1.24 Afdoening T18-025 Prioritering handhaving.pdf
Tekst van het document
Strafrechtelijk opreden komt dan vooral in beeld wanneer er meerdere verzwarende aspecten zijn. Als wordt geconcludeerd dat overleg noodzakelijk is, wordt gehandeld op basis van de afspraken die zijn gemaakt tussen de gemeente, de politie en het Openbaar Ministerie. Voor situaties waarin deze afspraken niet voorzien, wordt een afzonderlijke beoordeling gemaakt. Optreden In lijn met de Landelijke Handhavingsstrategie kiest de gemeente Krimpenerwaard voor het zo licht mogelijk starten met het op herstel gericht interveniëren en het vervolgens inzetten van zwaardere interventies als naleving uitblijft. Uiteraard worden de bestuursrechtelijke middelen ingezet totdat sprake is van naleving. In de volgende paragraaf wordt dit handhavingstraject nader uitgewerkt. Bestraffend handhavingstraject Uit de voorgaande matrix volgt dat er twee vormen van bestuursrechtelijke handhaving mogelijk zijn: bestraffend/punitief of herstellend/reparatoir. Bestraffend optreden vindt uitsluitend plaats bij overtredingen van de plaatselijke verordeningen of de bijzondere wetten. De mogelijkheden tot punitief optreden (door middel van een bestuurlijke boete) zijn binnen het ruimtelijk domein (op dit moment) nog te beperkt, maar de toepassing wordt in het licht van de komende Omgevingswet onderzocht.
Keuze en invulling herstelsanctie In tegenstelling tot herstellend optreden, kent bestraffend handhaven geen drie-stappenplan. In principe is er sprake van lik-op-stukbeleid: bij vaststelling van een overtreding, volgt direct een bestraffende sanctie. Wat in relatie tot de overtreding een passende bestuursrechtelijke maatregel is, is afhankelijk van de situatie. Per geval wordt gekozen voor het meest doelmatige handhavingsinstrument, waarbij de volgende sancties tot het instrumentarium behoren. Bestuurlijke boete Titel 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de bepalingen omtrent de bestuurlijke boete. Hieronder wordt verstaan: de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom aan het tot handhaving bevoegde bestuursorgaan. Deze sanctie wordt vooralsnog alleen gehanteerd ten aanzien van bepaalde overtredingen van de Drank- en Horecawet. In grote lijnen ziet het proces rond het opleggen van een bestuurlijke boete er als volgt uit. Na vaststelling van een overtreding, maakt de BOA een zogenoemd boeterapport op. Dit bevat de handtekening van de opsporingsambtenaar, de naam van de overtreder, de overtreding en het overtreden voorschrift en (indien mogelijk) een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is
22
Gemeenteblad 2020 nr. 27504
3 februari 2020
geconstateerd. Hiertoe is een standaard ontwikkeld, zodat altijd aan deze wettelijke vereisten wordt voldaan. Na het opstellen van het boeterapport, wordt dit bekend gemaakt aan de overtreder. Daarbij wordt hij op de hoogte gebracht van het voornemen van het bevoegd gezag om een bestuurlijke boete op te leggen en krijgt hij de gelegenheid daarover binnen twee weken zijn zienswijze uit te brengen. De hoogte van de boete wordt vastgesteld met behulp van de bijlage bij het Besluit bestuurlijke boete Drank- en Horecawet. Hierin worden alle bestuurlijk beboetbare feiten opgesomd met daaraan gekoppeld de bijbehorende hoogte van de het boetebedrag. Herhaling van de overtreding (recidive), grootte van het bedrijf (aantal werknemers), bijzondere omstandigheden en samenloop van feiten (meerdere nauw samenhangende beboetbare feiten) bepalen mede de hoogte van het boetebedrag. Als een zienswijze wordt ingediend op de voorgenomen bestuurlijke boete, zijn er drie mogelijke uitkomsten. Het bevoegd gezag beslist naar aanleiding van de zienswijze géén boete op te leggen; • Het bevoegd gezag beslist naar aanleiding van de zienswijze de overtreding strafrechtelijk te laten • handhaven door de officier van justitie, of; Het bevoegd gezag beslist een boete op te leggen, omdat de zienswijze geen aanleiding geeft • daarvan af te zien.
