bijlage 1 - Bestemmingsplan Groeiplaneet
Tekst van het document
1, 2
Artikel 3.1 lid 4 en Vogel met een jaarrond beschermd nest
n
De sporthal wordt gesloopt. In de sporthal zijn geen geschikte openingen aangetroffen voor gierzwaluw. De open spleten zijn te smal voor (drachtige) gierzwaluwen. Echter, ten noorden van het plangebied zijn geschikte woonhuizen aanwezig waar nestgelegenheid is achter geschikte openingen in de nokpan. Bij deze woonhuizen is sprake van een vrije uitvlieghoogte van drie meter en vrije uitvliegbreedte van een meter. Aangezien er sprake is van een korte afstand van 20 meter van de sporthal tot nestgelegenheid, kunnen de werkzaamheden deze nesten verstoren. Zowel de locatie (dorpskern) als de biotoop (invliegopeningen) zijn geschikt voor verblijfplaatsen van gierzwaluw ten noorden van het plangebied. Negatieve effecten kunnen niet worden uitgesloten.
1, 2
Artikel 3.1 lid 4 en Vogel met een jaarrond beschermd nest
z, w, p, k, vl
a = beschermde functie aangetroffen m = beschermde functie mogelijk aanwezig vm = vestiging van deze soort is mogelijk Verblijfplaatsen n = nest (vogels) k = kraamverblijfplaats z = zomerverblijfplaats p = paarverblijfplaats
Er is een nest van een houtduif aangetroffen in het plangebied, zie Figuur 3. Categorie 5-soorten met een 'matig ongunstige' staat van instandhouding zoals de spreeuw en huiszwaluw worden niet verwacht. Er ontbreken holtes in bomen (spreeuw) en de dakrand van het sportgebouw is te glad (huiszwaluw). Voor spreeuw bieden de woonhuizen buiten het plangebied nestgelegenheid. De zwarte roodstaart kan zich vestigen op bouwterreinen en kan broeden in hopen afval of bouwmateriaal De volgende biotopen zijn aanwezig: bebouwing; bomen (niet lijnvormig); open, in verbinding staand water; struweel en verharding algemeen. Zie Tabel 3 voor voorbeelden van vogelsoorten die verwacht worden. Duiven, zoals de houtduif, kunnen vrijwel het gehele jaar broeden in bomen en bosschages en daar dient rekening mee gehouden te worden. Zie 5.1.1 voor de te nemen maatregelen voor vogels.
w = winterverblijfplaats Overig en omgeving vl = essentiële vliegroute fl = functionele leefomgeving (huismus)
Artikel 3.5 lid 1, 2 en 4 HR-soorten
¹ Zoals omschreven in paragraaf 2.2. 2 De beschermingsregimes zijn toegelicht in Bijlage 1. Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
10
Tabel 3: Beschrijving van de biotopen en te verwachten vogels zonder jaarrond beschermd nest Legenda Plangebied
Aanwezige biotopen
Beschrijving biotoop
Vogels zonder jaarrond beschermd nest die te verwachten zijn (indicatief, het betreft geen volledige lijst):
Bebouwing
gebouwen, zoals woonhuizen en panden
spreeuw, kauw, zwarte roodstaart, merel
Bomen (niet lijnvormig)
boom, boomgroep of houtig vlakelement
pimpelmees, houtduif, putter, vink
Open, in verbinding staand water
groter water zoals: sloot, boezem, rivier, meer
fuut, meerkoet, knobbelzwaan
Struweel
struiken, zonder bomen/boomlaag
heggenmus, tuinfluiter, tjiftjaf, winterkoning, roodborst, zwartkop
Verharding algemeen
straatbetegeling, asfalt, paden, erfverharding
n.v.t.
Onderzoeksgebied
Waarnemingen Nest (houtduif) Aanwezig (huismus)
Biotopen Verlichting Vliegroute (VM) Geschikte openingen nokpan (GZ) Open spleten (VM) Open stootvoegen (VM) Struweel (FL HM, V) Woonhuizen (VM, V) Open, in verbinding staand water (V, VL) Bomen (V)
V = vogels zonder jaarrond beschermd nest, GZ = gierzwaluw, HM = huismus, FL HM = functionele leefomgeving huismus, VM = vleermuizen, VL = vliegroute. Figuur 3: kaart met het plangebied, biotopen waar diersoorten in verwacht worden en relevante waarnemingen. In bijlage 10 is een detailkaart van de sporthal en bijgebouw weergegeven. Alleen biotopen waar beschermde soorten aanwezig kunnen zijn, zijn weergegeven in deze figuur. In Tabel 3 wordt per biotoop beschreven welke broedvogels er kunnen voorkomen. Dit is echter slechts een indicatie, er kunnen altijd nog andere vogels aanwezig zijn in dit biotoop. In de houten dakgevel en open stootvoegen van de sporthal zijn geschikte openingen voor vleermuizen waar verblijfplaatsen mogelijk zijn. Er kan sprake zijn van een essentiële vliegroute voor vleermuizen bij struwelen langs watergangen en boven watergangen. In de struwelen in het plangebied zijn huismussen waargenomen. Hierdoor maakt het struweel deel uit van de functionele leefomgeving van huismus. In de woonhuizen ten noorden van het plangebied kunnen nesten van gierzwaluw en huismus aanwezig zijn. Deze kunnen verstoord worden tijdens de werkzaamheden. Er broedt een houtduivenpaar in het plangebied, waar rekening mee gehouden dient te worden.
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
11
3.3 Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen (zie Bijlage 1). Uit de zorgplicht volgt dat nadelige gevolgen voor flora of fauna voorkomen worden of dat noodzakelijke maatregelen getroffen worden. Planten De volgende plantensoorten zijn binnen het plangebied aangetroffen: kruipende boterbloem, ridderzuring, grote brandnetel, paarse dovenetel, gewone paardenbloem, harig wilgenroosje, gestreepte witbol, gewone brunel, gewone veldkers, herderstasje, gele lis, groot hoefblad, gewone els, gewone es, klimop, mannetjesvaren, speenkruid, schijnaardbei, straatgras, klein kruiskruid, hondsdraf en diverse uitheemse tuinplanten. Voor deze algemene planten zijn geen maatregelen benodigd. Er zijn geen bedreigde planten van de Rode Lijst aangetroffen. Dieren In het plangebied kunnen verschillende diersoorten aanwezig zijn welke relevant zijn om rekening mee te houden tijdens de voorgenomen ontwikkeling. Deze worden hieronder per biotoop benoemd. Grasland In het grasland kunnen soorten aanwezig zijn, zoals: aardmuis, veldmuis en gewone pad. Bosschage In de bosschages kunnen soorten aanwezig zijn, zoals: egel, gewone bosmuis en bruine kikker.
Toelichting op de afbeelding Zicht op de waterloop ten noorden van het plangebied (kijkrichting zuidoost).
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
12
4. CONCLUSIE & AANBEVELINGEN
4.1 Conclusie
Algemene opmerking:
De conclusie geeft antwoord op de centrale vraag: Is de voorgenomen ontwikkeling in strijd met de soort- of gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal beleid? En welke vervolgstappen dienen genomen te worden voor met de uitvoering gestart kan worden?
In 4.1 is de conclusie weergegeven. Voor de volledigheid én om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient het gehele rapport gelezen te worden. Zo geeft hoofdstuk 1 belangrijke informatie over de opzet en afbakening van het onderzoek. In hoofdstuk 2 wordt informatie gegeven over de begrenzing van het plangebied en welke werkzaamheden getoetst zijn.
Hieronder volgt een antwoord op de centrale vraag. In tabel 4 is de conclusie samengevat.
