20210401 Ruimtelijke Onderbouwing Windturbine E-MAX definitief incl bijlagen-DEF.pdf
Tekst van het document
Voor het bedrijfspand Bruce Foods Europe (c) geldt daarbij ook dat het gedeelte wat als kantoorgebouw dient, zich buiten de PR=10-6 contour bevindt.
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
53
Figuur 5.4 Gebouwen binnen PR10-6 contour
Bron: Externe veiligheidsanalyse (bijlage 2, figuur 2.1)
Er bevinden zich dus geen kwetsbare objecten binnen de PR=10-6 contour. De windturbine kan voldoen aan de benodigde eisen tot kwetsbare objecten. Mogelijk toekomstige objecten In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het relevant om ook te kijken welke toekomstige mogelijkheden van bebouwing er zijn die voortkomen uit de mogelijkheden die de geldende beheersverordening biedt. Binnen zowel de maximale ligging van de PR10-5 contour en de PR10-6 contour zijn gronden bestemd voor ‘Bedrijventerrein’ en ‘Natuur’. Bij de bedrijfsbestemming zijn mogelijkheden voor de realisatie van kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten. De aanwezigheid van een windturbine belemmert de ontwikkeling van bedrijven minimaal. Er kunnen geen bedrijfsgebouwen van derden worden gerealiseerd binnen de PR10-5 contour. Deze contour (70 meter) blijft binnen de perceelsgrens van E-MAX, en zorgt dus niet voor een belemmering. Verder kunnen er geen kwetsbare objecten worden gerealiseerd binnen de PR=10-6 contour die maximaal kan liggen op een afstand gelijk aan de tiphoogte (210 meter).
Dit betekent bijvoorbeeld dat naast bekende kwetsbare objecten zoals woningen, ook de volgende objecten van derden niet kunnen worden geplaatst binnen de aangegeven contouren: “gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren: kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object, of complexen waarin meer dan 5 winkels zijn
Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade | 719068 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
54
gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1.000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd”. Gezien de huidige invulling van het terrein qua type gebouwen en de vastgelegde regels in de beheersverordening lijkt plaatsing van de windturbine niet tot excessieve belemmeringen voor de ontwikkelingen van het bedrijventerrein. Bovenstaande aandachtspunten voor de ontwikkeling van panden van derden dienen planologisch te worden vastgelegd. De vier bedrijfspanden binnen de PR10-6 contour worden niet belemmerd in uitbreiding buiten de PR10-6 contour. Bij een uitbreiding binnen de PR10-6 contour geldt dat er per bedrijf niet meer dan 1.500 m2 als kantoor mag dienen. Op het perceel ten noorden van het terrein van E-MAX bevindt zich op dit moment geen bedrijfspand. De vestiging van een bedrijf is ook na de realisatie van de windturbine nog steeds mogelijk. Wel mag het kantoorgedeelte van het bedrijf, in het geval dat ligt binnen de PR10-6 contour, niet groter zijn dan 1.500 m2. Voor bedrijven buiten de PR10-6 contour zijn er geen belemmeringen ten aanzien van externe veiligheid. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk.
Er geldt voor het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht. In de motivering dienen de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst meegenomen te worden. Het groepsrisico is vanuit het Activiteitenbesluit géén beoordelingskader voor windturbines. Op grond van het Activiteitenbesluit hoeft geen verantwoording voor het groepsrisico te worden afgelegd, maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hier wel aandacht aan besteedt. De gevolgen van een ongeval voor een groep zijn wezenlijk anders voor een ongeval met gevaarlijke stoffen dan met een ongeval met een windturbine. Bij een ongeval met gevaarlijke stoffen kunnen slachtoffers vallen verspreid over een groot gebied afhankelijk van de wijze waarop de gevaarlijke stof zich verspreidt in de omgeving. Tevens zijn ook de elementen zelfredzaamheid en hulpverlening wezenlijk anders. Bij een ongeval met een windturbine zullen alleen slachtoffers vallen op de plekken waar eventueel afgebroken onderdelen van een windturbine terecht komen, hetgeen een beperkt gebied is. Om bij een ongeval met een windturbine een groep slachtoffers te krijgen moet er dus een grote personendichtheid zijn ter plaatse waar een onderdeel terecht kan komen.
Indien er geen aanleiding is om een continue grote personendichtheid te verwachten binnen de contouren van een windturbine (PR10-5 / PR10-6), dan valt een beoordeling van het groepsrisico van windturbines altijd positief uit. Voor objecten en gebouwen wordt al getoetst aan de PR-contouren. De PR10-6-contour ligt voor een deel over Park Gravenrode echter is hier geen locatie beschikbaar waar groepen personen verwacht kunnen worden. Er is in de nabije omgeving geen aanleiding om een hoge personendichtheid te verwachten buiten de wegen en gebouwen. Er is geen aanleiding aanwezig om toetsing aan het groepsrisico voor dit project uit te laten voeren.
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
55
Wegen Wegen waar windturbines naast geplaatst worden, kunnen worden ingedeeld in rijkswegen, provinciale wegen en overige (lokale) wegen. Voor rijkswegen die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat zijn beleidsregels voor de plaatsing van windturbines van toepassing. Voor overige wegen, zoals provinciale of gemeentelijke wegen, zijn er geen regels of normen vastgesteld. Binnen de identificatieafstand van de windturbine zijn enkel lokale wegen aanwezig. Gezien de zeer beperkte verkeersintensiteit van deze wegen treden er naar verwachting geen veiligheidsrisico’s op. Buisleidingen en installaties Binnen de identificatieafstand bevinden zich twee aardgastransportbuisleidingen van de Gasunie en tevens de daaraan gekoppelde aardgasontvangststations. Van deze twee aardgasontvangststations is er één ondergronds en één bovengronds in een gebouw. Omdat de installaties goed beschermd zijn (ondergronds en in een gebouw) is aangenomen dat er enkel schade optreedt wanneer de locatie van het aardgasontvangststation geraakt wordt door het zwaartepunt van het bladgewicht. Er is voor beide ontvangststations een trefkansberekening uitgevoerd om te bepalen wat de trefkans is bij de scenario’s bladworp bij nominaal toerental en bladworp bij overtoeren. Ondergronds ontvangststation Als het blad in een zone van 23,3 meter rondom het ontvangststation terecht komt, ontstaat er schade.
