CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

2.51 Regio Midden-Holland, Zienswijze herziening provinciaal omgevingsbeleid 2025

Raadsvergadering 12 maart 2026, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Informatie Regio / Verbonden Partijen10.705 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Postbus 305 2800 AH GOUDA www.regiomiddenholland.nl Provincie Zuid-Holland Team Omgevingsbeleid Postbus 90602 2509 LP DEN HAAG

Datum 11 december 2025

Uw kenmerk -

Contactpersoon J.G. Mekenkamp

Ons kenmerk 146-MH

Telefoonnummer 06 1929 5415

Bijlage(n) div.

E-mailadres jmekenkamp@regiomiddenholland.nl Onderwerp Zienswijze herziening provinciaal omgevingsbeleid 2025

Geacht college, Hierbij treft u de zienswijze aan van de regio Midden-Holland over de “herziening 2025” van het provinciaal omgevingsbeleid. Wij benoemen eerst thematisch onze aandachtspunten bij de wijzigingen die voor onze regio relevant zijn en sluiten onze zienswijze af met een drietal bijlagen over locatieaanduidingen voor windenergie, locaties voor wonen en werken en detailopmerkingen over de omgevingsverordening. Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling Wij zijn blij met het initiatief voor een gebiedsgerichte aanpak die moet leiden tot gebiedsprogramma’s. Dit sluit goed aan bij wat wij als Regio Midden-Holland al langer bepleiten: een integrale en samenhangende benadering met ruimte voor maatwerk per gebied. Wij zien er naar uit om samen met u dit proces aan te gaan. Tegelijkertijd hebben wij nog een aantal vragen bij de voorliggende herziening van het omgevingsbeleid. Hoeveel maatwerk blijft er over als zowel het binnenstedelijke- en dorpse gebied als het onbebouwde buitengebied nu al strak worden gereguleerd? Dat maakt het lastig om lokaal tot passende oplossingen te komen waarvoor flexibiliteit noodzakelijk is. De term “Beschermingsgebied onbebouwde ruimte” voelt als het op slot zetten van de dorpen.

Een uitbreidingsruimte van 1,5 ha per dorp (bij combinaties tot 3 ha) is onvoldoende om op de lange duur vitale dorpen in stand te houden waar wonen en werken in evenwicht zijn. Wij wijzen daarbij ook op de ruimtevraag die ontstaat door de noodzaak Oekraïense vluchtelingen, asielzoekers en arbeidsmigranten te huisvesten. Tenslotte is er ook het risico van planuitval, waardoor het nodig is 130% te programmeren om onze doelen zoals afgesproken in de Woondeal te kunnen halen. Wij vragen om uw bereidheid de bestaande Omgevingsvisie- programma- en verordening aan te passen wanneer een gebiedsprogramma daartoe aanleiding geeft. Met die toezegging kunnen wij als gemeenten met vertrouwen deelnemen aan de gebiedsgerichte aanpak. Met betrekking tot de gebiedsgerichte uitwerking hebben wij nog de vraag welke rol niet-overheden in dit proces hebben. Hoe wil de provincie recht doen aan de verschillende belangen van deelnemende

Pagina 2

partijen bij een aanzienlijk “groter” gebiedsproces? Hoeveel inzet wordt van de gemeente gevraagd (capaciteit is al beperkt) en hoe verhoudt dit gebiedsproces zicht tot ZH-PLG en NOVEX? U merkt in het omgevingsprogramma op dat bij de internetconsultatie geen opmerkingen zijn gekomen over de voorgenomen aanvullingen in het omgevingsprogramma over het thema “Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling”. Wij merken evenwel op dat het niet mogelijk was om te reageren op het onderwerp ‘toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’. De uitkomsten van de OER waren nog niet beschikbaar ten tijde van internetconsultatie. Straatje erbij regeling Wij zien de regeling ‘straatje erbij’ als een goed bedoeld instrument om kleinschalige woningbouw aan de randen van dorpen mogelijk te maken. De regeling stelt echter veel voorwaarden: maximaal 1,5 hectare, een minimale dichtheid van 33 woningen per hectare, alleen toepasbaar voor kernen tot 10.000 inwoners, binnen 200 meter van bestaand stedelijk gebied, en uitgesloten in beschermingsgebieden 1 en 2. Wij denken dat deze regels te beperkend uitpakken, zeker op plekken waar dorpen volledig zijn omringd door weidevogelgebied, zoals Reeuwijk-Brug.

Daarnaast merken wij op dat groen in een stad of dorp van groot belang is voor de klimaatbestendigheid van een stad of dorp én bijdraagt aan de gezondheid en het welbevinden van mensen, in lijn met het uitgangspunt “brede welvaart”, dat u zelf voor het provinciaal ruimtelijk beleid hanteert. Alleen maar alles volbouwen in het groen dat in steden en dorpen nog beschikbaar is doet afbreuk aan het woongenot van mensen. Daarnaast hebben wij enkele vragen over de toepassing van de regeling. Wat betekent ‘eenmalig’ precies — één keer en daarna nooit meer? En waarom geldt de grens van 10.000 inwoners? De kern Bodegraven valt hierdoor buiten de regeling en heeft geen uitbreidingsruimte meer, waardoor zowel de kern als het omliggende buitengebied feitelijk op slot staan. Wij vragen u om meer flexibiliteit en maatwerk toe te passen, zodat ook grotere dorpen ruimte kunnen bieden voor oud en jong. Bestaande bebouwing buiten de kernen Wij onderschrijven het uitgangspunt van de provincie dat nieuwe bebouwing zoveel mogelijk binnen bestaand stads- en dorpsgebied moet plaatsvinden. Tegelijk constateren wij dat dit uitgangspunt voor plattelandsgemeenten in het Groene Hart, waar veel functies en bedrijvigheid zich juist in het onbebouwde gebied bevinden, beperkend uitwerkt. In het beschermingsgebied onbebouwde ruimte zijn de mogelijkheden voor verdere bebouwing vrijwel geblokkeerd.

Bovendien is ook in de bestaande kernen ruimte nodig voor groen en klimaatadaptatie. Wij vragen u om gemeenten meer ruimte te geven voor lokaal maatwerk binnen deze gebieden, zeker wanneer ontwikkelingen bijdragen aan de vitaliteit van het platteland of aan verduurzaming van bestaande bedrijven. De Nota van Motivering benadrukt dat er ruimte is voor lokaal maatwerk, maar in het ontwerpbeleid is nog onduidelijk waar dit terugkomt — bijvoorbeeld bij ruimere uitbreidingsmogelijkheden of functieveranderingen van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. Dit is des te urgenter omdat er in Midden-Holland op de lange duur (behoudens in de gemeente Zuidplas) geen nieuwe bedrijventerreinen beschikbaar zijn, terwijl bestaande bedrijven ruimte nodig hebben om door te kunnen ontwikkelen. Wij verzoeken u om expliciet te maken hoe en waar lokaal maatwerk kan worden toegepast, zodat gemeenten flexibel kunnen omgaan met deze opgaven. In artikel 7.41cc (zuinig en meervoudig ruimtegebruik in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte) wordt aangegeven dat Gedeputeerde Staten provinciaal advies kunnen geven in situaties van provinciaal belang. Dit biedt mogelijkheden om samen te werken aan doelmatige oplossingen. Wij vragen u om dit instrument vooral ondersteunend en oplossingsgericht in te zetten — in overleg met gemeenten — zodat gewenste ontwikkelingen niet onnodig geblokkeerd raken.

Pagina 3

Sterke samenhang (beleidsdoel 1.2) U benoemt dat ‘brede welvaart’ is toegevoegd aan dit beleidsdoel op basis van het coalitieakkoord. Op Op p.59 van de Omgevingsvisie kondigt u een “Agenda brede welvaart” aan, als een denk- en doekader om te komen tot integrale beleidsafwegingen. Wij zijn blij met die keuze, maar vragen u hoe deze Agenda Brede Welvaart en het kader wat daaruit voortkomt zich verhouden tot regels in het Omgevingsbeleid, Omgevingsprogramma en Omgevingsverordening? Er wordt terecht ingezet op een robuust en klimaatadaptief water- en bodemsysteem, energie- en drinkwatervoorziening, biodiversiteit en een toekomstbestendige landbouw, maar we missen voor onze regio nog de thema’s van voldoende werkgelegenheid met de mogelijkheid om daarop door te ontwikkelen en de mogelijkheid voldoende woningen te kunnen bouwen, zodat inwoners in hun sociale context kunnen blijven wonen. Ook dit is onderdeel van de brede welvaart en belangrijk voor het welbevinden van de mensen die in onze dorpen wonen. U onderkent dit zelf ook op p. 59 van de Omgevingsvisie, waar het gaat over bestaanszekerheid, gezonde levensverwachting en het feit dat op dit punt de verschillen tussen gebieden toenemen. Daarbij schrijft u ook de sociale effecten van beleid meer zichtbaar te willen maken en mee te willen wegen.