Hoofdstuk 3 geeft nadere informatie over de aanwezigheid van soorten en gebieden. Ook de bijlagen zijn onlosmakelijk met de inhoud verbonden, met name Bijlage 8.
De voorgenomen ontwikkeling is naar verwachting in strijd met het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming. Houtduif broedt in het plangebied en er kunnen verblijfplaatsen van
Zie paragraaf 5.1 voor informatie over hoe om te gaan met soorten waarvoor geen onderzoek benodigd
vleermuizen op de planlocatie aanwezig zijn. Ook kan er sprake zijn van essentiële vliegroute voor
is, maar waarvoor wel maatregelen benodigd zijn. In Bijlage 10 is een stroomschema te vinden waarin
vleermuizen die verstoord kan worden. Tijdens de werkzaamheden kunnen nesten van huismus en
de vervolgstappen zijn opgenomen met een indicatieve doorlooptijd.
gierzwaluw verstoord worden in woonhuizen buiten het plangebied. Het plangebied maakt deel uit van de functionele leefomgeving van huismus. Daarnaast kunnen 'vogels zonder jaarrond beschermd nest'
4.2 Nader onderzoek is nodig voor de volgende soorten en gebieden
zich in de toekomst vestigen, als er geen voorzorgsmaatregelen worden genomen. De voorgenomen
Voor iedere soort waarvoor de Wet Natuurbescherming en/of het natuurbeleid van de provincie
ontwikkeling is daarnaast mogelijk ook in strijd met het onderdeel gebiedsbescherming uit de Wet
(mogelijk) wordt overtreden, wordt hieronder de vervolgstap beschreven.
natuurbescherming. Verder zijn de plannen niet in strijd met provinciale gebiedsbescherming.
• Vleermuizen: zie Tabel 2 voor de soorten en functies. Het onderzoek naar vliegroutes en verblijfplaatsen in de omgeving is niet benodigd indien voldaan kan worden aan de maatregelen in paragraaf 5.1.2. Het onderzoek naar verblijfplaatsen in het plangebied kan niet voorkomen
Tabel 4: Samenvatting conclusie
Soort(groep)/gebied
Maatregel
Onderzoek
Overig/opmerking
Vogels zonder jaarrond beschermd nest
x
Huismus
x
x
zie paragraaf 4.2
Gierzwaluw
x
(x)
zie paragraaf 4.2 en 5.1.2
Vleermuizen
x
x
zie paragraaf 4.2 en 5.1.3
zie paragraaf 5.1.1
x = maatregel of onderzoek is benodigd, (x) = onderzoek is enkel benodigd als de maatregelen niet uitgevoerd kunnen worden.
worden met een maatregel. Het onderzoek naar verblijfplaatsen in het plangebied dient globaal plaats te vinden tussen half mei en half oktober volgens het Vleermuisprotocol 2021. Er zijn onder andere veldbezoeken benodigd in het voorjaar en najaar.
• Huismus: nesten en functionele leefomgeving. Indien er niet aan de maatregel in paragraaf 5.1.3. kan worden voldaan, dient het nader onderzoek uitgebreid te worden met de geschikte woonhuizen buiten het plangebied. Dit onderzoek dient bij voorkeur plaats te vinden door het uitvoeren van minimaal twee veldbezoeken in de periode april t/m 20 juni.
• Gierzwaluw: nesten. Indien er niet aan de maatregel in paragraaf 5.1.3. kan worden voldaan, dient het te onderzoeken gebied uitgebreid te worden met de geschikte woonhuizen buiten het plangebied. Dit onderzoek dient bij voorkeur plaats te vinden door het uitvoeren van minimaal drie veldbezoeken in de periode juni t/m half juli
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
13
5. MAATREGELEN doorgang vinden. Let op: in de aangegeven broedperiode is er veelal een grote kans op het aantreffen
Algemene opmerking: Verricht geen werkzaamheden voordat de nadere onderzoeken zijn afgerond, maatregelen zijn genomen en/of (indien aan de orde) een ontheffing of vergunning is verkregen. Of treed voorafgaand aan de werkzaamheden in overleg met een deskundig ecoloog over welke werkzaamheden wél mogelijk zijn. Afwijkingen dienen altijd schriftelijk vastgelegd te worden om aantoonbaar volgens de wet te werken (omgekeerde bewijslast). Zie ook paragraaf 5.4.
Hieronder volgen de te nemen maatregelen om overtreding van wetsartikelen te voorkomen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. De maatregelen zijn opgedeeld in:
• 5.1 Maatregelen beschermde soorten (artikelen 3.1, 3.5 en 3.10); • 5.2 Zorgplichtmaatregelen (artikel 1.11); • 5.3 Bovenwettelijke maatregelen.
Daarnaast wordt in paragraaf 5.4 besproken wat u kunt doen bij een wijziging van de ontwikkeling of wanneer de gegeven adviezen niet passen in de uitvoering of planning. 5.1 Maatregelen beschermde soorten Er zijn maatregelen nodig voor de volgende beschermde soorten: vogels en vleermuizen. 5.1.1 Vogels zonder jaarrond beschermd nest Voorkom vernietiging van vogelnesten óf een verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van een in Europa inheemse vogelsoort. Nesten van deze soorten mogen niet beschadigd, weggehaald of vernietigd worden. Ook verstoringen die leiden tot het verlaten van het nest zijn verboden. De meeste vogels broeden globaal tussen half maart en half augustus. Echter, alle broedende in Europa inheemse vogelsoorten zijn te allen tijde beschermd. Maatregel 1: verricht de werkzaamheden buiten de broedperiode van de aanwezige soorten. Op basis van het veldbezoek waarin we op aanwezige vogelsoorten hebben gelet én op basis van de aanwezige biotopen, verwachten wij dat de broedperiode loopt van februari t/m half augustus. Indien het niet mogelijk is om buiten deze broedperiode te werken, kan maatregel 2 uitkomst bieden. Maatregel 2: laat voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitvoeren door een
van broedende vogels. Een gunstige uitkomst van de inspectie is vooraf niet te geven. Zwarte roodstaart Zwarte roodstaart kan aanwezig zijn op bouwterreinen en broeden in hopen afval of bouwmateriaal. Als de soort tot broeden komt op het terrein is het nest beschermd en zal hier rekening mee gehouden moeten worden. Maatregel: voorkom vestiging van zwarte roodstaart door in de broedperiode (globaal van half maart t/m eind juli) bouwmateriaal, hopen houtafval of stenen direct te verwijderen uit het plangebied. Of dek de bouwmaterialen geheel af met een stevig zeil of doek. 5.1.2 Vleermuizen (lichteffecten voorkomen) In de woonhuizen ten noorden van het plangebied kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. De watergang noorden van het plangebied kan een essentiële vliegroute zijn voor vleermuizen. Verwacht wordt dat de werkzaamheden tot negatieve effecten zullen leiden op verblijfplaatsen in deze woonhuizen en deze verwachte essentiële vliegroute. Om een overtreding te voorkomen, zijn onderstaande maatregelen opgesteld. Maatregel 1 (verblijfplaatsen): verricht geen werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopkomst. Zorg dat er 's nachts geen bouwplaatsverlichting schijnt op geschikte openingen op de sporthal en bijgebouw in het plangebied èn geschikte woonhuizen buiten het plangebied (zie Figuur 3).