De minimale afstand tussen de windturbinelocatie en de trefzone (23,3 meter rondom het ontvangststation) bedraagt 140 meter. De kans dat het blad in het scenario bladworp bij nominaal toerental deze afstand haalt, is minimaal 33,0%. De trefzone behelst een hoek van 19 graden, waardoor de kans dat het blad in deze richting wordt geworpen 5,3% bedraagt. Gecombineerd met een faalkans van 8,4 x 10-4 per jaar resulteert dit in een trefkans van 5,3% x 33,0% x 8,4 x 10-4 = 1,5 x 10-5 per jaar. Dit is ruimschoots lager dan de waarde voor gasontvangststations (2,5 x 10-4 per jaar) die genoemd wordt in het beleid van de Gasunie 43. Bovengronds ontvangststation Dezelfde methodiek zoals hierboven beschreven is toegepast op het bovengrondse ontvangststation. De minimale afstand bedraagt 142 meter (kans = 31,8%) en de hoek waarin het blad geworpen dient te worden bedraagt eveneens 19 graden. Gecombineerd met een faalkans van 8,4 x 10-4 per jaar resulteert dit in een trefkans van 5,3% x 31,8% x 8,4 x 10-4 = 1,4 x 10-5 per jaar. Dit is ruimschoots lager dan de waarde voor gasontvangststations (2,5 x 10-4 per jaar) die genoemd wordt in het beleid van de Gasunie. Buisleidingen Binnen de identificatieafstand van de windturbine bevindt zich een buisleiding van de Gasunie. De afstand tussen het hart van de buisleiding en het hart van de windturbine bedraagt minimaal 167,8 meter.
De werpafstand bij nominaal toerental is voor het referentieturbinetype 172 meter en kan daarmee schade brengen aan de buisleiding. De buisleiding kan dus alleen geraakt worden bij bladworp bij nominaal toerental en bladworp bij overtoeren. Het beleid van Gasunie Transport Services inzake het veilig plaatsen van windturbines bij haar gasinfrastructuur, LAJ 15.0616, versie 8, 31-08-2015.
43
Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade | 719068 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
56
Figuur 5.5 Afstand windturbine tot buisleiding
Bron: Externe veiligheidsanalyse (bijlage 2, figuur 4.3)
Door als eis op te nemen dat de werpafstand bij nominaal toerental niet meer dan 162 meter mag bedragen, kan het risico van het scenario bladworp bij nominaal toerental worden weggenomen. Deze maatregel 44 zorgt ervoor dat er geen (significante) verhoging is van de faalkans van de buisleiding waarmee ook het risico voor de omgeving als gevolg van het falen van de buisleiding niet toeneemt. Wanneer er een definitief windturbinetype is gekozen, kan middels een nieuwe bladworpberekening worden aangetoond of er wordt voldaan aan de eis en of daar eventuele extra mitigerende maatregelen zoals sectormanagement voor nodig zijn. Bladworp bij overtoeren is volgens het beleid van Gasunie voor ondergrondse gasleidingen geen significant risico. Risicovolle inrichtingen Binnen de identificatieafstand bevindt zich één risicovolle inrichting of installatie die bij beschadiging een risico voor de omgeving kan veroorzaken. Dit betekent dat als de windturbine met één van zijn onderdelen op deze risicovolle installatie valt, dat dan door ontploffing van de installatie personen een gevaar kunnen lopen. Om de additionele dominorisico’s die kunnen ontstaan door plaatsing van een windturbine inzichtelijk te maken, is een korte analyse per mogelijk te raken object uitgevoerd. De risicovolle inrichting die binnen de identificatieafstand van de windturbine ligt betreft het terrein van Jindal Films.
De propaaninstallatie (vulpunt) op het 44
Wanneer een specifiek windturbinetype een grotere werpafstand heeft, zou deze d.m.v. sectormanagement verlaagd kunnen worden bij specifieke windrichtingen, waardoor er richting de buisleiding geen werpafstand van meer dan 162 m is.
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
57
terrein van Jindal Films bevindt zich volgens de risicokaart aan de oostzijde van het gebouw. De hele PR10-6 contour van de propaaninstallatie ligt buiten de identificatieafstand van de windturbine, zie Figuur 5.6. Hierdoor kan de propaaninstallatie niet worden getroffen door het scenario bladworp bij overtoeren. De realisatie van de windturbine zorgt niet voor additioneel risico. Figuur 5.6 Ligging PR 10-6 contour Jindal Films en identificatieafstand windturbine
Bron: Externe veiligheidsanalyse (bijlage 2, figuur 5.1)
Conclusie De veiligheidsrisico's zijn onderzocht. Er zijn vanuit externe veiligheid geen belemmeringen voor de ontwikkeling van de windturbine. Er is geen belemmering vanuit leveringszekerheid van de aanwezige gasleiding doordat de werpafstand bij nominaal toerental van de windturbine maximaal 162 meter mag bedragen. Er is vanuit het aspect 'externe veiligheid' sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017. De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden en de bescherming van flora- en faunasoorten. In de wet zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt.
Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade | 719068 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
58
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming is in de Wnb beschreven in ‘Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden’. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de plant- en diersoorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten, zoals de realisatie van windturbines, in en nabij Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten. De Nederlandse Natura 2000-gebieden maken ook onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Als de bouw of het gebruik van de windturbines negatieve effecten heeft op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen (kortweg: IHD’s, zie Kader 5.1) van deze gebieden, is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (kortweg: Wnb) vereist. Ook kunnen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen, te verminderen of te compenseren nodig zijn.
