Bijlage 1. BOPA-onderbouwing De Noord 102
Tekst van het document
5.3
Ecologie: soortenbescherming en gebiedsbescherming
De aangevraagde activiteit is relevant voor ecologie (flora en fauna en natuurgebieden), omdat er met de ontwikkeling werkzaamheden nodig zijn die effect kunnen hebben op de flora en fauna en ook stikstofdepositie tot gevolg kunnen hebben op Natura 2000-gebieden. Deze effecten kunnen dusdanig zijn, dat deze gevolgen kunnen hebben voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling. Flora en fauna Voor de beoogde ontwikkeling is een ecologische quickscan uitgevoerd door IDDS (bijlage 4). In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies en aanbevelingen van de quickscan besproken. Uit de bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat in het projectgebied mogelijk meerdere geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn. De bestaande gebouwen zijn weliswaar geen deel van het planvoornemen maar de gebouwen staan wel in de invloedsfeer van de werkzaamheden. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, wordt geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten lichtbronnen zo zijn afgesteld dat deze niet op de aanwezige gebouwen schijnen. Ook in de definitieve fase kan verstoring van vleermuizen worden voorkomen door geen verlichting te laten schijnen op de aanwezige gebouwen. Het uitvoeren van nader ecologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
Tevens kunnen binnen het projectgebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie uitgevoerd te worden door een ecologisch deskundige. Indien broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. In het kader van de algemene zorgplicht worden maatregelen geadviseerd, zoals het kort maaien en kort houden van vegetatie voorafgaand aan de werkzaamheden. Indien de geadviseerde maatregelen worden uitgevoerd, is geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd.
28/52
In de overgang van fase 1 (huisvesten Oekraïense ontheemden) naar fase 2 (sociale woningbouw) worden geen bouwwerkzaamheden voorzien die van invloed kunnen zijn op flora en fauna. Het betreft inpandige werkzaamheden. Gebiedsbescherming De projectlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Het projectgebied bevindt zich op circa 3,5 kilometer van het Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk. Gezien de ligging, aard van het project kunnen directe effecten zoals areaalverlies en versnippering worden uitgesloten. Het meest nabijgelegen gebied met vermesting- en/of verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied de Biesbosch (zie figuur 5.2). De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt circa 14 kilometer.
Figuur 5-2 Ligging projectgebied (roze pijl) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (AERIUS Calculator)
Het projectgebied bevindt zich op circa 250 meter van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland, zie figuur 5.3. Gezien de grote afstand tot natuurgebieden en de geringe ontwikkeling kunnen ook verstoring, verandering van de waterhuishouding en andere significante negatieve effecten op beschermde gebieden worden uitgesloten. Mogelijk leidt de ontwikkeling wel tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
29/52
Figuur 5.2 Projectgebied en ligging Natuurnetwerk Nederland (Atlasleefomgeving)
Stikstof Vanwege de afstand tot de Natura 2000-gebieden zou de beoogde ontwikkeling kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige natura-2000 gebied betreft de Biesbosch, gelegen op een afstand van circa 14 km. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de aanleg- en gebruiksfases van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. De memo van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5. De achterliggende stikstofberekening voor de realisatie- en gebruiksfase is opgenomen in bijlage 6. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Conclusie De aspecten flora en fauna en gebiedsbescherming geven geen aanleiding voor de conclusie dat de ontwikkeling evident onuitvoerbaar is. In zoverre is de ontwikkeling niet in strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4
Waarborgen van de veiligheid
Het waarborgen van de veiligheid is relevant in het licht van de aangevraagde activiteit, omdat de nieuwe woningen op korte termijn worden gebruikt voor het huisvesten van spoedzoekers en op langere termijn als sociale woningen. Uit bijlage VI van het Bkl blijkt dat deze gebruiksfuncties als kwetsbare gebouwen worden gezien. De ontwikkeling zelf is geen risicovolle activiteit.
30/52
Figuur 5.4 Uitsnede risicokaart met het projectgebied rood omrand (bron: Atlas Leefomgeving)
Onderzoek wijst uit dat het projectgebied niet binnen een plaatsgebonden risicocontour is gelegen, zie figuur 5.4. Het projectgebied bevindt zich wel in het gifwolkaandachtsgebied van de Seveso-inrichting IHC Holland B.V. Uit artikel 5.12 uit het Bkl blijkt echter dat gifwolkaandachtsgebieden voor de toepassing van de instructieregels begrensd worden op een afstand van 1,5 kilometer. Buiten de 1,5 kilometer is geen afweging van het groepsrisico nodig. Het volledige gifwolkaandachtsgebied wordt wel weergegeven in de Atlas Leefomgeving en bij de vergunningverlening, om bijvoorbeeld de risicocommunicatie goed in te kunnen richten of nieuwe (bedrijfs-)activiteiten te kunnen toetsen. Op grond van artikel 5.2 Bkl zal moeten worden gemotiveerd hoe voor risico’s van branden, rampen en crises rekening gehouden met het belang van: a) het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; b) de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en c) de geneeskundige hulpverlening. Bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid Voor de volledigheid wordt kort ingegaan op de bestrijdbaarheid van calamiteiten binnen het projectgebied, de bereikbaarheid van het projectgebied en de zelfredzaamheid van personen binnen het projectgebied.
Vanwege de relatief grote afstand tot relevante risicobronnen (ligging buiten brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied) wordt geen aandacht besteed aan de bestrijdbaarheid aan de risicobron zelf, aangezien de bestrijdbaarheid afhankelijk is van het ongevalscenario. Het is niet nodig om bouweisen te stellen vanwege een omgevingsveiligheidsrisico. Zie ook de eerdere conclusie met betrekking tot de ligging in het gifwolkaandachtsgebied van IHC Holland B.V.
31/52
De bereikbaarheid van de locatie voor hulpdiensten is goed. Op grond van de regels in het omgevingsplan (bruidsschatregels 22.13, 22.14 en 22.15) zal met het oog op het waarborgen van de veiligheid worden voorzien in een toereikende bluswatervoorziening en opstelplaats(-en) voor brandweervoertuigen. Ook zal worden gewaarborgd dat de bouwwerken bereikbaar zijn voor hulpverleningsdiensten. Binnen het projectgebied worden geen woningen mogelijk gemaakt voor verminderd zelfredzame personen. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert of het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS) te handelen. Er zijn geen instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening van belang voor deze ontwikkeling met betrekking tot externe veiligheid. Advies VRR Bij brief van 13 februari 2025 heeft de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond geadviseerd in het kader van het project. Kort samengevat luidt het advies: Installatietechnische maatregelen Construeer het gebouw conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zodat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden. Organisatorische maatregelen Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit.
