CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 1. Ontwerp Bestemmingsplan Hospice Bergambacht (toelichting en regels)

Raadsvergadering 15 oktober 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15 Bergambacht, realisatie Hospice20.876 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Toelichting

25

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

3. Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Kleine plannen Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK. Middelgrote plannen Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Dit levert voor de ontwikkelaar van het plan een compensatie-eis op, uitgedrukt in m² wateroppervlak. Dit is een percentage van de verhardingstoename. De compensatie-eis verschilt per gebied.

5.3

Waterparagraaf

Veiligheid en waterkeringen Planologisch moeten de waterkeringen worden beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen door de waterkeringen met een aparte dubbelbestemming te borgen. Het plan ligt niet in een kern- of beschermingszone van een regionale waterkering. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Oppervlaktewater Het plangebied wordt aan de oost- en westzijde begrensd door overig oppervlaktewater met een beschermingszone van 1 meter vanaf de insteek van het talud (figuur 5). Bouwen of slopen binnen deze beschermingszone kan vergunning- of meldingsplichtig zijn volgens de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard. In deze beschermingszone vinden geen bouwactiviteiten plaats. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

26

Toelichting

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

Figuur 5: Uitsnede Legger Oppervlaktewateren. Ruimtelijke ontwikkelingen Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van een watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Voor elke toename aan verharding van meer dan 500 m² is een Watervergunning nodig. Toekomstige situatie In het plangebied wordt een Hospice met een ontsluitingsweg gerealiseerd. Per saldo neemt het verhard oppervlak met afgerond 380 m² toe. De parkeerplaatsen worden aangelegd met halfverharding (grasstenen). Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is geen watercompensatie nodig. Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor de te bouwen Hospice wordt gebruik gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan.

Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater;

Toelichting

27

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater van de Hospice wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. 5.3.1 Conclusie De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. De ontwikkeling die door het plan mogelijk wordt gemaakt heeft geen invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling.

28

Toelichting

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

Hoofdstuk 6

Omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij deze ruimtelijke ontwikkeling. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 100 ha of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van de toelichting van dit bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Plan/ besluit Dit plan voorziet in het oprichten van een Hospice. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken. Kenmerken van het project Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. (De bebouwing is circa 380 m².) Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van milieugevoelige en -belastende activiteiten (in paragraaf 6.1.2 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde bestemmingswijziging.

Plaats van het project Het plangebied is niet van historisch, cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 6.2. Het plangebied ligt voorts buiten de invloedssfeer van verderop gelegen Natura 2000-gebieden voor wat betreft stikstofdepositie. In paragraaf 6.3 wordt hierop nader ingegaan. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied.

Toelichting

29

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.

Van een 'rustig buitengebied' is sprake wanneer er in de nabijheid vrijwel geen andere functies voorkomen. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied ligt aan een erftoegangsweg in de bebouwde kom van Bergambacht met voornamelijk woningen. De locatie kan worden aangemerkt als een rustig woongebied. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld. Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype. Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustig woongebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke activiteiten relevant kunnen zijn voor het geplande Hospice. Voor het bepalen van de milieuzones is uitgegaan van de afstandnormen op basis van de VNG-richtlijn. Uit inventarisatie is gebleken dat er binnen een straal van 100 meter vanaf de planlocatie geen bedrijven aanwezig zijn. Wel ligt er nabij het plangebied een speelveld.

De afstand ten opzichte van het gebouw is circa 30 meter. De gastenverblijven zijn georiënteerd op het westen, terwijl het speelveld ten zuidoosten hiervan ligt. Het stilteterras zal worden afgeschermd met een groen geluidscherm. Het Hospice zelf kan worden aangemerkt als een inrichting in milieucategorie 1. De dichtstbijzijnde woningen liggen op ruim een grotere afstand dan 10 meter. Gelet hierop is het mogelijk dat het nieuw te bouwen Hospice zonder milieuhygiënische knelpunten kan worden gerealiseerd. In deze situatie blijft er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie De planontwikkeling geeft vanuit milieuzonering geen beperkingen voor bestaande milieubelastende en -gevoelige activiteiten. Een goed woon- en leefklimaat kan (voor de omgeving) worden gegarandeerd.

