1.18 Raadsmemo Voortgangsinformatie regionale taken sociaal domein.pdf
Tekst van het document
memo aan de gemeenteraad aan dossiernumm er onderwerp
de gemeenteraad
van datum
het college van burgemeester en wethouders 29 maart 2022
Voortgangsinformatie regionale taken sociaal domein
memo In oktober 2021 hebben de vijf gemeenteraden in Midden-Holland de regiovisie jeugd en Wmo ‘Scherper aan de wind’ vastgesteld. Hiermee is de inhoudelijke koers voor het regionaal sociaal domein vastgesteld. Naar aanleiding hiervan hebben de colleges een samenwerkingsovereenkomst opgesteld om de samenwerking te verstevigen. Een van de ambities is om alle gemeenteraden dezelfde informatie te verstrekken. Het streven is om over de regionale taken binnen het sociaal domein de komende tijd toe te werken naar periodieke informatievoorziening aan de vijf gemeenteraden. Dit op basis van de regiovisie en de jaarlijkse uitwerking daarvan in het jaarprogramma. Dit jaarprogramma wordt deze zomer voor het eerst opgesteld voor het jaar 2023 en wordt conform de samenwerkingsovereenkomst ter informatie aan de raden gezonden. Vooruitlopend op deze nieuwe systematiek, informeert het college de raad met deze gebundelde memo over een aantal regionale onderwerpen in het sociale domein. Vanwege de uitgebreidheid van de informatie is in deze memo de hoofdlijn geschetst en zijn de bijlagen integraal in één document opgenomen. De volgende regionale voortgangsrapportage volgt na de zomer.
1.
Periodieke voortgangsinformatie programma Sturen op kosten jeugd en Wmo (bijlage 1) Het regionaal programma: Sturen op kosten jeugd en Wmo is gestart in september 2020 en loopt door tot eind 2022. De voortgangsinformatie sluit aan op de vorige rapportage uit juli 2021 en volgt de drie lijnen van het programma. In de rapportage wordt vooral stilgestaan bij de geleerde lessen en keuzes rondom de invoering van de budgetplafonds. Een tweede onderwerp is de afbakening van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning. Hiertoe zijn uitgangspunten opgesteld, bedoeld als eerste aanzet tot een gezamenlijke visie op de interpretatie van genoemde wetten. De onderdelen waar regionale overeenstemming over is, zijn opgenomen. Met de genoemde uitgangspunten wordt geen volledigheid beoogd.
2.
Invulling motie over jeugdhulp en passend onderwijs (bijlage 3) Bij het vaststellen van de regiovisie ‘Samen scherper aan de wind’ is een motie aangenomen over de aansluiting van jeugdhulp en passend onderwijs. De bijgevoegde memo is een reactie op deze motie en gaat in op de stand van zaken ten aanzien van de samenwerking tussen jeugdhulp en passend onderwijs. Dit is bovendien gerelateerd aan de landelijke evaluatie van het passend onderwijs en het landelijke rapport ‘Met andere ogen’.
3.
Invulling motie over afschaling van hulp en de samenwerking daarop tussen de lokale en regionale uitvoering (bijlage 4) De raden hebben ook een motie aangenomen, welke vroeg om een toelichting op de samenwerking rond afschaling en op het onderscheid tussen de lokale en regionale verantwoordelijkheden. In bijlage 4 is dit toegelicht, waarin is ingegaan op de context bij afschalen, de manieren van afschalen en de taakverdeling tussen het regionaal contractmanagement en de lokale teams.
4.
Invulling motie over afbakening/ normalisering (bijlage 5) De vijf gemeenteraden hebben aangegeven een maatschappelijk debat aan te willen gaan samen met de maatschappelijke partners. Dit om nadere invulling te geven aan de wens tot afbakening en normalisering. Het doel is om te komen tot regionaal gedeelde leidende principes om normalisering vorm te geven en ook mee te kunnen nemen voor de nieuwe inkoopperiode. Hiervoor is een regionale handreiking opgesteld, zodat in de vijf gemeenten in de kern dezelfde thematiek wordt besproken. Daarnaast biedt de handreiking de ruimte om de bijeenkomst lokaal eigenstandig vorm te geven.
5.
Oplopende wachtlijsten Specialistische GGZ Jeugd (SGGZ) De afgelopen maanden zijn de wachtlijsten bij de SGGZ sterk opgelopen voor reguliere ondersteuning en specialistische zorg. Ook blijkt het oppakken van spoed- en crisiszaken kwetsbaar, door een toegenomen vraag. Dit is een zorgelijke situatie: samen met de grootste aanbieders is geanalyseerd wat de problematiek veroorzaakt. Hier zijn uiteenlopende redenen voor aan te wijzen. Zo lijkt er sprake van een groeiende vraag gerelateerd aan corona, maar zorgt ook de krapte op de arbeidsmarkt voor een groeiend personeelstekort. De aanwezigheid van budgetplafonds telt ook mee. Echter is de invloed hiervan diffuus; het is moeilijk om het juiste personeel te vinden, al zouden de middelen beschikbaar zijn. Samen met de aanbieders wordt op ambtelijk en bestuurlijk niveau gewerkt aan oplossingen op korte en langere termijn. Deze worden gezocht in het versterken van de verwijskant, zodat de juiste casussen op de wachtlijst staan, het bevorderen van de door- en uitstroom, de samenwerking met andere partijen. Ook wordt gekeken naar mogelijkheden om het budgetplafond gericht te verruimen, daar waar dat helpend is. Om de cliënten met veelal complexe casuïstiek goed over de beschikbare capaciteit bij de aanbieders te verdelen, is er door de gemeenten eind vorig jaar een spoedcoördinatieroute ingericht.
Vooral voor de verwijzende huisartsen wordt het daardoor eenvoudiger om sneller passende hulp te organiseren. Daarnaast versterkt deze werkwijze de samenwerking en afstemming tussen de SGGZ partijen onderling. In 2022 wordt deze nieuwe manier van werken geëvalueerd. Ondanks deze investering is echter ook de druk op de crisisdienst momenteel te hoog, zeker in combinatie met de wachtlijsten. Voor de spoed- en crisiszaken wordt mogelijk separate actie ingezet.
6.
Winsten bij aanbieders (bijlage 2) Op 8 februari 2022 is het college van Krimpenerwaard opgeroepen om te onderzoeken of winstbeperking – in navolging van de regio Haaglanden – ook in de regio Midden-Holland mogelijk en haalbaar is. Daarbij is gevraagd de raad daarover spoedig te informeren. Ook in andere raden zijn de afgelopen maanden vragen gesteld gerelateerd aan dit onderwerp. In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de wijze waarop de gemeenten in de regio MiddenHolland sturen op de winsten bij zorgaanbieders.
pagina 2
7.
Aanpassing en indexatie tarieven 2022 Het rijk wil een verbetering van de salarissen in de zorg en heeft besloten tot een stijging van de zorgsalarissen. Het kabinet heeft hiervoor € 675 miljoen beschikbaar gesteld. Gemeenten ontvangen hiervan € 94 miljoen structureel. Daarnaast speelt dat de onderhandelingen over de cao-jeugdzorg zijn vastgelopen. Werkgevers vrezen een faillissement als ze op de looneis in gaan, maar vervolgens geen hogere tarieven van gemeenten ontvangen. De impasse, die hierdoor ontstaat, is gezien de krapte op de arbeidsmarkt niet wenselijk. In dit kader hebben de VNG, het rijk en werkgevers gemeenten opgeroepen de tarieven voor jeugd en Wmo voor 2022 aan te passen. De colleges in Midden-Holland hebben besloten gehoor te geven aan deze oproep. Dit komt tot uiting in een aanpassing van de tarieven voor jeugdhulp en Wmo. Per 1 februari 2022 zijn de tarieven voor ambulante diensten met 0,79% gestegen en met 0,05% voor locatie-gebonden diensten. Daarnaast wordt voor de jaren 2023 en 2024 een andere indexatiesystematiek ingevoerd. De oude systematiek kijkt terug naar de ontwikkeling van lonen en prijzen in het voorgaande jaar. De nieuwe systematiek houdt rekening met de te verwachten stijging in het betreffende jaar. Daarmee wordt een dubbele indexatie voorkomen en wordt aangesloten bij de eenvoudigere veelal landelijk gehanteerde systematiek.
