211x09610_T_BP Lidl-supermarkt Albert Plesmanstraat 20210325.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
27
planwijziging ten behoeve van de sloop en nieuwbouw van een vestiging van Lidl met parkeergelegenheid en de realisatie van bedrijfsruimte en appartementen, is door BRO door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.
Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Uiterwaarden Lek”, bevindt zich op circa 4 kilometer afstand ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. Door Econsultancy is een stikstofonderzoek gedaan. De belangrijkste conclusies worden benoemd, voor het gehele rapport wordt verwezen naar de bijlagen. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aan- en afvoer van materialen en personen, en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en constructie ten behoeve van de realisatie van het plan. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan.
De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase met, respectievelijk, peiljaren 2020 en 2021 is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruim-
Hoofdstuk 4
28
telijke structuurvisies en verordeningen. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 1 kilometer ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb).
Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming) Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. In tabel 4.3 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Hoofdstuk 4
29
Tabel 4.3. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Algemeen
Potentieel
Sprake van
Vervolgtraject / maatre-
Bijzonderheden / opmerkin-
aanwezig
overtreding
gelen
gen
Ja
Te voorkomen
Opgaand groen buiten
Globale broedseizoen loopt van
broedseizoen verwijderen
maart tot half augustus
Langs noordzijde te allen
Broedvogels Jaarrond beschermd
Ja
Mogelijk
tijde voldoende opgaand groen behouden voor huismus
Nestlocaties van huismus kunnen afhankelijk zijn van het aanwezige opgaand groen
Nee
Nee
-
Ja
Nee
-
Nee
Nee
-
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Reptielen
Nee
Nee
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Verblijfplaatsen Vleermuizen
Foerageerhabitat Vliegroutes
Blijft voldoende opgaand groen over Heeft betrekking op een soort als de egel Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht worden genomen: Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Ten behoeve van (essentieel) leefgebied van de huismus dient het opgaand groen ten noorden van het braakliggend terrein behouden te blijven, of er dient te allen tijde voldoende opgaand groen aanwezig te zijn om de kwaliteit van het leefgebied te waarborgen. Het opgaand groen ten noorden van het braakliggend terrein kan gezien de werkzaamheden niet behouden blijven.
Om toch te waarborgen dat er voldoende opgaand groen is om de kwaliteit van het leefgebied van de huismus te waarborgen, is een ecologisch werkprotocol opgesteld en afgestemd met de gemeente Krimpenerwaard en de Omgevingsdienst. Het ecologisch werkprotocol is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Dit ecologisch werkprotocol dient om overtredingen
Hoofdstuk 4
30
met betrekking tot de huismus op voorhand te voorkomen, er wordt nieuw groen voorzien wat wordt ingericht als leefgebied voor de huismus. Middels een AERIUS-berekening is inzichtelijk gemaakt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Vervolgonderzoek ten behoeve van het NNN en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde. Gezien bovenstaande en met inachtneming van de algemene zorgplicht vormt het aspect flora en fauna geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.8 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Doorwerking plangebied In januari 2017 heeft EnviroPlan Bodemsanering, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de huidige Lidl. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Voor het voormalige tankstation zijn bodemonderzoeken gedaan. Ook voor de grond waar de voormalige school stond en voor de locatie van de toekomstige twee kiosken is bodemonderzoek gedaan. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor de gehele onderzoeken wordt verwezen naar de bijlagen.
Huidige Lidl-supermarkt De van de locatie bekende informatie vormt geen aanwijzingen voor de mogelijke aanwezigheid van een locatie specifieke bodemverontreiniging. Op basis hiervan luidt de onderzoekshypothese "onverdacht". Omdat de locatie (vrijwel) volledig is bebouwd en het doorboren van de vloeren in de supermarkt bezwaarlijk wordt geacht, is er in samenspraak met de opdrachtgever voor gekozen om het onderzoek rondom de bebouwing uit te voeren. Dit mede tegen de achtergrond dat van het in 1995 uitgevoerde bodemonderzoek ter plaatse van het toen nog onbebouwde deel van de locatie waarbij geen noemenswaardige bodemverontreiniging is vastgesteld. Uit de resultaten van het bodemonderzoek volgt voor zowel de bovengrond als de ondergrond voor enkele parameters een overschrijding van de achtergrondwaarde. De hypothese 'onverdachte locatie' dient derhalve te worden verworpen. De mate van overschrijding van de achtergrondwaarde is echter zodanig gering dat er geen aanleiding is tot het instellen van een vervolgonderzoek.
