1.238 RIB Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2026
Tekst van het document
RAADSINFORMATIEBRIEF
VAN HET COLLEGE VAN B&W VOOR
de gemeenteraad
CC DATUM ONDERWERP
2 december 2025 Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2026
Beste meneer, mevrouw, Op 2 december 2025 hebben wij beleidsregels vastgesteld naar aanleiding van de Participatiewet in Balans, die op 30 september 2025 is aangenomen door de Eerste Kamer. Aanvullend daarop zijn er technische wijzigingen doorgevoerd op de beleidsregels die reeds bestonden. Het betreffen de Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2026 (hierna te noemen ‘de beleidsregels’). Op 1 januari 2026 treedt de Participatiewet in Balans (gefaseerd) in werking. De regering wil hiermee regels en ondersteuning van de Participatiewet beter laten aansluiten op de mogelijkheden en omstandigheden van mensen voor wie ze bedoeld zijn. De Beleidsregels geven invulling aan de door de raad vastgestelde Verordening Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2022 (versie 2024) en de wettelijke regels voor de uitvoering van de onderstaande onderwerpen: Werken en Participeren Inburgeren Inkomen en Handhaving Armoede en Schulden. In 2026 zal er een nieuwe Verordening Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard worden opgesteld, welke ter besluitvorming aan u zal worden voorgelegd. Bijlagen RIB: * Bijlage 1: Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2026; * Bijlage 2: Was-Wordt lijst beleidsregels 2026. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, de secretaris,
de burgemeester,
J. Hennip
ir. J. Beenakker
1725651 / 1760002 gemeente Krimpenerwaard Postbus 51 2820 AB Stolwijk www.krimpenerwaard.nl
Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2026
Wetstechnische informatie Gegevens van de regeling Overheidsorganisatie
Gemeente Krimpenerwaard
Officiële naam regeling
Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2026
Citeertitel
Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2026
Besloten door
College van burgemeester en wethouders
Deze versie is geldig tot (als de Onbepaalde tijd vervaldatum is vastgesteld) Onderwerp
Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen
Opmerkingen m.b.t. de regeling N.v.t. Grondslagen • Participatiewet • Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers • Wet Inkomensvoorziening gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening • Wet inburgering 2021 • Wet maatschappelijke ondersteuning • Verordening Werk, Participatie en Inkomen 2022 • 1e Wijzigingsverordening Werk, Participatie en Inkomen van 2 november 2023 • 2e Wijzigingsverordening Werk, Participatie en Inkomen van 6 februari 2024 Tekst van de regeling Het college van burgemeester en wethouders van het college Krimpenerwaard; besluit: vast te stellen de Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2026.
1
Inhoudsopgave Begrippen ........................................................................................................................................... 4 1. Inleiding .............................................................................................................................................. 7 1.1 Waarom deze regels? ................................................................................................................. 7 1.2 Uitgangspunten ........................................................................................................................... 7 1.3 Kernwaarden................................................................................................................................ 7 2. Algemene richtlijnen ......................................................................................................................... 8 3. Werk en Participatie .......................................................................................................................... 9 3.1 Voorzieningen – Werk en Participatie ....................................................................................... 9 3.2 Inburgering ................................................................................................................................ 10 4.
Tegenprestatie ..................................................................................................................................11 5. Inkomen, armoede en schulden ..................................................................................................... 12 5.1
Vorm algemene bijstand .................................................................................................... 12
5.2 Verlagen van de bijstand bij geen woonlasten ...................................................................... 12 5.3 Middelen ..................................................................................................................................... 12 5.3.1 Inlichtingenplicht en medewerkingsplicht ...................................................................... 12 5.3.2 Vaststellen van het inkomen en vermogen en peilmaand ................................................ 13 5.3.3
Vrijlating van een vergoeding van materiële en immateriële schade .................. 13
5.3.4
Vrijlating van inkomsten uit arbeid .......................................................................... 13
5.3.5
Vrijlaten van vermogen ............................................................................................. 14
5.4 Bijzondere bijstand ................................................................................................................... 14 5.4.1 Algemene uitgangspunten .................................................................................................... 14 5.4.1.1 Hoogte bijzondere bijstand ............................................................................................... 14 5.4.1.2 Hoogte bijzondere bijstand voor inrichtings- en stofferingskosten ................................... 14 5.4.2
Beoordelen aanvraag ................................................................................................ 15
5.4.3
Draagkracht, inkomen en vermogen ....................................................................... 15
5.4.4 Betaling ............................................................................................................................... 15 5.5 Individuele inkomenstoeslag .................................................................................................. 15 5.5.1 Aanvraag en Peildatum ..................................................................................................... 15 5.5.2 Geen zicht op inkomensverbetering ................................................................................ 16 5.6 Armoede ..................................................................................................................................... 16 5.6.1 Kindpakket ........................................................................................................................ 16 5.6.1.1 Sport, cultuur en diplomazwemmen ................................................................................. 16 5.6.1.2 Schoolkosten en computer ............................................................................................... 16 5.6.1.3 Babystartpakket ................................................................................................................ 17 5.6.2 Meedoenregeling ...............................................................................................................
17 5.6.3 Regeling Sport & Cultuur voor volwassenen ................................................................. 17 5.6.4 Regeling gratis openbaar vervoer.................................................................................... 17 5.6.4.1 Aanvraag ........................................................................................................................... 17 5.6.4.2 Gebruik ............................................................................................................................. 18 5.6.4.3 Toetsen en beëindigen ...................................................................................................... 18 5.7 Zorgkosten ................................................................................................................................. 18
2
5.7.1 De collectieve zorgverzekering ........................................................................................ 18 5.7.1.1 Aanvraag ........................................................................................................................... 18 5.7.1.2 Toetsen en beëindigen ..................................................................................................... 18 5.7.1.3 Betalen .............................................................................................................................. 19 5.7.2 Medische meerkosten ...................................................................................................... 19 5.7.2.1 Doelgroep ......................................................................................................................... 19 5.7.2.2 Meerkosten ....................................................................................................................... 19 5.7.2.3 Hoogte .............................................................................................................................. 20 6. Afspraken tussen inwoner en gemeente....................................................................................... 20 6.1 Boete ..........................................................................................................................................
20 6.1.1 Overtreden inlichtingenplicht ........................................................................................... 20 6.1.2 Onderzoek .......................................................................................................................... 20 6.1.3 Bepalen hoogte boete ....................................................................................................... 20 6.1.4 Waarschuwing .................................................................................................................... 21 6.1.5 Geen boete of waarschuwing ........................................................................................... 21 6.2 Terugvorderen uitkering ......................................................................................................... 21 6.2.1 Bevoegdheid gemeente .................................................................................................... 21 6.2.2 Uitzonderingen terugvorderen ......................................................................................... 21 6.2.3 Bruteren .............................................................................................................................. 21 6.2.4 Kwijtschelden van terugvordering ...................................................................................
