CConstaterende datKrimpen Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Bestemmingsplan KOAG Driekamp

Gemeenteraad 25 april 2024, gemeente Krimpen Ad IjsselBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan en grondexploitatie KOAG Driekamp19.677 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGSPLAN HERONTWIKKELING KOAG/DRIEKAMP Krimpen aan den IJssel 18 april 2024

1/2

Herontwikkeling KOAG/Driekamp

Krimpen aan den IJssel

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0542.BPKLKOAGDriekampva01

02-09-2022 24-10-2023 18-04-2024

concept ontwerp vastgesteld

projectnummer:

20210309 opdrachtleider:

Weena 505 Postbus 150 3000 AD Rotterdam T: 010-20 18 555 E-mail: info@rho.nl

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave

Toelichting

7

Hoofdstuk 1

Inleiding

9

1.1

Aanleiding

9

1.2

Ligging plangebied

10

1.3

Vigerend bestemmingsplan

10

1.4

Leeswijzer

11

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

13

2.1

Huidige situatie

13

2.2

Beoogde situatie

14

Hoofdstuk 3

Beleidskader

17

3.1

Rijksbeleid

17

3.2

Provinciaal beleid

19

3.3

Gemeentelijk beleid

23

Hoofdstuk 4

Sectorale aspecten

25

4.1

Verkeer en parkeren

25

4.2

Wegverkeerslawaai

29

4.3

Bedrijven en milieuhinder

30

4.4

Externe veiligheid

32

4.5

Luchtkwaliteit

35

4.6

Bodemkwaliteit

36

4.7

Ecologie

37

4.8

Archeologie en Cultuurhistorie

41

4.9

Water

42

4.10

Kabels en leidingen

45

4.11

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

46

Hoofdstuk 5

Juridische regeling

47

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

49

6.1

Economische uitvoerbaarheid

49

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49

3/104

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Archeologisch onderzoek

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 3

Stedenbouwkundig plan

Bijlage 4

Geluidsonderzoek

Bijlage 5

Lichtonderzoek

Bijlage 6

Bodemonderzoek

Bijlage 7

Stikstofmemo

Bijlage 8

Quickscan ecologie

Bijlage 9

Nader ecologisch onderzoek

Bijlage 10

Verslag bewonersavond november 2020

Bijlage 11

Notitie verwerking inspraakreacties

Bijlage 12

Brief omwonenden 28 april 2022

Bijlage 13

Vormvrije mer beoordeling

Bijlage 14

Nota van zienswijzen

Regels Hoofdstuk 1

81 Inleidende regels

83

Artikel 1

Begrippen

83

Artikel 2

Wijze van meten

88

Bestemmingsregels

89

Artikel 3

Groen

89

Artikel 4

Water - 1

90

Artikel 5

Woongebied

91

Artikel 6

Waterstaat - Waterstaatkundige functie

94

Hoofdstuk 3

Algemene regels

97

Artikel 7

Antidubbeltelregel

97

Artikel 8

Algemene bouwregels

97

Artikel 9

Algemene gebruiksregels

100

Artikel 10

Algemene afwijkingsregels

101

Artikel 11

Algemene wijzigingsregels

102

Artikel 12

Overige regels

102

Overgangs- en slotregels

103

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

4/104

5/104

Artikel 13

Overgangsrecht

103

Artikel 14

Slotregel

104

6/104

TOELICHTING

8/104

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Driekamp in Krimpen aan den IJssel bevindt zich een sportaccommodatie met korfbal- en hockeyverenigingen. De locatie ligt ingesloten tussen de woongebieden aan de Trimbaan en de Groenplaats. Aan de noordzijde grenst dit complex aan de grote oude percelen met monumentale panden langs de IJsseldijk. Aan de overzijde van de Driekamp zijn de nieuwe sportaccommodaties van het Krimpenerwaardcollege ontwikkeld. Deze worden ook gebruikt door de korfbalvereniging Korfballen Ons Aller Genoegen (KOAG). Hierdoor zijn de voormalige twee velden van KOAG vrijgekomen voor herontwikkeling met nieuwe woningen. Deze twee velden liggen aan de westzijde van het sportcomplex aan de Driekamp. Op dit complex liggen aan de oostzijde de twee velden en accommodatie van Mixed Hockey Club (MHC) Krimpen . In de accommodatie van de hockeyvereniging heeft de gemeente recent geïnvesteerd. Deze vereniging wordt gehandhaafd op de huidige locatie aan de Driekamp. De korfbalvelden kunnen, aansluitend aan de woonbebouwing van de Groenplaats, als woongebied ontwikkeld worden. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de woningbouwtaakstelling van de gemeente. Op 2 juni 2022 zijn de stedenbouwkundige kaders (bijlage 3) voor de herontwikkeling vastgesteld door de gemeenteraad. De herontwikkeling is niet passend binnen het geldende bestemmingsplan.

Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

9/104

1.2

Ligging plangebied

Figuur 1.1 geeft de ligging van het plangebied weer. Het plangebied is omgeven door bomensingels. Aan de noordzijde grenst het aan monumentale panden langs de IJsseldijk. Aan de oostzijde grenst de locatie aan de velden van MHC Krimpen. Ten westen van het plangebied bevinden zich woningen (Groenplaats en Plantage). Tot slot wordt het plangebied aan de zuidzijde begrensd door de Driekamp.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: ArcGis luchtfoto 2022)

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan is '(Veeg)-bestemmingsplan Kortland', vastgesteld op 20 september 2018. In dit veegplan zijn de uitgangspunten van het oorspronkelijke plan, bestemmingsplan 'Kortland', overeind gebleven. Het veegplan bevat aanpassingen op onderdelen, voor het overige blijft het moederplan 'Kortland' en de hierbij behorende toelichting van toepassing. In het 'Veeg-bestemmingsplan Kortland' zijn voor het plangebied geen wijzigingen aangebracht. Figuur 1.2 geeft daarom de uitsnede van bestemmingsplan 'Kortland' (vastgesteld op 13 juni 2013) weer. Het plangebied is bestemd als 'Sport'. De sportvelden vallen binnen het bouwvlak. Ter plaatse geldt de dubbelbestemming archeologie.

10/104

Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Kortland' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 komt de ruimtelijke analyse van het plangebied aan de orde en wordt het initiatief beschreven. Vervolgens wordt de ontwikkeling in hoofdstuk 3 aan het actuele beleidskader getoetst dat relevant is voor het plangebied. In hoofdstuk 4 worden de relevante omgevingsaspecten en de bijbehorende onderzoeken beschreven. Een toelichting op de juridische regeling van het plan is opgenomen in hoofdstuk 5. Tenslotte gaat hoofdstuk 6 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

11/104

12/104

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

Het plangebied betreft de voormalige korfbalvelden van korfbalvereniging KOAG. De locatie bevindt zich aan de noordoostzijde van de wijk 'Kortland'. Rondom de ontwikkellocatie is het volgroeid met boomsoorten en onderbeplanting. De locatie heeft een totale oppervlakte van circa 1.67 hectare. Het perceel wordt ontsloten door een doorgaande buurtontsluitingsweg (50km) de Driekamp. Langs de Driekamp aangrenzend aan het plangebied ligt momenteel een rij haakse parkeervakken. Aan de westkant gelegen Groenplaats bevinden zich woningen. Deze woningen zijn op de begane grond naar achteren uitgebouwd. Daarachter ligt aan de Groenendaal het wooncomplex Plantage. Aan de noordkant grenst het gebied aan de dijkzone IJsseldijk met twee Rijks-monumentale boerderij-ensembles.

Figuur 2.1: Huidige situatie plangebied (bron: Stedenbouwkundig kader herontwikkeling KAOG/Driekamp, 20 april 2022, Rho Adviseurs)

13/104

2.2

Beoogde situatie

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 40 woningen. Op 2 juni 2022 zijn de stedenbouwkundig kaders voor de ontwikkeling KOAG Driekamp (Bijlage 3) vastgesteld door de gemeenteraad. Deze uitgangspunten zijn de basis voor het voorliggend bestemmingsplan. Figuur 2.2 geeft het stedenbouwkundig kader van het plangebied KOAG Driekamp weer.

Figuur 2.2 Stedenbouwkundig kader KOAG/Driekamp (bron: Stedenbouwkundig kader herontwikkeling KAOG/Driekamp, 20 april 2022, Rho Adviseurs) Binnen het plangebied worden woningen gerealiseerd. In het stedenbouwkundig kader zijn twee mogelijke uitwerkingen beschreven van de bouwplannen. Variant 1 omvat circa 30 rijwoningen en twee-onder-één-kap en vrijstaand geschakelde woningen. Variant 2 is een bijzondere woonvorm voor senioren (meerdere generaties) rondom een collectieve tuin/hof. Dit betreffen maximaal 40 woningen, waarvan maximaal 12 als BEBO mogen worden uitgevoerd. De goot- en bouwhoogte bedragen maximaal respectievelijk 6,5 en 11 meter in aansluiting op de hoogte van de bebouwing in de directe omgeving. Bouwvlak Voor het bouwvlak dient minimaal 30 meter afstand te worden gehouden vanuit de gevel van het gebouw de Plantage. Met de voor- of achtergevels minimaal 22 meter uit de achtergevel van de woningen langs de Groenplaats. Aan de oostkant ligt het bouwvlak 30 meter uit de bestaande hockeyvelden. Aan de zuidzijde ligt het bouwvlak op een afstand van 23,5 meter aan de wegkant van de Driekamp. Tot slot ligt het aan de noordkant 9,5 meter uit de waterlijn.

