CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

1.111 RIB Intrekking Bopa-beleid 2024 en vaststelling Bopa-beleid 2025

Raadsvergadering 15 juli 2025, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: Informatie van het college25.439 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De breedte van de dakkapellen samen is maximaal 2/3 van de breedte van het dakvlak gemeten tussen het hart van de woningscheidende bouwmuren of de buitenzijde van de gevels. Op het achterdakvlak geldt in afwijking van het vorenstaande: a. De zijkanten van een dakkapel zijn meer dan 0,80 meter uit het hart van de scheidende bouwmuur of vanaf de buitenzijde van de gevel; b. De hoogte van een dakkapel is maximaal 1,75 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim; c. Bij een tussengebouw over de volledige breedte van het dakvlak mogelijk, mits de plaatsing en maatvoering aansluiten op de al aanwezige dakkappelen. Dakopbouwen Aan een dakopbouw aan het hoofdgebouw kan medewerking

worden verleend. Hierbij zijn de volgende richtlijnen van toepassing: 1. De hoofdvorm van de woning herkenbaar blijft; 2. Indien gelegen in het zij-erf, dient deze ondergeschikt te zijn en dezelfde dakhelling van de hoofdwoning te hebben; 3. In het achtererf kan een dakopbouw alleen gerealiseerd worden op de vergunningsvrije aanbouw. Voor een dakopbouw op hoofdgebouw geldt de richtlijn dat medewerking verleend kan worden.

2.2.5 Antenne-installaties (Bijlage II Bor, artikel 4, vijfde lid) 5.

Een antenneinstallatie, mits

Maximale hoogte 40 meter;

Wanneer er argumenten zijn om wél medewerking te verlenen, bijvoorbeeld om het optimale dekkingsniveau van de kernen te kunnen garanderen of om ‘blind-spots’ (alsnog) te voorzien van optimale mobiele dekking, dat wordt op basis van maatwerk beoordeeld. Bij de belangenafweging worden bij de Beoordeling van de geschiktheid van de locatie alle relevante omgevingsfactoren betrokken. (Zie algemene afwegingscriteria) Richtlijn is dat solitaire masten met een antenne-installatie niet worden toegestaan.

2.2.6 Installaties bij glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling (Bijlage II Bor, artikel 4, zesde lid) 6.

Een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998

Geen nadere voorwaarden.

2.2.7 Installaties bij agrarische bedrijven voor duurzame energie (Bijlage II Bor, artikel 4, zevende lid) 7.

Installaties bij agrarische bedrijven Waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen.

In het kader van de Gebiedsovereenkomst Veenweiden worden innovaties bij agrarische bedrijven gestimuleerd Nadere voorwaarden: a) Positief advies van de agrarische beoordelingscommissie; b) Positief advies van de Omgevingsdienst MiddenHolland; Richtlijn: Maximale bouwhoogte 15 meter.

2.2.8 Gebruik van gronden voor niet-ingrijpende herinrichting openbaar gebied (Bijlage II Bor, artikel 4, achtste lid) 8.

Het gebruiken van gronden voor een niet ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied.

Geen nadere voorwaarden.

2.2.9 Gebruik van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten (Bijlage II Bor, artikel 4, negende lid) 9.

Het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend

-

Niet worden toegestaan: -

Wijziging van het gebruik ten behoeve van een prostitutiebedrijf, seksinrichting, escortbedrijf

betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

en/of sekswinkel; Vestiging van nieuwe horecagelegenheden buiten de kernwinkelgebieden; - Vestiging van nieuwe detailhandelsvestigingen buiten de kernwinkelgebieden. Aanvullende aandachtspunten op de algemene afwegingscriteria: -

Mer-beoordelingsplicht; kolom 1 Besluit mer; Wet geluidhinder, artikel 76a en 110c (o.a. Besluit hogere waarden); Ladder voor duurzame verstedelijking; Provinciaal beleid;

2.2.10 Gebruik recreatiewoning voor bewoning (Bijlage II Bor, artikel 4, tiende lid) 10.

Het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning,

a. De recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen; b. De bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet Milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden; c. De bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en d. De bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;

Richtlijn is dat aan het permanent bewonen van recreatiewoningen geen medewerking wordt verleend.

2.2.11 Tijdelijk ander gebruik van gronden of bouwwerken (Bijlage II Bor, artikel 4, elfde lid) 11.

Ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10 van Bijlage II, artikel 4 Bor, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Met de initiatiefnemer dient een overeenkomst gesloten te worden waarin duidelijke afspraken worden gemaakt over het tijdstip van beëindiging van de tijdelijke afwijking.

3. Kostenverhaal 3.1 Planschade Indien voor de uitvoering van een (bouw)plan een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk is, kan de gemeente een planschadeovereenkomst eisen. Per geval zal worden bekeken of een planschadeovereenkomst gesloten dient te worden tussen initiatiefnemer en de gemeente. Dit naar oordeel van de vergunningverlener. Alleen indien evident is dat geen sprake is van planschade kan worden afgezien van de planschadeovereenkomst. De eventuele planschadekosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Indien de initiatiefnemer niet tijdig besluit tot aangaan van de planschadeovereenkomst is het plan economisch niet uitvoerbaar. Dit is een reden om de aanvraag voor een omgevingsvergunning te weigeren.

3.2 Anterieure overeenkomst Indien voor de uitvoering van een (bouw)plan een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk is, dient op basis van de Wet ruimtelijke ordening in voorkomende gevallen een anterieure overeenkomst gesloten te worden, Indien de financiële uitvoerbaarheid niet zeker gesteld kan worden, is de haalbaarheid van het plan onzeker. Dit is een reden om een aanvraag voor een omgevingsvergunning te weigeren.

Hoofdstuk 3 Nieuwe woningen buitengebied Krimpenerwaard 1. Aanleiding en achtergrond Op grond van de geldende bestemmingsplannen is het in de meeste gevallen niet toegestaan extra woningen in het buitengebied te bouwen. Door de krapte op de woningmarkt wordt de gemeente echter steeds vaker geconfronteerd met verzoeken om dat juist wel toe te staan. Aan de gemeenteraad wordt dan gevraagd om het bestemmingsplan te wijzigen, zodat de bouw van een extra woning of de bouw van meerdere woningen wél mogelijk wordt. In 2022 heeft de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders verzocht om beleidsregels op te stellen waaraan verzoeken voor het bouwen van extra woningen getoetst kunnen worden. Daarbij is ook gevraagd om de mogelijkheden voor het bouwen van extra woningen te verruimen zonder dat dit ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit. Het uitsluiten van de bouw van extra woningen in het buitengebied komt doordat de provincie ZuidHolland jarenlang zeer terughoudend beleid hanteerde. Buiten de zogenoemde “rode contouren”, die om de kernen waren getrokken, kon alleen medewerking worden verleend aan de bouw van nieuwe woningen in het kader van de zogenaamde ruimte-voor-ruimte regeling. De ruimte-voor-ruimte regeling gaat uit van de volgende uitgangspunten: -

in ruil voor sloop van 1.000 m2 aan voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing mag een nieuwe woning worden teruggebouwd.

-

alle niet karakteristieke bedrijfsbebouwing moet gesloopt worden.

-

Het aantal compensatiewoningen bedraagt maximaal 3.

-

Sloop van bebouwing op andere percelen is toegestaan om aan voldoende sloopoppervlakte te komen.

De oppervlakte van 1.000 m2 moest op grond van de provinciale verordening verplicht in de bestemmingsplannen voor het buitengebied worden overgenomen. Daarom staat die oppervlakte op dit moment nog steeds in de meeste bestemmingsplannen buitengebied vermeld. De provincie heeft inmiddels in haar Verordening Ruimte de 1.000 m2 losgelaten. Zij sturen nu vooral op het borgen en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente krijgt hier zelf ruimte om de afweging te maken onder de volgende randvoorwaarden die de provincie stelt: -

De ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit;

-

Past bij de aard en schaal van het gebied;

-

Er wordt rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft;

-

Om te waarborgen dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk blijft kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen. Deze aanvullende maatregelen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit een combinatie van; o o

duurzame sanering van bestaande bebouwing; het wegnemen van verharding;

o o

het toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen (boomgaard herstellen, sloten teruggraven, verloren gegane geriefbosjes terugplanten etc.) het treffen van andere maatregelen die de ruimtelijke kwaliteit op de locatie verbetert.

