4.6 Ter afweging individuele fracties - Dhr. A. Bodegom, Bouwplannen Bergambacht-Oost, Een slecht plan - Beter alternatief
Tekst van het document
zal worden. Een deel van de bestaande agrarische bedrijven in deze gebieden dienen zich elders te vestigen. De Dienst Landelijk Gebied (DLG) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is momenteel zoekende naar eventueel vervangende locaties.
Inmiddels is de begrenzing van het te ontwikkelen natuurgebied vastgelegd. Voor de gemeente Bergambacht houdt dit in dat een groot deel ten noordwesten van Berkenwoude (zuidelijk deel van de Achterbroek), een deel ten noordwesten van de kern Bergambacht en een klein deel aan de zuidwestkant van de gemeentegrens als natuurgebied ontwikkeld
69
70 ARCHEOLOGIE
ZIE BIJLAGE
6.6 Ruimtelijke structuur Beleid Nota Ruimte Op 23 april 2004 is de Nota Ruimte, het derde deel van de PKB Nationaal Ruimtelijk Beleid ofwel de regeringsbeslissing, vastgesteld. Hierin is het nationaal ruimtelijk beleid voor de periode 2004 tot 2020 met een doorkijk naar 2030 op hoofdlijnen vastgelegd dat voorheen in de afzonderlijke nota’s - Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening, het Tweede Structuurschema Groene Ruimte (SGR2) en het Nationaal Verkeers- en Vervoersplan (NVVP) - was opgenomen. De nota bevat geen concrete beleidsbeslissingen, maar stelt een aantal beleidsdoelen als leidraad voor de ontwikkelingen in de komende periode. Hoofddoel is ruimte te scheppen voor de verschillende ruimtevragende functies. SpeciÞek richt het rijksbeleid zich op: • versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland; met name door voldoende ruimte te reserveren voor de ontwikkeling van bedrijven in (groot)stedelijk gebied; • krachtige steden en een vitaal platteland; investeren in leefbaarheid en veiligheid; • borging en ontwikkeling van belangrijke (inter) nationale ruimtelijke (natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische) waarden; • borging van de veiligheid; aandacht voor de waterproblematiek en externe veiligheidsaspecten. Gemeenten krijgen voldoende ruimte om te voorzien in de natuurlijke bevolkingsaanwas.
Dit geldt tevens voor het landelijk gebied, waar vooral starters en ouderen moeite hebben aan een geschikte woning te komen, waardoor de sociale samenhang (evenwichtige bevolkingssamenstelling) onder druk komt te staan. Het provinciale respectievelijk regionale ruimtelijk beleid biedt elke gemeente de mogelijk-
heid om het aantal woningen te bouwen dat nodig is waneer het saldo van alle verhuisbewegingen op nu wordt gesteld. Dit wordt ook wel de ‘migratiesaldo nul’- bendering genoemd. Daarnaast wordt voldoende ruimte geboden voor lokaal georiënteerde bedrijvigheid. Een deel van de ruimtevraag van burgers, bedrijven en voorzieningen kan in het bestaande bebouwd gebied worden geaccommodeerd. Een optimale benutting van het bebouwd gebied blijft van groot belang. Zowel hoogbouw als ondergrond bouwen kunnen daarbij een rol spelen. Bedrijventerreinen voldoen niet altijd meer aan de huidige eisen. Soms is revitalisering een optie, maar in geval van functieverlies (zoals bij verouderde spoorwegemplacementen, have- en industriegebieden) kan transformatie in nieuwe woon- en werkgebieden een reële mogelijkheid zijn. De kwaliteit van steden en dorpen wordt mede bepaald door landschappelijke en recreatieve mogelijkheden in de directe omgeving. De beschikbaarheid van bereikbare en toegankelijke ‘groene’ en ‘blauwe’ recreatievoorzieningen rondom de (grote) steden houdt geen gelijke tred met de vergaande verstedelijking van de laatste jaren. Met name in en rondom de grote steden van de Randstaat bestaat een groot tekort aan vaar-, Þets-, wandel- en andere ‘groene’ en ‘blauwe’ recreatiemogelijkheden.
