CConstaterende datKrimpen Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Bestemmingsplan Kerkdreef

Gemeenteraad 27 juni 2024, gemeente Krimpen Ad IjsselBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan en grondexploitatie Kerkdreef25.974 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Kerkdreef Krimpen aan den IJssel

Kerkdreef Krimpen aan den IJssel

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0542.BPKLKerkdreef-va01

02-10-2023 24-11-2023 14-05-2024

voorontwerp ontwerp Ter vaststelling

projectnummer:

20230515 opdrachtleider:

Weena 505 Postbus 150 3000 AD Rotterdam T: 010-20 18 555 E-mail: info@rho.nl

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging plangebied

8

1.3

Vigerend bestemmingsplan

9

1.4

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Beoogde situatie

12

Hoofdstuk 3

Beleidskader

15

3.1

Rijksbeleid

15

3.2

Provinciaal beleid

17

3.3

Regionaal beleid

20

3.4

Gemeentelijk beleid

21

Hoofdstuk 4

Sectorale aspecten

23

4.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

23

4.2

Verkeer en parkeren

23

4.3

Bodemkwaliteit

30

4.4

Archeologie

30

4.5

Ecologie

32

4.6

Wegverkeerslawaai en industrielawaai

35

4.7

Externe veiligheid

36

4.8

Bedrijven en milieuzonering

39

4.9

Luchtkwaliteit

41

4.10

Water

42

Hoofdstuk 5

Juridische regeling

47

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

49

6.1

Economische uitvoerbaarheid

49

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49

3/92

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bijlage 2

Bodemonderzoek

Bijlage 3

Archeologisch bureauonderzoek & inventariserend veldonderzoek

Bijlage 4

Stikstofmemo

Bijlage 5

Stikstofberekening realisatie- en gebruiksfase

Bijlage 6

Quickscan Wet natuurbescherming

Bijlage 7

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai

Bijlage 8

Nota van zienswijzen

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

73

Artikel 1

Begrippen

73

Artikel 2

Wijze van meten

76

Bestemmingsregels

77

Wonen

77

Hoofdstuk 3

Algemene regels

81

Artikel 4

Antidubbeltelregel

81

Artikel 5

Algemene bouwregels

82

Artikel 6

Algemene gebruiksregels

86

Artikel 7

Algemene aanduidingsregels

87

Artikel 8

Algemene afwijkingsregels

88

Artikel 9

Algemene wijzigingsregels

89

Artikel 10

Overige regels

90

Overgangs- en slotregels

91

Artikel 11

Overgangsrecht

91

Artikel 12

Slotregel

92

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Hoofdstuk 4

4/92

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voor het gebied IJsseldijk en omgeving (langs de Hollandsche IJssel vanaf de Werf Joh. Van Duijvendijk tot aan Boveneind) is een ontwikkelvisie opgesteld. Met deze visie schetst de gemeente Krimpen aan den IJssel een globaal toekomstbeeld voor het gebied, waarin bedrijvigheid langzaam plaatsmaakt voor een (gemengd) woonmilieu en het gebied haar cultuurhistorische en landschappelijke waarden terugkrijgt. De gemeente nodigt hierbij eigenaren en initiatiefnemers uit om het gebied geleidelijk te transformeren en biedt daarvoor een perspectief op hoofdlijnen voor het versterken van de verbinding tussen Krimpen aan den IJssel en de Hollandsche IJssel. Dit perspectief voorziet een vitaal gebied, waarin de relatie tussen dorp en rivier weer beleefbaar is. Het plangebied aan de Kerkdreef bevindt zich net onder de IJsseldijk en naast de Burgemeester Aalberslaan. Hiermee ligt het plangebied binnen het gebied van deze visie. De IJsseldijk is een oud historisch lint waaraan Krimpen aan den IJssel ooit is ontstaan. Aan de IJsseldijk staan binnendijks diverse (historische) voormalige boerderijen. De opzet van deze oorspronkelijke bebouwing moet op de locatie aan de Kerkdreef terugkomen wanneer de locatie tot ontwikkeling komt. Het gaat daarbij niet om het kopiëren van reeds in Krimpen bestaande historische boerderijen.

Maar vooral om de opzet van de boerenerven, die langs de IJsseldijk te vinden zijn. Daarbij kan een eigentijdse architectuur worden ingezet met een duurzaam karakter, waarin hedendaagse eisen op het gebied van woonkwaliteit ook vertaald moeten worden. Voor deze locatie aan de Kerkdreef is een initiatief binnengekomen voor de ontwikkeling van een cluster van 'Nul-Op-de-Meterwoningen' (hierna NOM-woningen). Dit initiatief gaat uit van een zeer energiezuinig woonconcept met een mate van collectiviteit in zowel gebruik van ruimte als goederen/producten. Het college van B&W heeft besloten de groep achter dit initiatief in de gelegenheid te stellen om een dergelijk project uit te werken. Om het nieuwe woonconcept en de ruimtelijke uitgangspunten van het 'boerenerf' vanuit de visie goed op elkaar aan te laten sluiten is een stedenbouwkundig kader opgesteld. Dit stedenbouwkundig kader is op 30 maart 2023 door de gemeenteraad vastgesteld. Bij de uitwerking van de plannen voor de Kerkdreef zijn deze stedenbouwkundige kaders leidend. Hier zal het ontwerp aan getoetst worden. Om de toekomstige ontwikkeling(en) houvast te geven worden er duidelijke randvoorwaarden gesteld waarbinnen voldoende flexibiliteit is om de plannen op een creatieve manier uit te kunnen werken.