8.
Kaders inkoop 2025 De huidige contracten voor inkoop van zorg en ondersteuning voor jeugd en Wmo lopen tot en met 2024. Er zijn geen verlengingsopties meer. Om tijdig te zorgen voor passende ingekochte zorg is het nodig om al in 2022 voorbereidende stappen te zetten. Uitgangspunten colleges Voor de zomer zullen de colleges een aantal uitgangspunten moeten vaststellen ter voorbereiding op het inkoopproces en de kaderstelling door de raad. In een gezamenlijke radenbijeenkomst op 19 mei 2022 wordt een eerste stap met de gemeenteraden gemaakt, zodat de gemeenteraden, indien gewenst, ook vooraf kaders mee kunnen geven aan het college. Kaders raad De huidige planning is om vanaf het najaar met de raden toe te werken naar besluitvorming over de kaders voor de inkoop 2025. De uiteindelijke besluitvorming zal naar verwachting begin 2023 plaatsvinden. De exacte planning is deels afhankelijk van landelijke ontwikkelingen en wetgeving die momenteel in voorbereiding is. Met de klankbordgroep Regio Midden-Holland is afgestemd om hier eenzelfde soort traject te lopen als met de regiovisie ‘Scherper aan de wind’.
9.
Verdiepingsmiddag Jeugdbescherming (19 mei 2022) In navolging van de aangenomen motie over het informeel Regionale Afstemminsoverleg Sociaal Domein (RASD) wordt op 19 mei 2022 een verdiepingsmiddag over de jeugdbescherming georganiseerd. Het doel voor de leden van de vijf gemeenteraden is om een beter begrip te krijgen van de vele betrokken partijen en werkwijzen. De invulling wordt vormgegeven aan de hand van de geïnventariseerde vragen van de RASD.
pagina 3
10. Beëindiging van verscherpt toezicht en Interbestuurlijk Toezicht Jeugdbescherming In juli 2021 is de regio Zuidwest voor de Jeugdbescherming onder verscherpt toezicht geplaatst. Dit vanuit de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en onder Interbestuurlijk Toezicht (IBT) vanuit het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Het betreft de jeugdzorgregio’s Haaglanden, Holland-Rijnland, Zuid-Holland Zuid en Midden-Holland. De raden zijn hierover meerdere keren geïnformeerd in de tweede helft van 2021. De colleges zijn verheugd mee te kunnen delen dat zowel het verscherpt toezicht als het IBT voor de regio Zuidwest opgeheven wordt. De afgelopen periode is door de regio Zuidwest, samen met de Gecertificeerde Instellingen (GI) en jeugdhulpaanbieders hard gewerkt aan het opstellen en uitvoeren van een plan van aanpak voor het oplossen van de geconstateerde knelpunten. De volgende zaken zijn zoal gerealiseerd: • Maandelijks overleg tussen gemeenten en partners over jeugdigen (met een maatregel) die nog geen passende hulp hebben en de oorzaken daarvan. • Er is beter zicht op de knelpunten in het zorgaanbod en een betere afstemming met zorgaanbieders en de inkooporganisatie. - Het vinden van de juiste plek, blijkt bij sommige jeugdigen een ingewikkeld proces. Dit komt o.a.
door een combinatie van verschillende en complexe problematieken, door wachtlijsten en personeelsproblemen bij aanbieders, maar ook door bijvoorbeeld een tekort aan woningen. In overleg met de GI’s, zorgaanbieders en gemeenten proberen we voor iedere jeugdige tot een passende oplossing te komen. • Er is gestart met (boven)regionale afspraken om bureaucratische belemmeringen weg te nemen. • De regio Zuidwest werkt samen rondom de jeugdbescherming (o.a. aan de verbeterplannen) en werkt waar nodig samen aan het organiseren van passende zorg. De IGJ heeft geconstateerd dat de betrokken partijen in de regio tot een gezamenlijke aanpak zijn gekomen, die op termijn zal leiden tot een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. De IGJ vertrouwt er op dat partijen deze aanpak voortvarend zullen doorzetten. Vanuit het reguliere toezicht blijft de inspectie de voortgang de komende maanden nog volgen.
pagina 4
Verzamelde bijlagen: Raadsinformatie regionale taken sociaal domein
Inhoudsopgave Bijlage 1
Voortgangsrapportage Regionaal Programma Sturen op Kosten Jeugd en Wmo
2
Bijlage 2
Afwegingen winstmaximalisatie voor zorgaanbieders in M-H
12
Bijlage 3
Invulling motie: Aansluiting jeugdhulp en passend onderwijs
13
Bijlage 4
Invulling motie: Mogelijkheden van afschaling van hulp
17
Bijlage 5
Invulling motie: Afbakening en normalisering
20
Bijlage 1
Voortgangsrapportage Regionaal Programma Sturen op Kosten Jeugd en Wmo Augustus 2021 - Februari 2022
Het regionaal programma sturen op kosten jeugd en Wmo is gestart in september 2020 en loopt nog door tot en met dit jaar. De voortgangsinformatie sluit aan op de vorige rapportage uit juli 2021 en volgt de drie lijnen van het programma en zoomt daarna in op het thema budgetplafonds en afbakening.
1.
Voortgang programmalijnen
Lijn 1: Sturen op kosten in het huidige inkoopmodel Op lijn 1 is in de tweede helft van 2021 vooral gewerkt aan twee thema’s: - Het opdoen van ervaring met de bredere toepassing van budgetplafonds. Op basis van de geleerde lessen hebben de colleges de plafonds per 2022 vormgegeven Ook is er aandacht voor eventuele negatieve bijeffecten, zoals verzocht per motie bij de regiovisie. - Daarnaast is er gewerkt aan het thema afbakening van de Jeugdwet en de Wmo. In de rapportage is een uitgebreide toelichting op deze belangrijke lijn binnen het programma opgenomen. De komende tijd gaat de aandacht onder andere naar het implementeren en volgen van de ingezette beweging op budgetplafonds, de sturing op basis van data en de implementatie van de scherpere afbakening. Daarnaast zal de aandacht steeds meer worden verlegd naar de verankering van het programma in de reguliere activiteiten in lijn met de regiovisie. Dit komt ook terug in het jaarprogramma 2023. Lijn 2: Sturen op kosten ten aanzien van keuzes op contractniveau tot en met 2024. Op lijn 2 is het resultaat in de vorige rapportage periode al benoemd: het besluit om de deelovereenkomsten te verlengen tot en met 2024. Lijn 3: Sturen op kosten binnen steeds strakkere (landelijke) kaders. Zowel vanuit het Rijk als de VNG zijn er veel ontwikkelingen op het jeugddomein. De verplichting tot een regiovisie was er daar één van.
Met de vaststelling van de regiovisie is binnen deze lijn een belangrijk resultaat opgeleverd, dat kader stellend werkt voor de komende periode. In december 2021 hebben de colleges aan de raden aangegeven hoe zij met de moties om gaan. De meeste van deze moties worden in deze verzamelmemo opgevolgd. De komende periode ligt de focus binnen lijn 3 op het volgen van de landelijke ontwikkelingen. In de hervormingsagenda (die op moment van schrijven stil ligt) wordt hard gewerkt aan nieuwe hervormingen en bezuinigingsplannen om de jeugdhulp op termijn weer op orde te krijgen, zowel financieel als inhoudelijk. Vanuit het programma volgen we deze ontwikkelingen van dichtbij, zodat we snel kunnen acteren als dat nodig is. Er zijn geen concrete producten meer die worden opgeleverd binnen deze lijn, tenzij de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven. Overige thema’s Vanuit het programma sturen op kosten is ook gewerkt aan het proces rondom de inkoop 2025 en de opvolging van de moties die aangenomen zijn bij de regiovisie. Vanwege het bredere belang van deze opgaven zijn deze onderwerpen als losstaande punten opgenomen in de raadsmemo.
pagina 2
2.
