Agendabundel
Tekst van het document
Tot slot zijn er ook individuele zienswijzen ingediend door sommige gemeenteraden, ongeacht wat het behandelde voorstel was. In de bijgevoegde matrix (bijlage 1) hebben wij per deelnemer én per gemeenschappelijke regeling inzichtelijk gemaakt welke voorkeuren de raden, provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap hebben uitgesproken. 2
1
Bij de provincie moet worden opgemerkt dat het nog om een conceptzienswijze gaat, omdat provinciale staten pas begin december
beslissen 2
Bij de provincie moet worden opgemerkt dat het nog om een conceptzienswijze gaat, omdat provinciale staten pas begin december
beslissen. Reactienota op zienswijze raden/AH/BZ/Reactienota 20112023
1/6
In deze reactienota leggen wij u de uitkomsten voor. Wij kiezen daarbij wederom voor uniforme voorstellen voor alle gemeenschappelijke regelingen, dat was immers het uitgangspunt van het traject dat doorlopen is. Uiteindelijk kan natuurlijk besloten worden om voor bepaalde gemeenschappelijke regelingen hiervan af te wijken, maar vanuit het principe van comply or explain moet dit dan wel nadrukkelijk worden toegelicht. Voor gemeenteraden, provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap is het immers overzichtelijker wanneer zij voor alle gemeenschappelijke regelingen waarin hun colleges/dagelijkse besturen participeren (grotendeels) dezelfde instrumenten hebben. 2.
Zienswijzen 25 gemeenteraden hebben zich uitgesproken voor het overnemen van het voorstel zoals voorbereid door de raadsledenwerkgroep Noord-Limburg en uitgewerkt in de legal opinion. 6 gemeenteraden, provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap hebben géén vergelijkbare zienswijze aangenomen. Gelet op deze overgrote meerderheid wordt voorgesteld om het voorstel van de raadsledenwerkgroep, zoals uitgewerkt in de legal opinion, over te nemen in alle gemeenschappelijke regelingen. Deze bepaling luidt voor gemeenschappelijke regelingen met vijf of minder deelnemers: 2. Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste twee gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte. 3. Indien het tweede lid wordt toegepast, dan hebben de raden twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven is stelt het dagelijks bestuur de raden en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Voor gemeenschappelijke regelingen met zes of meer deelnemers komt de tekst te luiden:
2. Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoekt. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte. 3. Indien het tweede wordt toegepast, dan hebben de raden twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven is stelt het dagelijks bestuur de raden en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Dit sluit ook aan bij de toezegging op verzoek van de gemeentesecretarissen uit het gezamenlijke traject om dit te verwerken. Zie ons eerder toegezonden memo d.d. 12 juni 2023. Legal opinion op zienswijze raden/AH/BZ/Reactienota 20112023
2/6
Bij de Regionale uitvoeringsdiensten zal vanzelfsprekend ook provinciale staten dit recht krijgen (lid 2) als ware zij een van de gemeenteraden, zoals bij BsGW en het Gegevenshuis het algemeen bestuur van het Waterschap Limburg deze rechten krijgt. Bij Geul en Maas wordt dit zo verwerkt dat overal waar algemeen bestuur of dagelijks bestuur staat in die gemeenschappelijke regeling “gemeenschappelijk orgaan” komt te staan. 3.
Inspraak / Burgerparticipatie 25 gemeenteraden hebben zich uitgesproken voor het overnemen van het voorstel zoals voorbereid door de raadsledenwerkgroep Noord-Limburg en uitgewerkt in de legal opinion. 6 gemeenteraden, provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap hebben géén vergelijkbare zienswijze aangenomen. Gelet op deze overgrote meerderheid wordt voorgesteld het voorstel van de raadsledenwerkgroep, zoals uitgewerkt in de legal opinion, over te nemen in alle gemeenschappelijke regelingen. Deze bepaling luidt voor de gemeenschappelijke regelingen tot en met vijf deelnemers: 2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. 3. Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste twee gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken. 4. Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.
Voor gemeenschappelijke regelingen met zes of meer deelnemers komt de tekst te luiden: 2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. 3. Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken. 4. Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.
Bij de Regionale uitvoeringsdiensten zal vanzelfsprekend ook provinciale staten dit recht (lid 3) krijgen als ware zij een van de gemeenteraden, zoals bij BsGW en het Gegevenshuis het algemeen bestuur van het Waterschap Limburg deze rechten krijgt. Bij Geul en Maas wordt dit zo verwerkt dat overal waar algemeen bestuur of dagelijks bestuur staat in die gemeenschappelijke regeling “gemeenschappelijk orgaan” komt te staan. Legal opinion op zienswijze raden/AH/BZ/Reactienota 20112023
3/6
4.
Evaluatie Bij de evaluatie is het beeld wat anders. 17 gemeenteraden hebben zich uitgesproken voor het overnemen van het voorstel zoals voorbereid door de raadsledenwerkgroep Noord-Limburg en uitgewerkt in de legal opinion. Dat komt er op neer dat 2 deelnemers kunnen vragen om een evaluatie, waarna het dagelijks bestuur een onderzoeksvoorstel moet doen. 8 gemeenteraden, provinciale staten en het algemeen bestuur van het waterschap hebben zich uitgesproken voor het oorspronkelijke voorstel, waarbij het algemeen bestuur in meerderheid beslist of een evaluatie moet plaatsvinden, waarna het dagelijks bestuur een onderzoeksvoorstel doet. Eén gemeenteraad heeft zich uitgesproken voor een evaluatie wanneer 1/4 van de deelnemers hierom vraagt, maar in elk geval eens in de zes jaren. 6 gemeenteraden hebben zich uitgesproken voor een periodieke evaluatie eens per 5 jaar. Hoewel de meerderheid gering is, stellen wij toch voor het voorstel van de raadsledenwerkgroep Noord-Limburg, zoals uitgewerkt in de legal opinion, op te nemen in alle gemeenschappelijke regelingen met maximaal 14 deelnemers (de “kleinere” gemeenschappelijke regelingen). Dit voorstel luidt: De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien twee deelnemers hierom verzoeken. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen.
