Agendabundel
Tekst van het document
Zo kunnen goede inhoudelijke, maar ook politieke afwegingen worden gemaakt. 43 De samenwerking is immers vaak niet bedoeld om de gemeentelijke beleidsvrijheid in te perken. De gemeenteraden moeten niet gehinderd worden bij het verwezenlijken van hun eigen lokale doelen. Vroegtijdige sturing moet vooral in de fase van planvorming en in de overloop naar besluitvorming plaatsvinden, daarna staat het beleid immers vast. In de fase van planvorming liggen alle opties nog open en zodoende kan er dan nog flink gestuurd worden, terwijl bij de formele besluitvorming veel inhoudelijke keuzes feitelijk al gemaakt zijn. De raad kan in de fase van uitvoering en monitoring zich juist wat meer op afstand en vooral controlerend opstellen. Pas wanneer uit de uitvoering en monitoring blijkt dat bijsturing (bijv.
43
Politisering van besluiten is belangrijk in een volksvertegenwoordiging. Wij verstaan onder politisering
het streven om in het bestuur duidelijker het politieke aspect naar voren te doen komen. De politiseringsgedachte legt de nadruk op het feit dat bij de besluitvorming niet alleen overwegingen van zakelijkheid en doelmatigheid een rol spelen, maar ook bewust politieke keuzen moeten worden gemaakt. Pagina
20/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
beleidsveranderingen) nodig of wenselijk is, dan begint de beleidscyclus opnieuw en is de raad weer actiever betrokken. Wijzen om de vroegtijdige betrokkenheid van de raad te bereiken De vroegtijdige betrokkenheid kan op meerdere manieren bereikt worden. Zo kan het instrument van de zienswijze worden ingezet. Daarbij wordt de gemeenteraden gevraagd wensen en bedenkingen te geven bij conceptvoorstellen voor bijvoorbeeld nieuwe verordeningen of kaderstellende plannen of wijzigingen in die besluiten die worden voorbereid. De gemeenteraden worden dan in staat gesteld om over de voorstellen te beraadslagen en hun inzichten mee te geven voordat er een definitief voorstel komt waarin de colleges alles al hebben afgewogen. Daarmee wordt ook inzichtelijk waar lokale wensen zitten, zodat de uitvoerbaarheid daarvan ook getoetst kan worden door het samenwerkingsverband. De zienswijze speelt vooral bij oordeelsvorming binnen de gemeenteraad, en moet nog niet als besluitvorming van de gemeenteraad worden gezien. Bij de vergadering waarin over de zienswijzen wordt gesproken, kan ook inspraak worden geregeld. Dit zodat ook burgerparticipatie mogelijk blijft en het democratische gehalte van beleidskeuzes kan worden vergroot. De zienswijzeprocedure is dus het best geschikt ten tijde van de fase van planvorming, nog voordat tot besluitvorming wordt overgegaan.
3.2.2 Evaluatie Een ander instrument dat geïntroduceerd is, is dat van de evaluatie. Artikel 11a Wgr Een regeling houdt bepalingen in omtrent de evaluatie van de regeling.
Artikel 11a schrijft voor dat er afspraken gemaakt moeten worden over de evaluatie van de regeling. Die afspraak kan overigens ook zijn dat er niet geëvalueerd wordt, maar dat moet dan wel expliciet opgeschreven worden. Een periodieke evaluatie van de gemeenschappelijke regeling ligt echter voor de hand. Dat kan dan een beperkte evaluatie van de regeling zelf zijn, maar natuurlijk ook een meer omvattende evaluatie naar het functioneren van de samenwerking en het samenwerkingsverband. Zijn doelstellingen wel bereikt, en waar zitten nog verbeterpunten? Een mooi moment van zo’n evaluatie is in het laatste jaar van een raadsperiode. De evaluatie kan dan nog worden uitgevoerd met de colleges en raden die kennis over de gang van zaken bezitten, terwijl het uiteindelijke rapport en advies dan direct aan het begin van de nieuwe raads- en collegeperiode betrokken kunnen worden bij eventuele nieuwe beleidskeuzes. Dat maakt sturing makkelijker. Risico is wel dat wanneer alle gemeenschappelijke regelingen dit doen, dat de gemeenteraad in zijn eerste jaar overspoeld wordt met evaluatierapporten en daardoor door de bomen het bos niet meer ziet. Het is dan ook verstandig de Pagina
21/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
periodes voor evaluatie van de verschillende gemeenschappelijke regelingen enigszins op elkaar af te stemmen. 3.2.3 Burgerparticipatie Participatie bij beleid wordt steeds belangrijker gevonden in bestuurlijk en politiek Nederland. Om die reden is bij de wijziging van de Wgr ook bepaald dat voorzien moet worden in afspraken omtrent de wijze waarop ingezetenen én belanghebbenden betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. De Wgr loopt daarmee feitelijk vooruit op de aanstaande wijzigingen van de Gemeentewet.44 Artikel 10 lid 7 en 8 Wgr 7. Een regeling als bedoeld in het tweede lid houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden. 8. De in het zevende lid bedoelde inspraak wordt verleend door de toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover in de regeling niet anders is bepaald.
In de gemeenschappelijke regeling kunnen dus afspraken worden gemaakt, waarbij uitgangspunt is dat afdeling 3.4 van de Awb gevolgd wordt, tenzij de gemeenschappelijke regeling iets anders regelt. De vraag blijft dan natuurlijk wel voor welke besluiten dit geldt. Dat zal in de gemeenschappelijke regeling omschreven moeten worden. Daarnaast kan het wenselijk zijn de inspraak niet via het bestuur van het samenwerkingsverband te laten lopen, maar juist via de gemeenteraden. Zeker bij meer uitvoeringsgerichte gemeenschappelijke regelingen ligt dat voor de hand, omdat de uiteindelijke beleidskeuzes daar immers bij de colleges en raden liggen. Dat zou ook goed aansluiten bij het concept van verlengd lokaal bestuur, in welk concept de volksvertegenwoordigende rol nog altijd bij de gemeenteraden ligt. Die rol zou deels kunnen worden uitgehold als inspraak of participatie rechtstreeks, dus buiten de raad om, bij de gemeenschappelijke regeling wordt geregeld. Wanneer bijvoorbeeld echter verordenende bevoegdheid is overgedragen aan het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, dan ligt inspraak rechtstreeks bij de gemeenschappelijke regeling natuurlijk voor de hand. De raad is dan immers niet langer beslissingsbevoegd, maar kan nog slechts controleren of via politieke instrumenten sturen.