7/92

De belangrijkste randvoorwaarden voor uitwerking van de nieuwe woonbuurt zijn:  de plaatsing en oriëntatie van de bebouwing;  bebouwing overwegend evenwijdig aan het slagenlandschap;  een collectieve (midden)ruimte als nieuw erf;  een verdeling van de bebouwing in een 'Voorhuis' met een iets hogere goot -en nokhoogte en volume achter het voorhuis met een lagere goot- en nokhoogte, denk aan erfbebouwing/schuurvolumes;  maximaal 25 woningen. In dit kader is tevens een beknopte set beeldregie-eisen opgenomen die het erfkarakter en de groene landschappelijke uitstraling moeten waarborgen bij uitwerking.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Kerkdreef, net onder de IJsseldijk en ten oosten van de Burgemeester Aalberslaan. De locatie is onbebouwd en grenst aan een onbebouwd terrein dat in gebruik is als parkeerplaats van een naastgelegen buitendijks bedrijf. De diverse (historische) boerderijen met erven langs de dijk zijn kenmerkend zowel in de architectuur als de ruimtelijke opzet. Het principe van deze oorspronkelijke bebouwingstypologie van boerenerven moet op deze locatie op een bijzondere manier terugkomen. Aan de westzijde van de locatie aan de Kerkdreef staat de Admiraal de Ruyterschool voor basisonderwijs. Het plangebied grenst direct aan het buitenterrein van deze school. Aan de oostzijde ligt een woonbuurt van twee-onder-een-kapwoningen en enkele vrijstaande woningen op ruime percelen. Het beeld van de woningen aan de Kerkdreef is wisselend met uiteenlopende goot- en bouwhoogten en diverse architectonische vormgeving. Daarnaast grenst de locatie aan een kavel van een woonboerderij aan de IJsseldijk welke door een lange oprit wordt ontsloten via de Kerkdreef. Ten zuiden van de Kerkdreef, en aan de overzijde van het plangebied, ligt een watergang welke aan de zuidelijke kant wordt ontsloten door de Dr. W.M. Blomsingel. Vanaf de IJsseldijk is een hoogteverschil aanwezig van enkele meters ten opzichte van het binnendijks gebied.

Figuur 1.2: ligging plangebied (bron: stedenbouwkundige verkenning NOM-woningen, Rho Adviseurs)

8/92

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert (veeg)bestemmingsplan 'Kortland' welke is vastgesteld op 13 juni 2013. Het plangebied is hierin voorzien van de bestemmingen 'Maatschappelijk' en 'Wonen'. Veegplan-bestemmingsplan Kortland Op 20 september 2018 is het 'Veeg-bestemmingsplan Kortland' vastgesteld. Hierin zijn een aantal wijzigingen aangebracht aan het moederplan 'Kortland'. Deze wijzigingen hebben geen betrekking op de gronden die onderdeel uitmaken van het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. Hiermee blijft voor deze locatie de regeling uit het bestemmingsplan 'Kortland' van kracht. Een uitsnede van het bestemmingsplan 'Kortland' is weergegeven in figuur 1.3. hierin is het plangebied met een rode contour weergegeven.

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Kortland' met de ligging van het plangebied aangeduid met een rode contour (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Leeswijzer

In het tweede hoofdstuk van dit bestemmingsplan wordt in gegaan op de planbeschrijving van de beoogde ontwikkeling. Hierbij wordt ingegaan op de huidige en de beoogde situatie voor het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader waarbij de beoogde ontwikkeling getoetst wordt aan rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk beleid. Het vierde hoofdstuk gaat in op de omgevingsaspecten en bijbehorende onderzoeken die betrekking hebben op de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 5 volgt de juridische regeling van het plan. Tot slot wordt in het zesde hoofdstuk ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

9/92

10/92

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Kerkdreef en is op dit moment onbebouwd. Het plangebied ligt ingeklemd tussen de Kerkdreef ten zuiden en een woonboerderij aan de IJsseldijk 296 met daarnaast onbebouwd terrein ten noorden.

Figuur 2: luchtfoto plangebied (bron: cyclomedia)

11/92

2.2

Beoogde situatie

Het is de bedoeling om bij nieuwe ontwikkelingen en transformaties de IJsseldijk als historisch lint te versterken. De diverse (historische) boerderijen met erven langs de dijk zijn kenmerkend zowel in de architectuur als de ruimtelijke opzet. Het principe van deze oorspronkelijke bebouwingstypologie van boerenerven moet op deze locatie op een bijzondere manier terugkomen. De ontwikkeling op deze locatie moet een duidelijke link naar het historische karakter van de IJsseldijk krijgen, waarin de opzet van een boerenerf of boerenerven als uitgangspunt wordt gebruikt bij nieuwe ontwikkelingen, zonder dat dit een sterk historisch karakter krijgt. Historische karakter Het historisch karakter is door enkele elementen duidelijk te herkennen. Op de eerste plaats liggen erven evenwijdig aan het slagenlandschap. Dit is een lijn die refereert naar het verleden, die op veel plekken nog altijd te herleiden is. De erven liggen onder aan de dijk of aan de overzijde direct langs de Kerkdreef. De bebouwing bestaat uit een voorhuis met schuurvolumes. Soms komt het voor dat het voorhuis als dijkwoning aan de IJsseldijk staat. Het erf wordt ontsloten door een duidelijke inrit. Aan weerszijden van deze inrit komt beplanting voor, in de vorm van hagen en optioneel met bomen.