Bij Geul en Maas wordt dit zo verwerkt dat overal waar dagelijks bestuur staat in die gemeenschappelijke regeling “gemeenschappelijk orgaan” komt te staan. Voor de grotere gemeenschappelijke regelingen (met 15 of meer deelnemers) werkt een dergelijke bepaling naar ons oordeel niet. Dat zou ertoe leiden dat een dergelijke gemeenschappelijke regeling constant onderworpen kan worden aan evaluaties, bijvoorbeeld wanneer twee gemeenten het niet eens zijn met een door de overgrote meerderheid gekozen route. Om die reden wordt voor Omnibuzz, de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschap Limburg (BsGW), de Veiligheidsregio en Gemeentelijke Gezondheidsdienst Limburg-Noord, de Veiligheidsregio Zuid-Limburg, de GGD Zuid-Limburg, de Regionale uitvoeringsdienst Limburg-Noord en de Regionale uitvoeringsdienst Zuid-Limburg voorgesteld om te kiezen voor het alternatief waarbij ééns in de vijf jaar verplicht wordt geëvalueerd. Het voorstel voor de gemeenschappelijke regelingen luidt: De werking van de regeling zal om de vijf jaar geëvalueerd worden, voor het eerst in [datum invullen]. Het dagelijks bestuur zal daartoe een onderzoeksvoorstel en de daarmee gepaard gaande financiële consequenties aan de deelnemers voorleggen.
Daarbij zal een rooster worden ontwikkeld waarbij ieder jaar per regio één gemeenschappelijke regeling wordt geëvalueerd. Dit om te voorkomen dat met name de deelnemers overspoeld worden met evaluaties in één bepaald jaar. Wel kan het zo zijn dat bijvoorbeeld beide Legal opinion op zienswijze raden/AH/BZ/Reactienota 20112023
4/6
Regionale uitvoeringsdiensten gelijktijdig worden geëvalueerd, zodat kan worden samengewerkt. Dat kan ook gelden voor de veiligheidsregio’s dan wel de gemeentelijke gezondheidsdiensten, maar omdat in Limburg-Noord beide in één gemeenschappelijke regeling zitten, zal dan gekozen moeten worden of wordt aangesloten bij de Veiligheidsregio ZuidLimburg of juist bij de GGD Zuid-Limburg. 5.
Begrotingsprocedure Sommige gemeenteraden hebben ook nog een zienswijze aangenomen omtrent de begrotingscyclus en de jaarlijkse kadernota. In ons memo d.d. 12 juni 2023 was naar aanleiding van het overleg met de gemeentesecretarissen reeds toegezegd dat in de gemeenschappelijke regelingen wordt verwerkt dat de ontwerpbegroting voor 30 april aan de gemeenteraden (provinciale staten resp. algemeen bestuur waterschap) moet worden verzonden. Dat zal in de gemeenschappelijke regelingen verwerkt worden. Zoals in de legal opinion is opgenomen kunnen hieromtrent dan nog nadere werkafspraken worden gemaakt.
6.
Vervolgproces Het vervolgproces is opgenomen in het onderstaande schema: Voor de overzichtelijkheid spreken wij in dit schema enkel van de colleges van B&W en de gemeenteraden. Uiteraard dienen daaronder ook Provinciale Staten en het AB van het Waterschap te worden begrepen Tijdlijn
Procedurestap
Tot 15 december 2023
Inventarisatie opbrengst zienswijzen bij colleges, juristen, DB's en AB's van de gemeenschappelijke regelingen
Medio december 2023 – medio januari 204
Aanpassing van de gemeenschappelijke regelingen op basis van de ingediende zienswijzen
Medio januari 2024
Aangepaste regelingen worden door de gemeenschappelijke regelingen voor toestemming naar de colleges en accounthouders verzonden
Februari – mei 2024
De raden hebben de tijd om toestemming te geven tot het wijzigen van de gemeenschappelijke regelingen
Juni 2024
De collegebesluiten over de aangepaste gemeenschappelijke regelingen worden vastgesteld
Legal opinion op zienswijze raden/AH/BZ/Reactienota 20112023
5/6
1 juli 2024
Legal opinion op zienswijze raden/AH/BZ/Reactienota 20112023
De wijzigingen treden in werking
6/6
Wijziging van de GR van:
Gemeente Beek Gemeente Beekdaelen Gemeente Beesel Gemeente Bergen Gemeente Brunssum Gemeente Echt-Susteren Gemeente Eijsden-Margraten Gemeente Gennep Gemeente Gulpen-Wittem Gemeente Heerlen Gemeente Horst aan de Maas Gemeente Kerkrade Gemeente Landgraaf Gemeente Leudal Gemeente Maasgouw Gemeente Maastricht Gemeente Meerssen Gemeente Mook en Middelaar Gemeente Nederweert Gemeente Peel en Maas Gemeente Roerdalen Gemeente Roermond Gemeente Simpelveld Gemeente Sittard-Geleen Gemeente Stein Gemeente Vaals Gemeente Valkenburg aan den Geul Gemeente Venlo Gemeente Venray Gemeente Voerendaal Gemeente Weert Provincie Limburg Waterschap Limburg Wijziging bij:
Veiligheidsregio Zuid-Limburg BsGW x x x x x x x x x x x x x x x x x x
x x
x x x x x
x
x x x x x x x x x x x x x x x x x x x
Omnibuzz x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x
RUD Zuid-Limburg x x
GGD Zuid-Limburg Rd4 x x x
Het Gegevenshuis WSP Parkstad
WOZL
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
x x
x x
x x
x
x x
x x
x x
x x
x x
x
x
x x
x x
x x x x x
x x x x x
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
x
x
2/3e (art. 33)
2/3e (art.
x x 2/3e (art. 12.3)
2/3e 3/4e (art. (art. 28) 23)
x unaniem (art. 35)
3/4e (waarbij minimaal 2/3e
2/3e (art.
