9. Bijlage 1. Ontwerpbestemmingsplan 2e herziening De Horn (1733887)
Tekst van het document
2e Herziening De Horn
Inhoudsopgave behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Inhoudsopgave
Vastste llingsbe sluit
5
Toe lichting
7
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Situering en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer
8 8 8 8 8
Hoofdstuk 2 Beleidskader 2.1 Rijksbeleid en relevante wetgeving 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Regionaal beleid 2.4 Gemeentelijk beleid
9 9 12 13 15
Hoofdstuk 3
22
Huidige situatie
Hoofdstuk 4 Planopzet 4.1 Stedenbouwkundige opzet 4.2 Verkeer en Vervoer 4.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
23 23 23 24
Hoofdstuk 5 Milieu & omgevingsaspecten 5.1 Duurzaam ontwikkelen 5.2 Bedrijvigheid 5.3 Geluid 5.4 Bodem 5.5 Luchtkwaliteit 5.6 Natuurbescherming 5.7 Externe veiligheid 5.8 Niet gesprongen explosieven 5.9 Milieueffectrapportage (MER) 5.10 Waterhuishouding 5.11 Archeologie 5.12 Cultuurhistorie
25 25 25 27 30 30 31 31 36 36 37 38 39
Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving 6.1 Algemeen 6.2 Opbouw regels
41 41 42
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid & handhaving 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen 7.3 Economische uitvoerbaarheid 7.4 Handhaving
44 44 44 44 45
Hoofdstuk 8
46
Procedure bestemmingsplan
Bijlage n bij de Toe lichting
47
Bijlage 1
Quickscan Wet natuurbescherming
48
Bijlage 2
Onderzoek externe veiligheid
96
Bijlage 3
Onderzoek bedrijven en milieuzonering
182
Bijlage 4
Onderzoek wegverkeerslawaai
191
Bijlage 5
Advies Veiligheidsregio Hollands Midden
233
2
status: ontwerp
Inhoudsopgave behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Re ge ls
241
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
242 242 252
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Bestemmingsregels Tuin Water Wonen Waterstaat - Waterkering
254 254 255 256 258
Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Overige regels
259 259 260 261
Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
262 262 263
Bijlage n bij de Re ge ls
265
Bijlage 1
Bijlage 1 Nota parkeernormen 2020
266
Bijlage 2
Staat van bedrijfsactiviteiten functiemenging
308
status: ontwerp
3
behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
4
status: ontwerp
Vaststellingsbesluit behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Vaststellingsbesluit
status: ontwerp
5
Vaststellingsbesluit behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
6
status: ontwerp
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Toelichting
status: ontwerp
7
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het bestemmingsplan 2e Herziening De Horn is opgesteld om de verplaatsing van een woonboot mogelijk te maken langs de Oegstgeesterweg en in het Oegstgeesterkanaal. Daarnaast maakt het bestemmingspaln een extra woning mogelijk naast Oegstgeesterweg 251. Deze mogelijkheid is per abuis wegbestemd met de vaststelling van bestemmingsplan De Horn.
1.2
Situering en begrenzing plangebied
Het plangebied van het bestemmingsplan 2e Herziening De Horn betreft twee locaties. De ene locatie ligt naast Oegstgeesterweg 251. De andere locatie ligt in het Oegstgeesterkanaal en langs de Oegstgeesterweg nummer 295 (naast woonboot Oegstgeesterweg 293), kadastraal perceel RBG02C3011, RBG02C6164 en RBG02C4133.
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
Momenteel geldt in het betreffende gebied het bestemmingsplan De Horn. Deze herziening van het bestemmingsplan vervangt gedeeltelijk het genoemde bestemmingsplan en tevens alle partiële herzieningen en besluiten tot afwijking van het bestemmingsplan die in de afgelopen planperiode zijn genomen in het betreffende plangebied.
1.4
Leeswijzer
Om een visie te ontwikkelen op een plangebied is het enerzijds van belang om inzicht te krijgen in de verschijningsvorm en het functioneren van een gebied. Anderzijds is een inventarisatie van beleidsdocumenten nodig, omdat deze documenten immers het kader vormen voor de toekomstige ontwikkeling van een gebied. De toelichting is als volgt opgebouwd. Na de inleiding in hoofdstuk 1, wordt in hoofdstuk 2 de belangrijkste informatie uit diverse beleidsnota's van verschillende overheden vermeld. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het plangebied waar in het bijzonder aandacht is besteed aan de ruimtelijke en functionele aspecten, hoofdstuk 4 gaat in op de nieuwe ontwikkelingen en hoofdstuk 5 gaat in op de milieu & omgevingsaspecten. In hoofdstuk 6 wordt het juridisch kader nader toegelicht. Hoofdstuk 7 bevat de resultaten van het overleg met betrokken diensten, besturen en overheden en de resultaten van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Ook wordt in dit hoofdstuk de economische uitvoerbaarheid beschreven en in dit hoofdstuk bevindt zich de paragraaf met betrekking tot handhaving. Hoofdstuk 8 besteedt aandacht aan de procedure van een bestemmingsplan.