2. Doel van deze beleidsregels Het doel van deze beleidsregels is het vaststellen van een beoordelingskader voor initiatieven die betrekking hebben op het bouwen of toevoegen van extra woningen in het buitengebied, voor zover deze initiatieven niet passen binnen de beoordelingscriteria voor ruimte-voor-ruimte woningen in de geldende bestemmingsplannen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de beleidsvrijheid die door de provincie aan de gemeente gegeven wordt. Bij de beoordeling van initiatieven voor het bouwen van extra woningen of het toevoegen van extra woningen in bestaande bebouwing levert de gemeente maatwerk. De eis met betrekking tot het slopen van 1.000 m2 is de afgelopen jaren steeds meer losgelaten, maar diende nog steeds wel als leidraad. Het gesprek moet echter niet gaan over vierkante meters maar over het borgen en versterken van ruimtelijke kwaliteit, binnen door de gemeenteraad vastgestelde kaders. Die kaders worden neergelegd in deze beleidsnotitie. Initiatieven voor het toevoegen van extra woningen in het buitengebied worden getoetst aan de beleidsregels in deze notitie. Wanneer een initiatief passend wordt geacht dan wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen om het initiatief mogelijk te maken of wordt een uitgebreide procedure toegepast in het kader van een aanvraag omgevingsvergunning voor het betreffende initiatief.

In beide gevallen is de raad betrokken, of door het uiteindelijk vaststellen van het bestemmingsplan, of door het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen. Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, per 1 januari 2024, worden deze beleidsregels onderdeel van het beleid buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de BOPA, totdat ze zijn opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

3. Afbakening Deze beleidsregels gaan over het toevoegen van nieuwe woningen buiten Bestaand Stads- en Dorpsgebied (BSD) 11 van de bestaande 11 kernen van de Krimpenerwaard, het zogenaamde buitengebied. Van het toevoegen van extra woningen zal in de meeste gevallen sprake zijn in de linten; de veenlinten, de polderlinten en de dijklinten.

4. Bestaande wet- en regelgeving De grondslag voor deze beleidsregels woningen buitengebied Krimpenerwaard ligt in de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Wabo en de Bor. De beleidsregels moeten worden gelezen in samenhang met de regelgeving over het bouwen en/of toevoegen van extra woningen in het buitengebied in de geldende bestemmingsplannen landelijk gebied, de nota ruimtelijke kwaliteit, de provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland en de daaraan gekoppelde provinciale kwaliteitskaarten en het gebiedsprofiel Krimpenerwaard. Bij de afweging van belangen wordt ook gekeken naar het

1 Buiten bestaand stads- en dorpsgebied, bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening;

inspiratiedocument Krimpenerwaards Kookboek dat gaat over het toevoegen van ruimtelijke kwaliteit. Zie bijlage I.

5. Begripsbepalingen In het kader van deze beleidsnotitie worden de volgende begripsbepalingen gehanteerd. Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (bij invoering Omgevingswet per 1 januari 2024 Adviescommissie omgevingskwaliteit)

-

De commissie die is aangewezen door de gemeenteraad om te adviseren over ruimtelijke kwaliteit in zijn algemeenheid en over de vraag of een bouwinitiatief voldoet aan de redelijke eisen van welstand in het bijzonder.

Bestaande bebouwing

-

Bebouwing die rechtmatig met een bouw-/omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is opgericht en is verleend voor 1 januari 2015, of bebouwing die aantoonbaar voor 1 januari 2005 is opgericht. Bijzondere woonvormen Onder (bijzondere) woonconcepten verstaan we onder andere woonfuncties voor senioren (60+) of voor mensen die op enigerlei wijze zorg nodig hebben. Het gaat dan vooral om woonfuncties die de commerciële sector nalaat te bouwen. Voorbeelden:

-

-

een Knarrenhof® of soortgelijk landelijk erkend woonconcept;

-

kangoeroe-woning;

-

“Familie Vrienden Erf” ( jongeren en ouderen) kijken naar elkaar om;

-

woonvorm voor dementerende ouderen;

-

tiny houses;

-

microwoningen.

Bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.

-

Buitengebied

Het hele gebied buiten de contouren van Bestaand Stads- en Dorpsgebied (BSD).

Erfinrichtingstekening

-

Een inrichtingstekening waaruit blijkt hoe de nieuwe ontwikkeling op een streekeigen wijze wordt ingepast in de omgeving waarbij aandacht wordt besteed aan a

de landschappelijke inpassing

b

de locatie van de nieuwe bebouwing

c

de overige erfinrichting

d

de wijze waarop rekening is gehouden met de aanwezige beschermde flora en fauna

- Karakteristiek Een woning, een boerderij, of een schuur/berging bij die woning of boerderij die op de planverbeelding van het geldende bestemmingsplan de aanduiding karakteristiek heeft of voorkomt in de cultuurhistorische inventarisatie Krimpenerwaard, dan wel op basis van een door een deskundig adviesbureau opgestelde rapportage als karakteristiek/cultuurhistorisch waardevol wordt aangemerkt. - Landschappelijke inpassing Bij een landschappelijke inpassing gaat het om het inpassen van een gebouw of een gebruik in het landschap. Bij een goede inpassing wordt rekening gehouden met de typische kenmerken en kwaliteiten van het landschap door middel van de architectuur van het gebouw en/of de aanplant van streekeigen beplanting (zie ook bijlage I). -

Monumentaal

Een door de gemeenteraad aangewezen gemeentelijk monument of een door het Rijk aangewezen rijksmonument.

-

Ruimte-voor-ruimte woning

Een nieuwe woning die mag worden gebouwd in ruil voor sloop van een substantiële oppervlakte aan voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing. -

Splitsing

Het opsplitsen van (voormalige) agrarische woonboerderijen (inclusief ‘de deel’) en overige woningen in twee of meerdere wooneenheden

-

Voormalige agrarische opstallen Opstallen die rechtmatig, met een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, gebouwd zijn en dienste hebben gestaan van een (volwaardig) agrarisch bedrijf.

-

Waardevol lint

Een Tiendweg, een polderweg, of een dijk waaraan bebouwing ligt die als geheel kan worden aangemerkt als een sterke identiteitsdrager

6. Uitwerking beleidsregels

6.1

Nieuwbouw na sloop

6.1.1. In ruil voor sloop van tenminste 1000 m2 aan legale bestaande -niet karakteristieke- schuren of (voormalige) agrarische opstallen op eigen bouwperceel kan een nieuwe woning worden teruggebouwd. De voorwaarden genoemd onder 6.1.3 zijn van toepassing. 6.1.2. Van hetgeen genoemd onder a kan worden afgeweken, waarbij de ondergrens van de te slopen oppervlakte aan bebouwing op eigen bouwbouwperceel 600 m2 is of bij de bouw van twee of drie woningen respectievelijk 1.600 m2 en 2.600 m2. De voorwaarden onder 6.1.3 zijn van toepassing, waarbij de voorwaarde onder 6.1.3, onder 2, zwaarder weegt dan wanneer er 1.000 m2 of meer gesloopt wordt. 6.1.3. Nieuwbouw is mogelijk onder de volgende voorwaarden: 1. Het aantal nieuw te bouwen woningen is maximaal drie; 2. Er moet sprake zijn van een combinatie van maatregelen die de ruimtelijke kwaliteit op het bouwperceel verbeteren dan wel de ruimtelijke uitstraling naar de omgeving toe ten goede komen (zie bijlage I); 3. Uitgangspunt is dat alle (niet karakteristieke) erfbebouwing/voormalige agrarische bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt; 4. De woningen worden in de eerste lijn gebouwd, dus direct aansluitend aan de weg. Bij wijze van uitzondering is de bouw van woningen in de tweede lijn mogelijk.