Kader 5.1 Gunstige staat van instandhouding en 1%-mortaliteitsnorm In het kader van de Wnb moet beoordeeld worden of de realisatie van de windturbine E-MAX, op zichzelf of in samenhang met andere plannen en projecten in de omgeving, (significant) negatieve effecten kan hebben op het behalen van de IHD’s van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (in het kader van Wnb gebiedenbescherming) en/of sprake kan zijn van een effect op de gunstige staat van instandhouding (GSI) (in het kader van de Wnb soortenbescherming). De basis hiervoor wordt gevormd door het 1%-criterium (verder 1%-mortaliteitsnorm) van het Ornis Comité. Volgens dit criterium kan iedere tol van minder dan 1% van de totale jaarlijkse sterfte van de betrokken populatie (gemiddelde waarde) als kleine hoeveelheid worden beschouwd. Wanneer de voorspelde sterfte onder deze 1%-mortaliteitsnorm blijft kan een effect op het behalen van de IHD’s in Natura 2000-gebieden of de GSI van de betrokken populatie met zekerheid uitgesloten worden. Bij de beoordeling is tevens rekening gehouden met de huidige staat van instandhouding van deze populaties.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het Limburgse deel van het Natuurnetwerk heet de Goudgroene natuurzone. Voor gebieden die zijn begrensd binnen het Natuurnetwerk Nederland, ecologische verbindingszones en gebieden met agrarisch natuurbeheer, geldt een planologisch beschermingsregime. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op deze gebieden, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen. Heeft een ingreep wel een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied dat behoort tot de Goudgroene natuurzone, dan geldt het ‘nee, tenzij-regime’. Een project kan dan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als sprake is van een groot openbaar belang. Als een ingreep wordt toegestaan moet de schade
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
59
zoveel mogelijk worden beperkt door mitigerende maatregelen en moet de resterende schade door de initiatiefnemer worden gecompenseerd. De Provincie Limburg heeft de ligging van de Goudgroene zone vastgelegd in de omgevingsverordening. De windturbine staat buiten de Goudgroene natuurzone. Een ‘nee, tenzij toets’ is daarom niet aan de orde. Wel wordt inzichtelijk gemaakt wat de mogelijke effecten zijn op de kwaliteit van de nabijgelegen Goudgroene natuurzone. Soortenbescherming Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de Wnb. De bescherming van flora- en faunasoorten is in de Wnb opgedeeld in twee beschermingscategorieën: •
Strikt beschermde soorten: soorten van de Vogelrichtlijn (art. 3.1) en soorten van de Habitatrichtlijn (art. 3.2);
•
Overige beschermde soorten: nationaal beschermde soorten (art. 3.3).
Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te doden, vangen of plukken, en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is. Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Provinciaal natuurbeleid Er zijn in en nabij het plangebied geen gebieden aangewezen als akkervogelgebied, weidevogelgebied of opvanggebied voor ganzen. Hier wordt dan ook niet verder op ingegaan. Voor de verdere uitgangspunten en achtergronden van de natuurtoets, zo ook voor de uitgebreide weergave van de resultaten van het onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 3.
Onderzoek Gebiedsbescherming – Natura 2000 Windturbine E-MAX maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Geleenbeekdal’ op een afstand van circa 3,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Op circa 4 kilometer afstand van het plangebied ligt ten noorden van het plangebied het Natura 2000-gebied ‘Brunssummerheide’. Het Natura 2000-gebied ‘Kunderberg’ ligt op circa 5 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied. Op een afstand van circa 5 kilometer ten westen van het plangebied ligt het ‘Geuldal’. De Natura 2000-gebieden zijn aangewezen voor habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten. Het Natura 2000-gebied ‘Kunderberg’ is alleen aangewezen voor habitattypen. Dichtbijgelegen Natura 2000-gebieden in Duitsland zijn ‘Wurmtal nördlich Herzogenrath’ en ‘Wurmtal südlich Herzogenrath’ op een afstand van respectievelijk circa 3 kilometer en 4 kilometer. Op circa 6 kilometer ten noorden van het plangebied ligt ‘Teverener Heide’.
Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade | 719068 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
60
Andere Natura 2000-gebieden liggen op een grotere afstand van het plan, waardoor op voorhand wordt geconcludeerd dat de windturbine geen effect heeft op deze Natura 2000 gebieden. Habitattypen Het plangebied ligt ruim buiten de Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van ruimtebeslag en derhalve geen effect op de omvang van beschermde habitattypen. Bij de realisatie van de windturbine kan sprake zijn van tijdelijke en beperkte stikstofemissies als gevolg van bouwwerkzaamheden en bijbehorende transportbewegingen. Om de mogelijke gevolgen van deze (tijdelijke) stikstofemissies op beschermde Natura 2000-gebieden in kaart te brengen is een AERIUS-berekening uitgevoerd (bijlage 4). Met het AERIUS-model is berekend of er sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de aanlegfase van de windturbine E-MAX sprake is van een emissie van 0,00 mol/ha/jaar. Dit betekent dat de stikstofemissie door toedoen van de bouw van de windturbine E-MAX niet leidt tot significant negatieve effecten op de stikstofgevoelige habitats van de omliggende Natura 2000-gebieden. Effecten op het behalen van de IHD’s van de betrokken habitattypen zijn voor deze Natura 2000-gebieden met zekerheid uit te sluiten.
Habitatrichtlijnsoorten Het plangebied ligt op circa 3 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Wurmtal nördlich Herzogenrath). Vanwege de relatief grote afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden, de ecologie en habitatvoorkeur van de Habitatrichtlijnsoorten, heeft het plangebied geen betekenis voor deze soorten. De meeste Habitatrichtlijnsoorten zijn immers weinig mobiel (met uitzondering van vleermuizen, zie hieronder) en komen dus niet vanuit de Natura 2000-gebieden naar het plangebied. Hierdoor is met zekerheid geen sprake van verstoring (inclusief sterfte) van de betrokken soorten of verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats van deze soorten in de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal, Brunssumerheide en Geuldal en de Duitse gebieden Wurmtal nördlich Herzogenrath, Wurmtal südlich Herzogenrath en Teverener Heide als gevolg van de bouw en het gebruik van de windturbine. Deze soorten worden hier niet nader behandeld. De Natura 2000-gebieden Geuldal (meervleermuis, ingekorven vleermuis, vale vleermuis) en het Wurmtal südlich Herzogenrath (vale vleermuis) hebben respectievelijk een functie als overwinteringsgebied en foerageergebied voor genoemde soorten. De soorten zijn gedurende de overwintering niet mobiel en komen dus niet vanuit deze Natura 2000-gebieden naar het plangebied.
Ook zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor de vale vleermuis (grotten, groeven, kerkzolders) in het plangebied aanwezig. Bovendien zijn deze soorten vleermuizen niet waargenomen in het veldonderzoek. Er is daarom ook geen sprake van een relatie tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden Geuldal en Wurmtal südlich Herzogenrath. Effecten op instandhoudingsdoelstellingen van deze soorten worden op voorhand uitgesloten en daarom niet nader behandeld.
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
61
Gebiedsbescherming – Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is gelegen buiten het NNN-gebied ("Goudgroene natuurzone") van de provincie Limburg. Effecten in de vorm van ruimtebeslag zijn daarmee uitgesloten. Op ongeveer 40 meter afstand van het plangebied ligt een bosgebied dat aangewezen is als NNN. Omdat dit gebied niet door werkzaamheden wordt aangetast, zijn hier geen negatieve effecten te verwachten. Er is geen knelpunt met het beschermingsregime van het NNN. Ten aanzien van gebiedsbescherming is er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming vormt eveneens het wettelijk kader voor de bescherming van in het wild levende in- en uitheemse planten- en diersoorten. Op grond van deze wet geldt voor eenieder een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten, en voor hun directe leefomgeving. De mate van bescherming volgt uit het wettelijk kader en is mede afhankelijk van de kwetsbaarheid van de soorten. Op grond van de Wnb gelden diverse verbodsbepalingen, zoals op doden en verstoren, waarvan onder voorwaarden voor specifieke situaties (specifiek benoemde 'belangen') ontheffing kan worden verleend. Vogels Effecten in de aanlegfase In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig. In de ruime omgeving van het plangebied zijn nesten van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats bekend.
