CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

1.16 RIB Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024

Raadsvergadering 19 maart 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Informatie van het college13.002 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAADSINFORMATIEBRIEF

VAN HET COLLEGE VAN B&W VOOR CC DATUM ONDERWERP

de gemeenteraad Adviesraad Sociaal Domein en de Cliëntenraad Participatiewet 20 februari 2024 Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024

Beste meneer, mevrouw, Op 20 februari 2024 hebben wij de Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024 (hierna: de beleidsregels) vastgesteld. Deze beleidsregels treden in werking op 1 maart 2024. De beleidsregels zijn in overeenstemming gebracht met de Eerste en Tweede wijziging van de Verordening Werk, Participatie en Inkomen 2022 en de praktijk. Zoals gebruikelijk zijn de beleidsregels in januari 2024 besproken met de Adviesraad Sociaal Domein en de Cliëntenraad Participatiewet. Het uitgebrachte advies van de Adviesraad Sociaal Domein en de aanbevelingen van de Cliëntenraad Participatiewet zijn meegenomen in de beleidsregels die zijn vastgesteld. Zoals is toegezegd in de commissie SBBV op 3 oktober 2023 treft u bijgaand het gezamenlijke advies van de Adviesraad Sociaal Domein en de Cliëntenraad Participatiewet en de reactie van het college aan. Bijlagen RIB: 1. Advies van de Adviesraad Sociaal Domein – 25 januari 2024 2. Reactie advies m.b.t. Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024 3. Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024 Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, de secretaris,

de burgemeester,

J. Hennip

ir. J. Beenakker

1239056 / 1290215 gemeente Krimpenerwaard Postbus 51 2820 AB Stolwijk www.krimpenerwaard.nl

Gemeente Krimpenerwaard T.a.v. mw. F. Maring f.maring@krimpenerwaard.nl

Datum:

25 januari 2024

Onderwerp:

Advies m.b.t. Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024

Geachte mevrouw Maring, Per mail van 19 december jl. ontving de Adviesraad Sociaal Domein uw verzoek om advies uit te brengen t.a.v. de gewijzigde Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024. Het doel van de wijzigingen is om de beleidsregels in overeenstemming te brengen met de actuele verordening - recent gewijzigd n.a.v. het Breed Offensief en de Herijking Minimabeleid - en de praktijk. Tijdens de vergadering van de Adviesraad op 15 januari heeft u samen met uw collega Aad Kommené de wijzigingen toegelicht en vragen vanuit de Adviesraad beantwoord. Hetzelfde is gebeurd tijdens de vergadering van de Cliëntenraad op 18 januari jongstleden. Hieronder vindt u de reactie van de Adviesraad. Daarbij zijn tevens de opmerkingen vanuit de Cliëntenraad meegenomen. De Adviesraad kan zich vinden in de voorgestelde wijzigingen en is positief over de welwillendheid van de gemeente Krimpenerwaard voor wat betreft de Regeling Openbaar Vervoer (5.6.4.3 – na toetsing in maart loopt OV-pas nog door tot 1 januari van het volgende jaar) en Meerkosten (5.7.2.2 – bewijs van inwoner zelf voor gemaakte meerkosten volstaat). Wel vraagt de Adviesraad aandacht voor de regelingen met betrekking tot Kinderopvang (zie 3.1.2): de afgelopen jaren is herhaaldelijk aandacht gevraagd voor de opvang van kinderen in eenoudergezinnen waarbij de ouder in de zorg werkt c.q. wil gaan werken.

Opvang voor kinderen van wie de ouder in avond- of nachtdiensten werkt, is schaars of afwezig. Enige tijd geleden is binnen de gemeente een speciale coördinator hiervoor aangesteld. Nogmaals willen wij benadrukken dat het belangrijk is om te blijven zoeken naar creatieve oplossingen. Het gebrek aan goede opvang weerhoudt mensen er nl. van om een baan in de zorg te aanvaarden. Gelet op het grote en nog groeiende tekort aan zorgmedewerkers én het feit dat potentiële medewerkers onnodig langer in de bijstand blijven, is bij uitblijven van passende oplossingen sprake van een dubbele gemiste kans. De Adviesraad maakt tevens van de gelegenheid gebruik om de volgende punten die vanuit de Cliëntenraad naar voren zijn gekomen, onder uw aandacht te brengen: • De Cliëntenraad benadrukt herhaaldelijk dat heldere communicatie over de beleidsregels uitermate belangrijk is. Voorbeeld: wat is de indicatie van een chronische ziekte (zie 5.7.2.2 Meerkosten, blz. 18 punt 2)? De indicatie voor de toeslag voor chronisch zieken is niet voor iedereen duidelijk en er zijn uitzonderingen mogelijk. Communicatie is van belang en het bieden van gelegenheid voor burgers om hun vragen te stellen. Hetzelfde geldt voor de Bijzondere Bijstand (zie 5.4). Ook hierbij is het belangrijk inwoners goed te informeren over de mogelijkheden en begrenzingen.

Denk bijvoorbeeld aan renovatie/aanpassing van de woning waardoor er kosten ontstaan die ver boven het budget kunnen uitvallen. Preventie ter voorkoming van het ontstaan van schulden is belangrijk. • Reiskosten (3.1.3). Omdat reiskosten binnen de Krimpenerwaard tussen de dorpen hoog zijn, is een vergoeding van belang zodat alle burgers mee kunnen doen. De Cliëntenraad is erg blij met

•

•

de regeling voor gratis openbaar vervoer voor mensen met een laag inkomen die in maart a.s. ingaat. De Cliëntenraad wijst erop dat met de nieuwe beleidsregels ook de procedures opnieuw moeten worden bekeken. Zo verschilt een aanvraag op papier van de digitale aanvraag: op papier volstaat een vinkje voor mensen die een bijstandsuitkering hebben, maar digitaal moeten veel documenten worden aangeleverd. Dit kan efficiënter. Kortom, een pleidooi voor eenvoudige aanvraagprocedures zonder overbodige documenten en met verwijzing naar gegevens die reeds bij de gemeente bekend zijn. In het kader van preventie is duidelijk financieel advies gewenst. Inwoners dienen preventief goed geïnformeerd te worden. Dit geldt zeker voor inwoners die gaan werken en dus uit de bijstand gaan. Belangrijk is dat zij in het eerste jaar goed worden begeleid zodat zij duurzaam uitstromen. De ervaring van de Cliëntenraad is dat mensen worden losgelaten en geen contact meer hebben. Ze staan vaak voor grote problemen en kunnen, omdat ze werken, niet terecht met hun vragen. Een avondspreekuur is zeer wenselijk.

Tot slot geeft de Adviesraad als tip mee om de begrippenlijst in het document naar voren te halen, dit bevordert de leesbaarheid. Mocht het bovenstaande om een mondelinge toelichting vragen dan is de Adviesraad graag bereid met u hierover van gedachten te wisselen en met u in gesprek te gaan. Contact met de Adviesraad verloopt via ondergetekende en adviesraadsociaaldomein@krimpenerwaard.nl.

