CConstaterende datKatwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

9. Bijlage 1. Ontwerpbestemmingsplan 2e herziening De Horn (1733887)

Raad 11 februari 2021, gemeente KatwijkBij agendapunt: A. Voor kennisgeving aan te nemen:36.636 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Op korte afstand van het plangebied is echter geen sprake van dergelijke geluidbronnen. Aan de achterzijde van de panden vindt hoofdzakelijk het parkeren van personenwagens plaats. Deze parkeerplaatsen zullen overwegend gebruikt worden door werknemers van de groothandels, waarmee de momenten waarop sprake is van aankomende en vertrekkende personenwagens relatief beperkt is. In de voorliggende situatie wordt een parkeerterrein op een dergelijke afstand acceptabel geacht. Hierbij wordt opgemerkt dat conform de VNG-publicatie een regulier parkeerterrein tot milieucategorie 2 behoort, waar een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied geldt. Er is in voorliggende situatie geen reden om aan te nemen dat de nabijgelegen parkeergelegenheid wat betreft geluid afwijkt van een regulier parkeerterrein. In het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van de beschouwde bedrijvigheid 'Kamphuizerpolder 2004' is daarnaast in het kader van de bestemmingsplanprocedure de geluidbelasting berekend welke maximaal wordt veroorzaakt door de mogelijke toekomstige bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de bloemenveiling. Hierbij werd een geluidbelasting van maximaal 52 dB berekend ter plaatse van de woonboten in De Vliet. Op dat moment was de invulling van het bedrijfsterrein echter nog niet bekend, en werd uitgegaan van de maximaal planologische invulling.

In de feitelijke situatie is echter geen sprake van een dergelijke geluidbelasting. Dit blijkt ook uit akoestisch onderzoek wat als bijlage is opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan 'De Horn Waterrijke Punt' (2020). In dit onderzoek is de geluidbelasting berekend ter plaatse van de huidige (illegale) woonschepenligplaatsen. Hieruit volgt dat de geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsactiviteiten op de Kamphuispolder ter plaatse van de meest nabij het plangebied gelegen woonboot maximaal 50 dB (A) etmaalwaarde bedraagt. Het maximale geluidniveau bedraagt bovendien maximaal 65 dB (A). Aangezien de beoogde woonschepenligplaats op grotere afstand van de Kamphuispolder is gelegen dan de voornoemde in het akoestisch onderzoek beschouwde woonboot, zal de geluidbelasting op deze locatie niet hoger zijn. Hiermee wordt voldaan aan de van toepassing zijnde geluidgrenswaarden conform het Activiteitenbesluit en kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling op een passende afstand van de nabijgelegen bedrijvigheid is gesitueerd. Opgemerkt wordt dat de beoogde woonschepenligplaats wel de meest nabijgelegen milieugevoelige functie zal zijn voor de ten zuiden gelegen bedrijvigheid. De beoogde ontwikkeling kan daarmee beperkingen opleggen aan diens mogelijke toekomstige bedrijfsvoering.

Conform het bestemmingsplan 'Kamphuizerpolder 2004' is maximaal sprake van 52 dB ten gevolge van de maximale mogelijkheden ter plaatse van het bedrijventerrein. Middels maatwerkvoorschriften is een dergelijke geluidbelasting alsnog toegestaan, en hoeft de beoogde ontwikkeling hiermee geen beperkingen op te leggen aan diens bedrijfsvoering.

26

status: ontwerp

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

Conclusie De beoogde ontwikkeling is op een passende afstand ten opzichte van omliggende bedrijvigheid gesitueerd (zie bijlage 3). Bovendien is naar verwachting sprake van een goed woon- en leefklimaat en vormt de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen voor de mogelijke bedrijfsvoering en nabijgelegen bedrijven. Hiermee vormt het aspect bedrijven en milieuzonering aldus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.3

Geluid

Beoordeling Uit akoestisch onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer ter plaatse van de terreingrens van de woonschepenligplaats wordt overschreden. Bovendien wordt de maximale ontheffingswaarde van 53 dB overschreden. Er treden ten gevolge van wegverkeer over de A44 en Oegstgeesterweg ter plaatse van de terreingrens geluidbelastingen op tot ten hoogste respectievelijk 57 en 59 dB (inclusief aftrek conform artikel 110 g Wgh). De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer over de overige wegen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Maximale ontheffingswaarde Aangezien de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor wegverkeer wordt overschreden, zal de geluidbelasting teruggebracht moeten worden tot ten hoogste 53 dB. Alleen wanneer de maximale ontheffingswaarde niet meer wordt overschreden, is het mogelijk om hogere waarden aan te vragen. Indien het niet mogelijk is om de geluidbelasting dusdanig te reduceren kan het verplaatsen van de woonschepenligplaats, buiten de geluidzone van de betreffende wegen, een oplossing bieden. Overschrijding voorkeursgrenswaarde Daar waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer wordt overschreden maar niet de maximale ontheffingswaarde, dient een ontheffing “hogere grenswaarde“ aangevraagd te worden.

Hogere waarden kunnen op grond van de Wgh slechts worden vastgesteld indien het redelijkerwijs niet mogelijk is aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Derhalve dient voorafgaand aan het nemen van een hogere waarden besluit onderzocht te worden of het mogelijk is geluidreducerende maatregelen te treffen. Daarbij geldt de voorkeursvolgorde bron-overdracht-ontvanger, hetgeen inhoudt dat het treffen van maatregelen aan de bron de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen in de overdracht, en dat het treffen van maatregelen in de overdracht de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen bij de ontvanger. Cumulatie Aangezien in voorliggende situatie naar verwachting hogere waarden aangevraagd worden, is het benodigd de gecumuleerde geluidbelasting nader te beschouwen. In de voorliggende situatie bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai ter plaatse van de terreingrens van de woonschepenligplaats ten hoogste 64 dB. In welke gevallen sprake is van een onaanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting wordt niet in regelgeving vastgelegd. In de voorliggende situatie wordt de waarde van 63 dB, welke als maximale ontheffingswaarde geldt in stedelijke gebieden, overschreden.

Er zullen echter maatregelen getroffen moeten worden om de geluidbelasting ten gevolge van de Oegstgeesterweg en A44 tot maximaal de van toepassing zijnde maximale ontheffingswaarde van 53 dB te reduceren. Hiermee zal de gecumuleerde geluidbelasting alsmede gereduceerd worden, waarmee alsnog kan worden aangenomen dat er sprake is van een aanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting. Toetsing gemeentelijke geluidbeleid Ontheffing van de voorkeursgrenswaarde wordt conform het gemeentelijk geluidbeleid alleen verleend als nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voldoen aan één van de ontheffingscriteria zoals opgenomen in paragraaf 3.3. In voorliggende situatie wordt de beoogde woonschepenligplaats op een open plaats tussen aanwezige bebouwing gesitueerd. Alsmede dient de beoogde woonschepenligplaats ter vervanging van de voormalige woonschepenligplaats. Gezien voorgaande kan gesteld worden dat aan de ontheffingscriteria wordt voldaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt volledigheidshalve aangesloten op de ontheffingsvoorwaarden voor vervangende nieuwbouwwoningen, ondanks dat formeel gezien geen sprake is van een woning. Middels deze voorwaarden wordt geborgd dat ook bij vervangende nieuwbouw sprake is van een acceptabele situatie voor wat betreft geluidbelasting.

