5.34 Ter afweging individuele fracties - Bewonerscollectief Haastrecht Zuid, Verzoek tot het aanhouden van planvorming rond Haastrecht Zuid / Eilandenrijk
Tekst van het document
21
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Figuur 9. De neerwaartse landelijke trends van vier soorten weidevogels als broedvogel in Nederland. Bron: SOVON Vogelonderzoek Nederland.
Figuur 10. Aandeel van Zuid-Holland in de landelijke vogelpopulaties van veenweidegebied en boerenland op basis van de gegevens van SOVON Vogelonderzoek Nederland in de periode 2013-2015.
22
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Figuur 11. De grutto als vlaggenschip en nationale weidevogel in Nederland, gaat in veel gebieden sterk achteruit en vraagt om daadkrachtige bescherming: ook in Zuid-Holland.
23
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Figuur 12. Totaal aantal territoria en (neerwaartse) trend van de grutto in de gehele Krimpenerwaard (linksboven) en per beheertype - Binnen NNN (Natuur Netwerk Nederland) in de Krimpenerwaard, buiten NNN en De Nesse/Berkenwoude. De aantallen territoria en trend van de gehele Krimpenerwaard zijn een combinatie van de aantallen territoria en trends van de drie typen. Bron: Poot et al. (2023).
Conclusie avifauna: Polder Beneden Haastrecht met polders Haastrecht-Zuid, Bilwijk en reservaat Doove Gat ecologisch onlosmakelijk met elkaar verbonden bezitten tezamen een duidelijke vogelkundige waarde binnen de Krimpenerwaard, met name als foerageer-, rust- en in beperktere mate als broedgebied voor een grote vogeldiversiteit, in het bijzonder voor soorten van het oorspronkelijke veenweidehabitat en boerenland.
24
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid Het gebied vervult met name een belangrijke functie als refugium voor doortrekkende en pleisterende grutto’s (Limosa limosa), en in mindere mate voor soorten als kievit (Vanellus vanellus), wulp (Numenius arquata) en andere kenmerkende weidevogels. Tevens dient het gebied een belang voor een scala watervogels, waaronder de smient, kleine zwaan, lepelaar, purperreiger en visdief.
Grondgebonden zoogdieren Op basis van bekende waarnemingen in het gebied en de nabije omgeving gedurende de afgelopen vijf jaar komen de volgende grondzoogdiersoorten momenteel sporadisch tot structureel in het gebied voor: West-Europese egel (Erinaceus europaeus), Europese mol (Talpa europaea), huisspitsmuis (Crocidura russula), ree (Capreolus capreolus), Europese haas (Lepus europaeus), dwergmuis (Micromys minutus), gewone bosmuis (Apodemus sylvaticus), vos (Vulpes vulpes), bunzing (Mustela putorius), hermelijn (M. erminae) en wezel (M. nivalis). Tijdens het veldonderzoek werden meerdere individuen van de Europese haas waargenomen, op veel plaatsen in Nederland een afnemende soort.
Uitgelicht: waterspitsmuis Voor het poldergebied bestaat ook een waarneming van de strikt beschermde en relatief zeldzaam regionaal voorkomende waterspitsmuis (Neomys fodiens) uit 2022. Dit is eveneens een soort die vrij kritische eisen stelt aan het watermilieu, waaronder bij voorkeur habitat met veel oevervegetatie en schone en liefst kwelrijke wateren. De noordse woelmuis (Microtus oeconomus) ontbreekt echter, of hiervan zijn waarnemingen bekend uit de afgelopen 10 jaar. De Europese Otter (Lutra lutra) als vlaggensoort en sinds een paar jaar een nieuwkomer in de grotere regio is nog niet in het onderhavige gebied, inclusief het Doove Gat, vastgelegd.
Conclusie grondgebonden zoogdieren: Polder Beneden Haastrecht herbergt een representatieve en deels waardevolle gemeenschap van grondgebonden zoogdieren voor het veenweidelandschap. In het gebied komen zowel algemene soorten als egel (Erinaceus europaeus) en dwergmuis (Micromys minutus) voor, alsook enkele regionaal betekenisvolle soorten. De aanwezigheid van de Europese haas (Lepus europaeus), waarvan de populaties landelijk onder druk staan, wijst op het behoud van open graslandstructuren met voldoende voedselaanbod en rust. Hetzelfde geldt voor de kleine marterachtigen, met de hermelijn (Mustela erminae) als vlaggenschip voor de soortenbescherming in Nederland. Van bijzonder belang is de waarneming van de waterspitsmuis (Neomys fodiens) in 2022, een strikt beschermde en relatief zeldzame soort binnen de regio. Deze soort stelt hoge eisen aan de waterkwaliteit en oevervegetatie en vormt daarmee een indicator voor lokaal gunstige (kwel)watermilieus.
25
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid De zoogdiergemeenschap van de polder kan daarmee worden gekarakteriseerd als ecologisch stabiel met lokaal waardevolle elementen, waarbij vooral de aanwezigheid van soorten die gevoelig zijn voor verstoring en waterkwaliteit — zoals de waterspitsmuis — de natuurwaarde van het gebied verhoogt. Dit vraagt om nader onderzoek naar het voorkomen en habitatbelang van deze soort in de betreffende polder met plangebied
Vleermuizen Het is aannemelijk dat Polder Beneden Haastrecht, in nog nader te kwantificeren mate, functioneert als foerageergebied voor vleermuizen, waarbij verblijfplaatsen zich bevinden in bomen en gebouwen in de directe omgeving; dus niet in de open polder. Gedurende de afgelopen tien jaar zijn de volgende soorten foeragerend in de polder geregistreerd: de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), laatvlieger (Eptesicus serotinus) en gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus). Deze soorten zijn tevens vastgesteld in eerder onderzoek door de Zoogdiervereniging/VZZ in het bosgebied Bisdom van Vliet, gelegen direct ten noordwesten van het plangebied (Limpens & Van der Kuil, 2006), waarvoor toen betekenisvolle foerageerplaatsen en navigatieroutes voor vleermuizen zijn geconcludeerd. In het verleden zijn eveneens waarnemingen gedaan van de meervleermuis (Myotis dasycneme). In de afgelopen vijf jaar zijn waarnemingen van deze soort in de omgeving van Haastrecht echter schaars, hetgeen ook wordt bevestigd door het inmiddels gedateerde onderzoek van Limpens & Van der Kuil in het Bisdom van Vliet (2006). Deze gegevens geven geen uitsluitsel over het belang van Polder Beneden Haastrecht als foerageergebied of de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor deze soort, die zowel Europees als landelijk een beschermingsbelang heeft.
Het beperkte aantal waarnemingen suggereert dat de meervleermuis schaars is in het gebied, of dat juist aanvullend, actualiserend onderzoek nodig is om het huidige gebruik en het ecologisch belang volledig in kaart te brengen in verband met de huidige ruimtelijke ontwikkelingen.
Conclusie grondgebonden vleermuizen: Polder Beneden Haastrecht vervult een zekere ecologische functie als foerageergebied voor vleermuizen, met name voor algemeen voorkomende soorten zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Het gebied biedt hierdoor bijdrage aan het lokale vleermuisnetwerk, vooral in combinatie met nabijgelegen bos- en oeverstructuren als verblijfsgebied. Voor de meervleermuis (Myotis dasycneme), een soort met groot Europees en nationaal beschermingsbelang, lijkt de polder momenteel van beperkt belang, gezien de zeer schaarse waarnemingen. Dit benadrukt het potentiële nut van aanvullend onderzoek om het actuele gebruik door deze soort en mogelijke verblijfplaatsen in de omgeving nauwkeuriger vast te stellen.
26
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Ligging in of bij beschermd natuurgebied Natura 2000 Het polder- en plangebied Haastrecht-Zuid samen met natuurgebied Doove Gat bevinden zich ruimschoots op afstand van een Natura 2000-gebied, in dit geval 104 - Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein als dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Figuur 13). Een landschapsecologische relatie tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied ligt met deze afstand niet voor de hand.
