bijlage 2 - Bestemmingsplan Werf aan den IJssel
Tekst van het document
Het toekomstige woningbouwprogramma sluit daarnaast aan bij de gewenste woonmilieus in Krimpen aan den IJssel. 3.4.2 Woonvisie 2020‐2030 De gemeenteraad van Krimpen aan den IJssel heeft in januari 2021 de woonvisie 2020‐2030 vastgesteld. Een belangrijk element in de woonvisie is het behouden van het dorpste karakter van Krimpen met de groene woonomgeving. Dit karakter wenst men te behouden gecombineerd met een beperkte groei van het aantal woningen. Uit de woningbehoefteprognose volgt dat er een groeiopgave van 555 woningen ligt voor de periode tot 2030. Naast de behoefte aan meer woningen wenst de gemeente ook in te spelen op de bekende trends, zoals vergrijzing en verdunning die ook in Krimpen aan de orde zijn. Dit betreft niet enkel senioren maar ook starters zonder kinderen. Deze trends leiden tot een grotere behoefte appartementen, met name in de koopsector, voor de starters en senioren. Daarnaast is er behoefte aan huurwoningen, met name grondgebonden woningen. Ondanks dat vergrijzing en verdunning ervoor zorgt dat de vraag naar betaalbare huisvesting toeneemt, wordt er ook ingezet op doorstroming. Met het toevoegen van gelijkvloerse woningen die aantrekkelijk zijn voor de Krimpenaren van boven de 55 of 65 wordt hierop ingespeeld. De vrijgekomen eengezinswoning komt zo beschikbaar voor de doelgroep.
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt voornamelijk gestapelde woningbouw toegevoegd. Hiermee wordt ingespeeld op de behoefte aan appartementen. De appartementen zijn levensloopbestendig en daarmee zowel geschikt voor starters zonder kinderen en senioren. Deze appartement kunnen daarmee de doorstroom in Krimpen aan den IJssel verbeteren.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
29
Hoofdstuk 4
4.1
Sectorale aspecten
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
Toetsingskader De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.‐plichtige activiteiten (de C‐lijst) en de m.e.r.‐beoordelingsplichtige activiteiten (de D‐lijst) beschreven. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor de betreffende activiteiten die niet aan de drempelwaarden voldoen, dient het bevoegd gezag na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 'een oppervlakte van 100 hectare of meer' of 'een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat'. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 88 woningen en 400 m2 aan horeca. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. In bijlage 1 is de aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.‐beoordeling opgenomen. Uit deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
4.2
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
30
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
31
Onderzoek
Figuur 4.1 Uitsnede professionele risicokaart met het plangebied zwart omkaderd Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking (figuur 4.1). Ook vindt er in de omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, de weg, het water of door buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.3
Verkeer en parkeren
Toetsingskader In het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, dient te worden onderbouwd dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat bereikbaarheid en verkeersveiligheid gewaarborgd is en in de parkeerbehoefte wordt voorzien.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
32
Verkeersstructuur
Figuur 4.2 Ligging van het plangebied Gemotoriseerd verkeer Het plangebied is gelegen aan de IJsseldijk. De IJsseldijk is een erftoegangsweg type 1 met een maximumsnelheid van 30 km/uur. In de noordelijke richting leidt de IJsseldijk naar de kern Ouderkerk aan den IJssel. In de zuidwestelijke richting leidt de IJsseldijk via de Parallelweg naar de Industrieweg die ontsluit naar de N210. Beide wegen zijn gecategoriseerd als gebiedsontsluitingswegen met een maximumsnelheid van 50 km/uur. In de oostelijke richting wordt het plangebied ontsloten via de kruising IJsseldijk ‐ Burgemeester Aalberslaan. De Burgemeester Aalberslaan is gecategoriseerd als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/uur. Het gedeelte van de weg nabij de kruising met de IJsseldijk ligt echter in een 30 km/uur zone. Langzaam verkeer Op de omliggende erftoegangswegen rond het projectgebied deelt het fietsverkeer de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer. Voor de fietsers zijn op deze wegen fietssuggestiestroken aangebracht. Ter hoogte van het plangebied is geen aparte voetgangersvoorziening aanwezig op de IJsseldijk. Ten oosten van het plangebied is er aan de IJsseldijk deels een trottoir aanwezig aan de noordkant van de weg. De Burgemeester Aalberslaan heeft aan beide kanten van de weg een trottoir voor voetgangers liggen.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
33
Openbaar vervoer Het plangebied is niet goed ontsloten via het openbaar vervoer. De dichtstbijzijnde bushalte is gelegen aan de Ketensedijk in Capelle aan den IJssel, op circa 900 meter loopafstand van het plangebied. Bij deze halte kan gebruik worden gemaakt van de buslijn 607 tussen Capelsebrug en Schollevaar. Verder is er een bushalte gelegen aan de C.G. Roosweg op circa 1 kilometer loopafstand van het plangebied. Bij deze bushaltes halteert de buslijn 96, tussen Capelsebrug en Krimpen Stormpolder, en lijn 97 tussen Capelsebrug en Krimpen aan den IJssel. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van het plangebied wordt berekend aan de hand van kencijfers uit CROW‐publicatie 381. Voor het bepalen van de mate van stedelijkheid is op basis van data van het CBS een stedelijkheidsgraad van 'sterk stedelijk' gehanteerd. Het gebiedstype is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'. Het gemiddelde binnen de bandbreedte wordt gehanteerd. Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid wordt getoetst aan de wegencategorisering en de daarbij behorende (indicatieve) grenswaarde voor de verkeersintensiteit per wegcategorie en op basis van expert judgement. In de huidige situatie is het plangebied niet in gebruik. Hierdoor genereert het plangebied in de huidige situatie geen verkeer. In de toekomstige situatie zal het plangebied heringericht worden als een woongebied.