Het erf Het (boeren)erf langs de IJsseldijk heeft enkele terugkerende eigenschappen waar het plan voor de Kerkdreef ook aan moet voldoen. Het erf wordt gepresenteerd naar de weg door middel van het voorhuis. Dit voorhuis is qua maat duidelijk te onderscheiden van de rest van de erfbebouwing. De maten van de bouwvolumes op het erf verschillen overigens sowieso in grootte, waarbij een prominenter voorhuis wordt omgeven door lagere maar langere 'schuurvolumes' met een eenvoudige hoofdvorm. Optioneel is de toevoeging van één extra bijzonder gebouw waarin o.a. bergingen geclusterd kunnen worden opgenomen en gezamenlijke activiteiten kunnen plaatsvinden. Een voorbeeld hiervan kan zijn de typologie van een 'hooiberg'. De indeling van het erf of de erven is naar wens in te vullen. Wel moet, wanneer het boerenerfprincipe uitgewerkt wordt, als woonvorm de volgende onderdelen in het plan verwerkt worden. Op de eerste plaats is het boerenerf een semiopenbaar gebied. Het is niet de bedoeling dat het plangebied met een hekwerk volledig omheind wordt. Erfafscheidingen met een hoogte van maximaal 2 meter mogen enkel zichtbaar zijn aan de achterkant. Binnen het plangebied zijn andere vormen van erfafscheidingen niet toegestaan. Het verbod hierop zal in een privaatrechtelijke overeenkomst worden geregeld middels een kettingbeding tussen de gemeente en koper.

Dit verbod zorgt ervoor dat het semiopenbare karakter binnen het plangebied blijft gewaarborgd. Op het erf is verder ruimte voor een collectieve (moes)tuin of boomgaard en wordt verharding geminimaliseerd.

12/92

Bebouwing De bouwblokken op het erf hebben een karakteristieke lage gootlijn samen met een relatief groot kapvlak. Het kapvlak van de schuurvolumes heeft doorgaans geen dakkapel(len). Voor de schuurvolumes geldt een goothoogte van maximaal 4,5 m en een nokhoogte van maximaal 9 m. Voor de voorhuizen geldt een goothoogte van maximaal 5,5 m een en nokhoogte van maximaal 10,5 m. Bij de verdere uitwerking wordt beoordeeld welke hoogten in onderlinge samenhang leiden tot een optimaal ontwerp op het erf. Er is in totaal plaats voor maximaal 25 woningen op het deel langs de Kerkdreef in een mix van typologieën/categorieën waaronder vrijstaand, rijen en appartementen. Parkeren Auto's worden zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken. Dit betekent dat of inpandig geparkeerd wordt of centrale parkeerhofjes gerealiseerd worden waarin de parkeervoorzieningen landschappelijk zijn ingepast. Clustering nabij de entree heeft de voorkeur om zo min mogelijk autoverkeer in het buurtje te genereren. Verder zullen de mogelijkheden voor deelmobiliteit worden onderzocht bij de verdere uitwerking van dit plan. Bergingen Bergingen worden geclusterd in het bijzondere collectieve gebouw ondergebracht dan wel in de schuurvolumes bij de woningen ingepast. Het plaatsen van losse bergingen/schuurtjes bij woningen is niet de bedoeling.

Collectieve centrale bergingen dan wel een fietsenstalling zijn goed mogelijk als onderdeel van het erfensemble. Een collectief gebouw (met bijvoorbeeld bergingen) mag maximaal 200 m2 bedragen. De goothoogte bedraagt maximaal 3 m en de nokhoogte maximaal 5 m.

13/92

14/92

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: 1. dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; 2. met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; 3. waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; 4. met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; 5.

waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten. 6. dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; 7. waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; 8. dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

15/92

Barro Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van andere overheden, is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en bevat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. In het gebied gelden geen rechtstreeks doorwerkende belangen. Toetsing Dit bestemmingsplan voegt diverse woningen toe aan het bestaand stedelijk gebied in Krimpen aan den IJssel. Hiermee wordt aangesloten op het Rijksbeleid. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 2012, actualisering 2017) Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Overheden die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk willen maken, moeten beschrijven waarom er behoefte is aan de ontwikkeling en als die ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, motiveren waarom er niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Om dit principe te borgen is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6).

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit de handreiking ladder voor duurzame verstedelijking (bron: Infomil) en jurisprudentie blijkt dat een ontwikkeling van meer dan 11 woningen wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling. De geldende planologische mogelijkheden zijn vertrekpunt bij de beoordeling of iets een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Toetsing De ontwikkelingen binnen het plangebied betreffen een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Met dit bestemmingsplan wordt een gebied ontwikkeld van maximaal 25 woningen. De provincie Zuid-Holland heeft een eigen systematiek voor toetsing aan de ladder vastgelegd in de Omgevingsverordening. In paragraaf 3.2 en paragraaf 3.3 wordt nader ingegaan op de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

16/92

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie (geconsolideerd april 2023) Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland. Deze ambities zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Naar een klimaatbestendige delta; Human Capital, een beroepsbevolking met de juiste vaardigheden en kennis; Levendige meerkernige metropool; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving; Energievernieuwing.

Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Conclusie De ontwikkeling betreft nieuwbouw in het stedelijk gebied van Krimpen aan den IJssel. Dit heeft geen raakvlakken met de genoemde ambities beschreven in de Omgevingsvisie. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd april 2023) In samenhang met de omgevingsvisie is de omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. De volgende artikelen zijn relevant voor dit bestemmingsplan. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. 3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid.

17/92

4. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. 6 tot en met 12 zijn niet van toepassing. Toetsing Met betrekking tot artikel 6.9 behoort de ontwikkeling zoals mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan tot de categorie 'aanpassen'. Er is namelijk sprake van een ontwikkeling die passend is in de bestaande gebiedsidentiteit. De kwaliteit van de omgeving neemt toe. Het plangebied in de huidige situatie is al enkele jaren onbebouwd, nadat het voorheen altijd bebouwd is geweest. Zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van het stedenbouwkundig kader is daarom van groot belang. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkeling 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie.

18/92

3. Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van een regionaal woningbouwprogramma aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen, mits het regionaal woningbouwprogramma past in de regionale woonvisie en de regionale woonvisie een uitwerking bevat van de in de provinciale omgevingsvisie genoemde doelstellingen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie en het regionale woningbouwprogramma bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 4. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Voor de onderbouwing van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt aangesloten bij het Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018-2030. In paragraaf 3.3 wordt hierop nader ingegaan. Artikel 6.10d Bereikbaarheid Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.