Hoofdstuk 4
31
Voormalig tankstation Bij het voormalige tankstation zijn vijf ondergrondse brandstoftanks in gebruik geweest. Deze zijn gesaneerd in 2001. Daarbij is ook verontreinigde grond rond de tanks ontgraven. Niet alle grond kon destijds ontgraven worden, er is een kleine restverontreiniging achtergebleven. Er zijn in het verleden meerdere bodemonderzoeken op de locatie uitgevoerd. Het meest recente bodemonderzoek is van Koenders & Partners BV, van d.d 27 oktober 2014. In één van de 25 boringen van Koenders en Partners BV is een lichte oliereactie waargenomen, in de grond tussen 1.5 en 2.0 m-mv. Olie was in deze grond licht verhoogd, voor xyleen werd de interventiewaarde overschreden. Het volume is destijds geschat op maximaal 10 m³. Linge Milieu heeft in 2018 een onderzoek gedaan met als doel het verifiëren van de kwaliteit van de grond wat betreft olie naast het voormalige tankstation-pand. Zintuiglijk is nergens olie waargenomen. Ook analytisch is olie niet aangetoond in de grond naast het voormalige tankstation, met uitzondering van boring 3. Het oliegehalte in boring ligt ruim onder de tussenwaarde van 2.600 mg/kg ds. Voormalige basisschool Voor de locatie van de voormalige basisschool, het tankstation en de twee te bouwen kiosken is in juli 2020 door Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd.
In deze toelichting staan de belangrijkste conclusies vermeld, voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen. In het rapport zijn 3 locaties gerapporteerd (zie figuur 4.3). Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel (locatie A). Op verzoek van de gemeente Krimpenerwaard is tevens een beperkt controleonderzoek uitgevoerd op het aangrenzende perceel van het voormalig tankstation (locatie B). Op verzoek van de opdrachtgever is ter plaatse van twee nieuw te bouwen kiosken (deellocatie C) een aanvullend vooronderzoek uitgevoerd. Tijdens de veldinspectie op deellocatie A, B en C zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging.
Figuur 4.3 Globale begrenzing deellocaties bodemonderzoek
Hoofdstuk 4
32
In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk in boring 8 (deellocatie A) bijmengingen met slakken en baksteen waargenomen. In boring 9 (deellocatie A) en 15 (deellocatie B) zijn bijmengingen met baksteen aangetroffen. Deellocatie A (voormalige basisschool) Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met cadmium, kwik en Polychloorbifenylen (som PCB). In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, xylenen en naftaleen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de geplande nieuwbouw en bijbehorende gebruiksfunctie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
Deellocatie B (voormalig tankstation) Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met som PCB. De ondergrond is ter plaatse van boring 13 sterk verhoogd met minerale olie. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met xylenen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven voor wat betreft het sterk verhoogde gehalte aan minerale olie in de ondergrond ter plaatse van boring 13 aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt momenteel een belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Deellocatie C (locatie van de te bouwen 2 kiosken) Uit de verzamelde (historische) informatie is gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Er bestaat geen aanleiding te vermoeden dat ter plaatse sprake is van een bodemverontreiniging. Gebaseerd op de verzamelde gegevens kan de locatie als “onverdacht” worden beschouwd.
De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt vooralsnog niet verwacht (niet verdacht).
Hoofdstuk 4
33
Conclusie De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft het aspect bodem beoordeeld, de beoordeling is opgenomen in de bijlagen. Voor de vaststelling van het bestemmingsplan en de aanvraag van de omgevingsvergunning in kader van de bouw is nader bodemonderzoek niet noodzakelijk. De omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden verleend. Ten aanzien van de bodem dient de volgende voorwaarde in de vergunning te worden opgenomen: Nabij de Beneluxlaan: De bodem nabij de Beneluxlaan dient geschikt te worden gemaakt voor het toekomstige gebruik (wonen). De aanwezige restverontreiniging(en) ter plaatse van de kabels en leidingenstrook dienen alsnog te worden verwijderd. Geadviseerd wordt deze bodemsanering met behulp van een Plan van Aanpak uit te voeren en na de sanering hiervan een evaluatieverslag te overleggen aan de Omgevingsdienst Midden-Holland.