14/104

Water en randen De bestaande watergangen aan de west- en noordkant worden gehandhaafd en zo nodig verbreed aan de zijde van het plangebied. Rond het sportcomplex van MHC Krimpen wordt de waterloop weer rondgetrokken door de aanleg van een watergang en groenstrook aan de oostzijde van het te ontwikkelen woongebied. De bestaande windsingels aan de west- en noordzijde worden gehandhaafd en krijgen een kwaliteitsimpuls op basis van het rapport van Bomenwacht Nederland d.d. 26 februari 2021. Geluid In het stedenbouwkundig kader geldt een richtafstand van 30 meter voor de scheiding van woningen en sportvelden. De richtafstand is niet altijd voldoende om de hinder ten gevolge van stemgeluid en sportgeluiden te voorkomen. In bijlage 4 is in het kader van een goede ruimtelijke ordening, een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek is geconcludeerd dat er maatregelen nodig zijn. Als eerste stap is buiten het plangebied een geluidscherm met een hoogte van 2,5 meter langs de velden geplaatst.

15/104

16/104

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: 1. dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; 2. met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; 3. waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; 4. met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; 5.

waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten. 6. dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; 7. waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; 8. dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

17/104

Voor dit project relevante nationale belangen zijn:  Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.  Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.  Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn:  Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit  Ruimte voor overgang naar een circulaire economie  Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden  Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fietsen wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.

Barro Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van andere overheden, is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en bevat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. In het gebied gelden geen rechtstreeks doorwerkende belangen. Toetsing Het mogelijk maken van de nieuwe woningen in het bestaand stedelijk gebied van Krimpen aan den IJssel past binnen het rijksbeleid.

18/104

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 2012, actualisering 2017) Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe te borgen is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voor binnenstedelijke projecten moet de behoefte in de relevante regio worden beschreven. Voor stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit de handreiking ladder voor duurzame verstedelijking (bron: Infomil) en jurisprudentie blijkt dat een ontwikkeling van minder dan 12 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Toetsing In dit geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Het gaat om meer dan 11 woningen. Omdat de provincie Zuid-Holland een eigen systematiek voor toetsing aan de ladder heeft vastgelegd in de Omgevingsverordening, vindt toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking plaats in paragraaf 3.2.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie (geconsolideerd 2020) Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland. Deze ambities zijn:  Naar een klimaatbestendige delta;  Naar een nieuwe economie: the next level;  Naar een levendige meerkernige metropool;  Energievernieuwing;  Best bereikbare provincie;  Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Voor de beoogde ontwikkeling is de opgave "Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied" van belang. Deze opgave betreft de zorg voor een goede ruimtelijke ontwikkeling, binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Onderdeel van deze opgave is het bevorderen van een optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte. De beleidskeuze hierbij is verstedelijking en wonen: De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid.

Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw

19/104

binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend met het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn bij voorkeur energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) e bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland 2019 (geconsolideerd 2020) De omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Voor de beoogde ontwikkeling zijn artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit en 6.10 Stedelijke ontwikkelingen relevant. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:  zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en  het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:  een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en  het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het

20/104

bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Toetsing De provincie kiest ervoor om stedelijke functies zoveel mogelijk in bestaand stedelijk gebied te concentreren. Hiermee wordt de leefkwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt. Het plangebied ligt op de kwaliteitskaart binnen het 'rivierdeltacomplex' (Laag van de ondergrond). Op de kaart Laag van de stedelijke occupatie ligt het plangebied binnen 'Stedelijke groen- en waterstructuur'.