8
status: ontwerp
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Hoofdstuk 2
Beleidskader
2.1
Rijksbeleid en relevante wetgeving
2.1.1
Wet ruimtelijke ordening (Wro) / Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (2008)
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) regelt hoe ruimtelijke plannen tot stand komen en gewijzigd worden. Zowel rijk, provincies als gemeenten hebben de bevoegdheid om ruimtelijke plannen op te stellen. Hiervan is het bestemmingsplan het belangrijkste instrument, welke ook juridisch bindend is. Als ruimtelijk toetsingskader worden door rijk, provincies en gemeenten structuurvisies vastgesteld. Het is de bedoeling dat de structuurvisie's op elkaar worden afgestemd en als uitgangspunt gelden voor bestemmingsplannen, wijzigings- of uitwerkingsplannen, inpassingsplannen en omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken. Een gemeente kan daar alleen van afwijken indien er een goede motivering voor is. Rijk en provincies kunnen kaders stellen waarbinnen de gemeenten kunnen opereren, met zogenoemde reactieve en proactieve aanwijzingen. De bestemmingsplanprocedure is in de nieuwe wet teruggebracht van ruim een jaar naar 26 weken. Indien er sprake is van meerdere samenhangende besluiten en plannen is het mogelijk de procedure te vereenvoudigen door middel van een coördinatieregeling. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de Wro verder uitgewerkt ten behoeve van de uitvoering.
Onder andere bevat het Bro bepalingen over de verplichting om ruimtelijke visies, plannen, besluiten, verordeningen of algemene maatregelen van bestuur digitaal ('electronisch') beschikbaar te stellen. Alle ruimtelijke plannen zijn te vinden op www.ruimtelijkeplannen.nl. Ook bevat het besluit gedetailleerde bepalingen over de vormgeving en inhoud van ruimtelijke plannen, overgangsrecht voor bestaande gebouwen, bouwwerken of bestaand gebruik, de procedure voor het afhandelen van een planschadeverzoek en bepalingen over het exploitatieplan en subsidieregelingen. Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' daaraan toegevoegd. De ladder voor duurzame verstedelijking heeft, als motiveringseis, een wettelijke verankering gekregen. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren met de drie opeenvolgende stappen. De afweging is van toepassing op wonen, werken, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen. Het afwegingskader van de ladder is als volgt: 1. Is er een regionale behoefte aan een nieuwe ontwikkeling ? 2. Kan (een deel van) de behoefte in bestaand stedelijk gebied worden opgevangen ? 3.
Mocht nieuwbouw echt nodig zijn, zoek dan een locatie die multimodaal ontsloten is of kan worden ontsloten voor de resterende regionale behoefte.
2.1.2
Modernisering Monumentenwet 1988 (MoMo)/Wijziging Bro
Per 1 januari 2012 trad de wijziging van het Bro in werking die een verplichting inhoudt om in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
2.1.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) /Besluit omgevingsrecht (Bor) (2010) Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. De Wabo heeft ca. 25 regelingen geïntegreerd. Bouw-, milieu-, natuur- en monumenten-vergunningen, zijn opgegaan in één vergunning, de omgevingsvergunning. Burgers en ondernemers krijgen te maken met één loket, één beschikking en één procedure. De aanvraag kan digitaal worden gedaan en behandeld. Voor de uitvoering van de Wabo zijn regels uitgewerkt in het Besluit Omgevingsrecht (Bor). In dit besluit is
status: ontwerp
9
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
vastgelegd voor welke activiteiten omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd, onder welke voorwaarden en wat de relatie is met het bestemmingsplan. Nieuwe bestemmingsplannen dienen te worden afgestemd op de bepalingen en terminologie in Wabo en Bor. Bijlage II van de Bor wordt gewijzigd en zal naar verwachting op 1 november in werking treden. De wijzigingen in de Bor maken het eenvoudiger om zonder omgevingsvergunning te bouwen, aangezien de randvoorwaarden voor bebouwing op het achtererfgebied worden versoepeld. Daarnaast is een definitie voor mantelzorg opgenomen en de mogelijkheid om bijbehorende bouwwerken bij woningen te gebruiken voor mantelzorg. Tijdelijk gebruik van gebouwen (ten hoogste 10 jaar) kan via de reguliere procedure geregeld worden. Ook kan er via een korte procedure een omgevingsvergunning worden verleend voor het gebruiken van een bouwwerk buiten de bebouwde kom dat een logiesfunctie voor werknemers krijgt. Voor uitbreidingen van en gebruikswijzigingen binnen al bestaande hoofdgebouwen en bijbehorende percelen gaat eveneens gelden dat de reguliere voorbereidingsprocedure moet worden toegepast.