Daar de beoogde woonschepenligplaats ter vervanging dient van de voormalige woonschepenligplaats wordt aangesloten op de voorwaarden voor vervangende nieuwbouw. In voorliggende situatie betekent dit dat er een geluidluwe gevel, waar de

status: ontwerp

27

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

geluidbelasting maximaal 53 dB bedraagt, aanwezig zou moeten zijn. Sprake is van een geluidluwe zijde, daar de geluidbelasting ter plaatse van de noordzijde, zonder het treffen van maatregelen, als gevolg van wegverkeer over de A44 maximaal 53 dB bedraagt. Tevens kan gesteld worden dat 30% van het oppervlak van het verblijfsgebied aan deze zijde is gesitueerd. Echter bedraagt de geluidbelasting ter plaatse van de buitenruimte, welke ten zuiden van de woonschepenligplaats is gesitueerd, maximaal 59 dB als gevolg van wegverkeer over de Oegstgeesterweg. Hiermee is sprake van een verschil groter dan 5 dB ten opzichte van de geluidluwe zijde. Vooralsnog wordt aldus niet aan deze voorwaarde voldaan. Er zullen echter maatregelen getroffen moeten worden om te kunnen voldoen aan de Wet geluidhinder, waarmee eveneens de geluidbelasting ten gevolge van de Oegstgeesterweg tot maximaal 53 dB gereduceerd dient te worden. Na het treffen van maatregelen zal daarom ter plaatse van de buitenruimte sprake zijn van een acceptabele geluidbelasting conform het gemeentelijk geluidbeleid.

Maatregelen Algemeen Aangezien de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de maximale ontheffingswaarde van 53 dB ter plaatse van de terreingrens van de woonschepenligplaats wordt overschreden dienen maatregelen getroffen te worden. Alvorens dient ervoor gezorgd te worden dat de maximale ontheffingswaarde niet meer wordt overschreden. Pas wanneer deze niet meer overschreden wordt is het mogelijk om, indien nog van toepassing, hogere waarden aan te vragen. Hogere waarden kunnen op grond van de Wgh alleen worden vastgesteld indien het redelijkerwijs niet mogelijk is aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Derhalve dient onderzocht te worden of het mogelijk is geluidreducerende maatregelen te treffen. Daarbij geldt de voorkeursvolgorde bron-overdracht-ontvanger, hetgeen inhoudt dat het treffen van maatregelen aan de bron de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen in de overdracht, en dat het treffen van maatregelen in de overdracht de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen bij de ontvanger. Bronmaatregelen Bronmaatregelen kunnen bestaan uit het toepassen van geluidreducerend asfalt of snelheidsverlaging. Snelheidsverlaging heeft een direct effect op de geluidemissie van wegverkeer. In voorliggende situatie wordt deze maatregel voor de A44 niet realistisch geacht, aangezien dit de capaciteit van deze weg sterk doet afnemen.

Voor de Oegstgeesterweg is het verlengen van het deel wat een 30 km/uur-regime kent wel een realistisch optie. Op deze wijze hoeft deze weg niet meer getoetst te worden in het kader van de Wet geluidhinder en is hiermee geen sprake meer van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dan wel maximale ontheffingswaarde. In figuur 7.1 wordt de positie vanaf waar een 30 km/uur-regime zou moeten gelden om aan de Wet geluidhinder te kunnen voldoen weergeven. Voorts wordt het toepassen van geluidreducerend asfalt in de voorliggende situatie niet als kosteneffectief beoordeeld, om de reden dat slechts sprake is van één woonschepenligplaats. Een dergelijke maatregel kan hiermee als te ingrijpend worden geacht. Maatregelen in het overdrachtsgebied Overdrachtsmaatregelen kunnen bestaan uit het plaatsen van schermen of geluidswallen. Het treffen van een maatregel in het overdrachtsgebied is in theorie mogelijk. Door een drijvend scherm te situeren kan de geluidbelasting als gevolg van de A44 gereduceerd worden tot maximaal de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Alsmede wordt de gecumuleerde geluidbelasting hiermee gereduceerd tot maximaal 62 dB (exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh). Dit scherm dient gesitueerd te worden aan de oostzijde van de woonschepenligplaats en dient vanaf de begane grond van de woonboot een minimale hoogte van 1,5 meter te hebben.

In figuur 7.1 worden de ligging en lengte van het scherm weergeven.

f7.1 Bronmaatregelen en maatregelen in het overdrachtsgebied

28

status: ontwerp

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

In bijlage 4 van het akoestisch onderzoek (O 16484 - 3 - RA- 001) worden de rekenresultaten opgenomen ingeval rekening wordt gehouden met de in figuur 7.1 aangegeven maatregelen. Maatregelen bij de ontvanger Indien bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende effectief blijken te zijn om de geluidbelasting vanwege wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde te beperken, kunnen maatregelen bij de ontvanger overwogen worden. In voorliggende situatie is de enige oplossing hiertoe, daar het een geluidgevoelig terrein betreft waar geen bouwkundige maatregelen mogelijk zijn, om de beoogde woonschepenligplaats anders te situeren. Conclusie Uit akoestisch onderzoek (zie bijlage 4) volgt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai ter plaatse van de terreingrens van de beoogde ontwikkeling wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt als gevolg van wegverkeer over de A44 en Oegstgeesterweg eveneens overschreden. Er treden ten gevolge van wegverkeer over de A44 en Oegstgeesterweg ter plaatse van de terreingrens geluidbelastingen op tot ten hoogste respectievelijk 57 en 59 dB (inclusief aftrek conform artikel 110 g Wgh). De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer over de overige wegen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde.