Vleermuizen zijn 's avonds en 's ochtends actief en kunnen door het gebruik van verlichting verstoord worden, waardoor zij hun verblijfplaats of foerageergebied niet kunnen bereiken. Indien dit niet mogelijk is, dan dient het nader onderzoek naar vleermuizen uitgebreid te worden met deze woonhuizen. Onderzoek naar verblijfplaatsen binnen het plangebied is sowieso nodig, zie paragraaf 4.2 voor meer informatie. Maatregel 2 (vliegroute): voorkom het beschijnen van licht op de watergang tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie. De watergang dient geheel onbeschenen te blijven. Indien het niet mogelijk is om aan deze maatregel te voldoen, dan dient nader onderzoek verricht te worden naar vliegroutes, zie paragraaf 4.2.
ecoloog. Indien er geen broedende vogels worden vastgesteld, kunnen de werkzaamheden alsnog Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
14
5.1.3 Huismus en gierzwaluw Huismus en gierzwaluw zijn vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Soorten met een jaarrond
5.2.1 Zoogdieren
beschermd nest zijn zeer honkvast en geschikte nestplaatsen zijn beperkt beschikbaar. Verstoringen,
In het plangebied kunnen soorten voorkomen zoals benoemd in paragraaf 3.3. De volgende
die het broedsucces verminderen of zelfs leiden tot het verlaten van het nest (waardoor de jongen
maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten:
sterven), zijn verboden.
• Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen, egels) om verkeers-
Maatregel: voorkom sterke trillingen en harde geluiden over een lange periode nabij mogelijke nesten
slachtoffers te voorkomen. Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rus-
in geschikte woonhuizen van huismus en gierzwaluw tijdens de broedperiode (zie Figuur 3). Deze
tige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren
periode loopt van maart t/m augustus. Voorkom ook fysieke aanwezigheid van mensen en materieel
kunnen vluchten.
in de functionele leefomgeving van huismus. Indien er niet aan deze maatregel voldaan kan worden, dient het nader onderzoek naar nesten van huismus en gierzwaluw uitgebreid te worden met de geschikte woonhuizen. Zie paragraaf 4.2 voor meer informatie.
• Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst.
• Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen,
5.2 Zorgplichtmaatregelen
zoals bosschages en ruigtes.
In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen (zie Bijlage 1). Uit de zorgplicht volgt dat nadelige gevolgen voor flora of fauna voorkomen worden óf dat noodzakelijke maatregelen getroffen
• Zorg dat er voldoende dekking aanwezig blijft van bosschages voor bijvoorbeeld de egel en diverse muizensoorten. Plant nieuwe beplanting aan, voordat de oude verwijderd wordt.
worden. Hieronder volgt de strategie om met deze soorten om te gaan, zie kader. 5.2.2 Amfibieën Strategie zorgplicht:
In het plangebied kunnen soorten voorkomen zoals benoemd in paragraaf 3.3. De volgende
Om invulling te geven aan de zorgplicht wordt de volgende strategie gevolgd:
maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten:
1. In eerste instantie worden alle vaste rust- of verblijfplaatsen waar mogelijk gespaard of worden de werkzaamheden verricht buiten de verstoringsafstand van de betreffende soorten.
• Verplaats individuen die aanwezig zijn binnen het werkterrein naar een vergelijkbare, veilige plek buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.
2. Indien dit niet mogelijk is, vinden de werkzaamheden plaats buiten de kwetsbare perioden voor de betreffende soorten. De voortplantingsperiode en de winterrust zijn hier voorbeelden van. In paragraaf 3.3 zijn per biotoop de zorgplichtsoorten opgenomen die in het plangebied verwacht worden.
Indien niet voldaan kan worden aan de strategie in bovenstaand kader, dan zijn de volgende maatregelen minimaal benodigd om nadelige gevolgen te voorkomen.
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
15
5.3 Bovenwettelijke of aanvullende maatregelen Dit rapport is opgesteld om aan de wettelijke eisen uit de Wet natuurbescherming te voldoen. In het
Nieuwe aanplant of vegetatie-ontwikkeling
•
Kies voor de beplanting voor inheemse bomen en struiken. Deze planten hebben voor insecten,
rapport wordt dus in principe geen rekening gehouden met aanwezige natuurwaarden die niet wettelijk
vlinders en vogels een hogere waarde dan uitheemse planten. Kies bij aanplant voor streekeigen
beschermd zijn. Maar ook niet-beschermde natuurwaarden zijn waardevol om te behouden. Daarnaast
soorten van autochtoon materiaal. Vermijd daarnaast te allen tijde de aanplant van invasieve
zijn er vaak ecologische kansen aanwezig die eenvoudig te realiseren zijn. Wij vinden het belangrijk om ook daar aandacht aan te geven.
•
exoten, zoals japanse duizenknoop, watercrassula en grote waternavel. Realiseer een rand of plek met ruigtekruiden. Door een plek met ruigtekruiden te realiseren en deze slechts éénmaal per twee jaar te maaien, ontstaat een overgang in de vegetatie. Deze rand is waardevol voor bijvoorbeeld planten, vlinders en kleine zoogdieren. Spontane ontwikkeling is de
Biodiversiteit
eenvoudigste manier. Indien toch voor inzaaien wordt gekozen, dan dient bij voorkeur gekozen te
Wil je met een onafhankelijke en herhaalbare meting weten hoe het met de biodiversiteit gesteld
worden voor biologisch zaad van inheemse kruiden met een regionale herkomst.
is in jouw plangebied? En wil je daarnaast aanbevelingen om gericht maatregelen te nemen die de biodiversiteit verhogen? Vraag ons dan om een Quickscan Biodiversiteit uit te voeren! Met de Quickscan Biodiversiteit wordt aantoonbaar gemaakt wat de huidige biodiversiteit is. Bij een vervolgmeting kan de bijdrage dan objectief worden bepaald. Vraag de projectadviseur gerust om de folder of om meer informatie.
5.3.1 Ecologische kansen Binnen het plangebied zijn de volgende ecologische kansen of mogelijkheden aanwezig: Nieuwbouw
•
Raadpleeg de 'checklist groen bouwen' om te zien welke maatregelen uitgevoerd kunnen worden
•
In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van vleermuizen. Wij adviseren
bij nieuwbouw. om in de nieuwbouw voorzieningen te treffen voor vleermuizen, zoals een toegankelijke (dubbele) spouw. Denk ook aan vleermuisvriendelijke verlichting en biotoopverbeterende maatregelen, zoals aanplant van inheemse struiken en bomen of leg een (grote) poel aan. Op vleermuis.net is meer informatie beschikbaar ter inspiratie.
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
16
5.4 Wat te doen bij een wijziging van de ontwikkeling of bij het afwijken van het advies? De adviezen in dit rapport zijn opgesteld om te werken volgens de geldende natuurwetgeving. Wij zijn hierbij uitgegaan van de voorgenomen ontwikkeling zoals aangeleverd door de opdrachtgever of tussenpersoon. Indien de geplande ontwikkeling wijzigt, bijvoorbeeld doordat het plangebied groter wordt of de werkzaamheden veranderen, dan is de kans aanwezig dat ook het voorliggende advies wijzigt. Neem in dat geval contact op met een adviseur (zie colofon) om te onderzoeken of er passende maatregelen zijn waarbij conform de geldende natuurwetgeving kan worden gewerkt. Vervolgstappen niet inpasbaar? Ook kan het zijn dat wij maatregelen of vervolgstappen adviseren die niet goed in te passen zijn in de planning of uitvoering. Afwijken van het plan of advies is sommige gevallen mogelijk, maar altijd onder begeleiding van een deskundig ecoloog. Het is mogelijk dat in een vervolgtraject beschermde planten uitgestoken moeten worden of beschermde dieren gevangen moeten worden. Hiervoor is een ontheffing benodigd. Dit dient daarom altijd onder begeleiding plaats te vinden van een deskundig ecoloog met kennis van de betreffende soorten.