De beoogde ontwikkeling bestaat uit: 11 woon‐werkwoningen (nieuwbouw); 22 zelfstandige zorgwoningen (zellinghuis); 13 koopappartementen, middelduur (nieuwbouw); 39 koopappartementen, duur (nieuwbouw); 3 koopappartementen, middelduur (smederijloods); 400 m2 (bvo) lichte horeca (smederijloods). De verkeersgeneratie van het plangebied is berekend op basis van de beoogde ontwikkelingen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie zijn berekeningen uitgevoerd op basis van kengetallen uit CROW‐publicatie 381. Voor de woon‐werkwoningen wordt het kengetal voor 'koop, huis, tussen/hoek' gehanteerd, terwijl voor de zelfstandige zorgwoningen het kengetal voor 'aanleunwoning, serviceflat' wordt gehanteerd. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de gemiddelde werkdag maatgevend. Voor het omrekenen van weekdagintensiteiten naar werkdagintensiteiten wordt conform CROW‐publicatie 381 voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 gehanteerd. Voor horecafuncties wordt conform CROW‐publicatie 272 een omrekenfactor aangehouden van 0,9.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
34
Tabel 4.1 De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling Functie
Aantal
Koop appartement, 16 woningen middelduur Koop appartement, 39 woningen duur Aanleunwoning, 22 woningen serviceflat (zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen) Koop, huis, 11 woningen tussen/hoek Café/bar/cafetaria 400 m2 (bvo) Totaal
Kengetal 5,6 per woning
Weekdagintensiteit Werkdagintensiteit (mvt/etmaal) (mvt/etmaal) 89,6 99,5
7,1 per woning
276,9
307,4
2,45 per woning
53,9
59,8
7,1 per woning
78,1
86,7
6,0 per 100 m2 (bvo)
24
21,6
522,5
574,9
De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een verkeersgeneratie van 523 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag en 575 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Verkeersafwikkeling Bij het beoordelen van de verkeersafwikkeling wordt uitgegaan van de gemiddelde werkdagintensiteit. Verder wordt de verkeersafwikkeling beoordeeld op basis van het maatgevende uur. Hierbij wordt doorgaans het drukste uur aangehouden. Als algemene vuistregel wordt aangehouden dat de verkeersintensiteit gedurende het drukste uur 10% van de etmaalintensiteit bedraagt. Gedurende het drukste uur zal de planontwikkeling zorgen voor een verkeerstoename van 58 mvt/uur. Vanaf het plangebied zal 95% (55 mvt/uur) van het gegenereerde verkeer worden afgewikkeld richting oosten naar de kruising met de Burgemeester Aalberslaan. De overige 5% (3 mvt/uur) van het gegenereerde verkeer zal vanuit het plangebied richting het zuidwesten worden afgewikkeld over de IJsseldijk via de Lekdijk, de Parallelweg en de Industrieweg richting de C.G. Roosweg (N210) richting het zuidoosten. Vanaf het kruispunt IJsseldijk ‐ Burgemeester Aalberslaan, zal 80% (46 mvt/uur) afgewikkeld worden over de Burgemeester Aalberslaan, terwijl de overige 15% (9 mvt/uur) in noordoostelijke richting doorrijdt op de IJsseldijk. Vanaf de Burgemeester Aalberslaan wordt het verkeer evenredig verdeeld over twee routes.
