CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL - 03 Ruimtelijke onderbouwing.pdf

Raadsvergadering 18 april 2023, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Omgevingsvergunning Opperduit 182 te Lekkerkerk26.536 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

omgevingsvergunning

Opperduit 182, Lekkerkerk Gemeente Krimpenerwaard

Planstatus:

concept

Plan identificatie:

NL.IMRO.1931.XXXXXXXXXX-CO01

Datum:

2022-04-20

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. R. van der Made

Kenmerk Buro SRO:

SR210086

Opdrachtgever:

Adviesburo Hogendoorn

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging van het plangebied .................................................................................................................................. 5 1.3 Geldend planologisch regime .............................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Het initiatief ............................................................................................................................................. 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 13 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 17

4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 19 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 19 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 20 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 20 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 21 4.5 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 22 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 24 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

27 4.8 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 28 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 31 4.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 32 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 32

5 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 34 5.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 34 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 34

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is eigenaar van het perceel aan de Opperduit 182 in Lekkerkerk. Ter plaatse was tot 2019 een agrarisch bedrijf gevestigd in de vorm van een melkveehouderij. Gezien de relatief beperkte omvang van het agrarisch bedrijf en het ontbreken van uitbreidingsmogelijkheden heeft de initiatiefnemer de agrarisch bedrijfsactiviteiten beëindigd. Binnen het plangebied zijn op dit moment een bedrijfswoning met verschillende voormalige agrarische opstallen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de (voormalige) bedrijfswoning als burgerwoning te gebruiken en een deel van de voormalig agrarische opstallen te saneren. Hiervoor in de plaats wordt een tweede woning gerealiseerd. Dit initiatief past niet binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek)'. Op dit moment is het plangebied voorzien van de bestemming 'Agrarisch'. De beoogde ontwikkeling, het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning en de realisatie van een vrijstaande woning, is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is medewerking mogelijk op basis van een uitgebreide planologische afwijkingsprocedure op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sublid 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Eerder is het initiatief middels een conceptaanvraag voorgelegd aan de gemeente Krimpenerwaard, waarbij de gemeente Krimpenerwaard in beginsel positief heeft gereageerd op de voorgenomen ontwikkeling. Een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan kan slechts worden afgegeven indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De vergunning moet dan ook voorzien zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.

1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Opperduit 182 in het buitengebied van Lekkerkerk, dat onderdeel is van de gemeente Krimpenerwaard. De locatie bevindt zich in een lint dat aan de Lek ligt, nabij de kruising met de Hoekseweg. Kadastraal is het plangebied bekend onder kadastrale gemeente Lekkerkerk, sectie C, perceelnummer 11216 oppervlakte van ca. 8.362 m². De navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en begrenzing van het plangebied weer.

Globale ligging plangebied (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

5

Globale begrenzing (plangebied is rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Geldend planologisch regime Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek)', vastgesteld op 14 juli 2020. Verder geldt het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', vastgesteld op 29 januari 2019. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek)', plangebied is rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In het geldende bestemmingsplan hebben de gronden in het plangebied de bestemming 'Agrarisch' en is een bouwvlak opgenomen. De hiervoor aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor het uitoefenen van grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten en ondergeschikte (agrarische) nevenactiviteiten. Verder gelden de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ en de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - vaw1'. Binnen de bestemming 'Agrarisch' zijn geen burgerwoningen toegestaan. De beoogde ontwikkeling, het gebruiken van de (voormalige) bedrijfswoning als burgerwoning en de realisatie van een tweede burgerwoning, past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek)'. In artikel 33.4 van het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, die het mogelijk maakt de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' en bij de sloop van minimaal 1.000 m² aan bedrijfsgebouwen de bouw van één woning toe te staan. Met het voorgenomen plan wordt niet geheel aan de sloopnorm van 1.000 m² voldaan. Er wordt namelijk 920 m² gesloopt, waardoor niet geheel wordt voldaan aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid. Middels een uitgebreide

6

planologische afwijkingsprocedure op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sublid 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het voorgenomen plan mogelijk gemaakt. Een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan kan slechts worden afgegeven indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing maakt de ontwikkeling op het perceel aan de Opperduit 182 in Lekkerkerk mogelijk.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.