Overige maatregelen Draag zorg voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. Betrek de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond in de (deel)advisering en informatiedeling indien in het plangebied nieuwe al dan niet collectieve energiebronnen worden ontwikkeld. Neem maatregelen die passen bij het verminderen van wateroverlast, bijvoorbeeld aangepaste drempelhoogte en plaats de aansluitingen van elektriciteit hoger. Met voornoemde adviezen zal rekening worden gehouden met de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen. Conclusie De aangevraagde activiteit is in overeenstemming met de instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid omdat er rekening is gehouden met veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises. Vanwege de ligging op een grotere afstand dan 1,5 kilometer van de Seveso-inrichting IHC Holland B.V is een afweging van het groepsrisico niet nodig. De ontwikkeling voorziet voor het aspect waarborgen van de veiligheid in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat er met de ontwikkeling geen sprake is van het realiseren van een risicovolle functie en activiteiten in de omgeving van de ontwikkeling geen externe veiligheidsrisico’s vormen. Daarnaast is inzichtelijk gemaakt hoe de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid van de ontwikkeling is.
Er zijn geen aanvullende voorschriften nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
32/52
5.5
Weging van de waterbelangen
De weging van het waterbelang is relevant in het licht van de aangevraagde activiteit, omdat de ontwikkeling mogelijk gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse van het projectgebied. De locatie valt in het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Op grond van artikel 5.37 Bkl dient rekening gehouden te worden met de gevolgen van de ontwikkeling voor het beheer van watersystemen. Tevens dient op grond van artikel 7.41a van de provinciale omgevingsverordening rekening gehouden te worden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. Onderzoek wijst uit dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de werking van de waterkering waardoor de waterveiligheid niet in het geding komt (zie onderstaand). De bruto toename van het verhard oppervlak is lager dan 500 m2. Voor ontwikkelingen waarbij de verhardingstoename lager is dan 500 m2 is geen compensatie noodzakelijk. Voor de werkzaamheden in de beschermingszone van de waterkering en watergangen is een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit (hierna: watervergunning) nodig.
Bodem en grondwater Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een grondwaterbeschermings- of waterwingebied. Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom is het projectgebied niet gekarteerd. Boorprofielen uit het archief van TNO geven een lokale bodem die bestaat uit een deklaag van klei op veen. Het maaiveld is gelegen op een hoogte van 0,9 tot 1,2 meter beneden NAP. Op basis van een nabij gelegen peilbuis uit het grondwatermeetnet van de gemeente (PB05) wordt ingeschat dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op 1,85 meter beneden NAP. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt op 2,45 meter beneden NAP. Hiermee zou de GHG zijn gelegen tussen de 0,65 en de 0,95 meter beneden maaiveld. De GLG ligt ten opzichte van maaiveld op 1,25 tot 1,55 meter. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de bodem en grondwater. Oppervlaktewater Voor het hoogheemraadschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, het instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. Op de leggerkaart van het HHSK zijn oppervlaktewateren weergegeven die in of in de directe omgeving van het projectgebied zijn gelegen. In het projectgebied en ten zuiden van de locatie grenst een watergang in de categorie ‘overig’, zie figuur 5.4.1.
In de beschermingszones van de watergangen is bij werkzaamheden een watervergunning nodig en zal worden aangevraagd.
33/52
Figuur 5.4.1 Uitsnede waterschapsverordening Schieland en de Krimpenerwaard met het projectgebied zwart omkaderd
Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied bevindt ligt deels binnen de kernzone, beschermingszone en het profiel van vrije ruimte van de nabij gelegen dijk, zie figuur 5.4.2. Het gehele projectgebied ligt binnendijks.
34/52
Figuur 5.4.2 Uitsnede waterschapsverordening Schieland en de Krimpenerwaard met het projectgebied zwart omlijnd
De beoogde woningen worden buiten de kernzone (rood) gesitueerd. De beoogde woningen worden wel in de beschermingszone gesitueerd; hiervoor dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het HHSK. Bij dit vergunningentraject moet een (technische) onderbouwing worden opgesteld waaruit blijkt dat de werking van de waterkering niet wordt aangetast. De planontwikkeling, die uitgaat van nieuwe gebouwen, vindt plaats buiten het profiel van vrije ruimte (het gebied dat is gereserveerd voor toekomstige dijkverzwaring). Ontwatering en drooglegging Om grondwateroverlast te voorkomen zal bij het ontwerp rekening gehouden worden met minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en de maaiveldhoogte. Het huidige maaiveld niveau is gemiddeld gelegen op een hoogte van 1,2 tot 0,9 meter beneden NAP. De GHG is ingeschat op 1,85 meter beneden NAP (0,65 en de 0,95 meter beneden maaiveld).
Het schouwpeil in het oppervlaktewater bedraagt 2,07 meter beneden NAP (0,87 meter beneden maaiveld tot 1,17 meter beneden maaiveld). Om aan de ontwateringsnormen en drooglegging te voldoen zal het maaiveld lokaal opgehoogd moeten worden. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving te voorkomen wordt geadviseerd om ten aanzien van de toekomstige bouwpeilen en maaiveldhoogten het bouwpeil 20 tot 30 cm hoger aan te leggen dan de bestaande maaiveldhoogten rondom de huidige bedrijfswoning.