Algemene opmerking: Indien er een wijziging plaatsvindt in het plan of de uitvoering, dient de effectbeoordeling opnieuw uitgevoerd te worden. Dit geldt in het bijzonder voor (extra) licht, geluid, trillingen of nachtelijke werkzaamheden. Dit geldt ook in gevallen waarbij het werkterrein groter wordt, werkroutes wijzigen of op andere plekken wordt gewerkt binnen het plangebied, zoals een watergang, bosschage of oever. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de initiatiefnemer/uitvoerder.
Andere beschermde soorten aangetroffen? Indien er beschermde soorten worden aangetroffen die niet in dit rapport benoemd zijn, dient direct contact opgenomen te worden met een ecoloog om te bepalen hoe gehandeld dient te worden.
Toelichting op de afbeelding Impressie plangebied: zicht op de te slopen sporthal (kijkrichting west).
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
17
BRONVERMELDING Internetpagina’s, programma's en online documenten •
BIJ12 (2017). Kennisdocumenten soorten natuurbescherming.
•
Boomvalk (z.d.). Voortplanting.
•
BWLG (2007). Tonghaarmuts.
•
Cuppen, J.G.M. & Koese, B (2005). De gestreepte waterroofkever Graphoderus bilineatus in Nederland: een eerste inhaalslag.
•
EIS Kenniscentrum Insecten (z.d.). Vermiljoenkever.
•
EIS Kenniscentrum Insecten (2018). Beschermde vermiljoenkever duikt op in Gelderland.
•
Floron (z.d). Verspreidingsatlas.
•
Haarsma, A-J. (2011). De meervleermuis in Nederland. Rapport nr. 2011.40. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
•
Hennekes, S.M., N.A.C. Smits & J.H.J. Schaminée (2010). SynBioSys Nederland versie 2. Alterra, Wageningen UR.
•
IvL & RHB (2014-2016). Platte schijfhoren.
•
Ministerie van Economische Zaken (2017). Effectenindicator.
•
Ministerie van Economische Zaken (z.d.). Wet natuurbescherming.
•
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2015). Ecologie bataafse stroommossel.
•
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2008). Nauwe korfslak (Vertigo angustior) H1014.
•
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2018). PAS-gebieden.
•
NDFF-ecogrid (2017). Uitvoerportaal van de Nationale Databank Flora en Fauna.
•
Netwerk Groene Bureaus (2017a). Vleermuisprotocol 2017.
•
Netwerk Groene Bureaus (2017b). Soortinventarisatieprotocollen.
•
PDOK (2019). Viewer.
•
Provincie Zuid-Holland (2020). Geodataviewer Natuurnetwerk Nederland.
•
Ravon (z.d.). Soorteninformatiepagina
•
Rijksoverheid (2020). Omgevingswet.
•
Sovon (z.d.). Sovon.
•
Vleermuis.net (2018). Pagina soorten.
•
Vlinderstichting (z.d.a). Vlinderstichting startpagina.
•
Vogelbescherming Nederland (z.d). Vogelgids.
•
Zoogdiervereniging (z.d.a). Startpagina zoogdiersoorten.
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
18
BIJLAGE 1 - WET NATUURBESCHERMING Wet natuurbescherming (Wnb)
Verbodsartikel
Lid
Toelichting
3.1 Vogelrichtlijn
Lid 1
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.
In de Wet natuurbescherming zijn meerdere oude wetten samengevoegd.
Lid 2
Relevant zijn de samenvoegingen van de Natuurbeschermingwet 1998 die
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
over beschermde gebieden gaat, de Boswet die over bescherming van houtopstanden gaat en de Flora- en faunawet die over de bescherming
Lid 3
Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.
van soorten gaat. Al deze regels zijn al dan niet aangepast overgenomen
Lid 4
Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.
Lid 5
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van
in de Wnb. Wij toetsen een ingreep in aan de Wnb en daardoor aan wat eerst drie wetten waren. Hiernaast is weergegeven waar wij aan toetsen.
instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 3.5 Habitatrichtlijn
Soortbescherming
Lid 1
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te
De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes waarin de
vangen.
voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd. Aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven, dat zijn de andere soorten. In de Wet natuurbescherming zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen
Lid 2
Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Lid 3
Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Lid 4
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden
Lid 5
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag
en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend
van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te
door het bevoegd gezag. In de tabel hiernaast is weergegeven op welke
vernielen.
beschermingsregimes welke verboden van toepassing zijn.
Artikel 3.10 andere
Elke provincie heeft de mogelijkheid soorten die onder de andere soorten
soorten
vallen vrij te stellen. De vrijgestelde soorten zijn in Bijlage 3 weergegeven.
Lid 1
Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen,
Omgevingswet
c: vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied
Het kabinet heeft besloten dat de natuurbeschermingsregels overgaan
opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
in het stelsel van de Omgevingswet. De Aanvullingswet natuur voorziet in deze wijzigingen van de Omgevingswet, zodat die wet straks over de nodige bevoegdheden en instrumenten beschikt om regels te stellen en maatregelen te treffen voor de bescherming van de natuur. Vermoedelijk zal de wet in 2021 in werking treden.
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
19
Beschermde gebieden
Beschermde nesten *Het verbod van het vernietigen of wegnemen van nesten geldt alleen tijdens het broedseizoen van de
In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura 2000-
soorten die elk jaar een nieuw nest maken. De soorten die jaarlijks terug komen op het zelfde nest zijn
gebieden. Deze gebieden zijn in de Wnb zwaar beschermd. Volgens de Wnb is het volgens artikel 2.7 lid 2
jaarrond beschermd. Specifiek gaat dit om vogels van categorie 1t/m 4 en de nesten van soorten in
verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de
categorie 5 als er onvoldoende alternatieven zijn.
instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of
• Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats.
• Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de
de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geld ook voor projecten die fysiek buiten het Natura 2000-gebied gelegen zijn maar wel een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking).
nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar.
• Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broe-
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
den en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen
voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar.
natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet
• Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat
natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
zijn een nest te bouwen.
• Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten die beschermd zijn staan in Bijlage 2 weergegeven, hierbij wordt ook aangegeven welke vogels onder de categorieën vallen.
In het Natuurnetwerk Nederland liggen:
• • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen:
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland. De ligging en
Artikel 1.11, lid 1: Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere
bescherming van de NNN is vastgelegd in de provinciale Structuurvisie, welke door de gemeentes wordt
nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
uitgewerkt in bestemmingsplannen, conform de Wet Ruimtelijke Ordening.