Wij vragen u op dit punt uw beleid consequent door te vertalen en onze kernen meer ademruimte te gunnen. Energie De regio Midden-Holland onderschrijft het provinciale streven naar een klimaatneutraal Zuid-Holland in 2050 en blijft bereid constructief bij te dragen aan de energietransitie, maar alleen op basis van vertrouwen en respect voor afspraken, die PS en de regiogemeenten in 2021 gezamenlijk hebben gemaakt. Concreet vragen wij u het routekaartproces te beëindigen en de samenwerking binnen de bestaande RES-afspraken te herstellen. Ten overvloede verwijzen wij u naar de brieven die de RES-regio en gemeenten in september 2025 aan Gedeputeerde Staten hebben gestuurd, waarin is benadrukt dat de RES-regio zelf regie voert over de invulling van het RES-bod en dat aanvullende provinciale aanwijzingen voor windlocaties niet nodig zijn om de opgave van 0,435 TWh per jaar te halen.

Daarbij is ook expliciet aangegeven dat de inbreng van de RES Midden-Holland in het OER-traject (waarin ook reserve-zoeklocaties zijn opgenomen) geen enkele keuze van de RES-regio of de afzonderlijke gemeenten impliceert voor de plaatsing van windturbines In de RES 1.0 is vastgelegd dat de regio de opgave hoofdzakelijk invult met zon, volgens de zonneladder (eerst zon op dak, daarna zon op veld), en dat windenergie uitsluitend in beeld komt in reservezoekgebieden langs infrastructuur, zoals de A12 en N11, omdat dit aansluit op bestaande infrastructuur (rijksweg, spoorlijn, hoogspanningsverbinding), landschappelijk beter inpasbaar is en afstand houdt tot kernen en kwetsbare natuur en door zijn ligging in de Energylane N11 beter past binnen het ruimtelijk beleid van zowel provincie als regio. Wij verzoeken u het zoekgebied voor wind langs de N11 opnieuw als uitgangspunt te hanteren, zoals opgenomen in de RES 1.0, en de regionale lijn hierin te volgen (zie ook bijlage 1 – locatieaanduidingen windenergie). Op pagina 10 van het OER (versie 27 juni) staat dat tussen windopstellingen een afstand van 5 km wordt aangehouden (alternatief 4: Landschap). Voor een voorspelbare en consistente besluitvorming verzoeken wij u om deze spelregel over te nemen in het Ontwerp-Omgevingsbeleid op blz.

4 – Energie”, voor zover het gaat om windopstellingen die niet langs A12 en N11 worden gerealiseerd. Verder vragen wij u nog uw aandacht voor het volgende, naar aanleiding van de brief van GS aan PS van 15 oktober 2025. Omdat de aangekondigde beleidsruimte pas in 2027 wordt vastgesteld, ontstaat risico op verdere vertraging richting 2030. Wij verzoeken om op korte termijn duidelijkheid te geven over het aangekondigde nieuwe Provinciale beleid om verdere vertraging te voorkomen op blz. 3 – Energie.” Tenslotte vragen wij, tegen de achtergrond van het bovenstaande, uw specifieke aandacht voor een aantal locaties (waarvoor we u verwijzen naar bijlage 1 (Locatieaanduidingen windenergie). Warmtetransitie Onze regio onderschrijft het belang van de warmtetransitie, maar merkt op dat niet alle gemeenten over warmtebronnen beschikken en soms rekening moeten houden met bijvoorbeeld het belang van de

Pagina 4

waterwinning. Er is behoefte aan ruimte voor maatwerk in gebieden met veel open ruimte en een meer individuele aanpak. Wij vragen om dit te erkennen in het beleid en niet uit te gaan van één uniforme benadering. Kernenergie Wij vragen u of de resultaten van het onderzoek en de verkenning naar kernenergie ook beschikbaar komen voor de regio’s en of wij daar nog op kunnen reageren. Wij merken verder op dat binnen Europa nog geen werkende SMR’s bestaan. Voor de periode tot 2040-2050 is kernenergie daarom geen realistische bijdrage aan de energietransitie. Wij adviseren het beleid hier niet op te baseren, maar te focussen op bewezen duurzame energiebronnen. Energietoets In de omgevingsverordening stelt u voor een energietoets op te nemen voor ruimtelijke projecten. Een handreiking om hier invulling aan te geven wordt nog opgesteld. Wij vragen u terughoudend te zijn met het introduceren van een nieuwe verplichting als niet duidelijk is of deze bijdraagt aan het beoogde doel. Is het niet mogelijk om met integraal programmeren hetzelfde doel te bereiken? Daadkrachtig provinciaal bestuur (beleidskeuze 1.1.2) In de toelichting bij de herziening is te lezen dat in de participatiemomenten meerdere keren naar voren is gebracht dat de samenwerking van de Provincie met medeoverheden kan worden verbeterd.

Wij begrijpen dat de voorliggende herziening wellicht niet het meest geëigende document is om dit onderwerp te bespreken, maar zijn benieuwd op welke wijze en op welk moment het thema ‘samenwerking met medeoverheden’ wel wordt geagendeerd. Circulair Zuid-Holland De regio Midden-Holland onderschrijft het belang van de transitie naar een circulaire economie. Voor veel gemeenten staat deze ontwikkeling echter nog in de kinderschoenen, en het is onduidelijk wat dit ruimtelijk betekent. Wij vragen de provincie om hierbij ondersteuning te bieden, bijvoorbeeld via kennisdeling en maatwerkbegeleiding. Wel is duidelijk dat circulaire bedrijvigheid vraagt om ruimte voor uitwisselingshubs, opslag, verwerking en reparatie (zie p. 47 van het Omgevingsprogramma). Die ruimte is er nu nauwelijks in onze regio, omdat uitbreiding van bedrijventerreinen in het onbebouwde gebied niet is toegestaan. Wij verzoeken de provincie te onderzoeken hoe gemeenten fysieke ruimte kunnen reserveren voor circulaire functies. Verder blijft onduidelijk of de extra ruimtevraag is meegenomen in de provinciale behoefteraming van 133 ha voor Midden-Holland. De berekening lijkt te zijn gebaseerd op traditionele bedrijvigheid, waardoor de toekomstige vraag waarschijnlijk wordt onderschat. Het zou dus relevant zijn om weer te geven hoe deze berekening is opgebouwd, inclusief de rol van circulaire economie.

Dat geldt ook voor de vierjaarlijkse actualisatie van de behoefteraming en de monitoring van bedrijventerreinendata. Een aantal gemeenten in onze regio neemt deel aan de verkenning ‘Ruimte voor circulariteit in het Groene Hart’ en ziet dit als een positief initiatief. Wij vragen de provincie om actief bij deze verkenning aan te sluiten en vervolgacties te ondersteunen. Toekomstbestendige ruimte voor ondernemen Om te beginnen merken wij op dat de regio graag blijvend optrekt in het verder concretiseren en uitwerken van de Ruimtelijk Economische Visie (REV), bijvoorbeeld met betrekking tot begrippen ‘license to operate’ of ‘basiseconomie’. Wij streven naar een vestigingsklimaat waarmee we bijdragen aan versterking van het lokale, regionale en provinciale veerkrachtige economische ecosysteem. Dat vraagt ruimte voor economische groei en voor nieuwe en zorgvuldig in te passen ontwikkelingen zoals innovatie en circulaire economie. Binnen de regio staan we voor een goede afstemming en samenhang t.a.v. het benutten van de schaarse ruimte. Wij zetten daarbij in op een strategie waarbij breder naar ontwikkelingen gekeken wordt. Een en ander zoals ook geschetst in onze brief aan het college van gedeputeerde staten over de programmering van bedrijventerreinen in Midden-Holland (115 – MH).