Budgetplafonds
Per 1 juli 2021 is er overgegaan tot de invoering van niet-vrijblijvende productieverwachtingen als opstap richting de budgetplafonds. De intentie was een eerste stap te gaan zetten en actief te gaan leren met een bredere inzet van dit instrument om per 1 januari 2022 over te kunnen gaan tot het daadwerkelijk instellen van de budgetplafonds. In deze paragraaf een weergave van de aangescherpte visie, de geleerde lessen en de gemaakte keuzes per 2022. De visie De vijf gemeenten in de regio Midden-Holland werken samen aan een samenhangend kwalitatief en dekkend zorglandschap tegen beheersbare kosten. Het contractmanagement speelt hierin een belangrijke rol. Vanuit deze teams stimuleren ze de doorstroom in de zorgketen, voeren ze het gesprek over afschalen, werken ze aan partnerschap en kennen ze een houding van samen leren met de zorgaanbieders. Vanuit de behoefte aan meer sturing en grip is het werken met budgetplafonds ingevoerd. De essentie van dit instrument is het aanbrengen van een prikkel voor zorgaanbieders in het stelsel. Hierdoor ontstaat een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de schaarste aan zorg te verdelen over de inwoners die dat nodig hebben. Daarbij nemen de sturingsmogelijkheden van gemeenten toe om het gesprek scherper te kunnen voeren.
Met het budgetplafond ontstaat een gezamenlijk ijkpunt, waarbij verwachte overschrijdingen en mogelijkheden om daar op te acteren expliciet onderwerp van gesprek zijn. Uiteindelijk wordt met de inzet van dit instrument beoogd dat er een stabieler zorglandschap met beter voorspelbare en beheersbare kosten ontstaat. Geleerde lessen: doorontwikkeling naar 2022 In de tweede helft van 2021 is veel geleerd van de implementatiefase van de niet-vrijblijvende productieverwachtingen. Deze implementatietijd was zinvol, bleek uit de praktijk. Het vergt tijd om het instrument goed in te bedden bij zowel de verwijzers (directe verwijzers, lokale toegang en backoffice), zorgaanbieders (ZA) als contractmanagers (CM). Daarnaast zijn er ook positieve ervaringen; door de noodzaak met elkaar in overleg te gaan, ontstaat er een beter inhoudelijk gesprek tussen contractmanagement en aanbieder. De geleerde lessen van de afgelopen periode en de bijbehorende adviezen staan in het volgende overzicht. Deze zijn ook actief opgehaald bij aanbieders.
Geleerde lessen Te korte periode om effect te meten van de niet-vrijblijvende productieverwachtingen Invoering per 1 juli: thematiek is complex, informatievoorziening is cruciaal Invoering implementatietijd was goede keuze Uitvoering inzet werkwijze is onderschat; arbeidsintensief door groot aantal aanbieders Zicht en visie op zorglandschap is wisselend in de CM-teams, capaciteit beperkt
→ → →
Adviezen Ga niet te snel over tot uitbreiding naar andere diensten Hanteer eenduidige en eenvoudige werkwijze t.b.v. uitvoerbaarheid
→
Houdt rekening met implementatietijd bij nieuwe verandering
→
Breng focus & richt de capaciteit daarop in
→
Partnerschap groeit: behoefte aan dialoog en samen leren (ZA)
→
Behoefte rust in het zorglandschap en stabiliteit bij zorgaanbieders
→
Uitbreiding budgetplafonds vergt ontwikkelslag in en tussen CM-teams (integraal) Er is maatwerk gewenst qua vormgeving partnerschap: strategische en kleine ZA, onderscheid jeugd- en Wmo-partners Wees een betrouwbare opdrachtgever: werk transparant, creëer successen, blijf in gesprek
pagina 3
Keuzes voor 2022 Om adequaat uitvoering te kunnen geven aan de budgetplafonds in 2022, zijn bovenstaande adviezen meegenomen in de keuzes voor 2022. Dit heeft geleid tot de volgende (aanscherpingen in de) uitgangspunten en keuzes voor de invulling van de budgetplafonds in 2022. 1.
Eenduidige werkwijze is cruciaal (scherpte op verschil regulier contractmanagement/budgetplafond) Het budgetplafond is een extra instrument bovenop het regulier contractmanagement. Hierbij kan de zorgaanbieder om een eindejaarsplan worden gevraagd, indien de aanbieder het budget gedurende het jaar te snel uitnut. In dit plan geeft de zorgaanbieder aan welke maatregelen er worden genomen om alsnog binnen het budget te blijven. Bij regulier contractmanagement wordt gewerkt met verwachte jaaromzetten; deze hebben geen juridische status en brengen geen verdere verplichtingen met zich mee. De verwachte jaaromzet dient als input voor het contractmanagementgesprek. De niet-vrijblijvende productieverwachtingen zijn omgezet naar budgetplafonds.
2.
Blijf koersvast, wees een betrouwbare partner en creëer een realistische werkwijze Er is focus aangebracht door de budgetplafonds vooralsnog alleen te richten op de diensten binnen de Jeugdwet: de diensten binnen de Wmo blijven in 2022 buiten beschouwing. Er is een verkenning nodig om te kunnen bepalen op welke wijze sturing op Wmo-diensten het meest effectief is. Door een andere positie, die de gemeentelijke lokale toegang inneemt ten aanzien van de instroom, vraagt dit mogelijk maatregelen van een andere aard. De huidige budgetplafonds Specialistische GGZ (SGGZ), Dyslexie (ED) en Jeugd & Opvoedhulpverblijf (J&O-verblijf) zijn voor 2022 gehandhaafd. De diensten met een niet-vrijblijvende productieverwachting zijn omgezet naar een budgetplafond voor 2022.
3.
Breng focus aan, zodat het partnerschap gericht vorm krijgt Vanwege de uitvoerbaarheid is focus aangebracht door de budgetplafonds alleen op te leggen aan de grote en middelgrote jeugdhulp aanbieders binnen de nieuwe diensten met een budgetplafond. Dit geldt alleen voor de zes diensten, waar vanaf 2022 een budgetplafond van kracht is. Door te sturen op grote geldstromen is het contractmanagement ingezet op de plek waar het meeste effect kan worden gesorteerd. Voor 2022 gaat het in totaal om 60 zorgaanbieders met een budgetplafond; het partnerschap met hen is geïntensiveerd.
4.
Uitgaan van stabilisatie bij het vaststellen van de hoogte van de budgetplafonds voor 2022 Mede als gevolg van de pandemie was er onvoldoende zicht op mogelijke na-ijl effecten binnen de diensten met een budgetplafond, waardoor het naar beneden bijstellen van de hoogte van het budgetplafond niet als realistisch werd geacht. De budgetplafonds 2021 vormden de basis voor de plafonds voor 2022, exclusief indexering. Per dienst en per aanbieder kan er differentiatie zijn aangebracht in het budget afhankelijk van de performance van het voorgaande jaar.
Voor de volgende productgroepen geldt vanaf 1 januari 2022 een budgetplafond: Specialistische GGZ (SGGZ; 10 producten) Dyslexiediensten (ED; 2 producten) Verblijfsdiensten jeugd- en opvoedhulp (J&O-verblijf; 3 producten) Behandeling individueel (Ambulant J&O; 4 producten) Begeleiding (2 producten) De budgetplafonds voor de diensten Jeugd- & Opvoedhulp ambulant en begeleiding jeugd gelden in 2022 alleen voor de (middel)grote aanbieders.
pagina 4
Effecten van budgetplafonds Met de invoering van de budgetplafonds beogen we samen met de zorgaanbieders meer grip te krijgen op de instroom, doorstroom en uitstroom van cliënten. Hierbij zijn we alert op mogelijke neveneffecten, zoals ook uitgesproken in de motie van de raden. Deze effecten hebben op dit moment alleen betrekking op de reguliere budgetplafonds (specialistische GGZ, dyslexiediensten en verblijfsdiensten jeugd en opvoedhulp). Dit omdat slechts een start is gemaakt met het versterken van het partnerschap rond de niet-vrijblijvende productieverwachtingen, maar hier nog geen harde gevolgen aan konden worden verbonden. Het afgelopen jaar zien we dat de zorgbehoefte en zorgmogelijkheden flink zijn beïnvloed door de coronapandemie. Vanuit de landelijke media horen we dat de gevolgen van de pandemie bij jongeren op mentaal vlak groot zijn, wat de druk op de GGZ doet toenemen. Dit effect zien wij ook terug in de oplopende wachttijden bij de GGZ, zoals benoemd in de raadmemo bij punt 5. Dit jaar maken we een start met het monitoren van de budgetplafonds tegen de achtergrond van het gehele zorglandschap. Hierbij zullen we steeds beter zicht krijgen op invloedrijke factoren en de mogelijke positieve en negatieve neveneffecten van het werken met budgetplafonds.