Artikel 1.11, lid 2: De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
20
Natuurwaarden buiten het Natuurnetwerk Nederland Ook buiten het NNN zijn grote natuurwaarden aanwezig. Behoud, herstel en verdere ontwikkeling van deze natuurwaarden dragen substantieel bij aan de biodiversiteit. Wij beoordelen ook eventuele effecten op beschermde beleidsgebieden. Zuid-Holland (enkel relevant voor plangebieden in Zuid-Holland): strategische reservering natuur en belangrijke weidevogelgebieden Het realiseren van een natuurmantel in de vorm van een groenblauwe dooradering rondom de natuurkernen in het NNN. Deze mantel wordt de ‘Strategische reservering natuur’ genoemd. Het in stand houden van de belangrijke leefgebieden voor weidevogels in blijvend agrarisch gebied door agrarisch natuurbeheer. Weidevogelgebieden worden gerekend tot categorie 2 in het handelingskader ruimtelijke kwaliteit. Deze gebieden worden ‘Belangrijke weidevogelgebieden’ genoemd. Beschermde houtopstanden In de Wnb is het conform artikel 4.2 verboden houtopstanden te kappen buiten de bebouwde kom houtopstanden grenzen zonder hier vooraf een melding van te maken aan het bevoegd gezag. Deze regel geldt niet voor: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d.
naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: 1°. wegbeplantingen; 2°. beplantingen langs waterwegen, en12 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1°. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2°. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013. Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
21
BIJLAGE 2 - BESCHERMDE SOORTEN
Nederlandse naam
Categorie
SvI* (als broedvogel)
Nederlandse naam
Categorie
SvI (als broedvogel)
Steenuil
1
matig ongunstig
Gekraagde roodstaart
5
matig ongunstig
Gierzwaluw
2
gunstig
Glanskop
5
matig ongunstig
gekoppeld, namelijk 3.1. vogelrichtlijnsoorten, 3.5 habitatrichtlijnsoorten en 3.10
Huismus
2
matig ongunstig
Grauwe vliegenvanger
5
matig ongunstig
andere soorten.
Roek
2
matig ongunstig
Groene specht
5
gunstig
Grote gele kwikstaart
3
gunstig
Grote bonte specht
5
gunstig
Kerkuil
3
gunstig
Hop
5
artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Deze worden hieronder niet allemaal specifiek
Oehoe
3
gunstig
onbekend, vermoedelijk ongunstig
Huiszwaluw
5
matig ongunstig
benoemd. Hieronder wordt alleen ingegaan op de uitzonderingen en dat zijn de
Ooievaar
3
gunstig
IJsvogel
5
gunstig
Slechtvalk
3
gunstig
Kleine bonte specht
5
gunstig
Boomvalk
4
matig ongunstig
Kleine vliegenvanger
5
Buizerd
4
gunstig
onbekend, vermoedelijk geen broedvogel
Havik
4
gunstig
Koolmees
5
gunstig
Kortsnavelboomkruiper
5
gunstig
Oeverzwaluw
5
gunstig
Pimpelmees
5
gunstig
Raaf
5
gunstig
Ruigpootuil
5
onbekend, vermoedelijk geen vaste broedvogel
Spreeuw
5
matig ongunstig
Tapuit
5
zeer ongunstig
Torenvalk
5
matig ongunstig
Zeearend
5
gunstig
Zwarte kraai
5
gunstig
Zwarte mees
5
matig ongunstig
Zwarte roodstaart
5
gunstig
Zwarte specht
5
matig ongunstig
Tabellen Wet Natuurbescherming Aan de indeling van de regels van de Wnb (bijlage 1) zitten verschillende soortenlijsten
Artikel 3.1 Vogelrichtlijnsoorten Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten in
vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten van de categorieën 1 t/m 4 en bij uitzondering categorie 5-vogels. In de provincie Limburg gelden afwijkende provinciale beleidsregels passieve soortenbescherming. Zie daarvoor deze website.
Legenda tabel
Ransuil
4
zeer ongunstig
Categorie 1: Jaarrond gebruikte nesten (steenuil)
Sperwer
4
gunstig
Categorie 2: Zeer honkvaste koloniebroeders of afhankelijk bebouwing
Wespendief
4
gunstig
Zwarte wouw
4
onbekend, vermoedelijk gunstig
Categorie 3: Zeer honkvaste broeders of afhankelijk bebouwing (geen kolonie) Categorie 4: Vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest
Blauwe reiger
5
matig ongunstig
Boerenzwaluw
5
gunstig
Bonte vliegenvanger
5
gunstig
Boomklever
5
gunstig
Boomkruiper
5
gunstig
Bosuil
5
gunstig
ontwikkeling in verspreiding, (c) ontwikkeling in kwaliteit van het leefgebied, en (d)
Brilduiker
5
zeer ongunstig
toekomstperspectief.
Draaihals
5
zeer ongunstig
Eidereend
5
zeer ongunstig
Ekster
5
zeer ongunstig (in het buitengebied)
Categorie 5: Honkvaste broeders, maar voldoende flexibel. Enkel beschermd bij zwaarwegende ecologische redenen, zoals een zeer ongunstige SvI (zie tekst onder kader).
*SvI: Staat van Instandhouding De SvI is bepaald op basis van (a) de ontwikkeling in de populatie, (b)
De meest sombere score bij een van de vier elementen (verspreiding, populatie, leefgebied, toekomstperspectief) bepaalt de indicatieve SvI. Indien twee of meer keer ‘onbekend’ is aangegeven, gecombineerd met ‘groen’ (gunstig), dan is de SvI ‘onbekend’.
Vetgedrukte soorten (uit cat. 5) hebben een zeer ongunstige staat van instandhouding en hebben daarom een zwaarwegende ecologische reden om als jaarrond beschermd aangemerkt te worden.
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
22
BIJLAGE 2 - BESCHERMDE SOORTEN (VERVOLG)
Soort
Soort
Soort
Soort
Soort
Apollovlinder
Gestreepte dolfijn
Heikikker
Noordse vinvis
Tijmblauwtje
Bataafse stroommossel
Gestreepte waterroofkever
Heldenbok
Noordse vleermuis
Tuimelaar
Bechsteins vleermuis
Gevlekte witsnuitlibel
Hille
Noordse winterjuffer
Tweekleurige vleermuis
Bever
Gewone baardvleermuis
Houting
Noordse woelmuis
Vale vleermuis
Boomkikker
Gewone dolfijn
Ingekorven vleermuis
Oostelijke witsnuitlibel
Vermiljoenkever
Bosvleermuis
Gewone dwergvleermuis
Juchtleerkever
Orca
Vroedmeesterpad
Boszandoog
Gewone grootoorvleermuis
Kamsalamander
Otter
Walrus
geldt volgens de wettekst artikel 3.5 ook de verbodsbepalingen en het
Brandts vleermuis
Gewone spitsdolfijn
Kemps’ zeeschildpad
Pimpernelblauwtje
Watervleermuis
beschermingsregime van de Habitatrichtlijn. De MvT van de wet gaf juist
Brede geelrandwaterroofkever
Gewone vinvis
Kleine dwergvleermuis*
Platte schijfhoren
Wilde kat*
Bronslibel
Gladde slang
Kleine hoefijzerneus
Poelkikker
Witflankdolfijn
Bruinvis
Griend
Kleine zwaardwalvis
Potvis
Witsnuitdolfijn
genoemd in Bijlage II van de Conventie van Bern en Bijlage I Conventie
Bultrug
Grijze dolfin
Knoflookpad
Rivierrombout
Witte dolfijn
van Bonn conform art. 3.5 waren beschermd of niet. Onlangs, op 1 juli
Dikkopschildpad
Grijze grootoorvleermuis
Kruipend moerasscherm
Rosse vleermuis
Wolf*
Donker pimpernelblauwtje
Groene glazenmaker
Laatvlieger
Rugstreeppad
Zandhagedis
Drijvende waterweegbree
Groenknolorchis
Lederschildpad
Ruige dwergvleermuis
Zilverstreephooibeestje
Dwergpotvis
Grote hoefijzerneus
Lynx
Sierlijke witsnuitlibel
Zomerschroeforchis
Dwergvinvis
Grote rosse vleermuis
Meervleermuis
Soepschildpad
Oeveraas**
Franjestaart
Grote vuurvlinder
Mopsvleermuis
Spitsdolfijn van Gray
Walrus**
Gaffellibel
Hamster
Muurhagedis
Steur
Geelbuikvuurpad
Hazelmuis
Narwal
Teunisbloempijlstaart
Artikel 3.5 Habitatrichtlijnsoorten Onder artikel 3.5 vallen naast habitatrichtlijnsoorten ook soorten uit Bern I, Bern II en Bon I. Vogels vallen echter niet* onder artikel 3.5. * In de officiële wettekst, gepubliceerd in het Staatsblad op 19 januari 2016, is in artikel 3.5 verwezen naar de Conventie van Bern, Bijlage I en II en de Conventie van Bonn, Bijlage I. Met betrekking tot de in Bijlage II Conventie van Bern en Bijlage I Conventie van Bonn genoemde vogelsoorten,
aan dat de Vogelrichtijn de rechtsbasis vormt en dat de bescherming van vogels is geregeld in de Vogelrichtlijn, dat is uitgewerkt in art. 3.1. Er is lang verwarring geweest bij de verschillende bevoegde gezagen of de vogels
2018, is echter een verzamelwet inwerking getreden waarin is aangegeven dat art. 3.5 niet van toepassing is op soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
*= niet opgenomen in Bijlage 2 Memorie van Toelichting, maar wel op lijst Habitatrichtlijn Bijlage IV. ** = niet genoemd in Bijlage 3 Memorie van Toelichting: Tabel I, staat wel in Bijlage II van de Conventie van Bern.