22 6.2.5 Schuldregeling ................................................................................................................... 22 6.2.6 Kwijtschelden bij een lening ............................................................................................. 22 6.2.7 Stoppen met terugvorderen niet mogelijk ...................................................................... 22 6.2.8 Terugbetalen ...................................................................................................................... 22 6.2.9 Volgorde van terugbetalen ................................................................................................ 23 7. Van oud naar nieuw ......................................................................................................................... 23 7.1 Onderzoek naar de werking van de beleidsregels................................................................. 23 7.2 Afwijken van de beleidsregels (hardheidsclausule) .............................................................. 23 7.3 Intrekken oude beleidsregels................................................................................................... 23 7.4 Overgangsrecht .........................................................................................................................
24 7.5 Ingangsdatum en naam ............................................................................................................ 24
3
Begrippen In deze beleidsregels worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten en de verordening waarop deze beleidsregels zijn gebaseerd. In deze beleidsregels worden ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten en de Verordening. Deze zijn hier omschreven. algemeen geaccepteerde arbeid: arbeid die passend is voor de inwoner, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van de inwoner. arbeidsbeperkt: de inwoner die door ziekte of een gebrek belemmerd wordt bij het verkrijgen van een baan of het verrichten van arbeid. Een arbeidsbeperking kan een zintuiglijk of lichamelijk probleem zijn - bijvoorbeeld slechthorendheid of in een rolstoel zitten - maar ook een psychische of verstandelijke handicap. benadelingsbedrag: het netto bedrag dat het college ten onrechte of teveel aan uitkering heeft verstrekt als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht door de inwoner. Het is het bedrag voor aftrek van de gereserveerde vakantietoeslag. beslagvrije voet: het deel van de inkomsten waarop de schuldeiser in feite geen beslag kan leggen. Dit is zo geregeld in de wet, omdat iedereen recht heeft op een bepaald minimuminkomen. Van deze beslagvrije voet moet iemand zijn vaste lasten betalen en voorzien in zijn levensonderhoud.
De hoogte van de beslagvrije voet bedraagt in principe 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. In de enkele gevallen wordt de beslagvrije voet verhoogd of verlaagd. De hoogte van de beslagvrije voet wordt analoog aan artikel 475d & g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vastgesteld. boete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a PW, artikel 20a eerste lid van de IOAW/IOAZ. bruteren: het verhogen van de vordering met de loonheffing en premies volksverzekeringen waardoor het college die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen. debiteur: degene van wie wordt teruggevorderd. draagkracht: het (restant) gedeelte van de middelen die moet worden gebruikt om de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te betalen. draagkrachtperiode: de periode van 12 maanden waarover de draagkracht berekend wordt. vermogen: is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. forfaitaire loonkostensubsidie: tijdens de eerste 6 maanden van een arbeidsovereenkomst geldt een fictieve loonwaarde van 50%.
Dit betekent dat er 50% van het minimumloon (naar rato van het aantal werkuren) wordt gecompenseerd, plus een wettelijk vastgesteld percentage werkgeverslasten over dat bedrag. gift: een onverplichte betaling van geld of goederen uit vrijgevigheid door een natuurlijk persoon of een instelling. inkomsten uit arbeid: alle (parttime) inkomsten uit arbeid in loondienst en inkomsten uit eigen onderneming. inkomstenvrijlating algemeen: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2 onderdeel n van de PW , artikel 8, lid 2 van de IOAW en artikel 8, lid 3 van de IOAZ. inkomstenvrijlating aanvullend: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2 onderdeel r van de PW, artikel 8, lid 5 van de IOAW en artikel 8, lid 9 van de IOAZ.
4
inkomstenvrijlating medisch urenbeperkte inwoner: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2, onderdeel y van de PW, artikel 8, lid 7 van de IOAW en artikel 8, lid 11 van de IOAZ. inlichtingenplicht: de verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de PW en artikel 13, eerste lid IOAW en artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de SUWI. invorderen: het innen van een vordering. inwoner: de persoon die zijn woonplaats heeft binnen het college volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om schuldhulpverlening, dan betreft het degene die in de basisregistratie personen van het college als ingezetene is ingeschreven. Voor de toepassing van hoofdstuk 6 wordt onder inwoner ook verstaan: de persoon die hulp van het college heeft gehad maar zijn woonplaats niet meer daar heeft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor hulp door het college. IOAW: Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkeloze werknemers. IOAZ: Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen. kind: ten laste komend kind zoals beschreven in de PW (artikel 4, eerste lid onder e).
kinderopvang: opvang van kinderen: • die voldoet aan de bepalingen genoemd in de Wet Kinderopvang of artikel 45 van de Wet op het primair onderwijs, en • die betrekking heeft op een ten laste komend kind van de inwoner; en • waarvoor de inwoner kinderopvangtoeslag ontvangt. loopjaar: van 1 maart van een kalenderjaar tot 1 maart van het volgende kalenderjaar. maatwerkvoorziening Wmo/Jeugd: persoonlijke hulp die op grond van de Wmo of Jeugdwet wordt verleend. MAP: Module Arbeidsparticipatie. peildatum: meetmoment voor het vaststellen van het recht op een inkomensvoorziening peiljaar: het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend. PIP: Persoonlijk Inburgeringsplan PVT: Participatieverklaringstraject. PW: Participatiewet Rv: Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. terugvorderen: door het college ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering of lening die wordt teruggevorderd op basis van een terugvorderingsbesluit. toevoeging: gesubsidieerde mediation of gesubsidieerde rechtsbijstand van de Raad voor Rechtsbijstand tussenschoolse opvang: opvang van schoolkinderen in de middagpauze. UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Verordening: Verordening Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2022.
5
vordering volgend uit schending inlichtingenplicht: vordering die is ontstaan op grond van artikel 58 lid 1 PW, artikel 25 lid 1 IOAW of artikel 25 lid 1 IOAZ als gevolg van schending inlichtingenplicht op grond van artikel 17 lid 1 van de Participatiewet.PW. verzekeringsjaar: van 1 januari tot 1 januari, een kalenderjaar. voedingsgeld: Dit is geld dat wordt verstrekt door een instelling en is bedoeld voor aanschaf maatlijden ter vervanging van maaltijden die anders geregeld worden door de instelling zelf. volledig arbeidsongeschikt: arbeidsongeschiktheid van minimaal 80%. werkplekaanpassing: aanpassing op of rond de werkplek, die ervoor zorgt dat de werknemer met een structurele functionele beperking zijn werk kan uitvoeren. Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Wlz: Wet langdurige zorg. zakelijke lasten woning: de lasten die het college en het waterschap jaarlijks bij de inwoner in rekening brengen. Denk bijvoorbeeld aan de onroerendezaakbelasting (OZB) of het rioolrecht.
6
1. Inleiding Deze beleidsregels geven gemeentelijke regels over de uitvoering van de volgende onderwerpen: • Werken en Participeren • Inburgeren • Inkomen en Handhaving • Armoede en Schulden Deze beleidsregels ondersteunen net als de Verordening Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2022 (inclusief de Eerste en Tweede Wijziging) (hierna: “de Verordening”) de werkwijze van het college. Er wordt meegedacht met de inwoner over het effect dat hij wil bereiken en bekeken wordt of dit past binnen de doelstelling van de wetten van het sociaal domein. Vervolgens wordt bekeken welke wettelijke instrumenten het college heeft om dit doel met en voor de inwoner te realiseren.