Met vriendelijke groet, Namens de Adviesraad Sociaal Domein Krimpenerwaard,

Lucie Boonekamp Voorzitter Adviesraad Sociaal Domein Krimpenerwaard

Adviesraad Sociaal Domein t.a.v. mevrouw L. Boonekamp Per e-mail: adviesraadsociaaldomein@krimpenerwaard.nl

LOCATIE: Stolwijk

DOCUMENTNUMMER: 1290213

BEHANDELD DOOR: F. Maring

UW BRIEF: 25 januari 2024 UW KENMERK:

ZAAKNUMMER: 1239056 BIJLAGE(N):

TELEFOON: 14 0182 E-MAIL: info@krimpenerwaard.nl VERZENDDATUM: 20 februari 2024

ONDERWERP: Reactie advies m.b.t. Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024

Beste mevrouw Boonekamp, Wij danken de Adviesraad Sociaal Domein voor het advies en de aanbevelingen van 25 januari 2024. Het advies van de Adviesraad De Adviesraad adviseert positief ten aanzien van de voorgestelde wijzigingen van de Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024. In de brief zijn ook de aanbevelingen van de Cliëntenraad opgenomen. De Adviesraad en de Cliëntenraad vragen aandacht voor het volgende: 1. Kinderopvang 2. Heldere communicatie over de beleidsregels 3. Reiskosten / Regeling Gratis openbaar vervoer 4. Procedures 5. Financieel advies 6. Begrippenlijst Reactie college Wij hebben kennisgenomen van het advies en de aanbevelingen. 1. Kinderopvang. Wij zijn bekend met het signaal dat er weinig kinderopvang beschikbaar is buiten reguliere werktijden. In de begeleiding naar werk wordt rekening gehouden met beschikbare kinderopvang en samen met de inwoner naar mogelijkheden gekeken. Veelal betekent dit dat er werk wordt aangeboden binnen reguliere tijden. Ook binnen de zorgsector zijn hier mogelijkheden voor. 2. Heldere communicatie over de beleidsregels. Wij erkennen dat heldere communicatie over de beleidsregels en de minimaregelingen belangrijk is. Hiervoor wordt een communicatieplan opgesteld met concrete acties om inwoners goed te informeren.

In uw vergaderingen van 15 en 18 januari 2024 is al een uitvraag gedaan over gewenste communicatiemiddelen/vormen. Met uw input gaan we voor verdere uitwerking zorgen. We leggen de communicatiemiddelen graag in concept aan u voor. gemeente Krimpenerwaard Postbus 51 2820 AB Stolwijk www.krimpenerwaard.nl

3. Reiskosten / Regeling Gratis openbaar vervoer. Wij onderschrijven het belang van de regeling Gratis openbaar vervoer. Hierdoor worden voorzieningen, uitstapjes en werkgelegenheid bereikbaar voor alle inwoners in de Krimpenerwaard. 4. Procedures. Het aanpassen van (digitale) aanvraagprocedures en formulieren heeft onze aandacht. Eenvoud en laagdrempeligheid is onze prioriteit. 5. Financieel advies. Wanneer inwoners vanuit een bijstandsuitkering aan het werk gaan, worden zij geïnformeerd over de wijzigingen via de folder ‘Weer aan het werk’. Tevens wordt de nieuwe financiële situatie in kaart gebracht via de tool WerkloonT. Inwoners worden extra geattendeerd op het aanvragen van de uitstroompremie. Nazorg is indien nodig beschikbaar. 6. Begrippenlijst. Uw advies wordt overgenomen. Na ontvangst van uw advies zijn onderstaande aanpassingen aan het document doorgevoerd: • Artikel 5.6.2 lid 3 toegevoegd: overgangsregeling Participatie en werk en Maatschappelijke deelname voor ouderen naar de (nieuwe) Meedoenregeling. • Artikel 5.6.4.1. lid 1 aangepast: 12 t/m 17 jaar toegevoegd. • Artikel 5.6.4.1. lid 2, 3 en 4 toegevoegd: blijkt uit implementatie van de Regeling Gratis openbaar vervoer. • Begrip peildatum aangepast: op verzoek van juridisch adviseur. • Begrippen Azc en COA verwijderd: deze komen niet meer in het document terug.

Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, de secretaris,

de burgemeester,

J. Hennip

ir. J. Beenakker

Deze brief is digitaal aangemaakt en daarom niet ondertekend

pag. 2/2

Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024

Wetstechnische informatie Gegevens van de regeling Overheidsorganisatie

Gemeente Krimpenerwaard

Officiële naam regeling

Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024

Citeertitel

Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024

Besloten door

College burgemeester en wethouders

Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld)

Onbepaalde tijd

Onderwerp

Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen

Opmerkingen m.b.t. de regeling N.v.t. Grondslagen  Participatiewet  Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers  Wet Inkomensvoorziening gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen  Wet gemeentelijke schuldhulpverlening  Wet inburgering 2021  Wet maatschappelijke ondersteuning  Verordening Werk, Participatie en Inkomen 2022  1e Wijzigingsverordening Werk, Participatie en Inkomen van 2 november 2023  2e Wijzigingsverordening Werk, Participatie en Inkomen van 6 februari 2024

Tekst van de regeling Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard; besluit: vast te stellen de Beleidsregels Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2024.

1

Inhoudsopgave Begrippen ................................................................................................................................................ 5 1

Inleiding ........................................................................................................................................... 8

1.1 Waarom deze regels? .................................................................................................................. 8 1.2 Uitgangspunten ........................................................................................................................... 8 1.3 Kernwaarden ............................................................................................................................... 8 1.4 Artikel, wet en verordening......................................................................................................... 9 2 Algemene richtlijnen ....................................................................................................................... 9 2.1 Deskundig advies ......................................................................................................................... 9 2.2 Aanvragen en peildatum ............................................................................................................. 9 2.3 Andere (voorliggende) voorziening ............................................................................................. 9 2.4 Uitgangspunten bij verstrekken van voorzieningen.................................................................... 9 2.5 Vaststellen van het inkomen en vermogen en peilmaand..........................................................

9 3 Werk en Participatie ...................................................................................................................... 10 3.1 Voorzieningen – Werk en Participatie....................................................................................... 10 3.1.1 Forfaitaire loonkostensubsidie ............................................................................................. 10 3.1.2 Kinderopvang ....................................................................................................................... 10 3.1.3 Reiskosten ............................................................................................................................ 10 3.1.4 Vervoersvoorzieningen ........................................................................................................ 11 3.1.5 Werkplekaanpassingen ........................................................................................................ 11 3.1.6 Vrij besteedbaar budget voor uitvoering ............................................................................. 11 3.1.7 Uitstroompremie .................................................................................................................. 12 3.2 Inburgering ................................................................................................................................