2.1.4
Wet Natuurbescherming
Gebiedsbescherming is geregeld in de Wet Natuurbescherming. De bepalingen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn in de Wet Natuurbescherming verwerkt. De volgende gebieden zijn aangewezen en beschermd op grond van de Wet Natuurbescherming: Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden) Beschermde Natuurmonumenten Wetlands Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden binnen het grondgebied van de Europese Unie. Natura 2000 gebieden worden aangewezen middels een aanwijzingsbesluit. In dit besluit is aangegeven wat de reden is van aanwijzing, hoe de begrenzing is en wat de natuurdoelen voor het gebied zijn. Binnen Katwijk zijn twee Natura 2000 gebieden aangewezen: Meijendel & Berkheide en de Coepelduynen. In een beheerplan zal wordt vastgelegd hoe de doelstellingen zullen worden gehaald. Voor bepaalde activiteiten in of in de omgeving van Natura 2000 gebieden is een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk. Dit geldt niet alleen voor activiteiten binnen het aangewezen gebied maar ook daarbuiten (zogenaamde 'externe werking' ). In het beheerplan is vastgelegd welke activiteiten niet vergunningplichtig zullen zijn.
Middels een zogenaamde 'passende beoordeling' of met een milieueffectrapportage (Mer) moet worden vastgesteld in hoeverre een activiteit een significant effect heeft op de natuurdoelen en of een NB-wet vergunning nodig is. Indien voor een activiteit een NB-wet vergunning vereist is zal deze bij de vaststelling van het bestemmingsplan moeten zijn verkregen. Soortbescherming vindt tevens plaats via de Wet Natuurbescherming. Deze bepaalt dat indien in het plangebied beschermde planten en dieren voorkomen, schade aan de soort dient te worden voorkomen. Indien het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen toestaat dient te zijn aangetoond dat deze geen schade aan de instandhouding van de soort toebrengt, danwel dat eventuele schade wordt gecompenseerd.
2.1.5
AMvB algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De rijksoverheid kan algemene regels vaststellen ter bescherming van nationale ruimtelijke belangen, die vragen om een landelijke regeling omdat ze gemeente en regio overstijgend zijn. Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigings- of uitwijkingsplannen maar ook bij projectuitvoeringsbesluiten (Crisis- en herstelwet) rekening houden met het Barro. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. En nieuwe of gewijzigde regels moeten binnen 3 jaar in de bestaande bestemmingsplannen worden verwerkt. In het Barro zijn voorlopig zes "projecten" beschreven: Mainport ontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en Waddengebied; Defensie; Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Binnenkort zullen nog volgen:
10
status: ontwerp
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; Ektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Ecologische hoofdstructuur; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJselmeergebied. Op termijn volgt dan nog, blijkens publicaties van de Rijksoverheid, een onderwerp "duurzame verstedelijking". Van deze onderwerpen is voor Katwijk een tweetal relevant te weten het Kustfundament en de Limes, als onderdeel van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De laatste zal pas concreet in de bestemmingsplannen kunnen worden vertaald wanneer de provincies deze hebben uitgewerkt en begrensd.
2.1.6
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimten (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld. Deze beschrijft in welke infrastructuur-projecten het kabinet de komende jaren wil investeren. En op welke manier de bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Ook is aandacht besteed aan leefomgeving, milieu en natuur, voorzover het nationale belangen betreft. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening. In de structuurvisie en de daaraan gekoppelde Visie Erfgoed en Ruimte (“Kiezen voor karakter”) wordt Katwijk genoemd als 'Strook Atlantikwall' met als kenmerken: herbouwde vissersplaats met gesloten bebouwing; familiebadplaats aan Boulevard; individuele en kleinschalige bebouwing in traditionele en sobere bouwstijl.