1.1 Waarom deze regels? In Hoofdstuk 1 van de Verordening zijn de doelstellingen beschreven die het college Krimpenerwaard belangrijk vindt, namelijk: • mensen kunnen actief meedoen aan het maatschappelijk leven of kunnen actief aan het werk gaan; • mensen hebben een inkomen waarmee ze rond kunnen komen; • mensen hebben hun financiën op orde; • mensen kunnen een eigen huishouding voeren en voor zichzelf zorgen. Het is de taak van het college om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: • Participatiewet (PW), de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); • Wet inburgering 2021 (Wi2021); • Wet maatschappelijke ondersteuning; • Gemeentewet. Deze beleidsregels geven invulling aan de Verordening en de wettelijke regels. Het zijn regels voor de uitvoering. De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de wet en in de Verordening. Nieuwe begrippen worden toegelicht in Hoofdstuk 8.
1.2 Uitgangspunten De uitgangspunten die in de Verordening zijn beschreven zijn ook op deze beleidsregels van toepassing.
1.3 Kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze beleidsregels houdt het college rekening met de doelen van de genoemde wetten. Het college gaat bij deze beleidsregels ook uit van de kernwaarden die ook in de Verordening zijn genoemd.
7
1.4 Artikel, wet en verordening In deze beleidsregels is per artikel aangegeven op welke wetten (zie de wetten genoemd in artikel 1.1) het artikel is gebaseerd. Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht) genoemd. Die verwijzing staat er als er in de Awb specifieke bepalingen zijn die op dat artikel van toepassing zijn. Als de beleidsregels een nadere uitwerking zijn van de Verordening wordt dit ook aangegeven. PW | IOAW | IOAZ | Wgs | Wi2021 | Wmo | Gemeentewet | Awb | Burgerlijk Wetboek | Verordening
2. Algemene richtlijnen In dit hoofdstuk worden de algemene richtlijnen van deze beleidsregels beschreven.
2.1 Deskundig advies PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. Het college kan aan een deskundige een advies vragen als de medewerker van het college niet zelf de deskundigheid heeft om de hulp bij werk, participatie of inkomen te beoordelen. Dit advies betrekt het college bij de beoordeling. 2. Als een inwoner niet meewerkt aan een advies aanvraag van een deskundige die nodig is voor de beoordeling, wordt de aanvraag afgewezen.
2.2 Verkorte aanvraag levensonderhoud PW | Verordening 1. Het college gebruikt bij een aanvraag om algemene bijstand de gegevens van de inwoner die bij het college al bekend zijn in verband met eerdere bijstandverlening, als de bijstand is beëindigd in verband met: a. Werkaanvaarding; b. Een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de wet; c. Een verblijf buiten de gemeente; d. En de aanvraag is ingediend binnen 6 maanden na de einddatum van de eerdere bijstandsuitkering. 2. De inwoner verstrekt bij het indienen van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval inlichtingen over een wijziging in: a. Het hoofdverblijf; b. De gezinssituatie; c. Inkomen en vermogen;
2.3 Andere (voorliggende) voorziening PW | IOAW | IOAZ |Verordening De kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking als er geen sprake is van een andere (voorliggende) voorziening.
2.4 Uitgangspunten bij verstrekken van voorzieningen PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. Bij het verstrekken van hulp wordt uitgegaan van de goedkoopst passende voorziening. 2. Een voorziening wordt niet vergoed als deze al is betaald en het college de noodzakelijkheid niet meer kan beoordelen. 3. De genoemde bedragen in deze beleidsregels zijn vaste bedragen, tenzij anders aangegeven.
8
3. Werk en Participatie In Hoofdstuk 3 van de Verordening wordt beschreven welke hulp het college kan bieden aan inwoners bij participatie, bij het vinden van de weg naar werk en inburgering. In dit hoofdstuk wordt waar nodig een verdere invulling gegeven aan de regels van de Verordening. Het college kan de hulp zoals beschreven in dit hoofdstuk, ook zonder aanvraag van de inwoner of werkgever toekennen.
3.1 Voorzieningen – Werk en Participatie 3.1.1 Forfaitaire loonkostensubsidie PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. Het college en de werkgever bepalen in overleg of een forfaitaire loonkostensubsidie of een loonkostensubsidie op basis van loonwaarde wordt ingezet. 2. Voor een forfaitaire loonkostensubsidie geldt dat: a. deze niet kan worden ingezet voor inwoners die al een dienstverband hebben; b. deze niet kan worden ingezet bij een verlenging van het dienstverband bij dezelfde werkgever; c. de werkgever een arbeidsovereenkomst aanbiedt van minimaal 6 maanden; d. de duur van de forfaitaire loonkostensubsidie is 6 maanden; e. in de 5e maand van de arbeidsovereenkomst wordt de loonwaarde vastgesteld; f. per de 7e maand van de arbeidsovereenkomst gaat loonkostensubsidie in op basis van de vastgestelde loonwaarde.
3.1.2 Kinderopvang PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. De hoogte van de vergoeding voor de kinderopvang vindt plaats in de vorm van een aanvulling op de kinderopvangtoeslag tot 100% (bij het laagste toetsingsinkomen). Voor de percentages van de kinderopvangtoeslag wordt de tabel van van de Belastingdienst gehanteerd; 2. Bij de berekening van de vergoeding wordt uitgegaan van de maximale uurprijs zoals bedoeld in de Wet Kinderopvang (artikel 1.7 lid 2). 3. De hoogte van de vergoeding voor tussenschoolse opvang is 100% van de totale kosten. Er wordt uitgegaan van de overeenkomst tussen aanbieder en inwoner. 4. De vergoeding voor de kinderopvang wordt maandelijks uitbetaald.
3.1.3 Reiskosten PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. Het college kan aan de inwoner die meedoet aan een activiteit om dichter bij de arbeidsmarkt te komen een vergoeding verstrekken voor reiskosten. 2. Voorwaarden om een reiskostenvergoeding te krijgen zijn: a. de afstand van de woning van de inwoner tot werk of school bedraagt minimaal 10 kilometer per fiets; b. de afstand wordt minimaal 1 maal per 2 weken afgelegd. 3. De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de werkelijke reiskosten op basis van het tarief van het Openbaar Vervoer. 4. De vergoeding voor reiskosten wordt maandelijks uitbetaald.
3.1.4 Vervoersvoorzieningen PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. Een vervoersvoorziening wordt slechts verstrekt indien er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor de duur van minimaal 6 maanden, met een omvang van minimaal 12 uur per week en minimaal 4 uur arbeid per dag. 2. De goedkoopst adequate vervoersvoorziening wordt vergoed. 3. Vervoersvoorzieningen waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is worden niet vergoed.
9
4. In geval van verhuizing moet de vervoersvoorziening opnieuw worden aangevraagd. 5. Onder vervoersvoorzieningen worden in ieder geval verstaan: een kilometervergoeding voor het gebruik van een eigen (aangepaste) auto of van een –aangepaste- bruikleenauto, inzet van een chauffeur voor de privéauto, begeleiding bij het reizen met het openbaar vervoer, een (rolstoel-)taxikostenvergoeding, aanpassing van de eigen auto of ander vervoermiddel. 6. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de kortste route volgens de ANWB-routeplanner. 7. Bij de bepaling van de hoogte van de kilometervergoeding wordt aangesloten bij de vergoeding van de Belastingdienst.