Figuur 13. Ligging van het plangebied (rood doelteken) ten aanzien van het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied.
Natuurnetwerk Nederland Het betreffende poldergebied Haastrecht -Zuid valt buiten het Natuurnetwerk Zuid-Holland of is hier onlangs uitgenomen (zie Figuur 14).
27
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Figuur 14. Ligging van het plangebied Haastrecht-Zuid (rood doelteken) ten aanzien van het Natuurnetwerk Zuid-Holland) (Bron: Provincie Zuid-Holland).
Het NNN is een netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden die met elkaar verbonden worden. Het doel is om de biodiversiteit te vergroten, zodat planten en dieren zich beter kunnen verspreiden, en om de natuur weerbaarder te maken tegen invloeden als droogte en klimaatverandering. De kernwaarden van het Natuurnetwerk Zuid-Holland zijn het verbinden en versterken van natuurgebieden, het bevorderen van biodiversiteit door gevarieerde leefomgevingen, en het realiseren van een gezonde leefomgeving voor mens en natuur, met aandacht voor waterzekerheid en klimaatadaptatie. Het beleid streeft naar een natuurinclusieve samenleving waarin economische en maatschappelijke activiteiten verweven zijn met natuurlijke systemen, en waarin de natuur in goede conditie verkeert. Specifieke Kernwaarden en doelen zijn: Verbinding en versterking: Het Natuurnetwerk verbindt bestaande natuurgebieden tot een robuust netwerk om ecologische processen te ondersteunen en de biodiversiteit te vergroten. Biodiversiteit en natuurherstel: Het versterken van de natuurlijke rijkdom van de provincie, zowel in als buiten beschermde gebieden, door het herstellen van natuurlijke systemen zoals veen en watergangen. Gezonde leefomgeving: Het creëren van een leefomgeving waarin wonen, werken en recreëren in harmonie zijn met natuur en landschap. Klimaatadaptatie:
28
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid Het aanpakken van klimaatverandering door het herstellen van natuurlijke systemen, het vergroten van groenelementen in steden en het realiseren van voldoende zwemwater van goede kwaliteit. Natuurinclusief werken: Een verbindend principe waarbij in elke fase van planvorming, beleid, besluitvorming en beheer van ruimtelijke en maatschappelijke opgaven rekening wordt gehouden met de natuur, om zo een natuurinclusief Zuid-Holland in 2050 te realiseren. Economische en maatschappelijke waarde: Erkenning van de sterke maatschappelijke en economische waarde van natuur en landschap, en het bevorderen van een gezonde leefstijl en welvaart door voldoende groen en blauw. Het Natuurnetwerk is beschermd. De regels rondom bescherming en ontwikkeling zijn te vinden in de Omgevingsverordening. Natuurbescherming van het NNN-onderdeel valt onder het Programma Veenweiden Krimpenerwaard. 7 Externe werking Externe werking verwijst naar de effecten die een ontwikkeling, zelfs als deze buiten het beschermde natuurgebied plaatsvindt, kan hebben op het Natuurnetwerk Nederland. Een voorbeeld hiervan is uitstralende verlichting die de duisternis in omliggende gebieden aantast of verstoring door recreatieve intensivering, wat nadelige gevolgen kan hebben voor de biodiversiteit in het NNN.
Dit principe wordt ook door de provincie Zuid-Holland in de beoordeling van ecologische effecten gehanteerd. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de zorgplicht voor het voorkomen van zulke gevolgen van externe werking versterkt door de ETFAL-regel. Deze regel zorgt ervoor dat gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplan (de vroegere bestemmingsplannen) rekening moeten houden met de gevolgen voor natuur, ook als deze zich buiten het NNN bevinden: bij de onderhavige ontwikkeling in verband met de biodiversiteit en ecologische functies in de directe omgeving dus ook van toepassing.
Weidevogel- en ganzengebieden Het plangebied en de directe omgeving maken geen deel uit van een aangewezen weidevogelen/of ganzengebied zoals voorheen in de provincie zijn aangewezen, of deze zijn met wijzigingen van het ontwerp Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Herziening 2024 opgeheven. Zulke vogelgebieden vallen tegenwoordig onder het Actieplan Boerenlandvogels Zuid-Holland 20192027. Bij verlies van weidevogelgebied vallend binnen het NNN geldt nog wel de compensatieregel, met elders habitatversterking middels maatregelen van het hetzelfde Actieplan.
7
https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/natuur-landschap/veenweiden-krimpenerwaard/
29
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Nationaal Landschap Het Groene Hart De Krimpenerwaard met onderhavig gebied zijn sinds 2004 onderdeel van het Nationaal Landschap Het Groene Hart. Het Groene Hart is een overwegend landelijk en gevarieerd gebied, dat functioneert als een belangrijk tegenwicht voor de omliggende stedelijke gebieden. Het gebied combineert landbouw, natuur en recreatie, en biedt bewoners en bezoekers rust, ruimte en groen. Voor vogels heeft het Groene Hart een grote ecologische betekenis, met name voor weidevogels, waaronder de inmiddels bedreigde soorten zoals grutto, kievit en scholekster. De afwisseling van natte graslanden, open weilanden en waterpartijen maakt het gebied geschikt voor zowel broedende als doortrekkende weidevogels, en draagt zo bij aan het behoud van de landelijke vogelrijkdom in Nederland.
30
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
4. ECOLOGISCHE EFFECTBEOORDELING In dit hoofdstuk wordt in het licht van de beschreven ontwikkeling een ingreep-en-gevolg-relatie belicht met oog op duurzaam behoud van lokale natuurwaarden, die mede afhankelijk is van de (huidige) ecologische functionaliteit. Allereerst met opsomming van de ecologische waarden uit de voorgaande ecologische of natuurwaardenanalyse.
Ecologische waarden Samengevat herbergt het poldergebied Haastrecht-Zuid in landschapsecologische relatie met het Doove Gat, beiden als onderdeel van de Krimpenerwaard, een opmerkelijk hoge biodiversiteit en functioneert het als een belangrijk refugium. Het gebied weerspiegelt daarmee het ecologisch karakter van het oorspronkelijke Zuid-Hollandse veenweide- met weidevogellandschap. De belangrijkste beschermde soorten en natuurwaarden zijn:
Broedvogelgemeenschap: Het poldergebied beschikt over een gevarieerd broedvogelbestand, met een representatieve weidevogelgemeenschap bestaande uit de primaire soorten grutto (Limosa limosa), tureluur (Tringa totanus), kievit (Vanellus vanellus) en scholekster (Haematopus ostralegus). Deze soorten broeden in de diepere delen van de polders van het slagenlandschap nog in relatief hoge dichtheden. Moeras- en watervogelgemeenschap: In samenhang met de omliggende boezemgebieden herbergt het veenweidegebied een diverse moeras- en watervogelgemeenschap, waaronder reigerachtigen, eenden, ganzen, steltlopers en diverse zangvogels. Door geleidelijke en cumulatieve effecten van verstedelijking, infrastructuur, recreatie, landbouw en klimaatverandering is de Krimpenerwaard in de afgelopen decennia al veel van haar oorspronkelijke vogelwaarden kwijtgeraakt, en blijft de ecologische druk toenemen. Rust- en foerageerfunctie: Het poldergebied vervult een belangrijke functie als rust- en foerageergebied, in directe samenhang met het Doove Gat, dat dient als onmisbaar pleister- en refugiumgebied voor kwetsbare soorten, met name de grutto (Figuur 11), die als vlaggenschipsoort van de afnemende weidevogels een bijzondere ecologische en symbolische waarde heeft.