Het ingaande verkeer richting het plangebied (23 mvt/uur) rijdt vanaf de C.G. Roosweg over de Rotterdamseweg via de Noorderstraat naar de Burgemeester Aalberslaan. Het uitgaande verkeer vanaf het plangebied (23 mvt/uur) rijdt over de Burgemeester Aalberslaan naar de Nieuwe Tiendweg en rijdt vervolgens richting de C.G. Roosweg. Zowel het ingaande als het uitgaande verkeer wordt afgewikkeld over de C.G. Roosweg richting het noorden, over de Algerabrug. In figuur 4.3 is de verkeersverdeling van de beoogde ontwikkeling weergegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
35
Figuur 4.3 De verkeersafwikkeling van de beoogde ontwikkeling De verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zal de grootste invloed hebben op de verkeersafwikkeling op de IJsseldijk ten oosten van het plangebied en op de Burgemeester Aalberslaan, tot aan het kruispunt Burgemeester Aalberslaan ‐ Dokter W.M. Blomsingel ‐ Noorderstraat. Op basis van het gemeentelijk verkeersmodel hebben beide wegvakken in de huidige situatie (2021) een gemiddelde verkeersintensiteit van 901 mvt/etmaal per werkdag. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling in de toekomstige situatie inclusief de planontwikkeling wordt gekeken naar het toekomstjaar 2032. Voor het berekenen van de verkeersintensiteiten in 2032 exclusief de beoogde ontwikkeling is een autonome groei toegepast op de gegevens uit 2021 van 1% per jaar. In tabel 2 zijn de gemiddelde werkdagintensiteiten per wegvak weergegeven en de verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
36
Tabel 4.2 Verkeersintensiteiten op de IJsseldijk en de Burgemeester Aalberslaan in de huidige en toekomstige situatie Wegvak
Gemiddelde Gemiddelde Verkeerstoename werkdagintensit werkdagintensiteit ten gevolge van eit 2021 2032 (mvt/etmaal) plangebied (mvt/etmaal) (mvt/etmaal)
IJsseldijk (tussen 901 plangebied en kruising IJsseldijk – Burgemeester Aalberslaan) Burgemeester 901 Aalberslaan (tussen kruising IJsseldijk – Burgemeester Aalberslaan en kruising Burgemeester Aalberslaan – Dokter W.M. Blomsingel – Noorderstraat)
1.005
546
Gemiddelde werkdagintensiteit 2032 inclusief plangebied (mvt/etmaal) 1.551
1.005
460
1.46
Op de IJsseldijk zal de intensiteit stijgen van 1.005 mvt/etmaal naar 1.499 mvt/etmaal. Een dergelijke intensiteit past goed bij het type erftoegangsweg 30 km/uur. Bij deze intensiteit is de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid ook bij gemengde afwikkeling van autoverkeer en fietsverkeer voldoende gewaarborgd. Op de Burgemeester Aalberslaan zal de intensiteit stijgen van 1.005 mvt/etmaal naar 1.421 mvt/etmaal. De inrichting als gebiedsontsluitingsweg 50 km/uur zorgt ervoor dat ook hier de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid wordt gewaarborgd. Vanaf het kruispunt Burgemeester Aalberslaan ‐ Dokter W.M. Blomsingel ‐ Noorderstraat wordt het gegenereerde verkeer verdeeld over meerdere routes. Hierdoor is de verkeerstoename op de overige wegvakken dusdanig gering dat er geen sprake zal zijn van knelpunten in de verkeersafwikkeling. Daarnaast zijn op de kruispunten op de N210 capaciteitsverruimende maatregelen uitgevoerd of gepland. Verkeersveiligheid De toename in de verkeersgeneratie zal niet leiden tot knelpunten in de verkeersveiligheid. Alhoewel er geen vrijliggende fietspaden aanwezig zijn op de IJsseldijk, wordt de verkeersveiligheid gewaarborgd door middel van de lage maximumsnelheid en de inrichting van de weg. De gemeente onderzoekt op dit moment de snelheidsbeperkende maatregen die mogelijk zijn op de dijk.
Tevens overweegt de gemeente de inrichting van de dijk te veranderen om de verkeersveiligheid te verbeteren. Parkeerbehoefte Zoals omschreven in de 'Verkeer‐ en vervoersvisie Krimpen aan den IJssel (herziening 2020)' sluit de parkeernormering van de gemeente Krimpen aan den IJssel aan bij de CROW‐kencijfers. Hierin dit onderscheid te worden gemaakt tussen de parkeerbehoefte van het woongebouw aan de oostzijde van het plangebied en de parkeerbehoefte van de rest van het plangebied. Het woongebouw dient namelijk zelfvoorzienend te zijn in parkeren (parkeren op eigen terrein). Hier is geen dubbelgebruik mogelijk. De resterende functies in het plangebied zullen gebruik maken van de openbare parkeerplaatsen binnen het plangebied. Hierop is wel dubbelgebruik mogelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
37
De onderstaande tabel toont dat de normatieve parkeerbehoefte voor het plangebied 49 parkeerplaatsen is voor het openbaar gebied. CONCEPT Zorgwoningen Werkplaatswoningen Horeca (Café/daghoreca) Woningen (Smederijloods) Totaal
m2/aantal 22 11 234 3
Parkeernorm 0,6 1,8 5 1,4
Parkeerbehoefte 13,2 19,8 11,7 4,20 48,9
Voor de functies die gebruik maken van het openbaar gebied is dubbelgebruik mogelijk. Hierbij is het moment met de hoogste aanwezigheidspercentages maatgevend (werkdag‐avond). Op basis van deze tabel is de parkeerbehoefte gedurende het maatgevende moment 42 parkeerplaatsen. Daarnaast wordt de parkeerbehoefte van een viertal woningen aan de IJsseldijk op dit moment opgelost op het werfterrein. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt ook rekening gehouden met de parkeerbehoefte van deze vier woningen. De parkeerbehoefte van deze woningen bedraagt 6 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte op het openbaar gebied bedraagt daarmee 48 parkeerplaatsen. Parkeeraanbod Op verschillende plekken in het toekomstige openbaar gebied worden nieuwe parkeerplaatsen toegevoegd. Het gaat hierbij om de volgende plekken: Voor de smederijloods: 12 haakse parkeerplaatsen; Aan de dijk: 14 langsparkeerplaatsen; Nabij Karwei: 17 haakse parkeerplaatsen; Nabij het Zellinghuis: 5 parkeerplaatsen. Aan het openbaar gebied worden daarmee 48 parkeerplaatsen toegevoegd. Het nieuwbouwcomplex aan de oostzijde van het plangebied, met 52 woningen, wordt voorzien van een verdiepte parkeergarage onder het gebouw en het binnenterrein. De parkeerbehoefte van het woongebouw moet volledig opgelost worden binnen deze parkeervoorziening en onderbouwd worden door de ontwikkelende partij.