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
23
BIJLAGE 2 - BESCHERMDE SOORTEN (VERVOLG) Artikel 3.10 Andere soorten Hieronder vallen soorten genoemd in onderdeel A en onderdeel B bij de Wnb. Sommige van deze soorten zijn vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud. Dat verschilt per provincie. In Bijlage 3 is hiervan een overzicht te vinden. Soort
Soort
Soort
Soort
Soort
Soort
Soort
Aardbeivlinder
Bruine kikker
Gewone bosspitsmuis
Karthuizeranjer
Naaldenkervel
Veenbesblauwtje
Molmuis
Aardmuis
Bruinrode wespenorchis
Gewone bronlibel
Karwijselie
Ondergrondse woelmuis
Veenbesparelmoervlinder
Oeveraas
Adder
Bunzing
Gewone pad
Kempense heidelibel
Pijlscheefkelk
Veenbloembies
Mercuurwaterjuffer
Akkerboterbloem
Damhert
Gewone zeehond
Kleine ereprijs
Pimpernelblauwtje
Veenhooibeestje
Akkerdoornzaad
Das
Glad biggenkruid
Kleine heivlinder
Ree
Veldmuis
Akkerogentroost
Dennenorchis
Gladde zegge
Kleine ijsvogelvlinder
Ringslang
Veldparelmoervlinder
Alpenwatersalamander
Donker pimpernelblauwtje
Grijze zeehond
Kleine Schorseneer
Roggelelie
Veldspitsmuis
Beekdonderpad
Donkere waterjuffer
Groene nachtorchis
Kleine watersalamander
Rood peperboompje
Vinpootsalamander
Beekkrombout
Dreps
Groensteel
Kleine wolfsmelk
Rosse woelmuis
Vliegend hert
Beekprik
Duinparelmoervlinder
Groot spiegelklokje
Kluwenklokje
Rozenkransje
Vliegenorchis
Beklierde ogentroost
Dwergmuis
Grote bosaardbei
Knollathyrus
Ruw parelzaad
Vos
Berggamander
Dwergspitsmuis
Grote bosmuis
Knolspirea
Scherpkruid
Vroege ereprijs
Bergnachtorchis
Echte gamander
Grote leeuwenklauw
Kommavlinder
Schubvaren
Vuursalamander
Blaasvaren
Edelhert
Grote modderkruiper
Konijn
Schubzegge
Waterspitsmuis
Blauw guichelheil
Eekhoorn
Grote parelmoervlinder
Korensla
Sleedoornpage
Wezel
Bokkenorchis
Egel
Grote vos
Kranskarwij
Smalle raai
Wild zwijn
Boommarter
Eikelmuis
Grote vuurvlinder
Kruiptijm
Speerwaterjuffer
Wilde averuit
Bosbeekjuffer
Elrits
Grote weerschijnvlinder
Kwabaal
Spiegeldikkopje
Wilde ridderspoor
Bosboterbloem
Europese rivierkreeft
Haas
Lange zonnedauw
Spits havikskruid
Wilde weit
Bosdravik
Franjegentiaan
Hazelworm
Levendbarende hagedis
Steenbraam
Woelrat
Bosmuis
Geelgroene wespenorchis
Hermelijn
Liggende ereprijs
Steenmarter
Wolfskers
Bosparelmoervlinder
Gentiaanblauwtje
Honingorchis
Meerkikker
Stijve wolfsmelk
Zandwolfsmelk
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
24
Groningen
Drenthe
Overijssel1
Gelderland
Utrecht
N-Holland
Z-Holland
Flevoland2
Zeeland
N- Brabant
Limburg
Soort / Provincie
Friesland
BIJLAGE 3 - VRIJGESTELDE SOORTEN
hiernaast genoemd, mits het gaat om handelingen die
Aardmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
worden verricht in verband met:
Bastaardkikker
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Bruine kikker
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Bosmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
b. de uitvoering van werkzaamheden in het kader
Bunzing
x
x
x
van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen,
Dwergmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken,
Dwergspitsmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Egel
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Gewone bosspitsmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Gewone pad
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
bosbouw;
Haas
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
d. bestendig gebruik.
Hermelijn
x
x
x
Huisspitsmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Kleine watersalamander
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Konijn
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Meerkikker
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Ondergrondse woelmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Ree
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Per 28 januari 2021 zijn bunzing, hermelijn en wezel
Rosse woelmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
niet meer vrijgesteld in provincie Flevoland (bron).
Steenmarter
x
Tweekleurige bosspitsmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Veldmuis
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Vos
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Wezel
x
x
x
x
x
x
In afwijking van artikel 3.10, eerste lid, van de wet gelden de in dat lid opgenomen verboden niet voor de soorten
a. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting;
oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of
Deze vrijstelling geldt dus niet voor (eenmalige) activiteiten, zoals evenementen of (sport)wedstrijden. 1
Per 1 december 2019 zijn bunzing, egel, hermelijn,
ondergrondse woelmuis en wezel niet meer vrijgesteld in provincie Overijssel (bron). 2
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Wild zwijn Woelrat
x x
x
x
x
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
x
x
x
x
x
25
BIJLAGE 4 - WERKWIJZE ONDERZOEK Werkwijze Dit onderzoek bestaat uit een bureau-onderzoek, een veldonderzoek en een toetsing. Daarna volgen de conclusie en de aanbevelingen. Hieronder volgt per onderdeel een toelichting op de methode. Soortbescherming Als eerste wordt het bureau-onderzoek uitgevoerd. Hieruit volgt een lijst met soorten die in de omgeving aanwezig zijn. Deze lijst is weergegeven in Bijlage 7 en Bijlage 8 en is een samenstelling van:
• Soorten die naar voren komen uit een analyse van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Er wordt standaard gekozen voor een tijdreeks van vijf jaar en een afstand van drie kilometer rond de grens van het plangebied. Alle waarnemingen van soorten met relevant gedrag worden bekeken en beoordeeld.