Nesten van deze soorten komen uitsluitend buiten het plangebied in bomen en/of in gebouwen voor. Ten behoeve van de realisatie van de windturbine worden geen gebouwen gesloopt of bomen gekapt. Bovendien gaat er geen essentieel foerageergebied voor deze soorten verloren. Voor overige vogels die in het plangebied en omgeving broeden zijn effecten in de aanlegfase met gepaste preventieve maatregelen (bijvoorbeeld niet bouwen in het broedseizoen) goed te voorkomen. Het plangebied en omgeving hebben geen betekenis voor niet-broedvogels. Er is daarom geen sprake van verstoring van niet-broedvogels in de aanlegfase van de windturbine. Effecten in de gebruiksfase De windturbine kan in de gebruiksfase zorgen voor aanvaringsslachtoffers door aanvaring met de wieken. Op basis van eerdere slachtofferonderzoeken in vergelijkbare habitats in Nederland en de kennis over de vogelsoorten in en nabij het plangebied, is te verwachten dat er alleen slachtoffers zijn tijdens de seizoenstrek. Vogels op seizoenstrek hebben geen duidelijke binding met het plangebied. Het gaat om soorten die twee keer per jaar tijdens de seizoenstrek het plangebied passeren en die tijdens deze trekperioden het grootste risico lopen om in aanvaring te komen met de geplande windturbine.
Vanwege de relatief grote aantallen die per soort passeren, is vooraf niet uit te sluiten dat jaarlijks één of meerdere exemplaren per soort slachtoffer worden van een aanvaring met de geplande windturbine. De windturbine heeft geen effect op de gunstige staat van instandhouding voor de betrokken vogelsoorten op seizoenstrek. De sterfte blijft voor alle soorten ruim onder de 1%-mortaliteitsnorm waardoor met zekerheid gesteld kan worden dat de staat van instandhouding van de populatie niet in het geding zal komen.
Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade | 719068 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
62
Vermijding in de gebruiksfase De aanwezigheid van de windturbine kan leiden tot vermijding van leefgebied door vogels vanwege geluid, beweging of aantasting van de openheid van het landschap. Ook de verhoogde menselijke activiteit nabij de windturbine door onderhoudswerkzaamheden, kan leiden tot verstoring van vogels, waardoor het gebied door vogels wordt vermeden. Voor in het plangebied voorkomende broedvogels (zoals grasmus en zwarte roodstaart) wordt geen vermijding verwacht. In de ruime omgeving van het plangebied broeden een aantal vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Geen van deze soorten broedt nabij de planlocatie; verstoring van nestplaatsen is daarom niet aan de orde. Een aantal van de in de ruime omgeving broedende vogels kan in het plangebied foerageren of jagen. Dit gaat om havik, ransuil, bosuil, buizerd, sperwer, boomvalk, torenvalk en ooievaar. Deze soorten hebben een ruime actieradius en kunnen daarom van een groot areaal gebruik maken. Er gaat geen essentieel foerageergebied voor deze soorten verloren, in de ruime omgeving is veel minstens kwalitatief gelijkwaardig foerageergebied (grasland, bomen) beschikbaar. Er is daarom geen sprake van aantasting of verstoring van jaarrond beschermde nesten van vogels gedurende de gebruiksfase. Het plangebied en de directe omgeving hebben voor niet-broedvogels geen betekenis.
Er is daarom geen sprake van een maatgevend verstoringseffect op de aantallen vogels in de ruime omgeving van het plangebied. Barrièrewerking in de gebruiksfase In algemene zin is er sprake van een effectieve barrière als vogels door een windparkopstelling hun voedsel- of rustgebied niet of moeilijk kunnen bereiken. Er is slechts sprake van één windturbine, waardoor er geen sprake is van een lange barrière voor passerende vogels. Er is geen sprake van barrièrewerking waarin foerageergebieden of slaapplaatsen onbereikbaar worden. Vleermuizen Effecten in de aanlegfase Op de locatie van de windturbine en de directe omgeving zijn geen (potentiële) verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. De windturbine doorsnijdt geen belangrijke vliegroutes van vleermuizen. Er is daarom geen sprake van aantasting van verblijfplaatsen en vliegroutes in de aanlegfase. Op de planlocatie foerageren beperkte aantallen gewone dwergvleermuizen. Vergelijkbare activiteit werd op meerdere locaties in de directe omgeving van de windturbine aangetroffen. Er is op de planlocatie zelf geen sprake van een essentieel foerageergebied. Er is daarom geen sprake van aantasting van essentieel foerageergebied in de aanlegfase. Effecten in de gebruiksfase Op de planlocatie van de windturbine en directe omgeving (binnen 50 meter) zijn geen (potentiële) verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig.
Er is daarom geen sprake van verstoring van verblijfplaatsen in de gebruiksfase. De aanwezigheid van de windturbine kan leiden tot het doden van vleermuizen als gevolg van (bijna) aanvaringen met de rotorbladen. Het landschap ter hoogte van de geplande windturbine
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
63
laat zich karakteriseren als halfopen landschap. Hier wordt het aantal slachtoffers per windturbine per jaar op 2-5 geschat. De planlocatie ligt in de nabijheid van parkbos; dit heeft een positief effect op de vleermuisactiviteit op gondelhoogte en daarmee het aantal slachtoffers. Het aantal te verwachten slachtoffers voor de windturbine wordt op maximaal 5 per jaar geschat. Berekening op basis van vlieghoogtes leverde op dat dit aantal slachtoffers geheel uit de gewone dwergvleermuis bestaat. Andere soorten vleermuizen (laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis) worden hooguit incidenteel (niet-jaarlijks) slachtoffer. De additionele maximale sterfte van 5 exemplaren per jaar van de gewone dwergvleermuis blijft ruimschoots onder de 1%-mortaliteitsnorm. Een effect van de windturbine op de GSI van de lokale populatie van de gewone dwergvleermuis is dan ook uitgesloten. Effecten op regionale en landelijke populatie zijn daarmee ook uitgesloten. Overige soorten Er komen geen (strikt) beschermde soorten van de Wnb voor in het plangebied. Wel komen mogelijk een aantal andere beschermde soorten genoemd in de Wnb voor (zie Bijlage 3). Voor deze soorten verleent de provincie Limburg een vrijstelling voor projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Er is daarom voor geen van deze soorten sprake van overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb.