Conclusie De ontsluiting van het plangebied zal niet leiden tot knelpunten. De verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling is dermate klein dat het niet tot een verslechtering zal leiden van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op het omliggende wegennet. Daarnaast wordt de parkeerbehoefte binnen het plangebied opgelost. Het aspect verkeer staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
38
4.4
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie fijnstof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 522,5 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In de NIBM‐tool (versie 23‐04‐2022) is 2022 als jaar van planrealisatie aangehouden.
Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,29 µg/m³ en van fijnstof van 0,08 µg/m³ (figuur 4.4). Beide toenames blijven onder 1,2 µg/m³. Het project draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
39
Figuur 4.4 NIBM‐tool
Figuur 4.5 Maatgevend toetspunt met het plangebied zwart omlijnd (bron: NSL‐monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2020 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de IJsseldijk direct ten zuiden van het plangebied, zie figuur 4.3. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 21,8 µg/m³ voor NO2, 19 µg/m³ voor PM10 en 11,6 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,8 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
40
4.5
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Ten aanzien van de herontwikkeling van deze locatie zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken uitgevoerd om de bodemverontreiniging in het plangebied inzichtelijk te maken.
Een deel van deze onderzoeken zijn uitgevoerd met oog op de eerdere planologische procedure om ter plaatse van het plangebied onder andere woningbouw mogelijk te maken. Uit onderzoeken uit de periode tot 2010 blijkt voor deze locatie dat (bron: MH Poly Consultants & Engineers bv, juli 2010; Aanvullend onderzoek IJsseldijk 363 te Krimpen aan den IJssel, kenmerk B10.017.N1): de locatie heterogeen licht tot sterk verontreinigd tot een diepte variërend van 1,3 tot minimaal 3,0 meter beneden maaiveld met zware metalen, PAK en minerale olie. de verontreiniging met zware metalen in het oostelijk deel van de locatie niet verticaal is afgeperkt. in het grondwater op het westelijk deel van het terrein op drie locatie een verontreiniging met minerale olie aanwezig is. De omvang hiervan is echter kleiner dan 100 m3. Er is ter plaatse van de deellocaties daarom geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. in het grondwater op het noordelijk deel van de locatie een drijflaag is waargenomen. Het grondwater is verontreinigd met minerale olie. De verontreiniging is niet afgeperkt. Vanwege de aanwezigheid van een drijflaag is er mogelijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. in het westelijk deel van de locatie is een verontreinigingspot met asbest aangetroffen. De omvang van de asbestverontreiniging is circa 40 m3.
Ter hoogte van de overige terreindelen is geen asbest aangetoond. Na 2010 zijn er nog diverse bodemonderzoeken uitgevoerd voor deze locatie. Het gaat hierbij om: Nader bodemonderzoek, MH Poly Consultants, rapport B10.113.N1, 27 december 2011. Aanvullend bodemonderzoek, MWH (Stantec), projectnummer M16A0256, document m16a0256.r04, 15 augustus 2016 (onderdeel herbepaling spoedeisendheid). Aanvullend onderzoek, Econsultancy, projectnummer 12722.003, 23 september 2021.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
41
In het kader van de omgevingsvergunning zullen ten behoeve van de bouw van de woningen sanerende (isolerende) maatregelen genomen moeten worden. Vooruitlopend hierop is in 2021 door Econsultancy een saneringsplan opgesteld. De basis van dit saneringsplan wordt gevormd door alle voorgaande uitgevoerde onderzoek. Aan de hand hiervan wordt per deellocatie in het plangebied uitgegaan van de volgende verontreinigingssituatie: Westelijk deel: Op het westelijk deel is sprake van twee verontreinigingen met minerale olie/PAK in de grond en het grondwater. Tevens is de toplaag heterogeen verontreinigd met PAK en metalen. In het grondwater is eveneens een sterk verhoogde PAK‐concentratie aangetoond. De genoemde verontreinigingen bevinden zich nabij loods 1. Noordoostelijk deel: Onder de destijds aanwezige betonverharding komen heterogeen in de grond zowel in horizontale als in verticale richting sterk verhoogde metaalgehalten voor, als gevolg van toepassing van grond en bedrijfsactiviteiten. De verhoogde gehalten zijn veelal niet te relateren aan bijmengingen. Het grondwater is aan de zuidwestzijde van de betonverharding sterk verontreinigd met minerale olie (creosoot).