Deze beslissing moet binnen 13 weken na dagtekening van het boeterapport genomen zijn en vermeldt ten minste de naam van de overtreder en het bedrag van de boete. Na het opleggen van de bestuurlijke boete wordt deze geïnd door het Centraal Justitieel Incassobureau in Leeuwarden. Het invorderingstraject wordt derhalve niet uitgevoerd door de gemeente. Het indienen van een bezwaarschrift tegen de boete dient wel bij de gemeente te gebeuren. Bestuurlijke strafbeschikking De BOA’s leggen uitsluitend een bestuurlijke strafbeschikking op bij strafbare feiten die staan opgenomen in de feitenlijst in de bijlage bij het Besluit OM-afdoening. Zij gaan na het constateren van een overtreding (direct) over tot het geven van een kennisgeving of aankondiging van een strafbeschikking aan de verdachte. Een strafbeschikking wordt niet uitgevaardigd als niet vastgesteld kan worden dat de verdachte het feit heeft begaan. Daarnaast betekent dit dat de bestrafte die in de strafbeschikking berust, achteraf niet kan beweren dat zijn schuld niet is vastgesteld. Indien dat niet mogelijk is, wordt het afschrift toegezonden aan het adres van de verdachte/bestrafte. Naderhand wordt een proces-verbaal opgesteld en toegestuurd aan het CJIB. Het CJIB verzendt vervolgens de strafbeschikking naar het adres van de verdachte.
Als de bestrafte het niet eens is met de strafbeschikking, kan hij in verzet gaan bij de rechter. Schorsen of intrekken vergunning Als reactie op een overtreding van de vergunningsvoorwaarden of het misbruiken van de vergunning, kan in wettelijk bepaalde gevallen besloten worden tot het schorsen van een vergunning. Zodoende kan met een schrikmiddel geprobeerd worden te bereiken dat de vergunninghouder zich weer aan de voorwaarden houdt. Als de overtreding herhaald wordt of van zeer ernstige aard is, kan het bevoegd gezag ook besluiten tot intrekken van de vergunning. Hiermee wordt dan bereikt dat de overtreder hoe dan ook niet de kans krijgt de overtreding te herhalen. Voor het intrekken van de vergunning is veelal een wettelijke grondslag vereist, al impliceert een weigeringsbevoegdheid van een bestuursorgaan ook een schorsings- c.q. intrekkingsbevoegdheid. Na vaststelling van een overtreding van de vergunning(voorwaarden), maakt de BOA een constateringsrapport. Dit rapport wordt ten grondslag gelegd aan een voorgenomen beschikking, die aan de overtreder bekend wordt gemaakt. Aangezien het schorsen of intrekken van een vergunning een beschikking vormt waarom de overtreder niet heeft gevraagd, krijgt hij de gelegenheid om binnen twee weken zijn zienswijze daarop kenbaar te maken.
Sanctiestrategie BOA-taken Het bevoegd gezag heeft binnen de openbare orde en veiligheid een keur aan bestraffende en herstellende (zie hierna) sancties. De sanctiestrategie bij overtredingen van de Drank- en Horecawet is conform de sancties in de bijlage van de Drank- en Horecawet. De sanctiebepaling van de APV staat in de vigerende Algemene plaatselijke verordening Krimpenerwaard. De in de strategie opgenomen sancties betreffen die waarvan op dit moment veelal gebruik gemaakt wordt. De BOA’s zijn aangewezen voor een breder takenpakket (op grond van de domeinlijst van het Ministerie van Justitie), maar het voert in dit verband te ver daar uitgebreide strategieën voor vast te stellen. De frequentie van dergelijke overtredingen is zodanig laag dat een ad-hoc benadering beter past, waarbij de uitgangspunten van onderhavig beleid zonder meer gelden.