35/52
Wateroverlast bij regen en overstromingsgevaar Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect kan een grote impact hebben. In dat kader zijn gestandaardiseerde stresstesten voor wateroverlast gemaakt, waaronder de Klimaatatlas van de provincie ZuidHolland. Met behulp van de kaarten uit de Klimaatatlas kan inzicht worden verkregen in de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval. De kaarten laten de gevolgen zien van computersimulaties in 3Di en maken inzichtelijk waar wateroverlastlocaties kunnen ontstaan na extreme buien van 100 mm in 2 uur. Het is mogelijk dat de gepresenteerde wateroverlast niet altijd in de praktijk (in die mate) herkend wordt. De resultaten geven evenwel een goede indicatie van de te verwachten overlastlocaties bij hevige neerslag. In het projectgebied is op dit moment geringe sprake van wateroverlast bij hevige buien, zie onderstaande figuur. Ter plaatse van de voormalige kennels is mogelijk sprake van meer dan 20 cm aan water op maaiveld. In de omgeving van de bestaande woning is weinig tot geen sprake van wateroverlast te verwachten. Het grootste risico van water-op-straat wordt verwacht aan de noordzijde van het projectgebied waar het maaiveld het laagst is gelegen. Hiermee zal bij het toekomstige ontwerp rekening gehouden worden.
Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving in gebouwen te voorkomen wordt geadviseerd om de toekomstige bouwpeilen minimaal 20 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil. Door in het ontwerp verder niet te veel verharding aan te brengen en te werken met halfverhardingen kan de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval worden verminderd. De bestrating zal onder afschot worden gelegd richting onverharde terreindelen en het oppervlaktewater. Hierdoor kan het regenwater gemakkelijk naar onverharde delen of het naast gelegen oppervlaktewater afstromen. Afstroming van hemelwater richting gebouwen wordt daarmee voorkomen. Door binnen de groene onverharde delen van het plan te werken met lokale verlagingen kan tijdelijk meer water worden vastgehouden.
Figuur 5.4.3 Grootschalige wateroverlast bij bui 100 mm/2 uur (bron: Klimaatatlas Provincie Zuid-Holland)
36/52
De kans op overstromingen is bepaald aan de hand van de klimaateffectatlas (KEA). Hieruit blijkt dat voor een plaatsgebonden overstromingskans van >0cm, >20cm en >50cm ter plaatse van het projectgebied sprake is van een zeer kleine kans van 1/3.000 tot 1/30.000 per jaar. Voor het noordelijke gedeelte is er sprake van een kleine kans van 1/300 tot 1/3.000 per jaar, zie onderstaand figuur.
Figuur 5.4.4 Plaatsgebonden overstromingskans en projectgebied. (klimaateffectatlas.nl)
Hittestress De onderstaande kaart laat het temperatuurverschil zien tussen de stad en het platteland in Nederland. Dit heet ook wel het stedelijk hitte-eilandeffect of urban heat island effect (UHI). Op de kaart is het gemiddelde temperatuurverschil in graden Celsius (°C) te zien. Ter plaatste van het projectgebied is sprake van 0.8 tot 1.2°C. Hiermee is sprake van een relatief laag stedelijk hitte-eilandeffect. Door binnen het projectgebied meer groen aan te leggen en water vast te houden zal de ontwikkeling verder bijdragen aan het verminderen van het stedelijk hitte-eilandeffect.
37/52
Figuur 5.4.5 Hitte-eilandeffect (klimaateffectatlas.nl)
Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: ● hemelwater vasthouden voor benutting, ● (in-) filtratie van afstromend hemelwater, ● afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, ● afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Momenteel is het projectgebied aangesloten op het gemeentelijke rioleringssysteem. Gezien de beperkte toename van afvalwater door de ontwikkeling, zal het huidige gemeentelijke rioolstelsel dit kunnen opvangen. Verhard oppervlak en compensatie In de bestaande situatie is reeds 1.320 m2 verhard terreinoppervlak aanwezig. Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt uitgegaan van een oppervlak van 1.342 m2. Voor de bepaling van het verhard oppervlak van de aanwezige halfverhardingen zijn deze oppervlakten als 50% verhard beschouwd. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 22 m2. Type verharding Footprint gebouw (bouwvlak incl. entree Paden Weg karrespoor Berging en fietsparkeren Parkeerkoffer Totaal
38/52
Oppervlak bruto (m2) 748 346 240 130 342
Verhardingspercentage 100 50 50 100 50
Oppervlak (m2) 748 173 120 130 171 1.342
netto
Voor 'toename van verharding bij ruimtelijke ontwikkelingen' heeft het HHSK beleid vastgesteld. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: ● Compenserende waterberging wordt in beginsel gerealiseerd door het graven van open water; ● Compensatie vindt in beginsel plaats binnen de grenzen van het projectgebied; ● Wanneer compensatie in het projectgebied niet mogelijk is, dan wordt de compensatie in ieder geval gerealiseerd in hetzelfde peilgebied. ● Wanneer er geen mogelijkheid is om compenserende waterberging te realiseren binnen het projectgebied of het peilgebied kan in overleg met het hoogheemraadschap een andere positie worden bepaald. Tevens zijn onder restricties bepaalde vormen van alternatieve waterberging bespreekbaar. ● Waterberging wordt gerealiseerd vóór uitvoering van het plan. ● Het aanbrengen van >500 m2 verharding is vergunningplichtig op grond van de waterschapsverordening van Schieland en de Krimpenerwaard. ● De berging wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: kleine, middelgrote en grote ruimtelijke ontwikkelingen. Verhard oppervlak kan tot maximaal 5 jaar na het verwijderen daarvan worden meegerekend als ‘bestaand verhard oppervlak’. Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen waar geen verhardingstoename is, is geen compensatie noodzakelijk.
Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Om te voorkomen dat bij een oppervlakte van ‘501 m2’ ineens de volledige oppervlakte moet worden gecompenseerd, mag voor plannen onderstaande rekenregel toegepast worden. De te compenseren omvang wordt berekend als (bruto toename - 500) x 2. De bruto toename van het verhard oppervlak is lager dan 500 m2 waardoor geen watercompensatie nodig is. Omgang hemelwater Bij de ontwikkeling wordt gestreefd om water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te nemen en op een duurzame wijze te verwerken. Het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) wordt gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en verwerkt. De bestaande watergangen aan de zuidkant worden gehandhaafd. Rond het nieuwe woongebouw wordt verder ruimte gemaakt voor groen en waterberging (water vasthouden en vertragen), aan de noordoost zijde van het gebouw wordt haagbeplanting geplaatst (vergroening). Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied.