30

Toelichting

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

6.1.3

Geluid

6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van wonen. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Onderzoek/ beoordeling De relevante weg in de directe omgeving van het plangebied is de Tussenlanen met een maximum snelheid van 60 km/ uur. Deze weg heeft een zonebreedte van 250 meter. De overige wegen binnen een zone van 200 m zijn zogenaamde 30 km/uur gebieden. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en een nieuwe zorgvoorziening.

De voorkeursgrenswaarde voor de Hospice bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB) Lden. Indien de berekende belasting de genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder. In verband hiermede is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Cauberg Huygen B.V. te Rotterdam (rapport van 11 augustus 2023, referentie 10206-58343-02, Bijlage 2). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat ten gevolge van wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden voor de Hospice ten gevolge van de Tussenlanen niet wordt overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer is ten hoogste 41 dB (na aftrek) ten gevolge van de Tussenlanen. De geluidbelasting ten gevolge van de 30 km/u weg aan de Houtstraat in ten hoogste 41 dB (na 5 dB aftrek). Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. 6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader Op 1 juli 2012 is regeling voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd.

De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Onderzoek/ beoordeling In de nabijheid van het plangebied ligt geen spoorlijn. Er is geen beperking voor het plangebied. Conclusie Het plangebied ligt buiten gezoneerde spoorwegen. Spoorweglawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Toelichting

31

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform artikel 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (artikel 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde in het bestemmingsplan voor realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone voor industrielawaai. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een industrieterrein. Voor de Hospice is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het plangebied ligt niet in de zone van een gezoneerd industrieterrein. Milieuzonering is toegelicht in paragraaf 6.1.2. Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan.

Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Onderzoek/ beoordeling De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' (oktober 2013). Dankzij het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland is al veel bekend van de bodemkwaliteit. Door gebruik te maken van deze kennis kan in veel gevallen worden volstaan met een verminderde onderzoeksinspanning, wat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven oplevert. In de beleidsnota worden vele raakvlakken concreet uitgewerkt en het beleid vormt hierdoor een goed handvat bij de beoordeling van bodemonderzoeken voor omgevingsvergunningen. De nieuwe bodemkwaliteitskaart heeft de gemeenteraad eerder vastgesteld. Op deze kaart is het gebied als wonen aangeduid.

Bij een omgevingsvergunning dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Mede ten behoeve van dit bestemmingsplan is een bodemonderzoek overeenkomstig NEN 5725 uitgevoerd door Waders Milieu B.V. te Waddinxveen (rapport van 31 juli 2023, kenmerk 23413501H, Bijlage 3). Op basis van de resultaten hiervan kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Op de locatie is mogelijk een gedempte sloot aanwezig (een verlaging/greppel op het achterterrein). Bij de omgevingsdienst Midden-Holland staat echter geen slootdemping geregistreerd. Verder is tijdens de locatie-inspectie een (lichte) verhoging van het maaiveld aangetroffen richting een opstal, die buiten de locatiegrenzen staat. Op het noordelijke deel van de locatie heeft in het verleden de openbare weg gelegen. Zintuiglijk zijn geen afwijkingen op het maaiveld waargenomen. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde historische (bodem)onderzoek wordt geconcludeerd dat de onderzoekslocatie als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is. Ter plaatse van de onderzoekslocatie wordt, met uitzondering van de bekende verhoogde achtergrondgehalten, geen bodemverontreiniging verwacht. Daarom wordt, conform het gemeentelijk beleid, de uitvoering van een bodemonderzoek in verband met de verlening van een omgevingsvergunning

32

Toelichting

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

niet noodzakelijk geacht. Conclusie Op basis van het vooronderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit in voldoende mate bepaald. Het plangebied is geschikt voor het voorgenomen gebruik. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland. 6.1.4.1 Ontplofbare oorlogsresten Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de munitie uit de Tweede Wereldoorlog niet tot de gewenste uitwerking kwam en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een oriënterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Op basis hiervan kan vervolgens weer meer onderzoek nodig zijn. Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten kan niet met zekerheid stellen dat die er niet zijn.

Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. In tabel 6.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden. Tabel 6.2: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit jaargemiddelde uurgemiddelde stof 3 NO2 40 µg/m 200 µg/m3

PM2,5 PM10

25 µg/m3 40 µg/m3

n.v.t. n.v.t.

24-uursgemiddelde Opmerkingen n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t. n.v.t. 50 µg/m3 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden

Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.)

Toelichting

33

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Onderzoek/ beoordeling Met het plan wordt beoogd een Hospice te realiseren. Het aantal verkeersbewegingen zal in de nieuwe situatie in geringe mate toenemen met circa 10 verkeersbewegingen per dag. Met zekerheid kan worden gesteld dat de 3% grenswaarde voor verontreinigende stoffen niet wordt overschreden als gevolg van deze planwijziging. Er zijn daarom geen berekeningen nodig ten behoeve van het bestemmingsplan. Om toch een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2021 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Tussenlanen.

Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 14,9 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 16,3 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 9,2 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. In de omgeving van het plangebied worden grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet overschreden. De realisatie van het plan wordt conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen) toelaatbaar geacht. 6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek / beoordeling Voor Externe Veiligheid is een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen. Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Transport over water Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen

34

Toelichting

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt in de omgeving van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Wegtransport De planlocatie ligt ruim buiten het invloedsgebied (een zone van 200 meter aan beide zijden) van de Provinciale weg N207. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt vanaf 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Bij de beoordeling hiervan dient te worden uitgegaan van de risico-afstanden zoals aangegeven in het Besluit. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding waarvan de PR en/of GR contour reikt tot het plangebied. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de planontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt.

Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de signaleringskaart EV zijn in de omgeving van het plangebied geen risicovolle bedrijven en/of activiteiten vermeld. Mechanische ventilatie Indien er in de omgeving een incident voordoet waarbij giftige (rook) gassen vrijkomen moet worden voorkomen dat deze naar binnen worden gezogen. Daarom moet de Hospice worden voorzien van mechanische ventilatie die met één druk op de knop is uit te schakelen. In verband hiermee is in artikel 3.3.2 een specifieke gebruiksregel opgenomen dat een Hospice pas mag worden gebruikt indien ventilatieopeningen, ventilatiesystemen en luchtbehandelingsinstallaties in de Hospice kan worden afgesloten en uitgeschakeld bij calamiteiten door gebruikers. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.

Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg.

6.2

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);

Toelichting

35

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. 6.2.1 CultuurhistorischeHoofdstructuur Zuid-Holland In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De plankaart (zie figuur 6) laat zien dat er in het plangebied een hoge kans op archeologische sporen is op 3 - 5 meter onder maaiveld en dieper dan 5 m maaiveld in Oude stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld.

Figuur 6: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland (plangebied geel omlijnd). 6.2.2 Gemeentelijke beleidsnota archeologie De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de Archeologienota Krimpenerwaard vastgesteld. Deze nota schept duidelijkheid over de archeologische waarden binnen de gemeente en geeft richtlijnen over de omgang hiermee. Op grond van de archeologische beleidskaart (figuur 7) heeft het gebied ter plaatse van de geplande bebouwing middelhoge tot hoge trefkans. Voor gebieden met een hoge trefkans geld in beginsel een onderzoekseis voor bodemingrepen dieper dan 0,3m –Mv en een plangebied groter dan 100 m². Voor gebieden met een middelhoge trefkans is onderzoek nodig wanneer er sprake is van bodemingrepen dieper dan 1,5 -Mv en een plangebied groter dan 2.500 m². In verband hiermede is een onderzoek naar archeologie uitgevoerd.