De eigen verantwoordelijkheid van het algemeen bestuur om te besluiten, maakt dat het algemeen bestuur ook vragen zou moeten kunnen stellen aan de betreffende ingezetenen of belanghebbenden.
44
Zie Kamerstukken II 2022/23, 36210, nr. 2 (Wet versterking participatie op decentraal niveau).
Pagina
22/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
3.2.4 Actieve informatieplicht Tot slot nog enkele woorden over de informatievoorziening. Er geldt al sinds 2002 een actieve informatieplicht voor het college jegens de gemeenteraad. 45 Het college moet via die bepaling de raad ook actief informeren over alles wat in het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, het bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie of een gemeenschappelijk orgaan gebeurt voor zover het college dit van belang acht voor de gemeenteraad én voor zover het een collegeregeling betreft. 46 In de praktijk komt het echter nog weleens voor dat het ene college zijn raad wat actiever informeert (lees eerder en/of meer informatie verschaft) dan het andere college. Om dit onderscheid voor de toekomst te voorkomen, is daarom in de Wgr een actieve informatieplicht voor het bestuur van een gemeenschappelijk openbaar lichaam, van een bedrijfsvoeringsorganisatie of voor het gemeenschappelijk orgaan geïntroduceerd. Artikel 17 lid 2 en 3 Wgr 2. Het bestuur van het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan geeft de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 3. De regeling, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid, houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden verstrekt.
De afweging om actief informatie te delen ligt bij het orgaan dat een besluit neemt. Dat kan dus zowel het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur als de voorzitter zijn bij een openbaar lichaam. In de gemeenschappelijke regeling kunnen natuurlijk wel kaders worden gegeven omtrent welke informatie in elk geval actief moet worden gedeeld. Zo kan bijvoorbeeld bepaald worden dat vergaderstukken en verslagen van algemene besturen, besturen van bedrijfsvoeringsorganisaties en gemeenschappelijke organen actief aan raden worden gezonden. Deze moeten binnenkort hoe dan ook actief openbaar gemaakt worden op grond van de Wet open overheid.47 Datzelfde geldt voor agenda’s en besluitenlijsten van het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam.48 In de fase van uitvoering en monitoring (zie hiervoor over de beleidscyclus) staat de gemeenteraad meer op afstand en controleert hij vooral. Daarvoor is wel goede en structurele informatie nodig. Het is daarom van belang dat er goede afspraken
45
Zie artikel 169 lid 2 Gemeentewet.
46
Bij een burgemeestersregeling rust deze verplichting op de burgemeester (zie artikel 180 lid 2
Gemeentewet). 47
Zie het nog niet in werking getreden artikel 3.3 lid 2 aanhef en onder c van de Wet open overheid.
48
Zie het nog niet in werking getreden artikel 3.3. lid 2 aan hef en onder d van de Wet open overheid.
Pagina
23/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
worden gemaakt tussen de gezamenlijke gemeenteraden enerzijds en de colleges en het samenwerkingsverband anderzijds, over: 1. 2. 3.
Het moment van informatievoorziening; De wijze van informatievoorziening; Het onderwerp van informatievoorziening.
Onder alle drie de thema’s schuilt een belangrijke keuze tussen informatie op hoofdlijnen en meer gedetailleerde informatie. Het is wenselijk dat vaker kort en krachtig op hoofdlijnen wordt geïnformeerd en dat slechts eens per jaar (bijvoorbeeld bij het jaarverslag) op meer gedetailleerde wijze wordt geïnformeerd. Daarmee wordt de werklast voor het samenwerkingsverband, maar ook voor de raadsleden verminderd. De hoofdlijnen moeten zich vooral beperken tot: a) Welke beleidswijzigingen worden voorbereid en wat zijn de politieke keuzes daarbij; b) Hoe zijn beleidskeuzes die het afgelopen jaar zijn gemaakt uitgevoerd, en ligt dit op schema; c) Bij afwijkingen van de afgesproken beleidslijnen moet direct en actief geïnformeerd worden waarom er een afwijking plaatsvindt en wat hieraan gedaan kan worden om bij te sturen. Het is cruciaal dat deze informatie kort en bondig, maar met inzicht in de te maken keuzes, wordt gepresenteerd. Zo hebben de raden meer mogelijkheden om tussentijds te sturen. Per beleidsveld worden aparte afspraken gemaakt over de frequentie van deze terugkoppelingen. Deze moet zodanig vaak zijn dat de raden niet achteraf met onvoorziene tekorten worden geconfronteerd, maar ook weer niet zo vaak dat de raden én het samenwerkingsverband er overbelast door raken.
Het idee is immers dat de raden ook actief iets met de informatie doen die zij ontvangen (en daarbij eventueel de in dit memo geschetste instrumenten inzetten). Maatwerk is daarom van belang. Zaken die meer going concern zijn (zoals uitvoering van langlopende beleidsafspraken) kunnen jaarlijks terugkomen in de jaarrekening en het jaarverslag. Naast de structurele informatievoorziening vindt ook incidentele informatievoorziening plaats. Dit kan zijn aan de hand van een onverwacht voorval, waarbij het samenwerkingsverband of het college de raad actief informeert. De raadsleden kunnen ook zelf om inlichtingen vragen, dat recht hebben zij wettelijk.49 De gevraagde inlichtingen moeten, voor zover die natuurlijk gericht zijn op informatie waarover het samenwerkingsverband kan beschikken, aan alle raden verstrekt worden (eventueel onder geheimhouding als één van de uitzonderingsgronden van de Wet open overheid zich voordoet). Anders kunnen de
49
Zie artikel 17 lid 1 Wgr.
Pagina
24/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
raden hun controlerende taak niet oppakken. In de gemeenschappelijke regeling zouden afspraken kunnen worden opgenomen over hoe snel en op welke wijze de informatie wordt verstrekt. 3.3
Afsluiting onderdeel "wijzigingen"
Zowel de gemeenschappelijke regelingen als de raden en colleges van de deelnemende gemeenten staan voor een aantal belangrijke keuzes. Daarbij moet steeds gekeken worden naar de intentie om de positie van de gemeenteraad te versterken, maar wel op een manier dat het samenwerkingsverband zijn taken ook doelmatig en doeltreffend, of efficiënt en effectief kan (blijven) oppakken. De inzet van extra instrumenten moet de kaderstellende of controlerende rol van de raad anderzijds versterken, zonder de raad verder te overbelasten. De gewenste invloed kan ook per gemeenschappelijke regeling verschillen. In de ene gemeenschappelijke regeling gaat immers meer geld om, worden meer beleidskeuzes gemaakt of raakt die sneller aan de belangen van inwoners. Dan is actievere sturing mogelijk gewenst. Hoe beleidsneutraler de uitvoering van de samenwerking wordt, hoe minder interessant het voor de raad zou moeten zijn. De raad moet zich blijven concentreren op zijn kaderstellende en controlerende rollen, en proberen te voorkomen dat hij louter op de bedrijfsvoering (lees: organisatie) en financiën gaat sturen. Een gemeenschappelijke regeling is immers een hulpmiddel om bepaalde beleidsdoelstellingen te bereiken. Om die reden is hiervoor al op enkele plekken ook aangegeven om meer strategisch te kijken naar de inzet van instrumenten, bijvoorbeeld ad hoc in de beleidscyclus.