3.1.5 Werkplekaanpassingen PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. Voorwaarden voor het verstrekken van een werkplekaanpassing zijn: a. het college vindt de aanpassing van de werkplek noodzakelijk om aan het werk te komen of te blijven. b. de arbeidsbeperking duurt naar verwachting tenminste een jaar. c. de inwoner heeft een dienstverband van minimaal 6 maanden en werkt minimaal 12 uur per week en 4 uur per dag. d. de werkplekaanpassing voldoet aan de algemeen geldende kwaliteitseisen of keurmerk voor die aanpassing. e. de goedkoopst adequate voorziening wordt vergoed. 2. Het college vergoedt geen aanpassing van de werkplek als het aanpassingen zijn die een werkgever of inwoner bij een werksituatie zonder arbeidsbeperking ook zelf zou betalen. 3. Het budgetplafond voor aanpassing van de werkplek is € 15.000,- per jaar per inwoner. 4. De kosten van de werkplekaanpassing moeten passend zijn in relatie tot de opbrengsten door werk van de inwoner.
3.1.6 Vrij besteedbaar budget voor uitvoering PW | IOAW | IOAZ |Verordening Het college kan een vergoeding van maximaal € 500,- per inwoner verstrekken voor een voorziening die noodzakelijk is voor het krijgen of behouden van arbeid, een re-integratietraject, inburgeringstraject, scholingstraject of voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het college maakt alleen van deze mogelijkheid gebruik als andere voorzieningen uit de Verordening en deze beleidsregels geen oplossing bieden en er geen andere (voorliggende) voorziening is. Het college bepaalt wanneer en hoe vaak de vergoeding per inwoner wordt ingezet.
3.1.7 Uitstroompremie PW | IOAW | IOAZ |Verordening De hoogte van de uitstroompremie is € 500,-.
3.2 Inburgering 3.2.1 Informatie aan inburgeringsplichtigen Wi2021 1. Inburgeringsplichtigen ontvangen van het college informatie over wat de Wi2021 voor hen betekent. Zij ontvangen informatie over: a. hun rechten en plichten op grond van de inburgeringswetgeving; b. brede Intake; c. het Participatieverklaringstraject (PVT); d. de leerroutes; e. de Module Arbeidsparticipatie (MAP); f. het Persoonlijk Inburgeringsplan (PIP). 2. Statushouders ontvangen informatie over hun maatschappelijke begeleiding en de financiële ontzorging.
10
3.2.2 Brede intake inburgeringsplichtigen Wi2021 1. De Brede Intake heeft als doel de startpositie en de kansen van de inburgeringsplichtige in beeld te brengen. 2. De inburgeringsplichtige ontvangt een uitnodiging voor de Brede Intake met daarin de rechten en plichten, waarna de inburgeringsplichtige in het college is ingeschreven. 3. Het college neemt de Brede Intake af. 4. De Brede Intake bestaat uit een leerbaarheidstoets en informatie over: a. eerder verrichte participatie-activiteiten; b. onderwijsachtergrond; c. werkervaring. 5. De informatie uit de Brede Intake wordt opgenomen in het PIP (Persoonlijk Inburgerings Plan) die door het college en de inburgeringspichtige wordt ondertekend.
3.2.3 Persoonlijk Inburgeringsplan (PIP) Wi2021 In het PIP worden de volgende onderwerpen vastgesteld: a. de leerroute; b. de ondersteuning en het aantal voortgangsgesprekken die nodig zijn; c. de inhoud van het PVT en de MAP; d. de behoefte en mogelijkheden van kinderopvang en vervoer; e. aanvullende informatie over de persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige voor zover deze informatie nodig is voor de inburgering; f. arbeids- en participatieverplichtingen en mogelijke voorzieningen volgens de PW; g. op welke wijze de statushouders financieel worden ontzorgd.
3.2.4 Module Arbeidsparticipatie (MAP) Wi2021 1. De MAP die is opgenomen in de PIP bestaat uit: a. kennismaken met de Nederlandse arbeidsmarkt; b. taalstage en/of leerwerkstage en/of participatie-activiteiten. 2. De MAP biedt de inburgeringsplichtige ondersteuning bij het vinden van werk, dit is een verplichting van de PW.
3.2.5 Voortgangsgesprekken inburgering plichtige Wi2021 Tijdens de Brede Intake wordt in het PIP het aantal voortgangsgesprekken afgesproken, waarbij de resultaten en de voortgang van het inburgeringstraject worden besproken. In het eerste jaar vindt er een voortgangsgesprek plaats. De inburgering plichtige krijgt een verslag van dit voortgangsgesprek.
3.2.6 Maatschappelijke begeleiding statushouders Wi2021 Statushouders hebben recht op maatschappelijke begeleiding. Zij worden ondersteund in praktische zaken en krijgen voorlichting over de Nederlandse samenleving en basisvoorzieningen zoals wonen, onderwijs en zorg. De maatschappelijke begeleiding start op het moment dat de statushouder in het college is ingeschreven. Maatschappelijke begeleiding wordt verleend door Stichting Vluchtelingenwerk.
4. Tegenprestatie Als het college de inwoner een tegenprestatie oplegt dan geeft hij de inwoner eerst de mogelijkheid om zelf op zoek te gaan naar een instelling of organisatie waar de tegenprestatie kan worden uitgevoerd. Als de inwoner zelf geen geschikte instelling of organisatie vindt, kan het college een instelling of organisatie aanwijzen. Het college kan de tegenprestatie elk jaar opnieuw opleggen. Het college betaalt de onkosten, reiskosten en de nodige verzekeringen als de instelling of organisatie waar de tegenprestatie wordt uitgevoerd dit niet betaalt.
11
5. Inkomen, armoede en schulden In dit hoofdstuk wordt eerst geregeld in welke gevallen het college de uitkering verlaagd en met welke middelen het college rekening houdt bij de beoordeling van het recht op een uitkering. Het college kan volgens de wet de hoogte van de uitkering afstemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner. Ook wordt verder uitgewerkt wat de voorwaarden en mogelijkheden van bijzondere bijstand en andere regelingen voor de ondersteuning van het inkomen zijn.
5.1 Vorm algemene bijstand PW 1. Als er bij een koopwoning, waar de overwaarde meer bedraagt dan de vrijlating genoemd in artikel 34 lid 2 onderdeel d PW, bijstand wordt verleend, gebeurt dat in de vorm van een geldlening. Hiertoe kan het college een hypotheek- of pandovereenkomst vestigen. Tot de geldlening worden ook gerekend de eventuele kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, en bijkomende kosten; 2. De te verstrekken bijstand moet over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag dat bijstand wordt verleend, hoger zijn dan eenmaal het netto minimum maandloon inclusief vakantietoeslag voor een gehuwde werknemer. Als er naar verwachting minder bijstand verstrekt zal worden, wordt er bijstand om niet verstrekt; 3. Hypotheek wordt gevestigd op registergoederen (huizen en geregistreerde woonschepen). Pandrecht wordt gevestigd op niet-registergoederen (woonwagens en niet-geregistreerde woonschepen); 4. De geldlening is maximaal de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen, dat in artikel 34 PW vermeld staat; 5.