Figuur 3.1: Uitsnede kwaliteitskaart, laag van de stedelijke occupatie Met betrekking tot artikel 6.9 betreft het voorliggende plan "aanpassen". De ontwikkeling past binnen het bestaand bebouwd gebied. In paragraaf 2.2 is ingegaan op de inpassing van het plan binnen de bestaande structuren. Het plan voldoet aan de eisen voor ruimtelijke kwaliteit. Door hergebruik van een vrijgekomen locatie wordt voldaan aan de voorkeursvolgorde voor verstedelijking: allereerst het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stedelijk gebied en daarna het benutten van locaties aansluitend aan stedelijk gebied. De voormalige sportvelden zijn reeds verplaatst naar een nieuwe locatie aan de Groene Wetering. Krimpen aan den IJssel maakt deel uit van het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam. In januari 2019 is het Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018-2030 vastgesteld. De 14 regiogemeenten hebben daarin afgesproken om het aantal woningen in de regio met 54.000 uit te breiden. Specifieke afspraken zijn gemaakt over de ontwikkeling en het realiseren van een meer evenwichtige spreiding over de regio van de sociale

21/104

voorraad. Het project Centrum-Zuid vormt, met een wezenlijk aandeel sociale huurwoningen, een belangrijk onderdeel van de door Krimpen geformuleerde bijdrage aan het Regioakkoord. De ontwikkeling is in lijn met het provinciaal beleid.

22/104

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Woonvisie 2020-2030 De gemeenteraad van Krimpen aan den IJssel heeft in januari 2021 de woonvisie 2020-2030 vastgesteld. In de Woonvisie wordt ingezet op de bestaande kwaliteiten van Krimpen, zoals het dorpse karakter, de saamhorigheid en gemoedelijkheid die daarbij horen, en de groene woonomgeving met de nabijheid van de natuur. De belangrijkste trend die van invloed is op de woningbehoefte is de vergrijzing, die gepaard gaat met minder gezinnen, meer stellen zonder kinderen en eenpersoonshuishoudens. Toch streeft de gemeente ook naar een meer evenwichtige bevolkingsopbouw en bijbehorende woningvoorraad. Daarom wordt expliciet ingezet op het vasthouden van meer jongeren en jonge gezinnen. Bij het ramen van de woningbehoefte is hiermee nadrukkelijk rekening gehouden. Op basis van het ‘minder vertrek van jongeren’-scenario laat de bevolkingsprognose een verwachte groei zien van 555 huishoudens tot 2030. Die groei sluit in grote lijn aan bij het woningbouwprogramma. De woningbehoefteprognose laat zien dat de vraag naar eengezinswoningen gaat afnemen en dat er steeds meer behoefte ontstaat aan appartementen in de koop, maar vooral naar appartementen (met name voor senioren en starters) en eengezinswoningen in de huur (voor stellen en gezinnen).

Toetsing De stedenbouwkundige kaders zijn gebaseerd op de ambities uit de Woonvisie 2020-2030, hiermee sluit de ontwikkeling aan bij de Woonvisie. De ontwikkeling van de woningen in Kortland levert een bijdrage aan het woningaanbod. 3.3.2 Structuurvisie 2003-2020 (2004) De gemeente Krimpen aan den IJssel heeft in september 2004 de structuurvisie 'Ruimte voor Ontwikkeling, een structuurvisie voor Krimpen aan den IJssel' vastgesteld. Deze structuurvisie stuurt vooral op beheer, ontwikkeling en vernieuwing van het bestaande stedelijk gebied. Veranderende maatschappelijke omstandigheden en de daarmee samenhangende veranderende behoeften van de bevolking dienen hierbij als uitgangspunten voor onderhoud en aanpassing van het bestaand stedelijk gebied. Toetsing De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders van de gemeentelijke structuurvisie waarin wordt ingezet op vernieuwing van het bestaande stedelijk gebied. Concreet is aangegeven dat de sportlocaties een nieuwe locatie krijgen en dat de hiermee vrijkomende locaties worden herontwikkeld tot woningbouw, afgestemd op de specifiek ruimtelijke aard van de omgeving. De herontwikkeling van deze sportvelden naar woningen is daarom in lijn met de structuurvisie.

23/104

24/104

Hoofdstuk 4 4.1

Sectorale aspecten

Verkeer en parkeren

Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. De parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van de gemeentelijke Verkeer- en Vervoervisie (Herziening 2020). Hierin wordt verwezen naar de meest recente parkeerkencijfers van het CROW. Op het moment van opstellen van dit bestemmingsplan is dat de publicatie 381. Daarom wordt voor het berekenen van de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie gebruik gemaakt van CROW-publicatie 381. Het Verkeer- en Vervoervisie hanteert een gebiedsindeling. Hieruit valt af te leiden dat de ontwikkeling in categorie 2 valt. Categorie 2 heeft een stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk' en de ligging 'rest bebouwde kom'. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetal het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. Ligging plangebied Gemotoriseerd verkeer Het plangebied zal worden ontsloten op de Driekamp. Daarnaast is de Groenendaal een belangrijke weg voor de afwikkeling.