23
Gemeenteblad 2020 nr. 27504
3 februari 2020
Herstellend handhavingstraject Herstellend handhaven vindt met name plaats bij overtredingen van de Wabo, maar beperkt zich daar niet toe. Ook bij overtredingen van plaatselijke verordening of de bijzondere wetten kan herstellen meer bewerkstelligen dan bestraffen. Het navolgende geldt dan ook voor beide domeinen, al ligt de nadruk op de fysieke leefomgeving. Dit is een uitvloeisel van de wettelijke vereisten die worden gesteld aan de beleidsdocumenten uit de Wabo. Een herstellend handhavingstraject kent in principe de volgende drie stappen, waarbij in elke stap een begunstigingstermijn wordt gegeven om de overtreding te beëindigen: Waarschuwingsbrief; • Voornemen herstelsanctie; • Herstelsanctie. • Uitzonderingen Als sprake is van een bedreigende situatie of van calculerend/repeterend gedrag wordt de herstelsanctie voorbereid in twee stappen: Voornemen herstelssanctie (zonder begunstigingstermijn, slechts een redelijke termijn voor het • geven van een zienswijze); Herstelsanctie. • De eerste stap uit het voornoemde traject, de waarschuwingsbrief, wordt overgeslagen.
○ Er sprake is van een bedreigende situatie in bijvoorbeeld de volgende gevallen: ○ Directe schade voor de mens: slopen asbest zonder vergunning, externe onveiligheid, • wonen in een gebouw dat in wezen onbewoonbaar is of ernstige vervuiling van open erven en terreinen; Directe, onomkeerbare schade, voor het natuurlijk milieu, stedenbouwkundige, • landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteit: vernietigen van waardevolle landschapselementen en wijzigen van een monument zonder vergunning; Directe, onomkeerbare schade, voor de bewegingsruimte van de mens (wonen, • bedrijfsvoering, voorziening in eerste levensbehoeften): ernstige hinder en overlast in relatie tot functie gebied / gebouw en onbereikbaarheid van bouwwerken en open erven / terreinen; Constructieve en brandonveilige situaties, die alleen met veel moeite achteraf zijn te • corrigeren: blokkeren van vluchtwegen, niet goed functionerende brandmeldinstallaties en gebouw in gebruik nemen zonder gebruiksvergunning of -melding.
Onder calculerend gedrag wordt verstaan een handelen of nalaten waaruit kan worden afgeleid dat de overtreder doelbewust niet de wettelijke procedures volgt om financieel of procedureel voordeel te behalen. Repeterend gedrag vindt plaats als een overtreder (bewust) telkens opnieuw dezelfde overtreding begaat. Daarnaast kan er ook aanleiding bestaan om direct over te gaan tot het opleggen van een herstelsanctie. Dit is met name aan de orde wanneer (ernstige) volksgezondheid-, openbare orde en/of veiligheidsaspecten in het geding zijn of wanneer voortduring van de overtreding tot onomkeerbare effecten leidt. Dan zal het college direct tot het toepassen van een passende bestuursrechtelijke maatregel besluiten. Keuze en invulling herstelsanctie Wat in relatie tot de overtreding een passende bestuursrechtelijke maatregel is, is afhankelijk van de situatie. Per geval wordt gekozen voor het meest doelmatige handhavingsinstrument. In de meeste gevallen kiest de gemeente Krimpenerwaard voor het opleggen van een last onder dwangsom. Tot een last onder bestuursdwang wordt ten aanzien van de fysieke leefomgeving niet snel besloten.
Bestuursdwang kan hier slechts aan de orde zijn als er een spoedeisend belang is, als op voorhand duidelijk is dat de overtreder de overtreding niet zelf ongedaan zal (laten) maken of als een eerdere last onder dwangsom niet tot beëindiging van de overtreding heeft geleid. Voor wat betreft overtredingen in het domein van de BOA’s wordt eerder besloten tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Veelal is dan sprake van de (directe) toepassing van spoedeisende bestuursdwang, zoals het verwijderen van onjuist aangeboden huisvuil of het wegslepen bij parkeerexcessen. In die gevallen is namelijk altijd sprake van een spoedeisend belang of een (onbekende) overtreder die de overtreding niet zelf ongedaan zal (laten) maken.
24
Gemeenteblad 2020 nr. 27504
3 februari 2020
Varianten last onder dwangsom Op grond van artikel 5:32b, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn er drie dwangsomsoorten: een bedrag ineens; • een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd; • een bedrag per overtreding van de last. • In de gemeente is gekozen om in principe een dwangsom ineens op te leggen. Dit is effectiever vanwege de hoogte van het bedrag en legt een kleiner beslag op de toezichtcapaciteit. Slechts bij het overtreden van voorschriften inzake het onderhoud van brandinstallaties is gekozen voor een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, vanwege de vereiste snelheid waar dergelijke gebreken verholpen kunnen en moeten zijn. Verder wordt voor een bedrag per tijdseenheid of per overtreding van de last slechts in uitzonderlijke gevallen gekozen. Dit wordt dan ook per casus beoordeeld en beargumenteerd. Hoogte dwangsom Het opleggen van een dwangsom heeft tot doel overtredingen ongedaan te maken en eventuele vervolgovertredingen te voorkomen. De hoogte van een dwangsom is afhankelijk van de aard van de overtreding en staat in (redelijke) verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang (artikel 5:32 van de Awb).