2.1.7
Waterwet (2009)
De Waterwet stelt de watersysteembenadering centraal en integreert acht bestaande wetten voor waterbeheer. De wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en regelt de juridische implementatie van Europese richtlijnen (o.a. Kaderrichtlijn Water en de Richtlijn Overstromingsrisico's). De Waterwet kent één watervergunning. Met het wegvallen van vergunningen treedt een belangrijke wijziging op in de samenwerkingsrelatie tussen de gemeente en de waterbeheerder (Rijkswaterstaat of waterschap). Diverse activiteiten zoals bouwen en gebruik van de gronden zijn in, op grond van het waterbeleid, beschermde gebieden aan een watervergunning gebonden. In de Watertoets van bestemmingsplannen (vooroverleg artikel 3.1.1 Bro) wordt bezien of de voorgenomen ingrepen in het watersysteem (juridisch) gefaciliteerd kunnen worden. Dat wil dus zeggen: of aannemelijk is dat vergunningen kunnen worden verleend, dat de noodzakelijke peilbesluiten (of peilvergunningen) genomen zullen worden en dat nieuwe waterstaatswerken in de legger kunnen worden opgenomen. Indien hierover iets gezegd kan worden, zal daaraan in het wateradvies aandacht worden besteed. Formeel gezien staan vergunningen en andere besluiten volledig los van de watertoets.
Het kan voorkomen dat regels uit het bestemmingsplan, zoals gebruiksregels, aanlegregels of bebouwingsregels, hetzelfde luiden en dezelfde belangen beschermen als watervergunningsregels op grond van de keur. Deze samenloop van regelgeving is in beginsel alleen toelaatbaar als de bestemmingsplanregels een ruimer belang dienen dan alleen het waterstaatkundig belang.
2.1.8
Conclusies
De ontwikkeling die mogelijk gemaakt wordt met dit bestemmingsplan is passend binnen het beleid van het Rijk.
status: ontwerp
11
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
Per 1 april 2019 is de Omgevingsvisie 'Omgevingsbeleid Zuid-Holland' in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan geven wij richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit onze provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: Kaartbeelden en een beschrijving van de ruimtelijke hoofdstructuur. De ontwikkelingsrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing. Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland. De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.
2.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland (2019)
De Omgevingsverordening stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. In het algemeen lenen vooral onderwerpen met heldere criteria en/of spelregels en een zwaarwegend provinciaal belang zich hiervoor. De provincie heeft in de Omgevingsverordening daarom onder meer regels opgenomen over kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouw, boom- en sierteelt, bollenteelt, ruimtelijke kwaliteit, agrarische bedrijven, waterkeringen, provinciale vaarwegen, recreatieve vaarwegen, windenergie, archeologie en molen - en landgoedbiotopen. De onderbouwing van een ontwikkeling dient ook op grond van provinciaal beleid te voldoen aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
2.2.3
Provinciale Milieuverordening
De Provinciale Milieuverordening wordt in fasen, - tranches - genoemd, gewijzigd en geactualiseerd. In de Provinciale Milieuverordening zijn de hoofdlijnen van het milieubeleid en de belangrijkste ontwikkelingen op milieugebied beschreven. De Provinciale Milieuverordening bevat o.a. regels over de milieubeschermingsgebieden voor stilte en voor grondwater. De milieubeschermingsgebieden hebben gevolgen voor toetsing van bepaalde activiteiten en vinden hun beslag in het bestemmingsplan. De waterwingebieden zijn de meest kwetsbare zones van de beschermingsgebieden. In deze zone is het beschermingsregime dan ook het strengst. Binnen waterwingebieden dient elk risico van verontreiniging te worden voorkomen; in deze gebieden zijn dan ook in principe alleen activiteiten toegestaan in het kader van de grondwaterwinning zelf. Indien men toch activiteiten in soort gebieden wil uitvoeren dient ontheffing te worden aangevraagd. Rondom de waterwingebieden zijn ook grondwaterbeschermingsgebieden aangewezen, deze bevinden zich echter niet op Katwijks grondgebied. In het Stiltegebied Berkheide, grotendeels samenvallend met het waterwingebied Berkheide, is sprake van strengere bepalingen ten aanzien van het gebruik van toestellen die de natuurlijke stilte van het gebied kunnen verstoren.
De aanwijzing kan beperkingen opleggen aan planologische ontwikkelingen in en aangrenzend aan het Stiltegebied.
2.2.4
Conclusies
De ontwikkeling die mogelijk gemaakt wordt met dit bestemmingsplan is passend binnen het beleid van de provincie Zuid-Holland.
12
status: ontwerp
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
2.3
Regionaal beleid
2.3.1
Regionale Structuurvisie 2020 (2009)
Op 24 juni 2009 is de Regionale StructuurVisie 2020 (RSV) door Holland Rijnland vastgesteld. De RSV verankert de intergemeentelijke afspraken in een ruimtelijke vertaling naar 2020 met een doorkijk naar 2030. De deelnemende gemeenten werken samen aan ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, natuur en landschap, verkeer en vervoer, samenleving en welzijn. Een goede balans tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter van de regio zijn daarbij het streven. Met de visie worden de volgende kerndoelen nagestreefd: Holland Rijnland is een top woonregio Leiden vervult een regionale centrumfunctie Concentratie stedelijke ontwikkeling 'Groenblauwe kwaliteit' staat centraal De Bollenstreek en Veenweide en Plassen blijven open Kennis en Greenport Verbetering van de regionale bereikbaarheid.