Aangezien de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor wegverkeer hiermee wordt overschreden, zal de geluidbelasting teruggebracht moeten worden tot ten hoogste 53 dB. Alleen wanneer de maximale ontheffingswaarde niet meer wordt overschreden, is het mogelijk om hogere waarden aan te vragen. Alvorens het college van burgemeester en wethouders hogere waarden kunnen verlenen, is onderzocht of door het treffen van stedenbouwkundige maatregelen (indeling bouwplan, situering geluidgevoelige bestemmingen), bron- of overdrachtsmaatregelen, dan wel (bouwkundige) maatregelen bij de ontvanger aan de maximale ontheffingswaarde dan wel voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. Alleen door het treffen van maatregelen, waarmee geen sprake meer is van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde, is de beoogde woonschepenligplaats mogelijk. Uit voorliggend onderzoek volgt dat ten eerste hiertoe het 30 km/uur-gedeelte van de Oegstgeesterweg verlengd dient te worden en ten tweede dient er een drijvend scherm gesitueerd te worden tussen de woonschepenligplaats en de A44. Door toepassing van de voornoemde maatregelen kan worden voldaan aan de Wet geluidhinder. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het benodigde geluidsscherm.

status: ontwerp

29

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

5.4

Bodem

Beoogde ontwikkeling in relatie tot milieu Het plangebied is overwegend in gebruik als woongebied/watergang. Toetsingskader Het Besluit ruimtelijke ordening stelt eisen aan de uitvoerbaarheid van plannen. Daarom is kennis van de bodem van belang voor het leggen van de bestemmingen. De Wet bodembescherming bevat kaders voor (het saneren van) ernstige verontreinigingen. De Woningwet en de Wet milieubeheer bevatten kaders omtrent het gebruik. Of een verontreiniging moet worden gesaneerd hangt af van de ernst en omvang. Uiteraard speelt het toekomstig gebruik ook een belangrijke rol. Onderzoek Van de onderhavige plandeelgebieden is geen relevante bodeminformatie beschikbaar. Binnen het plangebied zijn geen ernstige verontreinigingen bekend en naar de aard van het gebied worden die ook niet verwacht. Conclusie Het ligt niet in de lijn der verwachting dat (grootschalige) bodemverontreiniging aanwezig is die belemmerend doorwerkt op de planvorming. Deze hypothese zal in voorkomende gevallen in de praktijk worden getoetst op grond van de bouwverordening en in het kader van grondtransacties.

5.5

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Het bestemmingsplan moet voldoen aan de Wet milieubeheer, Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. De kern van dit hoofdstuk is het Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL), een bundeling van maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Uit het NSL volgt het onderscheid tussen grote en kleine projecten: grote projecten, die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren; kleine projecten hebben geen wezenlijke invloed op de luchtkwaliteit en behoeven niet te worden Het begrip 'in betekenende mate' (Wm, art. 5.16 lid 1c), is verder uitgewerkt in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Nibm). Een plan draagt niet in betekenende mate bij als aannemelijk wordt gemaakt dat de toename van de jaargemiddelde concentratie aan fijnstof of stikstofdioxide minder is dan 3 % van de grenswaarde van 40 ug/m3. Dan hoeft niet verder te worden getoetst aan de grenswaarden uit de wet. Naast de 3 %-grens uit het Besluit Nibm is er de Nibm-regeling, waarin categorieën van gevallen zijn benoemd welke in elk geval niet bijdragen. Onder die categorieën vallen woningbouwlocaties (tot 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg) en kantorenlocaties (tot 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij één ontsluitingsweg).

Met de toepassing van de regeling wordt op cijfermatige wijze gekwantificeerd of een project in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening moet ook worden vastgesteld of er sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Onderzoek Het plan maakt de bouw van 1 woning + 1 ligplaats voor een woonschip mogelijk. Een plan van deze omvang draagt volgens het besluit Nibm niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging. De actuele luchtkwaliteit voldoet aan de nationale normen. Ook is er geen sprake van een dreigende overschrijding. Dit valt af te lezen uit de Monitoringstool, waarin het Rijk jaarlijks verslag doet van de resultaten van het NSL. Conclusie Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van een grenswaarde. Ook voldoet dit plan aan de Nibm-criteria en daarom hoeft geen verdere beoordeling van de luchtkwaliteit te worden uitgevoerd.

30

status: ontwerp

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

5.6

Natuurbescherming

Gebiedsbescherming Op basis van de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen waarop deze wet van toepassing is. In het aanwijzingsbesluit van elk gebied zijn de beschermingsdoelstellingen benoemd. In Katwijk zijn Berkheide en Coepelduynen aangewezen als natuurbeschermingsgebied. Soortenbescherming Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt ook de bescherming van planten en dieren. Bij werkzaamheden in het kader van het bouwen en inrichten van de buitenruimte moet worden voorkomen dat beschermde dieren- en plantensoorten schade ondervinden. Ten behoeve van de omgevingsvergunning moet worden aangetoond, middels ecologisch onderzoek, dat hetzij geen schade wordt toegebracht, hetzij hiervoor ontheffing op grond van die wet is verkregen. In het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan zal aannemelijk moeten worden gemaakt, op basis van een verkennend onderzoek of bestaande gegevens, dat de omgevingsvergunning zal kunnen worden verleend. Onderzoek De natuurbeschermingsgebieden Berkheide en Coepelduynen liggen op respectievelijk 2,5 en 3,5 km afstand. Het plan voorziet in de realisatie van 1 woning en en de verplaatsing van één woonschip. Gelet op de ligging en de omvang van het plan ontstaat er geen belasting op de beschermingsgebieden.

Op basis van het ecologisch rapport (KATW2020-6-QS1-V1 , zie bijlage 1) van 20 augustus 2020 blijkt dat door het plan geen soorten worden geschaad mits de aanbevelingen worden gevolgd. Uit het onderzoek blijkt dat negatieve effecten met maatregelen zijn te voorkomen door de werkzaamheden niet uit te voeren gedurende het broedseizoen of de werkzaamheden pas te laten starten na een broedvogelinspectie door een ecoloog. Voorkom vestiging van oeverzwaluw door in de periode april t/m juni steilwanden te voorkomen (in de vorm van zanddepots en afgravingen). Of zorg voor geleidelijke overgangen met een minimale verhouding van 1:3 óf dek de zandhopen af met een stevig zeil. voorkom vestiging van deze soorten door in de broedperiode (globaal van half maart t/m eind juli) bouwmateriaal, hopen houtafval of stenen direct te verwijderen uit het plangebied. Of dek de bouwmaterialen geheel af met een stevig zeil of doek. Voorkom de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de planlocatie van de woonboot. Voorkom ook het direct schijnen op het wateroppervlak van het Oegstgeesterkanaal om ervoor te zorgen dat een eventuele vliegroute van vleermuizen niet onderbroken wordt door lichtefecten. Als het schijnen van licht op het wateroppervlak voorkomen kan worden, is er geen nader onderzoek benodigd naar vleermuizen én hoeft er geen voortoets Natura 2000 uitgevoerd te worden.

In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor deze maatregelen. Conclusie Bij het opvolgen van de aanbevelingen zullen als gevolg van de uitvoering van het plan geen beschermde diersoorten worden geschaad, en wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Er is daarom een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor deze aanbevelingen.