Conclusie Samenvattend is voor geen enkele kwalificerende soort sprake van een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000. Ook is er voor geen enkele soort sprake van een aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Er wordt in het kader van de soortenbescherming een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd, maar er is geen conflict met de Wet natuurbescherming. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Cultuurhistorie Toetsingskader Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. De Erfgoedwet 45, die de Monumentenwet 1988 heeft vervangen vormt in Nederland het kader voor de bescherming van al het cultureel erfgoed, waaronder ook de afspraken uit het Verdrag van Malta. Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Archeologie houdt zich bezig met de niet zichtbare delen van onze cultuurgeschiedenis. Zij zijn verborgen in de bodem.
Wet van 9 december 2015, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet)
45
Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade | 719068 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
64
Onderzoek Archeologie Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De provincie Limburg heeft de verantwoordelijkheid over archeologische waarden van provinciaal belang. Op de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ 46 zijn de archeologische en cultuurhistorische waarden vastgelegd. Voor het plangebied zijn geen beschermde waarden vastgelegd. Op een afstand van circa 1 kilometer ten zuidoosten van het plangebied ligt een terrein van zeer hoge archeologische waarde. Ter plaatse is een villa(complex) uit de Romeinse tijd aangetroffen. Het terrein is aangewezen als archeologisch monument maar heeft buiten het aangewezen gebied geen verder strekkende waarde. In de beheersverordening van bedrijventerrein Dentgenbach is voor het plangebied geen archeologische verwachtingswaarde opgenomen. In de beheersverordening is opgenomen dat het volledige bedrijventerrein is gelegen in een gebied waaraan ‘geen verwachtingswaarde’ voor archeologie is toegekend. De reden hiervoor de grote mate van verstoring in de bodem als gevolg van ontgravings- en egaliseringswerken van het terrein. Hierdoor is een groot deel van het oorspronkelijke reliëf verdwenen en zullen de eventueel aanwezige archeologische waarden grotendeels verstoord zijn.
Wel geldt er ter bescherming van de archeologische waarden altijd een algemene zorg- en meldplicht ten aanzien van eventuele toevalsvondsten. Overige cultuurhistorische waarden Om de overige cultuurhistorische waarde van het gebied te bepalen is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie gebruikt. Deze kaart laat zien of er historische monumenten in het gebied aanwezig zijn. Figuur 5.7 laat zien dat er in het plangebied geen gemeentelijke of rijksmonumenten gelegen, en ook geen beschermde gezichten in de omgeving. Het dichtstbijzijnde beschermde stads- en dorpsgezicht is dat van Heerlen – Molenberg op een afstand van meer dan 2 kilometer. De rijksmonumenten in Figuur 5.7 zijn gelegen op een afstand vanaf circa 680 meter. Er is gezien de afstanden geen sprake van effect van de windturbine op overige cultuurhistorische waarden.
‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’, provincie Limburg. Geraadpleegd via: https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default
46
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
65
Figuur 5.7 Uitsnede provinciale kaart met in bruin aangegeven rijksmonumenten (rode driehoek = geplande windturbine)
Bron: Provincie Limburg
Conclusie De windturbine doet geen afbreuk aan cultuurhistorische en archeologische waarden in het plangebied en de omgeving ervan. Voor het aspect cultuurhistorie is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Waterhuishouding Toetsingskader Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de ordenende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, et cetera te voorkomen. De verplichte watertoets is geregeld in de artikelen 3.1.1 en 3.16 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Vanaf het begin van de planvorming dient overleg gevoerd te worden tussen gemeente, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebiedsspecifieke ruimtelijke uitgangspunten. Hierbij geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en dat de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen en afvoeren’ moet worden gehanteerd.
Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade | 719068 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
66
Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet vervangt een groot aantal wetten op het gebied van water. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Op rijksniveau wordt een nationaal waterplan gemaakt. Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijk beleid.
De ruimtelijke aspecten van die plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd. De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is ook opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving hebben de gemeenten een aantal nieuwe zorgplichten: afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en een verbrede zorgplicht inzamelen afvalwater buitengebied. Omgevingsverordening Limburg De provincie legt provinciaal waterbeleid vast ter bescherming van de provinciale belangen. In de Omgevingsverordening Limburg wordt het plangebied aangewezen als gebied waarbinnen regionale wateroverlast (normering 1:100) aan de orde is (zie
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
67
Figuur 5.8). Het beschermingsniveau is gebaseerd op de landelijke referentienormen en een analyse van kosten en baten van maatregelen, rekening houdend met gebiedsfuncties. Voor bebouwde kernen is meestal de referentienorm voor bebouwd gebied (1:100) vastgesteld. De norm is uitgedrukt als de maximale kans per jaar dat wateroverlast mag optreden. In veel gebieden is de daadwerkelijke kans op wateroverlast kleiner dan de norm aangeeft Figuur 5.8 Aandachtspunt water vanuit de Omgevingsverordening Limburg
Bron: provincie Limburg
Beleid waterschap Limburg Het beleid van waterschap Limburg is vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Dit plan gaat over het watersysteem in Limburg en de afvalwaterketen. Verder is voor aanpassingen in het watersysteem of bemalingen de Keur en Legger van het waterschap Limburg de wettelijke regeling. Zo dienen bijvoorbeeld ingrepen met betrekking tot grondwater altijd gemeld te worden bij het waterschap. Of voldaan kan worden met een melding of dat er een vergunning moet worden aangevraagd staat beschreven in de Keur. Keur De Keur Waterschap Limburg 2019 is van kracht op de waterhuishouding in het plangebied. Bijbehorende leggers bepalen het toepassingsgebied van de keur. Een watervergunning is
Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade | 719068 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
68
nodig daar waar de keur van toepassing is, dat kan zijn voor wateronttrekking, aanpassingen in het watersysteem en het werken in of nabij een waterkering. Aanpassingen aan zowel primaire als secundaire watergangen (bijvoorbeeld verlegging of demping) is zonder goedkeuring van het waterschap niet toegestaan. Hiervoor dient in alle gevallen een watervergunning aangevraagd te worden. Ten slotte mag het afstromende hemelwater niet worden vervuild. Dit kan worden voorkomen door het gebruik van niet-uitlogende (bouw)materialen.