4.9 Asbestinventarisatie pand Voor de huidige Lidl is in januari 2016, door Peeters Asbestresearch een asbestinventarisatie gedaan. Tijdens het onderzoek zijn er geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Er zijn geen asbestverdachte installaties aangetroffen. De vergunningverlener verplicht in de sloopvergunning niet tot aanvullende inventarisatie. Er is geen aanleiding voor een vervolgonderzoek.
4.10 Water Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het kabinet heeft het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het NWP bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik tot 2050. Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het Waterplan ZuidHolland 2016-2021. Conform Europese en nationale wetgeving is een nieuw Stroomgebiedbeheerplan vastgesteld voor de regio Rijn-West voor de periode 2016-2021: het SGBP-2.
Het hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard beheert het (grond)watersysteem ter plaatse van het plangebied. De missie van dit hoogheemraadschap luidt: ‘Droge voeten en schoon water’. Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder: HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en bijhorende documenten. In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking
Hoofdstuk 4
34
tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan: Het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe; De waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen; Het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd; Het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.
In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn. Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 De Verenigde Vergadering van het hoogheemraadschap heeft op 27 juni 2012 het Beleid Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen ruimtelijke plannen: 1. Kleine plannen: verhardingstoename tot 500 m² 2. Middelgrote plannen: verhardingstoename tussen de 500 m² en <10 ha bruto planoppervlak 3. Grote plannen: Herontwikkelingen groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Voor kleine ruimtelijke planontwikkelingen is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering.
Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK. Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. Dit levert voor de ontwikkelaar van het plan een compensatie-eis op, uitgedrukt in m2 wateroppervlak. Het percentage van de compensatie-eis verschilt per gebied. Vanwege de fusie van de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist tot de gemeente Krimpenerwaard is het nodig om een GRP voor de nieuwe gemeente op te stellen. Met het GRP Krimpenerwaard 2017-2021 is er een actueel plan voor de invulling van de gemeentelijke zorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. De komende jaren wordt er extra
Hoofdstuk 4
35
aandacht gegeven aan het werkelijk functioneren van de riolering en het grondwaterstelsel. Databeheer blijft aandacht krijgen. De maatregelen liggen vast in beheerplannen. Samen met de hoogheemraadschappen voeren we optimalisatiestudies uit naar het functioneren van riolering en AWZI. Verder worden oude stelsel vernieuwd, vervangen en/of afgekoppeld. Voornaamste aspect voor nieuwbouw is de gescheiden aanlevering op het bestaande stelsel. In de kern van Schoonhoven is zover bekend momenteel geen wateroverlast aanwezig of te verwachten. Doorwerking plangebied Er is door Aeres Milieu een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De waterhuishoudkundige situatie van het plangebied is beknopt onderzocht in het kader van de watertoets. De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Grondwater Op basis van de geraadpleegde informatie is ter plaatse een kalkloze drechtvaaggrond te verwachten.
De bodem bestaat ter plaatse van het plangebied naar verwachting uit zware klei op een (dunne) veenlaag. Deze klei- en veenlagen zijn tot ca. 11 m-mv te verwachten (holoceen pakket, Westland Formatie). Hieronder bevindt zich tot ca. 48 m-mv de goed doorlatende fijne en grove zandlagen behorende tot de Formatie van Krefthenheye en Sterksel. De hierbij verwachte grondwatertrap is III. De Gemiddeld Hoogste grondwaterstand is hierbij binnen 40 cm-mv en de gemiddeld laagste grondwaterstand op 80-120 cm-mv te verwachten. Ter plaatse is sprake van een kwelgebied. De bebouwde kern heeft naar verwachting een hogere ontwateringsdiepte als verwacht wordt op basis van de bodemkaart (al dan niet door ophoging in het verleden). Binnen het plangebied is de grondwaterstand voornamelijk onder invloed van de waterstand van het nabijgelegen oppervlaktewater. Het plangebied ligt binnen het peilbesluit van de Krimpenerwaard. Zuidelijk van het centrum van Schoonhoven stroomt de Lek. De Krimpeerwaard is verdeeld in een vrij afwaterend gebied en 6 bemalingsgebieden. Het vrij afwaterend gebied bestaat uit het peilgebied Schoonhoven. Dit peilgebied watert onder vrij verval af naar het beheersgebied van hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) en de Lek. Voor het stadswater in Schoonhoven-Noord is een vast peil bepaald op ca. -1,8 m NAP. Hierdoor bedraagt de drooglegging ca. 0,56 meter.