3.
Uitgangspunten afbakening Jeugdwet en Wmo voor de regionaal ingekochte diensten
Met dit document wordt een eerste aanzet gemaakt naar een gezamenlijke visie op de interpretatie van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning. Jeugdwet: Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van jeugdhulp, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Wet maatschappelijke ondersteuning: Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de ondersteuning van mensen die niet op eigen kracht zelfredzaam zijn. Gemeenten bieden ondersteuning thuis, zetten in op zo lang mogelijk meedoen en hebben een taak in het bieden van voorzieningen voor beschermd wonen.
De focus in voorliggend memo ligt enerzijds bij de sturing op aanbieders en anderzijds bij de vraag wat wel of niet regionaal in te kopen. De input is gebaseerd op een inventarisatie van andere gemeenten (o.a. de gemeente Groningen) en een uitvraag onder betrokken beleidsmedewerkers en contractmanagementteams. Alleen de onderdelen waar overeenstemming over is, zijn hierin opgenomen. Op een aantal onderwerpen bestond (nog) geen overeenstemming of is eerst een nadere uitwerking nodig om verdiepende vragen te kunnen beantwoorden. Met de genoemde uitgangspunten wordt daarom ook geen volledigheid beoogd; het is een eerste stap. De volgende kaders zijn leidend geweest: Aansluiting op bestaande jurisprudentie. Geen vergoeding als dat onder andere wet- en regelgeving valt. Het blijft maatwerk, er is altijd een individuele afweging nodig. Uitzonderingen in het kader van een integrale afweging blijven mogelijk, bijvoorbeeld als de veiligheid in het geding is of om een uithuisplaatsing te voorkomen.
pagina 5
1.
Uitgangspunten afbakening Jeugdwet en Wmo1
Uitgangspunten afbakening Jeugdwet en Wmo 1. Ondersteuning gericht op het volgen van onderwijs en/of om de leerling verder te helpen in zijn onderwijsontwikkeling is geen jeugdhulp a. Huiswerkbegeleiding is geen jeugdhulp b. Diagnostiek en intelligentietest alleen bij diagnostisch proces voor jeugdhulp 2. Buitenschoolse opvang valt niet onder de Jeugdwet, alleen de extra begeleiding 3. Een laag inkomen is geen reden voor toekenning van jeugdhulp 4. Verlengde jeugdzorg alleen als andere wetten geen oplossing bieden 5. Begeleiding bij activiteiten is gekoppeld aan de te behalen doelen 6. Alleen inzet van interventies die voor de cliënt effectief zijn voor behalen doelen 7. De zorgverzekering is voorliggend 8. Indien een locatie zonder vervoer passend is, is dat voorliggend op een indicatie met vervoer 9. Een interventie die niet geïndiceerd is kan ook niet met een Pgb ingezet worden 10. Indien de ondersteuningsvraag onder de reikwijdte van de Wet langdurige zorg (Wlz) valt wordt daar een aanvraag ingediend 1. Ondersteuning gericht op het volgen van onderwijs is geen jeugdhulp Ouders zijn de eerste verantwoordelijke om de ontwikkeling van hun kinderen te stimuleren. Ondersteuning die gericht is op het volgen van onderwijs en/of om de leerling verder te helpen in zijn onderwijsontwikkeling valt dan ook onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders en het onderwijs.
Jeugdhulp kan hierbij aanvullend zijn als er sprake is van opgroei-, opvoedings-en psychische problemen en stoornissen. In de praktijk blijkt deze grens niet altijd eenduidig. In onderstaande situaties wordt door de gemeente geen jeugdhulp ingezet. 1a. Huiswerkbegeleiding is geen jeugdhulp De term jeugdhulp in de Jeugdwet omvat de ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen (en hun ouders) bij alle denkbare opgroei-, opvoedings-en psychische problemen en stoornissen (TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 18). Huiswerkbegeleiding valt niet onder deze omschrijving. Huiswerkbegeleiding ziet namelijk toe op het begeleiden van de leerling bij het structureren, plannen en zelfstandig maken van huiswerk. Deze hulp is primair gericht op het leerproces en valt onder de zorgplicht van scholen en ouders. Huiswerkbegeleiding kan niet gezien worden als jeugdhulp2. Passend onderwijs legt bovendien een zorgplicht bij scholen. Dat betekent dat scholen verantwoordelijk zijn voor het bieden van een passende onderwijsplek voor alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Alle samenwerkende reguliere scholen in de regio bieden dezelfde basisondersteuning. Naast de basisondersteuning bieden sommige scholen extra begeleiding, waaronder mogelijk huiswerkbegeleiding aan leerlingen. Dit kan per school verschillen.
Uit het overzicht ‘motieven voor huiswerkbegeleiding’ van de minister blijkt dat huiswerkbegeleiding een taak van ouders en school is, waarbij jeugdhulp geen rol speelt. Op het moment dat ouders vastlopen in het begeleiden van hun kind bij het maken van huiswerk is er eventueel opvoedondersteuning mogelijk vanuit de Jeugdwet. De ondersteuning, geboden door een jeugdhulpaanbieder (niet door een huiswerkinstituut) is gericht op de ouders en niet op de jeugdige. Leerlingen met een extra uitdaging, bijvoorbeeld een verstandelijke beperking of een Autisme Spectrum Stoornis (ASS) zijn qua ondersteuning bij het huiswerk maken ook 1
Ondersteuning is in deze memo breed opgevat; hier kan ook begeleiding, hulp of behandeling mee worden bedoeld. Rechtbank Rotterdam 1-7-2020, ECLI:NL:RBROT:2020:5711, nr. 19/2763 ROT.
2
pagina 6
aangewezen op de ouders. Ouders kunnen jeugdhulp ontvangen in de vorm van opvoedondersteuning, waarin zij leren om beter om te gaan met het specifieke gedrag van hun kind, zodat zij hen ook beter kunnen ondersteunen bij het huiswerk maken. Vergoeding van huiswerkbegeleiding voor bepaalde doelgroepen (bijvoorbeeld ouders uit de lage inkomensgroep) kan onderdeel zijn van het lokale beleid, maar staat los van de Jeugdwet. 1b. Diagnostiek en intelligentietest alleen bij diagnostisch proces voor jeugdhulp Diagnostiek valt alleen onder de Jeugdwet als het onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp. Bijvoorbeeld als de gemeente onderzoek doet naar een hulpvraag van een jeugdige en in het kader van dat onderzoek een intelligentie of persoonlijkheidsonderzoek nodig is. Onderzoek bedoeld om het onderwijs daarop af te stemmen, valt onder de zorgplicht van scholen of van ouders zelf, wanneer zij graag een dergelijk onderzoek laten uitvoeren. Dit geldt bijvoorbeeld voor een intelligentietest; de kosten van deze test worden uitgaande van het doel om onderwijs daarop af stemmen, betaald vanuit de Wet op Passend Onderwijs3. Een intelligentietest valt alleen onder de reikwijdte van de Jeugdwet als het onderdeel is van het diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp. 2.
Geen buitenschoolse opvang; alleen de extra begeleiding Reguliere naschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. Opvang die uitsluitend moet worden ingezet, omdat de ouders door werk niet beschikbaar zijn, valt niet onder de Jeugdwet. Maar het kan zijn dat de jeugdige tijdens deze opvang extra begeleiding nodig heeft vanwege een beperking. In dat geval kan de begeleiding wel onder de Jeugdwet vallen. De gemeente zal moeten beoordelen of inzet van de begeleiding in de individuele situatie noodzakelijk is. Als de begeleiding noodzakelijk is in verband met opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, kan de gemeente daarvoor een jeugdhulpvoorziening toekennen (artikel 2.3, eerste lid, JW). Aansluiting op werktijden van de ouders valt onder de verantwoordelijkheid van ouders. Wat betekent dat de duur van de begeleiding enkel bepaald wordt door de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Overblijven Er is geen jeugdhulpaanspraak op begeleiding mogelijk tijdens de middagpauze. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het overblijven van hun kinderen. Basisscholen zijn verantwoordelijk voor het organiseren van deze tussenschoolse opvang (TSO), indien ouders hierom vragen. De opvang van kinderen tussen de middag wordt als een vorm van kinderopvang beschouwd.