Er worden in dat geval extra eisen gesteld aan de positionering en vormgeving van die woning(en) al dan niet in combinatie met een verantwoorde landschappelijke inpassing; 5. De nieuw te bouwen woning(en) heeft een inhoud van maximaal 800 m3. Als er meer dan 1.000 m2 wordt gesloopt, dan mag de oppervlakte boven de 1.000 m2 worden omgezet naar extra m3 voor de nieuw te bouwen woning. Daarbij wordt de volgende berekening gemaakt: per m2 aan extra gesloopte bebouwing boven de 1000 m2 geldt dat de maximale inhoud van de woning met 0,75 m3 mag worden verhoogd, waarbij de woning uiteindelijk een maximum inhoud van 1.000 m3 mag hebben (de 10% regeling als binnenplanse vrijstelling is in alle gevallen uitgesloten); 6. De nieuw te bouwen woning(en) moeten op de locatie worden teruggebouwd waar gesloopt wordt. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken.

6.2

Toevoeging van extra woningen in bestaande opstallen en splitsing

6.2.1 Splitsing en verdere opdeling van (voormalige) agrarische woonboerderijen (inclusief ‘de Deel’) en overige woningen is toegestaan onder de voorwaarde dat de woningen voldoen aan de minimale eisen uit het Bouwbesluit (en onder de Omgevingswet het BBL). 6.2.2 Toevoeging van één extra woning per monumentale of karakteristieke schuur/bijgebouw is toegestaan onder de volgende voorwaarden: -

Andere aanwezige schuren/bijgebouwen op het bouwperceel worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk bij de nieuw te realiseren woning;

-

In sommige gevallen is het gewenst om de schuur waar de nieuwe woning in wordt gerealiseerd planologisch te koppelen aan de bestaande woning (bijvoorbeeld familie-erven). In dat geval levert de woning in de schuur niet per se een woonfunctie met een bouwtitel voor een nieuwe woning op. Bij het toevoegen van een woning kan het ook gaan om tijdelijke voorzieningen zoals (pre-) mantelzorgwoningen.

6.2.3 Het realiseren van meer, al dan niet zelfstandige, wooneenheden in karakteristieke en niet karakteristieke opstallen is bespreekbaar als het gaat om bijzondere en onderscheidende woonvormen of woonconcepten, voor zover die een (belangrijke) bijdrage kunnen leveren aan het behalen van strategische doelen uit de Omgevingsvisie.

6.3

6.3.1

Realisatie van bijzondere woonvormen

De realisatie van bijzondere woonvormen is mogelijk binnen de voorwaarden zoals genoemd in de artikelen 6.1 en 6.2. 6.3.2 Van hetgeen genoemd onder 6.3.1 kan in overleg met de gemeente worden afgeweken als het gaat om bijzondere en onderscheidende woonvormen of woonconcepten, voor zover die een (belangrijke) bijdrage kunnen leveren aan het behalen van strategische doelen uit de Omgevingsvisie.

6.4

Bouwen van extra woningen

6.4.1 In afwijking van hetgeen bepaald in de voorgaande bepalingen is het bouwen van meerdere extra woningen bespreekbaar indien de locatie direct grenst aan, of direct aansluit bij, de dorpskernen of grotere bestaande bebouwingsclusters onder voorwaarde dat sprake is van een goede landschappelijke en ruimtelijke inpassing (zie bijlage I) en het aantal woningen past binnen de kaders van de woonvisie. 6.4.2 In afwijking van hetgeen genoemd in 6.4.1 worden waardevolle linten en gebieden met een hogere (provinciale) beschermingscategorie (categorieën 1 en 2) in beginsel uitgesloten voor een dergelijke ontwikkeling.

6.5 Een combinatie van sloop, toevoeging in bestaande opstallen, splitsing en/of bijzondere woonvormen

6.5.1 In overleg met de gemeente is een combinatie van genoemde regelingen, binnen de genoemde voorwaarden, bespreekbaar.

6.6

Aanvullende regels

6.6.1 In alle gevallen mag geen onevenredige afbreuk gedaan worden aan: a. Het straat- en bebouwingsbeeld; b. De cultuurhistorische waarden; c. De landschappelijke- en natuurlijke waarden; d. De verkeersveiligheid; e. De milieusituatie; f.

De gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

g. De doelmatige inzameling van huishoudelijk afvalwater (riolering). 6.6.2 Voor alle locaties waar bebouwing gesloopt en/of toegevoegd wordt, wordt een erfinrichtingstekening gemaakt. Indien een bestemminsplanwijziging noodzakelijk is, wordt de erfinrichtingstekening hierin opgenomen. Op de erfinrichtingstekening moet in ieder geval worden weergegeven waar de auto’s geparkeerd worden en hoe de parkeerplaatsen landschappelijk worden ingepast. 6.6.3 Alle locaties waar bebouwing wordt gesloopt, krijgen een bestemming die herbouw van gesloopte bebouwing niet toestaat. Tevens wordt, indien van toepassing, de milieuvergunning ingetrokken of wordt afstand gedaan van de milieumelding. 6.6.4 Er wordt een privaatrechtelijke (anterieure) overeenkomst gesloten en indien nodig een planschadeovereenkomst / nadeelcompensatieovereenkomst afgesloten. 6.6.5 Er is sprake geweest van participatie: door initiatiefnemer is met direct omwonenden overleg gevoerd over de plannen. Een verslag van de participatie moet bij de aanvraag gevoegd worden en de resultaten daarvan aan de gemeente ter beschikking gesteld worden.

7. Toelichting Hieronder wordt op bepaalde onderdelen een nadere toelichting gegeven. Dit moet meegenomen worden bij de toetsing van initiatieven.

Ruimtelijke kwaliteit & landschappelijke inpassing In de voorwaarden wordt gesproken over ruimtelijk kwaliteit en landschappelijke inpassing. Ruimtelijke kwaliteit is volgens de toelichting op de Omgevingswet één van de kwaliteiten van de fysieke leefomgeving. Onder ruimtelijke kwaliteit wordt de onderling wederkerige verhouding tussen belevingswaarde, gebruikerswaarde en de toekomstwaarde bedoeld. Ruimtelijke kwaliteit is daarmee geen eenduidige eigenschap, maar een weging van waarden. Het afwegingsproces vergt, afhankelijke van de maatschappelijke wensen en opgaven, steeds maatwerk op meerder schaalniveaus. Dit betekent dat wij in alle gevallen samen met de initiatiefnemer kijken welke afspraken er gemaakt kunnen worden die de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse kunnen verbeteren. Denk aan het terug graven van in het verleden gedempte watergangen, het planten van een boomgaard of het toevoegen van andere streekeigen bomen en (erf)beplanting. Ook kan er ruimtelijke kwaliteitswinst worden gevonden in de architectuur van de nieuw te bouwen woning of het verwijderen van extra oppervlakte aan verharding. Naarmate er minder wordt gesloopt dan 1.000 m2 kunnen er extra voorwaardelijke-/kwalitatieve verplichtingen worden gekoppeld aan het ruimtelijke initiatief. Onder andere wordt daarbij gekeken naar het Kookboek Krimpenerwaard.

In Bijlage I staat een nadere uitwerking van hetgeen betrokken wordt bij de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing.

Woningsplitsing Door meer dan één extra woning na opsplitsing van een bestaande woning toe te staan, kunnen we het maximale potentieel van onze bestaande bouwvolumes benutten. Dit draagt bij aan een efficiënter ruimtegebruik en kan helpen om onze woonvoorraad te vergroten. Het is bekend dat er een groeiende behoefte is aan kleinere wooneenheden voor specifieke doelgroepen, zoals alleenstaanden, jongeren en starters. Deze wijziging zal ons in staat stellen om meer aan deze behoeften te voldoen. We erkennen de mogelijke neveneffecten, zoals extra druk op onze linten, ruimtebeslag voor parkeren en de capaciteit van riolering en infrastructuur. Daarom benadrukken de aanvullende regels dat hier geen onevenredige afbreuk aan mag worden gedaan.