In nationale landschappen, zoals het Groene Hart, moeten cultuurhistorische en natuurlijk kwaliteiten behouden blijven, duurzaam beheerd en waar mogelijk worden versterkt. De grondgebonden landbouw is een belangrijke drager van het cultuurlandschap. Om die betekenis te kunnen handhaven is een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw in de nationale landschappen gewenst. Omdat de productie van agrarische producten niet altijd voldoende
71
72 CULTUURHISTORIE
ZIE BIJLAGE
oplevert om een landbouwbedrijf op lange termijn te continueren, kan verbreding van de bedrijfsvoering nieuwe kansen bieden en bijdragen aan voorzetting van het agrarisch beheer van het cultuurlandschap. In het Groene Hart is aandacht nodig voor een ontwikkelingsgerichte en gebiedsgerichte benadering. Naast de landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden van dit gebied, moeten de economische en toeristisch- recreatieve aspecten, alsmede de betekenis die het gebied heeft voor wonen en werken, worden betrokken. In de Nota Ruimte worden het verkavelingspatroon, het groene karakter door beplante dijken en kades en de grote mate van openheid als kernkwaliteiten van de ‘waarden’ (waaronder Krimpenerwaard) genoemd.
Streekplan Zuid-Holland Oost Algemeen Het streekplan Zuid-Holland Oost, dat door provinciale staten is vastgesteld op 12 november 2003, vervangt het oude streekplan volledig, met dien verstande dat de beslissing uit 2001 omtrent de bebouwingscontouren grotendeels van kracht blijft. Inmiddels geldt een tweede herziening (24 mei 2006) van de streekplantekst en zijn de contouren van de kernen Bergambacht en Berkenwoude aangepast. De planperiode loopt tot 2015. In het algemeen geldt dat er een terughoudend beleid wordt gevoerd met betrekking tot het lokaliseren van nieuwe stedelijke functies. De nadruk ligt op intensiveren, multifunctioneel ruimtegebruik en functiemenging. Het accommoderen van nieuwe stedelijke functies buiten de bebouwingscontouren is niet toegestaan, behalve als het gaat om het toepassen van de ruimte-voor-ruimteregeling of om kleinschalige voorzieningen van openbaar nut die niet binnen de bebouwingscontour kunnen worden gevestigd.
Stedelijke functies zijn wonen en werken en daarmee samenhangende vormen van ruimtegebruik als sportterreinen, volkstuinen, verblijfsrecreatie en groen. Nog niet bebouwde gebieden binnen de bebouwingscontour hebben de aanduiding “Te ontwikkelen gebieden”. Om de economische en sociale vitaliteit op peil te houden blijft het nodig ook nieuwe bedrijventerreinen te ontwikkelen. Nieuwe ruimte voor de regionaal-economische ontwikkeling moet vooral worden geboden bij de knooppunten en vestigingslocaties. Arbeids- en/of bezoekersintensieve bedrijvigheid dient bij haltes van openbaar vervoer te worden geconcentreerd. Voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen is met name ruimte beschikbaar binnen de te ontwikkelen gebieden binnen de bebouwingscontouren. Naar aanleiding van de economische visie van de K5 is het streekplan gewijzigd om het subregionale bedrijventerrein mogelijk te maken. Eventueel verlies aan bedrijventerreinenareaal in het stedelijk gebied door functiewijziging dient binnen de eigen contour te worden gecompenseerd. Wanneer blijkt dat dit niet mogelijk is komt het aanpassen van contouren in beeld. Dit is niet op voorhand onmogelijk, zij het dat daar een (partiële) herziening van het streekplan voor nodig is. Natuurgebieden zijn van een groene contour voorzien.
Slechts in uitzonderingsgevallen (geen alternatieven en dwingende redenen van groot openbaar belang) zijn strijdige ingrepen binnen en in de nabijheid van deze gebieden, die signiÞcante negatieve gevolgen kunnen hebben voor de natuur, mogelijk. Bestaand gebruik kan gehandhaafd blijven. In het groenblauwe raamwerk wordt ruimte geboden aan het opvangen van water ter voorkoming van wateroverlast en aan het opslaan van water dat in tijden van watertekort gebruikt zal worden. Het nieuwe beleid van de provincie gaat uit van:
73
74 RUIMTELIJKE OPBOUW
ZIE BIJLAGE