Daarmee worden zinloze vergaderingen voorkomen en daarmee de overbelasting van de regeling en de gemeenteraad. Hierna wordt per categorie gemeenschappelijke regeling een voorstel gedaan voor een passende implementatie van de wijzigingen. IV.
CATEGORIEËN GEMEENSCHAPPELIJKE REGELINGEN
In de onderstaande tabel hebben wij alle deelnemende gemeenschappelijke regelingen onderverdeeld in de volgende categorieën: Categorie 1: beleidsrijke gemeenschappelijke regelingen Hieronder vallen de gemeenschappelijke regelingen die beleid zowel voorbereiden als vaststellen. Categorie 2: beleidsarme gemeenschappelijke regelingen Hieronder vallen de gemeenschappelijke regelingen waarbij de deelnemers het beleid niet of enkel voorbereiden, maar uitdrukkelijk niet bij de beleidsvaststelling betrokken zijn. Deze regelingen zijn eerst en vooral uitvoerend van aard. Pagina
25/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING
CATEGORIE 1 BELEIDSRIJK
Veiligheidsregio Zuid-Limburg BsGW
CATEGORIE 2 BELEIDSARM
X50 X51
Omnibuzz GGD Zuid-Limburg
X52 X53
Westrom
X54
Geul en Maas Rd4 Reinigingsdienst Maasland
X55 X56 X57
Historisch Centrum Limburg Het Gegevenshuis WOZL WSP Parkstad
X58 X59 X60 X61
WAA Venlo RUD Zuid-Limburg Veiligheidsregio en GGD Limburg-Noord Sociaal domein Limburg-Noord
X62 X63 X65
X64
X66
Uit het voorgaande overzicht volgt dus dat de meerderheid van de deelnemende gemeenschappelijke regelingen in categorie 2, beleidsarm, valt. Dat is ook logisch, omdat vrijwel alle regelingen in meerdere of mindere mate enkel een taak hebben
50
Zie artikel 3.2 en 3.3 van de GR van de Veiligheidsregio Zuid-Limburg.
51
Zie de overwegingen en de artikelen 4 en 5 van de GR van de BsGW.
52
Zie artikel 4 lid 1 sub e van de GR van Omnibuzz.
53
Zie artikel 3 van de GR van de GGD Zuid-Limburg.
54
Voor zover het de uitvoering van de Pw betreft (zie artikel 3 lid 1 sub b van de GR van Westrom).
55
Zie artikel 5 lid 1 en 2 en artikel 6 lid 2 sub b van de GR Geul en Maas.
56
Zie artikel 3, 4 en 18 van de GR van Rd4.
57
Zie artikel 4 en 5 van de GR van RD Maasland.
58
Zie artikel 2b van de GR Historisch Centrum Limburg 2020.
59
Zie artikel 2 van de GR van Het Gegevenshuis.
60
Zie artikel 2 van de GR WOZL.
61
Zie artikel 2a van de GR WSP Parkstad.
62
Zie artikel 3 lid 1 van de GR van WAA Venlo.
63
Zie de artikelen 3 tot en met 6 van de GR RUD Zuid-Limburg.
64
Zie artikel 5 van de GR van de Veiligheidsregio en GGD Limburg-Noord.
65
Voor zover het de taken van de GGD betreft.
66
Zie de modules 1 en 2 bij de MGR Sociaal Domein Limburg-Noord.
Pagina
26/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
op het gebied van beleidsvoorlichting en/of -voorbereiding, maar de deelnemende gemeenten zelf het eigen beleid blijven vaststellen. In de hierna volgende wijzigingsvoorstellen zullen wij het onderscheid tussen beleidsarme en beleidsrijke regelingen nader uitdiepen. V.
WIJZIGINGSVOORSTELLEN
Hierna doen wij een voorstel tot wijziging van de deelnemende gemeenschappelijke regelingen. Wij maken daarbij een onderscheid tussen: a) Uniforme wijzigingsvoorstellen: een aantal wijzigingen kunnen (vrijwel) uniform voor iedere gemeenschappelijke regeling worden doorgevoerd. Voor deze wijzigingen stellen wij daarom uniforme wijzigingsvoorstellen voor. b) Wijzigingsvoorstellen per categorie: voor de wijzigingen die afhankelijk zijn van de vraag of een regeling beleidsrijk of beleidsarm is, doen wij hierna per categorie concrete wijzigingsvoorstellen. 5.1
Uniforme wijzigingsvoorstellen voor alle regelingen
5.1.1 Actieve informatieplicht Ten aanzien van de actieve informatieverplichting dient aan de regelingen het volgende te worden toegevoegd: a) het algemeen en dagelijks bestuur c.q. het gemeenschappelijk orgaan geven de raden alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken, en; b) de regeling omschrijft de wijze waarop deze inlichtingen worden verstrekt. In dat kader stellen wij de volgende tekstvoorstellen voor: "Het algemeen / dagelijks bestuur / gemeenschappelijk orgaan maakt zijn vergaderstukken en verslagen uit eigen beweging openbaar, tenzij de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid daaraan in de weg staan."
En
"Het algemeen / dagelijks bestuur / gemeenschappelijk orgaan geeft de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken."
Pagina
27/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
Mogelijkheid voor maatwerk Bij het voorgaande merken wij nog op dat er ten aanzien van de concrete wijze van informatieverschaffing maatwerk gewenst is. Om dit maatwerk te leveren, verzoeken wij u om uiterlijk voor 15 februari a.s. aan ons door te geven op welke wijze de informatieverschaffing bij uw gemeenschappelijke regeling plaatsvindt. Zo hebben wij voor ICT NML de volgende maatwerkregeling voorgesteld: "Het bestuur geeft de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Deze inlichtingen worden in beginsel verstrekt via een door de bedrijfsvoeringsorganisatie uitgegeven nieuwsbrief die periodiek, doch minimaal drie keer per jaar, aan de raden wordt toegezonden."