5.7

Externe veiligheid

Risicobronnen in de omgving Inventarisatie risicobronnen De externe veiligheidsaspecten ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen, alsmede de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen, zijn geïnventariseerd voor de nabije omgeving van het plangebied. In het kader van de externe veiligheid zijn nabij de beoogde ontwikkeling een aantal risicobronnen gesitueerd. Dit betreft de volgende risicobronnen (zie figuur 5.2): Transport van gevaarlijke stoffen via aardgasbuisleidingen; Transport van gevaarlijke stoffen over de A44; Ammoniakkoelinstallatie aan de Vinkenweg 32; LPG-tankstation aan de Rijksweg A44. Op nog grotere afstand van het plangebied bevinden zich geen verdere risicobronnen waarvan het plangebied

status: ontwerp

31

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

binnen diens invloedsgebied is gelegen. f5.2 Uitsnede risicokaart.nl

Transport via de nabijgelgen aardgasbuisleidingen Nabij de beoogde ontwikkeling zijn hogedrukaardgasbuisleidingen gesitueerd (zie figuur 5.2). Voor de voornoemde leidingen gelden de in tabel 5.1 genoemde invloedsgebieden. In deze tabel wordt eveneens de afstand van de aardgasbuisleidingen tot het plangebied weergegeven.

Tabel 5.1

Hogedrukaardgasbuisleidingen in de omgeving van het plangebied en diens invloedsgebied Kenmerk

Invloedsgebied

Afstand tot plangebied

W-535-01

140 m

3m

A-560

430 m

185 m

W-535-16

120 m

495 m

Aangezien de beoogde ontwikkeling, te weten de realisatie van een kwetsbaar object, binnen het invloedsgebied van aardgasbuisleiding W-535-01 en A-560 is gelegen dienen, conform het Bevt, de externe veiligheidsrisico's nader inzichtelijk gemaakt te worden middels een kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Aan de Vinkenweg 51 bevindt zich op circa 490 meter van het plangebied een gasdrukregel- en meetstation. Een gasdrukregel- en meetstation is geen inrichting in het kader van het Bevi, echter gelden er conform het Activiteitenbesluit veiligheidsafstanden van de opstelplaats van een gasdrukmeet- en regelstation tot buiten de inrichting gelegen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Voor een gasdrukregel- en meetstation geldt maximaal een afstand van 25 meter (afhankelijk van de opstellingswijze) als veiligheidsafstand tot kwetsbare objecten. Aangezien dit station op ruime afstand van het plangebied is gelegen, vormt dit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Transport van gevaarlijke stoffen over de A-44 Ten oosten van de beoogde ontwikkeling is de A44 gelegen. De beoogde woonbootligplaats is op circa 310

32

status: ontwerp

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

meter van de A44 gelegen. Deze weg valt onder de werkingssfeer van het Basisnet en wordt benoemd in bijlage I van de Regeling Basisnet. Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar is op 0 meter gelegen, en is hiermee aldus niet over het plangebied gelegen. Conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de bijbehorende Regeling Basisnet kan het zijn dat er beperkingen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen binnen een zone van 200 meter aan weerszijden van een transportroute. De A44 bevindt zich echter op meer dan 200 meter afstand van de beoogde ontwikkeling, hetgeen betekent dat de externe veiligheidsrisico's niet nader inzichtelijk gemaakt hoeven te worden. Ammoniakkoelinstallatie aan de V i nkenweg 32 Aan de Vinkenweg 32, op circa 485 meter afstand van het plangebied, is sprake van een ammoniakkoelinstallatie. Dit betreft een installatie van W. Heemskerk bv. Er is hierbij sprake een risicovolle inrichting in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) waarbij het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de machinekamer buiten de inrichting is gelegen. Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar is op 45 meter afstand gelegen. Deze installatie is op een ruime afstand van het plangebied gelegen en vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

LPG- t ankstation aan de A 44 Aan de Rijksweg A44 bevindt zich het LPG-tankstation 'BP Elsgeest'. Dit tankstation bevindt zich op een afstand van circa 715 meter. Een LPG-tankstation is een inrichting die ressorteert onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar volgt uit de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor respectievelijk het vulpunt, het ondergronds reservoir en de afleverzuil zijn deze afstanden 40 meter, 25 meter en 15 meter. De beoogde ontwikkeling is op ruime afstand van dit tankstation gelegen, en het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar is dan ook niet over het plangebied gelegen. Een LPG-tankstation kent bovendien een invloedsgebied van 150 meter (zowel vanaf het vulpunt als vanaf het reservoir). De beoogde ontwikkeling is eveneens niet binnen het invloedsgebied van dit tankstation gelegen, en vormt hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Enkel het transport van gevaarlijke stoffen via nabijgelegen aardgasbuisleidingen vragen om extra aandacht. Hiertoe dienen de externe veiligheidsrisico's in de vorm van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) nader inzichtelijk gemaakt te worden. Er is geen sprake van overige risicobronnen in de omgeving van de beoogde ontwikkeling welke om een nadere beschouwing vragen.

In voorliggende rapportage wordt in de vorm van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) nader ingegaan op de externe veiligheidsrisico's ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen via de nabijgelegen aardgasbuisleidingen.

QRA Buisleiding

Hogedruk aardgasbuisleidingen Nabij het plangebied zijn hogedrukaardgasbuisleidingen van de Gasunie gelegen. In figuur 5.1 is de ligging van deze hogedrukaardgasbuisleidingen weergeven. In de figuur zijn tevens de invloedsgebieden (van 140 meter en 430 meter) van de nabijgelegen hogedrukaardgasbuisleidingen weergegeven. Het invloedsgebied staat gelijk aan de 1% letaliteitscontour. De 1% letaliteitscontour geeft het gebied aan waarbinnen 1% van de bevolking komt te overlijden ten gevolge van een incident met de hogedruk aardgastransportleiding (fakkelbrand). Dit gebied wordt ook uitgedrukt als het invloedsgebied. figuur 5.3

Ligging aardgasbuisleidingen en invloedsgebieden (bron luchtfoto: Google Earth)

status: ontwerp

33

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

De beoogde ontwikkeling is binnen de invloedsgebieden van deze buisleidingen gelegen. Tevens is de beoogde ontwikkeling binnen de 100%-letaliteitscontour (van 70 meter) van buisleiding W-535-01 gelegen. De beoogde ontwikkeling bevindt zich niet binnen de 100%- letaliteitscontour (van 180 meter) van buisleiding A-560. De eigenschappen van de betreffende hogedrukaardgasbuisleidingen zijn opgenomen in tabel 5.2

Tabel 5.2

Kenmerken hogedrukaardgasbuisleiding Kenmerk

Uitwendige diameter (inch)

Inwendige druk (bar)

W-535-01

12,76

40

A-560

35,98

66,2

W-535-16

10,75

40

Voor de modellering is gebruikgemaakt van de software CAROLA, versie 1.0.0.51. De leidinggegevens zijn verstrekt door de beheerder Gasunie. Deze gegevens zijn aangeleverd als een versleuteld leidingbestand. Hierdoor is geborgd dat de leidinggegevens afkomstig zijn van de leidingexploitant. Beschouwde scenario's Om de verandering van het groepsrisico ten gevolge van de realisatie van de beoogde ontwikkeling in beeld te brengen is het groepsrisico berekend voor zowel de huidige als de toekomstige situatie. Populatiegegevens omgeving Voor de bepaling van het groepsrisico is het noodzakelijk dat de bevolking binnen de invloedsgebieden, oftewel de 1%-letaliteitscontour, van de transportleidingen geïnventariseerd wordt. In figuur 5.2 wordt het gebied weergeven wat meegenomen dient te worden in de QRA. Dit gebied wordt gevormd door de invloedsgebieden, waarbij aan de weerszijden van het plangebied een lengte van één kilometer van de buisleiding (indien aanwezig), vermeerderd met de 1%-letaliteitsafstand, wordt aangehouden. Figuur 5.4 Leidinglengte welke meegenomen dient te worden in QRA, inclusief het bijbehorende invloedsgebied