2/3e van A + B (art. 31)
Kleurlegenda zienswijze: Voorstellen BZC Voorstellen Noord-Limburg /Griffies + tekstvoorstellen BZC Voorstellen Noord-Limburg + tekstvoorstellenBZC + evaluatie bij 1/4 deelnemers, maar in ieder geval 1x per 6 jaar Voorstellen Noord-Limburg + tekstvoorstellen BZC met evaluatie om de vijf jaar Toestemming verleend Voorstellen Noord-Limburg + Tekstvoorstellen BZC + evaluatie: gelijke regeling als bij participatie (1/5e van de deelnemers / 2 deelnemers) Voorstellen BZC + begroting 30 april Voorstellen Noord-Limburg/Griffies + tekstvoorstellen BZC --> uittreedkosten over termijn van 2 jaar
Reactienota BsGW
Aan
Colleges van burgemeester en wethouders van de Limburgse gemeenten en het dagelijks bestuur van het waterschap Limburg
Betreft
1.
Reactienota zienswijzen, specifiek voor BsGW
Aanvullende nota op algemene reactienota Dit memo bevat een aanvullende reactie op de zienswijzen die door enkele gemeenten specifiek zijn ingediend en waarop de reactienota van 22 november 2023 niet ziet. Die reactienota ziet op de onderwerpen zienswijzen, inspraak, evaluatie en aanlevertermijnen begroting en komen thans aldus niet aan bod.
2.
Aanvullende zienswijzen De aanvullende zienswijzen hebben betrekking op de volgende onderwerpen: (1) Verankering werkafspraken en termijnen voor aanleveren kadernota; (2) Inzet raadsadviescommissie; (3) Uitwerking actieve informatieplicht; (4) Verankering delegatie / mandaat. 2.1
Verankering werkafspraken en termijnen voor aanleveren kadernota
In de eerste plaats is in de zienswijzen – conform het voorstel zoals dat was voorbereid door de raadsledenwerkgroep Noord-Limburg – voorgesteld om bij de wijziging van de GR uitvoering te geven aan een aantal werkafspraken die betrekking hebben op de planning voor het aanleveren van financiële stukken. Zoals ook volgde uit de legal opinion van Boels Zanders / Cooperación van 9 september 2023, nemen de gemeenschappelijke regelingen dit verzoek tot het maken van werkafspraken over. Dit betekent concreet dat deze voorstellen – met uitzondering van de termijn voor het toezenden van de ontwerpbegroting – niet in de regelingen worden verwerkt, maar dat er over deze onderwerpen wel maatwerkafspraken kunnen worden gemaakt. Mocht het overigens zo zijn dat een voorgestelde termijn niet past, dan treden de gemeenschappelijke regelingen daarover tijdig in overleg.
Reactienota op zienswijze raden/AH/BZ/3. Reactienota BsGW
1/3
Overigens was door vier1 gemeenteraden nog voorgesteld om de datum voor het aanbieden van de kadernota ook expliciet in de regeling te verankeren. Nu de gevraagde termijnen een aanpassing van onze huidige werkwijze vergen, past het model van "werkafspraken", zoals door de overgrote meerderheid van de gemeenteraden wordt verzocht, beter. 2.2.
Inzet raadsadviescommissie
Twee gemeenteraden (Beesel, Peel en Maas) hebben verzocht om een adviserende rol in te nemen over de mogelijkheid tot het instellen en inzetten van een regionale raadsadviescommissie. De gemeenschappelijke regelingen geven daarover mee dat het in de eerste plaats de bevoegdheid van de raden zelf is om een raadsadviescommissie in te stellen. De griffies zouden daarin eventueel een adviserende rol kunnen vervullen. Via het overleg met de accounthouders kan hier daarna een verder gevolg aan worden gegeven. Overigens heeft de gemeenteraad van Beesel nog verzocht om in de regeling op te nemen hoe een adviescommissie kan worden ingesteld. Uit artikel 24a van de Wet gemeenschappelijke regelingen volgt echter al expliciet op welke wijze de raadsadviescommissie kan worden vormgegeven en ingesteld. Een aparte regeling in de gemeenschappelijke regeling is daarom niet nodig. Wel kunnen de door Beesel gestelde vragen desgewenst besproken worden in het overleg met de accounthouders. 2.3
Uitwerking van de actieve informatieplicht
Eén gemeenteraad (Peel en Maas) heeft verzocht om de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de actieve informatieplicht nader uit te werken. De actieve informatieplicht geldt voor alle besluiten en alle andere aangelegenheden binnen de gemeenschappelijke regeling. De gemeenteraden zullen daarover op de gebruikelijke wijze geïnformeerd worden, dat wil zeggen door toezending van de jaarstukken en ontwerpbegroting. Over ontwikkelingen die door het jaar heen spelen, zal ad hoc de meest passende wijze van informatieverstrekking worden bepaald. 2.4
Verankering delegatie/mandaat
De gemeenteraad van Beesel heeft verder nog als zienswijze meegegeven dat zij graag duidelijk in de regeling opgenomen wenst te zien of het een regeling betreft op basis van mandaat of delegatie. De vraag of dit een regeling betreft op basis van mandaat of delegatie heeft geen betrekking op de thans voorliggende wijzigingsvoorstellen en heeft daar ook geen invloed op. De wijze waarop taken bij een gemeenschappelijke regeling zijn belegd (delegatie of mandaat) wijzigt namelijk niets aan de thans voorliggende instrumenten om de raad beter in
1
Bergen, Venlo, Mook en Middelaar en Brunssum
3. Reactienota BsGW
2/3
positie te brengen (informatieplichten, evaluatie, inspraak en zienswijzemogelijkheden). Vanwege de voortgang van het proces is er daarom voor gekozen om deze zienswijze niet in de regelingen te verwerken. Uiteraard zijn wij wel bereid om de door uw raad gestelde vraag verder door te spreken in het accounthoudersoverleg en om hier – bij een volgende wijziging van de regeling – aandacht voor te hebben. ***
3. Reactienota BsGW
3/3
Gemeenschappelijke Regeling BsGW Het dagelijks bestuur van het waterschap Limburg en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beek, Beekdaelen, Beesel, Bergen, Brunssum, EchtSusteren, Eijsden-Margraten, Gennep, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Leudal, Maasgouw, Maastricht, Meerssen, Mook en Middelaar, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg, Venlo, Voerendaal, Weert; Overwegende dat:
het uit overwegingen van kwaliteit, continuïteit en efficiency gewenst is om hun samenwerking bij de beleidsvoorbereiding, heffing en invordering, behandelen van bezwaar en beroep van waterschapbelastingen en gemeentelijke belastingen, alsmede de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken vorm te geven op basis van een gemeenschappelijke regeling;