De Driekamp en de Groenendaal zijn gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/uur. Fiets verkeer Op de Driekamp deelt de fietser de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer. Aan weerszijden van de Driekamp zijn fietssuggestiestroken aanwezig. Langs de Groenendaal ligt aan weerszijde van de rijbaan een fietspad. Vanuit het plangebied is een verkeersverbinding beoogd ten noorden van het wooncomplex De Plantage en aansluitend op de Groenendaal. Openbaar vervoer Op circa 400 meter loopafstand van het plangebied ligt langs de Middenwetering de bushalte Middenwetering, waar elk uur buslijn 196 halteert tussen Capelsebrug Hoog, Rotterdam en Station Gouda. Beoogde ontwikkeling Voor het bestemmingsplan wordt worst-case uitgegaan van maximaal 40 grondgebonden koopwoningen, bestaande uit 28 rijwoningen en 12 beneden bovenwoningen.

25/104

Verkeersgeneratie Bij het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van CROW publicatie 381. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit voor de kengetallen het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt op basis van het Verkeer- en Vervoervisie uitgegaan van de locatie 'rest bebouwde kom' en de stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk'. De verkeersgeneratie is bepaald voor een gemiddelde weekdag en een gemiddelde werkdag. De CROW-kengetallen gaan uit van weekdagintensiteiten. De gemiddelde werkdagintensiteit is bepaald door gebruik te maken van een omrekenfactor 1,11 welke CROW-381 noemt voor woonfuncties. Bestaande situatie Met de realisatie van het plan komen enkele korfbalvelden te vervallen. Met het vervallen van de sportvelden kan de verkeersgeneratie van deze velden in mindering worden gebracht op de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie. Het CROW kent geen kencijfers voor de verkeersgeneratie van korfbalvelden. Daarom wordt de verkeersgeneratie van de korfbalvelden bepaald aan de hand van verschillende uitgangspunten. Volgens de site korfbalvereniging heeft de club circa 350 leden en circa 25 teams. Uit ervaringscijfers blijkt dat de meeste teams trainen gemiddeld 2x per week, echter geldt dit niet voor teams met kleine kinderen en de veteranen-teams.

Deze teams trainen meestal 1x per week. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt er daarom uitgegaan van 1,8 trainingen per week en 1 wedstrijd per week. Uit ervaringscijfers blijkt dat voor voetbal- en hockeyverenigingen kan worden uitgegaan van twaalf motorvoertuigbewegingen (zes motorvoertuigen) per team per training en 24 motorvoertuigbewegingen (12 motorvoertuigen) per team per wedstrijd. Doordat korfbalteams minder grote teams hebben worden de ervaringscijfers omgerekend. Het gemiddelde voetbalteam bestaat uit circa 18 leden. Dit betekent dat elke 18 leden een verkeersgeneratie heeft van 12 mvt/etmaal (training) en 24 mvt/etmaal (wedstrijd). Omgerekend naar teams van 10 leden bedraagt de verkeersgeneratie het volgende:  Training: (12/18)*10= 6,7 mvt/etmaal per team;  Wedstrijd: (24/18)*10= 13,3 mvt/etmaal per team. Op basis van bovenstaande uitgangspunten kan de verkeersgeneratie als volgt worden berekend:  Training: 25*1,8= 45 trainingen per week  Wedstrijden: 25*1= 25 wedstrijden per week  Verkeersgeneratie training: 45*6,7= 301,5 motorvoertuigbewegingen per week  Verkeersgeneratie wedstrijd: 25*13,3= 332,5 motorvoertuigbewegingen per week  Totaal: 301,5+332,5= 634 motorvoertuigbewegingen per week  634/7= 91 mvt/etmaal  Uitgegaan wordt van een evenredige verdeling van de verkeersomvang over de week.