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang gedurende de aanlegfase om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken. Conclusie Gelet op het voorgaande, is de aangevraagde activiteit is in overeenstemming met instructieregels voor water uit het Bkl en de provinciale omgevingsverordening. Er is rekening gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor het beheer van watersystemen. Tevens is rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte, droogte en de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. De ontwikkeling voorziet ten aanzien van het aspect water in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat ruimte wordt vrijgemaakt voor groen en waterberging waardoor water langer wordt vastgehouden en vertraagd wordt afgevoerd. Door de bebouwing buiten het profiel van vrije ruimte te plaatsen, kan eventuele dijkverzwaring in de toekomst plaatsvinden.
39/52
Er zijn geen aanvullende voorschriften zijn nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
5.6
Kwaliteit van de buitenlucht
Luchtkwaliteit is relevant in het licht van de aangevraagde activiteit, omdat de ontwikkeling extra verkeer genereert die van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit. Weliswaar ligt de gemeente Krimpen aan den IJssel niet in een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof, maar bevindt zich wel op korte afstand van het aandachtsgebied agglomeratie Rotterdam/Dordrecht. De ontwikkeling, waarmee maximaal 39 woningen worden gerealiseerd, is in artikel 5.54, aanhef en onder b, sub 1°, van het Bkl aangewezen als een standaardgeval dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de omgevingswaarden voor NO2 en fijnstof. Hiermee kan zonder nader onderzoek vastgesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Omdat nieuwe woningen worden gerealiseerd, is tevens gekeken naar de luchtkwaliteit ter plaatse. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de dichtstbijzijnde weg de Lekdijk ruimschoots onder de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2022: 20,3 µg/m³ voor NO2, 17,4 µg/m³ voor PM10 en 9,2 µg/m³ voor PM2,5. Het voorgaande betekent dat de luchtkwaliteit aanvaardbaar is.
In dit verband wordt nog opgemerkt dat de luchtkwaliteit in de toekomst zeer waarschijnlijk nog verder zal verbeteren door voortschrijdende technologie (zoals vergroening van het wagenpark). Conclusie De aangevraagde activiteit is in overeenstemming met instructieregels voor luchtkwaliteit omdat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De ontwikkeling voorziet voor het aspect luchtkwaliteit in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat deze niet in betekende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse van de nieuwe woningen aanvaardbaar is. Er zijn geen aanvullende voorschriften zijn nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
5.7
Geluid door activiteiten
Geluid is relevant in het licht van de aangevraagde activiteit omdat geluidgevoelige gebouwen (woningen) worden toegelaten waarop geluid wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. De instructieregel van paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl zijn van toepassing. In deze instructieregels is onder meer bepaald dat het geluid door een activiteit op de nieuw te bouwen woningen aanvaardbaar moet zijn. Activiteiten die bij deze beoordeling relevant zijn:
40/52
Ten (noord)oosten van het projectgebied ligt een begraafplaats. Het terrein ten noorden van het projectgebied (op een afstand van circa 20 m) heeft de bestemming ‘sport’. De dichtstbijzijnde activiteit is een scouting met bijbehorend terrein/grasveld. Ten zuidoosten van het projectgebied ligt een park (met een agrarische bestemming), gevolgd door een bedrijventerrein waar bedrijven toegestaan zijn tot en met categorie 3.2. De afstand van het projectgebied tot dit terrein bedraagt circa 200 m.
Gelet op de aard van deze activiteiten en de afstand van deze activiteiten tot de nieuw te bouwen woningen, kan aan de standaardwaarden voor geluid worden voldaan. Ten westen van de projectgebied ligt een bedrijventerrein, dat deel uitmaakt van het geluidgezoneerde industrieterrein Zaag en Noord Nederlek, waarop een bedrijvenverzamelgebouw met een fitnessschool, twee garage- en autobedrijven en een kantoorapparatuurbedrijf zijn gevestigd. In paragraaf 5.7 wordt ingegaan op het geluid vanwege het industrieterrein. Ten noordwesten van de planlocatie bevinden zich bedrijven aan de Griendstraat en een garagebedrijf op de hoek van de Griendstraat en de Lekdijk (op het bedrijventerrein De Krom). Deze bedrijven bevinden zich niet op een gezoneerd industrieterrein. De geluidruimte van de bedrijven wordt dus bepaald door de geluidregels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente (bruidsschat). De geluidnormen in de bruidsschat gelden op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In de huidige situatie is dit de woning aan De Noord 57. Voor deze woning geldt een geluidnorm van 55 dB(A) op de gevel vanwege de ligging op een bedrijventerrein. Uit het akoestische onderzoeksrapport (bijlage 7) komt naar voren dat het garagebedrijf op de hoek van de Griendstraat mogelijk wordt beperkt in zijn geluidsruimte omdat de nieuwe woningen dichter bij dit garagebedrijf komen te liggen.
Om dit te voorkomen is een maatwerkvoorschrift nodig waarmee het garagebedrijf dezelfde geluidruimte wordt geboden als op de gevel van de woning aan De Noord 57. Het besluit tot het stellen van een maatwerkvoorschrift zal moeten plaatsvinden voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bopa. Dit betekent dat het geluid op de gevel van de nieuwe woningen maximaal 55 dB(A) mag bedragen, hetgeen 5 dB(A) hoger is dan de standaardwaarde van 50 dB(A). Met een voldoende geluidwering kan worden gewaarborgd dat het geluid binnen de woningen voldoet aan de grenswaarden die zijn opgenomen in tabel 5.66 van het Bkl. Conclusie De activiteiten van het garagebedrijf op de hoek van de Griendstraat wordt door de ontwikkeling mogelijk in zijn geluidruimte (en bedrijfsuitvoering) beperkt. Met het stellen van een maatwerkvoorschrift wordt dit voorkomen. De aldus vastgelegde geluidruimte zorgt voor een hogere geluidbelasting op de gevel van de nieuw te bouwen woningen dan de standaardwaarde. Met een voldoende geluidwering kan worden gewaarborgd dat het geluid binnen de woningen voldoet aan de grenswaarden die zijn opgenomen in tabel 5.66 van het Bkl. In dat geval wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl en draagt de ontwikkeling voor het aspect geluid door activiteiten bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie in dit verband ook paragraaf 5.8).