34

status: ontwerp

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

Voor de populatiegegevens van de omgeving is gebruik gemaakt van de populatieservice3 . Deze tool is gebaseerd op de basisadministratie en gebouwen (BAG) en aanwezigheidskentallen conform de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART). Beoordeling De beoogde ontwikkeling is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour van 10 -6 per jaar. Aan deze grenswaarde wordt aldus voldaan. Het groepsrisico is in de voorliggende situatie kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en er is geen sprake van een relevante toename van het groepsrisico (>10 %). Bovendien wordt de oriëntatiewaarde niet overschreden. Een verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 12 derde lid onder b van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) aldus niet aan de orde. Wel dienen de mogelijkheden tot voorbereiding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen die zich bevinden binnen het invloedsgebied beschouwd te worden. In voorliggende situatie is geen sprake van een grote hoeveelheid personen ter plaatse van het plangebied. Alsmede is het voor de mogelijk aanwezige personen goed mogelijk om van de risicobron weg te vluchten ingeval van een calamiteit. Advies Veiligheidsregio Hollands Midden De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft advies uitgebracht (zie bijlage 5).

Het advies van de Veiligheidsregio is als volgt: Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten te beperken en / of de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten te verbeteren, adviseren wij u het volgende: De opkomsttijd van de brandweer naar het plangebied wordt overschreden met circa één minuut. Geadviseerd wordt om deze geringe overschrijding te accepteren, mede gezien de realisatie van bouwkundige en installatietechnische voorzieningen welke (behoren te) voldoen aan het nieuwbouwniveau

status: ontwerp

35

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

van het Bouwbesluit. Daarnaast wordt geadviseerd om te investeren in risicocommunicatie. Door te communiceren over de mogelijke scenario's in een gebied (fakkelbrand) worden mensen zich meer bewust van wat ze moeten doen bij het scenario. Conclusie In opdracht van gemeente Katwijk is een onderzoek uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico's die een rol kunnen spelen bij de beoogde ontwikkeling van een woonschepenligplaats aan de Oegstgeesterweg te Rijnsburg. Aangezien de beoogde ontwikkeling conform wetgeving op het gebied van externe veiligheid een kwetsbare object betreft en niet binnen het vigerende bestemmingsplan past, vergt het aspect externe veiligheid een nadere beschouwing. De externe veiligheidsaspecten ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen, alsmede de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen, zijn geïnventariseerd voor de nabije omgeving van het plangebied. In het kader van de externe veiligheid is met name het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen relevant. Het plangebied bevindt zich namelijk binnen het invloedsgebied van een tweetal aardgasbuisleidingen. Voor de beoogde ontwikkeling is om deze reden een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: De beoogde ontwikkeling is op een dusdanig grote afstand van de buisleidingen gelegen dat er voldaan wordt aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van 10 -6 per jaar. Uit de QRA volgt dat de oriëntatiewaarde in de huidige als in de toekomstige situatie niet wordt overschreden. Het groepsrisico neemt bovendien niet toe ten opzichte van de huidige situatie. Aangezien het groepsrisico niet toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde. Wel dienen de mogelijkheden tot voorbereiding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen die zich bevinden binnen het invloedsgebied beschouwd te worden. In voorliggende situatie is daarbij slechts sprake van een beperkt aantal personen ter plaatse van de woonschepenligplaats, en is het redelijkerwijs mogelijk om van de risicobron af te vluchten ingeval van ramp. Hiermee vraagt dit aspect niet om een nadere beschouwing en kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling (zie bijalge 2).

5.8

Niet gesprongen explosieven

Er is een vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van conventionele explosieven ( rapport AVG Explosieven Opsporing Nederland, 19 april 2013). Er zijn geen feitelijke indicaties voor de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven gevonden en derhalve is het plangebied niet verdacht op de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven.

5.9

Milieueffectrapportage (MER)

Toetsingskader Een ruimtelijk plan is mer-plichtig indien de activiteit voorkomt in de bijlage van het Besluit mer. Wanneer voor het plan een passende beoordeling nodig is op grond van de Natuurbeschermingswet, dan moet eveneens een mer worden opgesteld. Daarnaast kan de ruimtelijk context of cumulatie met de omgeving aanleiding zijn om een mer-beoordeling uit te voeren. Onderzoek Het plan voorziet niet in activiteiten in een omvang als bedoeld in de onderdelen C en D van de bijlage uit het Besluit mer. Ook behoeft voor dit plan geen passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet te worden gemaakt. Uit de in dit hoofdstuk uitgevoerde analyse van milieuaspecten blijkt dat het plan - zowel op zichzelf als in combinatie met andere projecten (cumulatie) - geen belangrijke milieugevolgen veroorzaakt die een mer-beoordeling rechtvaardigen. Conclusie

36

status: ontwerp

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

Het plan is niet mer(beoordelings)-plichtig.

5.10 Waterhuishouding Beoogde ontwikkeling in relatie tot milieu De gemeente is verantwoordelijk voor stedelijk water. De afspraken uit het Waterplan zijn leidend voor de planvorming. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) zijn vervolgens afspraken gemaakt aangaande de zorgplicht voor grondwater, hemelwater en afvalwater. Waterneutraal bouwen De drie trapsstrategie uit WB21 (Waterbeheer in de 21e eeuw) vasthouden- bergen- afvoeren is uitgangspunt bij waterneutraal bouwen. Om uitvoering te geven aan WB21 is het Nationaal Bestuursakkoord Water afgesloten tussen rijk, provincies, gemeenten en waterschappen. Voor maatregelen dient de volgende volgorde te worden aangehouden: 1. Voorkomen van afvoer dat wil zeggen minimalisatie van het verhard oppervlak en regenwater, vasthouden op de plek waar het valt. 2. Benutten van regenwater ten behoeve van drinkwaterbesparing (grijswatercircuit). 3. Infiltreren van regenwater ten behoeve van grondwateraanvulling. 4. Afvoer naar en berging in het oppervlaktewater. Voorbeelden van bovengenoemde maatregelen zijn: Bouwtechnische voorzieningen zoals bergingkelders, grijswatercircuits. Toepassen grasdaken. Toepassen half open verharding. Toepassen flauwer taluds watergangen. Wadi's. Indien moet worden afgevoerd naar het oppervlaktewater treedt de 15 % regel in werking.