dat de grondslag van de gemeenschappelijke regeling is gebaseerd op hoofdstuk V, Regelingen tussen gemeenten en waterschappen, artikel 61 en volgende van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
het dagelijks bestuur van het waterschap en het college van burgemeester en wethouders van hun algemeen bestuur, respectievelijk gemeenteraad daartoe de vereiste toestemming heeft verkregen;
dat het gezien de samenvoeging van de waterschappen, opgedane ervaringen en adviezen, leesbaarheid en wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen wenselijk is de bestaande regeling aan te passen en te verduidelijken;
gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Waterschapswet, de Waterwet, de Gemeentewet en de Wet waardering onroerende zaken; besluiten: vast te stellen de derde wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen met ingang van 1 juli 2024, waardoor deze als volgt komt te luiden:de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen te wijzigen, met ingang van de dag na bekendmaking, waardoor deze als volgt komt te luiden:
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
1
Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1: Begripsbepalingen In deze Gemeenschappelijke Regeling wordt verstaan onder: a. regeling: Gemeenschappelijke Regeling “Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen”; b. deelnemer: een aan deze regeling deelnemend college van burgemeester en wethouders dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap Limburg; c. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg; d. belastingen: de belastingen en rechten genoemd in hoofdstuk XV van de Gemeentewet dan wel belastingen die overeenkomstig artikel 219, eerste lid van de Gemeentewet krachtens een andere wet worden geheven en de belastingen genoemd in hoofdstuk XVI, XVII en XVIIb van de Waterschapswet dan wel belastingen of rechten die overeenkomstig artikel 113 van de Waterschapswet krachtens een andere wet worden geheven; e. wet: Wet gemeenschappelijke regelingen; f. combibiljet: de onroerende zaakbelasting, beschikking ex artikel 17 Wet Waardering onroerende zaken, rioolheffing, afvalstoffenheffing, hondenbelasting en waterschapheffingen verenigd op één aanslagbiljet; g.
uitvoeringsregels: de navolgende uniforme regels die samenhangen met het combibiljet: - aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie - toekennen van ambtshalve vermindering - horen van een belastingplichtige in de bezwaarfase - toepassing automatische incasso - verlenen van uitstel bij bezwaarschriften - toepassing van de bestuurlijke boete - toepassing proceskosten bestuursrecht - aangifte, voorlopige aanslag en de toepassing van invorderingsrente - leidraad invordering h. gemeenten in Noord-Limburg: Beesel, Bergen, Gennep, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo; i. gemeenten in Midden-Limburg: Echt-Susteren, Leudal, Nederweert, Maasgouw, Roerdalen, Roermond, Weert; j. gemeenten in Zuid-Limburg: Beek, Beekdaelen, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Voerendaal; k. grote gemeente: gemeente met een inwonertal van meer dan 70.000; l. middelgrote gemeente: gemeente met een inwonertal tussen 25.000 en 70.000; m. kleine gemeente: gemeente met een inwonertal minder dan 25.000; n. BsGW: het openbaar lichaam Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
2
Hoofdstuk II Het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam Artikel 2: Openbaar lichaam 1. 2. 3.
Er is een openbaar lichaam in de zin van artikel 8, eerste lid van de wet genaamd “Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen”. De BsGW is gevestigd in Roermond. Het rechtsgebied waarvoor deze regeling geldt omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten evenals het beheergebied van het waterschap.
Artikel 3: Bestuursorganen Het bestuur van de BsGW bestaat in ieder geval uit: a. het algemeen bestuur; b. het dagelijks bestuur; c. de voorzitter.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
3
Hoofdstuk III Te behartigen belangen, taken en bevoegdheden Artikel 4 Te behartigen belangen 1.
De regeling wordt getroffen in het belang van de deelnemers voor het: a. heffen en invorderen van belastingen; b. afhandelen van bezwaar- en beroepschriften inzake belastingen; c. uitvoeren van de Wet waardering onroerende zaken.
2.
Het dagelijks bestuur adviseert de deelnemers omtrent de belastingen waarvan de heffing en invordering krachtens deze regeling is opgedragen aan de BsGW.
Artikel 5 Overdracht en mandaat bevoegdheden. 1. Aan het dagelijks bestuur wordt overgedragen de bevoegdheid tot: a. de aanwijzing van een of meer ambtenaren van de BsGW als heffingsambtenaar, als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder a van de Gemeentewet en artikel 124, vijfde lid, onder a van de Waterschapswet, bevoegd tot het heffen van belastingen en de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; b de aanwijzing van een of meer ambtenaren van de BsGW als invorderingsambtenaar, als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder b van de Gemeentewet en artikel 124, vijfde lid onder b van de Waterschapswet, bevoegd tot het invorderen van belastingen; c. de aanwijzing van een of meer ambtenaren van de BsGW of een gerechtsdeurwaarder als belastingdeurwaarder, als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder d van de Gemeentewet en artikel 124, vijfde lid, onder d van de Waterschapswet; d. de aanwijzing van een of meer ambtenaren van de BsGW als ambtenaar van de BsGW als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder c van de Gemeentewet en artikel 124, vijfde lid, onder c van de Waterschapswet, bevoegd tot het heffen en invorderen van belastingen en de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; e. het beslissen op administratieve beroepen tegen afgewezen verzoeken om kwijtschelding; f. het vaststellen van uitvoeringsregels samenhangend met het combibiljet. 2.
Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de: a. onroerende zaak belasting als bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet; b. hondenbelasting als bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet; c. afvalstoffenheffing als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer; d. rioolheffing als bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet; e. watersysteemheffing als bedoeld in artikel 117 van de Waterschapswet;
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
4
f. g. h. 3.
zuiveringsheffing als bedoeld in artikel 122d van de Waterschapswet; verontreinigingsheffing als bedoeld in artikel 7.2 van de Waterwet; uitvoering van de wet WOZ.
Ten aanzien van de in het tweede lid genoemde belastingen wordt aan het dagelijks bestuur mandaat verleend tot: a. het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 255, vijfde lid, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 144, vijfde lid, van de Waterschapswet; b. toepassing geven aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; c. het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van een bij beschikking opgelegde boete als bedoeld in artikel 66 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 6 Aanvullende overdracht en mandaat bevoegdheden De bevoegdheden als bedoeld in artikel 5, eerste en derde lid kunnen ter zake van andere belastingen dan genoemd in artikel 5, tweede lid aan het dagelijks bestuur worden overgedragen dan wel gemandateerd. Deze overdracht en mandatering behoeft de goedkeuring van het algemeen bestuur.
Artikel 7 Dienstverleningsovereenkomst 1.
Ter uitvoering van de in artikel 4 opgenomen belangen worden meerjarige dienstverleningsovereenkomsten aangegaan tussen het dagelijks bestuur en elk van de deelnemers.
2.
De dienstverleningsovereenkomsten dienen ten minste te bevatten: a. te leveren producten en diensten; b. uit te voeren processen; c. kwaliteit van producten en diensten; d. verantwoording door BsGW; e. afdracht van inkomsten; f. relaties/gegevensuitwisseling; g. relatiebeheer; h. accountantsverklaring; i. toetreding en investeringsfee.
Artikel 7a Inspraak Ingezetenen van de provincie Limburg en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemers onderscheidenlijk het dagelijks Gemeenschappelijke Regeling BsGW
5
bestuur en het algemeen bestuur van het waterschap betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
Hoofdstuk IV Het algemeen bestuur Artikel 8 Omvang, samenstelling en beëindiging lidmaatschap 1.
Aan het hoofd van de BsGW staat het algemeen bestuur, bestaande uit zoveel leden als er deelnemers zijn.
2.
Het college van iedere deelnemende gemeente en het dagelijks bestuur van het waterschap wijst uit zijn midden één lid aan als lid van het algemeen bestuur. Gelijktijdig wordt/worden een of meer vaste plaatsvervanger(s) aangewezen. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur geschiedt voor dezelfde periode als waarvoor het college dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap is benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering of uiterlijk binnen zes weken na de eerste vergadering van de nieuwe zittingsperiode van het college of het dagelijks bestuur van het waterschap.
3.
Bij tussentijdse toetreding vindt aanwijzing van het lid met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid plaats gelijktijdig met het besluit tot toetreding.
4
Het lidmaatschap eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid van het college of het dagelijks bestuur van het waterschap te zijn.
5.
Indien tussentijds een vacature ontstaat wijst het college dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap ten spoedigste een nieuw lid aan.
6.
Een lid kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mede aan de voorzitter en aan het bestuursorgaan dat hem heeft aangewezen. Het lidmaatschap duurt voort tot het moment waarop in de opvolging is voorzien.
Artikel 9 Werkwijze 1.
Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en verder zo vaak als de voorzitter of het dagelijks bestuur dat nodig oordeelt of wanneer tenminste twee leden dit onder opgave van redenen schriftelijk verzoeken.
2.
De vergaderingen zijn openbaar.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
6
3.
De deuren worden gesloten wanneer de voorzitter het nodig oordeelt of tenminste een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt.
4.
Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.
5.
Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.
Artikel 10 Stemverhouding 1.
Er wordt voorzien in meervoudig stemrecht.
2.
Het stemrecht van een lid wordt gebaseerd op het aandeel in de kosten van de BsGW van de deelnemer die dat lid vertegenwoordigt, zoals dat voortvloeit uit de actuele begroting.
Artikel 11 Besluitvorming 1.
Besluiten worden op basis van gewone meerderheid van stemmen genomen.
2.
Besluiten kunnen alleen worden genomen in een vergadering waarin meer dan de helft van het aantal leden is opgekomen, welke leden tenminste tweederde van de stemmen vertegenwoordigen.
3.
Indien niet meer dan de helft van het aantal leden is opgekomen welke leden tenminste tweederde van de stemmen in een vergadering vertegenwoordigen, roept de voorzitter een nieuwe vergadering bijeen onder opgave van de te behandelen onderwerpen. In die vergadering kunnen met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid besluiten worden genomen, ongeacht of aan het bepaalde in het tweede lid is voldaan.
4.
Bij het stemmen over personen zijn de artikelen 29 tot en met 31 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12 De taak en de bevoegdheden 1.
Tot de taak en de bevoegdheden van het algemeen bestuur behoren: a. het vaststellen en wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de kostenverdelingssystematiek; c. het vaststellen van de bijdragen van de deelnemers in de kosten van de BsGW; d. het vaststellen van de jaarrekening; e. het vaststellen van verordeningen die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van de BsGW ;
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
7
f. g. h. i. j. k.
het vaststellen van een treasury-statuut; het vaststellen van de winstbestemming/verliesdekking; het vaststellen van de voorwaarden voor toetreding; het opleggen van de vergoeding voor uittreding; het doen van voorstellen aan de deelnemers tot toetreding en uittreding van (andere) deelnemers; oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.
2.
Een besluit over het in het vorige lid, aanhef en onder k genoemde onderwerp wordt niet genomen dan nadat de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap een ontwerpbesluit is toegezonden en zij in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen naar voren te brengen.
3.
Het algemeen bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen op het concept bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen.Het algemeen bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op het concept hun zienswijzen ter kennis van het dagelijks bestuur te brengen.
Artikel 13: Informatie- en verantwoordingsplicht 1.