26/104

Tabel 1 Verkeersgeneratie huidige situatie Functie Korfbalvelden

Functie CROW 381

Kengetal

Sportvelden

Totaal

verkeersgeneratie weekdag

werkdag

91,0

91,0

91

91

Toekomstige situatie Zoals eerder aangegeven wordt er voor dit bestemmingsplan uitgegaan voor 40 woningen, bestaande uit 28 rijwoningen en 12 beneden bovenwoningen. Het CROW kent geen kencijfers voor beneden bovenwoningen, daarom wordt er aangesloten bij de kencijfers voor dure koop appartementen. Tabel 2. Verkeersgeneratie toekomstige situatie Woningtype

aantal

Functie CROW 381

Kengetal

verkeersgeneratie weekdag

werkdag

Grondgebondenwoningen 28

Koop, huis, tussen/hoek

7,1 p. woning 198,8

220,7

Beneden bovenwoningen

12

Koop, appartement, duur

7,1 p. woning 85,2

94,6

Totaal

40

284

316

De verkeersgeneratie voor een gemiddelde werkdag is bepaald door de weekdagintensiteit te vermenigvuldigen met factor 1,11 (CROW publicatie 381). De toename van de verkeersgeneratie na planontwikkeling kan worden bepaald door de verkeersgeneratie van de bestaande te vervallen functies (91 mvt/etmaal) in mindering te brengen op de verkeersgeneratie van de toekomstige ontwikkeling (316 mvt/etmaal). Per saldo leidt dit tot een toename van de verkeersgeneratie van 225 (316 - 91) mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Tabel 3. Verkeersgeneratie per saldo Verkeersgeneratie werkdag (mvt/etmaal) Bestaande situatie

91

Toekomstige situatie

316

Per saldo

225

Verkeerstoedeling Het plan wordt via één aansluiting ontsloten op de Driekamp. Op basis van de navigatietool van Google Maps is een inschatting gemaakt van de toedeling van het verkeer vanaf het plangebied ter hoogte van de aansluiting op de Driekamp. In figuur 4.1 is de verdeling van het verkeer weergegeven.

27/104

Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid Voor beoordeling van de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie tijdens het maatgevende uur van belang. Als vuistregel geldt dat de verkeersomvang tijdens het maatgevende uur circa 10% van de etmaalwaarde bedraagt. In dit geval gaat het in het drukste uur op werkdagen dan om (225 *10%) om 23 voertuigen. Deze geringe toename van verkeer kan zonder problemen worden afgewikkeld op de omliggende kruispunten en wegen en zal niet leiden tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling. Voor de beoordeling van de verkeersveiligheid kan gesteld worden dat met de geringe toename van het verkeer na planontwikkeling (23 motorvoertuigen in het drukste uur) dit geen effect heeft op de verkeersveiligheid. De verkeersveiligheid wordt dan ook niet negatief beïnvloed als gevolg van het plan. Parkeren De parkeerbehoefte is berekend op basis van de parkeerkencijfers van CROW-publicatie 381. Tabel 4. Normatieve parkeerbehoefte bewoners en bezoekers Functie

Aantal woningen

Kengetal

Parkeerbehoefte

Koop, huis, tussen/hoek

28

1,9 per woning

53,2 pp

Koop, appartement, duur

12

2,0 per woning

24 pp

Totale parkeerbehoefte

78 pp

De totale normatieve parkeerbehoefte bedraagt afgerond 78 parkeerplaatsen. Dubbelgebruik Om de parkeerbehoefte te bereken met het toepassen van dubbelgebruik wordt er gebruik gemaakt van de aanwezigheidspercentages. De aanwezigheidspercentages zijn afkomstig van CROW-publicatie 381. Onderstaande tabel laat zien op welk moment in de week de vraag van deze doelgroepen het grootst is, rekening houdend met het dubbelgebruik van parkeerplaatsen.

28/104

Tabel 5. Parkeerbehoefte met dubbelgebruik Werkdag woning bewoner Woning bezoek Totaal