Dit betekent dat van het toegenomen verhard (met een ondergrens van 500 m2) oppervlak 15 % aan extra wateroppervlak moet worden gerealiseerd. Grondwater In de Wet gemeentelijke watertaken zijn regels opgenomen voor grondwater. De eigenaar van het perceel is zelf verantwoordelijk voor het grondwater. Daarbij heeft de gemeente een zorgplicht maar kan niet verantwoordelijk gesteld worden voor grondwateroverlast. In de directe nabijheid van de locatie zijn geen grondwatermeetgegevens voorhanden. Isohypsen wijzen echter op een hoge grondwaterstand. Eventueel te veel aan grondwater kan direct op het oppervlaktewater worden geloosd. Indien er een kelder wordt aangebracht, wordt dit beschouwd als een bouwkundige voorziening en dient derhalve de constructie waterdicht te zijn. Duurzaam bouwen De toepassing van uitloogbare bouwmetalen zoals koper, zink en lood voor dakbedekking, gevelbekleding, regenwaterafvoer, drinkwaterleidingen of straatmeubilair moet zo veel mogelijk worden voorkomen zodat minder verontreinigende stoffen in het watersysteem terecht komen. Conclusie De toename aan verhard oppervlak, voor de ligplaats voor een woonboot en het bouwvlak voor 1 woning, is kleiner dan 500 m2 en daarmee is er geen verplichting tot het aanleggen van extra water.

status: ontwerp

37

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

5.11 Archeologie Waarom een archeologische verwachtingskaart en beleid in Katwijk? Volgens de Erfgoedwet is het verplicht om in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling aandacht te schenken aan mogelijk aanwezige archeologische waarden. Indien planontwikkelingen bodemverstoringen tot gevolg hebben en daarbij archeologische waarden in het geding kunnen komen is men tegenwoordig verplicht om archeologisch onderzoek te laten verrichten. De kosten voor eventueel verplicht archeologisch onderzoek komen ten laste van de initiatiefnemer voor de verstoringen. Over het algemeen worden de archeologische verwachtingskaarten van het rijk en de provincie gebruikt om te kijken of er bij de ontwikkeling van een bepaald gebied archeologie te verwachten is. Deze kaarten zijn echter veelal niet precies genoeg en daarom heeft de gemeente Katwijk opdracht gegeven voor de vervaardiging van een eigen meer gedetailleerdere archeologische verwachtingskaart (RAAP Archeologisch Adviesbureau, 2015: Gemeente Katwijk: een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, Leiden, RAAP-rapport 2852). Gebleken is dat binnen de gemeente Katwijk namelijk een gemiddeld hoge archeologische verwachting bestaat. Om de omgang daarmee in goede banen te leiden is het nodig om over een beleidsinstrument zoals een eigen verwachtingskaart te beschikken.

Deze kaart en de aanwezigheid van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid maken bovendien dat de gemeente nu zeggenschap heeft over haar eigen bodemarchief. Ze heeft namelijk met dit beleid de garantie afgegeven dat in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling archeologische belangen worden meegewogen, dit is sinds kort een landelijk wettelijke plicht. De wijze waarop archeologische belangen worden getoetst, is vastgelegd in een archeologisch protocol, zoals opgenomen in de beleidsnota, en in voorwaarden voor bestemmingsplannen en bouwvergunningen. Het gevolg is wel dat elke inwoner van de gemeente Katwijk in het vervolg met archeologisch onderzoek in aanraking kan komen. Toetsing op de aanwezigheid van archeologische waarden is immers een standaard onderdeel geworden van de vergunningsprocedures. Indien ontwikkelaars of individuele inwoners van de gemeente Katwijk van plan zijn om een omgevingsvergunning aan te gaan vragen kunnen deze zelf vooraf al bekijken of ze daarbij rekening moeten houden met archeologische verwachtingen en een onderzoeksplicht. De hier volgende termen komen ook terug in het archeologisch protocol en de bestemmingsplanregels. Archeologische Monumenten.

Archeologische Monumenten. Er bestaan twee soorten archeologische monumenten, 'beschermde monumenten' en 'monumenten'. Het rijk verzorgt de bewaking over de beschermde archeologische monumenten, eigenlijk dus archeologische rijksmonumenten. Net als voor monumentale gebouwen bestaat voor de archeologische rijksmonumenten een vergunningprocedure. Met betrekking tot terreinen die archeologische rijksmonument zijn, moet voor werkzaamheden en activiteiten die bodemverstoringen tot gevolg kunnen hebben een monumentenvergunning worden aangevraagd. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed verstrekt deze monumentenvergunningen. Het rijk streeft er naar deze rijksmonumenten in te passen in plangebieden door ze vrij van bebouwing te laten en ze anders in te richten, bijvoorbeeld in de vorm van een park. Archeologische monumenten zijn terreinen waarvan de archeologische waarde al duidelijk is geworden aan de hand van eerder gedaan archeologisch onderzoek. Officieel zijn terreinen met een archeologische monumentenstatus niet beschermd, maar dat wil slechts zeggen dat er geen monumentenvergunning vereist is. De provincie bewaakt deze terreinen door ze uit te roepen als attentiegebied of ze te beschermen binnen de besluitvormingprocedures in het kader van de ruimtelijke ordening.

Het liefst ziet de provincie deze terreinen behouden, bijvoorbeeld door te eisen dat in het geval van bebouwing een bouwmethode wordt gebruikt waarbij geen bodemverstoringen plaatsvinden. In sommige gevallen mag een deel van een archeologisch terrein met monumentale status worden opgegraven, maar alleen onder strenge kwaliteitseisen en onderzoeksvoorwaarden.

Waarde - Archeologie (WR - A) Archeologisch waardevolle gebieden zijn gebieden waarvan de archeologische waarde al bepaald is aan de hand van eerder gedaan archeologisch onderzoek, meestal zijn dit de archeologische monumenten waar de provincie zeggenschap over heeft. Daarnaast zijn de historische dorpskernen van Katwijk, Valkenburg en Rijnsburg archeologisch waardevol gebied. Voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen bestaat voor de archeologisch waardevolle gebieden geen vrijstellingsnorm. Indien er sprake is van voorgenomen verstoringen van de bodem is het verplicht vooraf archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Pas na overlegging van een rapport van archeologisch onderzoek aan het bevoegd gezag, over het algemeen de gemeente, kan een vergunning worden afgegeven.

38

status: ontwerp

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied (WR - AV) Archeologische verwachtingsgebieden zijn gebieden waarvan nog geen bepaling van archeologische waarden bestaat. Daar is dus nog niet eerder archeologisch onderzoek verricht. Wel kan op basis van de geologische geschiedenis van deze gebieden een voorspelling worden gedaan over de mate van verwachting op aanwezige archeologische sporen. Deze verwachting is uitgedrukt in lage, middelmatige en hoge archeologische verwachting. In het geval van een lage archeologische verwachting kan geen archeologisch onderzoek voorafgaande aan de afgifte van een vergunning worden verplicht. Ten aanzien van de gebieden met een middelmatige tot hoge archeologische verwachting is dit echter wel het geval. Het soort archeologisch onderzoek kan per gebied verschillen. Deze verschillen hangen samen met de geologische eigenschappen van het gebied en de te verwachten aard van de archeologie. Net als voor gebieden met een lage archeologische verwachting, bestaat voor bodemverstorende activiteiten een bepaalde vrijstelling (zie de archeologische beleidskaart Katwijk 2015). Archeologisch onderzoek is dan geen vereiste, dit ongeacht de mate van archeologische verwachting. Meldingsplicht bij onverwachte archeologische vondsten.