Terugbouwen op een andere locatie dan waar gesloopt is Van het op een andere locatie bouwen van een woning dan op de locatie waar gesloopt wordt, is bijvoorbeeld sprake als de nieuwe woning in of direct aansluitend in/bij een zone hoogspanningsmast zou worden gebouwd of als die woning achter een Wetering zou komen, waar deze vanuit het oogpunt van stedenbouw eigenlijk niet gewenst is. Op de alternatieve locatie moeten de doorzichten naar het achterliggende open polderlandschap behouden blijven. 53

Realiseren woning in bestaande opstallen Wanneer sprake is van het realiseren van woningen in monumentale of karakteristieke schuren/bijbehorende bouwwerken is het doel dat andere aanwezige bijbehorende bouwwerken op het bouwperceel worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk bij de nieuw te realiseren woning. Hierdoor moet worden voorkomen dat er een extra bouwmogelijkheid van maximaal 150 m2 aan vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken kan worden gecreëerd. Dit geldt niet alleen voor de nieuwe woning maar ook voor de reeds bestaande woning. Waar mogelijk kan worden gekeken of vergunningsvrije bouwwerken kunnen worden uitgesloten door een specifieke bestemming ‘tuin met landschapswaarden of agrarisch met landschapswaarden’ toe te kennen. Dat met het oog op het borgen van bestaande of het creëren van doorzichten naar het achterliggende open polder landschap.

Eerste en tweedelijns woningen Uitgangspunt is het bouwen van een woning in de eerste lijn. Architecten kiezen bij tweedelijns woningen wat vormgeving betreft vaak voor zogenaamde ‘schuurwoningen’. Die refereren aan de oorspronkelijke agrarische gebiedsidentiteit. Schuurwoningen zijn woningen die gekenmerkt worden door hun sobere en eenduidige vorm. Vaak gaat het om langgerekte staafmodel-woningen zonder aan- of uitbouw en dakkapellen. Schuurwoningen hebben in de regel een flauwe kap en zijn wat kleurstelling betreft vaak terughoudend. Het gebruik van natuurlijke materialen, zoals donkere potdekseldelen, zorgt voor een natuurlijke en robuuste uitstraling. Andere type woningen in de tweede lijn zijn bespreekbaar, mits ontworpen met respect voor het karakter van het betreffende lint. Hierin wordt onder andere gekeken naar de aanbevelingen die worden gedaan in het Krimpenerwaards Kookboek, de nota ruimtelijke kwaliteit en de richtpunten van de provinciale kwaliteitskaarten en het gebiedsprofiel Krimpenerwaard.

Realisatie meerdere woningen Bij de bouw van meer dan 3 woningen ontstaat er feitelijk een woonerf of woonbuurtje dat soms leidt tot planologisch minder gewenste situaties. Hierbij kan gedacht worden aan verrommeling, aantrekken van extra verkeer en parkeerdruk (visueel aspect). Het toestaan van meer dan 3 woningen kan toch wenselijk zijn. Deze woningen vereisen een zeer zorgvuldige belangenafweging. Een positief advies vanuit de vakdisciplines volkshuisvesting en/of sociaal domein is daarbij een vereiste.

Erfinrichtingstekening In het erfinrichtingsplan wordt per locatie de situatie voor en de situatie na sloop en herontwikkeling weergegeven. Onder andere wordt aandacht besteed aan positionering en vormgeving van de nieuwe 54

bebouwing, landschappelijke inpassing van het nieuwe erf, parkeren en ontsluiting op de openbare weg en de aanwezige beschermde flora en fauna.

55

Hoofdstuk 4 kleine windmolens Leeswijzer voor aanvragers: Als u direct de planologische uitgangspunten en voorwaarden wilt raadplegen, kunt u door naar onderdeel 5. Vergeet niet dat de overige hoofdstukken maar met name hoofdstuk 6 ook zeer interessant voor u kunnen zijn en dat deze informatie kan bijdrage aan een volledige omgevingsvergunningaanvraag die vlot kan worden afgehandeld.

1. Aanleiding en achtergrond De afgelopen periode ziet de gemeente het aantal vragen over de plaatsing van kleine windmolens zowel bij agrariërs, bedrijven als particulieren toenemen. De gemeente Krimpenerwaard staat in principe positief tegenover de realisatie van kleinschalige duurzame energieopwekking. Ter voorkoming van ad-hoc beslissingen op dit vraagstuk is het wenselijk te beschikken over een integraal afwegingskader voordat een besluit kan worden genomen. Hiermee voorkomen we wildgroei en bieden we een mogelijkheid om de inpassing van windmolens in ons landschap te borgen. Om de druk op het landschap en de leefomgeving te beperken zet de gemeente eerst in op zonnepanelen op het dak. Dit sluit aan bij de in juli 2021 door de gemeenteraad vastgestelde Omgevingsvisie en de interne richtlijnen zoals het college heeft vastgesteld in april 2022. Er zijn echter tal van redenen op te noemen die ertoe leiden dat zonnepanelen op het dak niet toereikend zijn of überhaupt tot de mogelijkheden behoren. Dit beleid ziet op die gevallen waarin de energiebehoefte niet of niet alleen ingevuld kan worden door ‘zon op dak’ en geeft de beleidsuitgangspunten weer waarbinnen de gemeente ruimtelijk gezien medewerking wil en kan verlenen aan de realisatie van een kleine windmolen.

In 2015 is het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend door een groot aantal landen, waaronder Nederland. In Nederland is het Klimaatakkoord van Parijs uitgewerkt in het landelijke Klimaatakkoord en in de Klimaatwet. Het belangrijkste doel van het landelijke Klimaatakkoord is de CO2-uitstoot in 2030 met 49% verminderen vergeleken met 1990. In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Dit is nodig om de opwarming van de aarde niet verder te laten oplopen dan 1,5 ℃. Ook de gemeente Krimpenerwaard levert hier een bijdrage aan. Om onze klimaatdoelstellingen te behalen hebben we een goede mix van energiebronnen nodig. Ook de meer kleinschalige energieproductie draagt bij aan onze duurzaamheidsdoelstellingen en een bewuster energiegebruik bij initiatiefnemers.

De omgevingsvisie Zuid-Holland biedt ruimte om voor zover het past bij de lokale situatie – ter beoordeling van de gemeente - turbines met een ashoogte tot 45 meter binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied mogelijk te maken. De provincie kan wel een zienswijze indienen indien te weinig rekening is gehouden met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten.

56

Vanuit de Regionale Energiestrategie (RES) is eerder een voortraject gestart, waarin is gekeken naar de mogelijkheden voor zon op grote daken en zonnevelden binnen de Krimpenerwaard. De realisatie van kleine windmolens is een separate opgave. In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard is het volgende speerpunt opgenomen voor het duurzaam energie opwekken: We streven naar het duurzaam opwekken van de eigen energiebehoefte binnen de gemeentegrenzen. Een goede ruimtelijke inpassing en het mee-profiteren van de lokale samenleving zijn daarbij uitgangspunten. Dit wordt nader geconcretiseerd met: ‘ Lokaal energie opwekken waarbij we streven naar zoveel mogelijk maatschappelijk draagvlak en voordelen voor de samenleving van de Krimpenerwaard. Bijvoorbeeld door lokale energiecoöperaties; Ontwikkelingen en initiatieven die bijdragen aan lokale energieopwekking en/of aan energiebesparing faciliteren. Zowel bij particulieren, bedrijven als maatschappelijke organisaties: -

zoveel mogelijk dakoppervlak benutten voor zonnepanelen; kleinschalig energie opwekken op eigen erf. Denk hierbij aan kleine windmolens en een zonneveldje op het erf;’

Dit beleid betreft, zoals eerder genoemd, hiervan een verdere uitwerking.