Aangezien in het Besluit bouwwerken leefomgeving direct werkende regels zijn opgenomen met betrekking tot de gevelwering, zijn geen aanvullende voorschriften nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
5.8
Geluid door wegen en industrieterreinen
Geluid door wegen en industrieterreinen is relevant in het licht van de aangevraagde activiteit omdat geluidgevoelige gebouwen (woningen) worden toegelaten binnen het geluidaandachtsgebied van een weg (Lekdijk/De Noord). Hiervoor zijn de instructieregels in § 5.1.4.2a.4 Bkl van toepassing. De nieuwe woningen liggen ook binnen de geluidzone van het geluidgezoneerde industrieterreinen “De Zaag en Noord” en “IJsselmonde Noordrand”. Voor deze industrieterreinen zijn nog geen geluidproductieplafonds vastgesteld. Dit betekent dat voor het toelaten van de nieuwe woningen binnen de geluidzones op grond van artikel 3.6 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet de Wet geluidhinder van toepassing is.
41/52
Akoestisch onderzoek In het akoestisch onderzoek is gekeken naar: 1. De geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen vanwege het wegverkeer; 2. De geluidbelasting op de gevels vanwege het industrielawaai. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het geluid op de gevels van de woningen vanwege de Lekdijk/De Noord niet overal voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB (artikel 5.78t Bkl) en maximaal 60 dB bedraagt. De grenswaarde van 70 dB wordt evenwel niet overschreden. Het geluid op de achtergevel is dermate laag, dat deze als “geluidluw” beschouwd kan worden. Voor industrieterreinen “De Zaag en Noord” en “IJsselmonde Noordrand” zijn nog geen geluidproductieplafonds vastgesteld. Dit betekent dat voor het toelaten van woningen binnen de geluidzone van deze industrieterreinen vanwege het overgangsrecht de Wet geluidhinder van toepassing blijft. Het geluid vanwege het geluidgezoneerd industrieterrein “De Zaag en Noord” voldoet in de huidige situatie aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de Wet geluidhinder (Wgh). Het geluid vanwege het geluidgezoneerd industrieterrein “IJsselmonde Noordrand” wordt ingeschat op 51 dB(A). Indien er geen hogere waarde voor de nieuwe woningen wordt vastgesteld, wordt de geluidruimte die op basis van de geluidzonering en op de gevel van de woning aan de Noord 57 aanwezig is, teniet gedaan.
Om dit te voorkomen, dient een hogere waarde van 55 dB te worden vastgesteld op de voor- en zijgevels van de nieuw te bouwen woningen. Overschrijding standaardwaarde Aangezien de geluidbelasting vanwege het wegverkeer de standaardwaarde overschrijdt, is op grond van artikel 5.78u Bkl onderzocht of geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen dan wel de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk te beperken. Hierbij is gekeken naar bronmaatregelen, maatregelen in de overdrachtssfeer en maatregelen bij de ontvanger. Mogelijke bronmaatregelen zijn het toepassen van een geluidarm wegdektype, het beperken van de rijsnelheid of de wegintensiteit. Aangezien er over de Lekdijk/De Noord veel vrachtverkeer rijdt, zal een geluidarm wegdektype snel verslijten waardoor het effect snel vermindert. Het beperken van de verkeersintensiteit is vanwege de functie van de weg als ontsluiting van de aanliggende bedrijventerreinen niet mogelijk. Het beperken van de rijsnelheid kan enig effect hebben, maar zal er niet toe leiden dat voldaan wordt aan de standaardwaarde, waardoor deze maatregel niet doelmatig is. Kortom, het treffen van bronmaatregelen is niet mogelijk of niet doelmatig. Overdrachtsmaatregelen zijn het plaatsen van een scherm of het zodanig positioneren van de nieuwbouw dat aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan.
Het plaatsen van een scherm op of nabij een dijk is vanwege de functie van de dijk niet wenselijk. De flexwoningen staan al zoveel mogelijk van de weg af. Een grotere afstand creëren is niet mogelijk. Het geluid op de woningen is maximaal 60 dB en niet hoger dan de grenswaarden in artikel 5.78u Bkl. Omdat bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn om de overschrijding van de standaardwaarde vanwege wegverkeerslawaai op te heffen, kunnen alleen nog maatregelen bij de ontvanger worden getroffen. Hierbij dient in ieder geval te worden gezorgd voor voldoende (karakteristieke) geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van de nieuwbouw. Belang van een geluidluwe gevel Op grond van artikel 5.78ab, lid 1, Bkl dient bij de toepassing van artikel 5.78u het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel te worden betrokken. Uit het akoestisch onderzoeksrapport blijkt dat het geluid op de achtergevel van de woningen dermate laag is dat deze als geluidluwe gevel beschouwd kan worden. Gecumuleerd geluid
42/52
In artikel 5.78ac Bkl is bepaald dat bij de toepassing van artikel 5.78u de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw wordt beoordeeld. Uit het akoestisch onderzoeksrapport blijkt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de voor- en zijgevels als “tamelijk slecht” (61 – 65 Lcum) wordt beoordeeld en ter plaatse van de achtergevels als “goed” (46 – 50 Lcum). Ter plaatse is zowel het verkeerslawaai als het industrielawaai bepalend voor het gecumuleerd geluid. In de huidige situatie zal het gecumuleerd geluid iets lager zijn, omdat het geluid van het industrielawaai is bepaald op basis van de vast te stellen hogere waarden. Bepalen van het gezamenlijke geluid Op grond van artikel 5.78ad Bkl dient bij de toepassing van artikel 5.78u het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen te worden bepaald en vastgelegd. In het akoestisch onderzoeksrapport is het gezamenlijke geluid bepaald op de gevels van de woningen (zie bijlage IV van het rapport). Het gezamenlijk geluid bedraagt 59 tot 62 dB op de voorgevel en 58 tot 61 dB op de zijgevels. Conclusie De aangevraagde activiteit heeft geen significante gevolgen voor het geluid door de Lekdijk/De Noord. De nieuw te bouwen woningen liggen in het geluidaandachtsgebied van De Noord en in de geluidzone van industrieterreinen “De Zaag en Noord” en “IJsselmonde Noordrand”.