Indien er tijdens graafwerkzaamheden, ongeacht de locatie en de omvang, onverwachte archeologische resten worden aangetroffen, blijft in alle gevallen nog altijd een wettelijke meldingsplicht voor archeologische vondsten bestaan. In het geval het bijzondere vondsten betreft, kan de gemeentelijke archeoloog deze dan namelijk nog laten opgraven met behulp van een noodopgraving of bergen voordat ze worden afgevoerd met het stort. Wanneer moet ik archeologisch onderzoek laten uitvoeren? Een verplichting op archeologisch onderzoek geldt voor alle bodemingrepen binnen gebieden die staan beschreven als 'archeologisch waardevol gebied'. Ook geldt de plicht op archeologisch onderzoek binnen alle gebieden met een middelmatige tot hoge archeologische verwachting maar alleen indien de bodemingreep groter is dan daarvoor bepaalde vrijstellingsomvang. Aan de diepte van de bodemingreep zijn eveneens specifieke vrijstellingsnormen verbonden. Wanneer is archeologisch onderzoek niet verplicht? Er bestaat geen verplichting op archeologisch onderzoek in gebieden waarvoor een lage archeologische verwachting geldt. Indien er sprake is van een middelmatige of hoge archeologische verwachting en de bodemingreep is kleiner dan 250 m2 vervalt eveneens de plicht op archeologisch onderzoek.

Indien aantoonbaar (!) is dat al eerder bodemverstoringen hebben plaatsgevonden die dieper reiken dan de bodemverstoringen die zijn voorgenomen dan is archeologisch onderzoek eveneens niet langer verplicht. Hierbij moet wel worden opgelet dat ook het onderheien van bouwconstructies onder bodemverstoringen valt. In het geval van heiwerkzaamheden wordt de ondergrond tot op vele meters diepte verstoord en zal dus archeologisch onderzoek plaats moeten vinden indien die plicht bestaat. Ook bij het aanleggen van leidingen en kabels kan de bodem soms tot op grote diepte verstoord worden, ook daar moet rekening mee worden gehouden. Conclusie plangebied Voor de woonbootlocatie is er op basis van de beleidskaart archeologie geen plicht tot archeologisch onderzoek. Het plangebied van het bouwvlak (en daarmee het plangebied van deze locatie) naast Oegstgeesterweg 251 is kleiner dan 250 m2, waardoor er ook geen plicht is tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

5.12 Cultuurhistorie Cultuurhistorie Tientallen eeuwen van ontginnen, bouwen, wonen en werken hebben Zuid-Holland gemaakt tot een cultuurlandschap bij uitstek. Kerken, boerderijlinten, bollenschuren, dorpsgezichten maar ook dijken, verkavelingspatronen en archeologische vindplaatsen getuigen hiervan. Deze cultuurhistorische waarden zijn van grote betekenis voor onze leefomgeving. Daarom willen rijk, provincie maar ook de gemeente Katwijk deze cultuurhistorie behouden of inpassen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Naast archeologische waarden zullen ook cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk moeten worden meegewogen bij de voorbereiding van bestemmingsplannen. Vergelijkbaar met de huidige regelgeving voor beschermde stadsen dorpsgezichten dient in ieder bestemmingsplan een afweging gemaakt te worden over de wijze waarop met de cultuurhistorische belangen wordt omgegaan. Daarnaast is in het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan (regels, verbeelding) een analyse verplicht naar de aanwezige cultuurhistorische waarden en een beschrijving van de wijze waarop hiermee is omgegaan.

status: ontwerp

39

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

Hieronder wordt aan de hand van de historische stedenbouw en bouwkunde, het historisch landschap voor het kavel in het plangebied De Horn te Rijnburg verkend welke waarden er aanwezig zijn en welke mogelijkheden er vanuit deze onderwerpen zijn. Historische stedenbouw/bouwkunde In het plangebied is sprake van historische bebouwing langs het lint van de Oegstgeesterweg. Deze bebouwing had kavels tot aan de Vliet. De panden hebben hier een agrarisch karakter en vinden hun oorsprong overwegend in de bollenteelt (kwekerswoningen met vrijstaande of aangebouwde bollenschuur). Naast het bouwkavel staat een gemeentelijk monument, de voormalige boerderij Oegstgeesterweg 245-247. Conclusie Het plaatsen van een gebouw op het kavel tussen het monument Oegstgeesterweg 245-247 en het pand 251 doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van het bebouwingslint langs de Oegstgeesterweg, mits de voorgevel op de weg gericht is, er een kap op het pand komt en het pand wordt ingepast in het groen. Op deze wijze wordt geen afbreuk gedaan aan het karakteristieke bebouwingslint langs de Oegstgeesterweg, dat met name een agrarisch en groen karakter heeft.

40

status: ontwerp

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

De herziening van het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels zijn juridisch bindend. De toelichting moet hierbij gezien worden als een uitleg wat met de verbeelding en de regels wordt beoogd. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van de functies en vorm in het bestemmingsplangebied. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar zijn en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale plannen moeten voldoen. Zo bevatten de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Planvorm De bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een ligplaats voor een woonboot en een bouwvlak van een extra woning mogelijk.

Bij de opstelling van dit bestemmingsplan is de maximaal aanvaardbare stedenbouwkundige variant bepaald. Deze is vervolgens in het bestemmingsplan opgenomen.Dit betekent concreet dat perceelsgewijs de maximale bouwmogelijkheden en gebruiksvormen in dit bestemmingsplan vastliggen. Hieruit volgt dat er in beginsel geen ruimte is om, met de mogelijkheden die de wet daarvoor biedt, nog andere bouwmogelijkheden en/of gebruiksvormen toe te staan. Alleen in uitzonderlijke gevallen, waarin sprake is van onvoorziene ontwikkelingen, zal worden overwogen van dit bestemmingsplan af te wijken. Verbeelding en regels Uitgangspunt is dat de digitale verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele afwijkings- en wijzigingsregels opgenomen. Bestemmingsvlak en bouwvlak De in het plangebied aanwezige bestemmingen bestaan in de meeste gevallen uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied dat op de digitale verbeelding is aangeven waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Het bouwvlak is op de digitale verbeelding voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering.