De afwezigheid van ouders door werk of studie kan niet leiden tot een aanspraak op de functie begeleiding in de middagpauzes. 3. Een laag inkomen is geen reden voor toekenning van jeugdhulp De beoordeling van de vraag naar jeugdhulp staat los van het inkomen. Een laag inkomen kan geen argument zijn voor toekenning van jeugdhulp. Bij een laag inkomen kan het zijn dat reguliere voorliggende voorzieningen slechter bereikbaar zijn voor de jeugdige of het gezin. Een oplossing hiervoor dient niet gezocht te worden in de Jeugdwet, maar in de regelingen voor gezinnen/ kinderen met een laag inkomen. Deze vallen onder het lokale minimabeleid en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden hiervan zijn: huiswerkbegeleiding, begeleiding bij zwemles en bijdragen voor maatschappelijke activiteiten/sport.
https://www.gripopjeugd.nl/nieuws/toon/32245?search[return_url]=%2Fzoeken%2F%3Fq%3Dintelligentietest&s earch[return_message]=Terug%20naar%20het%20zoekresultaat&search[highlight]=intelligentietest&_gtm_search _result_page=1 3
pagina 7
4. Verlengde jeugdzorg alleen als andere wetten geen oplossing bieden Verlengde jeugdzorg is alleen mogelijk als de ondersteuning enkel vanuit de Jeugdwet mogelijk is en niet vanuit andere wetten. Dit betekent bijvoorbeeld dat verlengde jeugdhulp mogelijk is voor pleegzorg, maar niet voor het product begeleiding. Begeleiding kan vanuit de Wmo geleverd worden4. Door de uniforme inkoopafspraken hoeft dit ook geen gevolgen te hebben voor de continuïteit van de dienstverlening voor de jeugdige. Daarnaast dient een toekomstplan te zijn opgesteld voor de jeugdige. Vanuit de wetgever zijn drie voorwaarden gesteld aan de verlengde jeugdhulp: de ‘jeugdige’ tussen de 18 en 23 jaar ontvangt verlengde jeugdhulp als: de jeugdige voor zijn 18e levensjaar hulp kreeg en de gemeente vindt dat voortzetting nodig is; er voor het bereiken van de 18e leeftijd is bepaald dat jeugdhulp nodig is; na beëindiging van de jeugdhulp (die was begonnen voor het 18e levensjaar) binnen een half jaar de gemeente vaststelt dat hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is. Jeugdhulp loopt ook door tot na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar als de jeugdhulp wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering. 5. Begeleiding bij activiteiten is gekoppeld aan de te behalen doelen Bij het beoordelen van een vraag voor begeleiding staat het ontwikkeldoel centraal.
Bij de beoordeling dient gekeken te worden naar de vraag of de activiteit waar men begeleiding bij nodig acht, noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de jeugdige/inwoner en of deze ontwikkeling niet op een andere manier gestimuleerd kan worden. De activiteit dient substantieel bij te dragen aan het gestelde ontwikkel/behandeldoel dat wordt beoogd. De intensiteit en duur van de begeleiding wordt daarom afgestemd op het te behalen ontwikkeldoel (jeugdwet) en niet op de activiteit. Belangrijk is dat er een termijn aan de oplossing verbonden wordt en dat bij een herindicatie beoordeeld wordt of het ontwikkeldoel nog actueel is. Hieronder enkele voorbeelden, welke ook te vertalen zijn naar andere situaties. Belangrijk blijft de beoordeling en motivering in de specifieke situatie. Begeleiding bij paardrijden Deelnemen aan paard/pony rijden ten behoeve van ontspanning is een reguliere sportactiviteit. Dit valt niet onder de Jeugdwet en is daarmee geen jeugdhulp waarvoor de gemeente een voorziening hoeft te verstrekken. Indien begeleiding noodzakelijk is bij het paardrijden (die de ‘normale’ begeleiding door een rijinstructeur overstijgt), dan zou deze begeleiding in sommige gevallen wel als jeugdhulp gezien kunnen worden.
Daarvoor moet gekeken worden of deze vorm van recreatie (en dus de daarmee gepaard gaande begeleiding) echt noodzakelijk is om het beoogde jeugdhulpdoel mee te gaan halen. In het geval van paardrijden dient aannemelijk gemaakt te worden dat het kind zich alleen door middel van paardrijden zichtbaar ontwikkelt. Paardrijden is immers een relatief dure activiteit die voor veel kinderen (financieel) niet beschikbaar is. Bovendien zal onderscheid gemaakt worden in de kosten voor het paardrijden zelf en de kosten voor de begeleiding. Als het noodzakelijk te ontwikkelen doel ook via andere mogelijkheden bereikt kan worden, heeft dat de voorkeur. In het kader van de Wmo 2007 heeft de CRvB verschillende malen geoordeeld dat het college een cliënt slechts in staat hoeft te stellen tot ‘aanvaardbare maatschappelijke participatie’ (zie o.a. CRvB 15 februari 2012, nrs 09/4472 WMO e.a.). De verwachting is dat dit ook voor de Jeugdwet geldt.
4
Indien de begeleiding onderdeel is van bijvoorbeeld het product ‘pleegzorg’ dan vindt geen ontvlechting plaats, maar wordt bij de inzet aangesloten op de reguliere afspraken voor betreffend product.
pagina 8
Vakantiekamp kinderen met een beperking Deelname aan een vakantiekamp is geen jeugdhulp. De jeugdhulpplicht strekt zich slechts uit tot noodzakelijke hulp die nodig is om de jeugdige in staat te stellen gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en te participeren. Een speciaal kamp voor kinderen met een beperking kan jeugdhulp zijn als het noodzakelijk is voor deze jeugdige om naar dit kamp te gaan om bovengenoemd resultaat te bereiken. In deze overweging dient betrokken te worden of de doelen al op een andere wijze bereikt worden of dat een alternatief beschikbaar is via reguliere/ algemene voorzieningen (al dan niet met aanvullende begeleiding). 6. Alleen inzet van interventies die voor de cliënt effectief zijn voor behalen van doelen Jeugdhulp dient bij te dragen aan een van de volgende doelen: a. gezond en veilig opgroeien; b. groeien naar zelfstandigheid; c. voldoende zelfredzaam zijn en maatschappelijk participeren, rekening houdend met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. Om deze doelen te bereiken dient een interventie ingezet te worden, waarvan de verwachting is dat deze in het individuele geval effectief is (evidence based, practice based).
Als niet vaststaat dat met een bepaalde vorm van hulp – bijvoorbeeld omdat het effect (nog) niet wetenschappelijk is aangetoond – een van de bovengenoemde resultaten kan worden bereikt, is de gemeente niet verplicht die hulpvorm te vergoeden. De gemeente hoeft geen zorg in te zetten waarvan onvoldoende wetenschappelijk bewezen is dat die zorg daadwerkelijk een bijdrage gaat leveren aan de resultaten zoals genoemd in de jeugdhulpplicht (o.a. gezond en veilig opgroeien) (zie ECLI:NL:CRVB:2018:2785). Hierbij dient ook gekeken te worden naar de te verwachten effectiviteit in de specifieke situatie; is het aannemelijk dat de interventie in de betreffende situatie bij kan dragen aan het behalen van de gestelde doelen. Het alleen inzetten van bewezen effectieve interventies is op dit moment niet haalbaar. Het aantal onderzochte interventies is nog te beperkt om deze stringente lijn te hanteren. Over interventies waar twijfels zijn, ligt de bewijslijst voor effectiviteit van de interventie (werkzame bestanddelen) bij de aanbieder. De aanbieder moet het op z’n minst aannemelijk kunnen maken dat de interventie effectief is en in welke gevallen niet (contra-indicatie). Bij twijfel heeft een bewezen effectieve interventie de voorkeur. Bij de toekenning kan de mate waarin verwacht wordt dat de interventie effectief is voor betreffende cliënt meegewogen worden.