• Soorten die niet uit te sluiten zijn op basis van verspreiding. Deze zijn in Bijlage 8 weergegeven met een *. Dit betreft soorten die zeer mobiel zijn (zoals de rivierrombout), vrij algemeen voorkomen (zoals de gewone dwergvleermuis) of soorten waarvan vestiging in de nabije toekomst verwacht wordt (zoals de bataafse stroommossel). Na het bureau-onderzoek wordt een veldonderzoek uitgevoerd. Bij dit veldonderzoek onderzoekt een deskundig ecoloog of er geschikt biotoop aanwezig is voor beschermde soorten. Het veldonderzoek is een potentiebepaling, en is geen onderzoek naar de daadwerkelijke aanwezigheid van soorten. De beoordeling wordt verricht aan de hand van een lijst met alle beschermde soorten, dus niet alleen de soorten die uit het bureauonderzoek komen. Er kunnen namelijk altijd soorten in het plangebied aanwezig zijn, die niet uit het bureau-onderzoek komen. De beoordeling van de biotopen wordt uitgevoerd op basis van de kennis van de ecoloog, eventueel aangevuld met een literatuurstudie, welke wordt vermeld in de bronnenlijst. Daarnaast wordt gezocht naar individuen, sporen of verblijfplaatsen van beschermde soorten, zoals (poot)afdrukken, holen, haren, braakballen, wissels en uitwerpselen. Alle aangetroffen geschikte biotopen, individuen, sporen en verblijfplaatsen worden in het veld geregistreerd met Waarneming Pro (WrnPro) en in het rapport weergegeven (zie Fig.4.
in paragraaf 3.2). Als de ecoloog tijdens het veldonderzoek geschikt biotoop heeft gevonden voor een bepaalde soort, maar er niet zeker van is of deze soort op de betreffende locatie voor kan komen, dan wordt vastgesteld of de soort wel of niet in het plangebied voor kan komen door te kijken naar:
• verspreiding; • dispersie-afstand (vogels die zich naar broedplaatsen verplaatsen); • mate waarin een soort onderzocht is; • aanwezigheid van obstakels.
Obstakels, zoals snelwegen en grote wateren, kunnen het plangebied mogelijk isoleren. Het uitsluiten van soorten wordt altijd beargumenteerd in Bijlage 8.
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
26
BIJLAGE 4 - WERKWIJZE ONDERZOEK VERVOLG Gebiedsbescherming
•
De begrenzingen van beschermde (beleids)gebieden worden via provinciale kaartmachines geraadpleegd, dit is altijd de meest actuele stand van zaken. Via de website kunnen diverse provinciale kaartmachines vlot geraadpleegd worden. De effectbeoordeling voor Natura 2000-gebieden wordt verricht door de effectenindicator in te vullen. Eerst wordt de meest passende activiteit gekozen, daarna beoordeelt de ecoloog of de effecten compleet zijn én of een effect relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling. De informatie over de ontwikkeling wordt aangeleverd door de opdrachtgever (zie Bijlage 5). De effectbeoordeling voor Natuurnetwerk Nederland wordt uitgevoerd door te kijken naar de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. Indien deze kenmerken en waarden niet bekend zijn, worden effecten bepaald op basis van het beheertype en/of kenmerkende soorten. Op deze manier kan er altijd een indicatie worden verkregen of de wezenlijke kenmerken en waarden worden aangetast. Aangezien deze beoordeling per situatie verschilt, wordt op basis van bronnen of expert judgement beoordeeld of een effect te verwachten is.
Toetsing, conclusie en aanbevelingen Nadat alle benodigde informatie over soorten en gebieden is verzameld, wordt getoetst aan de natuurwet- en regelgeving zoals gespecificeerd in paragraaf 1.4. Dit wordt gedaan door de effecten van de werkzaamheden (zie paragraaf 2.2) op de (mogelijk) aanwezige beschermde soorten en gebieden te bepalen. Op basis van de resultaten van de toetsing worden aanbevelingen gedaan. Per mogelijke overtreding wordt geadviseerd hoe hiermee omgegaan kan worden. Het uitgangspunt hierbij is dat een overtreding wordt voorkomen (door een aangepaste werkwijze) of pas kan worden begaan na ontvangst van een ontheffing of vergunning. Als een soort mogelijk aanwezig is en overtreding op deze soort niet kan worden uitgesloten, dan wordt nader onderzoek geadviseerd. In een enkel geval zal er voldoende informatie aanwezig zijn om direct een ontheffing of vergunning aan te vragen, dan zal uiteraard geen nader onderzoek geadviseerd worden. Bovenwettelijke maatregelen Dit rapport is opgesteld om aan de wettelijke eisen uit de geldende natuurwetgeving te voldoen. Echter, ook niet-beschermde natuurwaarden zijn waardevol om te behouden. Er zijn vaak ecologische kansen aanwezig voor een waardevolle verhoging van de plaatselijke biodiversiteit. Deze maatregelen kunnen een bijdrage leveren aan de biodiversiteit van de leef- en projectomgeving.
Daarom benoemen wij in hoofdstuk 5 de bovenwettelijke maatregelen.
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
27
BIJLAGE 5 - KAART PLANGEBIED
Figuur: kaart plangebied zoals aangeleverd door de opdrachtgever. Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
28
BIJLAGE 6 - INGEVULDE GEGEVENS Hieronder is de ingevulde vragenlijst weergegeven die door de opdrachtgever is ingevuld. RHOA vragenlijst 2020
V6
#33
Upload hier aanvullende technische- of bouwtekeningen, ecologische rapporten of andere relevante documenten die nog niet eerder zijn aangeleverd. Ook eigen tekeningen die de ontwikkeling verduidelijken zijn welkom! Met betere informatie, kunnen wij beter adviseren.
VOLTOOID Verzamelprogramma: Begonnen: Laatst gewijzigd: Bestede tijd: IP-adres:
RHOA vragenlijst 2020
RHOA2021-13 (Webkoppeling) dinsdag 19 januari 2021 10:33:27 dinsdag 19 januari 2021 10:39:19 00:05:51 217.104.58.97
Lufo plangebied Groeiplaneet Krimpen aan Den IJssel-01.jpg (3.5MB)
V7 Welk factuur- of inkoopnummer kunnen wij vermelden op de factuur?
Pagina 1: Vragen over de voorgenomen ontwikkeling, omgeving en informatievoorziening.
20201978
V1 Graag hier het adres van het projectgebied opgeven en de voorgenomen ontwikkeling beschrijven. Populierenlaan, 2925 EH Krimpen aan den IJssel
V2
Respondent heeft deze vraag overgeslagen
Vink aan wat van toepassing is (wanneer bekend). Indien niet bekend, gaan wij uit van een 'worst-case scenario'. V3 Het projectgebied (inclusief gebouwen, stallen, terreinen e.d.) dient geheel geïnspecteerd te kunnen worden voor een correcte beoordeling. Moeten wij voorafgaand aan het veldbezoek contact opnemen voor de toegang?
Ja, neem contact op. Bij de volgende vraag geef ik het telefoonnummer op.
V4 Toegang: geef hier de naam en het (mobiele) nummer van de persoon op waar wij contact mee op moeten nemen. Laat deze vraag onbeantwoord als de vorige vraag met 'nee' is beantwoord. 140180 (Henry Dijk)
V5 Zijn er nog risico's aanwezig waar wij rekening mee moeten houden? Denk bijvoorbeeld aan gevaren in het projectgebied, zoals een stier in het land, een gebouw dat (deels) op instorten staat of een open put. nee
1/2
2/2
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
29
BIJLAGE 7 - RESULTATEN BUREAU-ONDERZOEK In deze tabel zijn de soorten opgenomen die binnen een straal van drie kilometer van de projectlocatie zijn waargenomen (bron: NDFF). Er is een periode van vijf jaar aangehouden. Dit zijn arbitraire grenzen die in de meeste situaties toereikend zullen zijn. Wij houden altijd rekening met uitzonderlijke gevallen, zoals bijzondere biotopen of soorten. De getallen achter een soortnaam in de tabel staan voor het aantal bekende waarnemingen.