5.1.2 Begroting Ook de wijzigingen ten aanzien van het onderdeel "begroting" kunnen uniform geschieden nu de termijnen voor het toezenden van de ontwerpbegroting voor alle regelingen op gelijke wijze wijzigen. Om de wijzigingsvoorstellen overzichtelijk te houden, hebben wij de wijzigingsvoorstellen hieronder verwerkt in de gemeenschappelijke regeling van Omnibuzz (zie de geel gearceerde gedeelten). Indien deze wijzigingsvoorstellen akkoord zijn, dan zullen wij deze wijzigingen ook in de andere regelingen doorvoeren: "Artikel 19 Begroting 1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en bijbehorende stukken ten minste de in artikel 35, eerste lid, van de wet voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden toe aan de colleges en raden. 2.
De ontwerpbegroting wordt door de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, ook algemeen verkrijgbaar gesteld.
3.
De raden kunnen binnen twaalf weken bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden.
4.
Het dagelijks bestuur stelt de raden van de gemeente voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
5.
Het algemeen bestuur stelt jaarlijks vóór 15 juli de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
Pagina
28/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
6.
Binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 34, tweede lid, van de wet genoemde datum zendt het dagelijks bestuur de begroting aan gedeputeerde staten en zo nodig aan de raden van de gemeenten die hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt zoals bepaald in het derde lid van dit artikel.
7.
Het bepaalde in het eerste, derde en zesde lid van dit artikel is, met uitzondering van de in het derde en het zesde lid genoemde termijnen, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
Artikel 20 Jaarrekening en jaarverslag 1. Van de baten en lasten van het openbaar lichaam wordt door het dagelijks bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de conceptjaarrekening, het jaarverslag met daarbij behorende bescheiden, zoals vermeld in artikel 213 van de Gemeentewet. Na de eigen oordeelsvorming zendt het dagelijks bestuur de voorlopige jaarrekening jaarlijks vóór de in artikel 34b van de wet genoemde datum toe aan de raden. 2.
De voorlopige jaarrekening en het jaarverslag worden door de gemeenten voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 197, tweede en derde lid van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.
3.
De raden kunnen bij het dagelijks bestuur desgewenst hun zienswijze over de voorlopige jaarrekening en het jaarverslag naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de stukken, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling worden aangeboden. Nadat een daartoe aangestelde accountant een controleverklaring over de jaarrekening heeft afgegeven, wordt de jaarrekening vervolgens door het algemeen bestuur vastgesteld.
4.
Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 34, vierde lid, van de wet genoemde datum het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan gedeputeerde staten en voorts aan de raden.
5.
Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer."
5.1.3 Uittredingsregeling Als gevolg van de wetswijziging van de Wgr zijn gemeenschappelijke regelingen aldus verplicht om de uittredingsregeling aan te scherpen. De uittredingsregeling moet nu bepalingen bevatten over de gevolgen van de uittreding, waaronder bepalingen over het vermogen van de gemeenschappelijke regeling. Daaronder vallen niet alleen de financiële, maar ook de personele en organisatorische gevolgen. Met de hierna volgende uniforme tekstvoorstellen wordt de uittredingsregeling op de vorenbedoelde wijze aangescherpt. Beoogd wordt daarmee tevens om het uittredingsproces zelf helder te schetsen, zodat eventuele Pagina
29/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
discussies over de hoogte van de uittreedsom en/of de keuze van de onafhankelijke adviseur worden voorkomen. "Artikel (…) 1.
Uittreding
Een college van burgemeester en wethouders van een van de deelnemende gemeenten kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.
2.
Een college zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur/gemeenschappelijk orgaan. Daarbij wordt een opzegtermijn van 2 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen.
3.
Het dagelijks bestuur/gemeenschappelijk orgaan inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur/gemeenschappelijk orgaan vast te stellen uittredingsplan.
4.
Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur/gemeenschappelijk orgaan het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.
5.
Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.
Artikel (…) 1.
Procedure en inhoud van het uittredingsplan
Het in artikel (…), derde lid, bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe en indirecte gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer.
2.
Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur/gemeenschappelijk orgaan een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het algemeen bestuur/gemeenschappelijk orgaan het conceptuittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
3.
Het algemeen bestuur/gemeenschappelijk orgaan wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de directeur/voorzitter. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur/gemeenschappelijk orgaan de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur/gemeenschappelijk orgaan, waaronder in ieder geval
Pagina
30/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur/gemeenschappelijk orgaan van de uittredende deelnemer. 4.
De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel en in artikel [voorgaande artikel] in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. Tevens past de onafhankelijke registeraccountant bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
5.
Het algemeen bestuur/gemeenschappelijk orgaan is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur/gemeenschappelijk orgaan onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur/gemeenschappelijk orgaan van het besluit tot uittreding van de deelnemer."
Mogelijkheid tot maatwerk Uiteraard is het mogelijk om ten aanzien van deze voorgestelde bepaling in meerdere of mindere mate maatwerk toe te passen. Indien dat in het concrete geval gewenst is, dan verzoeken wij om dit uiterlijk voor 15 februari a.s. aan ons door te geven en om ons dan tevens concreet te laten weten op welke wijze de uittredingsregeling voor uw gemeenschappelijke regeling dient te worden aangepast. Denkbaar is bijvoorbeeld dat nog wordt toegevoegd dat uittreding gedurende een bepaalde periode niet mogelijk is. Wij merken daarbij wel op dat over de thans voorgestelde standaardregeling uitvoerig is nagedacht en dat daarmee in zo kort mogelijke bewoordingen iedere discussie op het moment van uittreding is getracht te voorkomen. Afwijkende regeling voor RUD Zuid-Limburg en de Veiligheidsregio's In afwijking van het voorgaande geldt dat uittreding uit de RUD Zuid-Limburg en de Veiligheidsregio's niet zonder meer mogelijk is. Dit betreffen namelijk verplichte samenwerkingen. In overleg met deze regelingen zal daarom een aparte uittredingsregeling worden opgesteld die recht doet aan de wettelijke taken.
Pagina
31/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
5.1.4 Evaluatie Ook de evaluatiebepaling kan naar onze mening uniform worden vormgegeven. Daartoe doen wij de volgende twee tekstvoorstellen: Tekstvoorstel 1 "De werking van de regeling zal om de vier jaar geëvalueerd worden, voor het eerst in 2025. Het dagelijks bestuur / gemeenschappelijk orgaan zal daartoe een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen." Tekstvoorstel 2 "De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien de meerderheid van de deelnemers daartoe besluit. Het dagelijks bestuur / gemeenschappelijk orgaan zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen."