2.3.2
Regionale woonagenda Holland Rijnland 2014-2019
Uitgangspunten De woningbehoefte groeit en deze behoefte moet regionaal geaccommodeerd worden. Naast groei van de behoefte wordt de regio ook geconfronteerd met vergrijzing en gezinsverdunning. Daar moeten de gemeenten in hun woningbouwprogrammering rekening mee houden. De Regionale Woonagenda 2014 is een leidraad waarmee de gemeenten binnen Holland Rijnland een bijdrage kunnen leveren aan de versterking van de regionale woningmarkt. Kaders Belangrijk kader voor de regionale woonagenda is de provinciale visie Ruimte en Mobiliteit (VRM). De provincie zet in deze visie in op het optimaal benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied, voldoende sociale woningen voor de primaire doelgroep en het realiseren van de juiste woning op de juiste plek. Belangrijk instrument hierbij is de ladder voor duurzame verstedelijking. Iedere drie jaar wordt er door de provincie een berekening gemaakt van de verwachte woningbehoefte (WBR) en de bevolkingsprognose (BP). In de regionale Woonagenda is uitgegaan van deze WBR2013 cijfers omdat deze door de provincie als bovengrens voor de woningbouw in de regio (en in de gemeente) worden gehanteerd. Het afstemmen van alle woningbouwplannen in de (sub)regio is dan ook een belangrijk onderdeel van de regionale Woonagenda.
Voorzien in kwalitatieve woningbehoefte Voorzien in de toekomstige woningbehoefte vraagt om de juiste product-marktcombinaties op de juiste locatie. Hierbij spelen de locatiekenmerken een rol in relatie tot de vraag/behoefte van de doelgroepen. Marktkansen liggen er volgens de regionale woonagenda vooral voor de sociale huurwoningen (egz en app), vrije sector huur, goedkope koopwoningen (egz) en middeldure koop (egz). Qua locatiekenmerken liggen er vooral kansen in de centrum (klein)stedelijk, buiten centrum en groenstedelijke woonmilieus. Regionale afstemming woningbouwplannen Binnen de regionale afstemming worden de woningbouwplannen ingedeeld in een aantal categorieën. Categorie 1 zijn de harde en realistische plannen; categorie 2 zijn de reserveplannen (dit zijn de harde, maar minder realistische plannen en de realistische maar minder harde plannen); categorie 3 zijn de plannen die in meerder opzichten onzeker zijn en de plannen na 2020 en categorie 4 zijn de plannen die gebaseerd zijn op provinciaal-(inter)gemeentelijke afspraken over bovenlokale gebiedsontwikkeling.
status: ontwerp
13
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Monitoring De aantallen en kwaliteit van de plannen worden gemonitord aan de hand van de planmonitor. De regio Holland Rijnland bekijkt in overleg met de gemeenten welke toevoegingen nodig zijn om de afspraken uit de regionale woonagenda te kunnen volgen.
2.3.3
Waterbeheerplan (2016)
Het Waterbeheerplan (WBP) van Rijnland, geldig voor de periode 2016-2021, is vastgesteld door het Hoogheemraadschap van Rijnland. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn en blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. De verandering van het klimaat zal naar verwachting leiden tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Watertoets Een zogenaamde "watertoets", uitgevoerd door de waterbeheerder het Hoogheemraadschap van Rijnland, is gewenst bij de opstelling van de bestemmingsplannen. De watertoets vormt een bindende schakel tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening.
Doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen.
2.3.4
Keur en Beleidsregels (2015)
Op 11 maart 2015 heef het bestuur van het hoogheemraadschap van Rijnland een nieuwe Keur en daarbij behorende uitvoeringsregels vastgesteld. Deze regels treden per 1 juli 2015 werking. De “Keur en Beleidsregels” maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De handelingen die invloed hebben op het functioneren van het watersysteem wordt gereguleerd via een zorgplicht, algemene regel, vergunningplicht of een absoluut verbod. Deze Keur is vastgesteld na een grootschalige dereguleringsslag waardoor het uitgangspunt 'ja, tenzij' wordt gebruikt. In beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald. Indien dat het geval is, zijn er nadere regels voor die handelingen vastgesteld. Nadere regels zijn voorschriften van een algemene regel of voorwaarde waaronder een vergunningplichtig(e) werk of handeling wordt toegestaan. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. Bepalingen van de Keur en de Beleidsregels horen niet in bestemmingsplan te worden vertaald, om dubbele regelgeving te voorkomen.