Toetsing De ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen voor de bereikbaarheid. Dit is in paragraaf 4.2 onderbouwd. Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen. Artikel 6.27a risico’s van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte;

alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s. Toetsing Met artikel 6.27a speelt de provincie Zuid-Holland in op het streven naar een klimaatbestendig en waterrobuuste provincie in 2050. De provincie wil dan voorbereid zijn op de gevolgen van klimaatverandering in de vorm van wateroverlast door overvloedige neerslag, hittestress, verdroging en verzilting en het beperken van de gevolgen van overstromingen.

19/92

De verschillende risico's als gevolg van klimaatverandering zijn meegenomen in dit bestemmingsplan. Met name vanwege de ligging aan de Hollandsche IJssel is het wateroverlast en overstroming een risico. Op dit aspect wordt ingegaan in paragraaf 4.10. De ontwikkeling is in lijn met het provinciaal beleid.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018-2030 In januari 2019 is het Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018-2030 vastgesteld. In het Regioakkoord maken de veertien gemeenten van het Samenwerkingsverband Wonen zich samen sterk om het aantal woningen in de regio Rotterdam met 54.000 uit te breiden. De gemeente Krimpen aan den IJssel is één van de veertien gemeentes van het Samenwerkingsverband Wonen. Daarnaast hebben 25 woningcorporaties woningmarktafspraken gemaakt. De regionale doelstellingen, zoals die zijn vastgesteld en in het Regioakkoord zijn opgenomen, betreffen: a. De regio realiseert voldoende woningen in de totale voorraad. Concreet: de streefvoorraad bedraagt 638.300 woningen in 2030. b. De regio realiseert voldoende woningen in de sociale voorraad. Concreet: de streefvoorraad bedraagt 322.100 sociale woningen in 2030. c. De regio realiseert een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningvoorraad. d. De regio wil voldoende beschikbaarheid op lokaal niveau en een regionaal gelijkmatiger toegang tot de sociale voorraad voor huurtoeslaggerechtigden. Concreet: Op gemeentelijk niveau wordt tenminste 75% van de vrijgekomen huurwoningen van corporaties met een huurprijs onder de liberalisatiegrens toegewezen aan de primaire doelgroep (huurtoeslaggerechtigden). e.

De regio wil voldoende betaalbare woningen met een huur onder de bovenste aftoppingsgrens, zijnde € 640,-, prijspeil 2018, op lokaal niveau en meer balans van deze voorraad in de regio. Concreet: Op gemeentelijk niveau een sociale huurvoorraad van de corporaties die voor tenminste 70% bestaat uit woningen met een huurprijs tot de bovenste aftoppingsgrens Voor de gemeente Krimpen aan den IJssel betekent dit concreet dat de woningvoorraad met 562 woningen uitgebreid moet worden in de periode tot 2030. Van de 562 woningen dienen 305 sociale huurwoningen gerealiseerd te worden. Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 25 vrije sectorwoningen. Met dit bestemmingsplan wordt een bijdrage geleverd aan de uitbreiding van de woningvoorraad voor de gemeente Krimpen aan den IJssel. Er wordt daarmee aangesloten op regionaal en provinciaal beleid.

20/92

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie 2003-2030 De gemeente Krimpen aan den IJssel heeft in september 2004 de structuurvisie 'Ruimte voor Ontwikkeling, een structuurvisie voor Krimpen aan den IJssel' vastgesteld. Deze structuurvisie stuurt vooral op beheer, ontwikkeling en vernieuwing van het bestaande stedelijk gebied. Veranderende maatschappelijke omstandigheden en de daarmee samenhangende veranderende behoeften van de bevolking dienen hierbij als uitgangspunten voor onderhoud en aanpassing van het bestaand stedelijk gebied. Er wordt in de structuurvisie concreet ingegaan op de ontwikkeling van de werf van Duijvendijk, waarvoor de ambitie bestaat om het cultureel erfgoed van de gemeente te behouden en te voorzien van een passende nieuwe functie. Centraal hierin moet staan het respect voor en herkenning van het historisch waardevolle karakter van deze locatie. De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders van de gemeentelijke structuurvisie. Kerkdreef is onderdeel van het bestaand stedelijk gebied en sluit daarmee aan bij de ambitie om bestaand stedelijk gebied te vernieuwen. Het toekomstige woningbouwprogramma sluit daarnaast aan bij de gewenste woonmilieus in Krimpen aan den IJssel. 3.4.2 Ontwikkelvisie IJsseldijk Voor het gebied IJsseldijk en omgeving (langs de Hollandsche IJssel vanaf de Werf Joh. Van Duijvendijk tot aan Boveneind) is een ontwikkelvisie opgesteld.

Met deze visie schetst de gemeente Krimpen aan den IJssel een globaal toekomstbeeld voor het gebied, waarin bedrijvigheid langzaam plaatsmaakt voor een (gemengd) woonmilieu en het gebied haar cultuurhistorische en landschappelijke waarden terugkrijgt. De gemeente nodigt hierbij eigenaren en initiatiefnemers uit om het gebied geleidelijk te transformeren en biedt daarvoor een perspectief op hoofdlijnen voor het versterken van de verbinding tussen Krimpen aan den IJssel en de Hollandsche IJssel. Dit perspectief voorziet een vitaal gebied, waarin de relatie tussen dorp en rivier weer beleefbaar is. Het plangebied aan de Kerkdreef bevindt zich net onder de IJsseldijk en naast de Burgemeester Aalberslaan. Hiermee ligt het plangebied binnen het gebied van deze visie. De IJsseldijk is een oud historisch lint waaraan Krimpen aan den IJssel ooit is ontstaan. Aan de IJsseldijk staan binnendijks diverse (historische) boerderijen. De opzet van deze oorspronkelijke bebouwing moet op de locatie aan de Kerkdreef terugkomen wanneer de locatie tot ontwikkeling komt. Het gaat daarbij niet om het kopiëren van reeds in Krimpen bestaande historische boerderijen. Maar vooral om de opzet van de boerenerven, die langs de IJsseldijk te vinden zijn.