De hoogte van een dwangsom is verder afhankelijk van: de dwangsom moet voldoende prikkel geven de overtreding te beëindigen; • voorkoming van herhaling, beperking van schade en herstel in de oorspronkelijke toestand; • de bevestiging van normen gesteld in het bestuurlijk belang; • de (geschatte) kosten die de overtreder moet maken om de overtreding op te heffen; • het wegnemen van ongerechtvaardigd voordeel dat de overtreder heeft genoten. • In zijn algemeenheid zijn dwangsommen zodanig hoog dat deze in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. In het geval dat een overtreding een afwijking van deze tabel (bijlage 6) rechtvaardigt wordt dit gemotiveerd in de herstelsanctie. Begunstigingstermijn herstelsanctie Zowel de toepassing van bestuursdwang als het verbeuren van een dwangsom kan slechts plaatsvinden nadat de overtreder de gelegenheid heeft gehad om de overtreding ongedaan te maken. Een uitzondering is de spoedeisende bestuursdwang. De uiteindelijke begunstigingstermijn hangt mede af van het feit of een overtreding eenvoudig kan worden beëindigd, of sprake is van enig gevaar en of de overtreding hinder of overlast veroorzaakt voor derden. In de tabel in bijlage 6 zijn de begunstigingstermijnen opgenomen die de gemeente Krimpenerwaard hanteert per type overtreding.
Het gaat hierbij om minimaal op te nemen begunstigingstermijnen: een langere termijn is mogelijk indien de overtreding dat met zich meebrengt. Er is dus weinig vrijheid om hier in een concreet geval van af te wijken voor een kortere termijn dan opgenomen; dit kan slechts met een goede motivering. Bouw-, gebruik- of sloopstop Op grond van artikel 5.17 van de Wabo kan een herstelsanctie inhouden dat het bouwen, gebruiken of slopen van een bouwwerk wordt gestaakt of dat voorzieningen, met inbegrip van het slopen van een bouwwerk, gericht op het tegengaan of beëindigen van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid worden getroffen. Dit vormt daarmee een specifieke vorm van bestuursdwang, waarbij de bouwstop de meest gebruikte vorm is. In de navolgende tekst kan ‘bouwstop’ echter ook worden vervangen door ‘gebruikstop’ of ‘sloopstop’. Het opleggen van een bouwstop heeft tot doel de situatie te bevriezen. Het staken van de werkzaamheden voorkomt dat de illegale situatie in ernst en omvang toeneemt. De bouwstop voorkomt daarnaast dat voor de betrokkene extra kosten voortvloeien uit het aanpassen van het werk aan de geldende regels of het verwijderen van het werk. Het opleggen van een bouwstop kan niet voorkomen dat de overtreder toch doorbouwt zonder dat daar een sanctie aan verbonden is.