Voor het ontwerp van ‘nieuwbouwgebieden’ wordt uitgegaan van een ontwateringsdiepte van minimaal 70 centimeter ter plaatse van de bebouwing. Door het aanhouden van een vloerpeil van minimaal 20 cm boven de kruin van de nabijgelegen weg (zoals bij de bestaande bebouwing) is bij de herontwikkeling geen grondwateroverlast te verwachten. De grondwaterstroming van het freatisch grondwater is ter plaatse in westelijke richting. De kwaliteit van het grondwater binnen het plangebied is niet bekend. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt naar verwachting geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. De onderzoekslocatie bevindt zich zover bekend niet binnen een attentie of beschermingsgebied. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn derhalve geen beperkingen aanwezig ten behoeve de voorgenomen nieuwbouw van een winkelpand.
Hoofdstuk 4
36
Oppervlaktewater Ter plaatse van de onderzoekslocatie is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Waterkering/waterveiligheid Het plangebied ligt niet binnen (de beschermingszone behorende bij) een waterkering. Het plangebied ligt geheel binnendijks, binnen de primaire waterkering nabij de Lekdijkwest en de oostelijk gelegen secundaire waterkering aan de Opweg. De dijkring heeft een beschermingsniveau van 1/10.000 jaar en de secundaire kering 1:500. Dit houdt in dat de keringen bescherming bieden tegen het extreme hoogwaterpeil dat gemiddeld genomen eens in de 10.000 jaar voorkomt. Ter plaatse is derhalve een laag overstromingsrisico aanwezig. Bij extreme neerslag is voornamelijk op de zuidelijk gelegen weg wateroverlast te verwachten volgende de klimaatatlas van de provincie. Bij de bestaande panden is geen wateroverlast te verwachten. Bij de nieuwbouw dient derhalve een gelijkaardig of hoger vloerpeil als bestaand aangehouden te worden. Hemel- en afvalwater Zover bekend is ter plaatse reeds een gescheiden rioolstelsel aanwezig waarop de voormalige bebouwing reeds aangesloten was. Het peilgebied waarin het plangebied ligt, kent geen waterbergingsopgave (vrij afwaterend). Een toename van de verharding als gevolg van de ontwikkelingen groter dan 500 m 2 dient gecompenseerd te worden binnen hetzelfde peilgebied, bij voorkeur in extra open water.
Bestaand verhard oppervlak kan in mindering gebracht worden. Bij de planontwikkeling is op basis van het huidige ontwerp een lichte toename aan het verhard oppervlak van ca. 100 m² te verwachten. Gezien de voormalige verharding is voor het planvoornemen is geen compensatie verplicht. Bij nieuwbouw is niet aankoppelen eenvoudig te realiseren (en tevens verplicht). Door aan de milieuhygiënische voorwaarden te voldoen, zal door de aanvoer van de afgekoppelde neerslag de kwaliteit van het ontvangend oppervlaktewater niet verslechteren. Afhankelijk van de toename aan verhard oppervlak is aanvullende retentie of een watervergunning noodzakelijk. Door het voormalige gebruik als o.a. schoolgebouw zal de toekomstige hoeveelheid afvalwater uit het plangebied van de winkel en woningen lager zijn als voorheen. Derhalve zijn geen wijzigingen aan het bestaande stelsel noodzakelijk geacht. Voor een wijziging aan de aansluiting (en voor de separate woningen) dient een vergunning aangevraagd te worden bij de gemeente Krimpenerwaard.
4.11 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2021 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.