7

2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Opperduit 182 langs de Lek. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend agrarische bedrijven en vrijstaande (bedrijfs)woningen aanwezig. Voorheen was binnen het plangebied een melkveehouderij met ca. 65 stuks melkvee gevestigd, echter zijn de bedrijfsmatige activiteiten in 2019 beëindigd. De omvang van het voormalige agrarische bedrijf was te klein om een rendabele agrarische bedrijfsvoering te voeren. Opschaling zou nodig zijn om een gedegen economisch toekomstperspectief te waarborgen. Hiervoor zouden forse investeringen noodzakelijk zijn. Verder stuit uitbreiding waarschijnlijk op milieutechnische bezwaren. Onderstaande afbeelding toont het aanzicht vanaf de Opperduit in de richting van het plangebied.

Aanzicht vanaf de Opperduit in de richting van het plangebied(bron: Google Streetview)

Bebouwing en verharding Binnen de plangrens staan verschillende agrarische opstallen en een bedrijfswoning. Grenzend aan de Opperduit is de bedrijfswoning gesitueerd met een oppervlakte van 277 m². Op de achtergelegen gronden zijn verschillende bedrijfsopstallen gesitueerd met een oppervlakte van 1.177 m². Hoewel de voormalige bedrijfswoning geen bijzondere status heeft is de woning het behouden waard. Aan de westzijde van het agrarisch erf is een karakteristieke schuur (bouwjaar voor 1950) aanwezig. Samen met de voormalige bedrijfswoning vormt dit een waardevol ensemble. Achter de karakteristieke stal zijn vervolgens verschillende agrarische opstallen gebouwd, zoals de varkensstal, de machineberging en de koeienstal. Verder is het plangebied voor ca. 1.500 m² verhard.

8

In onderstaande tabel wordt een overzicht van de aanwezige opstallen en verharding gegeven. Verharding Bedrijfswoning Karakteristieke schuur Agrarische opstallen Verhardingen Totaal

Oppervlakte 277 m² 107 m² 1.070 m² 1.500 m² 2.954 m²

De navolgende afbeelding toont een situatietekening van de huidige situatie.

Situatietekening huidige situatie (bron: Adviesburo Hogendoorn, d.d. 27 september 2021)

De in de bovenstaande afbeelding in rood gekleurde gebouwen verkeren in matige staat van onderhoud. De koeienstal is beperkt van omvang en de afmetingen van de dierplaatsen zijn te klein voor de huidige eisen van een melkveehouderij. In 2019 is een nieuwe loods voor machines gebouwd op de noordwestelijke hoek van het erf. Verder zijn achter en naast de agrarische opstallen diverse ronde silogebouwtjes, voerbulken/silo’s, sleufsilo’s en betonplaten voor opslag van ruwvoeders en mest aanwezig (licht rood gearceerd in de afbeelding hierboven). Het erf is verhard met betonplaten, bestrating en gestorte betonvloeren.

9

Omgeving Tussen de Hoekseweg (oostzijde) en het plangebied bevinden zich twee vrijstaande burgerwoningen. Aan de westzijde zijn tevens twee burgerwoningen aanwezig, waarna een agrarisch bedrijf volgt. Het betreffende erf ligt dus ingeklemd tussen burgerwoningen, waarmee de uitbreidingsmogelijkheden beperkt worden.

2.2 Toekomstige situatie Het voorgenomen plan betreft het gebruiken van de voormalige bedrijfswoning als burgerwoning en de realisatie van een vrijstaande woning. Omdat de agrarische bedrijfsvoering is beëindigd, is een groot deel van agrarisch opstallen niet meer in gebruik. Derhalve zal een deel van de voormalige agrarische opstallen met een oppervlakte van ca. 920 m² worden gesaneerd. De waardevolle schuur aan de zuidwestzijde van het plangebied en de in 2019 opgerichte schuur blijven behouden. Deze gebouwen zullen dienen als bijgebouwen bij de bestaande woning en de nieuw op richten woning. Het behoud van de karakteristieke schuur is gewenst om het waardevolle ensemble dat die vormt met de boerderij in stand te houden. De recente opgerichte schuur heeft een oppervlakte die vergelijkbaar is met de maximale mogelijkheden voor vergunningvrij bijbehorende bouwwerken en wordt om die reden aanvaardbaar geacht. Achter op het agrarisch erf zal een vrijstaande woning worden gerealiseerd. De woning zal bestaan uit één bouwlaag met een kap, met een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 8,5 m en een inhoud van maximaal 750 m³. Onderstaande afbeelding toont een impressie van de beoogde woning.