Dit wordt slechts voorkomen door het tegelijk met de bouwstop opleggen van een preventieve last onder dwangsom, omdat het gevaar van het opnieuw begaan van de overtreding zich kennelijk voordoet (zie ook de volgende paragraaf). Indien de gezondheid of de veiligheid in het geding is wordt in ieder geval een bouw-, gebruik- of sloopstop opgelegd. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat: gebouwd wordt zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning; • gebouwd wordt, maar daarbij evident niet voldaan wordt aan de voorschriften van het Bouwbesluit. •
25
Gemeenteblad 2020 nr. 27504
3 februari 2020
Voorts wordt in een bouwstop opgelegd als belanghebbenden in hun positie worden benadeeld en hierom verzoeken. De toezichthouder legt een mondelinge bouwstop op welke schriftelijk wordt bevestigd of reikt een reeds opgelegde bouwstop uit, waarop niet verder doorgebouwd mag worden. Hierbij wordt uiteraard wel het redelijkheidscriterium gehanteerd: een halfopen dak bijvoorbeeld mag worden afgedekt met een zeil of een tijdelijke bedekking. Het eventueel niet opleggen van een bouwstop betekent overigens niet dat een niet te legaliseren overtreding niet ongedaan moet worden gemaakt. Het bouwen zonder vergunning komt te allen tijde voor rekening en risico van de overtreder. Het college kan besluiten een bouwstop op te heffen en de hieraan verbonden last onder dwangsom in te trekken. Dit geschiedt in de volgende situaties: wanneer het illegaal gebouwde is gelegaliseerd met een omgevingsvergunning; • nadat u schriftelijk aan de gemeente heeft medegedeeld dat het oorspronkelijk vergunde bouwplan • wordt uitgevoerd en dit door onze toezichthouder is bevestigd; indien alsnog wordt voldaan aan de bouwregelgeving en dit door onze toezichthouder is bevestigd. • Preventieve herstelsanctie In situaties waar sprake is van klaarblijkelijk gevaar van een overtreding in de toekomst, kan al een preventieve last onder dwangsom worden opgelegd (vergelijk artikel 5:7 van de Awb).
Het gaat dan om de combinatie met een bouwstop, een aankondiging van een illegale situatie in de krant of via internet of wanneer dezelfde overtreding eerder heeft plaatsgevonden. Ook een preventieve last onder bestuursdwang kan in voorkomende gevallen worden opgelegd. Naar aanleiding van een verzoek wordt na 1 jaar de preventieve herstelsanctie heroverwogen en beoordeelt of de sanctie kan worden ingetrokken. Voortduren overtreding Indien na het verstrijken van de begunstigingstermijn van een last onder dwangsom blijkt dat de overtreder geen gehoor heeft gegeven en de overtreding nog steeds voortduurt, vindt opnieuw een overweging plaats over het in te zetten instrument. Er kan gekozen worden om de nieuwe dwangsom te verhogen of een last onder bestuursdwang op te leggen. Hiervoor wordt opnieuw een besluit door het bevoegd gezag genomen. In geval van een nieuwe herstelsanctie wordt geen waarschuwingsbrief verzonden. In het voornemen wordt, in afwijking van het voorgaande, ook geen begunstigingstermijn gegeven (slechts een redelijke termijn voor het geven van een zienswijze). Indien opnieuw een last onder dwangsom is voorgenomen, bedraagt de hoogte van de dwangsom het dubbele van de eerder opgelegde last onder dwangsom.
Verlengen begunstigingstermijn en opschorten looptijd handhavingsbesluiten De begunstigingstermijn is op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen door gebruik te maken van bijlage 6. Dit houdt in dat de termijn voldoende lang is om de opgelegde last te kunnen uitvoeren en in de omstandigheden van het geval, redelijk is. Uitgangspunt is dan ook dat de begunstigingstermijn niet verlengd wordt. Slechts in enkele bijzondere gevallen kan overgegaan worden tot verlenging van de begunstigingstermijn. Hieronder worden deze gevallen opgesomd: Indien de overtreder om een verlenging van de begunstigingstermijn verzoekt en aan de hand • van objectieve gegevens aannemelijk kan maken dat hij de opgelegde last niet binnen de daartoe gestelde termijn kan uitvoeren. Hierbij moet de overtreder tevens een concrete termijn geven waarbinnen hij de opgelegde last wel kan uitvoeren. Als een overtreder zelf te laat is begonnen met het aanvragen van offertes of het geven van een opdracht, wordt de begunstigingstermijn niet verlengd. Indien de overtreder aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk maakt dat opheffing van • de illegale situatie (bijvoorbeeld door bedrijfsverplaatsing/ omzetting van de bedrijfsvorm/pensionering) in het vooruitzicht ligt. Ook hierbij geldt dat de overtreder een concrete termijn voor het opheffen van de illegale situatie moet geven.