De standaardwaarde op de voor- en zijgevels van de nieuwe woningen wordt overschreden maar het geluid is niet hoger dan de grenswaarde. Het treffen van geluidbeperkende maatregelen is niet mogelijk of niet doelmatig. De akoestische kwaliteit ter plaatse van de voor- en zijgevels wordt als “tamelijk slecht” (61 – 65 Lcum) beoordeeld. Met een goede gevelwering kan een goed akoestisch woon- en leefklimaat binnen de woningen worden gewaarborgd. De tamelijk slechte akoestische kwaliteit ter plaatse van de voor- en zijgevels wordt gecompenseerd door de goede akoestische kwaliteit van de achtergevel, die geluidluw is. Gelet op het voorgaande is de aangevraagde activiteit (voor zover het overgangsrecht niet van toepassing is) in overeenstemming met de instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In verband met de ligging van de woningen binnen de geluidzone van de industrieterreinen, is een besluit tot het vaststellen van hogere waarden (55 dB) nodig. Tevens is het noodzakelijk om het gezamenlijke geluid op de gevels van de woningen, zoals weergegeven in bijlage IV bij het akoestisch rapport, in een vergunningvoorschrift vast te leggen.
5.9
Bodemkwaliteit
Bodemkwaliteit is relevant in het licht van de aangevraagde activiteit omdat de nieuw te bouwen woningen kwalificeren als bodemgevoelige gebouwen die worden gebouwd op een bodemgevoelige locatie. Tevens is sprake van het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door IDDS een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 8). Het doel van het verkennend onderzoek is inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in bodem en grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 5. Onderstaand is een samenvatting gegeven van de conclusies en aanbevelingen. ● ● ●
43/52
In de grond is sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft zwakke bijmengingen met baksteen, puin, menggranulaat en resten (metaal)slakken; Visueel is geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen; Onder de asfaltverharding is funderingsmateriaal aanwezig. De verhardingslagen betreffen geen bodem en zijn
● ● ● ●
●
derhalve niet onderzocht. Betreffende verhardingslagen vallen buiten de invloedsfeer van de Wet bodembescherming; De menggranulaat-houdende grond van boringen 06_N en 07_N is indicatief geanalyseerd op het voorkomen van asbest. Hierbij is geen asbest aangetoond; De bovengrond is over het algemeen licht verontreinigd met minerale olie, zink en PCB; De ondergrond is over het algemeen licht verontreinigd met nikkel; Ter plaatse van een boring 04_N (100-150 cm-mv) is een matige verontreiniging met lood en een sterke verontreiniging met zink aangetoond (zie onderstaande figuur). De verontreinigingen bevinden zich onder een gesloten verharding. De onderliggende bodemlaag is maximaal licht verontreinigd met zware metalen; Het grondwater is licht verontreinigd met barium, kobalt en VOCL.
puntverontreiniging
Figuur 5.9 Boorplan bodemonderzoek (te plaatse van boring 04_N is een puntverontreiniging aangetroffen)
Gelet op de onderzoeksresultaten dient de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie te worden aangenomen. De plaatselijk aangetroffen sterke verontreiniging met zink geeft (in het kader van de Wet bodembescherming) aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek. De DCMR milieudienst Rijnmond heeft advies gegeven omtrent de bevindingen van het verkennend milieukundig bodemonderzoek. De DCMR adviseert dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik zolang contact met de sterk verontreinigde grond niet mogelijk is. De sterk verontreinigde grond bevindt zich onder een gesloten verharding. Hoewel in de ondergrond plaatselijk een sterk verhoogd gehalte aan zink en een matig verhoogd gehalte aan lood is aangetoond, zijn er, zolang de verharding wordt gehandhaafd, geen risico’s te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers. Indien de verharding verwijderd wordt of herinrichting plaatsvindt waarbij gewerkt wordt in de sterk verontreinigde grond, is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Het beoogde parkeerterrein is tevens onderzocht (bijlage 9). De bovengrond is overwegend licht verontreinigd met kwik, lood, zink, nikkel, PAK en PCB. In het grondwater zijn geen afwijkingen waargenomen die kunnen duiden op een eventuele bodemverontreiniging. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium, kobalt en nikkel aangetroffen. Op basis
44/52
van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Ook zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een significante verontreiniging van het grondwater. Er zijn vanuit de aspecten bodem- en grondwaterkwaliteit geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen activiteit. Voor bodem zijn de volgende instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl van belang.
Op grond van artikel 5.89i zal in de omgevingsvergunning voor de bopa de toelaatbare kwaliteit van de bodem moeten worden vastgelegd. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond van artikel 5.89k zal in de omgevingsvergunning voor de bopa moeten worden bepaald dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde van de toelaatbare kwaliteit van de bodem alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. In dit geval is op één plek een verontreiniging aangetroffen die zich bevindt onder een gesloten verharding. In de omgevingsvergunning voor de bopa zal een voorschrift moeten worden verbonden waarin is bepaald dat de verharding in stand wordt gehouden en, voor zover er een voornemen is om de verharding te verwijderen, te bepalen dat aanvullend onderzoek zal moeten plaatsvinden. Op grond van artikel 5.89l zal in de omgevingsvergunning voor de bopa moeten worden bepaald dat het verboden is de woningen te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
In de Zuid-Hollandse omgevingsverordening (hierna: ZOV) zijn de instructieregels van § 7.3.5.1 van belang omdat deze betrekking hebben op het toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie. Uit het bodemonderzoek blijkt dat een lichte verontreiniging met Ba, Co en VOCl in het grondwater is aangetroffen. De concentraties zijn (aanzienlijk) lager dan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering in bijlage III, onder Aa1 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening. Gelet hierop is geen sprake van een verontreiniging van het grondwater. De volgende instructieregels zijn van belang:
Op grond van artikel 7.29, eerste lid, van de ZOV zal in de omgevingsvergunning voor de bopa moeten worden bepaald dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater; Op grond van artikel 7.34, eerste lid, van de ZOV zal in de omgevingsvergunning voor de bopa moeten worden bepaald dat het verboden is de woningen te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Conclusie De aangevraagde activiteit is in overeenstemming met instructieregels voor bodemkwaliteit. De ontwikkeling voorziet voor het aspect bodem/grondwater in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat de bodem- en grondwaterkwaliteit voldoende is voor het bouwen van de woningen en geen sanerende maatregelen nodig zijn. De ontwikkeling zelf heeft geen gevolgen voor de bodemkwaliteit. Aan de vergunning dienen voorschriften te worden verbonden om te voldoen aan etfal en instructieregels. Deze hebben betrekking op het vastleggen van de toelaatbare kwaliteit van de bodem, het in stand houden van de verharding boven een bemonsterpunt waar hogere gehalten verontreinigende stoffen zijn aangetroffen, een onderzoeksplicht voorafgaand aan het verwijderen van deze verharding en een meldingsplicht voor de bouw van de woningen.