Onderzoek Watersysteem Het plangebied ligt op een bedrijventerrein in de gemeente Kerkrade en valt onder het beheersgebied van Waterschap Limburg. Het waterschap maakt onderscheid in de waterlopen op basis van functie. De eigenaar van primaire waterlopen is vrijwel altijd het waterschap. Zowel de primaire als de secundaire waterlopen worden in principe onderhouden door het waterschap. Alle overige wateren zoals greppels en solitaire wateren zijn van ondergeschikt belang voor het afvoerstelsel. In onderstaande Figuur 5.9 zijn de primaire waterlopen nabij het plangebied weergegeven. De windturbine en andere werken kruisen geen watergang. Figuur 5.9 Legger van Waterschap Limburg (plangebied globaal in rood, primaire watergangen in blauw)
Bron: Waterschap Limburg
Grondwater Om tijdens het bouwproces activiteiten uit te kunnen voeren in een droge bouwput, is tijdelijke bemaling van het grondwater nodig. Dit geldt met name voor aanleg van de fundering. Informatie over de aard en omvang van de bemaling dient te worden voorgelegd aan het waterschap ter beoordeling van eventuele effecten. Indien verlaging van het grondwaterpeil door bodem-technische redenen wordt belemmerd, zijn alternatieve methoden beschikbaar om het bouwproces goed te laten verlopen. Zo kan het oppervlak bijvoorbeeld plaatselijk verhoogd worden of gedacht worden aan een aangepaste inrichtingsvorm.
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
69
Over het algemeen is het verlagen van de grondwaterstand alleen nodig tijdens de aanlegfase. Na afsluiting van het bouwproces wordt de normale grondwaterstand hersteld, waardoor negatieve effecten op de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater niet aan de orde zijn. Voor grondwaterbemaling en -lozing is wel een melding op basis van de Keur noodzakelijk. Oppervlaktewater Voor de instandhouding van een goede waterkwaliteit, grondgebruik en een veilige afwatering speelt het oppervlaktewater een cruciale rol. In het plangebied en in de nabije omgeving van het plangebied zijn geen watergangen aanwezig (zie Figuur 5.9). De windturbine kruist geen watergangen waardoor het watersysteem niet op een negatieve wijze beïnvloed wordt. Hemelwaterafvoer Bij de aanleg van de windturbine neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe. Dit is het gevolg van de realisatie van de fundatie en het eventuele inkoopstation. Deze werken zijn permanent aanwezig tijdens de gehele levensfase van de windturbine. De windturbine is voor het grootste deel voorzien op bestaand verhard terrein. Hierdoor is er maximaal 80 m2 aan extra verharding noodzakelijk. De windturbine wordt op het bestaande terrein van E-MAX gerealiseerd en is ook via dat terrein bereikbaar, hierdoor is er geen extra verharding nodig voor een kraanopstelplaats en toegangsweg.
Dit betekent een totale toename van maximaal circa 80 m2 aan verhard oppervlak voor de windturbine. In de beheersverordening is opgenomen dat het maximum bebouwingspercentage van een bouwperceel 80% mag bedragen. Het terrein van E-MAX is onderdeel van een groter bouwvlak waar nog percelen onbebouwd zijn. Het maximale bebouwingspercentage van 80% is op dit moment nog niet behaald en zal met de beperkte toename aan verharding door de windturbine ook niet worden behaald. Vanuit de Keur ligt er daarom geen opgave om de toename van verhard oppervlak te compenseren. Watertoets De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. In het kader van de watertoets heeft over de wijze van omgaan met de waterhuishouding afstemming plaatsgevonden met het waterschap. Waterschap Limburg is aangesloten bij de digitale watertoets. Op 17 februari 2020 is de digitale watertoets doorlopen. Hierop is per mail een reactie ontvangen van het waterschap. De opmerkingen van het waterschap zijn verwerkt in deze waterparagraaf. Daarmee is de watertoets doorlopen.
Conclusie De windturbine heeft geen negatief effect op de waterhuishouding. Een watermelding is mogelijk nodig voor grondwateronttrekking tijdens de bouwperiode. Rekening houdend met de eventueel benodigde melding is er voor het aspect water sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade | 719068 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
70
Overige aspecten Vliegverkeer en radar Toetsingskader De bouw van windturbines kan van invloed zijn op het vliegverkeer in Nederland, met name de hoogte van windturbines is daarbij relevant. Voor het vliegverkeer is het van belang dat de vliegveiligheid en de werking van radar- en communicatieapparatuur te allen tijde kunnen worden gegarandeerd. Laagvlieggebieden en helikopteroefengebieden kennen harde bouwhoogtebeperkingen. Hierbij is van belang dat de rotorbladen van een windturbine de route niet 'doorsnijden'. Er moet dus een afstand van minimaal een halve rotordiameter tot de rand van de laagvlieggebieden worden gehouden. Voor het veilig gebruik van luchthavens voor de militaire en civiele luchtvaart zijn obstakelbeheersvlakken ingesteld waarbinnen hoogtebeperkingen gelden. Plaatsing van windturbines kan mogelijk ook leiden tot verstoring van de radar. Dat geldt voor zowel radar ten behoeve van de lucht- als de scheepvaart. Afhankelijk van de locatie kan een windpark een verstorende werking hebben op Communicatie-, Navigatie- en Surveillance (CNS)-apparatuur van de luchtverkeersleiding voor burgerluchtvaart. Voor de militaire radarposten in Nederland moet binnen een straal van 75 kilometer van een radarpost worden gekeken of windturbines de radar niet teveel verstoren en moet een plan ter goedkeuring aan Defensie worden voorgelegd.
Het beleid over verstoringsgebieden rond militaire radars van het Ministerie van Defensie is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 47 en is nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 48. Er dient een minimale dekkingsgraad van 90% op 1.000 voet in stand te blijven om een goede werking van de radar te garanderen. Onderzoek Vliegverkeer De windturbine bevindt zich buiten hoogtebeperkingsgebieden rondom luchthavens en ligt niet in laagvlieggebied. Op 17 november 2020 heeft Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) per email laten weten geen bezwaar te hebben tegen de plannen (zie Bijlage 5). In het kader van een ‘haalbaarheidsstudie windenergie’ voor de gemeente Kerkrade in november 2019 is de Inspectie voor Infrastructuur en Transport (ILenT) geraadpleegd. De voorgenomen locatie was onderdeel van één van de zoekgebieden die zijn onderzocht in de haalbaarheidsstudie. Op 11 oktober 2019 heeft de ILenT per mail een kaart gestuurd waaruit blijkt dat de beoogde windturbine zich bevindt buiten hoogtebeperkingsgebieden rondom luchthavens.