12 3.2.1 Informatie aan inburgeringsplichtigen ................................................................................. 12 3.2.2 Brede intake inburgeringsplichtigen ................................................................................. 12 3.2.3 Persoonlijk Inburgeringsplan (PIP) ....................................................................................... 12 3.2.4 Module Arbeidsparticipatie (MAP).................................................................................... 13 3.2.5 Voortgangsgesprekken inburgeringsplichtigen ................................................................. 13 3.2.6 Maatschappelijke begeleiding statushouders ................................................................... 13 4 Tegenprestatie............................................................................................................................... 13 5

Inkomen, armoede en schulden .................................................................................................... 13 5.1 Vorm algemene bijstand ........................................................................................................... 13 5.2 Verlagen van de bijstand bij geen woonlasten ......................................................................... 14 5.3 Middelen ................................................................................................................................... 14 5.3.1 Inlichtingenplicht en medewerkingsplicht ........................................................................... 14 5.3.2 Vrijlating van giften .............................................................................................................. 14 5.3.3 Vrijlating van een vergoeding van materiële en immateriële schade.................................. 15 5.3.4 Vrijlating van inkomsten uit arbeid ...................................................................................... 15 5.3.5 Vrijlaten van vermogen ........................................................................................................ 15 5.4 Bijzondere bijstand .................................................................................................................... 16 2

5.4.1 Hoogte bijzondere bijstand .................................................................................................. 16 5.4.2 Beoordelen aanvraag ........................................................................................................... 16 5.4.3 Draagkracht, inkomen en vermogen.................................................................................... 16 5.4.4 Betaling................................................................................................................................. 16 5.5 Individuele inkomenstoeslag..................................................................................................... 17 5.5.1 Aanvraag en Peildatum ........................................................................................................ 17 5.5.2 Geen zicht op inkomensverbetering .................................................................................... 17 5.6 Armoede .................................................................................................................................... 17 5.6.1 Kindpakket ......................................................................................................................... 17 5.6.1.1 Sport, cultuur en diplomazwemmen ......................................................................... 17 5.6.1.2

Schoolkosten en computer ........................................................................................ 17

5.6.1.3

Baby- en kindpakket .................................................................................................. 18

5.6.2 Meedoenregeling ................................................................................................................. 18 5.6.3 Regeling Sport & Cultuur voor volwassenen ........................................................................ 18 5.6.4 Regeling gratis openbaar vervoer ........................................................................................ 19 5.6.4.1 Aanvraag........................................................................................................................ 19 5.6.4.2 Gebruik .......................................................................................................................... 19 5.6.4.3 Toetsen en beëindigen .................................................................................................. 19 5.7 Zorgkosten ................................................................................................................................. 19 5.7.1 De collectieve zorgverzekering............................................................................................. 19 5.7.1.1 Aanvraag........................................................................................................................ 19 5.7.1.2 Toetsen en beëindigen ..................................................................................................

20 5.7.1.3 Betalen .......................................................................................................................... 20 5.7.2 Meerkosten chronisch zieken en inwoners met een beperking .......................................... 20 5.7.2.1 Doelgroep ...................................................................................................................... 20 5.7.2.2 Meerkosten ................................................................................................................... 20 5.7.2.3 Hoogte ........................................................................................................................... 21 6

Afspraken tussen inwoner en gemeente ...................................................................................... 21 6.1 Boete ......................................................................................................................................... 21 6.1.1 Overtreden inlichtingenplicht .............................................................................................. 21 6.1.2 Onderzoek ............................................................................................................................ 21 6.1.3 Bepalen hoogte boete .......................................................................................................... 22 6.1.4 Waarschuwing ...................................................................................................................... 22 6.1.5 Geen boete of waarschuwing............................................................................................... 22 6.2 Terugvorderen uitkering ........................................................................................................... 22 6.2.1 Bevoegdheid gemeente ....................................................................................................... 22 6.2.2 Uitzonderingen terugvorderen ............................................................................................

23 6.2.3 Bruteren ............................................................................................................................... 23 6.2.4 Stoppen met terugvorderen................................................................................................. 23 6.2.5 Schuldregeling ...................................................................................................................... 23 6.2.6 Kwijtschelden bij een lening ................................................................................................. 23 3

7

6.2.7 Stoppen met terugvorderen niet mogelijk........................................................................... 24 6.2.8 Terugbetalen ........................................................................................................................ 24 6.2.9 Volgorde van terugbetalen................................................................................................... 24 Van oud naar nieuw ...................................................................................................................... 24

7.1 Onderzoek naar de werking van de beleidsregels .................................................................... 25 7.2 Afwijken van de beleidsregels (hardheidsclausule) .................................................................. 25 7.3 Intrekken oude beleidsregels .................................................................................................... 25 7.4 Overgangsrecht ......................................................................................................................... 25 7.5 Ingangsdatum en naam ............................................................................................................. 25 Bijlage 1: Bijzondere bijstand ................................................................................................................ 26 Werkwijze Beoordeling aanvraag...................................................................................................... 26 Vaak aangevraagde voorzieningen ................................................................................................... 26 Bijlage 2 Bedragen bijzondere bijstand ................................................................................................. 32

4

Begrippen In deze beleidsregels worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten en de verordening waarop deze beleidsregels zijn gebaseerd. In deze beleidsregels worden ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten en de Verordening. Deze zijn hier omschreven. algemeen geaccepteerde arbeid: arbeid die passend is voor de inwoner, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheden en beperkingen van de inwoner. arbeidsbeperkt: de inwoner die door ziekte of een gebrek belemmerd wordt bij het verkrijgen van een baan of het verrichten van arbeid. Een arbeidsbeperking kan een zintuiglijk of lichamelijk probleem zijn - bijvoorbeeld slechthorendheid of in een rolstoel zitten - maar ook een psychische of verstandelijke handicap. benadelingsbedrag: het netto bedrag dat de gemeente ten onrechte of teveel aan uitkering heeft verstrekt als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht door de inwoner. Het is het bedrag voor aftrek van de gereserveerde vakantietoeslag. beslagvrije voet: het deel van de inkomsten waarop de schuldeiser in feite geen beslag kan leggen. Dit is zo geregeld in de wet, omdat iedereen recht heeft op een bepaald minimuminkomen. Van deze beslagvrije voet moet iemand zijn vaste lasten betalen en voorzien in zijn levensonderhoud.

De hoogte van de beslagvrije voet bedraagt in principe 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. In de enkele gevallen wordt de beslagvrije voet verhoogd of verlaagd. De hoogte van de beslagvrije voet wordt analoog aan artikel 475d & g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vastgesteld. boete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a PW, artikel 20a eerste lid van de IOAW/IOAZ. bruteren: het verhogen van de vordering met de loonheffing en premies volksverzekeringen waardoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen. debiteur: degene van wie wordt teruggevorderd. draagkracht: het (restant) gedeelte van de middelen die moet worden gebruikt om de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te betalen. draagkrachtperiode: de periode van 12 maanden waarover de draagkracht berekend wordt. financiële buffer: vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. forfaitaire loonkostensubsidie: tijdens de eerste 6 maanden van een arbeidsovereenkomst geldt een fictieve loonwaarde van 50%.

Dit betekent dat er 50% van het minimumloon (naar rato van het aantal werkuren) wordt gecompenseerd, plus 23,5% werkgeverslasten over dat bedrag. fraudevordering: vordering ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht. gift: een onverplichte betaling van geld of goederen uit vrijgevigheid door een natuurlijk persoon of een instelling.