Voor de vaststelling van de waarde, als bedoeld in het vierde lid, gaat het college uit van de meest recente beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en stelt het college na de datum van aanvang de uitkering elke vijf jaar opnieuw vast.
5.2 Verlagen van de bijstand bij geen woonlasten PW Het college verlaagt de bijstandsnorm die geldt voor inwoners van 21 jaar of ouder tot de pensioengerechtigde leeftijd met: a. 10% van de gehuwdennorm als de inwoner een woning bewoont waarbij hij geen huur of hypotheekkosten hoeft te betalen. b. 20% van de gehuwdennorm als de inwoner een woning bewoont waarbij hij geen huur-, hypotheekkosten en zakelijke lasten zoals gas, water en licht en gemeentelijke belastingen hoeft te betalen; c. 20% van de gehuwdennorm als de inwoner geen woning heeft.
5.3 Middelen PW Het college kan binnen de wettelijke kaders bepalen welke middelen niet tot het inkomen of vermogen worden gerekend. Deze paragraaf geeft hiervoor de kaders.
5.3.1 Inlichtingenplicht en medewerkingsplicht PW De inwoner informeert het college uit zichzelf zo snel en volledig mogelijk over alles wat van belang kan zijn voor het recht op bijstand, zoals bijvoorbeeld ontvangen inkomsten en vermogen. Het college ontvangt binnen twee weken nadat het college om informatie heeft gevraagd alle informatie, documenten en bewijsstukken van de inwoner.
12
5.3.2 Vaststellen van het inkomen en vermogen en peilmaand 1. Bij het vaststellen van het inkomen geldt de artikelen 31, 32 en 33 van de PW. 2. Bij het vaststellen van het inkomen en vermogen wordt uitgegaan van de maand voorafgaand aan de maand van de aanvraag. Bij wisselende inkomsten wordt uitgegaan van de inkomsten van de laatste drie maanden voorafgaand aan de maand van de aanvraag. 3. In afwijking van lid 2 wordt bij een aanvraag Meerkosten Chronisch zieken uitgegaan van het inkomen in de maand december van het voorgaande kalenderjaar. Bij wisselende inkomsten wordt uitgegaan van de inkomsten van de laatste drie maanden van het voorgaande kalenderjaar. 4. Middelen die voor de bijzondere bijstand en minimaregelingen niet tot het inkomen gerekend worden en niet voor de draagkrachtberekening meegenomen worden zijn: a. de oudedagsvoorziening als bedoeld in artikel 33 lid 5 Participatiewet en b. de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. c. de middelen zoals genoemd in artikel 31 lid 2 Participatiewet; d. voedingsgeld in een Wlz-instelling ter compensatie voor eten, drinken en wassen.
5.3.3 Vrijlating van een vergoeding van materiële en immateriële schade PW Onderstaande betreffen materiële en immateriële schadevergoedingen die buiten artikel 31 lid 2 onderdeel l PW vallen. 1. Een vergoeding voor materiële schade voor compensatie van het verlies van arbeidsvermogen wordt gezien als inkomen voor de periode waarop de schadevergoeding betrekking heeft. 2. Een vergoeding voor materiële schade voor niet algemeen gebruikelijke zaken wordt als vermogen gezien. 3. Een vergoeding voor immateriële schade wordt niet als vermogen gezien als deze lager is € 20.000,-. Het meerdere van een schadevergoeding wordt in principe als vermogen gezien.
5.3.4 Vrijlating van inkomsten uit arbeid PW 1. De inkomstenvrijlating wordt toegepast vanaf de eerste van de daaropvolgende maand. 2. Bij het ontvangen van inkomsten uit arbeid wordt altijd voldaan aan de voorwaarde dit bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de inwoner. 3. De periode van 6 maanden die in de wet staat, hoeft niet aaneengesloten te zijn. 4. Het recht op inkomstenvrijlating bestaat bij gehuwden voor ieder van de partners afzonderlijk. 5. Als de bijstandsperiode minimaal 12 maanden wordt onderbroken, ontstaat er ook een nieuw recht op inkomstenvrijlating. 6. Het college past een inkomstenvrijlating automatisch toe. 7. Als dezelfde uitkeringsperiode wordt gezien: a. de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter is dan 30 dagen wordt voortgezet; b. de situatie van voortzetting van een uitkering die in een andere gemeente al werd ontvangen; c. de situatie van na wijziging van bijvoorbeeld woon- of gezinssituatie en de uitkering met een andere norm doorloopt.
13
5.3.5 Vrijlaten van vermogen PW 1.
2.
3.
De waarde van een uitvaartverzekering wordt niet tot het vermogen gerekend. Ook uitvaartverzekeringen voor minderjarige kinderen worden niet tot het vermogen gerekend. Indien de inwoner geld op een rekening heeft vastgezet voor de uitvaart, dat uitsluitend wordt uitgekeerd bij overlijden wordt niet tot het vermogen gerekend. Eén motorvoertuig per uitkering met een waarde tot maximaal € 5.000,- wordt beschouwd als algemeen gebruikelijk. Als de waarde meer bedraagt dan € 5.000,-, wordt het meerdere aangemerkt als vermogen. Wanneer de inwoner over meerdere voertuigen beschikt, wordt de vrijlating toegepast op het voertuig met de hoogste waarde. Overige voertuigen worden volledig tot het vermogen gerekend. De waarde kan aangetoond worden via de ANWBkoerslijst of taxatierapport. Voor een oldtimer of exclusief model auto/motor geldt dat de waarde aangetoond moet worden door de inwoner, bijvoorbeeld via een taxatierapport. Voor deze voertuigen geldt dezelfde vrijlating uit lid 2.
5.4 Bijzondere bijstand PW | Verordening Het college heeft de bevoegdheid om binnen de wettelijke kaders bijzondere bijstand te verstrekken voor noodzakelijke kosten die voortkomen uit bijzondere omstandigheden en die naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit het inkomen.
5.4.1 Algemene uitgangspunten PW | Verordening In Bijlage 1 worden de kosten waar vaak bijzondere bijstand voor wordt aangevraagd beschreven. Ook de voorwaarden en de wijze waarop de aanvraag beoordeeld wordt staan in deze bijlage vermeld. Het uitgangspunt is daarbij niet, dat de vaak aangevraagde voorzieningen in Bijlage 1 per definitie noodzakelijk zijn. In de Bijlage 1 staan enkel voorbeelden welke worden toegekend op het moment, dat in het individuele geval bijstandsverlening noodzakelijk wordt geacht.
5.4.1.1 Hoogte bijzondere bijstand PW 1. Het uitgangspunt bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand is dat de goedkoopste adequate voorziening het maximale toekenningsbedrag is. 2. Bijstand wordt in beginsel om niet verstrekt, mits deze beleidsregels dit anders aangeven. 3. Bij (losse) aanvragen bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen, stofferingskosten en overig inventaris bedraagt de hoogte van de noodzakelijke kosten voor het aan te schaffen goed maximaal 80% van het bedrag dat als richtprijs wordt genoemd in de Nibudprijzengids. De goederen uit de Nibud-prijzengids zijn niet per definitie noodzakelijk. Dit zijn enkel de goederen met bedragen die worden toegekend indien op het moment en in het individuele geval noodzakelijk zijn.