Daarbij kan een eigentijdse architectuur worden ingezet met een duurzaam karakter, waarin hedendaagse eisen op het gebied van woonkwaliteit ook vertaald moeten kunnen worden. Voor deze locatie aan de Kerkdreef is een initiatief binnengekomen voor de ontwikkeling van een cluster van 'Nul-Op-de-Meterwoningen' (hierna NOM-woningen). Dit initiatief gaat uit van een zeer energiezuinig woonconcept met een mate van collectiviteit in zowel gebruik van ruimte als goederen/producten.

21/92

Het college van B&W heeft besloten de groep achter dit initiatief in de gelegenheid te stellen om een dergelijk project uit te werken. Om het nieuwe woonconcept en de ruimtelijke uitgangspunten van het 'boerenerf' vanuit de visie goed op elkaar aan te laten sluiten is een stedenbouwkundig kader opgesteld. Dit kader is door de gemeenteraad vastgesteld in 2023. Bij de uitwerking van de plannen voor de Kerkdreef zijn deze stedenbouwkundige kaders leidend. Hier zal het ontwerp of een toekomstig ander ontwerp aan getoetst worden. Om de toekomstige ontwikkeling(en) houvast te geven worden er duidelijke randvoorwaarden gesteld waarbinnen voldoende flexibiliteit is om de plannen op een creatieve manier uit te kunnen werken. 3.4.3 Woonvisie 2020-2030 De gemeenteraad van Krimpen aan den IJssel heeft in januari 2021 de woonvisie 2020-2030 vastgesteld. Een belangrijk element in de woonvisie is het behouden van het dorpste karakter van Krimpen met de groene woonomgeving. Dit karakter wenst men te behouden gecombineerd met een beperkte groei van het aantal woningen. Uit de woningbehoefteprognose volgt dat er een groeiopgave van 555 woningen ligt voor de periode tot 2030. Naast de behoefte aan meer woningen wenst de gemeente ook in te spelen op de bekende trends, zoals vergrijzing en verdunning die ook in Krimpen aan de orde zijn.

Dit betreft niet enkel senioren maar ook starters zonder kinderen. Deze trends leiden tot een grotere behoefte appartementen, met name in de koopsector, voor de starters en senioren. Daarnaast is er behoefte aan huurwoningen, met name grondgebonden woningen. Ondanks dat vergrijzing en verdunning ervoor zorgt dat de vraag naar betaalbare huisvesting toeneemt, wordt er ook ingezet op doorstroming. Met het toevoegen van gelijkvloerse woningen die aantrekkelijk zijn voor de Krimpenaren van boven de 55 of 65 wordt hierop ingespeeld. De vrijgekomen eengezinswoning komt zo beschikbaar voor de doelgroep. Met het voorliggende bestemmingsplan worden grondgebonden woningen en appartementen toegevoegd. De woningen zijn levensloopbestendig en daarmee geschikt voor meerdere doelgroepen (van starters tot senioren). Hiermee wordt ingespeeld op de behoefte aan woningen. Deze woningen kunnen daarmee de doorstroming in Krimpen aan den IJssel verbeteren.

22/92

Hoofdstuk 4 4.1

Sectorale aspecten

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.1.1 Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. 4.1.2 Beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 'een oppervlakte van 10 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer' (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De ontwikkeling maakt maximaal 25 woningen mogelijk. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. In bijlage 1 is de aanmeldnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen.

Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.

4.2

Verkeer en parkeren

4.2.1 Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid en dat de parkeerbehoefte probleemloos wordt opgevangen.

23/92

Voor het berekenen van de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt op basis van data van het CBS voor de gemeente Krimpen aan den IJssel een stedelijkheidsgraad van 'matig stedelijk' aangehouden. Het gebiedstype is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'. Verder wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit in de gemeente Krimpen aan den IJssel conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden.

4.2.2 Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Kerkdreef, een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. De Kerkdreef sluit in oostelijke richting aan op de Dokter W.M. Blomsingel, een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. Ten zuiden van de aansluiting van de Kerkdreef wordt de Dokter W.M. Blomsingel doorkruist door de Burgemeester Aalberslaan. De Burgemeester Aalberslaan is tevens ingericht als een erftoegangsweg en leidt in zuidwestelijke richting verder naar het centrumgebied van Krimpen aan den IJssel. In zuidwestelijke richting leidt de Dokter W.M. Blomsingel via de Noorderstraat verder naar de C.G. Roosweg (N210). De N210 leidt in noordelijke richting naar Capelle aan den IJssel en vanaf daar naar Rotterdam. In zuidoostelijke richting leidt de N210 via de kernen Bergambacht, Schoonhoven en Lopik naar de gemeentes IJsselstein en Utrecht. Langzaam verkeer Voor voetgangers is langs de westzijde van de Kerkdreef een vrijliggend voetpad aanwezig. In overeenstemming met de ontwerprichtlijnen voor erftoegangswegen uit het ASVV 2021 zijn er geen aparte fietsvoorzieningen aanwezig, waardoor fietsers de rijbaan moeten delen met het gemotoriseerde verkeer.

Desondanks wordt de verkeersveiligheid van fietsers gewaarborgd doormiddel van de lage maximumsnelheid en de inrichting van de rijbaan volgens het ontwerpprincipe Duurzaam Veilig. Op de Dokter W.M. Blomsingel zijn aan weerszijden van de rijbaan vrijliggende voetpaden aanwezig. Ook op de Dokter W.M. Blomsingel zijn geen aparte fietsvoorzieningen aanwezig, maar wordt de verkeersveiligheid van fietsers geborgd door de lage maximumsnelheid en de inrichting van de rijbaan. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde OV-halte is gelegen op circa 600 m loopafstand vanaf het plangebied aan de Middenwetering. Bij deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijn 196, tussen Rotterdam en Gouda Station, met een frequentie van één uur.