45/52
5.10
Archeologie
Archeologie is relevant in het licht van de aangevraagde activiteit omdat de ontwikkeling gevolgen kan hebben voor een archeologisch monument. Volgens bestemmingsplan ‘Kortland’ heeft het projectgebied een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2a’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -mv. Het parkeerterrein heeft tevens gedeeltelijk een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 4'. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij ingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 100 cm -mv. Om na te gaan of archeologische monumenten in de bodem verwacht kunnen worden, heeft archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden (bijlage 10). Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het projectgebied een lage archeologische verwachting heeft en er vanuit archeologisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de ontwikkeling van het projectgebied. Geadviseerd wordt om het projectgebied vrij te geven. Conclusie Er zijn geen instructieregels met betrekking tot het aspect waaraan moet worden voldaan. Uit archeologisch vooronderzoek blijkt dat het projectgebied een lage archeologische verwachting heeft. Het aspect archeologie staat de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling niet in de weg. In zoverre draagt de ontwikkeling bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Er zijn geen voorschriften nodig om te voldoen aan etfal.
5.11
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is relevant in het licht van de aangevraagde activiteit, omdat het een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft waarmee 20 sociale huurwoningen worden mogelijk gemaakt. Voor duurzame verstedelijking zijn de volgende instructieregels relevant: Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl: Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De volgende provinciale instructieregels zijn van belang: Artikel 7.44: een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt houdt rekening met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling.
De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit een geheel of gedeeltelijke instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document. Artikel 7.45, eerste lid: een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
46/52
Artikel 7.45b, eerste lid: een omgevingsplan voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. Artikel 7.45b, tweede lid: het omgevingsplan, bedoeld in het eerst lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw. Artikel 7.45c: een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Artikel 7.45ca: een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit. Artikel 7.47a, eerste lid: een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangsprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, die minimaal 25 jaar in stand worden gehouden en via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 30% sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte als bedoeld in artikel 7.44.
Nagenoeg in heel Nederland is een tekort aan (betaalbare) woningen. De woningmarkt is krap, ook in gemeente Krimpen aan den IJssel. Er is behoefte aan met name sociale huurwoningen en de ontwikkeling voorziet in een deel van deze behoefte. De ontwikkeling zal plaatsvinden binnen stedelijk gebied. Door op een relatief klein gebied 20 nieuwe sociale huurwoningen mogelijk te maken, is rekening gehouden met een zo hoog mogelijke woningdichtheid. De gehanteerde stedenbouwkundige kaders, waarin ook rekening is gehouden met groenstructuren dragen bij aan een goede woon- en leefomgeving en biologische diversiteit. Door het kleine projectgebied en rekening houdend met een hoge woningdichtheid, zijn er geen mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen en is noodzakelijkerwijs gekozen voor appartementen. Conclusie Gelet op het voorgaande is de aangevraagde activiteit in overeenstemming met de instructieregels uit het Bkl en de ZuidHollandse omgevingsverordening en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er zijn geen voorschriften nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
5.12
Gezondheid
Aangezien de fysieke leefomgeving grote invloed heeft op onze persoonlijke gezondheidssituatie, is een quickscan gezonde leefomgeving uitgevoerd (bijgevoegd als bijlage 11 bij deze aanvraag). Kort samengevat zijn de belangrijkste resultaten van de quickscan: 1. De dimensie gezonde bodem scoort hoog. Binnen deze dimensie is nog een beperkte verbetering mogelijk, door bijvoorbeeld het toevoegen van extra waterretentie, waardoor het regenwater opgeslagen kan worden en gebruikt kan worden ten tijde van droogte. Dit draagt ook bij aan een gezonde waterbalans. 2. De dimensies gezond milieu, gezonde leefruimte en gezond verplaatsen scoren net onvoldoende. Voor gezond milieu geldt dat geluid erg slecht scoort. Met de inrichting van het plangebied en het ontwerp van de woningen is het advies om maatregelen te treffen om geluidsoverlast zoveel mogelijk te beperken. Hierin is voorzien door een geluidluwe gevel en voldoende gevelwering aan de geluidbelaste zijde van de woningen. 3. Voor gezonde leefruimte geldt dat beweegvriendelijkheid en groen in de buurt laag scoren. Het advies is daarom om in het ontwerp na te denken over het aanleggen van bijvoorbeeld een groene speeltuin. Hierdoor neemt het percentage groen toe in de buurt, en leidt dit tot het verhogen van de beweegvriendelijkheid in het projectgebied.
Bovendien is dit zeer bevorderlijk voor het verhogen van de sociale cohesie in de buurt. 4. De dimensies gezonde mensen, gezonde voorzieningen en gezonde waterbalans scoren net voldoende, en voor enkele van deze dimensies zijn diverse maatregelen mogelijk om de leefomgeving gezonder te maken.
47/52
5. De dimensie gezonde voorzieningen scoort iets lager vanwege de afstand tot zorgvoorzieningen. Het plan biedt geen aanknopingspunten om dit te verbeteren of om deze voorzieningen te realiseren in de buurt.
5.13
Overige aspecten
De ontwikkeling is tevens relevant voor de volgende thema’s. Toekomstbestendig bouwen van woningen Op grond van artikel 7.41aa van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening dienen bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen te worden betrokken. Hierbij dienen de volgende aspecten in onderlinge samenhang te worden betrokken: a. de risico’s van klimaatverandering; b. de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie; c. de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; d. de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase; e. het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; f. het versterken van de biodiversiteit; en g. het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving. Bij de ontwikkeling van de nieuwe appartementen wordt gekeken naar een bouwsysteem uit geprefabriceerde houten modules, die voor elke doelgroep en toepassing geschikt zijn. De units zijn aanpasbaar als bijvoorbeeld een studio of twee- of driekamerappartement. Voordeel van dit bouwsysteem is dat het kwalitatief hoogwaardig is, circulair en snel te realiseren waardoor de emissies van NOx en CO2 tijdens met name de bouwfase beperkt zullen zijn.