Een lid van het algemeen bestuur verstrekt het college van burgemeester en wethouders dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap dat hem heeft aangewezen en de raad van de gemeente dan wel het algemeen bestuur van het waterschap alle inlichtingen die worden gevraagd.
2.
Een lid van het algemeen bestuur kan door het college van burgemeester en wethouders dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap dat hem heeft aangewezen en door de raad van de gemeente dan wel het algemeen bestuur van het waterschap te allen tijde ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.
3.
Een lid van het algemeen bestuur dat niet langer het vertrouwen geniet van het college van burgemeester en wethouders dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap dat hem heeft aangewezen, kan door het college van burgemeester en wethouders dan
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
8
wel het dagelijks bestuur van het waterschap worden ontslagen. In dat geval draagt het college van burgemeester en wethouders dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap er zorg voor dat zo spoedig mogelijk een nieuw lid wordt aangewezen. 4.
Het algemeen bestuur verstrekt de raden van de gemeenten dan wel het algemeen bestuur van het waterschap alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden dan wel dat bestuur worden gevraagd.
5.
Het algemeen bestuur geeft de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap schriftelijk alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
9
Hoofdstuk V Het dagelijks bestuur Artikel 14 Omvang, samenstelling en beëindiging lidmaatschap 1.
Het dagelijks bestuur bestaat minimaal uit drie en maximaal uit zeven personen uit het algemeen bestuur waaronder het lid van het algemeen bestuur dat is aangewezen door het dagelijks bestuur van het waterschap. Voor de overige personen geldt dat zij door en uit het algemeen bestuur op de volgende wijze worden aangewezen: - één lid van en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de grote gemeenten in Noord- en Midden Limburg; - één lid van en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de grote gemeenten in Zuid-Limburg; - één lid van en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de middelgrote gemeenten in Noord- en Midden-Limburg; - één lid van en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de middelgrote gemeenten in Zuid-Limburg; - één lid van en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de kleine gemeenten in Noord- en Midden-Limburg: - een lid van en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de kleine gemeenten in Zuid-Limburg..
2.
De leden treden af met ingang van de dag waarop zij aftreden uit het algemeen bestuur. Een lid kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid niet langer het vertrouwen geniet van het algemeen bestuur.
3.
Tussentijds verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur brengt terstond verlies van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur met zich mee.
4.
Een lid kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan het algemeen bestuur en aan het college van burgemeester en wethouders dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap dat hem heeft aangewezen. Het lid houdt zitting in het dagelijks bestuur totdat in de opvolging is voorzien.
Artikel 15 Werkwijze 1.
Het dagelijks bestuur vergadert zo vaak als de voorzitter dit nodig oordeelt of één van de leden van het dagelijks bestuur daarom verzoekt.
2.
Ieder lid van het dagelijks bestuur heeft een stem.
3.
Besluiten worden op basis van gewone meerderheid van stemmen genomen.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
10
Artikel 16 De taak en de bevoegdheden Tot de taak en de bevoegdheden van het dagelijks bestuur behoren: a. het voeren van het dagelijks bestuur van de BsGW voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur hiermee is belast; b. beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden of uit te voeren; c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de BsGW; d. personeelambtenaren te benoemen, te schorsen of te ontslaan; e. het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de BsGW, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 64a van de wet; f. het namens de BsGW, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur besluiten tot het voeren van rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist; g. het nemen van conservatoire maatregelen en alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit; h. het afkondigen van de besluiten, waarvan de afkondiging bij de wet of bij besluit van het algemeen bestuur is voorgeschreven; i. het beheren van de inkomsten en uitgaven van de BsGW; j. het toezicht op het beheer en het onderhoud van alle werken en eigendommen van de BsGW; k.
het vaststellen van de plannen en voorwaarden van aanbesteding of uitvoering van de werken, leveringen en diensten ten behoeve van de regeling, waarvan de vaststelling het algemeen bestuur niet aan zich heeft voorbehouden; l. het aangaan van dienstverleningsovereenkomsten; m. het aangaan van samenwerkingsverbanden met andere rechtspersonen die taken uitoefenen op het gebied van belastingen; n. houden van toezicht op al hetgeen de regeling aangaat; o. het aangaan van geldleningen en rekening-courantovereenkomsten; p. het uitlenen van gelden.; q. benoeming, schorsing en ontslag van personeel werkzaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
Artikel 17 Informatie en verantwoordingsplicht 1.
Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden geven het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
2.
Het dagelijks bestuur is aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
11
3.
Het reglement van orde van het algemeen bestuur houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop de leden van het dagelijks bestuur de hier bedoelde inlichtingen verstrekken en verantwoording afleggen.
4.
Het dagelijks bestuur biedt het algemeen bestuur jaarlijks gelijktijdig met de jaarrekening ter vaststelling een verslag aan over de werkzaamheden van de BsGW over het afgelopen jaar.
5.
Het dagelijks bestuur zendt het verslag na de vaststelling door het algemeen bestuur toe aan het college van de deelnemende gemeente, het dagelijks bestuur van het waterschap en aan Gedeputeerde Staten.
6.
Het dagelijks bestuur verstrekt de raden van de gemeenten dan wel het algemeen bestuur van het waterschap alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden dan wel dat bestuur worden gevraagd.
7.
Het dagelijks bestuur geeft de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap schriftelijk alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
12
Hoofdstuk VI De voorzitter Artikel 18 Voorzitterschap 1.
Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter respectievelijk vice-voorzitter van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aan. Het dagelijks bestuur zal hiervoor een voorstel doen aan het algemeen bestuur.
2.
De (vice-)voorzitter treedt af op de dag waarop de deelnemer heeft voorzien in de vacature van lid van het algemeen bestuur én een nieuw dagelijks bestuur is gevormd.
3.
De voorzitter verstrekt de raden van de gemeenten dan wel het algemeen bestuur van het waterschap alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden dan wel dat bestuur worden gevraagd.
Artikel 19 De taak en de bevoegdheden 1.
De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en draagt ervoor zorg dat de besluiten naar behoren worden uitgevoerd.
2.
De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan.
3.