5.4.1.2 Hoogte bijzondere bijstand voor inrichtings- en stofferingskosten PW De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt bepaald: 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de volledige inrichting van een woning bedraagt de hoogte van de noodzakelijke kosten maximaal 45% voor tabel 2.1A en maximaal 50% voor tabel 2.1B van het bedrag dat in de Nibud-prijzengids genoemd wordt per inventarisatiepakket. De inrichtingskosten wordt verstrekt als renteloze geldlening. 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op de volledige inrichting van een kamer bedraagt de hoogte van de noodzakelijke kosten maximaal 25% van het bedrag dat in de Nibudprijzengids genoemd wordt per inventarisatiepakket naar huishoudtype. De inrichtingskosten wordt verstrekt als renteloze geldlening. 3. Voor elk ten laste komend kind wordt € 900,- berekend.
14
4. Indien de aanvraag betrekking heeft op de volledige stoffering van een woning bedraag de hoogte van de noodzakelijke kosten maximaal 80% van het bedrag dat in de Nibudprijzengids genoemd wordt bij het inventarisatiepakket voor stoffering naar huishoudtype. De stofferingskosten wordt verstrekt om niet.
5.4.2 Beoordelen aanvraag PW 1. Bijzondere bijstand kan worden aangevraagd voor kosten die nog niet zijn gemaakt of kosten waarvan de factuur niet ouder is dan één maand. 2. Bijzondere bijstand kan alleen worden aangevraagd voor kosten die in Nederland zijn gemaakt.
5.4.3 Draagkracht, inkomen en vermogen PW 1. Voor een aanvraag bijzondere bijstand wordt de draagkrachtperiode vastgesteld voor 12 maanden, de ingangsdatum is de eerste van de maand waarin de aanvraag is ingediend. 2. Als binnen de draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag bijzondere bijstand wordt ingediend, dan wordt de draagkracht niet nog een keer beoordeeld. In dit geval worden de kosten van de nieuwe aanvraag verrekend met de resterende draagkracht in die periode. 3. Bij bijzondere omstandigheden kan de duur van de draagkrachtperiode en de hoogte van de draagkracht tijdens de draagkrachtperiode worden gewijzigd. 4. Bij de beoordeling van de draagkracht wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm. 5. Tot een inkomen van 110% van de bijstandsnorm is er geen draagkracht. 6. Bij een inkomen tussen 110% en 120% van de bijstandsnorm, wordt voor het meerdere boven 110% rekening gehouden met 20% draagkracht. 7. Bij een inkomen tussen 120% en 150% van de bijstandsnorm, wordt voor het meerdere boven 120% rekening gehouden met 40% draagkracht. 8. Bij een inkomen hoger dan 150% van de bijstandsnorm, wordt voor het meerdere boven 150% rekening gehouden met 100% draagkracht. 9. Het vermogen boven de vermogensgrenzen uit artikel 34 PW wordt gezien als 100% draagkracht. 10. De eigen bijdrage voor de Wlz wordt op de draagkracht in mindering gebracht. 11.
Het verschil tussen de kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen en de draagkracht bepaalt de hoogte van de bijzondere bijstand 12. Artikel 2.5 van deze beleidsregels is van toepassing op de draagkrachtberekening voor de bijzondere bijstand, minimaregelingen en individuele inkomenstoeslag.
5.4.4 Betaling PW De bijzondere bijstand wordt uitbetaald op de volgende manier: • aan degene die een product of hulp levert (via een prijsopgave, offerte of pro forma nota); of • aan de inwoner (via een factuur of ander bewijsstuk); of • aan de inwoner (via een prijsopgave, offerte of pro forma nota). De inwoner overlegt achteraf de definitieve factuur, waaruit blijkt dat de inwoner heeft betaald.
5.5 Individuele inkomenstoeslag 5.5.1 Aanvraag en Peildatum PW Een individuele inkomenstoeslag wordt toegekend per peildatum. De inwoner mag vanaf 4 weken voor de nieuwe peildatum een aanvraag indienen.
15
5.5.2 Geen zicht op inkomensverbetering PW | Verordening Een inwoner heeft geen uitzicht op verbetering van het inkomen als hij: a. niet kan werken en een uitkering voor volledige arbeidsongeschiktheid ontvangt; of b. een WAJONG-uitkering heeft; of c. arbeidsbeperkt is en voor verbetering van het inkomen hulp ontvangt van het college of het UWV; of d. op peildatum geen volledige arbeidsplicht heeft voor minimaal 6 maanden; of e. wegens andere persoonlijke omstandigheden geen uitzicht heeft op verbetering van het inkomen.
5.6 Armoede Er wordt bij een aanvraag voor een voorziening uit deze paragraaf geen rekening gehouden met toegepaste verlagingen van de bijstand als gevolg van het niet hebben van woonlasten. Bij een aanvraag voor een voorziening uit deze paragraaf zijn de gestelde bepalingen uit de verordening van toepassing.
5.6.1 Kindpakket 5.6.1.1 Sport, cultuur en diplomazwemmen Gemeentewet | Verordening 1. Een ouder kan voor zijn/haar kind van 0 tot 18 jaar een voorziening aanvragen voor: a. deelname aan sportieve activiteiten van maximaal € 250,- per jaar; of b. culturele activiteiten van maximaal € 450,- per jaar. Deze voorziening wordt één keer per 12 maanden (sport/cultuur/) verstrekt. Bij zwemles zonder diplomagarantie in het buitenbad is het toegestaan om binnen 12 maanden ook een voorziening voor sport of cultuur aan te vragen. 2. Een ouder kan voor zijn/haar kind van 4 tot 18 jaar een voorziening aanvragen voor deelname aan zwemles (diplomazwemmen). Het diplomazwemmen bestaat uit: a. zwemlessen met een diploma A-B-C garantie volgens het zwem A-B-C; of b. zwemlessen met een diploma A garantie volgens het zwem A-B-C. Dit kan worden uitgebreid naar een diploma B-C garantie; of c. zwemlessen zonder diploma A-B-C garantie. Deze voorziening wordt één keer per 24 maanden (zwemles met diplomagarantie) verstrekt. De ouder of verzorgende betaalt zelf de kosten van inschrijving en het diploma. 3. Het Jeugdfonds Sport & Cultuur voert de voorzieningen uit. Via een tussenpersoon kan een ouder elk moment een aanvraag indienen bij het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Het Jeugdfonds Sport & Cultuur beoordeelt de aanvraag.
5.6.1.2 Schoolkosten en computer Gemeentewet | Verordening 1. Een ouder kan voor zijn/haar kind van 0 tot 18 jaar één keer per jaar een kindpas van €85,aanvragen. Een kindpas is een betaalpas waarmee onder andere kleding, jassen, schoenen en leesboekjes kan worden gekocht. Deze pas kan ieder jaar van 1 januari tot en met 31 oktober worden aangevraagd en kan worden besteed van 2 januari tot en met 31 december. 2. Een ouder kan voor zijn/haar kind van 4 tot 18 jaar in het basis- of voortgezet onderwijs voorzieningen aanvragen voor een: a. schoolspullenpas. De Schoolspullenpas is een betaalpas waarmee schoolspullen zoals schriften, pennen, etuis, tassen en rekenmachines kunnen worden gekocht. Deze pas kan ieder schooljaar worden aangevraagd van 1 januari tot en met 31 oktober en kan worden besteed van 1 juni tot en met 31 december. De bijdrage is € 25,- het basisonderwijs, € 150,- voor de brugklas en € 75,- voor de overige jaren in het voortgezet onderwijs; b. fiets (in natura, 1x in de 5 jaar). Per fiets geldt een eigen bijdrage van € 10,- en bezorgkosten van € 10,-.