Hoofdstuk 4
37
Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Per december 2016 is een nieuw archeologiebeleid voor de gemeente Krimpenerwaard ingegaan. Hierbij is rekening gehouden met de sinds 1 juli 2016 van kracht zijnde Erfgoedwet. Voor het archeologiebeleid van de gemeente Krimpenerwaard is in december 2016 de Archeologienota met bijbehorende archeologische beleidsadvieskaart vastgesteld. De archeologische verwachtingskaart geeft inzicht in de aanwezigheid en de te verwachten aanwezigheid van archeologische resten. Doorwerking plangebied In de vigerende bestemmingsplannen (uit 2013 en 2014) en in het bestemmingsplan ‘Parapluplan Cultuurhistorie en Archeologie’ (vastgesteld op 30 oktober 2014) geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 5’: een onderzoek is nodig voor plannen groter dan 5.000 m² en ingrepen dieper dan 1,5 m onder het maaiveld. De ontwikkelingen passen binnen de grens van 5.000 m². Het plan valt ruimschoots binnen deze grenzen van de dubbelbestemmingen in de vigerende bestemmingsplannen. Echter is er zoals reeds beschreven in december 2016 nieuw archeologiebeleid vastgesteld. De archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Krimpenerwaard is recenter dan de archeologische verwachtingswaarden in de vigerende bestemmingsplannen en het parapluplan.
Het plangebied heeft volgens de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Krimpenerwaard (december 2016) de ‘Waarde Archeologie 7’. Voor gronden met ‘Waarde Archeologie 7’ geldt een onderzoekverplichting bij bodemingrepen dieper dan 3 meter onder maaiveld en een plangebied groter dan 10.000 m². Het plangebied is niet groter dan 10.000 m 2, archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 7’ wordt opgenomen in het bestemmingsplan, dit is afgestemd met de Omgevingsdienst Midden Holland. Op basis van de bovenstaande gegevens kan gesteld worden dat archeologie geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
4.12 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Doorwerking plangebied Binnen het plangebied komen geen gemeentelijke of rijksmonumenten voor. Wel valt een gedeelte van plangebied binnen de locatie met een hoge cultuurhistorische waardering. In het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum Noord’ vastgesteld op 2 oktober 2014, geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie 1’. Bij de toelichting van dit bestemmingsplan staat beschreven dat ten oosten van het bestaande wijkwinkelcentrum een opvallende stempelverkaveling ligt, die een stedenbouwkundig ensemble vormen. De beoogde ontwikkeling doet hier geen afbreuk aan.
Hoofdstuk 4
38
Voor een gedeelte van het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum Noord’ vastgesteld 2 oktober 2014, de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie 1’ opgenomen. De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 1' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor het behoud en/of de versterking van de aanwezige historisch-ruimtelijke en/of cultuurhistorische waarden. Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden in en nabij het plangebied. De bestemming is zo vormgegeven dat er een algemeen bouwverbod geldt. Hiermee is het mogelijk een bouwplan, welke in overeenstemming is met de verschillende enkelbestemmingen, te toetsen aan de aanwezige cultuurhistorische waarden. Op 30 oktober 2014 is het bestemmingsplan ‘Parapluplan Cultuurhistorie en Archeologie’ vastgesteld. Doormiddel van dit paraplubestemmingsplan is een overkoepelend bestemmingsplan voor de gemeente Schoonhoven vastgesteld, waarin het archeologisch en cultuurhistorisch beleid is opgenomen. Bij nieuwe bestemmingsplannen kan vervolgens de regeling uit dit bestemmingsplan overgenomen worden. Een paraplubestemmingsplan kan worden gezien als een plan dat als een paraplu over andere, reeds bestaande bestemmingsplannen heen 'hangt'.
Het plan bepaalt dat de regels ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie die zijn opgenomen in de vigerende bestemmingsplannen vervallen en worden vervangen door de archeologie- en cultuurhistorieregels die zijn opgenomen in het parapluplan. De hierboven genoemde ‘Waarde – Cultuurhistorie 1’ in het bestemmingsplan ‘Schoonhoven Centrum’ komt dus te vervallen. In het bestemmingsplan ‘Parapluplan Cultuurhistorie en Archeologie’ is voor het gehele plangebied geen dubbelbestemming voor Cultuurhistorie opgenomen. Ter plaatse van het plangebied komen geen Rijks- of gemeentelijke monumentale gebouwen, bouwwerken of bomen voor. Het plangebied is daarnaast niet gelegen binnen een cultuurhistorisch waardevol gebied of landschap. De ontwikkeling zorgt dan ook niet voor negatieve effecten op cultuurhistorie. Het aspect ‘cultuurhistorie’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.13 Niet-gesprongen explosieven Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOll tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In 2014 is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van NGE voor het grondgebied van de voor het beheergebied van HHSK. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is naar onze mening niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig. Provinciaal milieubelang Provincie Zuid-Holland benoemt in haar Omgevingsbeleid vier provinciale milieubelangen. Hieronder leest u welke dit zijn en hoe de voorgenomen ontwikkeling zich verhoudt tot deze belangen: Bescherming van stiltegebieden De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een stiltegebied. Windenergie stimuleren De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een plaatsingsgebied voor windmolens.