Aanduidingen Op de digitale verbeelding is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen. Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringsaanduidingen, waaronder de goot- en bouwhoogte, het maximum bebouwingspercentage en het maximum aantal wooneenheden. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bij de toepassing van het bestemmingsplan specifieke regels gelden of waar nadere afwegingen moeten worden gemaakt. Opbouw planregels De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

status: ontwerp

41

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

6.2

Opbouw regels

Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Begrippen die in de regels worden gebruikt en die uitleg behoeven, worden in dit artikel uitgelegd. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel bevat technische regelingen om onder andere oppervlaktes, hoogtes, dieptes en breedtes te kunnen bepalen. Bestemmingsregels In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. In het bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Artikel 3 Tuin De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor tuinen bij de op aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Voor deze gronden gelden bepaalde bouwregels en specifieke gebruiksregels. Artikel 4 Water De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor de waterhuishouding en de waterberging, waterstaatkundige kunstwerken en voorzieningen, verkeer te water, infiltratievoorzieningen, kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden. Voor de woonboot is een specifieke aanduiding opgenomen binnen de bestemming water. Artikel 5 Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-gebonden beroep of consumentverzorgende bedrijfsactiviteit, aan de bestemming ondergeschikte gemeenschapsruimten en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, nutsvoorzieningen, erven, tuinen, verhardingen en water.

Voor de woningen gelden bepaalde bouwregels, nadere eisen en specifieke gebruiksregels en kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels. Artikel 6 Waterstaat - Waterkering Voor de in het plangebied aanwezige waterkeringen is de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering opgenomen ter bescherming van deze gronden. Bouwen is op deze gronden niet zondermeer toegestaan en moet ten dienste zijn van de dubbelbestemming.

Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Deze regel dient te voorkomen dat situaties ontstaan welke niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van het plan. Daar voor een gebouw een zeker open terrein is vereist, wordt via de anti-dubbeltelregel voorkomen dat eenzelfde terrein twee keer wordt “meegenomen” bij de beoordeling van een bouwaanvraag. Grond die al eerder moest worden meegeteld bij de beoordeling van een bouwplan mag niet nog eens worden meegeteld bij een nieuwe bouwaanvraag. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. In lid 3 van dit artikel is onder andere de bepaling over ondergronds bouwen opgenomen. Artikel 9 Overige regels In dit artikel wordt de gemeentelijke vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren van toepassing verklaard als voorwaarde voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen of afwijken. Overgangs- en slotregels

42

status: ontwerp

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

Artikel 10 Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan bestaan of waarvoor een bouw- dan wel omgevingsvergunning is aangevraagd, mogen blijven bestaan, ook wanneer dit strijdig is met de bebouwingsregels. Dit overgangsrecht geldt niet voor gebouwen die ook reeds in strijd waren met het voorgaande bestemmingsplan en waarvoor geen omgevingsvergunning is verleend. Voor het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag worden voortgezet, tenzij het gebruik ook reeds in strijd was met het voorgaande plan. Artikel 11 Slotregel In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 2e Herziening De Horn.

status: ontwerp

43

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid & handhaving

Vooroverleg

Het plan is in het kader van het vooroverleg ter advisering naar de diverse overleginstanties gestuurd. In totaal hebben x instanties op het ontwerp bestemmingsplan “2e Herziening De Horn” gereageerd. In deze paragraaf worden de reacties kort weergegeven. Tevens wordt aangegeven hoe de reacties in het plan zijn verwerkt. Ingediende reacties 1. Reactie ingediend door …………………………….. Reactie overleg instantie Reactie gemeente Katwijk 2. Reactie ingediend door ……………enz……………… Reactie overleg instantie Reactie gemeente Katwijk 3. Geen reactie ingediend door ……………………………… 4. Geen reactie ingediend door ………….enz…………...

7.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan “2e Herziening De Horn” heeft van … gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om schriftelijk en mondeling op het plan te reageren. In totaal zijn er … zienswijzen op het plan ingediend. Ingediende zienswijzen De eventueel ingediende zienswijzen worden verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan.

7.3

Economische uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan 2e Herziening De Horn wordt opgesteld onder regime van de nieuwe Wro. Onderdeel van de nieuwe Wro is de GREX – wet. De wetgever heeft met de nieuwe regeling inzake de grondexploitatie, ook wel Grondexploitatiewet (GREX – wet) genoemd, een oplossing willen bieden voor het probleem dat gemeenten bij de ontwikkeling van nieuwe gebieden geen of slechts beperkte mogelijkheden van kostenverhaal hebben, indien zij niet de eigenaar zijn van de te ontwikkelen gronden (afdeling 6.4 Wro). Dit als stok achter de deur als het niet lukt om een exploitatieovereenkomst af te sluiten met de private grondeigenaren. Er zijn twee mogelijkheden om (privaatrechtelijk) de kosten te verhalen: 1. anterieure exploitatieovereenkomst, exploitatieovereenkomst voordat een exploitatieplan aan de orde is. 2. posterieure exploitatieovereenkomst, exploitatieovereenkomst die gesloten wordt na de inwerkingtreding van een exploitatieplan. Het exploitatieplan is verplicht als het niet lukt om een anterieure exploitatieovereenkomst af te sluiten met de eigenaren binnen het exploitatiegebied. Het exploitatieplan biedt dan een grondslag om de kosten van openbare voorzieningen via de omgevingsvergunning te innen. Consequenties bestemmingsplan 2e Herziening De Horn In het bestemmingsplan 2e Herziening De Horn wordt een woning mogelijk gemaakt en een woonbotenligplaats.

Voor het bestemmingsplan 2e Herziening De Horn geldt de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan, tenzij kosten anderszins zijn verzekerd. De kosten zijn anderszins verzekerd, omdat er een anterieure overeenkomst is gesloten met de eigenaren.

44

status: ontwerp

Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"

7.4

Handhaving

De gemeente Katwijk heeft in het plan 'Organisatie van het Vergunning- en Handhavingsbeleid 2012-2016' voor de komende jaren het integrale toezichts- en handhavingsbeleid vastgelegd. Dit beleid richt zich op de bebouwde omgeving met als doel een bijdrage te leveren aan de naleving van gestelde normen en regels. Het streefbeeld voor de gemeentelijke toezichts- en handhavingstaak is om deze op een structurele en integrale manier vorm te geven. Eventuele toepassing van bestuurs- of strafrechtelijke sancties maakt de toezichts- en handhavingsketen compleet. Toezicht wordt gehouden op de uitvoering van verleende omgevingsvergunningen. Er vindt controle plaats of wordt gebouwd conform bij de vergunning horende bouwtekeningen en of voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. Doel is het waarborgen van een basiskwaliteit ten aanzien van de bouwkundige staat, veiligheid, en de milieukundige, ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteit van de bebouwde omgeving. Verder wordt toezicht gehouden op precariorechten, de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en leegstand. Voor handhavingstaken voortvloeiend uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is sprake van signaaltoezicht en wordt samengewerkt bij evenemententoezicht. Thema's als duurzaam bouwen en veiligheid vormen steeds vaker een onderdeel van de toezichtstaak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9665634/1