5

inkomsten uit arbeid: alle (parttime) inkomsten uit arbeid in loondienst. inkomstenvrijlating algemeen: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2 onderdeel n van de PW , artikel 8, lid 2 van de IOAW en artikel 8, lid 3 van de IOAZ. inkomstenvrijlating aanvullend: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2 onderdeel r van de PW, artikel 8, lid 5 van de IOAW en artikel 8, lid 9 van de IOAZ. inkomstenvrijlating medisch urenbeperkte inwoner: de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2, onderdeel y van de PW, artikel 8, lid 7 van de IOAW en artikel 8, lid 11 van de IOAZ. inlichtingenplicht: de verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de PW en artikel 13, eerste lid IOAW en artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de SUWI. invorderen: het innen van een vordering. inwoner: de persoon die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om schuldhulpverlening, dan betreft het degene die in de basisregistratie personen van de gemeente als ingezetene is ingeschreven. Voor de toepassing van hoofdstuk 6 wordt onder inwoner ook verstaan: de persoon die hulp van de gemeente heeft gehad maar zijn woonplaats niet meer daar heeft.

Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor hulp door de gemeente. kind: ten laste komend kind zoals beschreven in de PW (artikel 4, eerste lid onder e). kinderopvang: opvang van kinderen:  die voldoet aan de bepalingen genoemd in de Wko of artikel 45 van de Wet op het primair onderwijs, en  die betrekking heeft op een ten laste komend kind van de inwoner; en  waarvoor de inwoner kinderopvangtoeslag ontvangt. loopjaar: van 1 maart van een kalenderjaar tot 1 maart van het volgende kalenderjaar. maatwerkvoorziening Wmo/Jeugd: persoonlijke hulp die op grond van de Wmo of Jeugdwet wordt verleend. MAP: Module Arbeidsparticipatie. peildatum: aanvraagdatum. peiljaar: het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend. PIP: Persoonlijk Inburgeringsplan PVT: Participatieverklaringstraject. Rv: Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. terugvorderen: door de gemeente ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering of lening die wordt teruggevorderd op basis van een terugvorderingsbesluit.

6

toevoeging: gesubsidieerde mediation of gesubsidieerde rechtsbijstand tussenschoolse opvang: opvang van schoolkinderen in de middagpauze. UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Verordening: Verordening Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2022. verzekeringsjaar: van 1 januari tot 1 januari, een kalenderjaar. volledig arbeidsongeschikt: arbeidsongeschiktheid van minimaal 80%. werkplekaanpassing: aanpassing op of rond de werkplek, die ervoor zorgt dat de werknemer met een structurele functionele beperking zijn werk kan uitvoeren. Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Wlz: Wet langdurige zorg. zakelijke lasten woning: de lasten die de gemeente en het waterschap jaarlijks bij de inwoner in rekening brengen. Denk bijvoorbeeld aan de onroerendezaakbelasting (OZB) of het rioolrecht.

7

1 Inleiding Deze beleidsregels geven gemeentelijke regels over de uitvoering van de volgende onderwerpen:  Werken en Participeren  Inburgeren  Inkomen en Handhaving  Armoede en Schulden Deze beleidsregels ondersteunen net als de Verordening Werk, Participatie en Inkomen Krimpenerwaard 2022 (inclusief de Eerste en Tweede Wijziging) (hierna: “de Verordening”) de werkwijze van de gemeente. Er wordt meegedacht met de inwoner over het effect dat hij wil bereiken en bekeken wordt of dit past binnen de doelstelling van de wetten van het sociaal domein. Vervolgens wordt bekeken welke wettelijke instrumenten de gemeente heeft om dit doel met en voor de inwoner te realiseren.

1.1 Waarom deze regels? In Hoofdstuk 1 van de Verordening zijn de doelstellingen beschreven die de gemeente Krimpenerwaard belangrijk vindt, namelijk:  mensen kunnen actief meedoen aan het maatschappelijk leven of kunnen actief aan het werk gaan;  mensen hebben een inkomen waarmee ze rond kunnen komen;  mensen hebben hun financiën op orde;  mensen kunnen een eigen huishouding voeren en voor zichzelf zorgen. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:  Participatiewet (PW), de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);  Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs);  Wet inburgering 2021 (Wi2021);  Wet maatschappelijke ondersteuning;  Gemeentewet. Deze beleidsregels geven invulling aan de Verordening en de wettelijke regels. Het zijn regels voor de uitvoering. De beleidsregels zijn op 19 december 2023 via een adviesaanvraag aan de Adviesraad Sociaal Domein en de Clientenraad Participatiewet voorgelegd. Op 15 januari 2024 en 18 januari 2024 zijn de beleidsregels met beide raden besproken. De Adviesraad Sociaal Domein en de Cliëntenraad Participatiewet hebben op 25 januari 2024 aanbevelingen gedaan.

De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de wet en in de Verordening. Nieuwe begrippen worden toegelicht in Hoofdstuk 8.

1.2 Uitgangspunten De uitgangspunten die in de Verordening zijn beschreven zijn ook op deze beleidsregels van toepassing.

1.3 Kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze beleidsregels houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente gaat bij deze beleidsregels ook uit van de kernwaarden die ook in de Verordening zijn genoemd.

8

1.4 Artikel, wet en verordening In deze beleidsregels is per artikel aangegeven op welke wetten (zie de wetten genoemd in artikel 1.1) het artikel is gebaseerd. Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht) genoemd. Die verwijzing staat er als er in de Awb specifieke bepalingen zijn die op dat artikel van toepassing zijn. Als de beleidsregels een nadere uitwerking zijn van de Verordening wordt dit ook aangegeven. PW | IOAW | IOAZ | Wgs | Wi2021 | Wmo | Gemeentewet | Awb | Burgerlijk Wetboek | Verordening

2 Algemene richtlijnen In dit hoofdstuk worden de algemene richtlijnen van deze beleidsregels beschreven.

2.1

Deskundig advies

PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. De gemeente kan aan een deskundige een advies vragen als de medewerker van de gemeente niet zelf de deskundigheid heeft om de hulp bij werk, participatie of inkomen te beoordelen. Dit advies betrekt de gemeente bij de beoordeling. 2. Als een inwoner niet meewerkt aan een advies aanvraag van een deskundige wat nodig is voor de beoordeling, wordt de aanvraag afgewezen.

2.2 Aanvragen en peildatum PW | Verordening Voor een aantal voorzieningen geldt dat bij het indienen van een aanvraag uitgegaan wordt van een peildatum. In deze gevallen kan een inwoner 4 weken vóór de peildatum een aanvraag indienen. Aanvragen die eerder dan 4 weken vóór peildatum worden ingediend, worden afgewezen.

2.3

Andere (voorliggende) voorziening

PW | IOAW | IOAZ |Verordening De kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking als er geen sprake is van een andere (voorliggende) voorziening.