De resultaten van een verkenning naar regionaal accountmanagement in Midden-Holland zullen worden betrokken bij de discussie over

Pagina 5

meer integrale sturing op werklocaties. Vanuit het gezamenlijk streven naar een vitaal en innovatief economisch ecosysteem stemmen wij op termijn graag met u af wat samenhang in visievorming op werklocaties in dit verband zou kunnen betekenen. Beschermen van milieugebruiksruimte en functiemenging Bij dit thema gaan wij eerst in op consistentie in tekst en definities, vervolgens leest u ons standpunt t.a.v. de thematiek milieugebruiksruimte en functiemenging. In bijlage 2 (locaties voor wonen en werken) vragen wij tenslotte aandacht voor een aantal concrete locaties. Consistentie in tekst en definities De Omgevingsverordening stelt enerzijds dat “om voldoende ruimte voor bedrijvigheid te behouden, te creëren en slim ruimtegebruik te stimuleren, de provincie wil inzetten op functiemenging en meervoudig ruimtegebruik (naast de inzet van specifieke regels voor bedrijventerreinen)” (p. 136; Artikel 7.45h). Tegelijkertijd geeft u aan dat “Het provinciaal beleid is gericht op het beschermen van bestaande bedrijventerreinen. Functiemenging en functiewijziging zijn daarom alleen onder voorwaarden mogelijk” (p. 149; 7.3.11). Deze passages lijken elkaar tegen te spreken. Enerzijds wordt functiemenging gepresenteerd als actief middel om ruimte beter te benutten, anderzijds is het sterk begrensd vanuit het principe van bescherming.

Dit schept onduidelijkheid over wat in de praktijk wordt bedoeld. Waarschijnlijk is het de bedoeling dat functiemenging wordt aangemoedigd op terreinen waar lichte bedrijvigheid, kantoren en wonen beter te combineren zijn en niet op zwaardere bedrijventerreinen waar milieuruimte en logistieke functies voorrang moeten krijgen. Wellicht is het handig om dit onderscheid expliciet te maken in de tekst. Zo weten gemeenten duidelijk op welke typen bedrijventerreinen functiemenging wenselijk is en waar bescherming van monofunctionele bedrijvigheid de prioriteit heeft. Een andere onduidelijkheid zit nog in de definities. U definieert een bedrijventerrein als “zwaar” in zoverre deze locatie niet binnen een afstand van 50 meter ligt van een locatie met een milieugevoelige activiteit (artikel 7.51c). Dit is vergelijkbaar met de milieucategorie 3.1. Vervolgens wordt de milieugebruiksruimte voor zware bedrijven op een afstand van 300 meter gezet. Dit is de gebruiksruimte van de voormalige categorie 4.2. Dit levert onduidelijkheid op. Wij vragen u daarom duidelijkheid te verschaffen over de definitie van “zwaar bedrijventerrein”, dan wel de keuze bij gemeenten te laten. Verder vragen wij nog aandacht voor wat onduidelijkheden bij het thema “groen-blauw”. In de paragrafen 5.1.1.2. , 6.2., 2n 6.2.3.1. staat een net andere omschrijving van wat een groenblauw netwerk is.

Ook worden de woorden dooradering en netwerk beide gebruikt. Is het mogelijk om 1 eensluidende beschrijving op te nemen? Het groenblauwe netwerk verbindt groengebieden (zowel stedelijk groen als groen in het landelijk gebied) en bestaat uit water-, ecologische-, landschappelijke- en recreatieve elementen. Op kaart zijn enkele regionale parklandschappen aangegeven. Om hierop te kunnen reageren is het niet duidelijk genoeg wat een regionaal parklandschap is en wat de rol is die de provincie hierbij wil aannemen. Is het mogelijk om hier een toelichting over op te nemen? Beschermen HMC en functiemenging De regio Midden-Holland kan zich in beginsel vinden in het aanscherpen van de instructieregels om bedrijventerreinen met HMC en watergebonden kaveleigenschappen te beschermen. Wel vragen we ons af of een dwingende instructieregel het proces niet frustreert dat veel gemeenten zelf al in gang hebben gezet om samen met de ondernemers te verkennen hoe herstructurering en revitalisering vorm kan krijgen.

We zijn verder benieuwd naar de juridische onderbouwing en de risico’s voor nadeelcompensatie: bij wie komen deze te liggen? Ook vragen wij ons af of de betreffende instructieregels passen binnen de Dienstenrichtlijn? Verder merken wij op dat de regio de provincie nodig heeft in het leggen van schuifpuzzels om bedrijven die niet passen op een ‘zwaar bedrijventerrein’ te verplaatsen naar plekken die wel geschikt zijn. We kijken met belangstelling naar het aangekondigde verplaatsingsfonds, wanneer wordt dit in het leven geroepen?

Pagina 6

Voor onze regio maken wij verder graag de kanttekening dat in een aantal dorpen soms nauwelijks ruimte is om bedrijven in de (voormalige) milieucategorie 1 en 2 te vestigen buiten bestaande bedrijventerreinen die gelabeld zijn met (voormalige) milieucategorie 3.2 of hoger. Ook is het realiseren van nieuwe gemengde woon-werklocaties in lagere milieucategorieën niet eenvoudig. Wij vragen u om in het aanstaande provinciaal omgevingsprogramma met ons mee te denken over passende oplossingen voor dit vraagstuk. Drinkwaterwinning Wij vragen de provincie onderzoek te doen naar alternatieve methoden voor drinkwaterwinning, voordat nieuwe locaties voor oevergrondwaterwinning worden aangewezen. Is de provincie hiertoe bereid? Erfgoed In algemene zin vinden wij de verwerking van de principes uit het Verdrag van Faro in uw omgevingsbeleid zeer positief. Dit versterkt de betrokkenheid van inwoners en maatschappelijke organisaties bij erfgoed. Ook de koppeling erfgoed & recreatie is een mooie toevoeging. Toepassingsbereik en concreetheid van erfgoedbeleid De regio onderschrijft het belang dat de provincie hecht aan erfgoed en cultuurhistorie als onderdeel van ruimtelijke transitie- en transformatieopgaven. Toch constateren wij dat het areaal waar het erfgoedbeleid concreet geldt, beperkt is.

Daarmee dreigt de provinciale ambitie onder te sneeuwen in gebieden met waardevolle landschappen buiten de formele kroonjuwelen. In de toelichting wordt weliswaar verwezen naar kaders uit de Cultuurhistorische Atlas, maar de genoemde uitgangspunten – het behouden van structuur en fysieke elementen zoals gebouwen, waterlopen, kades en verkavelingspatronen – zijn vrij algemeen geformuleerd. Wij vragen u om duidelijker te maken hoe u dit uitwerkt en toetst. Andere opmerkingen over erfgoedbeleid - Graag worden de gemeenten in onze regio betrokken bij de vormgeving van Zuid-Hollandse invulling van de erfgoeddeals; - In de toelichting wordt vermeld dat binnen het Interbestuurlijk Toezicht (IBT) een nieuwe aanpak wordt geïmplementeerd om gemeenten beter te begeleiden bij hun erfgoedtaken. Wij blijven hier graag vroegtijdig op betrokken. - U spreekt over de restauratieachterstand van niet-woonhuis rijksmonumenten. Het is ons onduidelijk welke rol de provincie hierin precies vervult en of er een inventarisatie bestaat van de panden waar deze achterstand speelt. Ook vragen wij ons af of eigenaren voldoende weten dat zij bij de provincie terechtkunnen voor ondersteuning of advies. Wij verzoeken u om hierover meer duidelijkheid te geven en deze faciliterende rol actief uit te dragen richting eigenaren en gemeenten.

- Het streven naar toekomstbestendigheid van erfgoed onderschrijven wij volledig en sluiten wij ons graag bij aan. Wij vragen de provincie om gemeenten actief te betrekken bij de verdere uitwerking van dit beleid, zodat lokale kennis en initiatieven goed kunnen worden benut. - We waarderen de inzet van de provincie om erfgoedlijnen, immaterieel erfgoed en digitalisering nadrukkelijker te verbinden met ruimtelijke ontwikkeling. Wij vragen u op welke termijn het aangekondigde onderzoek naar de ruimtelijke kansen voor benutting van erfgoedlijnen plaatsvindt en wanneer de resultaten worden gedeeld met gemeenten. Ook vragen wij u om toe te lichten hoe digitale en immateriële erfgoedelementen worden meegenomen in ruimtelijke afwegingen en beleid. Cultuurbeleid Wij constateren dat de rol van de provincie op het gebied van cultuur beperkt is, en dat dit ook in de visie tot uitdrukking komt. De focus ligt met name op het bevorderen van regionale cultuur, waarvoor de provincie verschillende subsidies verstrekt aan culturele organisaties en samenwerkingsverbanden. Wij vragen u deze inzet voort te zetten en daarbij ook ruimte te laten voor kleinere lokale initiatieven die bijdragen aan regionale samenhang.

Pagina 7

Wat betreft het bibliotheekwerk heeft de provincie eveneens een beperkte maar belangrijke rol, namelijk het in stand houden van de provinciale ondersteuningsorganisatie. Wij verzoeken u deze ondersteuningsfunctie te behouden en te zorgen dat deze aansluit op de lokale behoeften van kleinere gemeenten. Beschermen en versterken van bestaande natuur en soorten De gemeente in onze regio waarderen het dat de provincie de kaart met weidevogelgebieden heeft geactualiseerd. Wij vragen de provincie om deze actualisatie actueel te houden en de onderliggende data periodiek te herzien in overleg met gemeenten en terreinbeheerders. Tijdens het webinar van 30 oktober 2025 is een handreiking voor compensatie aangekondigd. Wij zien uit naar de uitwerking daarvan. De gemeente Bodegraven-Reeuwijk heeft nog compensatieverplichtingen uit eerdere projecten, die vermoedelijk binnen deze gebieden moeten worden ingevuld. Wij vragen de provincie om hierover tijdig duidelijkheid te geven en om gemeenten actief te betrekken bij de toepassing van de handreiking, zodat compensatie in de praktijk uitvoerbaar blijft. Omdat grote delen van Midden-Holland onder de aanduiding kansrijk of belangrijk weidevogelgebied vallen, is maatwerk essentieel.

Dit geldt vooral bij kleinschalige uitbreidingen van kernen of een ‘straatje erbij’, waarbij wij de leefbaarheid van onze dorpen willen blijven versterken zonder afbreuk te doen aan de natuur. Wij vragen de provincie om in zulke gevallen soepel en constructief met gemeenten samen te werken, en ruimte te laten voor lokale afwegingen die zowel natuurwaarden als dorpsontwikkeling dienen. In hoeverre is de provincie bereid om maatwerk te leveren, waarbij een ambitieuzere doelstelling dan die de provincie zelf hanteert ten aanzien van natuur (ook op het punt van stikstofreductie) gepaard kan gaan met meer ruimte voor wonen en werken? In het gebiedsplan Krimpenerwaard is de ambitie uitgesproken om de aantallen weidevogels te laten toenemen. Noodzakelijk is dan wel een hogere vergoeding per ha een langjarige vergoeding. Heeft de provincie dit ook in haar maatregelen opgenomen? Agrarisch natuurbeheer kan een boer met de huidige vergoedingen slechts inzetten op 10 % van zijn gronden om inkomen op niveau te houden. Als provincie natuurwaarden wil opschalen zal daar een betere betaling aan de boeren tegenover moeten staan.

Bij het thema “predatorenbeheer en inzet van provinciale gronden om ruimte te creëren voor agrarisch natuurbeheer en uitbreiding van de huiskavel” merken wij op dat de gemeente Krimpenerwaard bereid is om als pilotgebied te dienen of een weidevogelproefboerderij in te richten, mits extra ruimte voor wonen en werken ook onderdeel mag zijn van het pilotgebied. Verder vragen wij aandacht en extra geld voor het bestrijden van invasieve exoten. In de tekst van de Omgevingsvisie is toegevoegd dat er 400ha bos bij moet komen in 2030. De tijd om die doelstelling te halen is kort. Bij het thema Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer benoemt u als doelstelling om het leefgebied voor boerenlandvogels te laten toenemen. Welk proces heeft u bij beide onderwerpen in gedachten en welke rol spelen de gemeenten in Midden-Holland hierin? Wij vragen u verder het kaartbeeld voor de groen-blauwe dooradering aan te passen op de uitkomst van de gesprekken die hierover met onze gemeenten zijn gevoerd. Nieuwe NNN-gebieden: Aanpassing begrenzing Hoenkoopse Buurweg en Steinse Tiendweg (gemeente Krimpenerwaard) Wij zien dat aanpassingen in het kaartbeeld zijn gedaan voor bovengenoemde locatie. Aanleiding daarvoor zijn vermoedelijk de zienswijzen die Staatsbosbeheer heeft kenbaar gemaakt bij het Natuurbeheerplan.

Door deze twee (relatief kleine) aanpassingen van de begrenzing wordt natuurlijk ingericht gebied toegevoegd en ontstaan natuurlijke eenheden voor het beheer. Als dit zo is dan betekent dat wellicht dat de gemeente Krimpenerwaard andere verplichtingen krijgt ten aanzien van het beheer van de Tiendweg. Wij achten het noodzakelijk eerst hier duidelijkheid over te hebben, voordat de begrenzing van de NNN wordt aangepast. Verder maken wij nog een opmerking over de aanduiding “Steinse Tiendweg”. Op basis van de kaarten wordt waarschijnlijk niet de Steinse Tiendweg bedoeld, maar de Tiendweg van Boven-Haastrecht die aansluit op de Hoonkoopse Buurtweg. We vragen ons tenslotte af of de wijziging in begrenzing van het NNN-gebied aan de westzijde van Bergambacht in de toelichting op de juiste wijze is benoemd.

Pagina 8

Stikstofreductie Wij delen de zorgen van boeren over de invoering van een emissieplafond voor de melkveehouderij. Wij herkennen de signalen over haalbaarheid en financiële draagkracht die ook in de internetconsultatie zijn genoemd. Wij vragen u om bij de verdere uitwerking van het beleid oog te houden voor de uitvoerbaarheid en economische realiteit van boerenbedrijven. Wij verzoeken u om de borging van stikstofreductie op gebiedsniveau te organiseren en aan te laten sluiten bij de bestaande gebiedsplannen en gebiedsprocessen, waarin natuurherstel, landbouw en leefbaarheid in samenhang worden bekeken. Toekomstbestendige landbouw Wij ondersteunen de inzet van de provincie voor een toekomstbestendige landbouw. Onze agrariërs zijn de belangrijkste beheerders van het buitengebied en spelen een sleutelrol in voedselzekerheid, landschapsbeheer en natuurherstel. Overigens vragen wij u consequent de term “toekomstbestendige landbouw” te gebruiken in plaats van “duurzame landbouw”. Ook op dit thema pleiten wij voor een gebiedsgerichte uitvoering van het beleid, waarin maatwerk en samenwerking centraal staan. De Regio Deal Waarde(n) van het Groene Hart biedt hiervoor een concreet en breed gedragen uitvoeringskader: binnen pijler 2 werken gemeenten, agrariërs, onderwijsinstellingen en maatschappelijke partners samen aan een duurzame landbouw met perspectief voor jonge boeren.

Wij vragen u om actief samen op te trekken met onze gemeenten BodegravenReeuwijk en Krimpenerwaard en de andere Zuid-Hollandse partners binnen de Regio Deal, zodat het provinciale landbouwbeleid aansluit bij deze regionale aanpak en de uitvoering ervan wordt versterkt. Wij gaan er van uit dat het nieuw op te zetten provinciaal omgevingsprogramma aansluit op dit al lopende gebiedsproces. Groen Blauw netwerk Wij staan achter het streven naar een samenhangend en robuust groenblauw netwerk, zoals opgenomen in de Omgevingsvisie. Betere verbindingen versterken zowel de natuurwaarden als de recreatieve beleving. Juist de provincie kan hier een belangrijke verbindende rol vervullen, vooral bij gemeentegrensoverschrijdende verbindingen. Wij vragen de provincie om via de aanpak Groenblauw Netwerk, samen met gemeenten, waterschappen en recreatieschappen, de ambitiekaart verder uit te werken en gebruik te maken van de kennis en informatie die bij deze partners beschikbaar zijn. In de Omgevingsverordening wordt terecht ingezet op betere bescherming van het groenblauwe netwerk, onder meer van groenblauwe ontwikkellijnen en stedelijk groen/grote groene eenheden en op het voorkomen van barrièrewerking. De groenblauwe ontwikkellijn rond de Oude Rijn is als indicatief opgenomen, wat wij ondersteunen.

Dit gebied is bovendien relatief bodemstabiel en hier zijn al ruimtelijke ontwikkelingen voorzien. Wij vragen de provincie te bevestigen dat deze ontwikkellijn indicatief blijft en niet leidt tot nieuwe belemmeringen voor lopende of geplande projecten, mede gelet op artikel 7.43q. Ten aanzien van de grenzen van het stedelijk groen stemmen wij in, mits deze worden aangepast op de uitkomst van de ambtelijke gesprekken die hierover zijn gevoerd. Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem Wij onderschrijven het uitgangspunt ‘water en bodem sturend’ voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit past bij een toekomstbestendige inrichting van onze leefomgeving. Volgens artikel 7.41 moeten gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen groter dan 1.000 m² borgen dat deze in voldoende mate bijdragen aan een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Wij kunnen ons goed vinden in die formulering. In ons gebied zijn we - mede met steun van de provincie - actief met kennisontwikkeling op dit gebied via het kenniscentrum Bodemdaling en Funderingen. Wij beschikken daarmee over een goede en zich ontwikkelende kennisbron op dit gebied en concretiseren ons eigen beleid op dit punt.

Pagina 9

Gezondheid en welzijn We onderschrijven het belang van een gezonde leefomgeving, maar missen in het beleid de bredere “Health in All Policies”-benadering. Gezondheid zou niet alleen een thema van het programma Gezondheid en Welzijn moeten zijn, maar een integraal uitgangspunt in al het provinciale beleid – van ruimtelijke ordening tot mobiliteit en klimaat. Wij vragen de provincie om dit explicieter te verankeren in de Omgevingsvisie en om gezondheid structureel mee te wegen op alle beleidsterreinen. Daarnaast staat vermeld dat de provincie bij de uitvoering van de programmalijnen contact onderhoudt met bestaande en nieuwe partners. Wij vragen de provincie om te verduidelijken hoe gemeenten hierin worden betrokken, aangezien wij tot op heden niet bekend waren met dit programma en graag bijdragen aan een gezamenlijke, gebiedsgerichte aanpak van gezondheidsbevordering. Beperken CO-2 emissies en bodemdaling voor toekomstbestendige veenweiden Wij zien peilverhoging als één van de maatregelen om bodemdaling en emissie te verminderen, naast waterinfiltratiesystemen en klei in veen. Tegelijk vragen wij aandacht voor maatwerk dat voortvloeit uit de gebiedsgerichte plannen, zoals in: 1. Wierickerland en Nieuwkoop e.o.

In delen van deze gebieden kan een peilverhoging tot 40 cm juist contraproductief uitpakken, bijvoorbeeld door meer uitspoeling van nutriënten of een grote opgave in wateraanvoer. 2. Het Restveengebied en de Groene Waterparel in Zuidplas waar het tot op heden de inzet is om het waterpeil niet verder te verlagen, maar niet om het te verhogen. Wij gaan er van uit dat dit voor die laatstgenoemde gebieden nog steeds het uitgangspunt is. Wel vragen wij ons af hoe de provincie haar rol ziet in relatie tot de rollen en taken van waterschappen en gemeenten. 3. De Krimpenerwaard, waar uit de actuele droogleggingskaarten blijkt dat grote delen van de Krimpenerwaard al een drooglegging hebben van rond de 40 cm. Doordat het watersysteem van de Krimpenerwaard wordt gekenmerkt door enkele grote robuuste peilvakken zijn er ook flinke delen waar de drooglegging juist groter, of juist kleiner, is. Gebieden waar de drooglegging groter is worden vaak ook gekenmerkt door meer klei in de bovengrond (klei op veen). Gebieden met een geringere drooglegging hebben juist regelmatig te maken met natte omstandigheden. Voor agrariërs is de huidige situatie met een drooglegging van tussen de 40 en 50 cm in het grootste deel van het gebied al regelmatig op de grens van wat voor hen werkbaar is.

Een nog geringere drooglegging stelt veel agrariërs voor problemen om hun bedrijfsvoering nog adequaat uit te voeren. In het gebiedsproces brengen de gebiedspartners samen de opgave in beeld. Daarbij is geconcludeerd dat door de relatief grote bodembeweging door het jaar heen en verschillen in meetwijze, de uitkomsten van de tot nu toe gebruikte meetwijzen om de mate van bodemdaling te bepalen niet volledig betrouwbaar zijn. Met name een meer gebiedsdekkende en langjariger monitoring van de bodembeweging over de seizoenen is belangrijk om ook gebiedsgericht uitspraken te kunnen doen over de structurele bodemdaling, de werkelijke reductie opgave en effectiviteit van mogelijke maatregelen. Hierbij is het ook van belang om op enkele strategische plekken (plekken met verschillende bodemsoort/-opbouw en verschillende situatie met betrekking tot kwel en wegzijging) inzicht te verkrijgen in de bodembeweging op grotere diepte. Tegelijk levert de toenemende hoeveelheid data, zowel van bodemhoogtemetingen als satellietdata, een steeds beter beeld op. Daarmee kunnen scenario’s verkend worden van zinvolle maatregelenpakketten.

Omdat in het gebiedsproces in de Krimpenerwaard is aangegeven samen te onderzoeken of de bodemdaling beter in beeld gebracht kan worden en de gebiedspartners vervolgens willen inzetten op zinvolle en op maat gemaakte maatregelpakketten voor de opgaven lijkt het ons dat u met het streven naar 40 cm gemiddelde drooglegging op de troepen vooruitloopt.

Pagina 10

Wonen Omgevingsvisie Wij missen in de beschrijving van de opgaven het woningtekort en het realiseren van de woondeals die de provincie met alle regio's en het rijk heeft afgesloten. Monitoren van betaalbare koop tot € 280.000 (blz. 141) Onduidelijk is welk doel u heeft met het monitoren van dit segment. Op welke manier kan of wil de provincie dit segment gaan stimuleren? De monitoring van de woningbouwontwikkelingen verloopt op dit moment via de publiek-private monitor en via de regionale versnellingstafel. Indien u voornemens bent om dit segment van de woningbouwontwikkelingen te monitoren, verzoeken wij u te onderbouwen waarom met name de ontwikkelingen in dit segment gemonitord gaan worden. Wij verzoeken u verder te expliciteren op welke wijze u bevordering van de nieuwbouw in dit segment wilt stimuleren. Huisvesting arbeidsmigranten en regionale afstemming (blz. 88, 142) Omgevingsvisie –en- art. 7.41gg Omgevingsverordening (blz. 170) en asielopvang U vraagt om meer actie en planmatigheid van gemeenten op het gebied van huisvesting van arbeidsmigranten en om daar regionale afstemming over te zoeken. Wij beraden ons op de manier waarop we dit het beste kunnen doen. Ingewikkeld voor ons is het extra ruimtebeslag als gevolg van deze opgave. Wij vragen in ieder geval om flexibiliteit / uitwisselbaarheid bij de huisvesting van asielzoekers en arbeidsmigranten.

Verder merken wij dat afstemming over de behoefte aan huisvesting voor arbeidsmigranten vaak onbetrouwbaar en arbeidsintensief is. Wij vinden monitoring en afstemming over de realisatie van huisvesting effectiever. Overigens vragen wij u om daarbij de focus te leggen op de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten en daarbij uit te gaan van de aanname dat de benodigde arbeidsmigranten voor nieuwe bedrijvigheid vallen onder de categorie “tijdelijk verblijvende arbeidsmigranten”. Arbeidsmigranten die langdurig in onze gemeenten wonen of willen wonen sluiten qua positie en woonvraag meer aan bij starters en vallen daarom binnen de reguliere woonbeleidspijplijn. Asielopvang De provincie biedt gemeente ondersteuning bij het realiseren van asielopvang binnen de Spreidingswet. U geeft aan dat ook flexwoningen meegeteld worden bij het aantal te realiseren opvangplekken. Wij vragen u hoe dat precies vorm krijgt en welke voorwaarden daaraan worden gesteld. Wonen en zorg (blz. 144) Hier staat dat 1 op 4 van de te bouwen woningen in Zuid-Holland geschikt moet zijn voor ouderen.

In dit verband vragen wij uw aandacht voor onze reactie op uw besluit over de regionale projectenlijst woningbouw MH (RPW MH 2024), waarin wij hebben aangegeven dat eenduidige definities nodig zijn en dat tijdig en concreet duidelijkheid nodig is waarop de provincie wil gaan toetsen bij regionale woningbouwplannen. Toekomstbestendig bouwen (zie ook blz. 146): Wij dringen aan op flankerende subsidie om eventuele negatieve gevolgen voor de betaalbaarheid van de woningen te voorkomen en daarmee mogelijke risico’s op vertraging in de productie te helpen voorkomen. Zie ook art. 7.45 van de Omgevingsverordening. Jaarlijkse kwantitatieve regionale woningbouwopgave (blz. 137, 148) 'In het provinciale omgevingsbeleid is opgenomen dat de provincie op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningcorporaties voorziet in voldoende passende woningen op de juiste plekken voor de verschillende doelgroepen. De meest actuele Woningbehoefteverkenning Zuid-Holland is leidend voor het gesprek over de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte.' Deze verkenning was eerder leidend voor het aantal woningen dat de regio mag bijbouwen. Het is onduidelijk welke functie de

Pagina 11

woningbouwbehoefteverkenning (blz. 148) in uw nieuwe beleid nog heeft en hoe dit zich verhoudt tot de vast te stellen krijgt in uw beleid door invoering van de jaarlijkse kwalitatieve regionale woningbouwopgave (blz. 137). Hoe verhouden deze zich tot elkaar? Betekent dit dat de Provincie bouwen naar behoefte volledig gaat loslaten? Ook is onduidelijk wat deze nieuw vast te stellen regionale woningbouwopgave (kwantitatief) betekent voor de jaarlijkse opgave voor de regio en voor de bestaande woondeals? Mobiliteit Omgevingsvisie en beleidsdoel 2-1 omgevingsprogramma Wij zijn blij met uw inzet in onze regio voor een betere bereikbaarheid per trein, zoals uw inspanningen voor een nieuw station Gouda-Zuidplas en de frequentieverhoging op de spoorlijn Leiden-Utrecht. Het helpt ons om met vertrouwen samen te werken aan ontwikkelopgaven. Wellicht is het goed uw ambities op dit punt ook te beschrijven in de Omgevingsvisie en het omgevingsprogramma. Specifiek vragen we u om bij 2.1.2.1 op te nemen dat de provincie ook een stimulerende / initiërende voortrekkersrol neemt in het uitwerken van publiek vervoer in regio’s. Hierbij is de rol/slagkracht van de individuele gemeenten onvoldoende om dit zelf voor elkaar te krijgen.

Het is ons opgevallen dat in de provinciale omgevingsvisie slechts in algemene termen gesproken wordt over de doelstellingen die raken aan bereikbaarheid, terwijl dit thema bij uitstek van belang is voor ruimtelijke ontwikkelingen, leefbaarheid en milieu. Daarom willen wij graag de suggestie doen om dit bij deze of de eerstvolgende herziening van het omgevingsbeleid in een visiestuk uit te werken. Afsluitend Wij hopen op uw welwillende aandacht voor onze zienswijze en zien uit naar de voortzetting van onze constructieve samenwerking bij het invulling te geven aan de opgaven voor de leefomgeving in ons deel van de provincie. Met vriendelijke groet,

Mevr. R. Boere Voorzitter bestuurlijk overleg Ruimte en Wonen

Mevr. B. Leferink Voorzitter bestuurlijk overleg Duurzaamheid

Mevr. J. Sargentini Voorzitter bestuurlijk overleg Verkeer en Vervoer

J.L. van den Heuvel Voorzitter bestuurlijk overleg Economie, Onderwijs, Arbeidsmarkt

F. Klovert Voorzitter bestuurlijk overleg Cultuur

Bijlage 1

Locatieaanduidingen windenergie

Wij verzoeken u om zoekgebied 12 voor wind – Bodegraven–Weijland en De Bree te schrappen uit het Ontwerp-Omgevingsprogramma. Het gebied is als secundair zoekgebied voor windenergie is opgenomen. Dit gebied ligt in een open veenweidelandschap van hoge cultuurhistorische waarde, binnen het kroonjuweel Fort Wierickerschans, en grotendeels binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het gebied is niet opgenomen in de RES 1.0, noch aansluitend op de regionale programmering. Wij vragen om de zon op veldlocatie A12/Boerderijweg/Enkele Wiericke te corrigeren in de Omgevingsverordening. In de kaart van RES 1.0 (zie onderstaande afbeelding) is dit zonneveld ten onrechte als bedrijventerreinlocatie aangeduid, wat vervolgens is overgenomen in de Omgevingsverordening. Het veld ligt echter naast, niet op het bedrijventerrein, en maakt onderdeel uit van het door de gemeenteraden vastgestelde Programma Zon op Veld, waarmee de regio actief invulling geeft aan de afgesproken zonneladder.

Wij verzoeken u verder het omgevingsbeleid in lijn te brengen met de RES-afspraken en locatie IA.06.MH te schrappen als zoekgebied voor windturbines.

De reservezoeklocatie wind uit RES 1.0 voor Waddinxveen (NA.08.MH) staat in het OER, maar is niet opgenomen in het Ontwerp-Omgevingsbeleid. Wij verzoeken deze alsnog op te nemen, conform het ruimtelijk profiel uit RES 1.0. op blz. 4 – Energie. Wij verzoeken u tenslotte de locatie Lansingerland te schrappen als zoekgebied voor windturbines, eveneens in lijn met de RES-afspraken. Wij staan niet positief tegenover het zoekgebied aan de westzijde van het Rottemerengebied. Momenteel loopt ook een procedure rondom het ontwerp voorkeursbeslissing windenergie Lansingerland. In deze procedure zal de gemeente Zuidplas een zienswijze indien en haar standpunt uitgebreid motiveren.

Bijlage 2

Locaties voor wonen en werken

Gemeente Zuidplas Nieuwerkerk Noord (gemeente Zuidplas) De gemeente Zuidplas zal in 2026 ontwikkelscenario's voor Nieuwerkerk Noord op haalbaarheid onderzoeken. Op basis van deze onderzoeken zal meer inzicht ontstaan in de ontwikkelrichting van het gebied en bijbehorend tijdpad. Wij gaan hierover graag met u in nader gesprek. Knibbelweg-Oost fase 2 Ten aanzien van de ontwikkeling van Knibbelweg-Oost constateren we een omissie in het Omgevingsbeleid. Gelet op de omvang van de beoogde bedrijvigheid (groter dan 3 hectare) zou deze opgenomen moeten op de kaart met grote buitenstedelijke bouwlocaties. Deze aanduiding was voorheen onderdeel van het provinciale Omgevingsbeleid, maar is ongemotiveerd verwijderd. We verzoeken u deze omissie te herstellen en in de bijbehorende tabel een netto aantal uitgeefbare hectare van circa 15 hectare op te nemen met een percentage bedrijven/glas van 60/40. Middengebied Zuidplas In de ontwerp wijziging Omgevingsprogramma wordt uitgebreid stilgestaan bij Middengebied Zuidplaspolder (Par 6.1.1.1 Wonen (blz. 114-116) in regionaal Woningbouwprogramma). Verderop in de tekst wordt nog gesproken over het ‘Vijfde Dorp’. Inmiddels heeft de gemeente het woonplaatsbesluit genomen. Wij verzoeken u daarom om ‘Middengebied Zuidplaspolder’ en ‘Vijfde Dorp’ te vervangen door Cortelande.

Restveengebied Zuidplas (gemeente Zuidplas) Bij de uitwerking van de gebiedspaanpakken Vitale Veenweiden (omgevingsprogramma Par. 7.3.1.2) is (rest)veengebied Zuidplaspolder ‘opgewaardeerd’ in de gebiedsaanpak, maar het gebied wordt nu Zuidplas e.o. genoemd. De gemeente verzoekt de provincie om eenduidig met de naamgeving om te gaan. Koning Willem I-bos (gemeente Zuidplas) U heeft in de omgevingsverordening correct Cortelande uit het werkingsgebied met beschermingscategorie 3 gehaald. Echter, de gemeente Zuidplas is van plan, in afstemming met de provincie, in het Koning Willem I-bos twee buitenplaatsen te realiseren van maximaal 125 woningen. Deze zijn ten onrechte nog niet verwijderd uit het werkingsgebied. Wij verzoekenu dan ook deze locaties alsnog wel te verwerken. Wij kunnen, desgewenst, de exacte locatie van de buitenplaatsen aanleveren.

Afbeelding: Uitsnede kaartmateriaal provinciale verordening

Afbeelding: Ligging buitenplaatsen (Bron: DSO Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1) Knibbelweg-Oost Een gedeelte van de ontwikkeling van Knibbelweg-Oost fase 1 (de bedrijventerreinontwikkeling) ligt nog binnen de gebiedsaanduiding beschermingscategorie 3 buitengebied en de nieuwe aanduiding beschermingsgebied onbebouwde ruimte. Wij verzoeken u om de aanduidingen in lijn te brengen met de planontwikkeling.

Afbeelding: Knibbelweg-Oost Moerkapelle Zuid (gemeente Zuidplas) Het valt ons op dat de woningbouwontwikkeling (3ha stip) Moerkapelle Zuid tevens nog de aanduiding beschermingsgebied onbebouwde ruimte heeft. De gemeente verzoekt de provincie om de aanduidingen in lijn te brengen met de planontwikkeling. Maatwerkglastuinbouwgebied Middengebied (gemeente Zuidplas) De verschillende aanduidingen van gebieden komen in dit gebied niet met elkaar overeen. Zo ligt in het Middengebied de aanduiding maatwerkglastuinbouwgebied over de aanduiding groen-blauw

netwerk. Wij verzoeken u om de aanduidingen in lijn te brengen met de aanduiding maatwerk glastuinbouwgebied.

Afbeelding: maatwerkglastuinbouwgebied Middengebied Veenweidegebied Zuidplas (gemeente Zuidplas) Het valt ons op dat grote delen van het werkingsgebied veenweidegebied over bestaande woonwijken en nieuwe ontwikkelingen gaat. Onder andere de ontwikkeling van Cortelande kent hierin zijn eigen proces ten aanzien van peilbesluiten met het waterschap. Wij verzoeken u dan ook om het werkingsgebied hierop aan te passen.

Afbeelding: Veenweidegebied in gemeente Zuidplas Gemeente Bodegraven-Reeuwijk Locaties Het Hof en de Waardse Velden als nieuwe grote buitenstedelijke woningbouwlocaties Op 31 maart 2025 heeft de gemeente Bodegraven-Reeuwijk het college van Gedeputeerde Staten verzocht om de woningbouwlocaties Het Hof (Bodegraven) en De Waardse Velden (Nieuwerbrug a/d

Rijn) op te nemen op de provinciale 3-hectarekaart. Helaas hebben wij tot op heden geen inhoudelijke reactie op dit verzoek ontvangen. Wij vragen u vriendelijk alsnog te besluiten deze locaties als nieuwe grote buitenstedelijke woningbouwlocaties op te nemen in de Omgevingsverordening. Beide locaties passen binnen de koers van het Omgevingsbeleid 2025, waarin Zuid-Holland inzet op toekomstbestendige woningbouw, klimaatadaptieve ontwikkeling en versterking van de leefbaarheid in dorpen en kleine steden. Met Het Hof (ca. 400 woningen) en De Waardse Velden (ca. 220 woningen) creëren wij ruimte voor een evenwichtig en betaalbaar woonprogramma, waarin meer dan 30 % sociale huur kan worden gerealiseerd. Juist de schaal van deze locaties maakt het mogelijk om de gewenste versnelling in de bouw van betaalbare woningen te behalen en doorstroming in de bestaande woningvoorraad op gang te brengen. Beide plannen liggen op een stevige kleibodem, sluiten aan op bestaande infrastructuur en dragen bij aan een vitale en inclusieve gemeente. Met deze toevoeging kan de provincie laten zien dat zij, samen met haar partners, de woningbouwopgave in Midden-Holland voortvarend oppakt en bijdraagt aan de realisatie van voldoende en betaalbare woningen voor huidige en toekomstige generaties.

Rijnhoek II Bodegraven-Reeuwijk Op 17 juli 2024 heeft de gemeente Bodegraven-Reeuwijk aan het college van Gedeputeerde Staten verzocht om bedrijventerrein Rijnhoek II op te nemen op de provinciale 3-hectarekaart. Met uw brief PZH-2025-870358236 gaf u aan dit verzoek niet over te nemen in de herziening 2025. Wij vragen u vriendelijk dit standpunt te heroverwegen en alsnog Rijnhoek II op te nemen als grote buitenstedelijke bedrijventerreinlocatie in de Omgevingsverordening. Ter onderbouwing van ons verzoek wijzen wij u op de brief van regio Midden-Holland d.d. 7 november 2025. Hierin hebben wij aan GS helder gemaakt dat de ruimte binnen de huidige programmering krap is en dat uitruil tussen gemeenten feitelijk geen oplossing biedt. Elke regio-locatie is nodig om de uiteenlopende economische functies — van maakindustrie tot circulaire bedrijven — te kunnen blijven huisvesten. Daarbij is in de strategie onvoldoende ruimte opgenomen voor bedrijfshuisvesting voor lokaal gewortelde bedrijven verspreid over de regio. Met name in Bodegraven-Reeuwijk en Krimpenerwaard. Om in die behoefte te voorzien is er een luide roep in Bodegraven-Reeuwijk voor de aanleg van Rijnhoek II. Rijnhoek II vormt een logische en toekomstbestendige aanvulling: strategisch gelegen aan het OV-knooppunt Bodegraven

op het regionale aanbod, uitstekend bereikbaar via de N11 en A12, en inpasbaar binnen de gebiedsvisie Bodegraafse Oude Rijnzone. De locatie biedt ruimte voor een energieneutraal en circulair bedrijventerrein van circa 13 hectare. Daarmee ontstaat ontwikkelruimte voor lokaal gewortelde bedrijven die nu klem zitten, en wordt verplaatsing van werkgelegenheid buiten de regio voorkomen. Rijnhoek II draagt zo bij aan de provinciale doelen voor duurzame economische groei, innovatie en behoud van vakmanschap in het Groene Hart. Wij verzoeken u dan ook met nadruk om bij de vaststelling van de Omgevingsverordening 2025 alsnog te besluiten Rijnhoek II op te nemen op de 3-hectarekaart.

Oosteinde 3, Waarder (gemeente Bodegraven-Reeuwijk) De locatie (zie onderstaande afbeelding) is nu aangeduid als Beschermingscategorie 3 – buitengebied en Beschermingscategorie 2 – kansrijk weidevogelgebied. De gronden hebben echter de bestemming tuin en maken feitelijk onderdeel uit van het woonlint. Wij vragen u dit gebied te verplaatsen naar “bestaand stads en dorpsgebied”, conform definitie in bijlage I Besluit kwaliteit leefomgeving.

Afbeelding: Oosteinde 3, Waarder

Bedrijfsperceel Boerderijweg, Bodegraven-Oost (gemeente Bodegraven-Reeuwijk) Op basis van het bestemmingsplan Bodegraven-Oost betreft deze locatie bedrijfsgrond (zie onderstaande afbeelding). Op de provinciale kaart valt het perceel nog binnen het Beschermingsgebied Onbebouwde Ruimte. Wij vragen u dit gebied aan te merken als “bestaand stads- en dorpsgebied” zodat het aansluit bij de feitelijke stedelijke invulling van Bodegraven-Oost.

Afbeelding: Boerderijweg Bodegraven-Oost Hugo de Grootstraat 31-40, Bodegraven (gemeente Bodegraven-Reeuwijk) Dit betreft tuinen die ondergeschikt zijn aan woonpercelen (zie onderstaande afbeelding). Op de provinciale kaart is de locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied gehouden. Wij vragen u dit gebied op te nemen binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, als onderdeel van het woonlint.

Abeelding: Hugo de Grootstraat 31-40

Reewal 17, Reeuwijk (gemeente Bodegraven-Reeuwijk) Deze gronden hebben de bestemming agrarisch, maar met functieaanduiding parkeerterrein. Gebruik en ligging zijn stedelijk. Wij verzoeken u dit te corrigeren naar bestaand stads- en dorpsgebied.

Afbeelding: Reewal 17, Reeuwijk

Meester van Loostraat 2 en 4, Waarder (gemeente Bodegraven-Reeuwijk) Deze locatie heeft de bestemming wonen, maar is aangeduid als onbebouwd gebied. Wij verzoeken u dit aan te merken als bestaand stads- en dorpsgebied.

Afbeelding: Meester van Loostraat 2 en 4, Waarder

Groendijck en dorpsrand Bodegraven-Dorp Deze gronden maken feitelijk deel uit van de dorpsstructuur. Wij vragen u deze locatie volledig op te nemen in bestaand stads- en dorpsgebied voor een logische dorpsbegrenzing.

Afbeelding: Groendijck, Bodegraven Dorp

Supermarkt en tankstation Waarder (langs A12) Het gaat hier om recente gebouwde stedelijke functies. Deze ontbreken nog op de kaart. Wij vragen u deze locatie toe te voegen aan bestaand stads- en dorpsgebied.

Afbeelding: supermarkt en tankstation Waarder

Gemeente Waddinxveen Op pagina 78 van de Omgevingsverordening staat Vredenburgh II met 4 ha genoteerd. De oppervlakte hiervan is echter ongeveer 29 ha (bruto). Wij vragen u dit te corrigeren. Gemeente Krimpenerwaard Bergambacht-Oost (gemeente Krimpenerwaard) De gemeente Krimpenerwaard vraagt de provincie om de ontwikkelzone Bergambacht Oost (wonen én werken) te erkennen als een kansrijke en verantwoorde uitbreidingslocatie binnen de regionale verstedelijkingsopgave. Het gaat om een woon en werkgebied nabij Bergambacht (13 ha wonen, 23 ha werken). In de bijlage bij deze zienswijze vindt u meer informatie over Bergambacht Oost. Gemeente Gouda Bedrijventerreinen Gouda Wij vragen u om drie bedrijventerreinenlocaties die inmiddels zijn gecompenseerd en geaccordeerd door GS uit bijlage II te halen.

Afbeelding: Bedrijventerreinen Gouda

Bijlage 3

Detailopmerkingen omgevingsverordening

Artikel 7.76, tweede lid Windenergie Hier staat: 'De Provincie heeft voor dit soort specifieke situaties in het tweede lid, onder b, daarom een instructieregel opgenomen zodat ook grotere uitbreidingen dan 15 MW kunnen worden toegelaten door gemeenten als daar overeenstemming over is.' Voor ons is onduidelijk wat er precies met dit artikel bedoeld wordt. Betekent het dat de gemeente en provincie hierbij met elkaar in overeenstemming moeten zijn? Artikel 7.76a (zonnevelden) Hier staat: 'Vanuit optimaal en goed gebruik van energie-infrastructuur is het belangrijk om een koppeling te leggen tussen de maximale opslagcapaciteit en de maximale opwekpiek op basis van het opgesteld vermogen.' Waar wordt hier op geduid? Moeten deze gelijk zijn of wordt er naar een andere koppeling verwezen? Artikel 7.76a, vijfde lid (zonnevelden) Hier staat: ‘Het label kan gebruikt worden om te beoordelen of plannen voldoen aan het behoudt en versterking van biodiversiteit’ De gemeente heeft bij deze regel de volgende vraag: Welke rol heeft label EcoCertified Solar Park binnen de ruimtelijke onderbouwing op de wijze waarop een zonneveld de biodiversiteit behoudt? Is dit label een verplichting, richtlijn of vrijblijvendheid? Artikel 7.41dd Pagina 109 en 110 Hierin wordt aangegeven dat het ‘nee, tenzij’ principe wordt gehanteerd.

Het lijkt erop dat de provincie hiermee aangeeft dat kleine ontwikkelingen zoals één woning ook niet meer zijn toegestaan om verdichting van de ruimte te voorkomen. Is een uitbouw of bouw van bijvoorbeeld een schuur op het perceel dan ook niet meer mogelijk? In hoeverre is een afweging gemaakt dat bebouwing juist ook kan bijdragen aan een klimaatbestendige en biodiverse omgeving? Door de gestelde eisen voor biodiversiteit (natuurinclusief) en klimaatbestendigheid kan een ontwikkeling juist ook positief bijdragen ten opzichte van de bestaande situatie.

Ontwikkelzone Bergambacht Oost gemeente Krimpenerwaard Bijlage bij zienswijze

Project Ontwikkelzone Bergambacht Oost Projectnummer: SR250224

Opdrachtgever Gemeente Krimpenerwaard

Opsteller Buro SRO ‘t Goylaan 11 3525 AA Utrecht Contactpersoon: John van de Zand T

030 - 267 91 98

E

utrecht@buro-sro.nl

Datum 8 december 2025

2

Inhoudsopgave 1.

Inleiding bijlage zienswijze

5

Aanleiding

5

1.2 Plangebied

5

1.3 Leeswijzer

5

1.1

2.

De Krimpenerwaard

7

Gemeente Krimpenerwaard

7

2.2 Landelijk en regionale opgaven

7

Nadere motivering 

11

Woningbouwopgave Krimpenerwaard 

11

3.2 Bedrijventerreinen en circulaire economie

11

3.3 Relatie provinciaal omgevingsbeleid/omgevingsvisie

12

3.4 Zorgvuldige inpassing

12

2.1

3. 3.1

3.5 Afwijking van de 3-hectarekaart is beleidsmatig mogelijk en onderbouwd14 3.6 Conclusie

15

3

Ligging ontwikkelingszone Bergambacht Oost in de gemeente Krimpenerwaard

4

1. Inleiding bijlage zienswijze 1.1

Aanleiding

1.2

Plangebied

Als gemeente Krimpenerwaard werken we aan een

De ontwikkelzone aan de oostzijde van Bergambacht

toekomstbestendige en duurzame gemeente. Om dit

heeft een omvang van circa 13,5 hectare ten noorden

waar te kunnen maken hebben we naar de toekomst toe

van de N210, waarop woningbouw voorzien is en circa

een opgave om circa 3.300 woningen te bouwen en te

21 hectare bruto ten zuiden van de N210 voor een

voorzien in circa 35 hectare bedrijventerrein voor de

toekomstigbestendig bedrijventerrrein.

lokale behoefte. Beide opgaven met een planhorizon tot 2040.

De ontwikkelzone bestaat nu uit agrarisch grasland met een aantal poldersloten.

Binnen de kernen (BSD - bestaand stads- en dorpsgebied) is er onvoldoende ruimte om dit

1.3

aantal

onze

Na deze inleiding volgt in hoofdstuk twee een korte

gemeente heeft uitgewezen dat er maar beperkt

beschrijving van de gemeente Krimpenerwaard in

ruimte is binnen het BSD. Hoewel we de ogen open

de huidige situatie in relatie tot de ontwikkelingszone

houden voor mogelijkheden binnen de kernen, kijken

Bergambacht Oost en de landelijke en regionale

we ook naar locaties buiten de kernen. Dit is niet

opagven. In hoofdstuk drie wordt ingegaan op de

alleen noodzakelijk om onze woningzoekenden en

nadere motivering en geven wij onze conclusie.

te

realiseren.

Onderzoek

binnen

Leeswijzer

ondernemers een reële kans te geven op een woning dan wel bedrijfsruimte maar ook om de leefbaarheid en het voorzieningenniveau van onze kernen op peil te houden. Alleen dan kunnen wij een bijdrage blijven leveren aan de regionale en landelijke opgaven zoals die eerder door ons zijn gefaciliteerd.

Wij verzoeken Provinciale Staten daarom om de ontwikkelzone aan de oostzijde van Bergambacht toe te voegen in de Omgevingsverordening als grote

buitenstedelijke

ontwikkeling.

Strategisch

gunstig gelegen in aansluiting op bestaand woon- en werkgebied en goed ontsloten. Dit gebied heeft potentie om zo’n 500 woningen te realiseren en bruto 21 hectare bedrijventerrein.

5

Ligging Krimpenerwaard in Zuid-Holland en Het Groene Hart

Ligging ontwikkelingszone Bergambacht Oost in de gemeente Krimpenerwaard

6

2. De Krimpenerwaard 2.1

Gemeente Krimpenerwaard

De gemeente Krimpenerwaard ligt in het Groene

sleutelrol. Een aanzienlijk deel van de provinciale

Hart en ligt ingeklemd tussen de Hollandse IJssel

NNN-opgave is juist in onze waard gerealiseerd

in het noorden en de Lek in het zuiden. De stad is

of bevindt zich in een vergevorderd stadium

daarentegen nooit ver weg.

van voorbereiding. Daarnaast wordt binnen ons grondgebied een groot deel van het drinkwater

Krimpenerwaard is onderdeel van de regio Midden-

geproduceerd voor Zuid-Holland, en faciliteren

Holland en ligt tegen de metropoolregio Rotterdam-

wij

Den

waaronder

Haag

aan.

Het

zuidwestelijke

deel

van

cruciale

nationale

energie-infrastructuur,

hoogspanningsverbindingen

en

Krimpenerwaard ligt daarom dicht bij Rotterdam.

aardgastransportleidingen die dwars door onze

Het noordelijke deel grenst aan Gouda en kernen

gemeente lopen.

in het oosten zoals Schoonhoven en Vlist zijn meer georiënteerd op Utrecht. Via de provinciale wegen

Mogelijk komt daar op korte termijn een nieuwe

N207, N210 en N228 zijn deze steden uitstekend

hoogspanningsverbinding, hoogspanningskabel en

te bereiken. Vanwege deze bereikbaarheid is

nationale waterstoftransportleiding bij. Wij spannen

de gemeente niet alleen populair bij onze eigen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=df5df085-65e4-4cc9-958b-fc3b0f099932