2.3.5
Duurzaamheid en klimaat
In regionaal verband zijn afspraken gemaakt over duurzaamheidsaspecten en vastgelegd in de volgende plannen: Regionale DuBoPlus-Richtlijn 2008-2012; Regionaal beleidskader duurzame stedenbouw; Plan van Aanpak Klimaatprogramma 2008-2012 Holland Rijnland en Rijnstreek. Het beleid heeft tot doel om voor duurzaamheidsaspecten al op het schaalniveau van stedenbouw afspraken te maken over ambities en maatregelen. Deze beleidskaders zijn ook lokaal vastgesteld en daarom in paragraaf 2.4 nader uitgewerkt. Het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland volgt de principes van duurzaam waterbeheer: een veilig watersysteem met goed functionerende waterkeringen; voorkomen van afwenteling van problemen naar andere compartimenten in ruimte of tijd; geen overlast van of tekort aan water, zowel binnen als buiten het stedelijk gebied;
14
status: ontwerp
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
tegengaan van versnippering in het watersysteem; realiseren van een biologisch gezond watersysteem; realiseren van ecologische infrastructuur, zowel binnen het stedelijk gebied als naar buiten toe; gebruikmaken van het zelfreinigend vermogen van het watersysteem; vasthouden van gebiedseigen water (waterconservering) en inlaat van gebiedsvreemd water beperken; benutten en bufferen van schoon water (bijvoorbeeld schone kwel en afstromende neerslag van schone oppervlakken); toepassen van het ordeningsproces "water stroomt van schoon naar vuil": verontreinigende functies benedenstrooms plaatsen van kwetsbare functies/gebieden; vervuiling bij de bron aanpakken; voorkomen van verspreiding van (diffuse) verontreinigingen; optimalisatie van beheer en onderhoud, zowel binnen het watersysteem als de afvalwaterketen.
2.3.6
Externe veiligheid
De gevaren van risicovolle objecten strekken zich uit over een gebied dat vaak tot over de gemeentegrens heen reikt. In de in regionaal verband opgestelde Omgevingsvisie externe veiligheid 2008 zijn afspraken gemaakt over gebiedsgerichte normstelling waarbij woongebieden veiliger moeten zijn dan bedrijfsterreinen.
2.3.7
Conclusies
De ontwikkeling die mogelijk gemaakt wordt met dit bestemmingsplan is passend binnen het regionale beleid.
2.4
Gemeentelijk beleid
2.4.1
Omgevingsvisie Katwijk Zelfverzekerd in de Regio (2018)
De omgevingsvisie van Katwijk is een inspiratiedocument voor de ontwikkeling van Katwijk in de periode tot 2030. Het dient tevens als integraal afwegingskader voor diverse projecten en initiatieven van burgers, bedrijven en gemeente. De uitwerking wordt vertaald in programma, projecten en plannen. In de omgevingsvisie heeft Katwijk 7 doelstellingen opgenomen. Een doelstelling heeft betrekking op de keuze voor duurzame en veilige mobiliteit. De gemeente Katwijk wil ook in de toekomst goed en duurzaam bereikbaar blijven. Daarbij is de doelstelling te gaan voor ontwikkeling van duurzame mobiliteit. Dat wil zeggen goede fiets en wandelroutes, een ov-netwerk en, waar nodig, een adequaat autonetwerk. Elektrisch vervoer (fiets, auto en ov) heeft de toekomst en Katwijk wil dat maximaal faciliteren in haar gemeente
status: ontwerp
15
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Figuur 2.5 Uitsnede Omgevingsvisie Katwijk Toetsing De extra woning en de ligplaats voor een woonboot vallen beide in het stedelijk gebied De beoogde ontwikkeling van een extra woning en een wooboot sluit aan bij de omgevingsvisie van de gemeente Katwijk.