De voorzitter vertegenwoordigt de BsGW in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging schriftelijk aan een door hem aan te wijzen persoon opdragen.
4.
Indien de voorzitter behoort tot het college van een deelnemende gemeente of het dagelijks bestuur van het waterschap dat partij is bij een geding waarbij de BsGW is betrokken, oefent de vice-voorzitter met betrekking tot dat geding de in het derde lid genoemde bevoegdheid uit.
Artikel 19a Informatieplicht 1.
De voorzitter verstrekt de raden van de gemeenten dan wel het algemeen bestuur van het waterschap alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden dan wel dat bestuur worden gevraagd.
2.
De voorzitter geeft de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap schriftelijk alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
13
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
14
Hoofdstuk VII De directeur Artikel 20 De directeur 1.
De BsGW heeft een ambtelijk apparaat, aan het hoofd waarvan een directeur staat.
2.
Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur.
3.
De directeur staat tevens, als secretaris, de bestuursorganen van de BsGW bij in de vervulling van hun taak. De directeur is aanwezig in de vergadering van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.
4
Alle uitgaande stukken van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur worden door de directeur mede ondertekend.
5.
Het bepaalde in het derde en vierde lid is van overeenkomstige toepassing op degene die de directeur vervangt.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
15
Hoofdstuk VIII Financiën Artikel 21 Verdeling kosten 1.
De deelnemers dragen de kosten.
2.
De kosten worden verdeeld overeenkomstig de kostenverdelingssystematiek.
Artikel 22:Verdeling risico 1.
De risico’s met betrekking tot de bedrijfsvoering komen voor rekening van de BsGW. De overige risico’s, waaronder de risico’s met betrekking tot de eigen belastingopbrengst, komen voor rekening van de deelnemers.
2.
De deelnemers zullen er steeds voor zorgdragen dat de BsGW te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen tegenover derden te kunnen voldoen.
3.
De deelnemers staan gezamenlijk garant voor de juiste betaling van rente, aflossing, boete en kosten van de door de regeling af te sluiten langlopende leningen, kasgeldleningen en in rekening courant op te nemen gelden naar verhouding van de kostenverdelingssystematiek als bedoeld in artikel 21.
Artikel 23 Begroting 1.
Het dagelijks bestuur zendt vóór de in artikel 67a van de wet genoemde datum 3015 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient de algemene en financiële en beleidsmatige kaders toe aan de radenaad van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap.
2.
Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks vóór 1 maart een ontwerpbegroting met de daarbij behorende toelichting op voor het daarop volgende jaar. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting zo spoedig mogelijk maar tenminste twaalf weken acht weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, toe aan de raden van de gemeenten en aan het algemeen bestuur van het waterschap.
3.
De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven.
4.
De raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
16
5.
Het dagelijks bestuur stelt de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, alsmede over de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
5.6. Het algemeen bestuur stelt de begroting uiterlijk vast op 15 juli vanin het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. Hierbij wordt rekening gehouden met de door de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap uitgebrachte zienswijze. 76.
Nadat de begroting is vastgesteld zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de gemeenten en aan het algemeen bestuur van het waterschap die ter zake bij Gedeputeerde Staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
87.
Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 67, tweede lid, van de wet genoemde datum 15 september1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.
Artikel 24 Begrotingswijziging 1.
Het bepaalde in artikel 23, tweede, vierde, vijfde, zesde lid tweede volzin, zevende en achtste lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
2.
Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op wijzigingen van de begroting, die niet leiden tot een overschrijding van het budget van de BsGW voor zover dit wordt bepaald door de vastgestelde bijdragen van de deelnemers.
Artikel 25 Jaarrekening 1.
Het dagelijks bestuur zendt vóór de in artikel 67a van de wet genoemde datum30 15 april de voorlopige jaarrekening aan de radenad van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap.
2.
Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.
3.
Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 67, vierde lid, van de wet genoemde datum 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap en aan Gedeputeerde Staten.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
17
Artikel 26 Vergoedingen De leden van het bestuur ontvangen vanuit de BsGW geen vergoeding voor hun werkzaamheden noch een tegemoetkoming in de kosten. Artikel 27 Administratie en controle 1.
Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en van het kasbeheer.
2.
Het algemeen bestuur stelt regels vast voor de controle op het financieel beheer en de inrichting van de financiële organisatie. Deze regels dienen te waarborgen dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie worden getoetst.
3.
Het algemeen bestuur wijst een accountant aan als bedoeld in artikel 393, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de controle van de jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het daarbij uitbrengen van een verslag van de bevindingen. Artikel 213, derde, vierde en vijfde lid van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing op de accountantsverklaring en het verslag.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
18
Hoofdstuk IX Duur, wijziging, toetreding, uittreding en opheffing Artikel 28 Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 29 Wijziging De regeling kan worden gewijzigd op voorstel van het algemeen bestuur bij besluiten met tweederde meerderheid van het aantal deelnemers, onverminderd het bepaalde in artikel 61 van de wet. Het college van burgemeester en wethouders dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap gaat niet over tot het wijzigen van de regeling dan na verkregen toestemming van de raad dan wel het algemeen bestuur van het waterschap. Artikel 30 Toetreding 1.
Toetreding tot de regeling vindt plaats bij schriftelijk verzoek van het college dat wenst toe te treden, onverminderd het bepaalde in artikel 61 van de wet.
2.
Toetreding kan slechts plaatsvinden wanneer alle reeds deelnemende colleges en het dagelijks bestuur van het waterschap daarin toestemmen bij eensluidend besluit. De colleges respectievelijk het dagelijks bestuur van het waterschap nemen dit besluit pas na verkregen toestemming van de raad dan wel het algemeen bestuur van het waterschap.
3.
In een besluit als bedoeld in het tweede lid kan toetreding afhankelijk worden gesteld van het voldoen aan bepaalde voorwaarden door het college dat wenst toe te treden.
4.
Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding.
5.
Het college dat wenst toe te treden gaat pas over tot het nemen van dit besluit na verkregen toestemming van de raad.
Artikel 31 Uittreding 1.