36

Toelichting

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

Figuur 7: Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart (plangebied zwart omkaderd). 6.2.3 Archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek in de vorm van een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd door RAAP te Leiden (rapport van 9 augustus 2023, rapport 6618, Bijlage 4). Op basis van de onderzoeksresultaten voor het ontwikkelgebied en de voorgenomen bodemingrepen kan het volgende worden geconcludeerd (overgenomen uit rapport). Bureauonderzoek Op de gemeentelijke archeologische verwachtings-/beleidskaart is aan het uiterste noorden van het plangebied, ten zuiden van de ontginningsas Tussenlanen, een hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen-nieuwe tijd toegeschreven, op basis van het mogelijke voorkomen van een terp. Concrete informatie voor de aanwezigheid van woonheuvels is er echter niet voorhanden voor het huidige plangebied, maar wel voor naastgelegen percelen. Op basis van het bureauonderzoek bestond voor de periode midden bronstijd-vroege middeleeuwen een lage verwachting. Vanaf circa 3,5 meter -mv werden afzettingen van de Schoonhoven stroomgordel verwacht met een middelhoge-hoge verwachting voor de periode midden/laat neolithicum-vroege bronstijd, in het geval van de aanwezigheid van goed-gerijpte oeverafzettingen.

Verkennend archeologisch booronderzoek Uit het uitgevoerde booronderzoek blijkt dat in het noordelijk deel van het plangebied geen terp- of cultuurlagen aanwezig zijn, op basis waarvan de archeologische verwachting voor de periode late middeleeuwen-nieuwe tijd naar laag kan worden bijgesteld. Voor de periode midden bronstijd-vroege middeleeuwen blijft een lage archeologische verwachting bestaan, op basis van het aantreffen van uitsluitend veen (zonder tekenen van veraarding) en komafzettingen boven afzettingen van de Schoonhoven stroomgordel. Tijdens het booronderzoek zijn uitsluitend geul- en restgeulafzettingen van deze stroomgordel aangetroffen (vanaf 2,8-3,3 meter -mv) en geen potentiële archeologische niveaus, in de vorm van goed gerijpte oeverafzettingen met een laklaag of ontkalkte top. Hierdoor wordt voor de periode midden/laat neoltihicum-vroege bronstijd eveneens uitgegaan van een lage archeologische verwachting voor de aanwezigheid van bewoningsresten uit deze periode. Advies Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt er een geringe kans te bestaan dat in het plangebied

Toelichting

37

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

archeologische resten aanwezig zijn en bedreigd worden door de voorgenomen realisatie van het Hospice en omliggende infrastructuur. Daarom wordt aanbevolen om in het nieuwe bestemmingsplan voor het gehele plangebied geen archeologische dubbelbestemming op te nemen. In het kader van de voorgenomen bodemingrepen wordt dan ook geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Krimpenerwaard, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit. Conclusie Op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld dat er geen archeologische waarden zijn te verwachten. In verband hiermede is het niet langer noodzakelijk om de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' op te nemen in de regels en op de verbeelding. Samenvattend tast het initiatief de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

6.2.4 Cultuurhistorie Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Historie Het plangebied maakt deel uit van de huidige herenboerderij dat zal worden afgesplitst. De herenboerderij heeft een aan twee zijden symmetrisch uitgebouwd diep voorhuis en is voorzien van sierankers en geblokte ontlastingsbogen. De boerderij is in 1942 gerestaureerd, waarbij onder andere de vensters en gevelbekroningen zijn gereconstrueerd. Rondom het gebouw is altijd enige beplanting en bomen aanwezig geweest, echter stond het gebouw in vroegere jaren in verbinding met het open veenweidegebied. Later, in de jaren '70-'80 heeft het open veenweidelandschap plaatsgemaakt voor woningbouw. Hierdoor is de slagenverkaveling nauwelijks nog aanwezig. Als gevolg van deze uitbreiding is de boerderij stedenbouwkundig gezien meer onderdeel geworden van de bebouwde kern van Bergambacht. De historische kaart van 1877 laat een versnipperde inrichting van de kavels ter hoogte van de boerderijcluster zien (figuur 8).

De huidige structuur van het plangebied is daar een afgeleide van. De kaart laat zien dat er van langgerekte kavels ter hoogte van het projectgebied geen sprake was, in tegenstelling tot reeds volgebouwde omliggende percelen.