Paardentherapie In de regio leven veel vragen over de effectiviteit van paardentherapie. Op dit moment lijkt het een stap te ver om deze vorm van jeugdhulp volledig uit te sluiten. Er zijn immers ook cliënten waar de inzet van een paard of dier heel behulpzaam is gebleken. Bijvoorbeeld in het contact maken met de cliënt. Op dit moment zijn er in de regio enkele aanbieders gecontracteerd die paarden inzetten in de behandeling. Aangezien de toetreding van nieuwe aanbieders gesloten is, maakt dit het vraagstuk overzichtelijker en kan gekozen worden voor nadere afspraken met de betreffende aanbieders over de begrenzing van de inzet van paardentherapie. Geen alternatieve geneeswijzen Alternatieve geneeswijzen is medische zorg, waarbij het effect niet wetenschappelijk is vastgesteld. Vaak worden alternatieve zorg en alternatieve geneesmiddelen gecombineerd met reguliere zorg. Bekende vormen van alternatieven zorg zijn accupunctuur, hypnotherapie en osteopathie. Maar ook minder bekende vormen worden aangeboden, denk aan Acces Bars en craniosacraal-therapie.
pagina 9
Vanuit de jeugdwet vergoeden we geen alternatieve geneeswijzen en regionaal kopen we deze niet in. De beoordeling hiervan ligt primair bij de zorgverzekering (zie onderdeel 7). 7. De (aanvullende) zorgverzekering is voorliggend Het college hoeft geen vergoeding te verstrekken als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg op grond van de zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (art. 1.2, eerste lid, onderdeel a, van de JW). Hiermee wordt de basisverzekering bedoeld. Wie in Nederland woont of werkt, moet een basisverzekering afsluiten. Dat is een wettelijke plicht. Dit betekent dan ook dat iedereen aanspraak kan maken op de zorg die onder de basisverzekering valt. Als de benodigde hulp is verzekerd via de basisverzekering mag het college de aanvraag afwijzen op grond van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel a, van de JW”5. Voorbeeld: GGZ-behandeling volwassenen: GGZ-behandeling voor volwassenen valt onder de Zorgverzekeringswet en wordt bij jongeren van 18 jaar en ouders dus niet vanuit de Jeugdwet vergoedt. Is de jeugdige voor zijn 18e een GGZ-traject gestart vanuit de Jeugdwet dan dient afronding of voortzetting van de behandeling onder de zorgverzekeringswet plaats te vinden met een warme overdracht.
Voorbeeld: Behandeling obesitas is geen jeugdhulp: De Zorgverzekeringswet vergoedt allerlei soorten zorg die ingezet kunnen worden voor de behandeling van obesitas. Diëtiek valt bijvoorbeeld onder de Zorgverzekeringswet. Het kan wel zo zijn dat de jeugdige gebaat is bij GGZ-ondersteuning bij de behandeling van obesitas. Dat zal de gemeente moeten onderzoeken en zo nodig moeten inzetten. Aanvullende verzekering Alternatieve geneeswijzen kunnen onder de aanvullende verzekering vallen. Daar kan op gewezen worden als de jeugdige aanvullend verzekerd is6. Als dat het geval is, mag van de jeugdige of zijn ouders verwacht worden dat ze de aanvullende verzekering aanspreken. Het college hoeft namelijk geen voorziening voor jeugdhulp te treffen als de jeugdige of zijn ouders in staat zijn zelf de problemen op te lossen. Een aanvullende verzekering vergoedt niet altijd de volledige kosten, maar dit sluit aan bij het stimuleren van de eigen kracht waar de Jeugdwet vanuit gaat. De jeugdige of zijn ouders kunnen niet verplicht worden om een aanvullende verzekering af te sluiten. Het is namelijk een privaatrechtelijke verbintenis. Eenieder is vrij om zo’n overeenkomst te sluiten. 8. Indien een locatie zonder vervoer passend is, is dat voorliggend op een indicatie met vervoer Het vervoer van en naar een jeugdhulpaanbieder kan onder het bereik van de Jeugdwet vallen (artikel 2.3.
lid 2 Jeugdwet). Het moet dan wel gaan om een situatie waarin een jeugdige (vanaf 12 jaar) zelf niet in staat is de rit zelfstandig te maken vanwege een medische noodzaak of een gebrek aan zelfredzaamheid. Als er een passend aanbod is voor dagbesteding/ dagbehandeling waar geen vervoer voor geïndiceerd hoeft te worden, heeft dat de voorkeur boven een locatie verder weg. Anders gezegd, als er meerdere aanbieders zijn die de zelfde zorg kunnen leveren kies dan de dichts bij liggende. Indien een cliënt toch de voorkeur heeft voor de verder gelegen locatie zijn de kosten voor vervoer voor eigen rekening. Binnen zowel de Jeugdwet als de Wmo geldt het uitgangspunt dat de goedkoopste adequate toepassing wordt beschikt.
5
https://www.gripopjeugd.nl/inhoud/product-artikel-thematische-verdieping/457588
6https://www.gripopjeugd.nl/nieuws/toon/50738?search[return_url]=%2Fzoeken%2F%3Fq%3Dhypnose%2Bthera
pie%2Bobesitas&search[return_message]=Terug%20naar%20het%20zoekresultaat&search[highlight]=hypnose|th erapie|obesitas&_gtm_search_result_page=1
pagina 10
9. Een specifieke interventie die niet geïndiceerd wordt, kan ook niet met een Pgb ingezet worden Bij een ondersteuningsvraag vindt op inhoudelijke gronden een beoordeling plaats of ondersteuning nodig is en zo ja, welke. Pas daarna worden afspraken gemaakt over de leveringsvorm: zorg in natura of een persoonsgebonden budget (Pgb). Indien een interventie of begeleiding op basis van inhoudelijke gronden niet geïndiceerd wordt, kan deze ook niet via een persoonsgebonden budget ingezet worden. Stel dat uit de beoordeling komt dat een bepaalde interventie niet effectief is voor betreffende cliënt of er onvoldoende kwaliteit wordt geboden, dan kan de cliënt deze interventie ook niet via een Pgb inkopen. 10. Indien de ondersteuningsvraag onder de reikwijdte van de Wet langdurige zorg (Wlz) valt, wordt daar een aanvraag ingediend De Wlz is voorliggend op de Jeugdwet en Wmo. In de praktijk komt het vaak voor dat in eerste instantie vanuit de Jeugdwet of Wmo ondersteuning geleverd wordt, maar dat in de loop van de tijd de situatie verslechterd. In dat geval dient tijdig een aanvraag ingediend te worden bij de Wlz. In de praktijk kunnen soms andere overwegingen mee spelen om geen aanvraag bij de Wlz in te dienen, dit is echter niet wenselijk.
De kwaliteit en ingekochte ondersteuning is immers niet afgestemd op cliënten met een ‘zware’ ondersteuningsvraag die onder de reikwijdte van de Wlz valt. Dit kan ten koste gaan van de kwaliteit en/of effectiviteit van de ondersteuning die betreffende cliënt ontvangt of van een andere cliënt. Bijvoorbeeld doordat in een groep te veel aandacht naar de ‘Wlz’-cliënt gaat.
pagina 11
Bijlage 2
Afwegingen winstmaximalisatie voor zorgaanbieders in M-H
Inleiding Binnen de regio Midden-Holland wordt, via diverse instrumenten gestuurd op het inperken van de winstmaximalisatie. In onze regio werken wij met reële tarieven voor de ingekochte diensten. Met de tarieven die in onze regio geboden worden, is het niet goed mogelijk om met behoud van de vereiste kwaliteit van de dienstverlening veel winst te maken. Hieronder volgt een toelichting over wat er wordt gedaan om toe te zien opdat de uitgaven van de regio ook daadwerkelijk ingezet worden voor zorgverlening. Zorgscan Binnen de regio maken we gebruik van de door Kurtosis ontwikkelde zorgscan. Dit is een instrument, waarmee we de financiële gezondheid en signalen van onrechtmatigheid bij gecontracteerde zorgaanbieders monitoren. In deze monitor wordt gekeken naar een tal van indicatoren. Wanneer het gaat om de (financiële) gezondheid kijken we onder andere naar liquiditeit, solvabiliteit, vorderingen op debiteuren, ziekteverzuim, verloop en de gouden balans regel. Wanneer het gaat om signalen van onrechtmatigheid dan kijken we onder meer naar netto winstpercentages, de omzet die gemaakt wordt per FTE, vergoedingen voor bestuur in relatie tot wet normering topinkomens. Indien er uit de scan signalen zijn, die kunnen duiden op onrechtmatig handelen, dan wordt met de betreffende partij het gesprek aangegaan. Waar onrechtmatig handelen blijkt, wordt actie ondernomen.