Het voornemen tot uittreding wordt bij aangetekende kennisgeving aan de voorzitter van de BsGW meegedeeld.
2.
Een deelnemer kan uittreden mits alle kosten, die direct en indirect samenhangen met de uittreding worden vergoed.
3.
Een deelnemer kan uittreden door een daartoe strekkend besluit. Daarbij wordt een opzegtermijn van twee jaar, ingaande 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
19
4.
Na ontvangst van de in het derde lid vermelde besluit wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke registeraccountant opdracht verleend een plan op te stellen dat ten minste inzicht geeft in alle kosten, die direct en indirect samenhangen met de uittreding. Het plan wordt vastgesteld door het algemeen bestuur en de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend. Artikel 34 is niet van toepassing.
5.
Nadat het plan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de BsGW te voldoen.
6.
De kosten van het in het vierde lid bedoelde plan komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
7.
Het algemeen bestuur kan betreffende de uittreding nadere voorwaarden stellen.
8.
Het beperken van eerder op- en/of overgedragen bevoegdheden wordt met uittreding gelijkgesteld.
9.
Het college van burgemeester en wethouders dan wel het dagelijks bestuur van het waterschap gaat niet over tot uittreding dan na verkregen toestemming van de raad dan wel het algemeen bestuur van het waterschap.
1.
Een deelnemer kan besluiten tot uittreding uit de regeling, onverminderd het bepaalde in artikel 61 van de wet.
2.
collegeEen deelnemer zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van twee jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen.
3.
Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.
4.
Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.
5.
Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
20
Artikel 31a Procedure en inhoud van het uittredingsplan 1. Het in artikel 31, vierde lid, bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer. 2. Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het algemeen bestuur het conceptuittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 3.
Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de voorzitter. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer.
4.
De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel en in artikel 31 in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 5% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
5.
Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
Artikel 32 Opheffing 1.
De gemeenschappelijke regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus één. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden van de deelnemers onderscheidenlijk het algemeen bestuur van het waterschap gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze ter kennis van het college onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap te brengen.De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle deelnemers.
2.
Bij opheffing van de regeling wordt een liquidatieplan opgesteld. Het bepaalde in het vierde, vijfde en zesde lid van artikel 31 en het tweede, derde en vijfde lid van artikel
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
21
31a is van overeenkomstige toepassing. 3.
Opheffing is niet mogelijk gedurende de eerste tien jaar na de datum van inwerkingtreding van de regeling.
43.
Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het liquidatieplan. Zo nodig blijft het dagelijks bestuur ook na het tijdstip van opheffing in functie totdat het liquidatieplan is uitgevoerd.
Artikel 33 Archief 1.
Archivering geschiedt overeenkomstig de ter zake geldende wettelijke regelgeving inclusief de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften.
2.
De Archiefverordening BsGW is van toepassing.
3.
De directeur is belast met de bewaring en het dagelijks beheer van de archiefbescheiden.
4.
Bij opheffing van de regeling worden de archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Roermond.
dagelijks 6. 7. 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van BsGW. 2. De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van BsGW, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 3. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van BsGW, die niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. 4. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de bestuursorganen van BsGW wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van een van de deelnemende gemeenten of het waterschap. 5. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van BsGW, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van de gemeente onderscheidenlijk het waterschap, bedoeld in het vierde lid. 6. De archivaris van de gemeente onderscheidenlijk het waterschap, bedoeld in het vierde lid, brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van BsGW, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Gemeenschappelijke Regeling BsGW
22
7. Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van BsGW.
Artikel 34 Geschillen 1.
Voordat een geschil als bedoeld in artikel 28 van de wet ter beslissing wordt voorgelegd aan Gedeputeerde Staten, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie voor een niet bindend advies.
2.
De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Eén lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en één lid door de deelnemer. Deze leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens zal optreden als voorzitter van de commissie.
3.
Indien het advies van de commissie niet leidt tot een oplossing van het geschil wordt dit voorgelegd aan Gedeputeerde Staten overeenkomstig artikel 28 van de wet.
4.
Van een geschil als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet is sprake als tenminste één van de deelnemers of het algemeen bestuur een zodanige mening is toegedaan.
Artikel 35 InzendingBekendmaking en evaluatie 1.
De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien het algemeen bestuur daartoe besluit. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen.
2.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond draagt zorg voor de toezending van de regeling aan Gedeputeerde Staten als bedoeld in artikel 62a van de wet en maakt de regeling tijdig overeenkomstig artikel 26 van de wet bekend in door kennisgeving van de inhoud daarvan in de Staatscouranthet Gemeenteblad van Roermond.
3.
Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet.
Artikel 36: Inwerkingtreding; citeertitel 1. 2.
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2011. Deze regeling kan worden aangehaald als: “Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen”.
Gemeenschappelijke Regeling BsGW
23
Gemeenschappelijke Regeling BsGW Het dagelijks bestuur van het waterschap Limburg en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beek, Beekdaelen, Beesel, Bergen, Brunssum, EchtSusteren, Eijsden-Margraten, Gennep, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Leudal, Maasgouw, Maastricht, Meerssen, Mook en Middelaar, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg, Venlo, Voerendaal, Weert; Overwegende dat: het uit overwegingen van kwaliteit, continuïteit en efficiency gewenst is om hun samenwerking bij de beleidsvoorbereiding, heffing en invordering, behandelen van bezwaar en beroep van waterschapbelastingen en gemeentelijke belastingen, alsmede de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken vorm te geven op basis van een gemeenschappelijke regeling; dat de grondslag van de gemeenschappelijke regeling is gebaseerd op hoofdstuk V, Regelingen tussen gemeenten en waterschappen, artikel 61 en volgende van de Wet gemeenschappelijke regelingen; het dagelijks bestuur van het waterschap en het college van burgemeester en wethouders van hun algemeen bestuur, respectievelijk gemeenteraad daartoe de vereiste toestemming heeft verkregen; dat het gezien de samenvoeging van de waterschappen, opgedane ervaringen en adviezen, leesbaarheid en wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen wenselijk is de