Hoofdstuk 4
39
Beschermen bedrijventerreinen voor Hogere Milieu Categorie-bedrijven De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een HMC-bedrijventerrein. Afname van HMC-locaties is derhalve niet aan de orde. Beschermen van grote groepen mensen De voorgenomen ontwikkeling is niet gelegen in een invloedsgebied Groepsrisico van een EV-relevante risicobron.
De voorgenomen ontwikkeling is derhalve niet in strijd met de provinciale milieubelangen. Er zijn geen aanwijzingen dat er in de bodem, ter plaatse van het plangebied, explosieven WOII aanwezig kunnen zijn. Bij de uitvoering van graafwerkzaamheden wordt de nodige zorgvuldigheid in acht genomen.
4.14 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Met deze dit bestemmingsplan wordt een bestaande Lidl verplaatst en uitgebreid, er worden woningen en commerciële en maatschappelijke dienstverlening mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden.
Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied Onderhavige ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer. De aanmeldingsnotitie is separaat bij dit bestemming toegevoegd als bijlage. Hierin wordt de aanbeveling gedaan dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan ‘Lidl-supermarkt Albert Plesmanstraat’ geen milieueffectrapportage is vereist.
Hoofdstuk 4
40
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op het Handboek bestemmingsplannen van de gemeente Krimpenerwaard. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages,
Hoofdstuk 5
41
hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven.
In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten.
De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria,
Hoofdstuk 5
42
die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Artikel 3 Centrum De bestemming ‘Centrum’ is van toepassing op de nieuw te realiseren Lidl en de twee nieuwe winkelruimtes ten oosten van het plangebied. Ook de bestaande kiosk is opgenomen binnen deze bestemming. Voor de supermarkt is een aanduiding ‘supermarkt’ opgenomen waar tevens een supermarkt is toegestaan. Tevens is detailhandel toegestaan. Hieronder wordt verstaan: Het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps-/bedrijfsactiviteit. Binnen de bestemming is – inpandig - een laad- en lospunt mogelijk. Verder zijn bij de bestemming behorende voorzieningen toegestaan. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en deze mag volledig worden bebouwd. De maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangeduid. Artikel 4 Gemengd Deze bestemming is gebaseerd op de juridische regeling van het bestemmingsplan ‘Schoonhoven – Noord’. De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen. Het maximum aantal wooneenheden is op de verbeelding aangeduid. Verder zijn ook maatschappelijke voorzieningen en dienstverlening toegestaan, uitsluitend op de begane grond.
Ook binnen deze bestemming is – inpandig - een laad- en lospunt mogelijk. Verder zijn bij de bestemming behorende voorzieningen toegestaan. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en deze mag volledig worden bebouwd. De maximale bouwhoogte is op de verbeelding aangeduid. Artikel 5 Verkeer – Verblijfsgebied Deze bestemming is opgenomen voor rijwegen, voet- en fietspaden en het verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
Hoofdstuk 5
43
Waarde – Archeologie 7 De dubbelbestemming Waarde - Archeologie 7 beschermd de archeologische waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in sommige gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig.
Hoofdstuk 5
44
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. De ontwikkeling is hiermee financieel uitvoerbaar. 6.1.2 Kostenverhaal Onderhavig bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk dat is bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond daarvan is de gemeenteraad verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, lid 1 Wro. De raad kan besluiten daarvan af te zien wanneer het wettelijk kostenverhaal wordt verzekerd met een anterieure grond exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de nieuwbouw van een bestaande Lidl-supermarkt, verplaatsen van twee kiosken, de realisatie van 12 appartementen en circa 358 m2 dienstverlening. Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partij een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Hiermee is het verhaal van kosten anderszins verzekerd. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan.
