Bijlage 2 - Was - Wordt Financiële verordening (23 vs 26)
Tekst van het document
TEKST 2023
TEKST 2026
FINANCIËLE VERORDENING 2023 GEMEENTE KRIMPEN AAN DEN IJSSEL
FINANCIËLE VERORDENING 2026 GEMEENTE KRIMPEN AAN DEN IJSSEL
de verordening artikel 212 Gemeentewet op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede de regels voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Krimpen aan den IJssel.
de verordening artikel 212 Gemeentewet op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede de regels voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Krimpen aan den IJssel.
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 – Begripsbepaling
Artikel 1 - Begripsbepaling
In deze verordening wordt verstaan onder:
In deze verordening wordt verstaan onder:
1. Team Iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college van burgemeester en wethouders. 2. Administratie Onder administratie wordt verstaan het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. 3. Beleidsthema Onderdeel van een programma bestaande uit een aantal samenhangende activiteiten. 4. EMU saldo Het EMU-saldo is het verschil van inkomsten en uitgaven van de overheid. Inkomsten en uitgaven worden daarbij geboekt in het jaar dat economische waarde gecreëerd wordt of wanneer een recht dan wel verplichting ontstaat. Het is gelijk aan het vorderingensaldo van de sector overheid in de nationale rekeningen plus het rentevoordeel of -nadeel als gevolg van financiële derivaten (renteswaps). 5. Extracomptabel Verwerking van financiële gegevens buiten de boekhouding (het grootboek) om. Bij extracomptabele verwerking van gegevens worden deze niet in de boekhouding verwerkt maar op een andere manier. Bijvoorbeeld in afzonderlijke lijsten of in een spreadsheetprogramma. 6.
Financiële derivaten financiële instrumenten belichaamd in contracten waarin de voorwaarden zijn vastgelegd waartegen een transactie op een bepaald moment zal of kan plaatsvinden en waarvan de waarde afhankelijk is van één of meer onderliggende activa, referentieprijzen of indices. 7. Structureel evenwicht Structureel evenwicht betekent dat structurele lasten gedekt worden door structurele baten. De incidentele lasten mogen worden gedekt door structurele en door incidentele baten. De raad heeft de wettelijke taak een begroting vast te stellen die structureel en reëel in evenwicht is. De financieel toezichthouder heeft de wettelijke taak om te beoordelen of er sprake is van structureel en reëel evenwicht. 8. Reëel evenwicht Met reëel evenwicht wordt bedoeld dat de geraamde baten en lasten in de begroting en meerjarenraming volledig en realistisch zijn. De gemeente moet zich rekenschap geven van daadwerkelijk te verwachten groei of afname van baten en lasten.
1. Team Iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college van burgemeester en wethouders. 2. Administratie Onder administratie wordt verstaan het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. 3. Beleidsthema Onderdeel van een programma bestaande uit een aantal samenhangende activiteiten. 4. EMU saldo Het EMU-saldo is het verschil van inkomsten en uitgaven van de overheid. Inkomsten en uitgaven worden daarbij geboekt in het jaar dat economische waarde gecreëerd wordt of wanneer een recht dan wel verplichting ontstaat. Het is gelijk aan het vorderingensaldo van de sector overheid in de nationale rekeningen plus het rentevoordeel of -nadeel als gevolg van financiële derivaten (renteswaps). 5. Extracomptabel Verwerking van financiële gegevens buiten de boekhouding (het grootboek) om. Bij extracomptabele verwerking van gegevens worden deze niet in de boekhouding verwerkt maar op een andere manier. Bijvoorbeeld in afzonderlijke lijsten of in een spreadsheetprogramma. 6.
Financiële derivaten financiële instrumenten belichaamd in contracten waarin de voorwaarden zijn vastgelegd waartegen een transactie op een bepaald moment zal of kan plaatsvinden en waarvan de waarde afhankelijk is van één of meer onderliggende activa, referentieprijzen of indices. 7. Structureel evenwicht Structureel evenwicht betekent dat structurele lasten gedekt worden door structurele baten. De incidentele lasten mogen worden gedekt door structurele en door incidentele baten. De raad heeft de wettelijke taak een begroting vast te stellen die structureel en reëel in evenwicht is. De financieel toezichthouder heeft de wettelijke taak om te beoordelen of er sprake is van structureel en reëel evenwicht. 8. Reëel evenwicht Met reëel evenwicht wordt bedoeld dat de geraamde baten en lasten in de begroting en meerjarenraming volledig en realistisch zijn. De gemeente moet zich rekenschap geven van daadwerkelijk te verwachten groei of afname van baten en lasten. 9. Rechtmatigheid het overeenstemmen van de financiële beheerhandeling en de vastlegging daarvan met de vigerende wet- en regelgeving, zoals omschreven in het Besluit accountantscontrole decentrale overheden (Bado).