Met zekerheid leefgebied voor landelijk strikt beschermde diersoorten, waaronder de platte schijfhoren (Anisus vorticulus), rugstreeppad (Epidalea calamita), ringslang (Natrix helvetica) en mogelijk ook nader te onderzoeken soorten als de waterspitsmuis (Neomys fodiens).
Navolgend wordt op basis van bestaande wetenschappelijke inzichten de ecologische impact van stedelijke en recreatieve ontwikkeling op broedgebieden van weidevogels in Nederlandse poldergebieden verder besproken.
31
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Weidevogels en ruimtelijke ontwikkeling De Nederlandse veenweidegebieden waren of behoorden juist tot de belangrijkste broedlocaties voor weidevogels in Europa. Primaire weidevogelsoorten zoals de grutto, tureluur, kievit, scholekster en ook de gele kwikstaart en zomertaling zijn van oorsprong8 sterk afhankelijk van open, en bloemrijke natte graslanden voor een succesvol broedseizoen (Beintema et al., 1996). De voortschrijdende en rappe verstedelijking en recreatieve ontwikkelingen in Nederland bedreigen echter versnellend hun leefomgeving, als volgt.
Habitatverlies en versnippering Door de uitbreiding van steden, infrastructuur en recreatiegebieden verdwijnen geschikte broedgebieden van weidevogels, wat primair leidt tot verminderde broedkansen, aanwas en foerageer- en rustmogelijkheden voor weidevogels (Beintema et al., 1995; Sanders et al., 2003; Hettema, 2004; Bruinzeel & Schotman, 2011; Oosterveld et al., 2014; Bos et al., 2016; Bos et al., 2017; Wymenga & Melman, 2011; Van der Velde et al., 2020; SOVON Vogelonderzoek Nederland (2024 a, b, c &d). Areaalverkleining van geschikt en traditioneel bestaand leefgebied van primaire weidevogels wordt beschouwd als een van de hoofdoorzaken van de landelijke en ook internationale achteruitgang, naast intensiverend agrarisch landgebruik zorgend voor kwaliteitsafname. Habitatfragmentatie vergroot bovendien de dispersieafstand tussen (nog) geschikte en (genetisch ingeprente) broedgebieden van weidevogels, waardoor de samenhang binnen de oorspronkelijke populaties afneemt. Dit maakt de vogels kwetsbaarder, bijvoorbeeld voor nestpredatie, en vergroot het risico op desoriëntatie en verminderde overlevingskansen door marginalisering. Daarnaast leidt fragmentatie tot een afname van het ecologisch draagvlak, wat resulteert in een intensievere concurrentie om geschikte broed- en foerageergebieden.
Kleinere populaties in geïsoleerde, versnipperde leefgebieden lopen daardoor een verhoogd risico op lokaal uitsterven, in overeenstemming met het wetenschappelijke principe van de eilandtheorie. Daarnaast vormt de toenemende klimaatverandering een extra bedreiging voor weidevogels, vooral in gebieden die al onder druk staan door milieufactoren. Langdurige droogteperiodes, zoals die van de afgelopen jaren, verminderen de voedselbeschikbaarheid voor steltlopers, waaronder de grutto, tureluur, kievit en scholekster. Deze soorten zijn sterk afhankelijk van een voldoende aanbod aan regenwormen en insecten; ondiep met hun snavels bereikbaar in vochtige bodem (Beintema et al. 1995). Om deze negatieve effecten te keren, is een versterking van ecologische buffers noodzakelijk, in de vorm van kwalitatief hoogwaardige weidevogelgebieden met toegewijd, duurzaam en optimaal beheer gericht op voedselbeschikbaarheid en populatieaanwas.
8 Broedvogels van rustige en wijds open vochtig-natte gebieden, waaronder hoogveen, toendra, kustvlakten en steppe (Beintema et al. 1995).
32
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Figuur 15. Ook de kievit als eerst nog algemene weide- en akkervogel is inmiddels in vrije populatieval geraakt door veelvuldig verlies aan habitatkwaliteit
Verhoogde kwetsbaarheid van vogelpopulaties door stedelijke ontwikkeling De kwetsbaarheid van kleinere weidevogelpopulaties als gevolg van stedelijke uitbreiding en habitatinkapseling wordt hieronder nader toegelicht aan de hand van verschillende milieuinvloeden.
Toename van predatie en verstoring Stedelijke ontwikkeling, inclusief groenstructuren en menselijke activiteiten, trekt in wisselende mate bepaalde roofdieren van weidevogels aan, met name cultuurvolgende soorten zoals kraaiachtigen, meeuwen, vos (Vulpes vulpes), marterachtigen, egel (Erinaceus europaeus), bruine rat (Rattus norvegicus) en verwilderde katten (Felis catus). Naast hun algemene verstorende effect vormen deze predatoren een directe bedreiging voor de eieren en kuikens van weidevogels. Intensief antropogeen gebruik en de inkapseling van het landschap vergroten de predatiedruk door grondpredatoren, waaronder de vos en marterachtigen. Door het verlies van oorspronkelijke prooibasis—met name woelmuizen—zijn deze predatoren meer afhankelijk geworden van een breder voedselspectrum, waaronder het broedsel van weidevogels. Predatie kan daarom een kritische impact hebben op gebieden waar weidevogels slechts in lage dichtheden broeden, en deze impact kan zich uitbreiden door stedelijke ontwikkeling. Het is aannemelijk dat uitbreiding van woningbouw in Haastrecht-Zuid de impactzone van predatoren, bijvoorbeeld door huiskatten, zal vergroten, waardoor de reproductie en aanwas van weidevogels in het grotere poldergebied verder kan afnemen.
Toename van antropogene verstoring algemeen 33
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid Een toename van circa 300 huishoudens, met naar schatting gemiddeld 3-4 personen per huishouden, leidt naar verwachting tot hogere verkeers- en recreatiedruk in en rond het poldergebied met ook het natuurgebied Doove Gat. Dit kan de aanwezigheid en diversiteit van weidevogels negatief gaan beïnvloeden, vooral tijdens het broedseizoen, maar ook tijdens cruciale perioden zoals foerageren, rusten, vogeltrek en overwintering. Er bestaat een groeiende wetenschappelijke consensus dat antropogene verstoringen bij vogels en andere dieren leiden tot verhoogde concentraties van stresshormonen. Deze stress kan broed-, foerageer- en rustgedrag verstoren, met negatieve consequenties voor welzijn, voortplantingssucces en overleving. De effecten van afzonderlijke of gecombineerde verstoringen zijn complex en variëren per soort, tijdsduur en frequentie, vaak in interactie met andere milieufactoren. Het uiteindelijke effect is moeilijk te voorspellen en dient te worden beoordeeld aan de hand van ecologische risicoschattingen (Blumstein, 2016; Price, 2018; Gaynor et al., 2018; Goodship & Furness, 2022). De algemene consensus is dat stedelijke ontwikkelingen het welzijn van dieren die afhankelijk zijn van natuurgebieden of extensief beheerde gebieden, waaronder weidevogels, verminderen. Krijgsveld et al.