2.4

Uitgangspunten bij verstrekken van voorzieningen

PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. Bij het verstrekken van hulp wordt uitgegaan van de goedkoopst passende voorziening. 2. Een voorziening wordt niet vergoed als deze al is betaald en de gemeente de noodzakelijkheid niet meer kan beoordelen. 3. De genoemde bedragen in deze beleidsregels zijn vaste bedragen, tenzij anders aangegeven.

2.5 Vaststellen van het inkomen en vermogen en peilmaand 1. Bij het vaststellen van het inkomen geldt artikel 31, 32 en 33 van de PW. 2. Bij het vaststellen van het inkomen en vermogen wordt uitgegaan van de maand voorafgaand aan de maand van de aanvraag. Bij wisselende inkomsten wordt uitgegaan van de inkomsten van de laatste drie maanden voorafgaand aan de maand van de aanvraag. 3. In afwijking van lid 2 wordt bij een aanvraag Meerkosten Chronisch zieken uitgegaan van het inkomen in de maand december van het voorgaande kalenderjaar. Bij wisselende inkomsten wordt uitgegaan van de inkomsten van de laatste drie maanden van het voorgaande kalenderjaar.

9

4. Bij het bepalen van de draagkracht bij bijzondere bijstand, minimaregelingen en terugvordering worden niet tot de middelen gerekend: a. de Individuele Inkomenstoeslag; b. de Studietoeslag; c. de Eenmalige Energietoeslag 2023; d. middelen die op grond van deze beleidsregels worden vrijgelaten, met uitzondering van de middelen genoemd in artikel 5.3.4.

3 Werk en Participatie In Hoofdstuk 3 van de Verordening wordt beschreven welke hulp de gemeente kan bieden aan inwoners bij participatie, bij het vinden van de weg naar werk en inburgering. In dit hoofdstuk wordt waar nodig een verdere invulling gegeven aan de regels van de Verordening. De gemeente kan de hulp zoals beschreven in dit hoofdstuk, ook zonder aanvraag van de inwoner of werkgever toekennen.

3.1

Voorzieningen – Werk en Participatie

3.1.1 Forfaitaire loonkostensubsidie PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. De gemeente en de werkgever bepalen in overleg of een forfaitaire loonkostensubsidie of een loonkostensubsidie op basis van loonwaarde wordt ingezet. 2. Voor een forfaitaire loonkostensubsidie geldt dat: a. deze niet kan worden ingezet voor inwoners die al een dienstverband hebben b. deze niet kan worden ingezet bij een verlenging van het dienstverband bij dezelfde werkgever c. de werkgever een arbeidsovereenkomst aanbiedt van minimaal 6 maanden d. de duur van de forfaitaire loonkostensubsidie is 6 maanden e. in de 5e maand van de arbeidsovereenkomst wordt de loonwaarde vastgesteld f. per de 7e maand van de arbeidsovereenkomst gaat loonkostensubsidie in op basis van de vastgestelde loonwaarde.

3.1.2 Kinderopvang PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. De hoogte van de vergoeding voor de kinderopvang vindt plaats in de vorm van een aanvulling op de kinderopvangtoeslag tot 100% (bij het laagste toetsingsinkomen). Voor de percentages van de kinderopvangtoeslag wordt de tabel van van de Belastingdienst gehanteerd; 2. Bij de berekening van de vergoeding wordt uitgegaan van de maximale uurprijs zoals bedoeld in de Wet Kinderopvang (artikel 1.7 lid 2). 3. De hoogte van de vergoeding voor tussenschoolse opvang is 100% van de totale kosten. Er wordt uitgegaan van de overeenkomst tussen aanbieder en inwoner. 4. De vergoeding voor de kinderopvang wordt maandelijks uitbetaald.

3.1.3 Reiskosten PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. De gemeente kan aan de inwoner die meedoet aan een activiteit om dichter bij de arbeidsmarkt te komen een vergoeding verstrekken voor reiskosten. 2. Voorwaarden om een reiskostenvergoeding te krijgen zijn: a. de afstand van de woning van de inwoner tot werk of school bedraagt minimaal 5 kilometer per fiets; b. de afstand wordt minimaal 1 maal per 2 weken afgelegd.

10

3. De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de werkelijke reiskosten op basis van het tarief van het Openbaar Vervoer, dan wel bij eigen vervoer tegen een kilometervergoeding per kilometer. Bij de bepaling van de hoogte van de kilometervergoeding wordt aangesloten bij de vergoeding van de Belastingdienst. 4. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de kortste route volgens de ANWB-routeplanner.De gemeente kan ook andere voorzieningen aanbieden voor reiskosten. De gemeente maakt bij de keuze voor de soort vergoeding een afweging waarbij de reisafstand, de kosten, en het aantal reisdagen een rol spelen. 5. De vergoeding voor reiskosten wordt maandelijks uitbetaald.

3.1.4 Vervoersvoorzieningen PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. Een vervoersvoorziening wordt slechts verstrekt indien er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor de duur van minimaal 6 maanden, met een omvang van minimaal 12 uur per week en minimaal 4 uur arbeid per dag. 2. De goedkoopst adequate vervoersvoorziening wordt vergoed. 3. Vervoersvoorzieningen waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is worden niet vergoed. 4. In geval van verhuizing moet de vervoersvoorziening opnieuw worden aangevraagd. 5. Onder vervoersvoorzieningen worden in ieder geval verstaan: een kilometervergoeding voor het gebruik van een eigen (aangepaste) auto of van een –aangepaste- bruikleenauto, inzet van een chauffeur voor de privéauto, begeleiding bij het reizen met het openbaar vervoer, een (rolstoel-)taxikostenvergoeding, aanpassing van de eigen auto of ander vervoermiddel. 6. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de kortste route volgens de ANWB-routeplanner. 7. Bij de bepaling van de hoogte van de kilometervergoeding wordt aangesloten bij de vergoeding van de Belastingdienst.

3.1.5 Werkplekaanpassingen PW | IOAW | IOAZ |Verordening 1. Voorwaarden voor het verstrekken van een werkplekaanpassing zijn: a. de gemeente vindt de aanpassing van de werkplek noodzakelijk om aan het werk te komen of te blijven. b. de arbeidsbeperking duurt naar verwachting tenminste een jaar. c. de inwoner heeft een dienstverband van minimaal 6 maanden en werkt minimaal 12 uur per week en 4 uur per dag. d. de werkplekaanpassing voldoet aan de algemeen geldende kwaliteitseisen of keurmerk voor die aanpassing. e. de goedkoopst adequate voorziening wordt vergoed. 2. De gemeente vergoedt geen aanpassing van de werkplek als het aanpassingen zijn die een werkgever of inwoner bij een werksituatie zonder arbeidsbeperking ook zelf zou betalen. 3. Het budgetplafond voor aanpassing van de werkplek is € 15.000,- per jaar per inwoner. 4. De kosten van de werkplekaanpassing moeten passend zijn in relatie tot de opbrengsten door werk van de inwoner.