In 2010 was tevens sprake van een drijflaag in peilbuis 23.Rondom peilbuis 23 zijn in 2011 meerdere peilbuizen geplaatst waarbij slechts in één peilbuis (2103) een sterk verhoogde concentratie minerale olie is aangetoond. In 2011 is de drijflaag niet meer aangetroffen. Tijdens aanvullend actualiserend grondwateronderzoek in 2021 is ter hoogte van de ankerwand nog een sterke verontreiniging met PAK en lokaal ook minerale olie in het grondwater aangetoond. Op basis hiervan is de verontreinigingscontour herzien. Zuidoostelijk deel: Ter plaatse van het zuidoostelijke deel (thans in gebruik als parkeerplaats langs de IJsseldijk) is een asfaltverharding van enkele centimeters dikte aanwezig. Onder deze verharding bevindt zich een fundering van slakken met een variërende dikte van 0,5 tot 1,4 meter. Het kleipakket hieronder is heterogeen verontreinigd met metalen. Oostelijk deel: Op het oostelijk terreindeel is in de grond integraal sprake van aanwezigheid van metalen, PAK en PCB in grond. Onderscheid in verontreinigingsgraad op basis van zintuiglijke aard en mate van bijmenging is hierbij niet te maken. Ook zintuiglijk schone grond is sterk verontreinigd. Op dit terreindeel is een laag repac aangebracht met een dikte van circa 50 cm. Insteekhaven: De grond onder de betonverharding rondom de insteekhaven is sterk verontreinigd met metalen.
Ook ter plaatse van de scheepshelling is sprake va neen sterke verontreiniging met metalen en PAK. De waterbodem is geclassificeerd als klasse 4 slib. Arseen: In het grondwater verspreid over de locatie komt veelal een sterk verhoogd arseengehalte voor. Tussen 1932 en 1940 is een kleiige ophooglaag opgebracht die met arseen en zink verontreinigd is. De herkomst van de arseenverontreiniging in het grondwater hangt hier mogelijk mee samen. Op basis van de risicobeoordeling, uitgaande van de toekomstige situatie, is geconcludeerd dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, dat niet met spoed hoeft te worden gesaneerd. Het saneringsplan is als bijlage 2 aan dit bestemmingsplan gevoegd. Conclusie In het verleden zijn diverse bodemonderzoeken naar deze locatie uitgevoerd. Hiermee is de verontreiniging van de bodem meer dan voldoende inzichtelijk gemaakt. Volgend uit deze bodemonderzoeken is in 2021 een saneringsplan opgesteld zodat over kan worden gegaan op het functiegericht saneren van de verontreinigde grond, zodat de locatie voor het beoogde gebruik (woondoeleinden) geschikt wordt gemaakt. De bodemkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
42
4.6
Cultuurhistorie
Bij monumenten wordt onderscheid gemaakt tussen rijksmonumenten, provinciale monumenten en gemeentelijke monumenten. De gemeente Krimpen aan den IJssel kent geen provinciale en gemeentelijke monumenten, in het plangebied komen twee rijksmonumenten voor. Een rijksmonument is een gebouw of object dat van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor wetenschap of de historische waarde. Een monument moet 50 jaar of langer geleden zijn gemaakt om in het kader van de 'monumentenwet voor bescherming' in aanmerking te komen. Volgens de monumentenwet 1988 is de definitie van een monument: 1. vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde; 2. terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar aanwezige zaken als bedoeld onder 1. Voor het bestemmingsplan en toekomstige ontwikkelingen is het belangrijk dat er verbinding wordt gelegd met de aangewezen monumenten en de overige historisch waardevolle bebouwing. Voor monumenten is sprake van een algemene bescherming van de bestaande situatie en de doelstelling om de in verval geraakte monumenten te herstellen. Veranderingen en uitbreidingen (in de directe omgeving) van monumenten mogen uitsluitend ondergeschikt van aard zijn.
Bij besluit van 2 december 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota 'Inventarisatie beeldbepalende objecten/gebieden in Krimpen aan den IJssel' vastgesteld. Die nota bevat een inventarisatie van alle beeldbepalende objecten en gebieden binnen de gemeente, waaronder ook de rijksmonumenten. In 2012 is de vervaardiging van een 'Cultuurhistorische Waardenkaart' met een bijbehorende catalogus ter hand genomen. De gemeente kent vooralsnog geen gemeentelijke of provinciale monumenten. Dat leidt ertoe dat naast de rijksmonumenten geen van de in de lijst genoemde beeldbepalende objecten of gebieden in het kader van het bestemmingsplan een beschermde status heeft ingevolge de Monumentenwet. De gemeente heeft het voornemen de vastgestelde nota bij de eerstkomende actualisering van de welstandsnota te betrekken. Onderzoek Het plangebied heeft een hoge cultuurhistorische waarde en karakteriseert de geschiedenis van Krimpen aan den IJssel. In het overzicht van de beeldbepalende objecten/gebieden wordt de volgende omschrijving gegeven van de monumenten in het plangebied: RM‐45a, IJsseldijk 332: Woonhuis RM‐45b, IJsseldijk 332: Houten loods, onderdeel van het scheepswerfcomplex Van Duijvendijk aan de IJsseldijk en gebouwd aan het einde van de 19e eeuw. De loods ligt in de zuidoostelijke hoek van de scheepswerf aan de dijk, met de noklijn parallel aan de weg.