2.4.2
Woonvisie Katwijk 2015-2019 (2015)
De Woonvisie 2015-2019 van de gemeente Katwijk is in oktober 2015 vastgesteld in de gemeenteraad. In deze Woonvisie ligt het accent op het voorzien in de woonwensen van de verschillende doelgroepen: de starters, de jonge gezinnen die door willen stromen, de vitale ouderen die langer zelfstandig willen blijven wonen of door willen stromen en de ouderen die met een zorgvraag te maken krijgen. Samen met andere betrokken partijen (ontwikkelaars, Dunavie, zorginstellingen, beleggers e.d.) wordt gewerkt aan het oplossen van knelpunten en de inzet van de juiste instrumenten, acties en product-markt combinaties om dit te bereiken. Bijde inzet van instrumenten en maatregelen worden deze getoetst aan drie hoofddoelstellingen: Betaalbaarheid van de woningen; Beschikbaarheid van de juiste woning voor de juiste doelgroep; Duurzame kwaliteit van de woning en de woonomgeving; De instrumenten en/of maatregelen die worden ingezet worden altijd getoetst aan de mate waarin ze bijdragen aan het dichterbij brengen van de drie hoofddoelen. De woningbouwprogrammering is/wordt afgestemd op het voorzien in de kwalitatieve woningbehoefte passend binnen het kwantitatieve WBR kader vanuit de provincie. Het uiteindelijke doel voor de gemeente bij het ontwikkelen van woningbouwplannen is om zo goed mogelijk te voorzien in de woningbehoefte van de (toekomstige) inwoners van Katwijk.
Dit vraagt om een op de vraag/behoefte afgestemd programma met daarin de juiste productmarktcombinaties op de juiste locatie. Bij de woningbouwprogrammering worden de kenmerken en de ligging van de locatie in beeld gebracht om deze optimaal af te stemmen op de wensen en eisen ten aanzien van de woning en de woonomgeving van de verschillende doelgroepen. Nieuwe woningbouwplannen worden getoetst op basis van een toetsingskader
16
status: ontwerp
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
waarbij gelet wordt op de meerwaarde van het plan (voor doelgroep en omgeving) en de mate waarin het plan bijdraagt aan de versterking van het unieke woonmilieu.
2.4.3
Welstandsnota Katwijk (2012)
Op 26 april 2012 heeft de raad de Welstandsnota Katwijk 2012 vastgesteld. De gemeentelijke Welstandsnota geeft inzicht in de regels die gelden ten aanzien van de toetsing aan eisen van welstand. De Welstandsnota geeft een typering van de bebouwing in bestaande wijken (gebiedsindeling) en hoe hiermee in het kader van de toetsing door de stadsbouwmeester wordt omgegaan (welstandsniveau). Initiatiefnemers van een bouwplan kunnen daarmee vóór het indienen van het daadwerkelijke bouwplan inzicht krijgen in de beoordelingscriteria die gelden voor het betreffende gebied. Doel van het welstandsbeleid van de gemeente Katwijk is het bieden van heldere en eenvoudige procedures met objectieve beoordelingscriteria. De relatie tussen bestemmingsplan en welstandscriteria is als volgt. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Bestemmingsplanregels prevaleren dus boven welstandscriteria. De architectonische vormgeving, uitstraling van bouwwerken en inpassing in de gebouwde omgeving vallen echter buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld.
2.4.4
Katwijkse agenda mobiliteit
De Katwijkse agenda mobiliteit (KAM) is vastgesteld door de gemeenteraad op 19 december 2019. In deze agendag zijn de thema's van de Omgevingsvisie vertaald naar beleidskeuzes voor mobiliteit. De vertaling van de keuzes in de Omgevingsvisie leidt tot een tweedeling in de verkeersruimte: In de kernen en in de woongebieden ligt de nadruk op de verblijfsfunctie: leefbaarheid en kwalitatief hoogwaardige inrichting van de verblijfsruimte; Regionaal en binnen de 'economische as' (het gebied van 't Heen, Rijnsburg Noord via Flora Holland en bio-science park tot aan Valkenburg) ligt de nadruk op de verkeersfunctie: bereikbaarheid. In de KAM zijn beleidskeuzes uitgewerkt voor alle vervoerwijzen. Nadrukkelijk is ook lopen meegenomen als vervoerwijze door een apart hoofdstuk te wijden aan voetgangers. Verder is er aandacht voor parkeren en verkeersveiligheid. Samenvattend zijn de beleidskeuzes als volgt:
Voetganger - Bij het ontwerpen en inrichten van de openbare ruimte is de voetganger (naast fiets) uitgangspunt; - Extra aandacht voor jongeren, ouderen en mensen met een beperking; - Het voetgangersnetwerk is veilig en niet doorbroken; - Trottoirs zijn vrij van onnodige obstakels en toegankelijk voor mindervaliden, blinden en slechtzienden; - De hoogteverschillen zijn minimaal (geen hoge stoepranden); - Er zijn goede rust- en ontmoetingsmogelijkheden in de openbare ruimte.