24/92

4.2.3 Verkeersgeneratie Met behulp van de kencijfers uit CROW publicatie 381 wordt de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling gedurende een gemiddelde weekdag berekend. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de werkdagintensiteit maatgevend. Conform CROW publicatie 381 wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 gehanteerd. In tabel 4.2 is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekend. Tabel 4.2 De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling Functie

Aantal

Kencijfer

Weekdag (mvt/etmaal)

Werkdag (mvt/etmaal)

Koop, huis, tussen/hoek

17 woningen

7,1 per woning

120,7

133,98

Koop, appartement, duur

8 woningen

7,1 per woning

56,8

63,05

177,5 mvt/etmaal

197,03 mvt/etmaal

Totaal

De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 178 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag. Omgerekend naar werkdagintensiteiten betekent dit een verkeerstoename van 197 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie gedurende het drukste uur maatgevend. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt als standaard vuistregel aangehouden dat gedurende het drukste spitsuur 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Voor de beoogde ontwikkeling komt dit neer op een toename van (197 x 0,1 =) 20 mvt/uur. Verkeerstoedeling Voor het bepalen van de toedeling van het gegenereerde verkeer is gebruik gemaakt van de navigatietool van Google Maps. Vanaf het plangebied wordt 90% (18 mvt/uur) vanaf het plangebied ontsloten via de aansluiting van de Kerkdreef op de Dokter W.M. Blomsingel aan de noordoostelijke zijde van het plangebied. De overige 10% (2 mvt/uur) van het gegenereerde verkeer wordt over de Kerkdreef in zuidwestelijke richting afgewikkeld naar het kruispunt Kerkdreef – Burgemeester Aalberslaan – Boezemdreef, vanaf waar het verkeer via de Burgemeester Aalberslaan over de IJsseldijk wordt afgewikkeld. Op de Dokter W.M. Blomsingel wordt 30% (6 mvt/uur) van het gegenereerde verkeer in noordoostelijke richting ontsloten.

De overige 60% (12 mvt/uur) wordt in zuidwestelijke richting afgewikkeld naar het kruispunt Dokter W.M. Blomsingel – Burgemeester Aalberslaan – Noorderstraat. Op deze kruising wordt 40% (8 mvt/uur) over de Burgemeester Aalberslaan in zuidoostelijke richting ontsloten en 20% (4 mvt/uur) over de Noorderstraat in zuidwestelijke richting. In figuur 4.2 is de beoogde verkeersafwikkeling van het plangebied weergegeven.

25/92

Figuur 4.2 De beoogde verkeerstoedeling van het gegenereerde verkeer Beoordeling verkeersafwikkeling De hoogste verkeerstoename vindt plaats op de Kerkdreef, bij de aansluiting op de Dokter W.M. Blomsingel, waar de beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 16 mvt/uur. Dit komt neer op een toename van circa 1 voertuig per 4 minuten. Deze toename is dermate laag dat wordt geconcludeerd dat de invloed van de beoogde ontwikkeling op de verkeersafwikkeling van de omliggende wegen verwaarloosbaar is. Beoordeling verkeersveiligheid Zowel aan de Kerkdreef als aan de Boezemdreef zijn scholen gevestigd die leiden tot extra fietsverkeer. De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is echter dusdanig beperkt dat niet wordt verwacht dat het fietsverkeer wordt gehinderd ten gevolge van het plan. Op de Kerkdreef zijn geen aanpassingen aan de weginrichting vereist als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Aanpassingen aan de verkeersstructuur zijn al doorgevoerd in het kader van de basisschool. Zo is bij de kruising van de Dokter W.M. Blomsingel met de Dokter Aalberslaan een stopstreep getrokken en een drempel aangelegd. Daarnaast is er een voetgangersoversteekplaats met verkeersbrigadiers en is de Kerkdreef ingericht als een eenrichtingsweg tussen het plangebied en de Burgemeester Aalberslaan.

Hieruit volgt dat de verkeersveiligheid op het omliggende wegennet zelfs na toevoeging van de planontwikkeling gewaarborgd blijft.

26/92

4.2.4 Parkeren Zoals omschreven in de 'Verkeer- en vervoersvisie Krimpen aan den IJssel (herziening 2020)' sluit de parkeernormering van de gemeente Krimpen aan den IJssel aan bij de CROW kencijfers. Tabel 4.3 toont de parkeerbehoefte van de geplande woningbouw. Tabel 4.3 De normatieve parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling Functie

Aantal

Kencijfer Bewoners

Parkeerbehoefte Bezoekers

Bewoners (pp) Bezoekers (pp) Totaal (pp)

Koop, huis, tussen/hoek

17 woningen

1,6 per woning 0,3 per woning 27,2

5,1

32,3

Koop, appartement duur

8 woningen

1,7 per woning 0,3 per woning 13,6

2,4

16

40,8

7,5

48,3

Totaal

Op basis van de bovenstaande tabel bedraagt de normatieve parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling 48 parkeerplaatsen. Een deel van de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling wordt opgevangen met dezelfde parkeerplaatsen die nu voor de Admiraal de Ruyterschool worden ingezet. Daarom moet ook de parkeerbehoefte van de school worden bepaald. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte van de Admiraal de Ruyterschool wordt de school gedefinieerd als 'basisonderwijs', met 16 klaslokalen. De berekende parkeerbehoefte is weergegeven in tabel 4.4. Tabel 4.4 De parkeerbehoefte van de Admiraal de Ruyterschool Functie

Aantal

Kencijfer

Parkeerbehoefte (pp)