5.2
Wijzigingsvoorstellen per categorie – beleidsarm en beleidsrijk
De wijzigingen die zien op de mogelijkheid tot participatie en de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen, lenen zich voor een categoriale indeling. De mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen dient onzes inziens nadrukkelijker te worden geboden bij beleidsrijke regelingen. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid tot participatie. 5.2.1 Wijzigingsvoorstellen voor beleidsarme regelingen Voor beleidsarme regelingen stellen wij de volgende regeling voor het indienen van zienswijzen voor: Algemene bepaling In de eerste plaats stellen wij een algemene bepaling voor die de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen duidelijk afbakent. De bevoegdheid tot het indienen van zienswijzen kan dan niet worden uitgebreid, hetgeen voor alle betrokkenen zorgt voor rechtszekerheid. De algemene bepaling zou als volgt kunnen luiden: "Besluiten van het bestuur worden alleen aan zienswijzen onderworpen indien de wet of deze regeling dat expliciet voorschrijft."
Zienswijzemogelijkheid bij opheffing van de regeling Voor zover dit nog niet in de regeling is opgenomen, stellen wij voor om de zienswijzeprocedure van artikel 1 van de Wgr bij de opheffing van een gemeenschappelijke regeling van overeenkomstige toepassing te verklaren. Opheffing van een regeling kan namelijk ingrijpende gevolgen hebben voor de deelnemers, waardoor wij ons kunnen voorstellen dat het vragen van een voorafgaande zienswijze van de raden gewenst wordt geacht. Deze bepaling zou dan als volgt kunnen gaan luiden: Pagina
32/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
"De gemeenschappelijke regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de we t"
Zienswijzemogelijkheid bij kadernota Tevens geven wij mee dat het een optie is om een zienswijzemogelijkheid op te nemen bij het toezenden van de kadernota. In de kadernota staan namelijk de algemene en financiële en beleidsmatige kaders voor het komende jaar, met eventueel zelfs een doorkijk met een meerjarenplan. Door de raden de mogelijkheid te bieden om op de kadernota een zienswijze te geven, worden de raadsleden in de gelegenheid gesteld om aan de voorkant, dus al ten tijde van de beleidsvoorbereiding en planvorming mee te denken over de toekomstige koers van de gemeenschappelijke regeling. Deze zienswijzemogelijkheid zou als volgt kunnen luiden: 1. "Het dagelijks bestuur/het gemeenschappelijk orgaan zendt voor 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten. 2. De raden van de deelnemende gemeenten worden vervolgens gedurende een periode van zes weken in de gelegenheid gesteld om schriftelijk hun zienswijzen ter kennis van het bestuur te brengen."
Maatwerk bij overige zienswijzemogelijkheden Los van het voorgaande is het ook mogelijk om in andere situaties een zienswijzeprocedure te doorlopen. In dat geval is maatwerk nodig. Een situatie die wij in meerdere regelingen teruglazen en die in ieder geval zou kunnen leiden tot een aanvullende mogelijkheid tot het vragen van een zienswijze, betreft de situatie dat derden ook diensten of projecten kunnen gaan afnemen van de gemeenschappelijke regeling.67 Een dergelijke deelname heeft direct financiële, organisatorische en personele gevolgen voor de regeling, waardoor het verlangen van een voorafgaande zienswijze gerechtvaardigd kan zijn. Deze zienswijzemogelijkheid zou als volgt kunnen luiden: "Het bestuur besluit niet tot het uitvoeren van diensten/ het aangaan van dienstverlenings-/samenwerkingsovereenkomsten / het uitvoeren van projecten met/voor derden dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten gedurende zes weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen ter kennis van het bestuur te brengen. Het besluit wordt genomen bij meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen."
67
Zie o.a. de gemeenschappelijke regelingen van Geul en Maas, Westrom, Omnibuzz, BsGW, GGD Zuid-
Limburg, WSP Parkstad, WOZL, MGR Sociaal Domein Limburg-Noord en de RUD Zuid-Limburg. Pagina
33/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
Mogelijk ten overvloede merken wij op dat het Gegevenshuis in artikel 3 lid 3 van de gemeenschappelijke regeling al in een dergelijke zienswijzemogelijkheid voorziet. Daarnaast kunnen wij ons voorstellen dat het gewenst is om in de regeling een zienswijzemogelijkheid te openen bij de voorbereiding van strategische meerjarenplannen. Zoals in hoofdstuk 3 van dit memo al is opgemerkt, zijn dergelijke plannen namelijk richtinggevend voor de toekomstige koers van gemeenschappelijke regelingen en kan de kaderstellende rol van raden juist worden versterkt door de raden al in een vroegtijdig stadium te betrekken bij de toekomstige strategische koers. Een dergelijke zienswijzemogelijkheid zou als volgt kunnen worden vormgegeven: "Het bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen met/voor derden dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten gedurende zes weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op het concept hun zienswijzen ter kennis van het bestuur te brengen."
Uiteraard is ook bij deze bepaling maatwerk mogelijk. Dat laatste is hoe dan ook aan de orde als de strategische plannen een bepaalde naam dragen. Indien uw gemeenschappelijke regeling maatwerk wenst, dan verzoeken wij om dit uiterlijk voor 15 februari a.s. aan ons kenbaar te maken, zodat wij de tekstvoorstellen daarop kunnen laten aansluiten. Burgerparticipatie Ten aanzien van de mogelijkheid van burgerparticipatie merken wij op dat de categorie beleidsarme regelingen juist wordt gekenmerkt door het feit dat zij geen beleid vaststellen. Dat doen de deelnemers zelf. Om die reden achten wij het ook passend om de mogelijkheid van participatie bij de betrokken deelnemers te laten. Participatie is en blijft daarmee mogelijk via de reguliere procedures bij de deelnemers. Het tekstvoorstel luidt in dat kader als volgt: "Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemers betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid."
Bij het voorgaande merken wij op dat enkele gemeenschappelijke regelingen wel al werken met cliëntenraden, waarmee de participatie wordt geborgd. Voor de regelingen waarvoor dit het geval is, verzoeken wij om dit uiterlijk voor 15 februari a.s. aan ons kenbaar te maken, zodat wij de tekstvoorstellen daarop kunnen laten aansluiten.