16
c.
laptop voor het gezin met kinderen vanaf 7 jaar (1x per 3 jaar). Er wordt maximaal één laptop per gezin verstrekt. Er geldt een eigen bijdrage van € 50,- en bezorgkosten van € 10,-; d. laptop voor een kind op het voortgezet onderwijs (1x per 3 jaar). Er wordt maximaal één laptop per kind verstrekt. Er geldt een eigen bijdrage van € 50,- en bezorgkosten van € 10,-. Als de school een specifiek type laptop verplicht stelt, kan een bijdrage worden aangevraagd; e. grafische rekenmachine voortgezet onderwijs (eenmalig € 75,-). Dit bedrag wordt op de Schoolspullenpas gezet. 3. Stichting Leergeld voert de voorzieningen uit. Een ouder kan zelf of met hulp van een tussenpersoon een aanvraag indienen bij Stichting Leergeld. Stichting Leergeld beoordeelt de aanvraag.
5.6.1.3 Babystartpakket Gemeentewet | Verordening 1. Een (aanstaande) ouder kan voor zijn/haar kind een babystartpakket aanvragen. Een babystartpakket bestaat uit verzorgingsproducten, speelgoed, beddengoed en kleding tot en met maat 80., 2. Stichting Babyspullen voert deze voorziening uit. Een ouder kan via een tussenpersoon of Stichting Leergeld een aanvraag indienen bij Stichting Babyspullen. De tussenpersoon beoordeelt de aanvraag.
5.6.2 Meedoenregeling Gemeentewet | Verordening 1. Een inwoner, zoals beschreven in artikel 5.3.2.1 en 5.3.3.1 van de verordening, kan eens in de 12 maanden een bijdrage aanvragen van € 300,- per persoon. 2. De Meedoenregeling wordt toegekend per peildatum . 3. De Meedoenregeling mag vanaf 4 weken voor de nieuwe peildatum worden aangevraagd.
5.6.3 Regeling Sport & Cultuur voor volwassenen Gemeentewet / Verordening 1. Een inwoner, zoals beschreven in artikel 5.3.3.1 en 5.3.2.1 van de verordening, kan eens in de 12 maanden een bijdrage aanvragen van maximaal € 250,- voor deelname aan een sportieve of culturele activiteit. 2. Het Volwassenenfonds Sport & Cultuur voert de regeling uit. Via een tussenpersoon kan een inwoner elk moment een aanvraag indienen bij het Volwassenenfonds Sport & Cultuur. Het Volwassenenfonds Sport & Cultuur beoordeelt de aanvraag. 3. Het Volwassenenfonds Sport & Cultuur betaalt de bijdrage (contributie/lesgeld) direct uit aan de sportvereniging, cultuurinstelling of winkel.
4. Als de maximale bijdrage niet volledig wordt besteed aan contributie/lesgeld, dan is het
mogelijk om voor het resterende bedrag attributen (sportspullen) aan te vragen (tot een maximaal bedrag van € 75,-). Het overblijvende bedrag kan niet worden uitbetaald.
5.6.4 Regeling gratis openbaar vervoer 5.6.4.1 Aanvraag Gemeentewet | Verordening 1. Een inwoner, zoals bedoeld in artikel 5.3.2.1 of 5.3.3.1 van de verordening, kan op elk moment van het jaar voor zichzelf en/of zijn/haar minderjarige kinderen van 12 tot en met 17 jaar een OV-pas aanvragen. 2. Kinderen tot en met 11 jaar reizen gratis mee met een volwassene (maximaal 3 kinderen per volwassene) en ontvangen geen OV-pas.
17
3. In afwijking op het eerste en tweede lid, kunnen kinderen van 4 tot en met 11 jaar een OV-pas aanvragen, indien blijkt dat een volwassene met meer dan 3 kinderen reist of het kind zelfstandig reist. 4. De OV-pas is persoonsgebonden en voor onbepaalde tijd geldig, zolang de inwoner aan de gestelde eisen voldoet. 5. De OV-pas kan beëindigd worden, als blijkt dat de pas niet volgens de afspraken is gebruikt.
5.6.4.2 Gebruik 1. De OV-pas kan worden gebruikt in de bussen van Qbuzz, Transdev, op de TAG-lijn van de NS en Syntuslijnen 195, 295, 106 en 107. Hiermee kan binnen concessies Zuid-Holland Noord (ZHN), Drechtstreden-Molelanden-Gorinchem (DMG) en in de concessie Hoeksche Waard-Goeree Overflakkee (HWGO) worden gereisd. 2. De OV-pas kan onbeperkt worden gebruikt binnen de daluren. Daluren zijn op werkdagen voor 6.00 uur en na 09:00 uur 's ochtends, en in de weekenden en op feestdagen de hele dag.
5.6.4.3 Toetsen en beëindigen 1. Het college beëindigt de OV-pas per eerst mogelijke datum van inwoners die uitstromen naar werk en daardoor een inkomen boven de van toepassing zijnde inkomensgrens hebben, verhuizen naar een andere gemeente of overlijden. 2. Het college controleert jaarlijks inwoners met een OV-pas die geen bijstandsuitkering, AOW-, WIA- of Wajonguitkering ontvangen. Als blijkt dat een inwoner niet (meer) aan de voorwaarden voldoet, wordt de OV-pas per eerst mogelijke datum beëindigd. 3. Inwoners kunnen de OV-pas opzeggen bij het college. De OV-pas wordt beëindigd per de eerst mogelijk datum.
5.7 Zorgkosten 5.7.1 De collectieve zorgverzekering 5.7.1.1 Aanvraag PW | Verordening 1. De inwoner kan ieder jaar voor 1 januari een aanvraag indienen via www.gezondverzekerd.nl. Het college beoordeelt de aanvraag. 2. De inwoner kan op de volgende momenten deelnemen: a. per 1 januari van het volgende verzekeringsjaar; of b. bij geboorte, adoptie of opname pleegkind binnen het gezin, zodra de zorgverzekeraar akkoord is met de deelname; of c. bij ontstaan van de verzekeringsplicht zodra de zorgverzekeraar akkoord is met de deelname; of d. bij verhuizing naar het college Krimpenerwaard, zodra de zorgverzekeraar akkoord is met de deelname.
5.7.1.2 Toetsen en beëindigen PW | Verordening 1. Het college controleert inwoners die een collectieve zorgverzekering hebben, maar die gedurende het verzekeringsjaar uitstromen naar werk of verhuizen naar een andere gemeente. Ook controleert het college via een steekproef inwoners die een collectieve zorgverzekering hebben, maar geen bijstandsuitkering of in de 12 maanden voorafgaand aan de steekproef geen minimaregeling of bijzondere bijstand hebben ontvangen. De steekproef omvat 10% van de niet-uitkeringsgerechtigden zonder AOW-uitkering, Wajonguitkering of IVA-uitkering. De steekproef kan als dat nodig is worden uitgebreid. 2. De steekproef vindt jaarlijks plaats over het lopende jaar. 3. Als (uit de steekproef) blijkt dat een inwoner niet (meer) aan de voorwaarden voldoet, wordt de collectieve zorgverzekering per 1 januari van het volgende jaar gestopt. 4. Bij vertrek uit het college en bij overlijden stopt de collectieve zorgverzekering per eerst mogelijke datum.
18
5. Inwoners kunnen de collectieve zorgverzekering tijdens het verzekeringsjaar opzeggen bij het college of de zorgverzekeraar. De verzekering wordt gestopt per de eerst mogelijk datum; dit is in principe 1 januari van het volgende verzekeringsjaar. De inwoner is verantwoordelijk voor het op tijd opzeggen van de zorgverzekering bij de zorgverzekeraar. 6. Als de collectieve zorgverzekering stopt heeft de inwoner geen recht meer op een bijdrage.
5.7.1.3 Betalen PW | Verordening 1. Het college betaalt een maandelijkse bijdrage in de premie. Deze wordt uitbetaald aan de zorgverzekeraar. 2. De bijdrage is € 15,- per persoon per maand voor een collectieve aanvullende zorgverzekering. 3. De bijdrage is € 35,- per persoon per maand voor een collectieve aanvullende zorgverzekering, waarbij ook het wettelijk eigen risico is (mee)verzekerd. 4. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor de resterende premiebetaling aan de zorgverzekeraar.
5.7.2 Medische meerkosten Wmo | Verordening Deze voorziening is er voor inwoners met een laag inkomen die chronisch ziek zijn of een beperking hebben en hierdoor hoge ziektekosten hebben. In deze paragraaf worden de verdere regels besproken.
5.7.2.1 Doelgroep Wmo | Verordening De doelgroep van deze voorziening is de inwoner met laag inkomen of een laag besteedbaar inkomen vanwege schulden, die: a. in het peiljaar meerkosten heeft gehad vanwege een chronische ziekte of beperking; of b. in het peiljaar voor zijn/haar kind aannemelijke meerkosten heeft gehad vanwege een chronische ziekte of beperking.
5.7.2.2 Meerkosten Wmo | Verordening 1. Er wordt geacht sprake te zijn van meerkosten als gevolg van een chronische ziekte of beperking als in het peiljaar het volledig verplicht eigen risico in rekening is gebracht of als het eigen risico is meeverzekerd, en de inwoner: a. een indicatie heeft voor een maatwerkvoorziening volgens de Wmo; of b. een indicatie heeft voor zorg volgens de Wlz; of c. een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder of passagier heeft; of d. dubbele kinderbijslag ontvangt van de SVB, vanwege de chronische ziekte of beperking van zijn/haar kind; of e. bijzondere bijstand ontvangt voor: • bewassing; • kledingslijtage; • stookkosten; • maaltijdvoorziening; of f. een uitkering ontvangt voor volledige arbeidsongeschiktheid; of g. een maatwerkvoorziening ontvangt volgens de Jeugdwet voor respijtzorg, persoonlijke begeleiding of verzorging. 2. Indien de inwoner niet voldoet aan één van de indicaties uit lid 1, kan de inwoner met een bewijs (bijvoorbeeld een diabetespas, medicijnoverzicht van de apotheek, of een document waaruit blijkt dat de inwoner een chronische ziekte heeft) aantonen dat hij of zij een
19
chronische ziekte of een beperking heeft. Het college gaat er dan van uit dat sprake is van meerkosten. 3. De situaties beschreven in lid 1 a t/m g moeten ten minste 6 maanden gelden in het peiljaar.
5.7.2.3 Hoogte Wmo | Verordening De bijdrage is eens per kalenderjaar € 300,- per inwoner.
6. Afspraken tussen inwoner en gemeente In de Verordening is beschreven op welke manier het college en de inwoner met elkaar omgaan. Opgenomen is hoe het college zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Verder wordt in de Verordening beschreven wat het college doet als de inwoner zich niet houdt aan de afspraken die te maken hebben met Werk en Participatie. In dit hoofdstuk staat wat het college doet als inwoners zich niet houden aan de verplichting om informatie te verschaffen, en op welke manier een uitkering van de inwoner wordt teruggevorderd.
6.1 Boete 6.1.1 Overtreden inlichtingenplicht PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. Als de inwoner niet voldoet aan de inlichtingenplicht legt het college een boete of waarschuwing op. 2. De inwoner informeert het college zo snel en volledig mogelijk (uiterlijk binnen één maand) over alles wat van belang is voor de uitkering.
6.1.2 Onderzoek PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. Het college start een onderzoek als de inwoner zich niet heeft gehouden aan de inlichtingenplicht. Het onderzoek wordt gestart als de inwoner de kans heeft gehad om bezwaar in te dienen tegen het besluit om terug te vorderen. 2. In het onderzoek wordt er gekeken waarom de inwoner zich niet heeft gehouden aan de afspraak om het college te informeren over alles wat van belang is voor de uitkering; dit onderzoek wordt vastgelegd.
6.1.3 Bepalen hoogte boete PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. Bij het bepalen van de hoogte van de boete kijkt het college of deze binnen maximaal 24 maanden kan worden betaald door de inwoner. 2. De hoogte van de boete hangt af van de overtreding: a. als bewust (met opzet) de informatie niet is verstrekt is de boete maximaal 24 maal 5% van de bijstandsnorm; b. bij grove schuld is de boete maximaal 18 maal 5% van de bijstandsnorm; c. bij normale verwijtbaarheid is de boete maximaal 12 maal 5% van de bijstandsnorm; d. bij verminderde verwijtbaarheid is de boete maximaal een bedrag ter hoogte van 6 maal 5% van de geldende bijstandsnorm; 3. Wanneer de inwoner tijdens het opleggen van de boete inkomsten heeft, en geen uitkering, wordt geen rekening gehouden met het inkomen dat hoger is dan de bijstandsnorm en wordt geen rekening gehouden met het vermogen onder de vermogensgrenzen uit artikel 34 PW. 4. Als de inwoner binnen 5 jaar opnieuw de inlichtingenplicht, bestaande uit eenzelfde gedraging, niet nakomt wordt de hoogte van de boete bepaald volgens de regels van lid 1 tot en met 3 met een verhoging van 150%.
20
6.1.4 Waarschuwing PW | IOAW | IOAZ |Verordening Het college geeft geen boete maar een waarschuwing als: 1. het benadelingsbedrag voor het college door de overtreding van de inlichtingenplicht niet hoger is dan € 150,-; of 2. de inwoner onjuiste, niet volledige of geen inlichtingen heeft gegeven, maar hierna alsnog binnen een maand toch zelf de inlichtingen verstrekt. Als de inwoner binnen een periode van twee jaar nadat een waarschuwing is gegeven opnieuw de inlichtingenplicht overtreedt met een benadelingsbedrag dat lager is dan € 150,-, kan niet opnieuw een waarschuwing worden gegeven maar wordt een boete opgelegd van € 150,-.