Amfibieën
Libellen
Alpenwatersalamander 2
Groene glazenmaker 7
Bastaardkikker 1
Planten
Vogels*
Vleermuizen
Overige zoogdieren
Dreps 3
Ekster 1
Gewone dwergvleermuis 427
Bever 12
Kleine wolfsmelk 7
Gaai 2
Gewone/Grijze grootoorvleermuis 2
Bosmuis 5
Grote bonte specht 1
Gewone/Kleine/Ruige dwergvleermuis 1
Bunzing 21
Bruine kikker 18
Vissen
Muurbloem 1
Gewone pad 15
Grote modderkruiper 2
Wolfskers 5
Kamsalamander 6
Koolmees 1
Laatvlieger 6
Egel 114
Merel 1
Rosse vleermuis 6
Haas 211
Ruige dwergvleermuis 45
Hermelijn 1
Kleine watersalamander 4
Reptielen
Vlinders
Pimpelmees 1
Meerkikker 1
Ringslang 1
Grote vos 1
Turkse tortel 2
Huisspitsmuis 4
Vink 1
Konijn 11 Ree 44 Rosse woelmuis 1 Vos 1 Waterspitsmuis 1 Wezel 1
* = vogelsoorten worden beoordeeld binnen 50 meter van het plangebied. Deze afstand is gekozen omdat er daarbuiten geen effect wordt verwacht op broedvogels. Voor de volgende soortgroepen zijn geen resultaten gevonden: kevers, mossen en weekdieren.
Waarom kiezen wij voor een afstand van drie km in het bureau-onderzoek? Deze vraag wordt ons regelmatig gesteld, omdat dit vrij ruim lijkt. En dit is natuurlijk ook vrij ruim voor soorten die niet heel mobiel zijn, zoals wolfskers (beschermde plant) of de nauwe korfslak (een weekdier). Er zijn echter veel meer beschermde soorten die wel heel mobiel zijn, denk aan de meervleermuis, rugstreeppad of sierlijke witsnuitlibel. Wij vinden het daarom niet meer dan logisch om minimaal drie kilometer rond het plangebied te kijken naar bekende waarnemingen van beschermde soorten. Dit levert een meer kwalitatieve beoordeling op. Daarnaast beoordelen wij de mobiele, beschermde soorten altijd, omdat de afwezigheid van een (NDFF-)waarneming onvoldoende informatie biedt om een soort uit te sluiten. Zie Bijlage 8.
Rapportage Wet natuurbescherming. Wij maken ecologische risico’s inzichtelijk en adviseren over het voorkomen van wetsovertreding.
30
BIJLAGE 8 - TABEL UITGESLOTEN SOORTEN (GEEN EFFECT ÉN GEEN BESCHERMDE FUNCTIES VERWACHT) Waarom staat er een sterretje achter sommige soorten? Als er een sterretje achter deze soort staat, dan beoordelen wij deze soort altijd, ongeacht of deze uit het bureau-onderzoek volgt of niet. Dit betreft over het algemeen mobiele soorten. Maar het kan ook een soort zijn die zich opnieuw in Nederland kan gaan vestigen en waarvan er dus geen recente waarnemingen zijn. Of het is een soort die een hoge mate van specialisme vraagt voor determinatie en daarom beperkt waargenomen wordt.
Uitgesloten soort
Onderbouwing voor uitsluiting
Bron (hyperlink)
Alpenwatersalamander
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk grote poelen, ondiepe plasjes, vrij zure vennen, tuinvijvers of volgelopen karresporen in de buurt van bos of houtwallen en ook veel in tuinen. De alpenwatersalamander komt ook veel voor in sterk beschaduwde en vegetatiearme bospoelen. Als schuilplaatsen worden allerlei vochtige plekken gebruikt. De dieren worden onder hout, stenen, mos en afval aangetroffen. Alpenwatersalamanders overwinteren voornamelijk op vorstvrije plaatsen op het land, zoals holten, houtwallen, overhoekjes, houtstapels, stenen, afvalhopen, kelders, groeven en (vleermuis)bunkers. Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren die de hele winter in het water verblijven.
Ravon: Alpenwatersalamander
Heikikker*
Er is geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig in de vorm van ondiep, stilstaand, enigszins zuur (pH 4 tot 5,5) voedselarm water met oevervegetatie. Verder is er geen geschikt terrestrisch biotoop aanwezig binnen 300 meter van geschikt voortplantingswater waar de heikikker tijdens de actieve fase verblijft, zoals vochtige heideterreinen, veengebieden, vochtige schraallanden, uiterwaarden of komkleigebieden (met struweel en kruidenvegetatie). Ook is er geen geschikt overwinteringsbiotoop aanwezig in de vorm van vorstvrije plekken op het land, zoals (afgetrapte) slootkanten of bosschages in de nabijheid (500 meter) van terrestrisch- of voortplantingsbiotoop.
Ravon: Heikikker
Kamsalamander*
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk wat diepere, vegetatie- en licht voedselrijke, niet verzuurde poelen en plassen op landgoederen, in beekdalen, in het rivierengebied, in loofbossen of in kleinschalige cultuurlandschappen. Kamsalamanders verblijven op het land onder stenen, hout, bladafval, in gaten onder wortels en in holen van kleine zoogdieren, meestal binnen 100 meter van het voortplantingswater. Wanneer geschikt landbiotoop ontbreekt kunnen ze 1000 meter afleggen op zoek naar geschikt biotoop. Overwintering van dieren in het water komt zelden voor.
Ravon: Kamsalamander
Poelkikker*
Er is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk zwak zuur, onbeschaduwde wateren met een goed begroeide oeverzone, zoals vennen, poelen, watergangen in hoogveengebied of uiterwaarden. Ook worden geen landschapselementen verwijderd of aangetast, zoals bosschages, struweel of hoger gelegen verlandingsvegetaties, waarin de poelkikker kan overwinteren.
Ravon: Poelkikker BIJ12: Kennisdocument
Rugstreeppad*
De aanwezigheid van rugstreeppad kan uitgesloten worden volgens het Kennisdocument rugstreeppad (BIJ12, 2017), omdat in het plangebied: • geen geschikte combinatie van biotopen aanwezig is (zomer-, voortplantings- én winterverblijfplaatsen). • er geen recente aanwezigheid van rugstreeppad is aangetoond binnen één kilometer van het plangebied, in de afgelopen drie jaar. Tevens zijn er barrières aanwezig tussen de bekende waarnemingen op minimaal 5 kilometer en het plangebied, zoals grote wateren.
Ravon: Rugstreeppad
Amfibieën
BIJ12: Kennisdocument kamsalamander
BIJ12: Kennisdocument Rugstreeppad
Vestiging van rugstreeppad is ook niet mogelijk, omdat: • er geen waarnemingen van rugstreeppad bekend zijn binnen vijf kilometer van het plangebied; • het plangebied onbereikbaar is vanaf de bekende locaties; Voorbeelden voortplantingbiotoop: (tijdelijke) ondiepe wateren, die snel opwarmen, zoals vegetatie-arme poeltjes, karresporen, recent geschoonde sloten of ondiepe slootjes. Voorbeelden geschikt terrestrisch biotoop: (teelt)akkers, zandafgravingen. Zomerverblijfplaatsen: kassen, muizen- of konijnenholen, pallets en tegels. Voorbeelden winterverblijfplaatsen: (vorstvrije) hopen vergraafbaar zand, bosschages/struwelen boven het grondwater. Vinpootsalamander*