Impressie beoogde woning (bron: Advies Hogendoorn d.d. 21 maart 2022)

Ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing Voor het plangebied is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt met daarin uitgangspunten voor de toekomstige inrichting van het terrein met groen en streekeigen beplanting. Met de landschappelijke inpassing wordt, aanvullend op de sanering van voormalige agrarische bebouwing en verharding, een ruimtelijke kwaliteitsverbetering beoogd.

10

Onderstaande afbeelding toont de situatietekening van de toekomstige situatie.

Situatietekening toekomstige situatie (bron: Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten d.d. 18 december 2020)

De wijziging van agrarisch gebruik naar wonen biedt de mogelijkheid om het perceel opnieuw in te richten. Het voornemen is om de karakteristieke kenmerken binnen het plangebied te behouden. Door het verwijderen van een deel van de agrarische opstallen en het toevoegen van kenmerkende landschapselementen krijgt het perceel een meer passende inrichting, aansluitend bij het omringende landschap. Een aantal elementen die worden toegevoegd zijn:

•

een hoogstamboomgaard als verbindend karakteristiek boerenerf element tussen de bestaande boerderij en de nieuw te realiseren woning;

•

een streekeigen beplanting rond het perceel als haag (bijvoorbeeld liguster, veldesdoorn of beuk), als afscherming van het erf;

•

een rij bestaande en nieuw te planten knotwilgen langs de oost- en westzijde van het plangebied. Een rij knotwilgen zorgt voor het contrast en de doorzichten naar het achterliggende landschap;

11

•

een streekeigen bosschage bestaande uit soorten als els, wilg, hazelaar, meidoorn, kornoelje en veldesdoorn.

Deze toevoegingen versterken de al aanwezige erfinrichting. Hiermee wordt de inrichting groen en robuust met doorzichten en contrast tussen open en besloten. Deze aanpassingen zorgen niet alleen voor een karakteristieke uitstraling van een boerenerf in dit landschapstype, maar zijn ook voor de ecologie zeer waardevol. De biodiversiteit zal verhoogd worden door het verrijken van de soorten wat ook diverse insecten, vogels en kleine zoogdieren zal aantrekken. De navolgende afbeelding toont een doorsnede van de toekomstige erfinrichting.

Doorsnede toekomstige situatie (bron: Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten d.d. 29 november 2021)

Verkeer en parkeren Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor de voormalige bedrijfswoning blijft de ontsluiting gelijk aan de huidige situatie, namelijk direct op de Opperduit. De nieuwe woning wordt met een eigen inrit aan de noordoostzijde via een bestaand bruggetje en de Hoekseweg ontsloten. In toelichting paragraaf 4.11 wordt nader ingegaan op de verkeer- en parkeersituatie in de beoogde situatie.

12

3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het plangebied van de voorliggende ontwikkeling ligt niet binnen één van de 14 beschreven onderwerpen uit het Barro. De ontwikkeling is niet strijdig aan het gestelde in dit besluit. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

13

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorgenomen plan, dat bestaat uit het omzetten van een voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning en de realisatie van één woning, wordt daarom niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder van duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 augustus 2020. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, die deel uit maken van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Met het Omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

14

De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. De relevante beleidskeuzes worden hieronder beknopt toegelicht. Planspecifiek De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Daarnaast heeft het voorgenomen plan betrekking op de beleidskeuze 'agrarische bebouwing en bedrijfsvoering'. De provincie Zuid-Holland wil nieuwe bebouwing in het landelijk gebied beperken om zo de openheid te handhaven. Omdat met voorliggend plan de bebouwingsmogelijkheden afnemen en er bebouwing wordt gesloopt sluit het initiatief aan op deze beleidskeuze. Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart.

Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Krimpenerwaard'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. De kaarten van het gebiedsprofiel vormen geen aanvulling op de kwaliteitskaarten. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Onderstaand worden de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader omschreven. Laag van de ondergrond Op de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als 'rivierdeltacomplex - rivierklei/veen'. Het richtpunt hierbij is het herkenbaar houden van het verschil tussen komgronden en oeverwallen. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Binnen het plangebied is er geen verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Desondanks blijven de bestaande hoogteverschillen behouden. Daarmee is het voorgenomen plan niet in strijd met het richtpunt van de 'Laag van de ondergrond'.

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in een veen(weide)landschap. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. De relevante richtpunten voor het veen(weide)landschap zijn:

• • • •

Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders.