38

Toelichting

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

Figuur 8: Historische kaart 1877. Rijksmonument herenboerderij Tusschenlanen De herenboerderij "Tusschenlanen" aan de Tussenlanen 11 in Bergambacht is een monumentale boerderij, gelegen op een donk en daterend uit 1661. De boerderij heeft een T-vormige plattegrond en gaat typologisch terug op het middenlangsdeeltype. Het bouwwerk is opgetrokken in gele IJsselsteen en gedekt met strodaken. Het woonhuisgedeelte heeft een middenrisaliet en topgevel met een driepastracering in de ontlastingsboog. De vensters met kruiskozijnen en luiken zijn voorzien van rondbogen in rode baksteen, afgewisseld met zandsteen en een gebeeldhouwd kopje. Sierelementen in de vorm van gesmede ankers vervolmaken het beeld van voorname ingetogenheid die deze herenboerderij kenmerkt. De boerderij is gebouwd in een periode van welvaart, toen de hennepteelt in de Krimpenerwaard floreerde, hetgeen de combinatie van stadse deftigheid en landelijke ligging in Tusschenlanen verklaart. Het bedrijfsgedeelte ligt achter het woonhuis en is voorzien van een zij-topgevel. Het bijzondere cultuurhistorisch belang van `Tusschenlanen" is gelegen in de ouderdom van het bouwwerk, in de betekenis voor de architectuurhistorie en als gebouwd object in de agrarische geschiedenis van de Krimpenerwaard in het bijzonder.

Herenboerderij aan Tussenlanen 11.

Toelichting

Detail boven de voordeur.

39

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

Het plangebied ligt op een achtererf van het rijksmonument aan de Tussenlanen 11/13. Het erf maakt geen onderdeel uit van het rijksmonument. De Hospice ligt zuidoostelijk van de herenboerderij tussen twee watergangen en krijgt een bescheiden maatvoering. Gesteld kan worden dat de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied niet worden aangetast. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

6.3

Flora en fauna

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het geeft invulling aan de decentralisatieafspraken die het Rijk met de provincies heeft gemaakt in het Bestuursakkoord natuur en in het Natuurpact. Het brengt ook vereenvoudiging ten opzichte van het bestaande stelsel, onder meer door een betere aansluiting op het Europese recht en op het omgevingsrecht. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Donkse Laagten' ligt circa 4,9 km zuidelijk van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt circa 8,5 km ten noorden van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Boezems Kinderdijk' ligt circa 10,6 km zuidwestelijk van het plangebied. Sprake is van kleinschalige ontwikkeling, zodat Natura2000-gebieden niet worden beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht als gevolg van deze bestemmingswijziging. Het plangebied ligt evenmin in de directe nabijheid van Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) van de provincie Zuid-Holland (figuur 9).

Het dichtstbijzijnde NNN ligt circa 870 meter ten noordwesten van het plangebied. Ook heeft de planontwikkeling geen nadelige gevolgen voor belangrijke weidevogelgebieden. Deze liggen op minimaal 620 meter ten noorden van het plangebied. De dichtstbijzijnde ecologische verbindingszone ligt circa 1,5 km ten oosten van het plangebied.

40

Toelichting

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

Figuur 9: NNN in de omgeving van het plangebied (plangebied met rode stip aangeduid.) 6.3.1 Stikstofdepositie In onderhavige situatie is er sprake van een bestemmingswijziging om een Hospice mogelijk te maken. Het Natura2000-gebied 'Donkse Laagten' bevindt zich op 4,9 km afstand. Het Natura2000-gebied 'Boezems Kinderdijk' ligt 10,6 km ten zuidwesten van het plangebied; het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt 8,5 km ten noorden van het plangebied. Deze drie gebieden zijn niet stikstofgevoelig, met dien verstande dat de Polder Stein mogelijk binnenkort wel aangewezen kan worden als stikstofgevoelig gebied. Er is geen sprake van negatieve effecten van stikstofdepositie op kwetsbare natuur. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder de op 1 januari 2024 ingevoerde Omgevingswet). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. De Hospice wordt gebouwd volgens de eisen van het BENG.

In de aanleg- en gebruiksfase is er geen sprake van toename van stikstofdepositie, zoals dat is aangetoond in het onderzoek stikstofdepositie van Stalbouw d.d. 16 augustus 2023, Bijlage 5). Uit de AERIUS-berekeningen volgt namelijk dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar. Deze bijdragen zijn zo klein dat er geen vergunningplicht is in het kader van de Wet natuurbescherming, gebiedsbescherming. Er gelden geen aanvullende verplichtingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering. Kort samengevat: In het plangebied is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.

Toelichting

41

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

6.3.2 Flora- en faunatoets Bij nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het onderhavige plangebied (rapport van juli 2023, rapportnummer 23A086, Bijlage 6). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en een verkennend onderzoek kan het volgende worden vastgesteld (overgenomen uit rapport). Natuurgebieden Natura2000 Habitattypen

Soorten NNN-gebieden Omgevingsvisie/-verordening Soortgroep Algemeen

Flora Jaarrond beschermde nesten Vissen Reptielen Zoogdieren Overige soorten Soortgroep Vogels

Amfibieën

42

Gevolgen Natura 2000-gebied Donkse Laagten ligt op 4,9 km ten noorden van het plangebied. Voor de aanleg- en gebruiksfase van de realisatie is een stikstofberekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er minder dan 0,0 mol per hectare wordt uitgestoten. Verstoring van stikstofuitstoot is derhalve niet aan de orde. Nee Nee Nee Overtreding verbodsbepalingen Voor de beschermde soorten, Bruine kikker, Gewone pad, Groene kikker (onb.), Kleine watersalamander geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) door de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Nee Nee Nee Nee Nee Nee Overtreding verbodsbepalingen, aanvullende maatregelen vereist Nee. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaardperiode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels.

Nee, mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen.

Toelichting

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

Vleermuizen

Nee, mits de werkzaamheden bij daglicht uitgevoerd worden. Hiermee wordt schade aan de gunstige staat van instandhouding van mogelijk aanwezige vleermuizen voorkomen.

Algemene zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet Natuurbescherming de algemene zorgplicht. Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Natuur-inclusief bouwen De initiatiefnemer heeft de intentie nieuwbouw te realiseren. Watersnip Advies stimuleert natuur-inclusief bouwen voor een betere samenleving tussen mens en natuur. Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen: a. Voor de Huismus wordt ruimte beschikbaar gehouden onder onderste twee rijen dakpannen. Op een aantal plaatsen worden nestkasten ingebouwd. b. Voor de Gierzwaluw worden holle inbouwstenen ingemetseld in de randen van de zijgevels. c. Voor vleermuizen worden kasten ingemetseld in de spouw op diverse plaatsen en op een aantal zijgevels vleermuiskasten geplaatst. Wat betreft straatverlichting wordt geadviseerd om amberkleurige Led-verlichting te plaatsen die voornamelijk naar beneden gericht is.

Dit om verstoring door licht voor foeragerende vleermuizen te vermijden. Conclusie Bij uitwerking van het bouwplan zullen de in het rapport genoemde aanbevelingen worden overgenomen. Met inachtneming hiervan kan worden geconcludeerd dat er vanuit de gebiedsbescherming en soortenbescherming er geen belemmeringen bestaan voor deze planontwikkeling.

6.4

Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

6.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen er naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen planologisch relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen.

Toelichting

43

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

44

Toelichting

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.

7.2

Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond (GBKN) schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven. Gekozen is voor een gedetailleerd bestemmingsplan.

7.3

Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 7.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor parkeren opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 7.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. 7.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Maatschappelijk - Hospice Artikel 3 De op de verbeelding voor 'Maatschappelijk - Hospice' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor een Hospice met bijbehorende voorzieningen. Hoofdgebouwen

Toelichting

45

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

en bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. De maximum toelaatbare goot- en bouwhoogten van het hoofdgebouw zijn in de regels en op de verbeelding vastgelegd. Artikel 4 Tuin De gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn bestemd voor tuinen, behorende bij de aangrenzende bestemming 'Maatschappelijk'. Op de gronden met deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Water Artikel 5 Belangrijke waterlopen- en partijen zijn als 'Water' bestemd.

7.3.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Artikel 6 Antidubbeltelregel Het artikel 'Antidubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Algemene bouwregels Artikel 7 In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons en kelders. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Algemene afwijkingsregels Artikel 9 Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid dient een belangenafweging ten grondslag te liggen. Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. Overige regels Artikel 10 In artikel 10.1 is bepaald dat indien in de regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dit de wettelijke regelingen betreft zoals deze luiden ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan.