RM‐45c, IJsseldijk 332: Houten loods uit het einde van de 19e eeuw onderdeel van het scheepswerfcomplex Van Duijvendijk aan de IJsseldijk. De loods ligt in de zuidwestelijke hoek van de werf aan de dijk, met de noklijn haaks op de dijk. Aan het begin van de 20e eeuw. De monumentale panden in het plangebied zijn in het huidige bestemmingsplan voorzien van de aanduiding 'karakteristiek'. Voor panden met deze aanduiding mag de bestaande maatvoering van gebouwen en/of bouwwerken niet worden gewijzigd, tenzij het bevoegd gezag een omgevingsvergunning tot wijziging, afbraak of verwijdering heeft verleend. De twee loodsen binnen het plangebied zijn van hoge monumentale waarde. Voor beide loodsen geldt dat de gevels en de constructie die tot de oorspronkelijk opzet behoren van hoge monumentale waarde zijn. Dit is inclusief de deuren, vensters, kap en dakbedekking. Verder is voor de loods met het woonhuis de indeling van de eerste verdieping met deuren en doorgang naar de aanbouw van hoge monumentale waarde.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
43
Ook voor het woonhuis geldt dat de hoofdopzet bestaande uit gevels, kozijnen, deuren, kap, dakbedekking van hoge monumentale waarde zijn, aangevuld met de keuken en de schouw in de eetkamer. Als laatste geldt dit ook voor de aanbouw, aangevuld met de stalen indeling met inbouw kasten. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het wenselijk om deze onderdelen te behouden. In het geval dat tijdens de werkzaamheden nog verdere monumentale onderdelen tevoorschijn komen, dient aanvullend bouwhistorisch onderzoek te worden uitgevoerd. Verder heeft het scheepswerfcomplex: cultuurhistorische waarde als zeldzaam geworden voorbeeld van een vroeger veel voorkomende industrie langs de grote rivieren; architectuurhistorische waarde als zeldzaam geworden typologisch voorbeeld van een scheepswerf met voor de late 19e en vroege 20e eeuw karakteristieke bebouwing; stedenbouwkundige waarde vanwege de functionele en ruimtelijke relatie van de verschillende onderdelen en hun historisch‐functionele en beeldbepalende situering aan de rivier. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft de scheepswerf aangewezen als Cultureel Erfgoed. Voor wijzigingen is de toestemming van de RCE noodzakelijk.
Alle ontwikkelingen met betrekking tot de loodsen dienen zodoende met de RCE te worden overlegd, waarbij de RCE een adviserende rol heeft bij het opstellen van de uitvraag en beoordeling van mogelijke ontwikkelingen binnen het plangebied. Sinds 2007 (met betrekking tot de oude planvorming, waarvan de uitgangspunten nog steeds gelden) heeft de RCE veelvuldig geadviseerd over de herontwikkeling van beide loodsen. Gelet op de noodzakelijke dijkversterking heeft de RCE de verplaatsing van de smederijloods voorstelbaar geacht. Dit mede doordat het om een verplaatsing van enkele meters gaat binnen het historische werfterrein, waardoor de ensemblewaarden van het complex voor een belangrijk deel behouden blijven. Tevens heeft de RCE ingestemd met een verplaatsingsmethode waarbij de loods voor verplaatsing wordt gedemonteerd aangezien verschuiven of verrollen van de loods in zijn geheel niet uitvoerbaar is. RCE heeft daarnaast een adviserende rol gehad bij de verkoop van de loodsen en zal de RCE betrokken blijven bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de herontwikkeling van de loodsen en zal RCE blijven adviseren over het proces van demonteren, restaureren en herplaatsen van de loodsen. Tevens is door Hylkema Erfgoed een Bouwhistorische verkenning opgesteld ten aanzien van de loodsen.
Hierbij wordt ingegaan op de unieke kenmerken en de mogelijkheden tot het verplaatsen van de smederijloods in relatie tot het historische perspectief. De Bouwhistorische verkenning van Hylkema Erfgoed is als bijlage 3 opgenomen in dit bestemmingsplan. Conclusie In de planvormingsfase is en blijft de RCE nadrukkelijk betrokken. De monumentale panden in dit plangebied worden tevens voorzien van de aanduiding 'karakteristiek'. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor het project.