3.1.6 Vrij besteedbaar budget voor uitvoering PW | IOAW | IOAZ |Verordening De gemeente kan een vergoeding van maximaal € 500,- per inwoner verstrekken voor een voorziening die noodzakelijk is voor het krijgen of behouden van arbeid, een re-integratietraject, inburgeringstraject, scholingstraject of voor het verrichten van vrijwilligerswerk. De gemeente maakt alleen van deze mogelijkheid gebruik als andere voorzieningen uit de Verordening en deze

11

beleidsregels geen oplossing bieden en er geen andere (voorliggende) voorziening is. De gemeente bepaalt wanneer en hoe vaak de vergoeding per inwoner wordt ingezet.

3.1.7 Uitstroompremie PW | IOAW | IOAZ |Verordening De hoogte van de uitstroompremie is € 500,-.

3.2

Inburgering

3.2.1 Informatie aan inburgeringsplichtigen Wi2021 1. Inburgeringsplichtigen ontvangen van de gemeente informatie over wat de Wi2021 voor hen betekent. Zij ontvangen informatie over: a. hun rechten en plichten op grond van de inburgeringswetgeving; b. brede Intake; c. het Participatieverklaringstraject (PVT); d. de leerroutes; e. de Module Arbeidsparticipatie (MAP); f. het Persoonlijk Inburgeringsplan (PIP). 2. Statushouders ontvangen informatie over hun maatschappelijke begeleiding en de financiële ontzorging.

3.2.2 Brede intake inburgeringsplichtigen Wi2021 1. De Brede Intake heeft als doel de startpositie en de kansen van de inburgeringsplichtige in beeld te brengen. 2. De inburgeringsplichtige ontvangt een uitnodiging voor de Brede Intake met daarin de rechten en plichten, waarna de inburgeringsplichtige in de gemeente is ingeschreven. 3. De gemeente neemt de Brede Intake af. 4. De Brede Intake bestaat uit een leerbaarheidstoets en informatie over: a. eerder verrichte participatie-activiteiten; b. onderwijsachtergrond; c. werkervaring. 5. De informatie uit de Brede Intake wordt opgenomen in het PIP (Persoonlijk Inburgerings Plan) die door de gemeente en de inburgeringspichtige wordt ondertekend.

3.2.3 Persoonlijk Inburgeringsplan (PIP) Wi2021 In het PIP worden de volgende onderwerpen vastgesteld: a. de leerroute; b. de ondersteuning en het aantal voortgangsgesprekken die nodig zijn; c. de inhoud van het PVT en de MAP; d. de behoefte en mogelijkheden van kinderopvang en vervoer; e. aanvullende informatie over de persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige voor zover deze informatie nodig is voor de inburgering; f. arbeids- en participatieverplichtingen en mogelijke voorzieningen volgens de PW; g. op welke wijze de statushouders financieel worden ontzorgd.

12

3.2.4 Module Arbeidsparticipatie (MAP) Wi2021 1. De MAP die is opgenomen in de PIP bestaat uit: a. kennismaken met de Nederlandse arbeidsmarkt; b. taalstage en/of leerwerkstage en/of participatie-activiteiten. 2. De MAP biedt de inburgeringsplichtige ondersteuning bij het vinden van werk, dit is een verplichting van de PW.

3.2.5 Voortgangsgesprekken inburgeringsplichtigen Wi2021 Tijdens de Brede Intake wordt in het PIP het aantal voortgangsgesprekken afgesproken, waarbij de resultaten en de voortgang van het inburgeringstraject worden besproken. In het eerste jaar vinden minimaal twee voortgangsgesprekken plaats. De inburgeringsplichtige krijgt een verslag van dit voortgangsgesprek.

3.2.6 Maatschappelijke begeleiding statushouders Wi2021 Statushouders hebben recht op maatschappelijke begeleiding. Zij worden ondersteund in praktische zaken en krijgen voorlichting over de Nederlandse samenleving en basisvoorzieningen zoals wonen, onderwijs en zorg. De maatschappelijke begeleiding start op het moment dat de statushouder in de gemeente is ingeschreven. Maatschappelijke begeleiding wordt verleend door Stichting Vluchtelingenwerk.

4

Tegenprestatie

Als de gemeente de inwoner een tegenprestatie oplegt dan geeft hij de inwoner eerst de mogelijkheid om zelf op zoek te gaan naar een instelling of organisatie waar de tegenprestatie kan worden uitgevoerd. Als de inwoner zelf geen geschikte instelling of organisatie vindt, kan de gemeente een instelling of organisatie aanwijzen. De gemeente kan de tegenprestatie elk jaar opnieuw opleggen. De gemeente betaalt de onkosten, reiskosten en de nodige verzekeringen als de instelling of organisatie waar de tegenprestatie wordt uitgevoerd dit niet betaalt.

5 Inkomen, armoede en schulden In dit hoofdstuk wordt eerst geregeld in welke gevallen de gemeente de uitkering verlaagd en welke middelen de gemeente rekening houdt bij de beoordeling van het recht op een uitkering. De gemeente kan volgens de wet de hoogte van de uitkering afstemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner. Ook wordt verder uitgewerkt wat de voorwaarden en mogelijkheden van bijzondere bijstand en andere regelingen voor de ondersteuning van het inkomen zijn.

5.1

Vorm algemene bijstand

PW 1. Als er bij een koopwoning algemene bijstand wordt verleend, gebeurt dat in de vorm van een geldlening via een hypotheek- of pandovereenkomst. Tot de geldlening worden ook gerekend de eventuele kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, en bijkomende kosten; 2. De te verstrekken bijstand moet over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag dat bijstand wordt verleend, hoger zijn dan eenmaal het netto minimum maandloon inclusief

13

vakantietoeslag voor een gehuwde werknemer. Als er naar verwachting minder bijstand verstrekt zal worden, wordt er bijstand om niet verstrekt; 3. Hypotheek wordt gevestigd op registergoederen (huizen en geregistreerde woonschepen). Pandrecht wordt gevestigd op niet-registergoederen (woonwagens en niet-geregistreerde woonschepen); 4. De geldlening is maximaal de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen, dat in artikel 34 PW vermeld staat; 5. Ter vaststelling van de waarde van de woning vindt taxatie plaats door een taxateur voor onroerende zaken die door het college in overeenstemming met de inwoner wordt aangewezen of door een gemeentelijke taxateur. De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, en de bijkomende kosten, komen voor rekening van de inwoner. De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als algemene bijstand, tenzij aan de inwoner uitsluitend bijzondere bijstand wordt verleend.

5.2

Verlagen van de bijstand bij geen woonlasten

PW De gemeente verlaagt de bijstandsnorm die geldt voor inwoners van 21 jaar of ouder tot de pensioengerechtigde leeftijd met: a. 10% van de gehuwdennorm als de inwoner geen kosten heeft voor huur of hypotheek b. 20% van de gehuwdennorm als de inwoner geen kosten heeft voor huur, hypotheek en zakelijke lasten zoals gas, water en licht en gemeentelijke belastingen; c. 20% van de gehuwdennorm als de inwoner geen woning heeft.

5.3

Middelen

PW De gemeente kan binnen de wettelijke kaders bepalen welke middelen niet tot het inkomen of vermogen worden gerekend. Deze paragraaf geeft hiervoor de richtlijnen.

5.3.1 Inlichtingenplicht en medewerkingsplicht PW De inwoner informeert de gemeente uit zichzelf zo snel en volledig mogelijk over alles wat van belang kan zijn voor het recht op bijstand, zoals bijvoorbeeld ontvangen inkomsten en vermogen. De gemeente ontvangt binnen twee weken nadat de gemeente om informatie heeft gevraagd alle informatie, documenten en bewijsstukken van de inwoner.

5.3.2 Vrijlating van giften PW 1. Als een inwoner een geldbedrag en/of goederen ontvangt dan wordt met deze middelen rekening gehouden bij de beoordeling van het recht op een uitkering. 2. Giften tot een bedrag van € 1.800,- per alleenstaande (ouder) of gezin per kalenderjaar worden niet als middelen gezien en hoeven niet gemeld te worden. Deze giften hebben geen invloed op de hoogte van de uitkering. Hierbij geldt het volgende: a. het moet duidelijk zijn van wie de gift afkomstig is en waarvoor deze bedoeld is; b. als er geen recht op uitkering bestaat over het hele kalenderjaar wordt naar rato van het aantal maanden gerekend dat in het kalenderjaar een uitkering wordt verstrekt; c. de waarde van giften in natura wordt bepaald aan de hand van de NIBUD prijzengids; d. als een inwoner niet bewijst dat het ontvangen geldbedrag een lening betreft, dan wordt het ontvangen geldbedrag gezien als een gift. 3. Als de giften hoger zijn dan € 1.800,- per kalenderjaar wordt het bedrag dat boven € 1.800,uitkomt gezien als inkomsten of vermogen.

14

5.3.3 Vrijlating van een vergoeding van materiële en immateriële schade PW 1. Een vergoeding voor materiële schade voor compensatie van het verlies van arbeidsvermogen wordt gezien als inkomen voor de periode waarop de schadevergoeding betrekking heeft. 2. Een vergoeding voor immateriële schade wordt niet als vermogen gezien als deze lager is € 20.000,-. Het meerdere van een schadevergoeding wordt als vermogen gezien.

5.3.4 Vrijlating van inkomsten uit arbeid PW 1. De inkomstenvrijlating wordt toegepast vanaf de eerste van de (opvolgende) maand. 2. Bij het ontvangen van inkomsten uit arbeid bij aanvang van de uitkering geldt de inkomstenvrijlating vanaf het moment dat er sprake is van een structurele urenuitbreiding van minimaal 5 uur per week. 3. Bij het ontvangen van inkomsten uit arbeid wordt altijd voldaan aan de voorwaarde van inkomstenvrijlating, dat de inkomsten bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de inwoner. 4. De periode van 6 maanden die in de wet staat, hoeft niet aaneengesloten te zijn. 5. Het recht op inkomstenvrijlating bestaat bij gehuwden voor ieder van de partners afzonderlijk en bestaat per periode van 36 maanden. Als de bijstandsperiode minimaal 12 maanden wordt onderbroken, ontstaat er ook een nieuw recht op inkomstenvrijlating. 6. De alleenstaande ouder die inkomsten uit arbeid ontvangt en de volledige zorg heeft voor een kind tot 12 jaar, heeft voor een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden recht op een aanvullende inkomstenvrijlating. Een aanvullende inkomstenvrijlating is alleen van toepassing als de vrijlating die beschreven is in lid 1 al 6 maanden is toegepast. Als de bijstandsperiode minimaal 12 maanden wordt onderbroken, ontstaat er een nieuw recht op deze aanvullende inkomstenvrijlating. 7.

De inwoner die inkomsten uit arbeid ontvangt én medisch urenbeperkt is, ontvangt de inkomstenvrijlating van een medisch urenbeperkte. Deze inkomstenvrijlating is alleen van toepassing als de andere vrijlatingen uit lid 1 en 4 niet van toepassing zijn. 8. De gemeente past een inkomstenvrijlating automatisch toe. 9. Als dezelfde uitkeringsperiode wordt gezien: a. de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter is dan 30 dagen wordt voortgezet; b. de situatie van voortzetting van een uitkering die in een andere gemeente al werd ontvangen; c. de situatie van na wijziging van bijvoorbeeld woon- of gezinssituatie en de uitkering met een andere norm doorloopt. 10. De inwoner heeft geen recht op inkomstenvrijlating als hij inkomsten uit arbeid heeft en deze inkomsten niet gemeld heeft. De inwoner heeft dan niet voldaan aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht.

5.3.5 Vrijlaten van vermogen PW 1. De waarde van een uitvaartverzekering wordt niet tot het vermogen gerekend. Ook uitvaartverzekeringen voor minderjarige kinderen worden niet tot het vermogen gerekend. 2. De waarde van een auto/motor, ouder dan 8 jaar, wordt niet tot het vermogen gerekend. Voor een oldtimer of exclusief model auto/motor geldt dat de waarde aangetoond moet worden door de inwoner, bijvoorbeeld via een taxatierapport. Een waarde gerekend volgens de ANWB-koerslijst hoger dan € 2.300,- wordt meegenomen bij het vaststellen van het vermogen. 3. De waarde van een caravan/camper/brommer/scooter/boot etc. wordt meegenomen bij het vaststellen van het vermogen als de waarde hoger is dan € 2.300,-. De inwoner moet de waarde aantonen, bijvoorbeeld via een taxatierapport.

15

5.4 Bijzondere bijstand PW | Verordening In Bijlage 1 worden voorzieningen waar vaak bijzondere bijstand voor wordt aangevraagd beschreven. Ook de voorwaarden en de wijze waarop de aanvraag beoordeeld wordt staan in deze bijlage vermeld.

5.4.1 Hoogte bijzondere bijstand PW De hoogte van de bijzondere bijstand wordt bepaald volgens het kostenoverzicht zoals opgenomen in Bijlage 2, of anders maximaal de bedragen genoemd in de Nibud prijzengids. De bedragen uit Bijlage 2 worden jaarlijks per 1 januari aangepast aan de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.

5.4.2 Beoordelen aanvraag PW 1. Bijzondere bijstand kan worden aangevraagd voor kosten die nog niet zijn gemaakt of kosten waarvan de factuur niet ouder is dan één maand. 2. Bijzondere bijstand kan alleen worden aangevraagd voor kosten die in Nederland zijn gemaakt.