Pagina
34/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
5.2.2 Wijzigingsvoorstellen voor beleidsrijke regelingen Voor de tweede categorie, de beleidsrijke regelingen, adviseren wij om hoe dan ook om bovenop de in artikel 5.2.1 voorgestelde bepalingen indringender in de regeling te omschrijven op welke wijze de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen en participatie wordt geboden. Dit vereist maatwerk, nu er bijvoorbeeld voor de ambulancezorg al een cliëntenraad is ingesteld en de Wet veiligheidsregio's al voor meerdere besluiten voorziet in de verplichting tot het vragen van een zienswijze. Nu de aangescherpte regeling enkel geldt voor de beide Veiligheidsregio's in Limburg hebben wij met hen afgesproken dat wij voor hen met een specifieke regeling komen. Daarbij zal tevens zoveel mogelijk worden aangesloten bij de wijze waarop men landelijk de zienswijze- en participatieprocedures wenst in te richten. 5.2.3 Overige werkafspraken Los van de hiervoor besproken wijzigingen die nodig zijn aan de tekst van de gemeenschappelijke regelingen, geldt daarnaast dat enkele – uniforme – werkafspraken onzes inziens nuttig zijn. Die werkafspraken zien dan concreet op werkwijzen die tot doel hebben om de effectiviteit en efficiëntie van de bedrijfsvoering binnen de regeling en om de samenwerking met de deelnemers te vergroten.
Het gaat dan concreet om de bevoegdheid tot het instellen van regionale raadsadviescommissies en afspraken omtrent het indienen van de ontwerpbegroting. Regionale raadsadviescommissies Zoals wij in hoofdstuk 2 van dit advies ook al opmerkten, is er voor de instelling van een regionale raadsadviescommissie geen aparte wettelijke regeling nodig; de gemeenteraden kunnen daar gezamenlijk toe besluiten. Nu een raadsadviescommissie een zwaar instrument betreft omdat alle raden daartoe moeten besluiten en het algemeen bestuur de commissie vervolgens dient in te stellen, verwachten wij dat in de praktijk weinig van dit instrument gebruik zal worden gemaakt. Nu het desondanks nuttig kan zijn om raadsleden op gezette tijden te betrekken bij de bedrijfsvoering, stellen wij voor om aan de raden voor te stellen om regionale agendacommissies samen te stellen. Deze agendacommissies werken dan voor alle samenwerkingsverbanden in de regio en bestaan uit één of twee raadsleden per gemeenteraad. De agendacommissies kunnen zodoende gaan opereren als een vooruitgeschoven post van de gemeenteraden, waardoor besluiten en strategische visies zachter kunnen "landen". In de Noord-Limburgse gemeenten wordt sinds enkele maanden gewerkt met een dergelijke agendacommissie en wij begrepen dat de eerste ervaringen positief zijn.
Voorgesteld zou kunnen worden om dit initiatief ook door te trekken naar de Midden- en Zuid-Limburgse gemeenten.
Pagina
35/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
Begroting In hoofdstuk 3 van dit memo hebben wij de verplichte wijzigingen voor wat betreft de begroting uiteengezet. Feit is echter wel dat door deze wijzigingen de raden in een lastig parket worden gebracht. Door de nieuwe termijnen voor het aanbieden van de ontwerpbegroting aan de raden valt de zienswijzeprocedure bij de raden namelijk volledig in het zomerreces. Tijdens de bijeenkomst van 29 september jl. is daarom voorgesteld om de werkafspraak te maken dat de ontwerpbegroting net als nu rond 15 april van ieder jaar zal worden aangeboden aangeboden. De zienswijzetermijn loopt dan begin juli van ieder jaar, dus net voor het zomerreces, af. De raden worden daarmee gefaciliteerd. Dit voorgestelde werkproces is ook besproken met de griffiers van de gemeenten in Limburg. Ook zij hebben aangegeven dat zij dit voorgestelde werkproces omarmen. Voorgesteld wordt daarom om dit werkproces over te nemen. VI.
WIJZIGINGEN WEGENS DE WET ELEKTRONISCHE PUBLICATIES
Tot slot leidt ook de inwerkingtreding van de Wet Elektronische Publicaties (hierna: "WEP") ertoe dat de tekst van de gemeenschappelijke regelingen moet worden aangepast. Deze wet verplicht de gemeenschappelijke regelingen sinds 1 juli 2021 om alle officiële publicaties online te zetten via de website officielebekendmakingen.nl. Meer concreet is met de inwerkingtreding van de WEP het volgende gewijzigd: -
-
-
Vervallen toezending Gedeputeerde Staten: Als gevolg van de inwerkingtreding van de WEP hoeft de (wijziging van de) regeling niet meer te worden toegezonden aan Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Gemeente van de plaats van vestiging moet wijzigingen bekendmaken in eigen Gemeenteblad: daarnaast moet de gemeente van de plaats van vestiging de gemeenschappelijke regeling bekendmaken in het eigen Gemeenteblad, en; Centraal elektronisch register van gemeenschappelijke regelingen: Ten derde is het gemeentelijke register voor gemeenschappelijke regelingen komen te vervallen. Dit register is vervangen door een landelijk door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij te houden register.
De voornoemde wijzigingen zijn bij vrijwel alle regelingen nog niet doorgevoerd in de teksten, waardoor wij bij wijze van extra dienstverlening voorstellen om die in het huidige wijzigingsvoorstel mee te nemen. Concreet betekent dit dat wij de oude bekendmakingsregelingen zullen schrappen en daarvoor in de plaats het volgende tekstvoorstel voorstellen:
Pagina
36/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
Tekstvoorstel: 1.
"Het college van de gemeente (…) maakt een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig in alle deelnemende gemeenten bekend in het door (….) uitgegeven Gemeenteblad.
2.
Het dagelijks bestuur / gemeenschappelijk orgaan is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet."
VII.
VOORSTEL VOOR IMPLEMENTATIEPROCES
In dit memo hebben wij een voorstel gedaan voor de wijziging van uw gemeenschappelijke regelingen. Het proces om te komen tot de daadwerkelijke implementatie van de wetswijziging is daarmee begonnen. In de onderstaande tabel is het volledige implementatieproces weergegeven. Wij geven daarbij mee, dat wij – voor een goed verloop van het implementatieproces – graag uiterlijk 15 februari a.s. van u allen de Word-versie van de gemeenschappelijke regelingen ontvangen. Wij kunnen de voorgestelde wijzigingen dan namelijk eenvoudig in track changes doorvoeren. Daarnaast bespreken wij graag op 17 januari a.s. nader met u of, en zo ja, op welke wijze nog aanvullend de gemeentelijke juristen bij het implementatieproces worden betrokken. Vanuit verschillende zijden begrepen wij namelijk dat een extra sessie met de gemeentelijke juristen gewenst zou zijn. Met inachtneming van het voorgaande ziet het implementatieproces er als volgt uit (zie volgende pagina). De reeds doorlopen stappen zijn daarbij in groen aangegeven.
Pagina
37/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
Schema implementatieproces Processtap
Wat?