(2022) bieden een uitgebreid overzicht van de verstoringgevoeligheid van vogels met betrekking tot recreatie en de benodigde bufferzones binnen de Nederlandse context. Dit onderzoek richt zich op verschillende habitattypen en vogelgebieden met gemiddelde recreatieve activiteit. Tabel 1 geeft een samenvatting van deze bevindingen voor weide- en watervogels in het onderhavige poldergebied. Tabel 1. Verstoringsgevoeligheden van gebiedsrelevante weide- en watervogelsoorten met bufferafstanden uit het rapport over recreatiedruk op vogels van Vogelbescherming (Krijgsveld et al. 2022). Soort Zomertaling Krakeend Smient Slobeend Bergeend
Verstoringsgevoeligheid Groot Middelgroot Groot Groot Variabel
Scholekster Kluut Grutto Tureluur Kievit
Groot Groot Groot Groot Groot
Nodige bufferafstand (meter) 100-250 broedend 100-250 foeragerend 100-250 foeragerend 250-500 foeragerend 100-250 m (rustend of foeragerend) 50-100 foeragerend 250-500 foeragerend/broedend 100-250 foeragerend/broedend 50-250 foeragerend/broedend 100-250 foeragerend
Deze tabel en ook de verstoringsafstanden in Tabel 2 impliceren dat het risico op significante verstoring van de meest verstoringsgevoelige weide- en watervogels toeneemt door woningbouw met recreatieve voorzieningen en activiteiten, met intensivering van verstorende uitstraling over een groot gebied; door stedelijke uitbreiding. Een nieuwe woonwijk legt feitelijk een nieuw verstoringsfront op. Voor weidevogels betekent dat er een nieuwe verstoringszone 34
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid ontstaat tot wel 250 meter vanaf bijvoorbeeld nieuwe gebouwen en verkeersinfrastructuur (zie Figuur 16), met cumulatieve werking9.
Figuur 16. Verstoringszones die ontstaan bij scenario’s van diverse ontwikkelingen Beneden Haastrecht, op basis van de verstoringsafstanden in Tabel 2.
Dit betekent dat vooral veel broedvogels naar rustiger gebieden zullen uitwijken, waaronder stellopers die vooral de meer afgelegen polderdelen in de omgeving moeten gaan benutten, in concurrentie met broedvogels die daar al aanwezig zijn. Dit valt onder Externe werking (zie onderdeel over het Natuurnetwerk) Wat de invloed van verhoogde recreatieve druk betekent voor de grutto, zoals in verband met de rustplaatsfunctie voor deze soort van het Doove Gat, wordt in het navolgende kader (Figuur 17) uit Krijgsveld et al. (2022) aangegeven.
9
Rapport_verkenning_inrichting_Bilwijk, 8 juni 2016, Ref. 1500044A22-R16-460)
35
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Figuur 17. Factsheet verstoring en de benodigde bufferzonering voor recreatieve invloeden ten aanzien van de grutto uit Krijgsveld et al. (2022).
Licht- en geluidsvervuiling Stadsuitbreiding leidt onvermijdelijk tot een toename van ‘lichtvervuiling’, wat de natuurlijke ritmes van diersoorten, waaronder ook weidevogels, kan verstoren. Uit het onderzoek van De Molenaar et al. (2000) blijkt inderdaad dat kunstmatige lichtbronnen broedende en foeragerende grutto’s op afstand houden, waardoor het effectieve habitatgebruik met enkele honderden meters kan worden beperkt. Andere diersoorten kunnen gedesoriënteerd raken door kunstlicht. Ook geluidsbronnen, zoals verkeer en bouwactiviteiten, veroorzaken verstoring, stress en nestverstoring bij zowel broedende als rustende vogels. Uit het wetenschappelijk onderzoek van 36
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid Reijnen et al. (1996) blijkt dat een geluidsniveau van 47 dB(A) als drempelwaarde geldt voor verkeersgeluid over een etmaal, waarboven broeddichtheden van weidevogels geleidelijk beginnen af te nemen; bij waarden boven de 60 dB(A) is dit effect significant of doorslaggevend voor het permanente verlies van een broedpopulatie. In Tabel 2 worden vanuit de wetenschap afgeleide verstoringsafstanden gegeven, die bepalend zijn voor de vestiging en dichtheden van weidevogels in open graslandgebieden ten aanzien van hoog opgaande objecten en (geluids)structuren: niet alleen als gevolg van stedelijke maar ook bosontwikkeling (Bruinzeel & Schotman, 2011). Tabel 2. Gemiddelde verstoringsafstanden voor verschillende verstoringsbronnen bepalend voor de vestiging en dichtheden van weidevogels, zoals ook gehanteerd in het provinciale Werkplan Weidevogels 2007-2013 (Bron: Bruinzeel & Schotman, 2011).
Effecten op andere beschermde soorten Voor belangwekkende soorten waaronder de platte schijfhoren, rugstreeppad en ringslang betekent stedelijke ontwikkeling onherroepelijk verlies van habitat, niet alleen direct door fysiek oppervlakteverlies en slotendemping, maar ook door verstorende uitstraling met gecombineerde milieu-invloeden en mogelijk waterkwaliteitsverlies.
Conclusie: Ecologische effecten van stedelijke en recreatieve ontwikkeling in Haastrecht-Zuid op de biodiversiteit en ecologische functionaliteit Het poldergebied Haastrecht-Zuid met Doove Gat herbergt een hoogwaardige biodiversiteit, met onder meer representatieve populaties van weidevogels zoals grutto, tureluur, kievit en scholekster, een diverse moeras- en watervogelgemeenschap, en leefgebieden voor landelijk strikt beschermde soorten zoals platte schijfhoorn, rugstreeppad en ringslang. Het gebied vervult een cruciale functie als verblijfs- met rust- en foerageergebied, in samenhang met het Doove Gat, dat dient als refugium voor kwetsbare soorten, met name de grutto. 37
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid Stedelijke uitbreiding en recreatieve druk veroorzaken gecombineerd en cumulatief meerdere ecologische effecten: 1. Habitatverlies en fragmentatie: uitbreiding van bebouwing en infrastructuur verkleint en versnippert het beschikbare broed- en foerageergebied, vermindert dispersie tussen populaties en verhoogt het risico op lokale uitsterving van kleine weidevogelpopulaties. 2. Predatie: cultuurvolgende predatoren (bijvoorbeeld kraaien en huiskatten) opererend vanuit stedelijke omgeving, vormen een directe bedreiging voor eieren en kuikens, waarbij uitbreiding van woningbouw de impactzones in de Krimpenerwaard kan vergroten. 3. Antropogene verstoring: verhoogde recreatie, verkeer, licht- en geluidsvervuiling leidt tot toenemende stresseffecten bij vogels, verstoring van broed-, foerageer- en rustgedrag, en kan de aanwezigheid en dichtheid van weidevogels significant verminderen, of deze moeten uitwijken naar dichtbijgelegen gebieden in concurrentie met populaties die daar als bestaan onder bepaalde milieudruk. Kritische soorten als de grutto zijn bijzonder gevoelig voor verlies aan habitatkwaliteit door stedelijke verstoring, die over grote afstand kan gaan afspelen, of in de orde van 100–500 meter.
Dit betekent een groter verlies aan habitatkwaliteit voor de grutto en andere weidevogels dan in fysieke zin wordt verondersteld. 4. Effecten op andere beschermde soorten: soorten zoals de platte schijfhoorn, rugstreeppad en ringslang lijden onder direct verlies van habitat en de cumulatieve effecten van verstoring en veranderingen in waterkwaliteit. Stedelijke ontwikkeling en toegenomen recreatieve druk in Haastrecht-Zuid vormen een significante bedreiging voor de ecologische functionaliteit en biodiversiteit van het gebied. Effecten zijn vooral voelbaar bij kwetsbare weidevogels en strikt beschermde soorten, en betreffen zowel direct verlies van leefgebied als cumulatieve effecten zoals verstoring, predatie en habitatfragmentatie. Dit vraagt omgekeerd om duurzaam behoud van de lokale natuurwaarden met buffering, voorkomen van verstoringen en versterking met kwalitatief hoogwaardig weidevogel- en moeraslandschap.
38
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Figuur 18. Tureluur.
39
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
4. ECOJURIDISCHE DUIDING: BESCHERMING VAN SOORTEN EN NATUURGEBIEDSDOELEN Uit de voorgaande ecologische analyse blijkt dat het poldergebied Haastrecht-Zuid in ecologisch functionele samenhang met het natuurreservaat de Hooge Boezem achter Haastrecht of ‘Doove Gat’ een wezenlijke bijdrage levert aan het provinciale natuurnetwerk door de aanwezigheid van hoge biodiversiteitswaarden van de oorspronkelijk karakteristieke veenweide-ecosystemen. De voorgenomen stedelijke uitbreiding en intensivering van recreatiegebruik brengen deze natuurwaarden in toenemende mate onder druk. Daarmee komt niet alleen de lokale (landschaps)ecologische functionaliteit van het gebied in bredere zin, maar ook de juridische bescherming van soorten en habitats in het geding.