4.7
Archeologie
Toetsingskader De gemeente Krimpen aan den IJssel onderschrijft de uitwerking van het 'Verdrag van Malta': behoud van het archeologisch erfgoed waar mogelijk en documentatie waar nodig. Hierbij wordt aangesloten op het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. De gemeenteraad heeft op 9 februari 2012 een gemeentelijk archeologisch beleid vastgesteld, waarvan de archeologische verwachtingen‐ en beleidskaart een belangrijk instrument vormt. De kaart toont de archeologische waarden en verwachtingen binnen het gemeentelijk grondgebied en geeft aan hoe de gemeente Krimpen aan den IJssel daarmee wenst om te gaan. De archeologische verwachtingen‐ en beleidskaart is vertaald in het geldende bestemmingsplan 'Kortland'.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
44
Onderzoek Conform het huidige bestemmingsplan 'Kortland' kent het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2a' voor nagenoeg het gehele plangebied. Aan de noordzijde van de insteekhaven geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 6'. Voor gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2a' geldt voor bodemingrepen die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 100 m² hebben een plicht tot het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek. Voor gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 6' geldt de plicht voor een archeologisch vooronderzoek enkel voor bodemingrepen die dieper reiken dan 50 cm in de rivierbodem en die tevens een oppervlakte groter dan 10.000 m² hebben. Voor gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2a' geldt daarmee op basis van de verwachtingen‐ en beleidskaart een hoge verwachtingswaarde. Voor de overige gronden in het plangebied geldt een middelhoge verwachtingswaarde. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Econsultancy een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 4. Op basis van dit onderzoek wordt geadviseerd om de bestaande dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2a' te handhaven voor het zuidelijke en westelijke deel van het plangebied.
Het vervolgonderzoek voor het zuidelijke en westelijke deel van het plangebied kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een archeologische begeleiding van de saneringen en werkzaamheden (IVO‐P‐variant archeologische begeleiding). Hierbij begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden waarbij archeologische waarden bij het aantreffen direct geborgen worden en daarmee ex‐situ worden behouden. Daarnaast adviseert Econsultancy om de amateurarcheologen van Stichting Archeologie te betrekken bij de archeologische begeleiding. Voor het resterende gedeelte van het plangebied kan de dubbelbestemming van het plangebied gehaald worden en dit deel kan worden vrijgegeven voor verdere ontwikkelingen. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Krimpen aan den IJssel wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de provincie Zuid‐Holland of de gemeente Krimpen aan den IJssel. Conclusie Op basis van het archeologisch onderzoek wordt de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie 2a' niet meer opgenomen voor het noordoostelijke deel van het plangebied.
Voor het resterende deel van het plangebied blijft de dubbelbestemming gehandhaafd. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
45
Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
46
Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Onderzoek Gebiedsbescherming en soortenbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied Boezems Kinderdijk ligt op circa 4,9 kilometer. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied Biesbosch ligt op circa 16,2 kilometer. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zuid‐Holland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN grenst ten noorden aan het plangebied (figuur 4.6).
Figuur 4.6 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: Provincie Zuid‐Holland)
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
47
Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Met het rekenmodel Aerius (versie 2022) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatiefase en gebruiksfase (na oplevering van de nieuwe functies) beschouwd. Uit deze berekeningen voor de realisatie‐ en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Het stikstofonderzoek is opgenomen in bijlage 5. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000‐gebied in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming Er is een is een ecologische quickscan verricht, zie bijlage 6. Uit deze quickscan is gebleken dat het gebied in potentie geschikt is voor onder andere gierzwaluwen en vleermuizen. Om deze reden is aanvullend onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7 van dit bestemmingsplan. Hieruit blijkt het volgende: In het projectgebied is een vaste verblijfplaats gewone dwergvleermuis aangetroffen met twee exemplaren. Deze bevindt zich in de zuidelijke punt van de westelijke loods in de voorgevel van het woonhuis.
De herontwikkeling van de locatie kan leiden tot het overtreden van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4 (wegnemen vaste rust‐ en/of verblijfplaatsen). Hiervoor dient een ontheffing te worden aangevraagd. Verder is een verblijfplaats gierzwaluw gevonden met een broedpaar. Ook deze bevindt zich in de voorgevel van het woonhuis. De herontwikkeling van de locatie kan leiden tot het overtreden van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2 (opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten). Hiervoor dient een ontheffing te worden aangevraagd. Daarnaast is een voortplantingsplaats of rustplaats van de bever aangetroffen. Het gaat om de insteekhaven en de oeverzone. De herontwikkeling van de locatie kan leiden tot het overtreden van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4 (beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen). Aanbevelingen De voorgevel van het woonhuis langs de westelijke loods huist verblijfplaatsen van zowel de gewone dwergvleermuis als de gierzwaluw. Voordat werkzaamheden verricht worden die deze gevel ongeschikt maken door deze te vernietigen of te verstoren is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd. Deze kan aangevraagd worden bij de Provincie.