Bezwaarfase Indien tijdens de bezwaarfase wordt verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn, wordt hiermee ingestemd tenzij belangen van derden onevenredig worden geschaad of er gevaar is voor de veiligheid of volksgezondheid of onomkeerbare gevolgen optreden. De verlenging van de begunstigingstermijn duurt tot maximaal de in de bestreden beschikking gegeven begunstigingstermijn na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Aan een verzoek om opschorting van de looptijd
26
Gemeenteblad 2020 nr. 27504
3 februari 2020
wordt niet meegewerkt of dit wordt desgewenst aangemerkt als een verzoek om het verlengen van de begunstigingstermijn. Beroepsfase of hoger beroepsfase Indien tijdens de beroepsfase of hoger beroepsfase wordt verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn of om opschorting van de looptijd totdat op het beroep of hoger beroep is beslist, wordt daar in principe niet mee ingestemd. Dan geldt in principe de weg van de voorlopige voorziening. Voorlopige voorziening hangende beroep of hoger beroep Indien de rechtbank verzoekt om de werking van een handhavingsbesluit op te schorten totdat op het verzoek is beslist, wordt hiermee in principe ingestemd tenzij belangen van derden onevenredig worden geschaad of er gevaar is voor de veiligheid of volksgezondheid of onomkeerbare gevolgen optreden. Kostenverhaal bestuursdwang Op grond van artikel 5:25, eerste lid van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. In het verlengde hiervan worden de gemaakte kosten dan ook altijd ingevorderd, waarbij de hoogte bij kostenbeschikking wordt vastgesteld. In lijn met het derde lid van genoemd artikel worden voorbereidingskosten altijd verhaald, zelfs na het beëindigen van de overtreding na afloop van de begunstigingstermijn maar voor de uitvoeringsdatum van bestuursdwang.
Meenemen en opslaan van zaken Bij de toepassing van bestuursdwang komt het college de bevoegdheid toe tot het meevoeren en opslaan van daarvoor vatbare zaken. Van dit meevoeren en opslaan wordt een proces-verbaal opgemaakt waarvan bij het bekendmaken van de kostenbeschikking (zo mogelijk binnen zes weken na de uitvoeringsdatum) een afschrift wordt verstrekt aan degene die de desbetreffende zaken onder beheer had. Na het meevoeren van de zaken draagt de gemeente zorg voor de bewaring van de opgeslagen goederen en geeft deze zaken in principe terug aan de rechthebbende. De teruggave van meegevoerde zaken wordt binnen de gemeente Krimpenerwaard, op grond van artikel 5:29, vierde lid van de Awb, opgeschort totdat de totale bestuursdwangkosten zijn voldaan. Dit betreffen naast de voorbereidings- en de uitvoeringskosten, dus ook de opslagkosten van meegevoerde en opgeslagen zaken. Wanneer de meegevoerde en opgeslagen zaken niet aan de overtreder toebehoren, geldt het retentierecht slechts in verband met de kosten van bewaring c.q. opslag van de meegevoerde zaken. De vordering die de eigenaar daarna heeft op de overtreder, is een privaatrechtelijk geding waarin de gemeente geen partij is.
Parate executie Wanneer de in het kader van de uitoefening van bestuursdwang meegevoerde en opgeslagen zaken niet binnen dertien weken aan de rechthebbende kunnen worden teruggegeven, is het college gerechtigd deze te verkopen, om niet aan een derde over te dragen of te laten vernietigen (vergelijk artikel 5:30, eerste en vijfde lid van de Awb). Het college mag dit ook eerder doen, wanneer de bestuursdwangkosten samen met de voor overdracht of vernietiging geraamde kosten in verhouding tot de waarde van de desbetreffende zaken onevenredig hoog worden. Hierbij moet wel een termijn van twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal van meevoeren in acht worden genomen. Dit is uiteraard anders in geval van gevaarlijke stoffen of aan bederf onderhevige stoffen.
Het college van de gemeente Krimpenerwaard geeft op de volgende manier invulling aan de bevoegdheden die uit artikel 5:30 van de Awb voortvloeien: Wanneer zaken niet binnen dertien weken aan de rechthebbende kunnen worden teruggegeven: • Geschiedt de verkoop in eerste instantie aan één van drie vaste opkopers tegen een ○ marktconform tarief; Wordt een verkoopadvertentie in het lokale huis-aan-huisblad gezet, indien alle drie de ○ opkopers van koop hebben afgezien; Wordt bezien of de zaken om niet aan een kringloopwinkel of vergelijkbare instelling kunnen ○ worden overgedragen, indien binnen veertien dagen geen reactie is ontvangen op de advertentie in het huis-aan-huisblad; Worden de zaken vernietigd, indien deze niet aan een dergelijke instelling kunnen worden ○ overgedragen. •
•
27
Wanneer de bestuursdwangkosten samen met de voor overdracht of vernietiging geraamde kosten onevenredig hoog zijn, geldt voor het gestelde onder a. dat een termijn van twee weken (na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal) wordt gehanteerd. Gevaarlijke stoffen of aan bederf onderhevige stoffen worden direct vernietigd.