Koopavond

ochtend

middag

avond

nacht

50%

50%

90%

100%

32,6

32,6

58,7

10%

20%

1,2 33,8

Zaterdag

Zondag

ochtend

middag

middag

80%

60%

80%

70%

65,2

52,2

39,1

52,2

45,6

80%

0%

70%

60%

100%

70%

2,4

9,6

0,0

8,4

7,2

12,0

8,4

35,0

68,3

65,2

60,6

46,3

64,2

54,0

Op het maatgevende moment (werkdagavond) bedraagt de parkeerbehoefte afgerond 69 (68,3) parkeerplaatsen. Variant Bijzondere woonvorm voor senioren Een mogelijk scenario is de ontwikkeling van een wooncluster voor zelfstandig wonende senioren (50+). Het autobezit van jongere senioren blijkt niet lager dan het landelijk gemiddelde, in tegenstelling tot 75 plussers. Volgens gegevens van het CBS is het gemiddelde autobezit van de categorieën '50 tot 65 jaar' en '65 tot 75 jaar' zelfs hoger dan het landelijk gemiddelde. Hierdoor worden vooralsnog geen lagere parkeernormen gehanteerd op basis van de beoogde doelgroep van en dergelijke ontwikkeling. Bij een ontwikkeling van een specifiek woonconcept zal in de loop van het proces aan de hand van inventarisatie onder belangstellenden moeten worden beoordeeld of een aangepaste parkeernorm kan worden aangehouden, waarbij minimaal een norm van 1,3 pp/w wordt aangehouden (1 per woning + 0,3 voor bezoekers). In dat geval zouden er 52 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. De totale parkeervraag zal worden opgelost binnen het plangebied. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst aan de gemeentelijke parkeernomen. Dit is geborgd in artikel 8.6.

4.2

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) aangewezen als geluidgevoelige objecten. Hiervoor dient akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden indien deze liggen binnen de geluidzone van wettelijk gezoneerde wegen. In dit geval liggen de nieuwe woningen in de geluidzones van de Driekamp en de Groenendaal. Onderzoek Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is toegevoegd in Bijlage 2. Uit de berekende geluidbelastingen vanwege de Driekamp en de Groenendaal blijkt dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. De hoogste berekende geluidbelasting is 47 dB vanwege de Driekamp en 35 dB vanwege de Groenendaal. Het laten vaststellen van hogere waarden is niet aan de orde.

29/104

Conclusie De ontwikkeling kan worden gerealiseerd binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van woningbouw.

4.3

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek In de beoogde situatie worden woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.

In de omgeving van het plangebied bevinden zich behalve woningen ook andere functies (maatschappelijke functies en bedrijven) waardoor de omgeving van het plangebied getypeerd kan worden als een 'gemengd gebied'. Ten oosten van het plangebied bevinden zich twee hockeyvelden die in milieucategorie 3.1 vallen met een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Het maatgevende aspect betreft geluid. Het bouwvlak ligt op een afstand van 30 meter. Er wordt voldaan aan deze richtafstand. In 2019 is er een geluidsonderzoek uitgevoerd door Rho Adviseurs (bijlage 4). Uit dit onderzoek kwam naar voren dat maatregelen nodig zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Wanneer een geluidscherm langs de velden wordt opgericht, wordt bij de meeste woningen voldaan aan de richtafstanden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Bij enkele woningen is sprake van een overschrijding met slechts 1 dB. In de avondperiode wordt er weliswaar niet bij alle toetspunten voldaan aan de richtafstanden voor het maximale geluidsniveau, maar er zijn voldoende argumenten om te kunnen spreken van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Langs de hockeyvelden is een geluidsscherm met een hoogte van 2,5 meter opgericht. Dit geluidsscherm is in 2022 in het kader van renovaties op het hoofdveld geplaatst. Ook is de boarding voorzien van dempende materialen.

30/104

Figuur 4.3.1 Ligging geluidscherm langs de sportvelden Ten zuiden van het plangebied bevindt zich het gezondheidscentrum Krimpen dat in milieucategorie 1 valt met een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied. Er wordt voldaan aan deze richtafstand. Lichthinder De lichthinderberekeningen (bijlage 5) zijn berekend conform de nieuwe Richtlijnen voor Lichthinder 2020 van de NSvV welke in 2021 definitief is geworden. Volgens het onderzoek is er conform de nieuwe Richtlijnen voor Lichthinder geen lichthinder. Conclusie Uit het geluidsonderzoek kwam naar voren dat een geluidscherm noodzakelijk is tussen de beoogde ontwikkeling en de hockeyvelden. Verder wordt voldaan aan de richtafstanden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

31/104

4.4

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 meter binnen de transportroute.

32/104

Onderzoek

Figuur 4.4.1 Uitsnede risicokaart Uit de informatie op de risicokaart (www.atlastleefomgeving.nl) blijkt dat ten zuidwesten van het plangebied zich een binnenvaartroute (Corridor Rotterdam – Duitsland) bevindt met een invloedsgebied van 1.070 meter als gevolg van het vervoer van stofcategorie GT3. Het plangebied bevindt zich op circa 2,6 kilometer van deze vaarroute. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de vaarroute, waardoor er geen verantwoording nodig is en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Op een afstand van circa 1,2 kilometer ten zuiden van het plangebied bevindt zich aardgasleiding W-512-02. De grootte van de buisleiding is 6 inch en de maximale werkdruk 40 bar, het bijbehorende invloedsgebied is 70 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. De buisleiding A-518 bevindt zich circa 1,9 kilometer ten oosten van het plangebied. Met een grootte van 30 inch en werkdruk van 66 bar is het invloedsgebied van de buisleiding 380 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden.