5.4.3 Draagkracht, inkomen en vermogen PW 1. Voor een aanvraag bijzondere bijstand wordt de draagkrachtperiode vastgesteld voor 12 maanden, de ingangsdatum is de eerste van de maand waarin de aanvraag is ingediend. 2. Als binnen de draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag bijzondere bijstand wordt ingediend, dan wordt de draagkracht niet nog een keer beoordeeld. In dit geval worden de kosten van de nieuwe aanvraag verrekend met de resterende draagkracht in die periode. 3. Bij bijzondere omstandigheden kan de duur van de draagkrachtperiode en de hoogte van de draagkracht tijdens de draagkrachtperiode worden gewijzigd. 4. Bij de beoordeling van de draagkracht wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm. 5. Tot een inkomen van 110% van de bijstandsnorm is er geen draagkracht. 6. Van het inkomen tussen 110% en 120% van de bijstandsnorm, wordt rekening gehouden met 20% draagkracht. 7. Van het inkomen tussen 120% en 150% van de bijstandsnorm, wordt rekening gehouden met 40% draagkracht. 8. Bij een inkomen hoger dan 150% van de bijstandsnorm, wordt rekening gehouden met 100% draagkracht. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. 9. Als de inwoner een goede financiële buffer heeft, wordt dat deel van het vermogen gezien als 100% draagkracht. 10. De eigen bijdrage voor de Wlz wordt op de draagkracht in mindering gebracht. 11.

Het verschil tussen de kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen en de draagkracht bepaalt de hoogte van de bijzondere bijstand.

5.4.4 Betaling PW De bijzondere bijstand wordt uitbetaald op de volgende manier: - aan degene die een product of hulp levert (via een prijsopgave, offerte of pro forma nota); of - aan de inwoner (via een factuur of ander bewijsstuk); of - aan de inwoner (via een prijsopgave, offerte of pro forma nota). De inwoner overlegt achteraf de definitieve factuur, waaruit blijkt dat de inwoner heeft betaald.

16

5.5

Individuele inkomenstoeslag

5.5.1 Aanvraag en Peildatum PW Een individuele inkomenstoeslag wordt toegekend per peildatum.

5.5.2 Geen zicht op inkomensverbetering PW Een inwoner heeft geen uitzicht op verbetering van het inkomen als hij: a. niet kan werken en een uitkering voor volledige arbeidsongeschiktheid ontvangt; of b. een WAJONG-uitkering heeft; of c. arbeidsbeperkt is en voor verbetering van het inkomen hulp ontvangt van de gemeente of het UWV; of d. op peildatum geen volledige arbeidsplicht heeft voor minimaal 6 maanden; of e. volgens persoonlijke omstandigheden geen uitzicht heeft op verbetering van het inkomen.

5.6

Armoede

Er wordt bij een aanvraag voor een voorziening uit deze paragraaf geen rekening gehouden met toegepaste verlagingen van de bijstand als gevolg van het niet hebben van woonlasten.

5.6.1 Kindpakket 5.6.1.1 Sport, cultuur en diplomazwemmen Gemeentewet | Verordening 1. Een ouder kan voor zijn/haar kind van 0 tot 18 jaar een voorziening aanvragen voor: a. deelname aan sportieve activiteiten van maximaal € 250,- per jaar; of b. culturele activiteiten van maximaal € 450,- per jaar. Deze voorziening wordt één keer per 12 maanden (sport/cultuur/) verstrekt. Bij zwemles zonder diplomagarantie in het buitenbad is het toegestaan om binnen 12 maanden ook een voorziening voor sport of cultuur aan te vragen. 2. Een ouder kan voor zijn/haar kind van 4 tot 18 jaar een voorziening aanvragen voor deelname aan zwemles (diplomazwemmen). Het diplomazwemmen bestaat uit: a. zwemlessen met een diploma A-B-C garantie volgens het zwem A-B-C; of b. zwemlessen met een diploma A garantie volgens het zwem A-B-C. Dit kan worden uitgebreid naar een diploma B-C garantie; of c. zwemlessen zonder diploma A-B-C garantie. Deze voorziening wordt één keer per 24 maanden (zwemles met diplomagarantie) verstrekt. De ouder of verzorgende betaalt zelf de kosten van inschrijving en het diploma. 3. Het Jeugdfonds Sport & Cultuur voert de voorzieningen uit. Via een tussenpersoon kan een ouder elk moment een aanvraag indienen bij het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Het Jeugdfonds Sport & Cultuur beoordeelt de aanvraag.

5.6.1.2 Schoolkosten en computer Gemeentewet | Verordening 1. Een ouder kan voor zijn/haar kind van 0 tot 18 jaar één keer per jaar een kindpas aanvragen. Een kindpas is een betaalpas waarmee onder andere kleding, jassen, schoenen en leesboekjes kan worden gekocht. Deze pas kan ieder jaar van 1 januari tot en met 31 oktober worden aangevraagd en kan worden besteed van 1 januari tot en met 31 december. 2. Een ouder kan voor zijn/haar kind van 4 tot 18 jaar in het basis- of voortgezet onderwijs voorzieningen aanvragen voor:

17

a. schoolspullenpas. De Schoolspullenpas is een betaalpas waarmee schoolspullen zoals schriften, pennen, etuis, tassen en rekenmachines kunnen worden gekocht. Deze pas kan ieder schooljaar worden aangevraagd van 1 januari tot en met 31 oktober en kan worden besteed van 1 januari tot en met 31 december. De bijdrage is € 25,- het basisonderwijs, € 150,- voor de brugklas en € 75,- voor de overige jaren in het voortgezet onderwijs; b. fiets met een eigen bijdrage van € 10,- of € 50,- bij een fiets met versnellingen (1x per 5 jaar); c. computer voor het gezin met kinderen vanaf 7 jaar (1x per 3 jaar); d. laptop voor een kind op het voortgezet onderwijs met eigen bijdrage van € 50,- (1x per 3 jaar); e. grafische rekenmachine voortgezet onderwijs (eenmalig € 75,-). Dit bedrag wordt op de Schoolspullenpas gezet. 3. Stichting Leergeld voert de voorzieningen uit. Een ouder kan zelf of met hulp van een tussenpersoon een aanvraag indienen bij Stichting Leergeld. Stichting Leergeld beoordeelt de aanvraag.

5.6.1.3 Baby- en kindpakket Gemeentewet | Verordening 1. Een (aanstaande) ouder kan voor zijn/haar kind twee pakketten aanvragen, namelijk: a. één babystartpakket voor de geboorte van een baby. Het babypakket bestaat onder andere uit kleding in de maten 50/56 en 62/68. Dit pakket kan worden aangevraagd tijdens de zwangerschap. b. één kindpakket (dreumes). Het vervolgpakket bestaat onder andere uit kleding in de maten 74/80 en 86/92. Dit pakket kan worden aangevraagd wanneer het kind kledingmaat 62/68 heeft. 2. Stichting Babyspullen voert deze voorziening uit. Een ouder kan via een tussenpersoon of Stichting Leergeld een aanvraag indienen bij Stichting Babyspullen. De tussenpersoon beoordeelt de aanvraag.

5.6.2 Meedoenregeling Gemeentewet | Verordening 1. Een inwoner, zoals beschreven in artikel 5.3.2.1 van de verordening, kan eens in de 12 maanden een bijdrage aanvragen van € 300,- per persoon. 2. De Meedoenregeling wordt toegekend per peildatum. 3. Inwoners die eerder de regeling Participatie en Werk of Maatschappelijke deelname voor ouderen hebben ontvangen, kunnen 12 maanden na de laatste toekenningsdatum de Meedoenregeling aanvragen (overgangsregeling).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=775f1fbf-2615-409a-8892-7ffc49b41309