TEKST 2023
TEKST 2026
HOOFDSTUK 2: BEGROTING EN VERANTWOORDING
HOOFDSTUK 2: BEGROTING EN VERANTWOORDING
Artikel 2 – Programma-indeling
Artikel 2 – Programma-indeling
1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor de komende raadsperiode vast. 2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de beleidsthema’s per programma vast. 3. Ten behoeve van sturing en verantwoording wordt gebruik gemaakt van diverse gegevens: a. In beleidsdocumenten worden indicatoren opgenomen op basis waarvan de effectiviteit van het beleid kan worden gevolgd; b. In planning- en controldocumenten worden de verplichte beleidsindicatoren opgenomen, zoals bedoeld in artikel 25 lid 2a van het Besluit Begroting en Verantwoording; c. De raad kan indien gewenst voorstellen doen voor het opnemen van aanvullende indicatoren per programma in de planning- en controldocumenten. 4. Indien nodig legt het college eenmaal per jaar wijzigingsvoorstellen met betrekking tot programma-indeling en indicatoren aan de raad voor, uiterlijk in de laatste raadsvergadering voor de behandeling van de begroting.
1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling en de beleidsthema’s per programma vast. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de beleidsthema’s per programma vast. 2. Ten behoeve van sturing en verantwoording wordt gebruik gemaakt van diverse gegevens: a. In beleidsdocumenten worden indicatoren opgenomen op basis waarvan de effectiviteit van het beleid kan worden gevolgd; In planning- en controldocumenten worden de verplichte beleidsindicatoren opgenomen, zoals bedoeld in artikel 25 lid 2a van het Besluit Begroting en Verantwoording; b. De raad kan indien gewenst voorstellen doen voor het opnemen van aanvullende indicatoren per programma in de planning- en controldocumenten begroting en jaarrekening. 3. Indien nodig legt het college eenmaal per jaar wijzigingsvoorstellen met betrekking tot programma-indeling en indicatoren aan de raad voor, uiterlijk in de laatste raadsvergadering voor de behandeling van de begroting.
Artikel 3 – Inrichting begroting en jaarstukken
Artikel 3 – Inrichting begroting en jaarstukken
1. De programma's van de begroting zijn ingedeeld in beleidsthema's. 2. Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de lasten en baten per beleidsthema weergegeven en bij de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per beleidsthema weergegeven. 3. De begroting en de jaarstukken bevatten naast de verplichte paragrafen een paragraaf subsidies. 4. Bij de uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt van de nieuwe investeringen per programma en per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven. 5. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven. Tevens wordt aangegeven welke investeringen afgesloten kunnen worden. 6. De begroting en jaarstukken bevatten een overzicht van de resultaatbestemming per programma en per reserve. 7. In de jaarrekening worden verschillen op lasten en baten groter dan € 50.000 per beleidsthema toegelicht.
1. De programma's van de begroting zijn ingedeeld in beleidsthema's. 2. Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de lasten en baten per beleidsthema weergegeven en bij de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per beleidsthema weergegeven. 3. De begroting en de jaarstukken bevatten naast de verplichte paragrafen een paragraaf subsidies. 4. Bij de uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt van de nieuwe investeringen per programma en per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven. 5. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven. Tevens wordt aangegeven welke investeringen afgesloten kunnen worden. 6. De begroting en jaarstukken bevatten een overzicht van de resultaatbestemming per programma en per reserve. 7. In de jaarrekening worden verschillen op lasten en baten groter dan € 50.000 per beleidsthema toegelicht.
Artikel 4 – Kaderstelling
Artikel 4 – Kaderstelling
1. Het college biedt een kadernota aan de raad aan, waarin voorstellen worden gedaan voor beleid en financiële kaders voor de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze kadernota voor 15 juli vast. 2. In de begroting wordt een post onvoorzien van € 0 opgenomen.
1. Het college biedt een kadernota aan de raad aan, waarin voorstellen worden gedaan voor beleid en financiële kaders voor de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze kadernota voor 15 juli het zomerreces vast. 2. In de begroting wordt een post onvoorzien van € 0 opgenomen.
Artikel 5 – Begrotingsruimte
Artikel 5 – Begrotingsruimte
1. Binnen de begrotingsruimte wordt onderscheid gemaakt in incidentele en structurele baten en lasten. 2. Onder incidentele baten en lasten wordt ten minste verstaan - Baten en lasten met een maximale looptijd van 3 jaar - Afwikkeling van voorgaande jaren - Boekwinsten 3. Incidentele baten en lasten worden vanaf € 20.000 apart weergegeven. 4. Voor de in het overzicht van incidentele baten en lasten opgenomen posten is een toelichting vereist.
1. Binnen de begrotingsruimte wordt onderscheid gemaakt in incidentele en structurele baten en lasten. Onder incidentele baten of lasten wordt ten minste verstaan - Baten of lasten met een maximale looptijd van 3 jaar - Afwikkeling van voorgaande jaren - Boekwinsten 2. Incidentele baten en of lasten worden vanaf € 20.000 € 50.000 apart weergegeven. 3. Voor de in het overzicht van incidentele baten en lasten opgenomen posten is een toelichting vereist.
TEKST 2023
TEKST 2026
Artikel 6 – Autorisatie begroting en investeringskredieten
Artikel 6 – Autorisatie begroting en investeringskredieten
1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale lasten en de totale baten per beleidsthema en het overzicht algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien.
5. Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar die niet in de begroting zijn opgenomen, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel en een voorstel voor het autoriseren van een investeringskrediet aan de raad voor. In het voorstel wordt de dekking van de lasten aangegeven. Indien het een investering betreft groter dan € 1 miljoen informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente. 6. Uitgaven ten laste van voorzieningen, die in de begroting zijn opgenomen, worden geautoriseerd met het vaststellen van de begroting door de raad.
1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale lasten en baten per beleidsthema, overhead en het overzicht algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien voor het begrotingsjaar. 2. Het college is zonder voorafgaande toestemming van de raad bevoegd tot onder- en overschrijding van het afgesproken beleid budget binnen de beleidsthema’s, mits deze niet leiden tot overschrijding van het saldo de totale lasten of baten van het desbetreffende beleidsthema. 3. Het college biedt eenmaal per vier jaar, tenzij het college aangeeft dat de bestaande nota nog actueel en toereikend is, een notitie begrotingsafwijkingen ter vaststelling door de raad aan. In de nota zijn in ieder geval nadere regels voor over- en onderschrijdingen van de geautoriseerde bedragen opgenomen. 4. De nieuwe investeringen en nieuwe exploitatiebudgetten worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. Investeringen die het gevolg zijn van nieuw beleid en intensiveringen worden voorafgaand aan de uitvoering aan de raad voorgelegd. Dat geldt ook voor andere investeringen die geen vervanging of beheer van de openbare ruimte betreffen. In de begroting wordt een overzicht opgenomen waaruit blijkt voor welke investeringen een separaat raadsvoorstel wordt aangeboden. 5.
Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar die niet in de begroting zijn opgenomen, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel en een voorstel voor het autoriseren van een investeringskrediet aan de raad voor. In het voorstel wordt de dekking van de lasten aangegeven. Indien het een investering betreft groter dan € 1 miljoen informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente. 6. Uitgaven ten laste van voorzieningen, die in de begroting zijn opgenomen, worden geautoriseerd met het vaststellen van de begroting door de raad.
Artikel 7 – Begrotingswijzigingen
Artikel 7 – Begrotingswijzigingen
1. Het college kan de raad indien nodig voor iedere raadsvergadering een begrotingswijziging voorleggen. 2. Het college verzoekt de raad via integrale begrotingswijzigingen om aanpassing van de geautoriseerde begroting. In een begrotingswijziging wordt tevens het effect van de wijziging op het verwachte begrotingssaldo aangegeven. 3. Wijzigingen in lopende investeringen worden eveneens via begrotingswijziging aan de raad voorgelegd. 4. Beleidsaanpassingen worden inhoudelijk separaat aan de raad voorgelegd. De budgettaire verwerking vindt plaats via een integrale begrotingswijziging. 5. Iedere begrotingswijziging bevat een overzicht van de structurele begrotingsruimte.
1. Het college kan de raad indien nodig voor iedere raadsvergadering een begrotingswijziging voorleggen. 2. Het college verzoekt de raad via integrale begrotingswijzigingen om aanpassing van de geautoriseerde begroting. In een begrotingswijziging wordt tevens het effect van de wijziging op het verwachte begrotingssaldo aangegeven. 3. Inhoudelijke Beleidsaanpassingen worden inhoudelijk separaat aan de raad voorgelegd. De budgettaire verwerking vindt plaats via een integrale begrotingswijziging. 4. Wijzigingen in lopende investeringen worden eveneens via begrotingswijziging aan de raad voorgelegd. 5. Iedere begrotingswijziging bevat een overzicht van de structurele begrotingsruimte.
Artikel 8 – Informatieplicht
Artikel 8 – Informatieplicht
Het college gaat niet over tot: a. de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 2.500.000; b. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 1.000.000; en c. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
Het college gaat niet over tot: a. de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 2.500.000; b. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 1.000.000; en c. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
2. Het college is zonder voorafgaande toestemming van de raad bevoegd tot onder- en overschrijding van het afgesproken beleid binnen de beleidsthema’s, mits deze niet leiden tot overschrijding van het saldo van het desbetreffende beleidsthema. 3. Het college biedt eenmaal per vier jaar een notitie begrotingsafwijkingen ter vaststelling aan de raad aan. In de nota zijn in ieder geval nadere regels voor over- en onderschrijdingen van de geautoriseerde bedragen opgenomen. 4. De nieuwe investeringen en nieuwe exploitatiebudgetten worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.
TEKST 2023
TEKST 2026
Artikel 9 – Overheveling jaargebonden budgetten
Artikel 9 – Overheveling jaargebonden budgetten
1. Indien activiteiten, waarvoor de raad een jaargebonden budget beschikbaar heeft gesteld, niet of niet geheel in het boekjaar kunnen worden uitgevoerd, dan is onder de volgende voorwaarden, de mogelijkheid van overheveling naar het volgende boekjaar aanwezig. Een voorstel hiervoor wordt in de laatste raadsvergadering van het jaar door het college aan de raad voorgelegd als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. het betreft een (deel van een) budget op een programma, dat gerelateerd kan worden aan een activiteit, die niet in het boekjaar wordt uitgevoerd; b. er is op het budget voldoende ruimte aanwezig en in het nieuwe boekjaar is voor de betreffende activiteit geen budget beschikbaar; c. aangetoond is dat er omstandigheden zijn waardoor de uitvoering niet heeft kunnen plaatsvinden; d. aangetoond is dat de beleidsinhoudelijke noodzaak tot uitvoering nog steeds aanwezig is; e. het over te hevelen budget bedraagt minimaal € 10.000; f. de uitvoering van de activiteiten kan worden ingebed in de werkplanning van het nieuwe boekjaar, zodat de daadwerkelijke realisatie van de nog uit te voeren prestatie uiterlijk plaatsvindt voor de afronding van het nieuwe boekjaar; g. het voorstel tot overheveling bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de punten a. tot en met f. wordt voldaan. 2.