2. Doel Met dit beleid heeft de gemeente een samenhangend afwegingskader voorhanden wat toegepast wordt bij indienen van een aanvraag voor plaatsing van een kleine windmolen. Het biedt initiatiefnemers en omwonenden duidelijkheid over de voorwaarden waarbinnen de gemeente kleine windmolens aanvaardbaar en wenselijk vindt. De procedure voor een omgevingsvergunning kan met behulp van dit beleid makkelijker doorlopen worden.

Zeker wanneer een initiatiefnemer vooroverleg voert met de gemeente. Enkele oudere Wro bestemmingsplannen in de voormalige gemeente Nederlek en Ouderkerk staan kleine windmolens toe. Alle overige bestemmingsplannen regelen niets over windmolens. Alle bestemmingsplannen van voor 1 januari 2024 zijn onderdeel van het tijdelijk Omgevingsplan geworden. Initiatieven worden hier nog steeds aan getoetst, totdat er een regeling in het definitieve Omgevingsplan wordt opgenomen. In dit BOPA-beleid legt het college vast in welke gevallen zij wil afwijken van het (tijdelijke) Omgevingsplan. De basis van dit beleid ligt in het besluit van de gemeenteraad van 31 januari 2023 waarin de raad een beleidsnotitie kleine windmolens heeft vastgesteld. Voor verwerking in dit BOPA-beleid is alleen – voor zover op het moment van schrijven duidelijk is - de juridische grondslag gewijzigd. Doel is om in ieder geval zo dicht mogelijk te blijven bij de op 31 januari 2023 vastgestelde beleidsnotitie kleine windmolens. 57

Het beleidskader geeft duidelijkheid over: -

waar plaatsing van kleine windmolens is toegestaan; welke eisen gesteld worden aan de windmolen(s) en de locatie(s); wat een initiatiefnemer moet (laten) onderzoeken voordat hij zijn aanvraag kan doen.

3. Definities en afbakening

Kleine windmolen Dit beleid gaat over de zogenoemde kleine windmolens, soms ook wel kleine windturbines genaamd. Deze worden gebruikt voor kleinschalige opwekking van elektriciteit achter de meter. Achter de meter betekent dat de opgewekte elektriciteit ter plekke wordt verbruikt, het eventuele (minimale) overschot wordt geleverd aan het openbare net.

Er worden verschillende termen gebruikt om windmolens en onderdelen van windmolens mee aan te duiden. Hieronder worden deze termen uiteengezet en wordt ingegaan op de twee hoofdtypen windmolens; molens met een horizontale as (HAT) en verticale as (VAT), soms ook windwokkels genaamd. Dit betreft zowel de grondgebonden als de dakgebonden varianten.

Windmolens zijn globaal opgebouwd uit vier onderdelen: fundering, mast, gondel en wieken. De ashoogte is de hoogte van de mast tot het middelpunt van de bladen. Dit wordt ook wel as-hoogte genoemd. De wiek wordt vaak als apart onderdeel van de molen aangeduid. De rotordiameter is de doorsnede van de volledige cirkel die de ronddraaiende wieken maken. In dit beleid gaan wij uit van de as-hoogte met een maximale hoogte van 15 meter. Dit omdat het provinciale beleid ook dit uitgangspunt hanteert.

Horizontale as (HAT-types)

58

Verticale as (VAT-types) Verticale as molens Bij verticale as molens (VAT types) staat de as loodrecht op de richting van de wind en de wieken of schoepen evenwijdig aan de as. VAT typen draaien niet met de windrichting mee en vangen de wind die loodrecht op de wieken komt. Deze worden ook wel windwokkels genoemd. We kennen de volgende types:

59

Dakgebonden Voor een kleine dakgebonden windmolen is de hoogte maximaal 3m vanaf bovenkant bouwwerk gemeten. Dit betreft bij alle types en in alle gevallen de afmeting gemeten vanaf de montagebasis (dakoppervlak) tot de bovenkant van de gondel (soms ook rotor genoemd).

Buiten bestaand stads- en dorpsgebied Het beleid van de provincie Zuid-Holland bepaalt dat ‘een omgevingsplan voor een gebied buiten het bestaand stads- en dorpsgebied kleinschalige windturbines met een as-hoogte tot 15 meter kan toelaten. We staan daarom alleen windmolens (zowel grondgebonden als dakgebonden) toe bij (agrarische) bedrijven en woningen buiten het bestaand stads- en dorpsgebied zoals bedoelt door de provincie. Uitgezonderd plaatsing van windmolen(s) bij een bedrijventerrein, maatschappelijke of sportbestemming binnen en buiten de bebouwde. Deze initiatieven zijn onder voorwaarden bespreekbaar.

De begrenzing van het ‘bestaand stads- en dorpsgebied' is opgenomen op een kaart: (https://staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/bestaand-stads-en-dorpsgebied).

-

Mocht deze begrenzing leiden tot onduidelijkheid dat kunnen als leidraad de volgende oude WRO bestemmingsplan meegenomen worden in de beoordeling: • Buitengebied 2011 Bergambacht + Buitengebied deelgebied Achterbroek: Ammerstol, Bergambacht en Berkenwoude • Landelijk gebied (voormalige gemeente Vlist): Haastrecht, Stolwijk en Vlist • Buitengebied: Schoonhoven • Buitengebied Ouderkerk aan den IJssel 2013 + IJsseldijk-Noord 2005: Ouderkerk aan den Ijssel •

Bestemmingsplan IJsseldijk-West

• Kattendijk + Middelblok: Gouderak • Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek): Lekkerkerk en Krimpen aan de Lek Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard (en de diverse deelgebieden) En alle postzegelplannen in het buiten gebied.

4. Bestaande wet- en regelgeving

60

Dit beleid bevat geen allesomvattende beschrijving van alle bestaande wet- en regelgeving en andere randvoorwaarden. Bovendien worden normen en richtlijnen regelmatig vernieuwd. Toch worden hier wel enige kaders benoemd, omdat deze impact hebben op de omgeving en inwoners. Het is de volledige verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om te zorgen voor een haalbaar en uitvoerbaar plan met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving en de hieronder genoemde richtlijnen en normen en passend binnen de in dit beleid genoemde voorwaarden. Enkele aandachtspunten uit wet- en regelgeving zijn: -

Externe veiligheid (voldoende afstand tot objecten en infrastructuur, denk aan hoogspanningsleidingen en gasleidingen); NEN-EN-IEC 61400-2 (richtlijn technisch ontwerp voor windturbines met een rotordiameter van maximaal 16 meter); Besluit bouwwerken leefomgeving (landelijke regels voor bouwwerken); Normen voor geluid en slagschaduw(Besluit kwaliteit leefomgeving en Bruidsschat Omgevingswet); Natuurbescherming (Flora en Fauna); Besluit activiteit leefomgeving;

Milieubelastende activiteit In paragraaf 4.30 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een windturbine aangewezen als een milieubelastende activiteit. Voor een klein windturbine geldt dat deze ten minste vier weken voor ingebruikname gemeld moet worden. In artikel 4.427 van het Bal staat welke gegevens met deze melding aangeleverd moeten worden.

Externe Veiligheid Windturbines zijn risicovolle objecten en kunnen effect hebben op de veiligheid van (zeer) kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties in de omgeving (dus gebouwen van derden). Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beschermt deze gebouwen en locaties via instructieregels: •

Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties, zoals woningen, geldt een grenswaarde voor plaatsgebonden risico van 10-6.

•

Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt een standaardwaarde voor plaatsgebonden risico van 10-5.

•

Er gelden geen vaste afstanden (risicocontour) tot (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties bij windturbines. De afstand moet berekend worden, dit blijkt uit bijlage VII van het Bkl.

•

Er gelden bij windturbines geen aandachtsgebieden.