Basisonderwijs

16 klaslokalen

0,75 per klaslokaal

12

De parkeerbehoefte van de Admiraal de Ruyterschool bedraagt 12 parkeerplaatsen. Bijgevoegd aan de parkeerbehoefte van het plangebied leidt dit tot een totale normatieve parkeerbehoefte van 60 parkeerplaatsen. Dubbelgebruik Bij het berekenen van de normatieve parkeerbehoefte is nog geen rekening gehouden met het toepassen van dubbelgebruik. Binnen de totale parkeerbehoefte zijn meerdere doelgroepen aanwezig, waarvan de parkeerbehoefte verschilt per weekmoment. Voor het bepalen van het maatgevende weekmoment is gebruik gemaakt van de aanwezigheidspercentages per doelgroep uit CROW publicatie 381. In tabel 4.5 zijn de gehanteerde aanwezigheidspercentages weergegeven. Vervolgens is in tabel 4.6 de parkeerbehoefte per weekmoment bepaald.

27/92

Tabel 4.5 De gehanteerde aanwezigheidspercentages conform CROW publicatie 381 Werkdag ochtend

Werkdag middag

Werkdag avond

Werkdag nacht

Koopav Zaterdag ond middag

Zaterdag avond

Zondag middag

Woningen bewoners

50%

50%

90%

100%

80%

60%

80%

70%

Woningen bezoekers

10%

20%

80%

0%

70%

60%

100%

70%

Dagonderwijs 100%

100%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

Tabel 4.6 De parkeerbehoefte van het plangebied per weekmoment Werkdag ochtend

Werkdag middag

Werkdag avond

Werkdag nacht

Koopav Zaterdag ond middag

Zaterdag avond

Zondag middag

Bewoners rijtjeshuizen

13,60

13,60

24,48

27,20

21,76

16,32

21,76

19,04

Bezoekers rijtjeshuizen

0,51

1,02

4,08

0,00

3,57

3,06

4,08

3,57

Bewoners appartementen

6,8

6,8

12,24

13,6

10,88

8,16

10,88

9,52

Bezoekers appartementen

0,24

0,48

1,92

0

1,68

1,44

1,92

1,68

Dagonderwijs

12,00

12,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

Totaal

33,15

33,9

42,72

40,8

37,89

28,98

38,64

33,81

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat het maatgevende moment de werkdag avond is. Gedurende deze periode bedraagt de parkeerbehoefte 43 parkeerplaatsen. Parkeeraanbod Het totale aanbod bestaat uit de volgende onderdelen:  Binnen de beoogde ontwikkeling worden 20 parkeerplaatsen gerealiseerd in geclusterde parkeerplaatsen;  Zes van de beoogde woningen worden voorzien van een eigen garage. Conform CROW publicatie 381 staat één garagebox gelijk aan 0,5 reguliere parkeerplaatsen. Dit betekent dat het totaal parkeeraanbod binnen het plangebied toeneemt met (6 x 0,5 =) 3 parkeerplaatsen.  Langs de Kerkdreef zijn in de bestaande situatie reeds 33 parkeerplaatsen aanwezig. die worden ingezet voor het opvangen van de parkeerbehoefte van de Admiraal de Ruyterschool. Hiervan zijn er slechts ca. 12 op werkdagen overdag in gebruik, en 0 in de overige uren wanneer woningen juist het meest parkeerdruk genereren.

28/92

Figuur 4.2.1 Het parkeeraanbod in de toekomstige situatie (de aangekruiste parkeervakken in openbaar gebied zijn niet meegenomen in de berekening, maar dienen als reservecapaciteit, die eventueel aanvullend zou kunnen worden ingezet in de toekomst) De beoogde ontwikkeling voorziet in totaal in de realisatie van (20 x 3 =) 23 parkeerplaatsen. In combinatie met de 33 bestaande parkeerplaatsen bedraagt het totale parkeeraanbod binnen het plangebied 56 parkeerplaatsen. Met een parkeervraag van 43 parkeerplaatsen inclusief dubbelgebruik is binnen het plangebied gedurende het maatgevende moment (werkdag avond) een restcapaciteit van 13 parkeerplaatsen aanwezig. Deelmobiliteit De verkeers- en vervoersvisie van de gemeente krimpen aan den IJssel is het kader voor de parkeerregulering. Hierbinnen is vooralsnog geen specifieke regeling opgenomen voor het verlagen van de parkeerbehoefte door middel van het inzetten van deelmobiliteit. Tevens is een dergelijke reductie niet noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling, aangezien ruim aan de parkeerbehoefte wordt voldaan. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid kan in de verdere uitwerking van het plan worden geïnvesteerd in het inzetten van deelauto's. Bekend is namelijk dat de doelgroep van het plangebied duurzaam verantwoord wil wonen en heeft aangegeven open te staan voor deelmobiliteit.

Op basis van CROW publicatie 381 vervangt 1 deelauto 4 tot 8 privéauto's. Voor het bepalen van de reductie per deelauto wordt gekeken naar de doelgroep die hier gaat wonen. Op basis hiervan kan het gemiddelde worden gehanteerd, wat betekent dat 1 deelauto 6 privéauto's zal vervangen. Dit resulteert in een reductie van de parkeerbehoefte van 5 parkeerplaatsen per deelauto. Het aantal deelauto's dat voor de beoogde ontwikkeling wordt ingezet dient in de verdere uitwerking van het plan te worden onderzocht. 4.2.5 Conclusie De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 197 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate klein dat de invloed op de verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Inclusief de parkeerbehoefte van de naastgelegen school bedraagt de parkeerbehoefte van het plangebied gedurende het maatgevende moment 43 parkeerplaatsen. In de toekomstige situatie bedraagt het parkeeraanbod binnen het plangebied 56 parkeerplaatsen, waarmee ruim aan de parkeerbehoefte wordt voldaan. Gezien de doelgroep kan potentieel ook deelmobiliteit worden ingezet om de parkeerbehoefte verder te verlagen, maar dit dient in de verdere uitwerking van het plan te worden onderzocht. Geconcludeerd wordt dat de aspecten verkeer en parkeren geen knelpunten vormen voor de beoogde ontwikkeling.