Er vindt bij de overheveling een beoordeling van het budget en de bijbehorende activiteiten plaats waaruit blijkt dat de uitvoering van de taken in het nieuwe boekjaar reëel is. Indien dit niet het geval is, wordt het budget verlaagd met het bedrag behorende bij de activiteiten die niet in het nieuwe boekjaar kunnen worden uitgevoerd. 3. In de jaarrekening wordt ten aanzien van de via overheveling beschikbaar gekomen budgetten een inhoudelijke toelichting opgenomen. 4. De overheveling verloopt via de bestemmingsreserve “nog uit te voeren werkzaamheden” tenzij een andere reserve als dekking heeft gediend, dan wordt de last en onttrekking een jaar opgeschoven.
1. Indien activiteiten, waarvoor de raad een jaargebonden budget beschikbaar heeft gesteld, niet of niet geheel in het boekjaar kunnen worden uitgevoerd, dan is onder de volgende voorwaarden, de mogelijkheid van overheveling naar het volgende boekjaar aanwezig. Een voorstel hiervoor wordt in de laatste raadsvergadering van het jaar door het college aan de raad voorgelegd als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. het betreft een (deel van een) budget op een programma, dat gerelateerd kan worden aan een activiteit, die niet in het boekjaar wordt uitgevoerd; b. er is op het budget voldoende ruimte aanwezig en in het nieuwe boekjaar is voor de betreffende activiteit geen budget beschikbaar; c. aangetoond is dat er omstandigheden zijn waardoor de uitvoering niet heeft kunnen plaatsvinden; d. aangetoond is dat de beleidsinhoudelijke noodzaak tot uitvoering nog steeds aanwezig is; e. het over te hevelen budget bedraagt minimaal € 10.000 € 25.000; f. de uitvoering van de activiteiten kan worden ingebed in de werkplanning van het nieuwe boekjaar, zodat de daadwerkelijke realisatie van de nog uit te voeren prestatie uiterlijk plaatsvindt voor de afronding van het nieuwe boekjaar; g. Het budget mag niet eerder overgeheveld zijn, tenzij de gemeenteraad dit apart heeft goedgekeurd; h. het voorstel tot overheveling bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de punten a.
tot en met f. g. wordt voldaan. 2. Er vindt bij de overheveling een beoordeling van het budget en de bijbehorende activiteiten plaats waaruit blijkt dat de uitvoering van de taken in het nieuwe boekjaar reëel is. Indien dit niet het geval is, wordt het budget verlaagd met het bedrag behorende bij de activiteiten die niet in het nieuwe boekjaar kunnen worden uitgevoerd. 3. In de jaarrekening wordt ten aanzien van de via overheveling beschikbaar gekomen budgetten een inhoudelijke toelichting opgenomen. 4. De overheveling verloopt via de bestemmingsreserve “nog uit te voeren werkzaamheden” tenzij een andere reserve als dekking heeft gediend, dan wordt de last en onttrekking een jaar opgeschoven.
Artikel 10 – EMU-saldo
Artikel 10 – EMU-saldo
Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, doet het college de raad indien nodig een voorstel tot aanpassing van de begroting.
Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, doet het college de raad indien nodig een voorstel tot aanpassing van de begroting.
TEKST 2023
TEKST 2026
HOOFDSTUK 3: RECHTMATIGHEIDSVERANTWOORDING
HOOFDSTUK 3: RECHTMATIGHEIDSVERANTWOORDING
Artikel 11. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording
Artikel 11. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording
1. De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid. 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren burgemeester en wethouders aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% (voor zowel fouten als onduidelijkheden) van de totale lasten van de gemeente, inclusief de dotaties aan de reserves. 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (zowel fouten als onduidelijkheden) groter dan € 100.000 nader toegelicht.
1. De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid. 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren burgemeester en wethouders aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% (voor zowel fouten als onduidelijkheden) (voor zowel fouten en onduidelijkheden gezamenlijk) van de totale lasten van de gemeente, inclusief exclusief de dotaties aan de reserves. 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (zowel fouten als onduidelijkheden) groter dan € 100.000 nader toegelicht.
Artikel 12. Voorwaardencriterium
Artikel 12. Voorwaardencriterium
1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur. 2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks uiterlijk op 31 december van het lopende boekjaar ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Burgemeester en wethouders operationaliseren dit normenkader in een toetsingskader ten behoeve van de interne beheersing.