Hiervoor dient een activiteitenplan te worden opgesteld met een overzicht van de verschillende mitigerende‐ en compenserende maatregelen die getroffen zullen worden. De insteekhaven en de oeverzone zijn een rustplaats/voortplantingsplaats voor de bever. Werkzaamheden die de inrichting van deze zone veranderen kunnen niet worden uitgevoerd zonder ontheffing. Een ontheffing kan worden verkregen door bij de Provincie aan te tonen dat er gepaste maatregelen worden genomen. Om gepaste maatregelen te treffen omtrent de functies van de bever is nog nader onderzoek benodigd. Dit omdat momenteel nog niet uitgesloten kan worden dat er ook een beverburcht in het plangebied gelegen is. Omtrent een ontheffingsaanvraag geldt in de regel dat de procedure vereenvoudigt en doorgaans verkort kan worden door meer mitigerende en compenserende maatregelen te treffen dan wettelijk verplicht. Vanwege de aanwezigheid van vleermuizen en gierzwaluwen wordt er op dit moment een activiteitenplan opgesteld. Het aanvullende onderzoek naar de bever wordt in het voorjaar van 2022 afgerond. Op basis van het beveronderzoek wordt vastgesteld of daar ook maatregelen voor nodig zijn en een ontheffing aangevraagd moet worden. Voor de dwergvleermuis en de gierzwaluw en mogelijk voor de bever wordt in het voorjaar van 2022 ontheffing aangevraagd.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
48
Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Water
Inleiding De initiatiefnemers van een ruimtelijk plan behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van deze ruimtelijke onderbouwing wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Hoogheemraadschapsbeleid Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder: HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022‐2027, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, de algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie: www.hhsk.nl). In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater‐ en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen.
Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen.
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
49
De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan: Het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe; De waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen; Het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan‐ en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd; Het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert. In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn. Huidige situatie De locatie bestaat uit de voormalige scheepswerf met insteekhaven en bijbehorende gronden. In het plangebied zijn tevens een loods en woonhuis gelegen. Het plangebied ligt grotendeels buitendijks. Rijkswaterstaat is de waterbeheerder in het buitendijkse gebied. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Het maaiveld ligt op circa ‐1,2 meter ten opzichte van het NAP.
Waterkwantiteit In het plangebied bevindt zich de insteekhaven en ten noorden grenst de Hollandsche IJssel aan het plangebied. Verder zijn er in het plangebied geen watergangen gelegen.
Figuur 4.7 Uitsnede Legger Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard
Rho adviseurs voor leefruimte
054200.20211380
50
Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Ten zuiden van het plangebied grenst de primaire waterkering de IJsseldijk. Het plangebied bevindt zich in de kern‐ en beschermingszone hiervan. Voor werkzaamheden in de kern‐ en beschermingszone is een watervergunning benodigd. Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Toekomstige situatie Het voornemen betreft de ontwikkeling van woningbouw en de bestaande (monumentale) loodsen in het plangebied van een nieuwe functie te voorzien. Waterkwantiteit Bebouwingsoppervlakte Het plangebied is in de huidige situatie bijna volledig onbebouwd. In het plangebied zijn twee monumentale loodsen aanwezig. De westelijke loods, het Zellinghuis, blijft gehandhaafd op de huidige locatie. Een gedeelte van het niet monumentale gedeelte van deze loods wordt gesloopt en nieuw gebouwd. In de nieuwe situatie is de bebouwingsoppervlakte van deze loods gelijk aan de bebouwingspercentage in de huidige situatie. De oostelijke loods, de Smederijloods, wordt verplaatst binnen het plangebied.
De afmetingen van deze monumentale loods blijven gelijk. Ten westen van de insteekhaven worden maximaal 11 woon‐werkwoningen aan het plangebied toegevoegd. De maximale bebouwingsoppervlakte van deze woningen bedraagt circa 700 m². Tot slot wordt ten oosten van de insteekhaven een woongebouw gerealiseerd. De bebouwingsoppervlakte van dit woongebouw bedraagt inclusief parkeergarage en daktuin 2.900 m². De bebouwingsoppervlakte in het plangebied neemt daarmee toe met 3.600 m². Verhard oppervlakte Op diverse plaatsen in het plangebied is in de huidige situatie verharding aanwezig. Het gaat hierbij om de dwarshelling van de scheepswerf, verharding ter plaatse van het Zellinghuis (circa 600 m²) en verharding aan de oostzijde van het plangebied (circa 1.600 m²). In de toekomstige situatie blijft de dwarshelling grotendeels verhard. Een deel van de verharding van de scheepshelling zal worden verwijderd om ruimte te maken voor waterbeplanting. De overige verharding zal uit het plangebied worden verwijderd. In de nieuwe situatie wordt op het binnenterrein van het woongebouw, aan de oostzijde van het plangebied, een parkeerterrein gerealiseerd met een oppervlakte van circa 1.100 m². Tot slot wordt een groot gedeelte van het toekomstige openbaar gebied verhard.
Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de verblijfsgebieden rondom de kades, toekomstige parkeervoorzieningen rondom het Zellinghuis en het verblijfsgebied aan de kop van de insteek haven. Deze oppervlakte bedraagt circa 5.500 m². Het verharde oppervlakte neemt daarmee met circa 4.400 m² toe. De totale toename aan verharding bedraagt hiermee circa 8.000 m2. Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard stelt er voor en toename van verhard oppervlak hoeft geen compenserende waterberging gerealiseerd hoeft te worden indien het hemelwater niet wordt geloosd op binnendijks gelegen oppervlaktewaterlichamen. Hiervan is geen sprake. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang gedurende de aanlegfase om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken.