot het gebied 'recreatieve beleving'. Dit is een waardevol en authentiek gebied, de historie is hier goed te herkennen. Voorbeelden hiervan zijn de Oude Hollandse Waterlinie, de kernen Haastrecht en Schoonhoven en de bebouwing langs de Vlist. Deze kwaliteiten wil de gemeente benutten en versterken zodat mensen het nog beter kunnen beleven. De toeristisch recreatieve verbindingen in dit gebied met Gouda, Oudewater en Nieuwpoort wil de gemeente versterken. Er liggen hier kansen om fijn te wonen. Dit biedt mogelijkheden voor ontwikkelingen, mits rekening wordt gehouden met infrastructuur, leefbaarheid en landschappelijke kwaliteiten. Het transformeren van voormalige agrarische bebouwing naar andere functies, waaronder wonen, is een kans om het lint te versterken en een bijzonder woonmilieu te creëren. Met de sloop van voormalige agrarische bebouwing en landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Er kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan in lijn is met de omgevingsvisie.

20

3.3.2 Woonvisie Krimpenerwaard Tijdens de raadsvergadering van 9 mei 2017 heeft de gemeente de Woonvisie Krimpenerwaard; Kerngericht vastgesteld. Sinds 1 januari 2015 vormen de voormalige gemeenten Bergambacht, Ouderkerk, Nederlek, Schoonhoven en Vlist samen de gemeente Krimpenerwaard. Binnen de nieuwe gemeente is nu behoefte aan een gezamenlijke woonvisie. In de woonvisie wordt vooruit gekeken tot 2030. Het uitvoeringsprogramma gaat specifieker in op de periode 2017-2020. Om aan te sluiten op de trends en ontwikkelingen op het gebied van 'wonen', zijn vijf strategische thema's uitgewerkt: 1. 2. 3. 4. 5.

Positionering in de regio; onderscheidend zijn. Betaalbaar & beschikbaar; betaalbare woningen, doorstroom bevorderen, aansluiten op woningbehoefte, aandacht voor bijzondere doelgroepen. Duurzame gebouwde omgeving; energiezuinig en kwalitatief goed bouwen, aandacht voor bestaande bebouwing. Wonen-welzijn-zorg, draagvlak voor huisvesting van bijzondere doelgroepen in buurten. Bouwen aan vitale kernen; transformatie, inbreiding, kwaliteitsverbetering, woningbouw binnen de kernen.

Groeiperspectief In elke kern is sprake van huishoudensgroei. Om dit te faciliteren stelt de gemeente de ambitie om minimaal 3.000 nieuwe woningen te realiseren in de periode 2015-2030. Er is voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Er is met name bij jongeren behoefte aan woningen (rij- en hoekwoningen) in het goedkope segment. Voor ouderen bestaat er een behoefte aan nultredenwoningen. Om voldoende en passende woningen in de juiste woonomgeving beschikbaar te hebben en aan te sluiten op de ambities van de Krimpenerwaard is de huidige plancapaciteit van circa 1.400 woningen voor de periode tot 2025 niet voldoende. De doelstelling van 3.000 nieuwe woningen in de periode 2015-2030 betekent dat er nog een woningbouwopgave van 1.600 extra woningen tot 2030 is. Planspecifiek Het voorgenomen plan betreft het slopen van voormalige agrarische bebouwing en het mogelijk maken van een nieuwe woning. De nieuwe woning past in de duurzaamheidseisen die heden ten dage aan een woning gesteld worden. De toevoeging van een nieuwe woning betekent daarnaast dat er een extra woning beschikbaar komt in de Krimpenerwaard, wat in lijn is met de woningbehoefte. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.

3.3.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017 (vastgesteld op 13 december 2016) vormt de welstandsnota van de gemeente Krimpenerwaard. Het doel bij deze nota is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen. Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'. Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven. Per gebied zijn in de nota een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Naast de gebieden zijn op de gebiedenkaart gebieden met een ontwikkelingskader aangegeven. Dit zijn de gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt.

21

Planspecifiek Op de niveaukaart is aangegeven dat voor het plangebied een bijzonder welstandsniveau geldt. Op de gebiedenkaart is het plangebied aangeduid als het landschapsgebied 'Hollandsche IJssel'. De linten langs de Hollandsche IJssel hebben een diepe opstrekkende verkaveling. Kenmerkend zijn de doorzichten op het achterland. Hoofdgebouwen zijn met de voorzijde gericht op dijk of staan bij uitzondering haaks hierop. De bebouwing staat op enige afstand van de dijk op het lagergelegen land en soms aan de dijk op kruinhoogte. Enkele panden staan buitendijks. Rooilijnen volgen dijk of verkaveling en verspringen onderling. De beoogde situering van de nieuwe woningen is met voornoemde richtlijnen in lijn. Een deel van de voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en daarvoor in de plaats wordt een nieuwe woning met bijgebouw gebouwd. Het slopen van de verouderde opstallen zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het perceel. De voormalige bedrijfswoning blijft behouden. De toe te voegen nieuwe woning wordt in dezelfde bebouwingslijn als de bestaande woning gebouwd. De nieuwe woning wordt beschouwd als een solitaire ontwikkeling ten opzichte van de bestaande woning. Het ontwerp van de nieuwe woning zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen getoetst worden aan de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017.

Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in lijn is met de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2017 vormt het welstandskader bij de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen. Te zijner tijd zal de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit het ontwerp van de woningen hieraan toetsen.

22

4 Milieu- en omgevingsaspecten In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden in hoeverre het plan milieutechnisch haalbaar is. Dit houdt in dat verschillende ruimtelijke en milieutechnische aspecten, zoals ecologie, archeologie, bodem, waterhuishouding, geluid, externe veiligheid, etc. onderzocht moeten worden. In dit hoofdstuk worden deze aspecten nader gemotiveerd.

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.(-beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;

•

de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (o.a. ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene

23

wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken: 1. 2.

Er wordt slechts één nieuwe woning toegevoegd, waarbij de oppervlakte aan bebouwing door sloop van voormalige agrarische bebouwing per saldo afneemt. De nieuwe woning ter vervanging van de voormalige agrarische bebouwing en voldoet aan de BENG-eisen, waardoor het milieueffect beperkt is.

Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden, leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals beschreven in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. Desalniettemin zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in dit hoofdstuk in beeld gebracht. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Planspecifiek Bij een bestemmingswijziging naar een gevoeliger bodemgebruik, dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het toekomstige gebruik. Hiertoe is een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd voor perceel 576 (B&L Grondmanagement, d.d. 20 juni 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uit het veldwerk blijkt dat ter plaatse van S02 een stukje asbest op het maaiveld is waargenomen. Dit is het stukje asbest dat ontbreekt in het bovenliggende dak. De in het kader van het asbestonderzoek opgegraven grond is conform NEN 5707 geïnspecteerd.

Bij geen van de inspectiegaten is in de vrijkomende grond asbestverdacht materiaal aangetroffen. De bodem bestaat globaal uit zandige klei tot 1,5 m-mv. Daaronder bevindt zich zand. De grondwaterstand bevindt zich op een diepte van 2,4 m-mv. Uit de resultaten blijkt dat de grond licht verontreinigd is met diverse zware metalen, olie, PCB en PAK. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit wordt de grond als Industrie (bovengrond) en AW (ondergrond) gekwalificeerd. Op het maaiveld is een klein stukje asbestverdacht materiaal waargenomen. Uit analyse blijkt dat dit asbest bevat (serpentijn en amfibool). In de grond onder het afschot van het asbestdak is zowel in de grove als in de fijne fractie geen asbest aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium.

24

Ten aanzien van het kadastrale perceel 575 is er geen bodemonderzoek uitgevoerd. Dit gedeelte van het plangebied is het perceel waarop de bestaande woning en en bijgebouwen staan. In de huidige situatie worden deze gronden al gebruikt voor wonen en tuin. De woning en bijgebouwen blijven staan, waardoor er sprake is van voortzetting van het huidige gebruik en een ongewijzigde situatie. Er kan daarom aangenomen worden dat de bodemkwaliteit volstaat voor zowel het bestaande als toekomstige gebruik. De voornoemde resultaten geven geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. Er dient geconcludeerd te worden dat de bodem vanuit milieuhygiënische oogpunt geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen en tuin).

4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat in planologische zin uit het wegbestemmen van de agrarische functie, het toekennen van een woonbestemming en het mogelijk maken van een extra woning. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 16 μg/m³, 8,7 μg/m³ en 14,7 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5.

25

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen;

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.

geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een nieuwe woning. Een woning wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een geluidgevoelig object. Er dient dan ook te worden beschouwd of er geluidhinder ontstaat door geluidbronnen, zoals omschreven in de Wgh. Wegverkeer Vanwege de ligging binnen de onderzoekszone van de Provincialeweg Oost is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd (Sain milieuadvies, d.d. 19 mei 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de westgevel en op de zijgevels ter hoogte van de begane grond aan de voorkeursgrenswaarde voldoet. Op de oostgevel en op de zijgevels ter hoogte van de verdieping wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. Wel wordt voldaan aan de maximale grenswaarde van 53 dB. Als de geluidsbelasting niet gereduceerd wordt tot de voorkeursgrenswaarde, dan zijn hogere waarden nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=d4845dee-c063-4eae-b90a-ed83091a0881