Regionale toezichthouder Er is een regionale toezichthouder, die meldingen over mogelijke zorgfraude beoordeelt. Gegevensuitwisseling tussen gemeenten en RDS Maandelijks leveren gemeenten bij de regio data aan over jeugd en Wmo, die wordt geanalyseerd en verwerkt in diverse dashboards. Deze regionale dashboards zijn specifiek gericht op het voeden van de contractmanagers. Opvallende en mogelijk afwijkende informatie, trends en ontwikkelingen zijn visueel zichtbaar in het dashboard, op basis waarvan het gesprek met de zorgaanbieders wordt gevoerd. Jaarlijkse goedkeurende accountantsverklaringen en productieverklaringen van zorgaanbieders De accountants- en productieverklaringen geven inzicht in de rechtmatigheid van de geleverde zorg en in de (financiële) omvang van deze geleverde zorg. Als de informatie tijdig, binnen de afgesproken deadlines wordt aangeleverd is dat een indicatie van de kwaliteit van de bedrijfsvoering bij zorgaanbieders. De regio Midden-Holland beschouwt het invoeren van winstmaximalisatie gezien de huidige inzet, op dit moment niet als een optimaal sturingsmiddel. Dit is gebaseerd op twee overwegingen: 1. De praktijk leert dat winstmaximalisatie een prikkel geeft om de winst van de gecontracteerde zorgaanbieder kunstmatig laag te houden. Dit gebeurt bijvoorbeeld door het verhogen van managementvergoedingen of door aanvullende besloten vennootschappen (B.V.
‘s) diensten te laten leveren aan de werkmaatschappij. Het resultaat hiervan is dat dezelfde winsten gegenereerd worden, maar minder of niet zichtbaar zijn in de jaarrekeningen van de gecontracteerde zorgaanbieder. 2. Een tweede belangrijke overweging is dat het bepalen van de hoogte van de winstmaximalisatie complex is. Hier is niet eenvoudig voor alle zorgaanbieders één generieke lijn in te. Dit is sterk afhankelijk van de ondernemingsvorm. Mogelijk kan het aspect van winstmaximalisatie meegenomen worden in het inkooptraject (2025).
pagina 12
Bijlage 3
Invulling motie: Aansluiting jeugdhulp en passend onderwijs
Inleiding In september/oktober van 2021 is de regiovisie ‘Samen scherper aan de wind’, met een aantal moties en amendementen, vastgesteld door de vijf gemeenteraden van de gemeenten in Midden-Holland. Eén van de moties gaat over het thema jeugdhulp en passend onderwijs. De motie luidde als volgt, waarin het college verzocht is om: de tekst over aansluiting jeugdhulp en passend onderwijs nogmaals langs de verbeterpunten passend onderwijs en de adviezen in het rapport “Met andere ogen” te leggen om te kijken of kinderen voldoende goed kunnen worden geholpen; de mogelijkheid te creëren om budgetten en beleid “poreuze randen” te geven om flexibel en snel te kunnen inspelen op klemmende situaties (aanbeveling 6 van het rapport “Met andere ogen”); de voortgang van de samenwerking op een passende manier voor de raden inzichtelijk te maken. Met deze memo komen we tegemoet aan punten 1 en 3 uit de motie. Ten aanzien van punt 2 is in de memo aangegeven hoe in de regio de flexibiliteit vorm gegeven wordt. Op dit moment zijn de gevolgen van het creëren van poreuze randen nog niet te overzien. In de regiovisie is ook de ambitie opgenomen om tot een scherpere afbakening tussen Jeugdwet en passend onderwijs te komen. De reikwijdte van de Jeugdwet is een belangrijk onderdeel van de hervormingsagenda. Deze scherpte is nodig om vorm te kunnen geven aan gezamenlijke financiële afspraken.
Het invoeren van poreuze randen moet zorgvuldig in het licht van de landelijke ontwikkelingen en de regionale ambitie bekeken worden. Achtereenvolgens komt in de memo aan bod: 1. Wettelijk kader en evaluatie passend onderwijs 2. Regionale samenwerking – ontwikkelagenda 3. Landelijk rapport ‘Met Andere Ogen’ 1. Wettelijk kader en evaluatie Wet Passend onderwijs Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van hulp aan jeugdigen en ouders in gezin, wijk en buurt (Jeugdwet, 2015). Het onderwijs is verantwoordelijk voor het bieden van een goede onderwijsplek voor alle leerlingen, ook voor die leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben (Wet passend onderwijs, augustus 2014). Samenwerkingsverbanden en gemeenten zijn beiden, vanuit de ‘eigen’ wetgeving, verplicht om hun beleidsplannen op elkaar af te stemmen. Hiertoe is het ‘Op Overeenstemming Gericht Overleg’ (OOGO) ingericht. Voor de verdere uitwerking van gezamenlijke thema’s wordt ieder jaar een ontwikkelagenda opgesteld (zie punt 3 van de memo). In november 2020 heeft de Tweede Kamer het Passend Onderwijs geëvalueerd en ingestemd met de 25 verbeterpunten. Het is belangrijk om als gemeenten samen te werken met het onderwijs. Dat klinkt makkelijk. De praktijk is dat gemeenten en onderwijs het vaak hebben over het grijze gebied, waarbij het niet altijd duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is.
Daarom is het zaak om én verantwoordelijkheid te hebben én samen te werken, zodat de diverse factoren besproken en effectief aangepakt kunnen worden. In mei 2021 is in de regio Midden Holland de notitie Onderwijszorgarrangementen (2021) vastgesteld. Deze is in lijn met de maatregelen, zoals aangekondigd in de kamerbrief Evaluatie en Verbeteraanpak Passend Onderwijs (november 2020) en betekent een belangrijke stap in de vertaling van landelijke kaders naar de eigen regionale context. De notitie beschrijft de visie, wettelijke kaders, uitgangspunten en werkwijze, wat ertoe moet leiden dat er voor ieder kind binnen Midden Holland passend aanbod beschikbaar is.
pagina 13
Bij de 25 verbeterpunten heeft de minister vooral de focus gelegd bij wat beter moet in het onderwijs en de rol van leraren, scholen, schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Een aantal keer is ingegaan op de noodzakelijke verbinding en samenwerking tussen gemeenten, jeugdhulp- en zorgorganisaties. Hierbij gaat het voornamelijk om samenwerking rondom leerrecht, leerlingen met een complexe zorgbehoefte, voorkomen/oplossen van geschillen en efficiënte(re) en effectieve(re) inzet van jeugdhulp in de school. In Midden-Holland geven gemeenten en samenwerkingsverbanden vorm aan de onderlinge samenwerking via de jaarlijkse ontwikkelagenda, die hierna wordt toegelicht. 2. Regionale samenwerking - ontwikkelagenda De zes regionale samenwerkingsverbanden (Primair Onderwijs en Voortgezet Onderwijs), samen met het regionaal opererende middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de vijf gemeenten binnen MiddenHolland verbinden zich aan hun gezamenlijke verantwoordelijkheid en opdracht. Vanaf 2015 hebben partijen geïnvesteerd in de samenwerking. Dit heeft in 2019 gezorgd voor kader stellende samenwerkingsafspraken, welke zijn vastgesteld in de afzonderlijke colleges. Tweemaal per jaar vindt een bestuurlijk overleg plaats: het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO). Viermaal per jaar vindt een ambtelijk afstemmingsoverleg plaats.