33/104

Ten noorden van het plangebied bevindt zich het spoortraject Rotterdam Blijdorp – Gouda waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd van o.a. de stofcategorie D4. Het invloedsgebied van dit spoortraject bedraagt 4 kilometer. De afstand van het plangebied tot dit spoortraject is circa 3,6 kilometer. Omdat dit groter is dan 200 meter, kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via de Driekamp in Krimpen aan den IJssel. Deze weg sluit aan op de Groenendaal, die vervolgens aansluit op het verdere wegennetwerk van Krimpen aan den IJssel zoals de N210. Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht.

Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

Conclusie Uit de beknopte verantwoording komt naar voren dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet verslechteren en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

34/104

4.5

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5.1 weergegeven. Tabel 4.5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijnstof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijnstof (PM2,5)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m 2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van maximaal 40 woningen. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Driekamp, direct ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties

35/104

luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 18,2 µg/m³ voor NO2, 17,4 µg/m³ voor PM10 en 9,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.6

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en ernst van bodemverontreiniging wordt gevormd door de Wet bodembescherming (Wbb). Op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater wordt bepaald of, conform de Wbb, sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico's voor mens en ecosystemen vervolgens onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Als een sanering spoedeisend is, dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering. Als geen sprake is van een spoedeisende sanering, kan sanering worden uitgesteld totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit goed genoeg is om te bebouwen ten behoeve van de toegekende bestemming (bodemgeschiktheids-verklaring): er mag pas worden gebouwd als de bodem schoon genoeg is bevonden. In het kader van de bouwplannen zal - afhankelijk van de aan te vragen activiteit - de bodem ter plaatse nader worden onderzocht. Indien nodig zal de bodem voorafgaand of tijdens de bouw geschikt gemaakt worden op basis van de "Nota vergunningverlening, toezicht en handhaving 2018-2021 ".

Onderzoek Er is een bodemonderzoek uitgevoerd voor de beoogde ontwikkeling. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Op grond van de onderzoeksresultaten bestaat er geen aanleiding voor het uitvoeren van vervolgonderzoek en zijn er geen milieuhygiënische bezwaren tegen het beoogde gebruik van de locatie. Er zijn geen sanerende maatregelen noodzakelijk. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

36/104

4.7

Ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten.

37/104

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening.

Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Lek' ligt op circa 21 kilometer (figuur 4.7.1). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Zuid-Holland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 230 meter (figuur 4.7.2).

38/104

Figuur 4.7.1 Ligging plangebied (zwart) t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)

Figuur 4.7.2 Ligging plangebied (zwart ) t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: provincie Zuid-Holland) Stikstof De beoogde ontwikkeling zou kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de aanlegfase en de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. De memo van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er voor de aanlegfase en de gebruiksfase geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er voor de ontwikkeling geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is verreist.

39/104

Soortenbescherming Uit de Quickscan ecologie (opgenomen in bijlage 8) blijkt dat er verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aanwezig kunnen zijn in het plangebied. Ook kan boven de watergangen sprake zijn van een essentiële vliegroute voor vleermuizen. In coniferen in de bosschage zijn sporen aangetroffen die mogelijk van ransuil zijn. Daarnaast zijn er nesten van vogels 'zonder jaarrond beschermd nest' aangetroffen op de planlocatie. Er is vervolgens een nader onderzoek uitgevoerd naar de vleermuis en ransuil. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 9. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in tabel 4.7.1. Tabel 4.7.1 Resultaten nader onderzoek ecologie (bron: Ecoresult)

Uit tabel 4.7.1 blijkt dat er geen ontheffing nodig is voor de onderzochte soorten. Wel zijn mitigerende maatregelen nodig voor de bosuil. Mitigerende maatregelen  Ten minste 3 maanden voor de start van de werkzaamheden dienen 2 bosuilkasten binnen een afstand van circa 200 meter tot het plangebied opgehangen te worden.  Werkzaamheden dienen plaats te vinden buiten het broedseizoen.  Langs de noordrand van het plangebied dient in de beoogde situatie een dichte strook beplanting aanwezig te zijn. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

40/104

4.8

Archeologie en Cultuurhistorie

Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13972045/1