Gemeenteblad 2020 nr. 27504
3 februari 2020
•
Degene die op het tijdstip van verkoop eigenaar was, heeft gedurende drie jaar na dat tijdstip recht op het restant van de opbrengst dat overblijft na aftrek van de kosten voor de toepassing van bestuursdwang en de kosten van de verkoop. Na het verstrijken van deze termijn vervalt een batig saldo aan het college.
Invordering verbeurde dwangsom Het belang van een effectieve handhaving vergt dat verbeurde dwangsommen in beginsel ook worden ingevorderd. Gebeurt dat niet dan ondermijnt dat de dreiging die van een last onder dwangsom hoort uit te gaan. Het belang van een effectieve handhaving is echter een algemeen belang en geen te individualiseren rechtstreeks belang van degene die om handhaving heeft verzocht. De invordering van verbeurde dwangsommen maakt immers geen einde aan de overtreding. Indien een overtreder na het verstrijken van de begunstigingstermijn aan de opgelegde last geen gehoor heeft gegeven, verbeurt de dwangsom van rechtswege (artikel 5:32a, tweede lid en artikel 5:33 van de Awb). Alle verbeurde dwangsommen worden ingevorderd, waarbij alle invorderingskosten worden op de overtreder verhaald. Een en ander wordt middels een invorderingsbeschikking kenbaar gemaakt aan de overtreder. Gedoogstrategie Een evenwichtig handhavingsbeleid houdt in, dat op systematische wijze aan alle overtredingen die aandacht wordt besteed die nodig is om een adequaat niveau van normbevestiging en naleving te bereiken. Dit niveau van handhaving kan verschillen per beleidsterrein en per soort norm. Voor een evenwichtige rechtshandhaving is het nodig noch wenselijk dat alles op alles wordt gezet om iedere overtreding van iedere norm te achterhalen.
Een evenwichtig handhavingsbeleid noopt tot een zekere prioriteitstelling. Indien daardoor ten aanzien van bepaalde normovertredingen geen actief handhavingsbeleid wordt gevoerd, is er geen sprake van gedogen. Gedogen kan slechts in uitzonderingsgevallen aanvaardbaar zijn. Daarbij geldt steeds dat de afweging die de wetgever heeft gemaakt, niet op uitvoerend en handhavend niveau mag worden overgedaan. In de volgende situaties kan gedogen evenwel gerechtvaardigd of soms zelfs geboden zijn: handhaving zou leiden tot aperte onbillijkheden; • het achterliggende belang is evident beter gediend met gedogen; • een zwaarder wegend belang rechtvaardigt gedogen. • Dat gedogen slechts in uitzonderingsgevallen aanvaardbaar kan worden geacht, brengt ook met zich mee dat de mate waarin wordt gedoogd zoveel mogelijk in omvang en/of tijd moet worden beperkt. Het gedogen dient niet langer te duren en niet in grotere mate plaats te vinden dan gerechtvaardigd wordt door de anders optredende onbillijkheid of door het achterliggende of zwaarder wegende belang dat het gedogen rechtvaardigt. Als het gedogen omvangrijk of structureel dreigt te worden, dient heroverweging van de norm zelf plaats te vinden. Onder omstandigheden kan gedogen voor langere tijd aanvaardbaar zijn, indien en zolang geen structurele verbetering van de norm mogelijk is.
28
Gemeenteblad 2020 nr. 27504
3 februari 2020
Bijlage 6: Richtlijnen last onder dwangsom
29
Gemeenteblad 2020 nr. 27504
3 februari 2020
30
Gemeenteblad 2020 nr. 27504
3 februari 2020
31
Gemeenteblad 2020 nr. 27504
3 februari 2020
32
Gemeenteblad 2020 nr. 27504
3 februari 2020
33
Gemeenteblad 2020 nr. 27504
3 februari 2020