27 september 2022 15 oktober 2022 3 november 2022 November-december 2022
Startbijeenkomst indien gewenst: leveren input Sessie griffiers Opstellen memo met wijzigingsmogelijkheden en voorstel voor implementatie Sessie 2: GR'en in Venlo Informatiesessies raden, colleges, PS, GS, AB en DB in Maasbracht en SittardGeleen Informatiesessie gemeentejuristen Uiterlijke datum aanleveren Wordbestanden GR'en en leveren input voor maatwerk t.a.v. voorgestelde wijzigingen Opstellen concrete tekstvoorstellen per categorie GR Sessie 3: GR'en in Venlo Tweede informatiesessie raden, colleges, PS, GS, AB en DB in Maasbracht en Maastricht Start van het formele wijzigingsproces
17 januari 2023 30 januari en 1 februari 2023
Medio februari 2023 15 februari 2023
Februari-maart 2023 18 april 2023 15 mei en 25 mei 2023
Juni 2023
***
Pagina
38/38
Advies inzake wijziging gemeenschappelijke regelingen/AH/BZ/7021610/Advies inzake wijziging GR'en
Reactienota
Aan
Colleges van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en dagelijks bestuur waterschap
1.
Afschrift aan
Dagelijkse besturen gemeenschappelijke regelingen
Van
Anouk Hofman en Rob de Greef
Plaats/Datum
Venlo, 22 november 2023
Betreft
Reactienota zienswijzen raden, provinciale staten en algemeen bestuur waterschap
Ingekomen zienswijzen De 31 Limburgse gemeenteraden, provinciale staten van Limburg 1 en het algemeen bestuur van het Waterschap Limburg hebben inmiddels besloten omtrent het al dan niet indienen van zienswijzen op de wijzigingsvoorstellen zoals die eerder in het gezamenlijk traject naar voren zijn gekomen. De ingediende zienwijzen zien op enkele verschillende onderwerpen: (1) Zienswijzen (2) Inspraak (burgerparticipatie) (3) Evaluatie (4) Aanlevertermijnen begroting Hierbij moet worden opgemerkt dat sommige gemeenteraden, provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap de oorspronkelijke wijzigingsvoorstellen hebben voorgelegd voor besluitvorming. Soms zijn er dan vervolgens geen zienswijzen ingediend, hetgeen als een ondersteuning van dat oorspronkelijke voorstel kan worden gezien. Andere gemeenteraden hebben ervoor gekozen om gewijzigde voorstellen voor te leggen waarbij de handreiking van de raadswerkgroep Noord-Limburg (bijlage 2) is gevolgd, dan wel de voorstellen zoals deze in eerdere brieven vanuit Brunssum, Stein en Voerendaal naar voren zijn gekomen (bijlage 3). In onze eerdere legal opinion zijn wij reeds op de juridische haalbaarheid van deze voorstellen ingegaan (bijlage 4). Een groot aantal gemeenteraden heeft deze voorstellen omarmd.
Tot slot zijn er ook individuele zienswijzen ingediend door sommige gemeenteraden, ongeacht wat het behandelde voorstel was. In de bijgevoegde matrix (bijlage 1) hebben wij per deelnemer én per gemeenschappelijke regeling inzichtelijk gemaakt welke voorkeuren de raden, provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap hebben uitgesproken. 2
1
Bij de provincie moet worden opgemerkt dat het nog om een conceptzienswijze gaat, omdat provinciale staten pas begin december
beslissen 2
Bij de provincie moet worden opgemerkt dat het nog om een conceptzienswijze gaat, omdat provinciale staten pas begin december
beslissen. Reactienota op zienswijze raden/AH/BZ/Reactienota 20112023
1/6
In deze reactienota leggen wij u de uitkomsten voor. Wij kiezen daarbij wederom voor uniforme voorstellen voor alle gemeenschappelijke regelingen, dat was immers het uitgangspunt van het traject dat doorlopen is. Uiteindelijk kan natuurlijk besloten worden om voor bepaalde gemeenschappelijke regelingen hiervan af te wijken, maar vanuit het principe van comply or explain moet dit dan wel nadrukkelijk worden toegelicht. Voor gemeenteraden, provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap is het immers overzichtelijker wanneer zij voor alle gemeenschappelijke regelingen waarin hun colleges/dagelijkse besturen participeren (grotendeels) dezelfde instrumenten hebben. 2.
Zienswijzen 25 gemeenteraden hebben zich uitgesproken voor het overnemen van het voorstel zoals voorbereid door de raadsledenwerkgroep Noord-Limburg en uitgewerkt in de legal opinion. 6 gemeenteraden, provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap hebben géén vergelijkbare zienswijze aangenomen. Gelet op deze overgrote meerderheid wordt voorgesteld om het voorstel van de raadsledenwerkgroep, zoals uitgewerkt in de legal opinion, over te nemen in alle gemeenschappelijke regelingen. Deze bepaling luidt voor gemeenschappelijke regelingen met vijf of minder deelnemers: 2. Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste twee gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte. 3. Indien het tweede lid wordt toegepast, dan hebben de raden twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven is stelt het dagelijks bestuur de raden en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Voor gemeenschappelijke regelingen met zes of meer deelnemers komt de tekst te luiden:
2. Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoekt. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte. 3. Indien het tweede wordt toegepast, dan hebben de raden twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven is stelt het dagelijks bestuur de raden en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Dit sluit ook aan bij de toezegging op verzoek van de gemeentesecretarissen uit het gezamenlijke traject om dit te verwerken. Zie ons eerder toegezonden memo d.d. 12 juni 2023. Legal opinion op zienswijze raden/AH/BZ/Reactienota 20112023
2/6
Bij de Regionale uitvoeringsdiensten zal vanzelfsprekend ook provinciale staten dit recht krijgen (lid 2) als ware zij een van de gemeenteraden, zoals bij BsGW en het Gegevenshuis het algemeen bestuur van het Waterschap Limburg deze rechten krijgt. Bij Geul en Maas wordt dit zo verwerkt dat overal waar algemeen bestuur of dagelijks bestuur staat in die gemeenschappelijke regeling “gemeenschappelijk orgaan” komt te staan. 3.
Inspraak / Burgerparticipatie 25 gemeenteraden hebben zich uitgesproken voor het overnemen van het voorstel zoals voorbereid door de raadsledenwerkgroep Noord-Limburg en uitgewerkt in de legal opinion. 6 gemeenteraden, provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap hebben géén vergelijkbare zienswijze aangenomen. Gelet op deze overgrote meerderheid wordt voorgesteld het voorstel van de raadsledenwerkgroep, zoals uitgewerkt in de legal opinion, over te nemen in alle gemeenschappelijke regelingen. Deze bepaling luidt voor de gemeenschappelijke regelingen tot en met vijf deelnemers: 2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. 3. Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste twee gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken. 4. Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.