29/92

4.3

Bodemkwaliteit

4.3.1 Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. 4.3.2 Beoordeling Er zijn in grond(meng)monsters en grondwatermonsters voor diverse parameters overschrijdingen van de achtergrondwaarden en streefwaarden vastgesteld. Gelet hierop dient de locatie als verontreinigd te worden beschouwd en wordt de in het Bodemonderzoek beschreven hypothese 'verdacht' voor de onderhavige locatie bevestigd. Op basis van het gehalte PFOA / PFOS/PFAS wordt de grond als klasse landbouw/natuur geclassificeerd.

Asbest Er is analytisch geen asbest aangetoond; op de locatie hoeven geen sanerende maatregelen te worden uitgevoerd. 4.3.3 Aanbevelingen en conclusie Met de gevolgde onderzoeksstrategie is de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie volgens de geldende richtlijnen vastgelegd. Op grond van de onderzoeksresultaten bestaat er geen aanleiding voor het uitvoeren van vervolgonderzoek en zijn er geen milieuhygiënische bezwaren tegen het beoogde gebruik van de locatie. Opgemerkt wordt dat eventueel vrijkomende grond niet zonder meer kan worden hergebruikt. De grond mag wettelijk gezien tijdelijk worden uitgeplaatst op de locatie, ten behoeve van de geplande werkzaamheden. De grond dient na afronding van de werkzaamheden te worden terug geplaatst op dezelfde plaats en in dezelfde bodemlaag, in verband met het wettelijke stand-still beginsel voor (in meer of mindere mate) verontreinigde grond. Indien vrijkomende grond dient te worden afgevoerd of hergebruikt op een andere locatie, gelden aanvullende regels en is een melding voor de toepassing van grond noodzakelijk. Hiervoor wordt verwezen naar het Besluit bodemkwaliteit en de vigerende bodemkwaliteitskaart van de betreffende gemeente.

4.4

Archeologie

4.4.1 Toetsingskader Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen.

30/92

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk plan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied. Gemeentelijk beleid Conform de Erfgoedwet is iedere gemeente verplicht om zorg te dragen voor het in of op haar grondgebied gelegen archeologische en cultuurhistorische erfgoed. 4.4.2 Beoordeling Voor de ontwikkeling heeft een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek plaatsgevonden, zie bijlage 3.

Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied direct ten zuiden van de stroomrug van de Hollandsche IJssel is gelegen. De Hollandsche IJssel is actief vanaf de Romeinse Tijd. Onder deze stroomrug zijn mogelijk nog resten van oudere stroomruggen aanwezig, van de kreek de Rotte (IJzertijd) en de Oudekerk (Neolithicum). De afzettingen van de Oudekerk worden op circa -8 m NAP (ongeveer 6,5 tot 7,0 m -mv) verwacht, waardoor wat dusdanig diep is dat deze niet relevant zijn voor het huidige onderzoek. De stroomrugafzettingen van de Rotte zijn waarschijnlijk grotendeels weggeërodeerd door de huidige IJssel. Het plangebied ligt mogelijk deels op de oeverwal van de Hollandsche IJssel en deels in het komgebied. Voor het deel van het plangebied dat eventueel ligt op de oeverwal geldt een hoge archeologische verwachting vanaf de Romeinse tijd. Het gaat hierbij om de complextypen zoals bewoning, begraving en infrastructuur, met sporen van zoals funderingen, paalkuilen, waterputten, greppels, sloten en dergelijke en resten vondsten zoals aardewerk, glas, metaal, bot en dergelijke. Voor de delen van het plangebied die liggen in de rivierkom geldt een lage archeologische verwachting omdat komgebieden over het algemeen laaggelegen zijn met een hoge grondwaterstand. Een komgebied is dus veelal nat en werd daarom vaak alleen gebruikt als landbouwgrond (met name weilanden).

In deze delen van het plangebied kunnen dus archeologische sporen voorkomen die horen bij landbouwactiviteiten, zoals resten van sloten en greppels, water- en afvalkuilen en dergelijke. Na de bedijking van de Hollandsche IJssel in de 13e eeuw kan langs deze dijken gewoond worden. Op de het kadastrale minuutplan is te zien dat er zeker van het begin van de 19e eeuw langs de dijk ten noorden van het plangebied bebouwing heeft gestaan (mogelijk is deze bebouwing ouder, hoewel deze niet is afgebeeld op de kaart uit de 17e eeuw). In het plangebied heeft waarschijnlijk, op een enkele bijgebouw na, geen bebouwing gestaan tussen de 17e en 20e eeuw, waardoor het plangebied alleen een lage archeologische verwachting heeft voor deze periode.

31/92

Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied ligt in een komgebied met alleen een archeologische verwachting op resten van landbouw, zoals sloten, greppels en waterkuilen (archeologische resten met een lage waarde). Door de verstoring van de bodem in de 20e eeuw (tussen de 0,5 en 1,0 m -mv ofwel -1,8 tot -2,2 m NAP) zal, buiten de gedempte sloten (die reiken tot 1,9 m -mv ofwel -3,3 m NAP), een groot deel van deze resten niet meer intact zijn. Er wordt geadviseerd om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor alle in de toekomst geplande werkzaamheden. Conclusie Gelet op bovenstaande en de beoordeling van de ODMH is het plangebied vrijgegeven wat betreft het aspect archeologie. Dit betekent dat de dubbelbestemming archeologie niet in het plangebied van toepassing zal zijn.

4.5

Ecologie

4.5.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming  De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura 2000-gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

32/92

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.

De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14213585/1