Jaarlijks wordt een ontwikkelagenda opgesteld met uit te werken thema’s, op basis van prioriteiten en haalbaarheid. Hiertoe zijn werkgroepen ingericht, waarbij het onderwijs en de gemeenten samen optrekken. Centraal staat dat we als gemeenten en onderwijs mét elkaar samenwerken en niet tegenover elkaar staan. De thema’s die momenteel actueel zijn en in de regio uitgewerkt worden, zijn: 1.
Integraal arrangeren In het schooljaar 2020/2021 is door onderwijs en gemeenten in Midden-Holland intensief ingezet op het project ‘Integraal arrangeren’. Dit betekent in een zo vroeg mogelijk stadium - met minimaal de leerling, ouders, school en gemeente (en zo nodig andere betrokkenen) - een gezamenlijk plan bedenken, maken en uitvoeren. De notitie Onderwijszorg-arrangementen (2021) geeft hiervoor het kader. Integraal arrangeren wordt lokaal verder opgepakt door schoolbesturen en gemeenten. Dit doen we door relevante ontwikkelingen en informatie te delen én onderling het gesprek te voeren, afspraken te maken en te evalueren. Uitgangspunt is dat elke school een vast contactpersoon heeft vanuit de gemeente, waardoor er daadwerkelijk een samenwerkingsrelatie kan worden opgebouwd en er vanuit vertrouwen gewerkt wordt in het belang van de leerling.
2.
Zorg in gespecialiseerd onderwijs (voortgezet) speciaal onderwijs en speciaal (basis)onderwijs Het realiseren van passende trajecten voor kinderen/jeugdigen die het gespecialiseerd onderwijs bezoeken, waarbij onderwijs en jeugdhulp als een (afgestemd) team binnen de school opereert.
3.
Leerrecht verankeren Deze werkgroep richt zich op het realiseren van trajecten voor kinderen/jeugdigen, waarbij onderwijs bij jeugdhulp wordt gebracht. Dit gaat om leerlingen, die zeer beperkt in staat zijn om onderwijs te volgen en in de huidige situatie helemaal geen onderwijs krijgen. Hoe minimaal ook, ieder kind heeft recht op onderwijs.
4.
Dyslexie Het versterken van een gezamenlijke ketenaanpak tussen schoolbesturen, aanbieders en gemeenten van de regio Midden-Holland met het doel de inzet van dyslexie zorg, in het kader van de Jeugdwet, terug te dringen naar de landelijke prevalentienorm.
5.
Hoogbegaafdheid Scholen zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor het onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen. Het onderwijs heeft hiervoor subsidie ontvangen van het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) om het aanbod van onderwijs en ondersteuning aan deze leerlingen te versterken. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de jeugdhulp aan die leerlingen die naast hoogbegaafdheid ook problematiek ervaren op het gebied van opgroeien en opvoeden. Door middel van Integraal arrangeren zetten we in op vroeg-signalering en preventief handelen.
pagina 14
3. Landelijk rapport ‘Met Andere Ogen’ In het rapport ‘Met Andere Ogen’7 worden zeven adviezen gegeven. We beschrijven hieronder de adviezen en verbinden deze waar mogelijk met de regionale ontwikkelingen/activiteiten. 1.
Het verbreden van teams (interprofessioneel): Met de notitie Onderwijszorgarrangementen en Integraal arrangeren sluiten we in Midden-Holland bij dit advies aan: één uniforme werkwijze voor de samenwerking tussen betrokken professionals rondom een leerling.
2.
Inperken vrijstellingen op basis van artikel 5a: Vooruitlopend op een voorziene wetswijziging is in onze regio in december 2020 de Procedurele richtlijn toepassing leerplichtwet inzake vrijstellingen artikel 5 onder a al opgesteld. Met het vaststellen van deze richtlijn is bepaald dat een arts zich laat adviseren door een samenwerkingsverband, voordat de arts het college van B&W adviseert.
3.
Betrekken ouders en kinderen is essentieel om resultaat te behalen: In onze regio worden ouders altijd betrokken bij het maken van plannen, zowel vanuit gemeenten als vanuit onderwijs. Met het integraal arrangeren zetten we in op het betrekken van ouders vanaf het eerste begin. Er komt ook een wettelijk “hoorrecht” van leerlingen. Het onderwijs zal dit opnemen in hun procedures.
4.
Brede lokale afspraken over jeugd onder regie gemeente: De regiovisie ‘Samen scherper aan de wind’ vormt de basis voor de regionale samenwerking rondom jeugd. Met de notitie Onderwijszorgarrangementen (2021) en het traject Integraal arrangeren geven we uitvoering aan een gezamenlijke aanpak rondom jeugd, specifiek gericht op de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Lokaal beleid dient hierop aan te sluiten.
5.
Monitoring op het niveau waarop gezamenlijke afspraken zijn gemaakt: Tweejaarlijks verschijnt een monitor over afstemming en onderlinge samenwerking tussen onderwijs, gemeente en jeugdhulp. De monitor wordt uitgezet onder uitvoerend professionals, beleidsmedewerkers en bestuurders.
6.
Budgetten en beleid moeten poreuze randen hebben: De aanbeveling waarnaar wordt verwezen, bestaat uit drie punten. a. Probeer lokaal/regionaal ruimte te creëren door in gesprek te blijven en te vertrouwen op elkaar. Geef mensen laag in de organisatie mandaat om snek maatwerk te kunnen leveren: In mei 2021 is de notitie Onderwijszorgarrangementen vastgesteld. Deze notitie beschrijft de visie, wettelijke kaders, uitgangspunten en werkwijze om ervoor te zorgen dat er voor ieder kind passend aanbod beschikbaar is. De notitie is in lijn met de maatregelen zoals aangekondigd in de kamerbrief Evaluatie en Verbeteraanpak Passend Onderwijs (november 2020). Deze notitie vormt het kader voor Integraal arrangeren.
7
b.
Pleit bij de minister voor de mogelijkheid om gemeenten en onderwijs te laten experimenteren met het verknopen van budgetten voor onderwijs en (jeugd)zorg. Dit geldt ook voor het tegen het licht houden van de middelen voor onderwijshuisvesting en het onderwijsbudget. Ministeries en inspecties moeten het samen mogelijk maken om deze middelen makkelijker en effectiever in te zetten, vanuit de bedoeling: Komend schooljaar starten er landelijk 80 experimenten. Regio Midden Holland volgt deze ontwikkelingen met veel aandacht.
c.
Advies aan de regio’s om ook zelf actief te zoeken naar mogelijkheden om flexibeler om te gaan met budgetten: Het afgelopen jaar is ingezet op de ontwikkeling van een dashboard Jeugdhulp en Onderwijs. Gemeenten hebben hiermee inzicht in de soort en volume jeugdhulp op schoolniveau. Dit dashboard is in ontwikkeling en geeft momenteel een eerste inzicht. Op basis van de cijfers volgt in 2022 een gezamenlijke analyse en uitwerking van manieren om jeugdhulp efficiënter en effectiever in te zetten op scholen, waar in verhouding veel jeugdhulp wordt ingezet. Eén van de oplossingsrichtingen zou bundeling van budgetten kunnen zijn voor het gespecialiseerd onderwijs. Hiervoor kan in 2022 een pilot gestart worden op minimaal één van de scholen. Structurele borging hiervan koppelen we aan het nieuwe inkooptraject jeugd en wordt in die kaders meegenomen.
René Peters, 23 november 2018.
pagina 15
7.
Coalitie omvormen: van denken naar doen: Het (landelijk) programma ‘Met Andere Ogen’ is in 2018 gestart vanuit een verlangen van een brede Coalitie vanuit onderwijsveld, jeugdhulp- en zorgbranches, cliënt/ouderorganisaties en VNG, om door een betere samenwerking bij te dragen aan betere ontwikkelkansen voor elk kind. De (landelijke) coalitie stimuleert en faciliteert op alle niveaus de beweging naar preventief (samen)werken tussen onderwijs, zorg en jeugd. Samenwerken moet de logische keuze zijn.