(Zeer) kwetsbare gebouwen en locaties mogen niet binnen de risicocontouren van het plaatsgebonden risico liggen. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt in principe hetzelfde, maar bevoegd gezag kan hier gemotiveerd van afwijken. 61

Daarnaast gelden er beleidsregels om afstand te houden tot wegen, spoorwegen, vaarwegen en waterstaatswerken. In artikel 4.430 van het Bal staat dat het ontwerp van een kleine windturbine moet voldoen aan de NEN-EN-IEC 61400-2.

62

5. Uitwerking beleid

5.1 Algemene voorwaarden: a.

Het verdient de voorkeur om in de eigen energiebehoefte te voorzien door middel van zonnepanelen op het dak. De mogelijkheden hiertoe moeten zijn verkend.

b.

De windmolen is primair bedoeld om te voorzien in de eigen energiebehoefte;

c.

De windmolens mogen een maximale as-hoogte van 15 meter hebben, dan wel maximaal 3 meter hoog bij een dakgebonden2 windmolen;

d.

Windmolen(s) voldoen aan het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij een rotordiameter van meer dan 2 meter is een melding Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht en moet een akoestisch onderzoek en slagschaduwonderzoek aangeleverd worden;

e.

De windmolen(s) moeten zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het gebied. Indien het initiatief bestaat uit meer dan één windmolen dan dient een landschappelijk inpassingsplan te worden aangeleverd dat vooraf met de gemeente besproken wordt. Uitgangspunt is dat bij plaatsing van meerdere windmolens deze achter elkaar worden geplaatst in lijn met de hoofdrichting van de huidige bebouwing en het landschap of naast elkaar in lijn met de weg;

f.

De kleurstelling van de windmolen is ingetogen en afgestemd op het landschap. In zijn algemeenheid stellen we dat de windmolen geen onnatuurlijke kleur, maar een in de omgeving passende kleur moet hebben. Een (sobere) kleurstelling die erop gericht is om botsingen met vogels te vermijden geniet onze voorkeur. Er wordt geen gebruik gemaakt van reflecterende materialen. Bij plaatsing van een extra windmolen op een later tijdstip moet de inpasbaarheid in de omgeving opnieuw beoordeeld worden.

g.

De afstand van een windmolen tot: 1. gasinfrastructuur bedraagt niet minder dan 25 meter; 2. hoogspanningsinfrastructuur bedraagt niet minder dan de maximale werpafstand3 bij twee keer het nominaal toerental van de windmolen; 3. de gevel van de woningen van derden of een andere bestemming waar mensen permanent verblijven, niet zijnde een bedrijfswoning bedraagt niet minder dan vier maal de ashoogte van de windmolen;

2 Hieronder valt ook gevelgebonden. 3 De maximale afstand waarop een onderdeel van een windturbine bij falen terecht kan komen is de

maximale werpafstanden bij overtoeren. Indien sprake is van nabijheid van hoogspanningsinfrastructuur dient TenneT om advies gevraagd te worden.

63

h.

4. openbaar gebied is zodanig dat de wieken of de constructie van de windmolen niet overhangt boven openbaar gebied. Er is sprake geweest van participatie: door initiatiefnemer is met direct belanghebbenden overleg gevoerd over de plannen. Een verslag van de participatie moet bij de aanvraag gevoegd worden en de resultaten daarvan aan de gemeente ter beschikking gesteld worden;

i.

Er wordt met initiatiefnemer een planschade/nadeelcompensatieverhaalsovereenkomst afgesloten;

j.

Windmolens bij andere bestemmingen of locaties, behoudens die opgenomen onder 5.2, 5.3 en 5.4 zijn uitgesloten, met dien verstande dat plaatsing van windmolen(s) bij een maatschappelijke of sportbestemming4 binnen en buiten de bebouwde kom bespreekbaar is onder dezelfde voorwaarden als genoemd onder de in dit artikel genoemde voorwaarden en artikel 5.3;

k.

De plaatsing van een windmolen (zowel grondgebonden als dakgebonden) blijft altijd maatwerk. De gemeente Krimpenerwaard kan daarom in voorkomende situaties nadere eisen stellen aan de plaats, omvang, het gebruik en de landschappelijke inpassing van windmolens of besluiten de aanvraag te weigeren, ten behoeve van: o o o o o

o o l.

de bezonningssituatie; lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing; zichtlijnen of visuele hinder; het voorkomen van slagschaduw; risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten en gebieden zoals weidevogelgebieden, kroonjuweel, beschermde bomen, beschermde stads- en dorpsgezichten, molenbiotoop etc; de mogelijkheid tot voortzetting dan wel uitbreiding van een bestaand bedrijf; een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

Binnen één jaar nadat een kleinschalige windturbine definitief buiten gebruik is gesteld, deze bovengrondse constructie met de bijbehorende voorzieningen wordt verwijderd.

5.2 Plaatsing bij (agrarische) bedrijven buiten bestaand stads- en dorpsgebied Voor het plaatsen van een windmolen bij (agrarische) bedrijven gelden ten opzichte van 5.1 de volgende aanvullende voorwaarden: a. Plaatsing is alleen mogelijk bij (agrarische) bedrijven buiten bestaand stads- en dorpsgebied; b. In beginsel maximaal 1 windmolen per (agrarisch) bedrijf. Onder voorwaarden kan het plaatsen van maximaal 2 windmolens bespreekbaar zijn; c. Indien in een lintbebouwing al windmolen(s) zijn geplaatst, geldt dat de hiervoor gekozen locatie in een erfensemble mogelijk trendsettend is voor volgende aanvragen in het lint; d. Uitgangspunt is plaatsing van de windmolen binnen het bouwvlak. Pas indien aantoonbaar is dat dit niet tot de mogelijkheid behoort (ook bij het ontbreken van een bouwvlak) en er geen

4 Of hieraan gelijk te stellen bestemmingen.

64

zwaarwegende bezwaren zijn, kan overwogen worden de windmolen buiten het bouwvlak te plaatsen mits direct grenzend aan het bouwvlak en dit niet leidt tot aantasting van de landschappelijke waarden. Indien niet binnen het bouwvlak geplaatst, moet de windmolen binnen het bestemmingsvlak geplaatst worden met een afstand tot het ruimtelijk ensemble van maximaal de tiphoogte.

5.3 Plaatsing bij bedrijventerreinen Voor het plaatsen van een windmolen bij of op een bedrijventerrein gelden ten opzichte van 5.1 de volgende aanvullende voorwaarden: a. Plaatsing is alleen mogelijk op/bij het bedrijventerrein; b. In beginsel geldt een maximum van 1 windmolen per bedrijf. Onder voorwaarden kan het plaatsen van maximaal 2 windmolens bespreekbaar zijn. Hier zitten strengere voorwaarden aan voor wat betreft de landschappelijke inpassing; c. Op een bedrijventerrein geniet het de voorkeur dat meerdere bedrijven samen het initiatief nemen. In dat geval wordt het maximum aantal windmolens in overleg met de gemeente bepaald aan de hand van alle geldende voorwaarden en de inpasbaarheid. Een inpassingsplan is in dat geval een vereiste (zie ook de toelichting); d. Uitgangspunt is plaatsing van de windmolen op of direct grenzend aan het eigen bouwvlak. Een locatie aan de rand van het bestemmingsvlak bedrijventerrein is bespreekbaar.

5.4 Plaatsing bij woningen buiten bestaand stads- en dorpsgebied Voor het plaatsen van een windmolen bij een woning (niet zijnde een agrarische of bedrijfswoning) gelden ten opzichte van 5.1 de volgende aanvullende voorwaarden: a. Plaatsing is alleen mogelijk bij woningen buiten bestaand stads- en dorpsgebied b. Er geldt een maximum van 1 windmolen per woning; c. Een VAT windmolen tot 5 meter hoogte (totale hoogte) valt onder een bouwwerk geen gebouw zijnde; d. Uitgangspunt is plaatsing binnen het bouwvlak. Indien dit aantoonbaar niet tot de mogelijkheden behoort (ook bij het ontbreken van een bouwvlak) en er geen zwaarwegende bezwaren zijn, kan plaatsing op eigen terrein binnen het bestemmingsvlak wonen bespreekbaar zijn. Indien niet binnen het bouwvlak geplaatst, moet de windmolen binnen het bestemmingsvlak geplaatst worden met een afstand tot het ruimtelijk ensemble van maximaal de tiphoogte. e. Een gezamenlijk initiatief geniet de voorkeur; f. Bij een gezamenlijk initiatief dient een landschappelijk inpassingsplan bij de aanvraag gevoegd te zijn.