Landelijk en Europees beschermde soorten Binnen en in de directe invloedssfeer van het plangebied komen diverse soorten voor die vallen onder de bescherming van nationale en Europese natuurwetgeving. Hieronder vallen onder meer primaire weidevogels zoals de grutto (Limosa limosa), tureluur (Tringa totanus), kievit (Vanellus vanellus) en scholekster (Haematopus ostralegus), evenals strikt beschermde soorten als de platte schijfhoren (Anisus vorticulus), rugstreeppad (Epidalea calamita), ringslang (Natrix helvetica) en mogelijk ook de heikikker (Rana arvalis) en waterspitsmuis (Neomys fodiens). Voor een aantal van deze soorten geldt dat hun staat van instandhouding in Nederland ongunstig tot zeer ongunstig is. Anderen zijn kwetsbaar. Volgens de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) dienen lidstaten, waaronder Nederland, maatregelen te treffen om verdere achteruitgang van deze soorten te voorkomen en herstel te bevorderen. De Krimpenerwaard met nog veel oorspronkelijke veenweidenatuur vervult hierin een functie als kerngebied binnen het provinciale natuurbeleid (onder meer verwoord in het Actieplan Boerenlandvogels 2019-2027) en binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Tabel 3 geeft een uiteenzetting van de meest uitspringende beschermde en andere belangwekkende natuurwaarden die op basis van de ecologische effecten-analyse aannemelijk in meer of mindere mate benadeeld gaan worden binnen de invloedsfeer van de beschreven nieuwbouw.
40
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid Tabel 3. Beschermde soorten van poldergebied Haastrecht-Zuid – Haastrecht-Zuid in ecologische samenhang met het Doove Gat, gemotiveerd vallend binnen de invloedsfeer of nadelige effecten van de nieuwe verstedelijking. Natuurwaarde
Beschermingsstatus10 en ander relevant natuurbeschermingsbeleid Aanvullend onderzoek?
Platte schijfhoren Anisus vorticulus
Landelijk beschermde soort Nederland draagt internationale verantwoordelijkheid voor bescherming van deze aan veenweide gebonden slakkensoort Regionaal tot lokaal voorkomend in veenweide- en natuurgebieden.
Veenmol Gryllotalpa gryllotalpa Grote modderkruiper Misgurnus fossilis
Rugstreeppad Epidalea calamita
Heikikker Rana arvalis
Ringslang Natrix helvetica
Zomertaling Spatula querquedula
Toepasselijke bescherming ten aanzien van belangrijke en aannemelijke bedreigingen voor populaties Beschermde soorten conform art 11.46, lid 1, onder a en e, Bal: Van nature in Nederland voorkomende soorten van de Habitatrichtlijn, bijlage IV Verstedelijking, bosaanleg en het dempen van sloten.
Actualiserend soortgericht onderzoek in het plangebied en omgeving noodzakelijk Rode Lijst: kwetsbaar
Verdroging
Landelijk beschermde soort Rode Lijst: kwetsbaar
EU Habitatrichtlijn Verstedelijking en slootdemping
Actualiserend soortgericht onderzoek in het plangebied en omgeving noodzakelijk Landelijk beschermde soort Rode lijst: Thans niet bedreigd Actualiserend soortgericht onderzoek in het plangebied en omgeving noodzakelijk Landelijk beschermde soort Rode lijst: Thans niet bedreigd Actualiserend soortgericht onderzoek in het plangebied en omgeving noodzakelijk Landelijk beschermde soort Rode Lijst: Kwetsbaar Actualiserend soortgericht onderzoek in het plangebied en omgeving noodzakelijk
EU Vogelrichtlijn Rode lijst: Bedreigd
EU Habitatrichtlijn Verstedelijking, verkeersintensivering en dempen van (ondiepe) sloten.
EU Habitatrichtlijn Verstedelijking, verkeersintensivering, afname waterkwaliteit en dempen van sloten A. Soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a, Bal Verstedelijking, verkeersintensivering, afname waterkwaliteit en dempen van wateren. Europese Vogelrichtlijn Verlies habitat, waaronder rust- en foerageergebied
Staat van Instandhouding is Zeer ongunstig.
10 https://minez.nederlandsesoorten.nl/zoeken-naar-soort
41
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid Natuurwaarde
Beschermingsstatus10 en ander relevant natuurbeschermingsbeleid Aanvullend onderzoek?
Toepasselijke bescherming ten aanzien van belangrijke en aannemelijke bedreigingen voor populaties
Grutto Limosa limosa
EU Vogelrichtlijn
Europese Vogelrichtlijn
Rode lijst: Gevoelig
Zeer gevoelig voor verstoring door onder meer landschappelijke inkapseling door hoogstaande objecten, recreatie, verdroging en landbouwintensivering.
Icoonsoort voor Zuid-Holland Staat van Instandhouding is Zeer ongunstig. Jaarrond beschermde rustplaatsen in Fryslân. Tureluur Tringa totanus
Kievit Vanellus vanellus
Scholekster Haematopus ostralegus
Kluut Recurvirostra avosetta
EU Vogelrichtlijn
Europese Vogelrichtlijn
Rode lijst: Gevoelig
Zeer gevoelig voor verstoring door onder meer landschappelijke inkapseling door hoogstaande objecten, recreatie, verdroging en landbouwintensivering.
Staat van Instandhouding is Zeer ongunstig. Jaarrond beschermde rustplaatsen in Fryslân. . EU Vogelrichtlijn Staat van Instandhouding is Zeer ongunstig.
Gevoelig voor met name landbouwintensivering en in mindere mate voor andere menselijke milieudruk, waaronder recreatie.
EU Vogelrichtlijn
Europese Vogelrichtlijn
Staat van Instandhouding is Zeer ongunstig. Jaarrond beschermde rustplaatsen in Fryslân.
Gevoelig voor met name landbouwintensivering en in mindere mate voor andere menselijke milieudruk, waaronder recreatie. Europese Vogelrichtlijn
EU Vogelrichtlijn Staat van Instandhouding is Matig ongunstig.
Gele kwikstaart Motacilla flava
EU Vogelrichtlijn Rode lijst: Gevoelig Staat van Instandhouding is Zeer ongunstig.
Graspieper
Europese Vogelrichtlijn
EU Vogelrichtlijn
Gevoelig voor met name landbouwintensivering en in mindere mate voor andere menselijke milieudruk, waaronder recreatie. Europese Vogelrichtlijn Gevoelig voor met name landbouwintensivering en in mindere mate voor andere menselijke milieudruk, waaronder recreatie. Europese Vogelrichtlijn
42
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid Natuurwaarde
Beschermingsstatus10 en ander relevant natuurbeschermingsbeleid Aanvullend onderzoek?
Toepasselijke bescherming ten aanzien van belangrijke en aannemelijke bedreigingen voor populaties
Rode lijst: Gevoelig
Gevoelig voor met name landbouwintensivering en in mindere mate voor andere menselijke milieudruk, waaronder recreatie. Gevoelig voor met name landbouwintensivering en landschappelijke verdichting.
Anthus pratensis
Staat van Instandhouding is Zeer ongunstig. Veldleeuwerik Alauda arvensis
EU Vogelrichtlijn Rode lijst: Gevoelig Staat van Instandhouding is Zeer ongunstig.