In het voorgenomen plan wordt het huidige verkavelingspatroon zoveel mogelijk gerespecteerd. Het plangebied maakt onderdeel uit van een bestaand erf van een voormalig agrarisch bedrijf. Met het voorgenomen plan wordt een aanzienlijk deel van de voormalige agrarische bebouwing gesloopt. Hiervoor in de plaats zal één vrijstaande woning worden gerealiseerd. Hiermee wordt een positieve bijdrage geleverd aan het ervaren van de weidsheid van het achtergelegen poldergebied. Geconcludeerd wordt dat het veen(weide)landschap niet wordt aangetast met de beoogde ontwikkeling.

15

Conclusie Voor de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit neemt toe en de ontwikkelingen doen geen afbreuk aan de gebiedskwaliteiten. Daarmee is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de Omgevingsvisie. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 augustus 2020 in werking getreden. Op 16 juni 2021 is de Omgevingsverordening Zuid-Holland - Koers 2020 vastgesteld. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties.

In toelichting paragraaf 3.1.3 is ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening.

16

Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard, die de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 14 juli 2021 heeft vastgesteld, geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd. Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:

• • •

Waarden van heel de Krimpenerwaard; Waarden per gebied; Waarden van de kernen.

De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'. In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels. Krachtig buitengebied Het buitengebied van de Krimpenerwaard is bijzonder en waardevol, maar staat voor uitdagingen. Hoe behouden we de kwaliteiten van het buitengebied, houden we droge voeten, hoe gaan we om met de ontwikkelingen in de landbouw, de vraag naar duurzame energie en de vraag naar ruimte voor bebouwing? Het antwoord op deze vragen is niet voor het hele buitengebied hetzelfde. Daarom zijn er ook verschillen aangegeven in de gebieden. Deze gebieden zijn weergegeven op de richting- en ruimtekaart. Per gebied is aangegeven waar de gemeente op inzet en welke speerpunten van belang zijn.

Planspecifiek De planlocatie behoort volgens de richting- en ruimtekaart tot het gebied 'dynamiek langs de rivieren'. Langs de rivieren is altijd al veel dynamiek en ontwikkeling geweest. Bovendien zijn veel plekken relatief goed bereikbaar. Dit biedt kansen aan ontwikkelingen. Hierbij wordt rekening gehouden met infrastructuur, leefbaarheid, waterveiligheid, drinkwatervoorzieningen en landschappelijke kwaliteiten. Het benutten van voormalige agrarische bebouwing voor andere functies zoals wonen wordt als kans voor de linten beschouwd. Met de sloop van voormalige agrarische bebouwing en landschappelijke inpassing worden de landschappelijke kwaliteiten versterkt. Er kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan in lijn is met de omgevingsvisie.

17

3.3.2 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (vastgesteld op 13 december 2016) vormt de welstandsnota van de gemeente Krimpenerwaard. Het doel bij deze nota is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen. Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'. Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven. Per gebied zijn in de nota een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Naast de gebieden zijn op de gebiedenkaart gebieden met een ontwikkelingskader aangegeven. Dit zijn de gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. Planspecifiek Op de niveaukaart is aangegeven dat voor het plangebied een bijzonder (deels) en een gewoon (deels) welstandsniveau geldt.

In het deel dat als bijzonder is aangemerkt is inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. Uit toelichting paragraaf 2.2 blijkt dat initiatief gepaard gaat met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Op de gebiedenkaart is het plangebied aangeduid als 'Lek' (deels) en 'Landelijk gebied' (deels). De beoogde nieuwbouwwoning is ontworpen in lijn met de welstandseisen voor dit gebied. Het plan is dan ook op hoofdlijnen akkoord bevonden door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Op 1 februari 2021 heeft de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit het plan beoordeeld. De commissie heeft hierbij aandachtspunten voor het ontwerp van de beoogde woning meegegeven. Voorliggend plan is in lijn met de bepalingen van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017.

18

4 Uitvoerbaarheid 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017 en ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Onderstaande punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:

19

1. 2. 3.

door het slopen van ca. 920 m² voormalige agrarische bebouwing neemt het bebouwd oppervlak af; voor de ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van een voormalig agrarisch bedrijfsperceel in het landelijk gebied; het aantal woning (één extra woning) en daarmee de gebruiksmogelijkheden nemen in beperkte mate toe.

Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals beschreven in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-plicht geldt. Desalniettemin zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in dit hoofdstuk in beeld gebracht. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen.

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Waders Milieu, d.d. 7 januari 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Hieruit blijkt dat zware metalen, PCB en PAK in de vaste bodem zijn aangetoond in een gehalte waarbij in lichte mate sprake is van verontreiniging.