65

6. Toelichting

Zon en wind De gemeente zet eerst in op zonnepanelen op dak, om de druk op het landschap en de leefomgeving te beperken. Over het algemeen blijkt dat voor bedrijfsmatige percelen zon en wind beide nodig zijn om een gelijkmatige stroomproductie te leveren verdeeld over dag-nacht en zomer-winter, zodat optimaal in eigen stroom kan worden voorzien. Als sprake is van een aanvullende energiebehoefte voor eigen verbruik dient eerst te worden gekeken of hierin kan worden voorzien met zonne-energie. Wanneer het plaatsen van gebouwgebonden zonnepanelen niet mogelijk of wenselijk is (bijvoorbeeld doordat er een rieten dak is of aanpassing van de dakconstructie te veel kosten met zich meebrengt), om te kunnen voorzien in de energiebehoefte voor eigen gebruik, kan onder voorwaarden medewerking worden verleend aan het plaatsen van een windmolen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij agrarische bedrijven die ook in de nachtperiode vaak een groot energieverbruik hebben waarin dan niet kan worden voorzien met zonnepanelen alleen. Voor de realisatie van twee windmolens dient een inpassingsplan met de gemeente besproken te worden, alvorens een aanvraag wordt gedaan. De nadruk bij de beoordeling ligt op de noodzaak van een tweede windmolen en de landschappelijke inpassing.

Geluid en slagschaduw windmolens Voor het geluid geldt de normstelling uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hierin staat opgenomen: een geluidsbelasting op een gevoelig gebouw van hoogstens 47 Lden en 41 dB Lnight. Hierbij hoeft geen rekening te worden gehouden met de woning die op het perceel staat waar de windmolen op staat.

Windmolens met een rotordiameter van meer dan 2 meter vallen onder het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit betekent dat een melding Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht is en akoestisch en slagschaduwonderzoek moet worden aangeleverd waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de geldende normen.

Indien sprake is van een rotorblad van minder dan 2 meter moet ook aan de geluidsnormen van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De wetgever heeft alleen besloten dat de milieu impact van deze kleine windmolens zo gering is dat ze niet hoeven te worden gemeld. En dat het daarmee ook niet nodig is om een geluidsrapport op te laten stellen. De toegelaten geluidsbelastingen zijn in een rustige omgeving in de open lucht duidelijk merkbaar. Wij zijn ons ervan bewust dat de wetgever de mogelijkheid biedt om middels een maatwerkvoorschrift voor geluid een strengere eis te stellen voor de geluidsbelasting. Omdat wij het belang van windmolens inzien zullen wij terughoudend zijn in het stellen van strengere eisen. We hebben wel een afstandsnorm tot aangrenzende woningen opgenomen, zodat zij enige vorm van bescherming genieten.

66

Landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten De windmolen moet ingepast worden in de bestaande omgeving en passen bij de landschappelijke structuur. De inpassing bestaat uit de keuze voor de meest passende plek en grootte. Er dient rekening gehouden te worden met zichtlijnen in het landschap vanuit huizen, wegen, paden en monumentale gebouwen. De windmolen dient een onderdeel te vormen van het ruimtelijk ensemble van het erf. Bebouwing op het erf en windmolen vormen een ruimtelijke eenheid. Er moet voldoende aandacht besteed worden aan de inrichting en beplanting van het erf. De Erfgoedverordening en Erfgoednota en de Lijst rijks- en gemeentelijke monumenten moeten in acht worden genomen. Een windmolen dient daarom bij voorkeur geplaatst te worden binnen het (agrarische) bouwvlak. We kijken hierbij naar de plaatsing van de mast. De wieken kunnen dus overhangen bij een bepaalde windrichting. Op deze manier vormt de kleine windmolen een ruimtelijke eenheid met de bebouwing en kan deze niet verstrooid over het hele landschap geplaatst worden. De kleine windmolen dient bij voorkeur aan de achterzijde van het erf (achtererf) te worden geplaatst (ten opzichte van de openbare weg en erf entree) maar altijd achter het hoofdgebouw.

Pas indien aantoonbaar is dat realisatie binnen het bouwvlak niet mogelijk is (ook wanneer geen bouwvlak aanwezig is) is een locatie, verder onder dezelfde inpassingsvoorwaarden, bespreekbaar binnen het bestemmingsvlak met een afstand tot het ruimtelijk ensemble van maximaal de tiphoogte. Bij gebieden met een hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarde (vanwege de verkavelingsstructuur, monumentale lintbebouwing) kan de aanwezigheid van kleine windmolens mogelijk leiden tot een onevenredige aantasting van de bestaande landschappelijke-, cultuurhistorische- en natuurwaarden. Voor kleine windmolens in dit soort landschappen geldt dat extra aandacht voor de ruimtelijke inpassing nodig is.

Beschermingsgebieden: In de Provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn speciale beschermingsgebieden binnen Krimpenerwaard aangewezen die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), kroonjuweel cultureel erfgoed en belangrijk weidevogelgebied. Natuurnetwerk Nederland en kroonjuweel cultureel erfgoed vallen op grond van het provinciale omgevingsbeleid binnen beschermingscategorie 1. Belangrijke weidevogelgebied valt onder beschermingsgebied categorie 2. Bij ontwikkelingen zoals het plaatsen van kleine windmolens (zowel grondgebonden als dakgebonden) dient de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden behouden te blijven.

Cultuurhistorisch erfgoed: De gemeente Krimpenerwaard kent verschillende soorten cultuurhistorisch erfgoed die wettelijke bescherming genieten.

67

Kleine windmolens kunnen het zicht op Rijks- of gemeentelijke monumenten verstoren of ontsieren. Voor kleine windmolens (zowel grondgebonden als dakgebonden) op minder dan 100 meter afstand van een Rijks- of gemeentelijk monument is extra aandacht voor ruimtelijke inpassing een vereiste. In beschermd stads- of dorpsgezicht (in het buitengebied) geldt dat een positief advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit benodigd is.

Inpassingsplan Om de inpasbaarheid te beoordelen en voor een snelle behandeling van de omgevingsvergunningaanvraag raden wij aan in alle gevallen de aanvraag te voorzien van een landschappelijk inpassingsplan waarin overzichtelijk de volgende informatie is opgenomen: welke locatie, bouwvlak en bestemmingsvlak, bestaande bebouwing, verschillende mogelijkheden voor plaatsing, zichtlijnen, aanwezigheid monumenten, zicht vanaf tiendwegen, afstand tot woningen van derden, slootpatronen en groen structuren op het erf en in de directe omgeving, ondersteund met situatiefoto’s. Bij een gezamenlijk initiatief op een bedrijventerrein of meerdere woningen is een inpassingsplan noodzakelijk.

Windmolens bij bedrijventerreinen Ook op bedrijventerreinen zijn kleine grondgebonden windmolens kansrijk, omdat ze hier minder storend zijn in het straatbeeld en er doorgaans minder woningen aanwezig zijn die hinder van de molens kunnen ondervinden. Wel is maatwerk geboden voor de plaatsing van een kleine grondgebonden windmolen en een goede ruimtelijke inpassing is belangrijk. Zo is bijvoorbeeld een kleine windmolen op een bedrijventerrein aan de kant van een woonwijk minder wenselijk. Een gezamenlijk initiatief van bedrijven op een bedrijventerrein voor de plaatsing van een kleinschalige windmolen heeft de voorkeur, waarbij de opstelling van de windmolen(s) de ruimtelijke structuur van het bedrijventerrein versterkt of bijvoorbeeld de begrenzing van het bedrijventerrein markeert. Dit kan bijvoorbeeld georganiseerd worden door samen met andere ondernemers een Bedrijven Investeringszone op te richten. Plaatsing is altijd op of in de directe nabijheid (bijvoorbeeld groenstrook langs het bedrijventerrein).