De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Inspraak; Vaststellingsprocedure.
Hoofdstuk 6
45
6.2.1 Participatietraject In juli 2019 heeft een informatieavond plaatsgevonden voor omwonenden en belanghebbenden. In vervolg op die informatieavond heeft Lidl de opmerkingen van de omwonenden besproken met architect, gemeente, stedenbouwkundige, etc. Tijdens de informatieavond van 30 januari heeft Lidl de aanpassingen die zijn gedaan toegelicht. Op 2 maart 2020 heeft er een informatieavond plaatsgevonden met de winkeliers van de Albert Plesmanstraat. In vervolg op het participatietraject met direct belanghebbenden en de winkeliers nabij het nieuwbouw plan heeft Lidl in de omgeving de belangstellenden uitgenodigd voor een informatiemoment op 21 juli 2020. De verslagen van de participatiemomenten zijn opgenomen als bijlage bij deze toelichting. 6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. De uitkomsten van het vooroverleg zijn verwerkt in het bestemmingsplan. 6.2.3 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak.
Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Gezien er reeds een uitvoerig participatietraject heeft plaatsgevonden is er voor gekozen om geen inspraakprocedure te doorlopen. 6.2.4 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.
Hoofdstuk 6
46
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Memo Verkeer Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: Stikstofdepositie Bijlage 6: Bodemonderzoek Bijlage 7: Asbestonderzoek Bijlage 8: Bodemonderzoek gemeente Bijlage 9: Bodemonderzoek Albert Plesmanstraat Bijlage 10: Beoordeling bodemonderzoek Bijlage 11: Waterparagraaf Bijlage 12: Aanmeldingsnotitie MER Bijlage 13: Ladderonderbouwing Bijlage 14: Participatietraject Bijlage 15: Ontwerp Omgevingsvergunning Bijlage 16: Besluit ontwerp bestemmingsplan Bijlage 17: Voorgenomen besluit maatwerkvoorschriften
Regels
Lidl-supermarkt Albert Plesmanstraat
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 8
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
10
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Centrum Gemengd Verkeer - Verblijfsgebied Waarde - Archeologie 7
10 11 12 13
Hoofdstuk 3
Algemene regels
15
Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Parkeren Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels
15 16 17 18 19 20
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
21
Artikel 13 Artikel 14
Overgangsrecht Slotregel
21 22
2
Bestemmingsplan "Lidl-supermarkt Albert Plesmanstraat" (ontwerp)
Regels
Bestemmingsplan "Lidl-supermarkt Albert Plesmanstraat" (ontwerp)
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
Plan
Het bestemmingsplan Lidl-supermarkt Albert Plesmanstraat met identificatienummer NL.IMRO.1931.BP2009DK024-ON01 van de gemeente Krimpenerwaard. 1.2
Bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
Aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
Aan- en uitbouw
Een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.6
Achtererfgebied
Erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw. 1.7
Archeologisch onderzoek
Diverse vormen van onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. 1.8
Archeologische waarde
De waarde die een gebied bezit op grond van de aldaar aanwezige archeologische resten. 1.9
Bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4
Bestemmingsplan "Lidl-supermarkt Albert Plesmanstraat" (ontwerp)
1.10
Bedrijfsmatige activiteiten in de woning
Het bedrijfsmatig verlenen van diensten - geen detailhandelsbedrijf zijnde - en ambachtelijke bedrijvigheid geheel of overwegend door middel van handwerk, waarbij de aard (qua milieuplanologische hinder) en omvang van de bedrijfsactiviteiten zodanig is dat deze activiteiten in een woning kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving; het betreft derhalve uitsluitend bedrijven uit maximaal de categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. 1.11
Beroepsmatige activiteiten in de woning
Het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch gebied of hiermede naar de aard gelijk te stellen beroep dat door zijn aard en omvang in een woning zodanig is dat deze activiteiten in een woning kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving; een praktijkruimte aan huis is hierbij toegestaan. 1.12
Bestaand
ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen. 1.13
Bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak. 1.14
Bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.15
Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.16
Bouwgrens
De grens van een bouwvlak. 1.17
Bouwlaag
Een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en ruimte onder de kap. 1.18
Bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.