In artikel 10.2 zijn de regels over parkeren opgenomen met verwijzing naar de CROW-publicatie 381 (december 2018). Als regel wordt uitgegaan van de maximum parkeernorm. Voorts is in dit artikel een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om te kunnen afwijken van de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381. 7.3.4 Overgangs- en slotregels Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen. Artikel 11 Overgangsrecht Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming.

46

Toelichting

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

Artikel 12 Slotregel Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

7.4

Handhaving bestemmingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak. 3. Realistische en inzichtelijke regeling Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4.

Actief handhavingsbeleid Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. Conclusie Het bestemmingsplan is zodanig opgesteld met toelichting, regels en verbeelding dat handhaving op naleving hiervan goed mogelijk is.

Toelichting

47

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

48

Toelichting

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

Hoofdstuk 8 8.1

Uitvoerbaarheid en resultaten overleg

Economische uitvoerbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. Het betreft een particulier voornemen waarvan de lasten door initiatiefnemer zullen worden gedragen. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten anterieure exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen om een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de overeenkomst.

8.2

Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan elektronisch toegezonden aan de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, de Veiligheidsregio Hollands-Midden en Omgevingsdienst Midden-Holland.

8.3

Communicatie

Met de direct aangrenzende buren is diverse keren afstemoverleg geweest over het ontwikkelen van een Hospice op deze locatie. Omdat het niet altijd even eenvoudig is om een beeld te vormen van wat zij straks zien en ervaren vanuit de eigen tuin zijn de eerste ontwerpschetsen van de architect uitgewerkt in een perspectieftekening. Door de aangrenzende buren is aangegeven dat zij zich kunnen vinden in de ontwikkeling van een Hospice op deze locatie.

Voor de bewoners van de Houtstraat is op 11 oktober 2023 een aparte informatiebijeenkomst gehouden in zalencentrum De Waard, nadat zij hiervoor een uitnodigingsbrief hadden ontvangen. Op deze avond zijn de bewoners bijgepraat over het planinitiatief. Door de bewoners werd aangegeven dat zij geen bezwaar hebben tegen de bouw van een Hospice. Wel werd aangegeven dat zij het uitzicht op het groen heel belangrijk vinden. Zij willen mede daarom dat er geen toekomstige vijfde gastenkamer aan de zuidzijde van het gebouw komt. Ook werd aangegeven dat de speelplek aan de zuidoostzijde soms overlast veroorzaakt. Tevens werd aangegeven dat de vogels (kauwen) soms veel overlast geven. Er werd getwijfeld of het aantal parkeerplaatsen voldoende was voor de vier gastenkamers.

Toelichting

49

bestemmingsplan Tussenlanen tussen 11/13 en 15

Reactie Het groen aan de zuidzijde (bosschage) ligt deels op grond van de gemeente en is deels eigendom van de stichting Hospice Krimpenerwaard. Het voornemen is om de beplanting waar mogelijk te optimaliseren. Dit wordt in overleg met de gemeente gedaan. Het realiseren van een vijfde gastenkamer is aan de orde wanneer hieraan een duidelijke behoefte is. In dat geval dient uitbreiding plaats te vinden binnen het bouwvlak van de bestemming 'Maatschappelijk' zoals aangegeven op de verbeelding bij het bestemmingsplan. Geluiden van de omgeving worden door de gasten van de Hospice meestal niet als hinderlijk ervaren. Tevens is ervoor gekozen om de gastenkamers op het westen te oriënteren. Aan de oostzijde van het gebouw komen de algemene voorzieningen zoals kantoor, magazijn, opslag etc. Als er toch sprake is van hinder dan is er altijd nog de mogelijkheid om een groen geluidsscherm tussen de bomen van de bestaande bosschage aan te brengen. De overlast van vogels (kauwen) is beperkt tot een korte periode van vier tot zes weken als de vogels uitvliegen. De vogels zitten dan in de bomen die voor een deel op gemeentelijk grond staan en voor een deel op particuliere grond. Slechts een klein deel van deze bomen staat op de grond die eigendom is van de stichting Hospice Krimpenerwaard.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=de9de125-fa89-4105-91f8-a0fa1c24ce01