De modules zijn van hout dat een vochtregulerend effect heeft en zorgt voor een stabiele vochtbalans. Hiermee is er een laag risico op infecties, stof, mijt, schimmel en bacteriën. Hout heeft een positieve invloed op de mentale gesteldheid, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Wij zoeken ook een gezond en comfortabel klimaat in een gebouw. Hout heeft, door het vochtregulerende effect van het materiaal een stabiele vochtbalans, met een laag risico op infecties, stof, mijt, schimmel en bacteriën. Hout heeft een positieve invloed op de mentale gesteldheid, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. De woningen worden d.m.v. een duurzaam warmtesysteem voorzien van warm water en ruimteverwarming. De geluidbelasting op de naar de dijk gekeerde gevel is hoog. Door het toepassen van voldoende gevelwering, wordt een aanvaardbaar binnenniveau gewaarborgd. De achtergevels van de woningen kunnen als “geluidluw” worden beschouwd, hetgeen een positieve bijdrage levert aan het akoestisch woon- en leefklimaat. Ruimtelijke kwaliteit Op grond van paragraaf 7.3.7 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening laat een omgevingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft (artikel 7.43a, lid 1). Hierbij word rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b.
het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A. De ontwikkeling valt niet binnen een beschermingscategorie als bedoeld in artikel 7.42 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening. Het gebied waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden identificeert zich als bedrijven-, woon-, en recreatief gebied. De ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en zal geen wijziging op structuurniveau tot gevolg hebben. De grootschaligheid van de bedrijven langs de Noord en de zachte overgang van woningbouw gelegen tussen de bedrijven en het recreatieve gebied wordt behouden. Het opheffen van het dierenasiel en toevoegen van woningbouw met hoogwaardige semi-openbare ruimte zorgt voor in-/toevoeging aan deze identiteit. Er wordt rekening gehouden met de aard en schaal van het gebied. De nieuwe bebouwing zal nauwkeurig ingepast worden in de huidige omgeving en behoudt een relatie met de
48/52
omgeving. Er wordt gestreefd naar het behoud van zichtlijnen en het verbeteren van de groene kwaliteit. Gelet op het voorgaande blijft de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk en draagt de ontwikkeling bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er zijn geen voorschriften nodig om te voldoen aan etfal en instructieregels.
49/52
6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De gemeente heeft middelen beschikbaar vanuit de grondexploitatie de Noord 102 om de ontwikkeling te realiseren. Eventuele tekorten op de grondexploitatie zullen gedekt worden vanuit de Reserve Opvang van ontheemden/asielzoekers. Deze reserve is toereikend voor het vormen van een verliesvoorziening en is door de raad ingesteld voor het dekken van deze kosten. Kostenverhaal Indien de bopa nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde.
Een plan is financieel onuitvoerbaar als het kostenverhaal van door het plan mogelijk gemaakte kostenverhaalplichtige bouwactiviteiten en gebruikswijzigingen als aangewezen in artikel 8.13 Omgevingsbesluit niet is geregeld. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van (gestapelde) woningbouw. De realisatie van een of meer gebouwen met een woonfunctie is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. In dit geval is de gemeente Krimpen aan den IJssel eigenaar van de gronden waar de kostenverhaalplichtige activiteit plaatsvindt. Omdat de gemeente zelf alle gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk wordt gemaakt in eigendom heeft, is kostenverhaal niet aan de orde. In het geval dat de gemeente zelf exploitant is, blijven de kosten voor rekening van de gemeente. De gemaakte kosten worden zover als mogelijk bij grondverkoop via de grondprijs verhaald. De gemeente is in overleg met woningcorporatie Qua Wonen inzake grondverkoop. De resterende kosten kunnen, zoals eerder aangegeven, gedekt worden uit de Reserve Opvang van ontheemden/asielzoekers.
Hiermee is ook aan het tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
50/52
7. EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES In hoofdstuk 5 zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante omgevingsaspecten en andere thema’s (voor zover relevant voor de ontwikkeling en de omgeving daarvan) zorgvuldig onderzocht. Er wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl en de Zuid-Hollandse omgevingsverordening. Kort samengevat kan het volgende worden geconcludeerd: 1. De ontwikkeling leidt niet tot knelpunten met betrekking tot de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. De parkeerbehoefte (auto’s en fietsen) wordt opgevangen op de projectlocatie; 2. De aspecten flora en fauna en gebiedsbescherming geven geen aanleiding voor de conclusie dat de ontwikkeling evident onuitvoerbaar is; 3. De ontwikkeling zelf is geen risicovolle activiteit en activiteiten in de omgeving van de ontwikkeling vormen geen externe veiligheidsrisico’s. Er is rekening gehouden met de veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises; 4. Bij de ontwikkeling wordt ruimte vrijgemaakt voor groen en waterberging waardoor water langer wordt vastgehouden en vertraagd wordt afgevoerd. Door de bebouwing buiten het profiel van vrije ruimte te plaatsen, kan eventuele dijkverzwaring in de toekomst plaatsvinden; 5. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse van de nieuwe woningen is aanvaardbaar; 6.
De standaardwaarde op de voor- en zijgevels van de nieuwe woningen wordt overschreden maar het geluid is niet hoger dan de grenswaarde. De akoestische kwaliteit ter plaatse van de voor- en zijgevels wordt als “tamelijk slecht” beoordeeld. Met een goede gevelwering kan een goed akoestisch woon- en leefklimaat binnen de woningen worden gewaarborgd. De tamelijk slechte akoestische kwaliteit ter plaatse van de voor- en zijgevels wordt gecompenseerd door de goede akoestische kwaliteit van de achtergevels, die geluidluw is; 7. Bij het verkennend bodemonderzoek is plaatselijk een sterke verontreiniging met zink aangetroffen. De DCMR milieudienst Rijnmond adviseert dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik zolang contact met de sterk verontreinigde grond niet mogelijk is. De sterk verontreinigde grond bevindt zich onder een gesloten verharding. Hoewel in de ondergrond plaatselijk een sterk verhoogd gehalte aan zink en een matig verhoogd gehalte aan lood is aangetoond, zijn er, zolang de verharding wordt gehandhaafd, geen risico’s te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers. Indien de verharding verwijderd wordt of herinrichting plaatsvindt waarbij gewerkt wordt in de sterk verontreinigde grond, is aanvullend onderzoek noodzakelijk.