1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur. 2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks uiterlijk op 31 december van het lopende boekjaar ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Burgemeester en wethouders operationaliseren dit normenkader in een toetsingskader ten behoeve van de interne beheersing.
TEKST 2023
TEKST 2026
Artikel 13. Begrotingscriterium
Artikel 13. Begrotingscriterium
1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen; 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5. 3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. 4. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:
5. Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.
1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s beleidsthema’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen; 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5 6. 3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget geautoriseerde budget van het begrotingsjaar, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. 4. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Uitgangspunt is dat iedere overschrijding van lasten voor de exploitatie of bij investeringen ten opzichte van de begroting na wijziging als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties: a. Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren. b. Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling. c.
Er is sprake van een overschrijding na afloop van het boekjaar als gevolg van nader onderzoek door een externe partij. d. De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage. e. overschrijdingen zijn veroorzaakt door zaken die niet konden zijn meegenomen in tussentijdse rapportages, doordat de informatie te laat is binnengekomen. 5. Onderschrijdingen van de lasten ten opzichte van de begroting na wijzigingen en afwijkingen op de baten zijn niet onrechtmatig, mits deze tijdig zijn gemeld. a. onder tijdig melden verstaan wij dat afwijkingen worden gemeld: - in de tussentijdse rapportages zoals bedoeld in artikel 7; - in raadsinformatiebrieven; - door actieve informatievoorziening van het college in de raadsvergaderingen. b. afwijkingen die niet eerder gemeld konden worden (zie 13.5a), worden toegelicht in de jaarstukken als bedoeld in artikel 3, waarmee deze tijdig zijn gemeld. 6. Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.
Artikel 14. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium
Artikel 14. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium
1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen. 2. Burgemeester en wethouders zorgen voor en leggen vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.
1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen. 2. Burgemeester en wethouders zorgen voor en leggen vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.
a. Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren. b. Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling. c. Er is sprake van een overschrijding na afloop van het boekjaar als gevolg van nader onderzoek door een externe partij. d. De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage.
TEKST 2023
TEKST 2026
HOOFDSTUK 4: FINANCIEEL BELEID
HOOFDSTUK 4: FINANCIEEL BELEID
Artikel 15 – Waardering en afschrijving vaste activa
Artikel 15 – Waardering en afschrijving vaste activa
1. Het college biedt eenmaal per vier jaar een nota vaste activa aan ter behandeling en vaststelling door de raad. 2. Deze nota bevat minimaal de volgende onderdelen: a. regels voor activering en waardering van vaste activa; b. wijze van afschrijving van vaste activa; c. renteberekening over vaste activa; d. afschrijvingstermijnen per activasoort. 3. De afschrijvingstermijnen die in de nota worden opgenomen zijn leidend. Daarnaast speelt de verwachte levensduur van het actief een belangrijke rol. Wanneer er redenen zijn om van de tabel af te wijken wordt in het betreffende voorstel aan de raad over de investering hiervoor een gemotiveerde onderbouwing opgenomen.
1. Het college biedt eenmaal per vier jaar, tenzij het college aangeeft dat de bestaande nota nog actueel en toereikend is, een nota vaste activa aan ter behandeling en vaststelling door de raad. 2. Deze nota bevat minimaal de volgende onderdelen: a. regels voor activering en waardering van vaste activa; b. wijze van afschrijving van vaste activa; c. renteberekening over vaste activa; d. afschrijvingstermijnen per activasoort. 3. De afschrijvingstermijnen die in de nota worden opgenomen zijn leidend. Daarnaast speelt de verwachte levensduur van het actief een belangrijke rol. Wanneer er redenen zijn om van de tabel af te wijken wordt in het betreffende voorstel aan de raad over de investering hiervoor een gemotiveerde onderbouwing opgenomen.
Artikel 16 – Voorziening voor oninbare vorderingen
Artikel 16 – Voorziening voor oninbare vorderingen
1. Voor openstaande vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van de ouderdom van de vordering en een individuele beoordeling van de inningskansen van vorderingen groter dan € 10.000. 2. Voor vorderingen op openbare lichamen wordt in beginsel geen voorziening getroffen.
1. Voor openstaande vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van de ouderdom van de vordering en een individuele beoordeling van de inningskansen van vorderingen groter dan € 10.000. 2. Voor vorderingen op openbare lichamen wordt in beginsel geen voorziening getroffen.
Artikel 17 – Reserves en voorzieningen
Artikel 17 – Reserves en voorzieningen
1. Het college biedt de raad eenmaal per vier jaar een nota reserves en voorzieningen aan. De raad stelt de nota vast. De nota behandelt in ieder geval:
1. Het college biedt de raad eenmaal per vier jaar, tenzij het college aangeeft dat de bestaande nota nog actueel en toereikend is, een nota reserves en voorzieningen aan ter vaststelling door de raad. De raad stelt de nota vast. De nota behandelt in ieder geval: a. de vorming en besteding van reserves; b. de vorming en besteding van voorzieningen; c. de toerekening en verwerking van rente over de reserves en de voorzieningen. 2. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve wordt aangegeven: a. het specifieke doel van de reserve; b. de voeding en onttrekking van de reserve; c. de maximale hoogte van de reserve; d. de maximale looptijd. Indien voor een of meerdere elementen dit niet mogelijk is wordt dit beargumenteerd. 3. Jaarlijks worden de reserves en voorzieningen geactualiseerd en getoetst aan de nota reserves en voorzieningen. Indien nodig worden in de kadernota besluiten voorgelegd. 4. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de programma’s plaats. Er vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen plaats.