Windmolens bij woningen in het landelijk gebied Wij zien zeker mogelijkheden voor windmolens bij woningen in het landelijk gebied. Gezien de hoge kosten die hiermee gemoeid zijn, zal in veel gevallen sprake moeten zijn van een gezamenlijk initiatief om dit rendabel te krijgen. Dit geniet dan ook de nadrukkelijke voorkeur. Als gemeente staan wij open het gesprek met initiatiefnemers hierover aan te gaan en samen naar de best passende mogelijkheden te zoeken. Vooroverleg is noodzakelijk om in gezamenlijkheid tot een inpasbaar plan te komen.

68

Draagvlak en participatie Initiatiefnemer heeft een inspanningsverplichting voor het creëren van draagvlak; dit dient aantoonbaar (en verifieerbaar) gemaakt te worden. De initiatiefnemer kan dit aantonen met (aan te leveren) verslagen van bijeenkomsten met direct belanghebbenden, door inzicht te geven in hoe het plan is verrijkt met hun inbreng en wensen en/of door middel van handtekeningen van direct belanghebbenden onder een verklaring van geen bezwaar.

Draagvlak moet gezocht worden, maar het betreft nadrukkelijk geen resultaatverplichting. Als er geen of onvoldoende draagvlak is, maar het initiatief voldoet wel aan alle randvoorwaarden, dan kan er alsnog medewerking worden verleend.

Overzicht aan te leveren aanvullende stukken bij de aanvraag omgevingsvergunning. Indien de stukken compleet aangeleverd worden kan de aanvraag sneller in behandeling genomen worden: -

Toelichting waaruit blijkt dat de windmolen noodzakelijk is om te voorzien in de eigen energie behoefte. (verbruik voorgaande jaren , opbrengst zonnepanelen, verwachte energie opbrengst windmolen); Indien van toepassing: toelichting waarom zonnepanelen niet aangebracht kunnen worden; Indien van toepassing: (landschappelijk) inpassingsplan (wij raden aan dit bij iedere aanvraag te voegen, zie toelichting hierboven); Indien van toepassing: akoestisch onderzoek en slagschaduwonderzoek; Indien van toepassing: natuurtoets; Indien van toepassing: stikstofberekening; Participatieverslag (toelichting of en hoe sprake is geweest van participatie); Nader te bepalen onderzoeken of certificeringen Onderbouwing externe veiligheid

Wij raden initiatiefnemers uitdrukkelijk aan om vooraf met de gemeente in overleg te treden.

69

Hoofdstuk 5 Horecabeleid buitengebied gemeente Krimpenerwaard 2020 Inleiding en doelstelling Doel beleidsregel Het doel van de beleidsregel Horecabeleid Buitengebied Krimpenerwaard is het scheppen van duidelijke ruimtelijke kaders voor het exploiteren van horeca in het buitengebied. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het bereiken van een goede balans tussen horeca als belangrijke economische en recreatieve/ontspannende functie enerzijds en het bewaken van de kwaliteiten van het buitengebied in de gemeente Krimpenerwaard anderzijds. Daarnaast wordt beoogd oneerlijke concurrentie tegen te gaan. De positieve aspecten van de horeca moeten zoveel mogelijk gestimuleerd worden en de negatieve aspecten moeten zo veel mogelijk voorkomen worden. Het uiteindelijke doel is het creëren van een aantrekkelijk verblijfsklimaat in het buitengebied voor zowel bewoners, (horeca)ondernemers en recreanten. De keuzes die in deze beleidsregel zijn gemaakt sluiten aan bij de wens extra ruimte te bieden aan ontwikkelingen in het buitengebied en tegelijkertijd het woon- en leefklimaat te beschermen. Hiervoor zijn in de beleidsregel aspecten genoemd die hierbij een rol spelen, zoals verkeer en het genoemde woon- en leefklimaat. Daarnaast zijn gebiedsindeling en een indeling van soorten horeca opgenomen, met name gericht op het behoud van het woon- en leefklimaat van de onderscheiden gebieden.

Het ligt in de bedoeling de beleidsregel te vertalen in een ruimtelijk plan: een paraplubestemmingsplan met een wijzigingsbevoegdheid voor het college.

Opzet De beleidsregel bestaat uit twee delen. Het eerste deel (hoofdstuk 2 en 3) omvat heldere regels die eenieder in staat stelt om een ruimtelijke afweging te kunnen maken of op bepaalde locaties wel of geen nieuwe horeca-activiteiten mogelijk zijn. Deze regels dienen enerzijds om horeca- initiatieven in het buitengebied objectief te kunnen beoordelen op ruimtelijke inpasbaarheid, zowel door initiatiefnemers als door plantoetsers; anderzijds als kader voor toezicht- en handhaving. Het tweede deel van dit beleid (hoofdstuk 4) heeft een informerend doel. De beoordeling of een initiatief al dan niet mogelijk is vindt niet alleen plaats op ruimtelijke gronden. Er geldt immers een groot aantal regels waaraan een initiatief respectievelijk de initiatiefnemer ook moet voldoen. In dit beleid wordt daarom ook aandacht besteed aan die aspecten, zodat een initiatiefnemer bij voorbaat de kansrijkheid van zijn/haar initiatief kan bepalen.

Huidige situatie De huidige horecamogelijkheden die opgenomen zijn in de bestemmingsplannen voor het buitengebied zijn gebaseerd op het beleid ‘Vernieuwend ondernemen’. Op basis van dit beleid is in (voormalige) agrarische bestemmingen als nevenactiviteit een theeschenkerij, tot een oppervlakte van 50 m² bvo, toegestaan. Bij omgevingsvergunning kan het college afwijken ten behoeve van het uitoefenen van ondergeschikte nevenactiviteiten in de bestaande bijgebouwen, naast de agrarische bedrijfsfunctie, waarbij onder andere de functies overige dagrecreatie, zoals bezoektuinen, tentoonstellingsruimte, 70

museum, educatie en voorlichting en commerciële dienstverlening, zoals verhuur van vergader- of workshopruimte, zijn toegestaan.

Afbakening toepassingsbereik De beleidsregel is, zoals gezegd, primair bedoeld om de ruimtelijke inpassing van (nieuwe) horecainitiatieven van een passend kader te voorzien. Of een horecabedrijf of –functie gevestigd kan worden op een locatie wordt bepaald door de planologische mogelijkheden (het bestemmingsplan). De beleidsregel biedt hiervoor geen grondslag; de beleidsregel geeft alleen antwoord op de vraag in hoeverre er kan worden meegewerkt met een nieuw initiatief, dan wel in hoeverre een bestaand horecabedrijf- of functie kan worden uitgebreid. In bestemmingsplannen wordt een integrale ruimtelijke afweging gemaakt van alle mogelijke en gewenste functies in een bepaald gebied. Dit houdt in dat het bestemmingsplan te allen tijde bepalend is of een horecabedrijf op bepaalde locaties bij recht wel of niet is toegestaan. Voorts kan een concreet initiatief met behulp van een omgevingsvergunning worden toegestaan: er wordt dan met behulp van een ‘kruimelontheffing’ of uitgebreide omgevingsvergunning van het bestemmingsplan afgeweken. Dit laatste betreft discretionaire bevoegdheden van B&W, zodat per geval een afweging moet worden gemaakt of met een initiatief wordt meegewerkt. Nadere invulling en regulering kan verder plaatsvinden. De beleidsregel Horecabeleid Buitengebied Krimpenerwaard zal de ruimtelijke kaders aangeven en als uitgangspunt c.q.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=58b037c6-6b1c-4593-83dd-e4ec871f4765