Waterspitsmuis Neomys fodiens
Landelijk beschermde soort Rode Lijst NL (2020): thans niet bedreigd Actualiserend soortgericht onderzoek in het plangebied en omgeving noodzakelijk
Vleermuizen
EU Habitatrichtlijn
Kwetsbaar voor verdwijnen natuurlijke en dichte oevervegetatie en intensivering van verkeer en recreatie binnen en rondom leefgebied. Afname veilige dispersiemogelijkheden. Verslechtering voedselbasis. Europese Habitatrichtlijn
Informatie over het belang van terreingebruik (jacht- en navigatie- of trekgebied) voor de Meervleermuis ontbreekt. Actualiserend soortgericht onderzoek in het plangebied en omgeving noodzakelijk, met name in verband met de meervleermuis
Juridisch kader De bescherming van natuur en soorten is sinds 1 januari 2024 geïntegreerd in de Omgevingswet, waarin de bepalingen uit de voormalige Wet natuurbescherming (Wnb) zijn opgenomen. In samenhang met de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn geldt het volgende juridische kader voor het projectgebied: 1. Gebiedsgerichte bescherming Verstoring of aantasting (middels Externe werking) van in dit geval onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland met specifieke kernwaarden en doelstellingen is uitsluitend toegestaan indien is aangetoond dat: o Er geen significant negatieve effecten optreden, of; o er mitigerende en/of compenserende maatregelen worden getroffen die de ecologische integriteit van het gebied waarborgen. 2. Soortenbescherming Op grond van artikel 11.75 van de Omgevingswet (voorheen artikel 3.5 Wnb) is het ver43
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid boden om beschermde soorten opzettelijk te verstoren, hun voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Ontheffing hiervan is slechts mogelijk wanneer: o Sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang (bijvoorbeeld woningbouw van openbaar belang); o geen redelijk alternatief aanwezig is, en; o adequate mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen om de populaties duurzaam te waarborgen. 3. Cumulatieve effecten Bij de ecojuridische beoordeling moeten naast directe effecten ook indirecte en cumulatieve effecten worden meegenomen. Dit betreft met name de optelsom van habitatverlies, versnippering, predatie- en verstoringseffecten die reeds bijdragen aan de landelijke afname van weidevogels en andere open-landsoorten.
Conclusie en juridische implicatie De geplande stedelijke uitbreiding in Haastrecht-Zuid raakt aantoonbaar aan beschermde soorten en ecologische waarden of functies binnen de Krimpenerwaard, waaronder ook de ecologische netwerkfunctie met Externe werking (zie ook Figuur 16). Volgens de geldende ecojuridische kaders kan uitvoering van het plan alleen plaatsvinden na een volledige natuurtoets conform de Omgevingswet en de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Indien uit deze toets blijkt dat significante negatieve effecten niet uit te sluiten zijn of sprake is van een zogenoemde Flora en Fauna activiteit, is een ontheffing of vergunning op grond van soortenbescherming noodzakelijk. Gezien de huidige ongunstige staat van instandhouding van meerdere betrokken soorten, de functie van het gebied als refugium en ecologische schakel binnen het NNN, en de cumulatieve druk op de weidevogelpopulaties, ligt de juridische lat voor toelaatbaarheid in deze casus hoog. Alleen bij overtuigende onderbouwing van het maatschappelijk belang, gecombineerd met effectieve mitigatie en compensatie, kan de ontwikkeling juridisch worden verantwoord.
Soortenbescherming In het licht van de vigerende natuurbeschermingswetgeving betekent dit verder het volgende: De Omgevingswet, en in het bijzonder het Beschermingsregime in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), bepaalt dat wanneer een activiteit mogelijk schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten (een zogenaamde Flora- en fauna-activiteit11), deze kritisch moet worden beoordeeld. Dit geldt met name bij ecologische risico’s zoals met zekerheid in de onderhavige planvorming aan de orde als volgt:
11 https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/activiteiten-natuur/flora-en-fauna-activiteit/florafauna-activiteit/
44
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Significante (integrale en cumulatieve) verstoring van soorten door antropogene milieuinvloeden. Aantasting van essentiële habitatkwaliteiten, zoals het verminderen van essentiële voortplantingsplaatsen samen met voedsel- of foerageergebied en rustgebied (zoals in de effecten-beoordeling gemotiveerd). In de huidige casus ook de verzamelfunctie voor arriverende en tijdelijk pleisterende weidevogels, de grutto in het bijzonder. Sterfte van individuen, bijvoorbeeld door directe ingrepen of gecombineerd door veranderende milieufactoren > aannemelijk door verstoring, verplaatsing en vestiging met concurrentie in rijkere weidevogelgebieden of gemarginaliseerd in arme gebieden.
Uit het voorgaande onderzoek blijkt dat minstens 12-13 ecologisch en juridisch belangwekkende soorten fauna binnen het plangebied Haastrecht-Zuid en de aannemelijke invloedsfeer daarvan voorkomen. Waaronder broedende, rustende en foeragerende weideen andere vogels met een landelijk ongunstige staat van instandhouding. Andere soorten vragen nog om vaststelling of uitsluiting. Gezien de optelsom van negatieve milieueffecten – zoals voortschrijdende habitatverlies, hydrologische veranderingen en daar bovenop ook klimaatverandering – ontstaat een cumulatief risico dat deze soorten structureel worden benadeeld en daarmee uit het gebied zullen verdwijnen, met nadelige gevolgen voor de grotere populaties binnen de Krimpenerwaard, maar ook landelijk. Daarmee ontstaat een duidelijke juridische wrijving met bepalingen binnen de Omgevingswet, specifiek op het gebied van: 1. Soortenbescherming: De bescherming van soorten volgens nationale regelgeving (voorheen Wet natuurbescherming) en de verplichtingen van de Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn, weidevogels in het bijzonder (zie navolgend). 2. Biodiversiteitsbeleid: De gevolgen van aantasting van soorten moeten zorgvuldiger worden getoetst aan nationale en Europese biodiversiteitsdoelstellingen 3. Provinciaal Natuurbeleid: De voor ogen staande ontwikkelingen lijken strijdig te zijn met het provinciale weidevogelbeleid.
Hierbij rijst ook de vraag of eventuele compenserende maatregelen effectief zouden kunnen zijn, specifiek met betrekking tot de onderlinge ecologische relaties tussen de polders bij Haastrecht en het Doove Gat als pleister- en broedgebied voor veel soorten vogels.
Nederlandse verantwoordelijkheid internationale weidevogelbescherming Hoogleraar natuurrecht aan de Universiteit van Tilburg Trouwborst (2016) schrijft het volgende over de internationale verantwoordelijkheid voor de bescherming van weidevogels, waarvan ons land een groot deel van de wereldpopulatie herbergt. Trouwborst gaat in op de vraag in hoeverre Nederland voldoet aan zijn internationale en Europese verplichtingen om weidevogels effectief te beschermen, in het bijzonder onder de EU Vogelrichtlijn? Belangrijke (kritiek)punten
45
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid ook relevant voor het onderhavige casus zijn onderstreept in de onderstaande concluderende tekst van Trouwborst. Nederland heeft een bijzondere verantwoordelijkheid ten aanzien van weidevogels als de grutto, kievit en scholekster, met name omdat het (nog steeds) een belangrijk aandeel herbergt van de Europese broedpopulaties van deze soorten. De Nederlandse aantallen van veel soorten weidevogels laten al geruime tijd een zorgwekkende achteruitgang zien12. Zo is de grutto met meer dan 60% achteruitgegaan in de afgelopen decennia en die achteruitgang is de laatste jaren alleen maar heviger geworden. De belangrijkste oorzaak van de achteruitgang van de weidevogels in Nederland is het gebrek aan broedsucces in de graslanden die als broedgebied fungeren. Graslanden zijn vanuit weidevogelperspectief zowel in omvang als in kwaliteit sterk achteruitgegaan door de intensivering van de landbouw, die grotendeels op maximale productie is gericht. Om het tij te keren zijn vergaande effectieve maatregelen nodig om de broedgebieden van weidevogels te beschermen. Het onderzoek wijst uit dat Nederland ten aanzien van weidevogels inbreuk heeft gemaakt, en nog steeds maakt, op verschillende internationale en Europese verplichtingen.