Besluit van 31 augustus 2012, nr. IENM/BSK-2012/30229, tot wijziging van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening: aanwijzing radarverstoringsgebieden 48 Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 9 december 2011, nr. IENM/BSK-2011/161600, houdende vaststelling van algemene regels ter bescherming van nationale ruimtelijke belangen (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening) 47
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
71
Radarverstoring Het plangebied ligt buiten de toetsingsvlakken van de Nederlandse radarposten. Hierdoor zijn potentieel negatieve effecten op de Nederlandse defensieradarposten uitgesloten en is geen toetsing door TNO benodigd. Conclusie Vanuit de aspecten vliegverkeer en radar is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Straalpaden Toetsingskader Windturbines kunnen van invloed zijn op de zogenaamde straalpaden voor het transport van spraak-, data-, radio- en tv-signalen. Door de aanwezigheid van windturbines kan de signaaloverdracht van straalpaden worden verstoord of verzwakt. Deze straalverbindingen (ook wel straalpaden genaamd) verzenden informatie (radiocommunicatie) langs een rechtstreekse cilindervormige lijn door de lucht. Verstoring kan optreden doordat deze cilindervormige lijn wordt onderbroken (doorkruising van de tweede fresnelzone door mast en/ of rotor). Onderzoek Er zijn geen planologisch beschermde straalverbindingen (als zodanig bestemd in de geldende beheersverordening) in het plangebied die beïnvloed kunnen worden door de windturbine. Er zijn mogelijk wel straalverbindingen die het plangebied doorkruisen. Deze straalverbindingen zijn niet planologisch beschermd in de geldende beheersverordening. Derhalve bestaat er geen verplichting om bij ruimtelijke projecten rekening te houden met de straalverbindingen. De aanwezigheid van straalverbindingen door het plangebied is echter wel onderzocht. Agentschap Telecom heeft een overzichtskaart aangeleverd waarin alle straalverbindingen die in (de omgeving van) het plangebied aanwezig zijn opgenomen, zie Figuur 5.10. Op basis van Figuur 5.10 blijkt dat er geen straalverbindingen aanwezig zijn in het plangebied.
Er is dan ook geen sprake van verstoring.
Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade | 719068 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
72
Figuur 5.10 Straalverbindingen (rode lijn) en zendmasten (rode icoon) in de omgeving van het plangebied
Conclusie Er zijn geen (juridisch-planologische beschermde) straalverbindingen aanwezig in de omgeving van het plangebied, er is daarom sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Op basis van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009) 49 kan worden beoordeeld of de in het plangebied te realiseren activiteiten een belemmering betekenen of van invloed zijn op gevoelige functies, zoals wonen, in of in de omgeving van het plangebied. Onderzoek Volgens de VNG-richtlijn is de richtafstand voor 'windturbines' met een 'wiekdiameter' van 50 meter tot aan een rustige woonwijk 300 meter, voor een gemengd gebied is deze afstand 200 meter. De richtafstand wordt bepaald door het aspect 'geluid'. Het aspect 'slagschaduw' kent de VNG-richtlijn niet. Voor windturbines met een grotere rotordiameter geeft de VNG-richtlijn geen afstanden waardoor nader onderzoek in ieder geval noodzakelijk is ter voldoening aan een goede ruimtelijke ordening. Aangezien de VNG-richtlijn niet toepasbaar is op de voorliggende situatie is op basis van specifiek onderzoek gekeken naar de effecten van de windturbine op gevoelige objecten. Door middel van akoestisch onderzoek (zie paragraaf 5.2 Geluid) is aangetoond dat de windturbine inpasbaar is in de omgeving, zo ook door middel van slagschaduwonderzoek (zie paragraaf 5.3 Slagschaduw). Op basis van onderzoek voor geluid en slagschaduw is sprake van een goede
"Bedrijven en milieuzonering, Handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk", Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) 2009
49
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
73
ruimtelijke ordening. Ook ten aanzien van de overige milieueffecten is geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie De VNG-publicatie is in de voorliggende situatie niet toepasbaar. Op basis van specifiek onderzoek wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Bodemkwaliteit Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient een bodemonderzoek verricht te worden met het oog op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. Het bevoegd gezag moet onderzoek verrichten naar de bestaande toestand en deze toetsen aan de wenselijke bodemkwaliteit. De Wet bodembescherming (Wbb) is erop gericht bodemkwaliteit te waarborgen of te verbeteren indien nodig. De wet schrijft voor dat een ieder die de bodem verontreinigd verplicht is maatregelen te nemen om deze verontreiniging tegen te gaan. Voor de realisatie van de windturbine zal grondverzet plaatsvinden, waarbij grond wordt ontgraven, hergebruikt, toegepast en/of afgevoerd. Bij dergelijke werkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) 50 van toepassing. Het Bbk bevat algemene regels voor het toepassen van grond (en bouwstoffen) en de kwaliteit van toe te passen grond (en bouwstoffen). Onderzoek Voor de inschatting van de bodemkwaliteit op de locatie van de windturbine is bekeken of er op dit moment bedrijfsactiviteiten op de locatie plaatsvinden, waarbij potentieel bodemverontreiniging kan ontstaan of in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden, waarbij verontreiniging is ontstaan. Op de bodemfunctieklassenkaart (2008) is het plangebied gekwalificeerd met de functie ‘industrie’.
Ter plaatse van deze functie is de bodem geschikt voor ‘ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’. Het plangebied ligt buiten mijnsteengebied of nazorggebied. Op 30 maart 2016 is door de gemeente Kerkrade de Nota Bodembeheer en de bijbehorende Bodemkwaliteitskaart 51 vastgesteld. De Bodemkwaliteitskaart maakt de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem inzichtelijk en formuleert een aantal eisen die aan het toepassen van een partij grond worden toegekend. Binnen de gemeente worden een aantal zones met een vergelijkbare milieuhygiënische milieukwaliteit gekwalificeerd. Het plangebied ligt in de zone ‘Bovengrond AW2000’ (zone 2). Deze codering betekent ‘achtergrondwaarde 2000’ en is gemiddeld niet verontreinigd. In de Nota Bodembeheer is geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart. De kwaliteit van de bodem is geschikt voor het gebruik als bedrijventerrein. Een windturbine heeft ook een industriële functie en past binnen de toegekende milieuzone.