De verhoogde concentratie barium in het grondwater heeft waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong (niet veroorzaakt door menselijk handelen). De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de verlening van een omgevingsvergunning. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect bodem.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

20

verpleeghuizen,

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek In het voorgenomen plan wordt een woning, die in het kader van de Wet geluidhinder als een geluidgevoelig object wordt aangemerkt, gerealiseerd binnen de onderzoekszone van de Opperduit (60 km/uur). Om die reden is er een akoestisch onderzoek wegverkeer (PhysiBuild, d.d. 21 december 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2) uitgevoerd. Hieruit volgt dat de geluidbelasting op de gevels van de beoogde woning na aftrek conform Wgh artikel 110g ten hoogste 40 dB bedraagt. Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer niet overschreden. Er zijn geen hogere waarden benodigd. In toelichting paragraaf 4.5 is aandacht voor het aspect milieuzonering (industrielawaai). Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect geluid.

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.

Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal

21

mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de voormalige bedrijfswoning gebruikt als burgerwoning en één vrijstaande woning gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.

Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m³voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 17 μg/m³ PM10, 10 μg/m³ PM2,5 en 18 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.

4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de

22

publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in het gebruiken van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning en de realisatie van één vrijstaande woning. Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek)' gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. De VNG-publicatie stelt dat een gebied aangewezen kan worden als gemengd gebied indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Gezien de verschillende aangrenzende bestemmingen als 'Wonen' en 'Agrarisch', die elkaar regelmatig afwisselen, wordt de omgeving als een gemengd gebied bestempeld. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Opperduit 198 Het perceel aan de Opperduit 198 heeft een agrarische bestemming. Binnen deze agrarische bestemming is het toegestaan om een volwaardig agrarisch bedrijf uit te oefenen zoals akkerbouw- en vollegrondstuinbouw en een grondgebonden veehouderij. Ter plaatse is een melkveehouderij gevestigd. Verder worden er schapen en koeien gehouden.

Inzichtelijk moet worden gemaakt of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen binnen het plangebied, waarbij de bestaande (bedrijfs)woning reeds bescherming geniet ten opzichte van bedrijfsactiviteiten van derden. Daarnaast moet beschouwd worden of de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied een beperking vormt voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf aan de Opperduit 198. Voor een melkveehouderij is het aspect geur maatgevend. Vanuit de Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017 geldt voor een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden een afstandsnorm van 25 m tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Aan deze afstand wordt zowel in de huidige als in de toekomstige voldaan. De voormalige bedrijfswoning is namelijk op een afstand van ca. 30 m gelegen ten opzichte van het agrarisch bouwvlak van Opperduit 198. De nieuw te realiseren woning is een afstand van ca. 75 m tot het agrarisch bouwvlak beoogd. Met betrekking tot het houden van schapen aan de Opperduit 198, die dieren met een geuremissiefactor zijn, dient voor de woningen in het plangebied tevens een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd te zijn. Middels een V-stacks is geurbelasting berekend (zie bijlagen bij toelichting bijlage 3).

Hieruit blijkt dat de geurbelasting ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning maximaal 1,2 ou Ε/m³ bedraagt en bij de nieuw te realiseren woning maximaal 0,2 ouΕ/m³ bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de norm van 8,0 ou Ε/m³ voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Verder geldt voor een melkveehouderij, volgens de VNG-publicatie, een richtafstand van 10 m in gemengd gebied voor de aspecten 'stof' en 'geluid'. Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige wordt hieraan voldaan. Verder wordt geluid vanwege agrarische activiteiten gezien als gebiedseigen geluid. Er kan worden geconcludeerd dat de agrarische bedrijfsactiviteiten aan de Opperduit 198 geen belemmering vormen voor een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de (beoogde) woningen in het plangebied.

23

De woningen aan de Opperduit 194 en 196 zijn in de huidige (planologische) dichter bij het agrarisch bouwvlak van de Opperduit 198 gelegen, waardoor de beoogde ontwikkeling in het plangebied geen beperking vormt voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf aan de Opperduit 198. Overige bedrijven In de direct omgeving zijn geen bedrijven gevestigd dan wel toegestaan die, gelet op hun aard en omvang, een belemmering kunnen vormen voor een goed woon- en leefklimaat of beperkt kunnen worden in hun mogelijkheden door het initiatief. Conclusie Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de

24

veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=c5d52e0a-67b7-4eed-a715-4dc338027b9f