In vrijwel alle gevallen zijn de geconstateerde schendingen niet incidenteel, maar structureel van aard. Met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid kan gesteld worden dat Nederland ten aanzien van weidevogels al geruime tijd niet voldoet aan drie cruciale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR), betreffende populatieniveaus (artikel 2), leefgebieden (artikel 3) en generieke soortenbescherming (artikel 5): Artikel 2 van de VR verplicht Nederland om alle nodige maatregelen te nemen om de populaties van alle soorten weidevogels op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Artikel 3 verplicht Nederland om alle nodige maatregelen te nemen om voor alle soorten weidevogels een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen. Artikel 5 verplicht Nederland tot het verbieden van het opzettelijk doden van weidevogels, het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten en eieren en het opzettelijk storen van vogels, met name gedurende de broedperiode.
Mogelijk wordt daarnaast ten aanzien van weidevogels inbreuk gemaakt op: Artikel 4, dat Nederland verplicht tot het treffen van speciale beschermingsmaatregelen, in het bijzonder door aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden voor weidevogels en het nemen van maatregelen buiten deze gebieden om vervuiling en verslechtering van de leefgebieden te voorkomen.
12 Tevens onderschreven door de Rekenkamer https://www.rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2021/12/14/waar-is-de-grutto
46
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Artikel 13, dat Nederland verplicht om verslechtering te voorkomen van de populaties van weidevogels en de gevarieerdheid en omvang van hun leefgebied ten opzichte van de situatie in 1979/1981. Het onderzoek wijst verder uit dat het er alle schijn van heeft dat Nederland ten aanzien van weidevogels ook niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen onder het Verdrag van Bern inzake Natuurbescherming in Europa en het Verdrag inzake Afrikaans-Euraziatische Watervogels (AEWA). De inbreuk op deze verplichtingen vloeit voort uit het feit dat de Nederlandse overheid de dringend benodigde, vergaande maatregelen voor de instandhouding van de diverse weidevogels en hun leefgebieden tot op heden achterwege heeft gelaten.
Het rapport signaleert in dit verband onder meer het niet of nauwelijks aanwijzen van Natura 2000-gebieden voor broedende weidevogels onder de Natuurbeschermingswet; het niet of nauwelijks inzetten van andere instrumenten voor gebiedenbescherming, zoals de ‘beschermde leefomgeving’ onder de Flora- en faunawet; het niet daadwerkelijk voorkomen dat (jonge) weidevogels gedood en nesten en eieren vernield of beschadigd worden door agrarische activiteiten; de afwezigheid van soortenbeschermingsplannen voor weidevogels; de zeer gebrekkige toepassing van de leefgebiedenbenadering; de geringe dekking van weidevogelgebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland; het verhoudingsgewijs geringe gewicht dat vaak aan het weidevogelbelang wordt toegekend in besluitvorming in het kader van de ruimtelijke ordening; en de ineffectiviteit van maatregelen ter bevordering van agrarisch natuurbeheer. In verband met deze laatste categorie wordt in herinnering geroepen dat ook bij het nieuwste maatregelenpakket voor agrarisch natuurbeheer van meet af aan grote twijfel bestaat aan de effectiviteit ervan. Het rapport van Trouwborst (2016) wijst op een grote achterstand in het daadkrachtig beschermen van de Nederlandse weidevogels, zoals ook in de onderhavige casus dreigt te geschieden.
Deze zorg wordt doorgaans onderschreven in het Actieplan Boerenlandvogels Zuid-Holland 2019-2027 (Provincie Zuid-Holland, 2019), waarin het primaire doel is geen verdere afname in 2022 en een toename van 5% van het aantal gruttoparen in 2027 vergeleken met de periode 2013-2015.
Juridische consequenties Voor de onderhavige casus betekent de gegeven ecologische effecten-analyse en die van de compensatie-effectiviteit dat vooralsnog een gedegen juridische afweging noodzakelijk is. Dit kan inhouden dat: Een ontheffing meer kritische beschouwing nodig heeft op basis van de Omgevingswet voor het verstoren of verwijderen van landelijk strikt beschermde 47
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid soorten in het licht van maatschappelijke noodzaak en alternatieven tegenover het internationale natuurbeschermingsbelang voor zeer kwetsbare soorten. Effectief of wetenschappelijk bewezen maatregelen moeten worden genomen om significante effecten te voorkomen dan wel met garantie te compenseren, en dus ook worden getoetst op duurzaamheid. Bij strijdigheid met de wet en het natuurbeleid voor behoud en versterking van de Nederlandse biodiversiteit in het bijzonder weidevogels met internationale verantwoordelijkheid, de ontwikkeling eigenlijk niet vergund kan worden en mogelijk zelfs extra maatregelen moeten worden genomen om de onderhavige populaties in Haastrecht-Zuid in ecologische samenhang met natuurreservaat Doove Gat te beschermen. Tevens in het licht van behoud en versterking van het Natuurnetwerk, waarvoor het begrip Externe werking in Zuid-Holland ook van toepassing is.
Eindconclusie en aanbeveling Gezien de in deze rapportage gemotiveerde en niet te verwaarlozen ecologische risico’s van het initiatief woningbouw Haastrecht-Zuid volgt hieruit de aanbeveling – aan het bevoegd gezag om het plan op zowel ecologische als ecologische gronden vooralsnog grondig te laten toetsten aan de wettelijke vereisten onder de toepasselijke natuurwetgeving en tevens aan het provinciale natuurbeleid, in het bijzonder dat voor de versterking van weidevogelpopulaties.
48
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid
Bronnen 1. Andrewartha, H.G. & Birch, L.C. (1986). The Ecological Web: More on the Distribution and Abundance of Animals. University of Chicago Press. 2. Agrarisch Collectief Krimpenerwaard (2023). Weidevogelverslag 2023. 3. Backes, C.W. et al. (2024). Natuur in de Omgevingswet. Boom Juridisch, Den Haag. 4. Beintema, A. et al. (1995). Ecologische atlas van de Nederlandse weidevogels. Schuyt & Co, Haarlem. 5. Blair, R. (2003). The effects of urban sprawl on birds at multiple levels of biological organization. Ecology and Society, 9(5). https://doi.org/10.5751/ES-00688-090502. 6. Blumstein D.T. (2016). Habituation and sensitization: new thoughts about old ideas. Animal Behaviour 120: 255-262. 7. Bos, D. & Biezenaar, P. (2009). Actualisatie ecologische beoordeling aanleg Overijsselseweg te Leeuwarden. A&W-rapport 1294. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden. 8. Bos, D. et al. 2016. Adres onbekend. Verplaatsingen van Grutto’s als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen rond Leeuwarden. A&W-rapport 2057. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. 9. Bos, D. et al. (2017). Effecten van habitatverlies op grutto en andere weidevogels. De Levende Natuur 18(2):40-46. 10. Bötsch, Y., Tablado, Z., & Jenni, L. (2017). Experimental evidence of human recreational disturbance effects on bird-territory establishment. Proceedings of the Royal Society B, 284, 20170846.
https://doi.org/10.1098/rspb.2017.0846. 11. Boyes, D.H. et al. (2021). Street lighting has detrimental impacts on local insect populations. Sci. Adv. 7. 12. Bruinzeel, L.W. & Schotman, A.G.M. (2011). Onderbouwing verstoringsafstanden werkplan weidevogels in Fryslân, A&W rapport 1624/Alterra rapport 2184 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden/Alterra Wageningen. 13. Cramp, S., et al. (1978). BWPi 2.0.3: Birds of the Western Palearctic interactive. Oxford University Press, Oxford. 14. Da Silva, A. et al. (2014). Artificial night lighting rather than traffic noise affects the daily timing of dawn and dusk singing in common European songbirds. Behavioral Ecology 25(5): 1037–1047. 15. Doherty, T.S., Hays, G.C., & Driscoll, D.A. (2021). Human disturbances cause widespread disruption of animal movement. Nature Ecology & Evolution, 5, 513-519. 16. Dreef, C. & J. van der Winden 2020. Broedsucces en ruimtegebruik van grutto’s in de Krimpenerwaard: Studie met zenders in natuur- en agrarisch gebied. Rapport 2020-01, Camilla Dreef, Amsterdam 17. Fahrig, L. (2003). Effects of Habitat Fragmentation on Biodiversity. Annual Review of Ecology, Evolution, and Systematics, 34(1), 487-515. 18. Fikenscher, A. et al. (2015). Invloed van broedgebiedkwaliteit op het vermijden van wegen door nestelende Grutto’s. De Levende Natuur 116 (2): 51–56. 19. Ford, D.E. (2000).