Voor gemeenschappelijke regelingen met zes of meer deelnemers komt de tekst te luiden: 2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. 3. Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken. 4. Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.
Bij de Regionale uitvoeringsdiensten zal vanzelfsprekend ook provinciale staten dit recht (lid 3) krijgen als ware zij een van de gemeenteraden, zoals bij BsGW en het Gegevenshuis het algemeen bestuur van het Waterschap Limburg deze rechten krijgt. Bij Geul en Maas wordt dit zo verwerkt dat overal waar algemeen bestuur of dagelijks bestuur staat in die gemeenschappelijke regeling “gemeenschappelijk orgaan” komt te staan. Legal opinion op zienswijze raden/AH/BZ/Reactienota 20112023
3/6
4.
Evaluatie Bij de evaluatie is het beeld wat anders. 17 gemeenteraden hebben zich uitgesproken voor het overnemen van het voorstel zoals voorbereid door de raadsledenwerkgroep Noord-Limburg en uitgewerkt in de legal opinion. Dat komt er op neer dat 2 deelnemers kunnen vragen om een evaluatie, waarna het dagelijks bestuur een onderzoeksvoorstel moet doen. 8 gemeenteraden, provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap hebben zich uitgesproken voor het oorspronkelijke voorstel, waarbij het algemeen bestuur in meerderheid beslist of een evaluatie moet plaatsvinden, waarna het dagelijks bestuur een onderzoeksvoorstel doet. Eén gemeenteraad heeft zich uitgesproken voor een evaluatie wanneer 1/4 van de deelnemers hierom vraagt, maar in elk geval eens in de zes jaren. 6 gemeenteraden hebben zich uitgesproken voor een periodieke evaluatie eens per 5 jaar. Hoewel de meerderheid gering is, stellen wij toch voor het voorstel van de raadsledenwerkgroep Noord-Limburg, zoals uitgewerkt in de legal opinion, op te nemen in alle gemeenschappelijke regelingen met maximaal 14 deelnemers (de “kleinere” gemeenschappelijke regelingen). Dit voorstel luidt: De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien twee deelnemers hierom verzoeken. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen.
Bij Geul en Maas wordt dit zo verwerkt dat overal waar dagelijks bestuur staat in die gemeenschappelijke regeling “gemeenschappelijk orgaan” komt te staan. Voor de grotere gemeenschappelijke regelingen (met 15 of meer deelnemers) werkt een dergelijke bepaling naar ons oordeel niet. Dat zou ertoe leiden dat een dergelijke gemeenschappelijke regeling constant onderworpen kan worden aan evaluaties, bijvoorbeeld wanneer twee gemeenten het niet eens zijn met een door de overgrote meerderheid gekozen route. Om die reden wordt voor Omnibuzz, de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschap Limburg (BsGW), de Veiligheidsregio en Gemeentelijke Gezondheidsdienst Limburg-Noord, de Veiligheidsregio Zuid-Limburg, de GGD Zuid-Limburg, de Regionale uitvoeringsdienst Limburg-Noord en de Regionale uitvoeringsdienst Zuid-Limburg voorgesteld om te kiezen voor het alternatief waarbij ééns in de vijf jaar verplicht wordt geëvalueerd. Het voorstel voor de gemeenschappelijke regelingen luidt: De werking van de regeling zal om de vijf jaar geëvalueerd worden, voor het eerst in [datum invullen]. Het dagelijks bestuur zal daartoe een onderzoeksvoorstel en de daarmee gepaard gaande financiële consequenties aan de deelnemers voorleggen.
Daarbij zal een rooster worden ontwikkeld waarbij ieder jaar per regio één gemeenschappelijke regeling wordt geëvalueerd. Dit om te voorkomen dat met name de deelnemers overspoeld worden met evaluaties in één bepaald jaar. Wel kan het zo zijn dat bijvoorbeeld beide Legal opinion op zienswijze raden/AH/BZ/Reactienota 20112023
4/6
Regionale uitvoeringsdiensten gelijktijdig worden geëvalueerd, zodat kan worden samengewerkt. Dat kan ook gelden voor de veiligheidsregio’s dan wel de gemeentelijke gezondheidsdiensten, maar omdat in Limburg-Noord beide in één gemeenschappelijke regeling zitten, zal dan gekozen moeten worden of wordt aangesloten bij de Veiligheidsregio ZuidLimburg of juist bij de GGD Zuid-Limburg. 5.
Begrotingsprocedure Sommige gemeenteraden hebben ook nog een zienswijze aangenomen omtrent de begrotingscyclus en de jaarlijkse kadernota. In ons memo d.d. 12 juni 2023 was naar aanleiding van het overleg met de gemeentesecretarissen reeds toegezegd dat in de gemeenschappelijke regelingen wordt verwerkt dat de ontwerpbegroting voor 30 april aan de gemeenteraden (provinciale staten resp. algemeen bestuur waterschap) moet worden verzonden. Dat zal in de gemeenschappelijke regelingen verwerkt worden. Zoals in de legal opinion is opgenomen kunnen hieromtrent dan nog nadere werkafspraken worden gemaakt.
6.
Vervolgproces Het vervolgproces is opgenomen in het onderstaande schema: Voor de overzichtelijkheid spreken wij in dit schema enkel van de colleges van B&W en de gemeenteraden. Uiteraard dienen daaronder ook Provinciale Staten en het AB van het Waterschap te worden begrepen Tijdlijn
Procedurestap
Tot 15 december 2023
Inventarisatie opbrengst zienswijzen bij colleges, juristen, DB's en AB's van de gemeenschappelijke regelingen
Medio december 2023 – medio januari 204
Aanpassing van de gemeenschappelijke regelingen op basis van de ingediende zienswijzen
Medio januari 2024
Aangepaste regelingen worden door de gemeenschappelijke regelingen voor toestemming naar de colleges en accounthouders verzonden
Februari – mei 2024
De raden hebben de tijd om toestemming te geven tot het wijzigen van de gemeenschappelijke regelingen
Juni 2024
De collegebesluiten over de aangepaste gemeenschappelijke regelingen worden vastgesteld
Legal opinion op zienswijze raden/AH/BZ/Reactienota 20112023
5/6
1 juli 2024
Legal opinion op zienswijze raden/AH/BZ/Reactienota 20112023
De wijzigingen treden in werking
6/6