a. de vorming en besteding van reserves; b. de vorming en besteding van voorzieningen; c. de toerekening en verwerking van rente over de reserves en de voorzieningen. 2. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve wordt aangegeven: a. het specifieke doel van de reserve; b. de voeding van de reserve; c. de maximale hoogte van de reserve; d. de maximale looptijd. Indien voor een of meerdere elementen dit niet mogelijk is wordt dit beargumenteerd. 3. Jaarlijks worden de reserves en voorzieningen geactualiseerd en getoetst aan de nota reserves en voorzieningen. Indien nodig worden in de kadernota besluiten voorgelegd. 4. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de programma’s plaats.
Artikel 18 - Riolering
Artikel 18 - Riolering
Voor de financiën met betrekking tot het gemeentelijke rioleringsstelsel geldt dat: a. Vervanging van bestaande riolering wordt gedekt uit een voorziening riolering, op grond van artikel 44 lid 1d van het Besluit Begroting en Verantwoording; b. De onderbouwing van de voorziening riolering jaarlijks wordt geactualiseerd op basis van een meerjarenplanning; c. Groot onderhoud aan riolering wordt gedekt uit in de begroting daartoe opgenomen bedragen; d. Exploitatieresultaten met betrekking tot de financiën van het rioleringsstelsel bij het opstellen van de jaarrekening automatisch leiden tot verrekening met de reserve riolering (op voorwaarde dat die reserve toereikend is); e. Nieuwe aanleg, uitbreiding of verbetering van het rioleringsstelsel wordt geactiveerd en afgeschreven ten laste van de begroting.
Voor de financiën met betrekking tot het gemeentelijke rioleringsstelsel geldt dat: a. Vervanging van bestaande riolering wordt gedekt uit een voorziening riolering, op grond van artikel 44 lid 1d van het Besluit Begroting en Verantwoording; b. De onderbouwing van de voorziening riolering jaarlijks wordt geactualiseerd op basis van een meerjarenplanning; c. Groot onderhoud aan riolering wordt gedekt uit in de begroting daartoe opgenomen bedragen; d. Exploitatieresultaten met betrekking tot de financiën van het rioleringsstelsel bij het opstellen van de jaarrekening automatisch leiden tot verrekening met de reserve riolering (op voorwaarde dat die reserve toereikend is); e. Nieuwe aanleg, uitbreiding of verbetering van het rioleringsstelsel wordt geactiveerd en afgeschreven ten laste van de begroting.
TEKST 2023
TEKST 2026
Artikel 19 – Kostprijsberekening
Artikel 19 – Kostprijsberekening
1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken. 2. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken. 3. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, extracomptabel bijgehouden en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten. 4.
Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, extracomptabel bijgehouden en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend. 5. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van een aandeel in de totale overheadkosten dat wordt bepaald door de totale overheadkosten te delen door de totale formatie. Bij het toerekenen van de directe kosten op basis van formatieve inzet wordt de aldus berekende opslag voor overhead meegenomen. 6. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage voor toerekening van rente aan kostprijzen is gelijk aan de afgeronde omslagrente die wordt gebruikt voor het toerekenen van rente aan de programma’s. 7. Bij het bepalen van de kostprijzen wordt geen rekening gehouden met rentevergoeding over reserves en/of voorzieningen, tenzij de voorziening is gevormd op basis van contante waardebepaling.
8. In afwijking van het zesde lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. 9. In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen.
1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken. 2. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken. 3. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, extracomptabel bijgehouden en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten. 4.
Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, extracomptabel bijgehouden en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend. 5. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van een aandeel in de totale overheadkosten dat wordt bepaald door de totale overheadkosten te delen door de totale formatie. Bij het toerekenen van de directe kosten op basis van formatieve inzet wordt de aldus berekende opslag voor overhead meegenomen. 6. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage voor toerekening van rente aan kostprijzen is gelijk aan de afgeronde omslagrente die wordt gebruikt voor het toerekenen van rente aan de programma’s. 7. Bij het bepalen van de kostprijzen wordt geen rekening gehouden met rentevergoeding over reserves en/of voorzieningen, tenzij de voorziening is gevormd op basis van contante waardebepaling.
8. In afwijking van het zesde lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. 9. In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen.
TEKST 2023
TEKST 2026
Artikel 20 - Prijzen economische activiteiten
Artikel 20 - Prijzen economische activiteiten
1. Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd. 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd. 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd. 4. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van: a.
leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid; b. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak; c. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden; d. een bevoordeling van sociale werkplaatsen; e. een bevoordeling van onderwijsinstellingen; f. een bevoordeling van publieke media-instellingen; en g. een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is; h. een activiteit waarvan de raad eerder al heeft vastgesteld dat sprake is van een publiek belang.
1. Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd. 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd. 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd. 4. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van: a.
leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid; b. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak; c. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden; d. een bevoordeling van sociale werkplaatsen; e. een bevoordeling van onderwijsinstellingen; f. een bevoordeling van publieke media-instellingen; en g. een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is; h. een activiteit waarvan de raad eerder al heeft vastgesteld dat sprake is van een publiek belang.
Artikel 21 – Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen
Artikel 21 – Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen
Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor: a. belastingen; b. afvalstoffenheffing; c. rioolheffing; d. haven- en marktgelden; e. lijkbezorgingsrechten; f. leges.
Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor: a. belastingen; b. afvalstoffenheffing; c. rioolheffing; d. haven- en marktgelden; e. lijkbezorgingsrechten; f. leges.
TEKST 2023
TEKST 2026
Artikel 22 - Financieringsfunctie
Artikel 22 - Financieringsfunctie
1. Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht: a. voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden tenminste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd;
1. Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht: a. voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden tenminste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd Bij het aantrekken van gelden voor een periode langer dan 1 jaar worden minimaal 3 offertes opgevraagd bij een in Nederland gevestigde kredietverstrekker of een in Nederland gevestigd openbaar lichaam. Van deze drie offertes dient er één offerte in ieder geval te worden opgevraagd bij de BNG; b. In afwijking op lid 1, sub a heeft de gemeente de mogelijkheid om een aanbesteding te organiseren om langlopende financieringsmiddelen aan te trekken; c. er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden. 2. Het college biedt de raad tenminste eenmaal per vier jaar, tenzij het college aangeeft dat het bestaande statuut nog actueel en toereikend is, een treasurystatuut aan ter vaststelling door de raad. Bij de uitoefening van de financieringsfunctie handelt het college binnen de bepalingen in het vastgestelde treasurystatuut. 3. Bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke taak bedingt het college indien mogelijk zekerheden.
Het college motiveert in zijn besluit het openbaar belang van dergelijke uitzettingen van middelen, verstrekkingen van garanties en financiële participaties. Het college handelt daarbij op grond van door de raad vastgestelde beleidsregels waarin tenminste wordt bepaald wat wordt verstaan onder ‘publiek belang’.
b. er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden. 2. Het college biedt de raad tenminste eenmaal per vier jaar een treasurystatuut ter vaststelling aan. Bij de uitoefening van de financieringsfunctie handelt het college binnen de bepalingen in het vastgestelde treasurystatuut. 3. Bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke taak bedingt het college indien mogelijk zekerheden. Het college motiveert in zijn besluit het openbaar belang van dergelijke uitzettingen van middelen, verstrekkingen van garanties en financiële participaties. Het college handelt daarbij op grond van door de raad vastgestelde beleidsregels waarin tenminste wordt bepaald wat wordt verstaan onder ‘publiek belang’.
TEKST 2023
TEKST 2026
HOOFDSTUK 5: PARAGRAFEN
HOOFDSTUK 5: PARAGRAFEN
Artikel 23 – Lokale heffingen
Artikel 23 – Lokale heffingen
1. In de paragraaf lokale heffingen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de mate van kostendekkendheid van de diverse rechten en heffingen; b. een toelichting op a. 2. Het college biedt tenminste eenmaal per vier jaar een nota lokale heffingen aan. Deze nota behandelt in ieder geval: a. de gemeentelijke belastingen en heffingen; b. de kostendekkendheid van de heffingen; c. de druk van de lokale belastingen en heffingen; d. het tarievenbeleid; e. de nota bevat voorts een overzicht van de verordeningen met de bijbehorende vaststellingsdata waarin tarieven, heffingen en prijzen zijn vastgelegd. Het college draagt er zorg voor dat er een actueel overzicht is van de tarieven, heffingen, prijzen en kosten per verstrekte dienst. De raad stelt de nota vast.
1. In de paragraaf lokale heffingen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de mate van kostendekkendheid van de diverse rechten en heffingen; b. een toelichting op a. 2. Het college biedt tenminste eenmaal per vier jaar, tenzij het college aangeeft dat de bestaande nota nog actueel en toereikend is, een nota lokale heffingen aan ter vaststelling door de raad. Deze nota behandelt in ieder geval: a. de gemeentelijke belastingen en heffingen; b. de kostendekkendheid van de heffingen; c. de druk van de lokale belastingen en heffingen; d. het tarievenbeleid; e. de nota bevat voorts een overzicht van de verordeningen met de bijbehorende vaststellingsdata waarin tarieven, heffingen en prijzen zijn vastgelegd. Het college draagt er zorg voor dat er een actueel overzicht is van de tarieven, heffingen, prijzen en kosten per verstrekte dienst. De raad stelt de nota vast. 3. Het gemeentelijke kwijtscheldingsbeleid is vastgelegd in een Verordening Kwijtscheldingsbeleid. Het college biedt de raad tenminste eenmaal per vier jaar, tenzij het college aangeeft dat de bestaande verordening nog actueel en toereikend is, een geactualiseerde verordening aan ter vaststelling door de raad. De raad stelt de verordening vast.