Scientific Method for ecological research, Cambridge University Press. 20. Forman, R.T.T., & Godron, M. (1986). Landscape ecology. John Wiley & Sons, New York. 21. Forman, R.T.T. (1995). Land Mosaics: The Ecology of Landscapes and Regions. Cambridge University Press, Cambridge. 49
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid 22. Gaynor, K.M., et al. (2018). The influence of human disturbance on wildlife. Science, 360(6394), 1233-1235. 23. Goodship, N.M. & Furness, R.W. (MacArthur Green) (2022). Disturbance Distances Review: An updated literature review of disturbance distances of selected bird species. NatureScot Research Report 1283. 24. Hettema, H. (2004). Grondrecht voor de grutto. Uitgeverij Noordboek. 25. Hill, D., et al. (1997). Bird Disturbance: Improving the Quality and Utility of Disturbance Research. Journal of Applied Ecology, 34, 275-288. 26. Hilty, J.A., et al. (2006). Corridor ecology: The science and practice of linking landscapes for biodiversity conservation. Island Press, Washington. 27. Kentie, R. et al. (2014). Age-dependent dispersal and habitat choice in black-tailed godwits Limosa limosa limosa across a mosaic of traditional and modern grassland habitats. Journal of Avian Biology 45: 396–405. 28. Krijgsveld, K.L., Klaassen, B., & van der Winden, J. (2022). Verstoring van vogels door recreatie. Literatuurstudie van verstoringsgevoeligheid en overzicht van maatregelen. Deel 1 hoofdrapport & deel 2 soortbesprekingen. Uitgave Vogelbescherming Nederland, Zeist. 29. Kok E., P. van Horssen & J. van der Winden 2022. Effecten van vernatting op aantallen en verspreiding van vogels in De Nesse en Berkenwoude.
De invloed van peilverhoging en afplaggen op vogelsoorten van veengraslanden 2017-2021. Rapport 2021-09, Jan van der Winden Ecology, Utrecht. 30. Laidlaw, R.A. & Smart, J. (2015). The influence of landscape features on nest predation rates of grassland-breeding waders. Ibis 157(4). 31. Limpens, H. J. G. A. & R. van der Kuil (2006). Vleermuizen in het projectgebied ‘Bos en Water’ te Haastrecht. Rapportagenr. 2006.14, Zoogdiervereniging VZZ, Nijmegen. 32. Loss, S.R., et al. (2013). The impact of free-ranging domestic cats on wildlife of the United States. Nature Communications, 4. 33. Longcore, T., & Rich, C. (2004). Ecological Light Pollution. Frontiers in Ecology and the Environment, 2(4), 191-198. 34. Macdonald, M. & Bolton, M. (2008). Predation on wader nests in Europe. Ibis 150:54-73. 35. Mayfield, H. (1961). Nesting success calculated from exposure. Wilson Bulletin 73: 255– 261. 36. Molenaar, J.G. de et al. (2003). Wegverlichting en natuur III: lokale invloed van wegverlichting op een gruttopopulatie. Wageningen, Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte. Alterra-rapport 64. 37. Molenaar, J.G. de (2003). Lichtbelasting. Overzicht van de effecten op mens en dier. Wageningen, Alterra, Research Instituut voor de Groene Ruimte. Alterra-rapport 778. 38. Molenaar, E. (2024). Neonicotinoids Impact All Aspects of Bird Life: A Meta-Analysis. Ecology Letters.
https://doi.org/10.1111/ele.14534. 39. Newton, I. (2013). Bird populations. Harper Collins. 40. Onrust, J. (1989). Earth, worms & birds. Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen. 41. Oosterveld, E.B. & Wymenga, E. (2005). Kwaliteitscriteria voor weidevogelpopulaties, met toetslijst. A&W-rapport 412, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.
50
EcoNatura rapportage 2025-066 – Natuurwaardenonderzoek Haastrecht-Zuid 42. Oosterveld, E.B., et al. (2005). Kwaliteitscriteria voor weidevogelgebieden met toetslijst. A&W-rapport 412, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. 43. Oosterveld, E.B. (2011). Weidevogels en predatie: Een literatuuroverzicht. A&W-rapport 1448, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. 44. Oosterveld, E.B., et al. (2014). Ecologie van weidevogels: Kennisbundeling voor bescherming en beheer. A&W-rapport 1831, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. 45. Partecke, J., et al. (2006). Stress and the city: Urbanization and its effects on the stress physiology in European blackbirds. Ecology, 87(8), 1945-1952 46. Price, M. (2018). The impact of human disturbance on birds: a selective review. Australian Zoologist. DOI: 10.7882/FS.2008.023. 47. Provincie Zuid-Holland Actieplan (2019) Boerenlandvogels Zuid- Holland 2019-2027. Provincie Zuid-Holland. 48. Poot M.J.M., P.W. van Horssen & J. van der Winden 2023. Trends en de verspreiding van vogels van vochtige graslanden in de Krimpenerwaard 1990-2021. Rapport 2023-01, Martin Poot Ecology, Culemborg. 49. Sanders, M. et al. (2003). Effectiviteit van agrarisch natuurbeheer voor weidevogels – Literatuuronderzoek. Wageningen, Nature Policy Assesment Office, Wageningen, Planbureaurapport 2. 50. Schie, M. van & Visser, T. (2015).
Hydrologische maatregelen voor weidevogels. Vakblad Natuur, Bos, Landschap. 51. Slabbekoorn, H. (2024) A sound beginning of life starts before birth. Long-term impact from prenatal noise exposure in birds should raise general concern. Science 384(6694):380-382. 52. SOVON Vogelonderzoek Nederland (2024a). Bouwsteen A156 Grutto niet-broedvogel. Nijmegen. 53. SOVON Vogelonderzoek Nederland (2024b). Bouwsteen A142 Kievit niet-broedvogel. Nijmegen. 54. SOVON Vogelonderzoek Nederland (2024c). Bouwsteen A162 Tureluur niet-broedvogel. Nijmegen. 55. SOVON Vogelonderzoek Nederland (2024d). Bouwsteen A130 Scholekster nietbroedvogel. Nijmegen. 56. Therivel, R., & Wood, G. (2017). Methods of Environmental and Social Impact Assessment. Routledge. 57. Trouwborst, A. (2016). Weidevogels en de Europese en internationale verplichtingen van Nederland: een juridische analyse. Rapport in opdracht van Vogelbescherming Nederland. Tilburg University. 58. Tulp, I. et al. (2002). Effect van treinverkeer op dichtheden weidevogels. Rapport 02-034, Bureau Waardenburg, Culemborg. 59. Velde, E. van der et al. (2020). De Grutto Monitor 2012-2019. Onderzoeksrapport Conservation Ecology Group, Groningen Institute for Evolutionary Life Sciences (GELIFES), Rijksuniversiteit Groningen. 60. Winden, J. van der et al. (2013). De purperreiger als logé; slaapplaatsen en foerageergebieden in Zuid-Holland.