Besluit van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem (Besluit bodemkwaliteit) “Nota Bodembeheer gemeente Kerkrade” en bijhorende “Bodemkwaliteitskaart”, 30 maart 2016, gemeente Kerkrade. 50 51
Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade | 719068 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
74
De windturbine krijgt een betonnen fundering welke op staal wordt geplaatst. Door gebruik te maken van niet-uitlogende (bouw)materialen, wordt uitspoeling van stoffen voorkomen en verandering van de grondwaterkwaliteit niet verwacht. Conclusie Er is geen sprake van een verontreiniging of realisatie van een voor verontreiniging gevoelige functie. Vanuit het aspect bodemkwaliteit is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Niet-gesprongen explosieven Toetsingskader In de bodem kunnen niet-gesprongen explosieven (NGE's) aanwezig zijn die een risico vormen voor de veiligheid van het personeel dat werkzaamheden voor realisatie van de windturbine uitvoert. Daarnaast kan de openbare veiligheid in het geding komen. De aanwezigheid van explosieven is geen ruimtelijk relevant criterium, maar het is voor de uitvoering wel van belang om hier inzicht in te hebben teneinde de veiligheid voor personeel en omgeving tijdens de realisatiefase te garanderen. Onderzoek Indien onderzoek nodig is wordt dit voor aanvang van de realisatie uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek wordt bepaald hoe hiermee tijdens werkvoorbereiding omgegaan dient te worden, teneinde de werkzaamheden veilig uit te kunnen voeren. De eventuele aanwezigheid van NGE's zorgen in praktijk niet voor een onuitvoerbaar plan. Conclusie De aanwezigheid van explosieven is geen ruimtelijk relevant criterium voor deze ruimtelijke onderbouwing en aanwezigheid zorgt ook niet voor een onuitvoerbaar plan. Dit aspect is om die reden niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Luchtkwaliteit Toetsingskader Op 15 november 2007 is een wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. De hoofdlijnen van deze regelgeving zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet Milieubeheer (Wm). Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien deze voldoen aan één van deze voorwaarden: •
er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;
•
een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
•
een project 'in niet betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
•
een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), dat in werking treedt nadat de EU derogatie (toestemming) heeft verleend.
Van een verslechtering van de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet: •
woningbouw: minimaal 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen;
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
75
•
infrastructuur: minimaal 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie);
•
kantoorlocaties: minimaal 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen.
Onderzoek Onderhavig plan maakt een ontwikkeling mogelijk dat niet onder één van bovenstaande categorieën onder te brengen is en het is ook geen project dat beschreven staat in het NSL. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit niet 'in betekenende mate' zal verslechteren. Daarom hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan door middel van onderzoek. De windturbine produceert elektriciteit zonder uitstoot van stoffen. Door de windturbine produceren andere (gas- of kolengestookte) centrales minder energie dan zonder de windturbine. Verkeer van en naar de windturbine zelf dragen niet in betekenende mate bij aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 van de Wet milieubeheer een grenswaarde is opgenomen. Conclusie Voor het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Na-ijleffecten voormalig mijnbouw Toetsingskader Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft er in Limburg mijnbouw plaatsgevonden. Daardoor kan er sprake zijn van na-ijleffecten zoals gelijkmatige bodemstijging, als gevolg van langzaam stijgend mijnwater, en liggen er in een beperkt gebied rond Kerkrade nog oude mijnschachten. Onderzoek In opdracht van het ministerie van Economische Zaken is in 2014 gestart met een onderzoek naar de effecten van vroegere steenkoolwinning. Het onderzoek is afgerond in 2016. De locatie van de windturbine is gelegen in de zones “laagste risicozone ondiepe industriële winning (EK3)” en “vrijkomend mijngas huidige situatie”. Op het terrein van E-max en aangrenzende percelen liggen zones met ondiep gelegen mijngangen, opwaartse boringen, drempels en verzakkingen (geotechnisch zwakke zones). Deze zones liggen niet ter hoogte van de locatie van de windturbine (zie Figuur 5.11).
Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade | 719068 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
76
Figuur 5.11 Na-ijleffecten rondom plangebied (turbinepositie globaal aangegeven met ster)
Bron: gemeente Kerkrade
In het uitgevoerde onderzoek in opdracht van het ministerie van Economische Zaken worden drie categorieën gebruikt om de kans dat een ongewenste gebeurtenis optreedt te beschrijven: EK1, EK2 en EK3. Locaties met EK1 kennen een hoge kans voor het optreden van een ongewenste gebeurtenis, EK2 een gemiddelde kans en EK3 een lage kans. Reeds gesaneerde locaties zijn gedefinieerd als EK4. Voor (bouw)activiteiten in een EK3 zone gelden in principe geen beperkingen. Voor meer kwetsbare gebouwen of bouwwerken kan nader onderzoek gevraagd worden om negatieve effecten uit te sluiten. Ondiepe winning en opwaartse boringen De kans op een verzakking aan het maaiveld in een EK3 zone met industriële ondiepe winningen en opwaartse boringen is klein. Echter door de belasting (verticaal en horizontaal) van de fundering en turbine op de ondergrond, verwacht de gemeente dat dit een specifieke situatie zal zijn, niet vergelijkbaar met een regulier bouwwerk. Door Windbase, het civieltechnisch bureau dat het fundatie ontwerp van de turbine heeft uitgewerkt, is aangegeven dat het effect van de mijnbouw zeer gering is. De deklaag ligt ter plaatse van de windturbine op 84 meter diepte. De merkbare invloed van de funderingsbelastingen uit de windturbine reikt tot maximaal ongeveer 30 meter.
Andersom wordt ingeschat dat eventuele zakkingen door mijnbouw niet tot echte scheefstand van de turbine zal leiden. Om scheefstand van de turbine te krijgen moeten er namelijk grote
719068 | Ruimtelijke onderbouwing Windturbine E-MAX Kerkrade 01-04-2021 | Definitief
Pondera Consult
77
zakkingsverschillen over een korte afstand kunnen optreden. Bij een verdelende deklaag van 84 meter is die kans gering. Mijngas De windturbinelocatie valt in de zone “vrijkomend mijngas huidige situatie”. Het ontsnappen van mijngas zou voor kunnen komen in het geval er diepe funderingspalen worden gebruikt voor de windturbine. De windturbine wordt echter niet gefundeerd op palen maar op staal. Hierdoor kan er geen mijngas vrijkomen omdat die lagen niet worden geraakt. Conclusie Na-ijleffecten van de voormalig mijnbouw worden zeer gering geacht. De merkbare invloed van de funderingsbelastingen uit de windturbine reiken niet zodanig diep dat kwetsbare bodemlagen geraakt kunnen worden. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.