3. Het gemeentelijke kwijtscheldingsbeleid is vastgelegd in een Verordening Kwijtscheldingsbeleid. Het college biedt de raad tenminste eenmaal per vier jaar een geactualiseerde verordening aan. De raad stelt de verordening vast.
Artikel 24 – Weerstandsvermogen en risicobeheersing
Artikel 24 – Weerstandsvermogen en risicobeheersing
1. In de paragraaf weerstandsvermogen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. een meerjarig inzicht in de weerstandscapaciteit; b. een analyse van de weerstandscapaciteit versus de risico’s. 2. Het college biedt tenminste eenmaal per vier jaar een nota weerstandsvermogen en risicomanagement aan. In deze nota wordt in ieder geval ingegaan op: a. het risicomanagement; b. het opvangen van risico’s door verzekeringen, voorzieningen, het weerstandsvermogen of anderszins; c. de gewenste omvang van het weerstandsvermogen. De raad stelt de nota vast.
1. In de paragraaf weerstandsvermogen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. een meerjarig inzicht in de weerstandscapaciteit; b. een analyse van de weerstandscapaciteit versus de risico’s. 2. Het college biedt tenminste eenmaal per vier jaar, tenzij het college aangeeft dat de bestaande nota nog actueel en toereikend is, een nota weerstandsvermogen en risicomanagement aan ter vaststelling door de raad. In deze nota wordt in ieder geval ingegaan op: a. het risicomanagement; b. het opvangen van risico’s door verzekeringen, voorzieningen, het weerstandsvermogen of anderszins; c. de gewenste omvang van het weerstandsvermogen. De raad stelt de nota vast.
TEKST 2023
TEKST 2026
Artikel 25 – Onderhoud kapitaalgoederen
Artikel 25 – Onderhoud kapitaalgoederen
1. Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. een overzicht van de nota’s waarin het geldende beleid is vastgelegd b. een overzicht van het verloop van de onderhoudsvoorzieningen op basis van de in de meerjarenbegroting opgenomen stortingen en de geplande investeringen. De beschouwing op de paragraaf bevat daarnaast in ieder geval ook nog de voorstellen voor het te plegen van onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen en het meerjarig budgettair beslag. 2. Het college biedt de raad tenminste eenmaal per vier jaar een nota beheer openbare ruimte aan. De nota geeft het kader weer voor de inrichting van het onderhoud en het beoogde onderhoudsniveau voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken, openbare verlichting en straatmeubilair en het meerjarig budgettair beslag. De raad stelt de nota vast.
1. Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. een overzicht van de nota’s waarin het geldende beleid is vastgelegd b. een overzicht van het verloop van de onderhoudsvoorzieningen op basis van de in de meerjarenbegroting opgenomen stortingen en de geplande investeringen. De beschouwing op de paragraaf bevat daarnaast in ieder geval ook nog de voorstellen voor het te plegen van onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen en het meerjarig budgettair beslag. 2. Het college biedt de raad tenminste eenmaal per vier jaar, tenzij het college aangeeft dat de bestaande nota nog actueel en toereikend is, een nota beheer openbare ruimte aan ter vaststelling door de raad. De nota geeft het kader weer voor de inrichting van het onderhoud en het beoogde onderhoudsniveau voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken, openbare verlichting en straatmeubilair en het meerjarig budgettair beslag. De raad stelt de nota vast. 3. Het college biedt de raad tenminste eenmaal per vier jaar, tenzij het college aangeeft dat de bestaande nota nog actueel en toereikend is een rioleringsplan aan ter vaststelling door de raad.
Het plan geeft het kader weer voor de inrichting van het onderhoud, het beoogde onderhoudsniveau en de uitbreiding van de riolering alsmede de kwaliteit van het milieu en het meerjarig budgettair beslag. De raad stelt het plan vast. 4. Het college biedt de raad tenminste eenmaal per vier jaar, tenzij het college aangeeft dat de bestaande nota nog actueel en toereikend is, een nota vastgoed aan ter vaststelling door de raad. De nota geeft de kaders aan voor verwerving, verkoop en beheer van gemeentelijk vastgoed. De raad stelt de nota vast.
3. Het college biedt de raad tenminste eenmaal per vier jaar een rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor de inrichting van het onderhoud, het beoogde onderhoudsniveau en de uitbreiding van de riolering alsmede de kwaliteit van het milieu en het meerjarig budgettair beslag. De raad stelt het plan vast. 4. Het college biedt de raad tenminste eenmaal per vier jaar een nota vastgoed aan. De nota geeft de kaders aan voor verwerving, verkoop en beheer van gemeentelijk vastgoed. De raad stelt de nota vast.
Artikel 26 – Financiering
Artikel 26 – Financiering
In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de schulden met een looptijd korter dan 1 jaar en het verschuldigde rentepercentage; b. de schulden met een looptijd langer dan 1 jaar en het verschuldigde rentepercentage;
In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:. a. de schulden met een looptijd korter dan 1 jaar en het verschuldigde rentepercentage; b. de schulden met een looptijd langer dan 1 jaar en het verschuldigde rentepercentage;
TEKST 2023
TEKST 2026
Artikel 27 – Bedrijfsvoering
Artikel 27 – Bedrijfsvoering