Fiets
status: ontwerp
17
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
- Bij het ontwerpen en inrichten van de openbare ruimte is de fiets (naast de voetganger) uitgangspunt; - Fietsroutes zijn korter dan autoroutes, ontbrekende schakels worden aangepakt; - Snelfietsroutes moeten een aantrekkelijk alternatief voor de auto zijn tot 15 km woon-werkafstand; - Aandacht voor comfort: egale verharding in plaats van tegels, ruime boogstralen, voldoende opstelruimte en korte wachttijden bij verkeerslichten; - Aantrekkelijk ingerichte ruimte voor fietsparkeren (winkels en voorzieningen) en fietsenstalling (OV) waar vraag is; - Meer ruimte voor gescheiden fietspaden: alle 50 km/u en hoger wegen hebben in principe vrij liggende fietspaden.
Openbaar vervoer - Het openbaar vervoer moet een aantrekkelijk alternatief bieden voor de auto, met name in het woon-werkverkeer; - Alle wijken moeten goed bereikbaar zijn per openbaar vervoer; - Ketenmobiliteit wordt bevorderd door fietsparkeren en P+R bij haltes; - Bestaande haltes worden zo nodig opgewaardeerd (beschutting, zitplaatsen, dynamische reisinformatie); - Bij een volgende concessie verlangt Katwijk zero-emissie voertuigen; - Een schaalsprong naar lightrail om Katwijk te verbinden met station Leiden Centraal is het doel voor de langere termijn.
Auto - Voor regionale verbindingen en voor de economische as wordt bereikbaarheid per auto goed geregeld: er wordt een robuust regionaal hoofdwegennet uitgewerkt; - In kernen en woongebieden is de auto te gast; regionaal doorgaand autoverkeer wordt er geweerd en de inrichting is autoluw waar mogelijk; - Autoverkeer in woongebieden is dienstbaar aan leefbaarheidsdoelstellingen.
Goederenvervoer - Goederenvervoer agrarische sector en bedrijventerreinen wordt gefaciliteerd; - Goederenverkeer wordt geweerd uit de kernen en woongebieden; - Schone en stille vormen van distributie worden gestimuleerd.
Parkeren
18
status: ontwerp
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
- Het parkeeraanbod is evenwichtig met een rechtvaardige verdeling van kosten; - Het aantal auto's in de openbare ruimte moet worden terug gedrongen (rijdend en stilstaand); - In leefgebieden wordt een goede balans aangeboden tussen autoparkeren en leefbaarheid (ruimte voor gezond bewegen, voor groen, voor spelen); - Gereguleerd parkeren (betaald, blauwe zone en vergunningen) moet gebruikersvriendelijk zijn en uitgevoerd met een eenvoudige en efficiënte bedrijfsvoering.
Veiligheid - Het aantal verkeersongevallen moet zoveel mogelijk gereduceerd worden (maak een punt van nul); - In het op te stellen Actieplan Verkeersveiligheid worden doelstellingen uitgewerkt voor de inrichting van de infrastructuur, gedrag (educatie en voorlichting) en handhaving; - Alle te nemen maatregelen in de openbare ruimte worden getoetst op verkeersveiligheid.
2.4.5
Nota parkeernormen 2020
Bij de toetsing van bouwplannen gebruik je parkeernormen om te kijken hoeveel parkeerplaatsen er voor de nieuwe ontwikkeling moeten komen. Het kan daarbij gaan om nieuwbouw, uit- en inbreidingsprojecten of functieveranderingen. In deze toets kijken we onder meer of het bouwplan in de eigen parkeerbehoefte voorziet. Deze behoefte wordt zo goed mogelijk bepaald aan de hand van parkeernormen. Op 20 oktober 2020 heeft het college van B&W de nieuwe Nota parkeernormen 2020 vastgesteld. Deze nieuwe parkeernormen zijn op 1 december 2020 inwerking getreden. De Nota parkeernormen 2020 is uitgangspunt op het gebied van parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestemmingsplannen en bouwplannen.
2.4.6
Beleidsnota Archeologie
In het Archeologisch Beleidsplan is het gemeentelijke beleid vastgelegd, volgend op de uitvoering van het Verdrag van Malta (1992, vaststelling in Nederland in 2006), de Monumentenwet 1988 (Wet op de archeologische monumentenzorg) en de Erfgoedwet die sinds 1 juli 2016 van kracht is. Deze wet verplicht de gemeente om archeologische waarden binnen bestemmingsplannen, en bij bodemverstoringen in het kader van bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, mee te wegen en indien archeologische waarden aanwezig zijn deze conform de Archeologische Monumentenzorg veilig te stellen. Met het Archeologisch Beleidsplan is ook de Gemeentelijke Archeologische Verwachting- en Beleidsadvieskaart vastgesteld. Deze kaart dient als basis en toetsingskaart voor het gemeentelijke archeologiebeleid. Daarnaast is in de beleidsnota opgenomen dat er standaardregels in gemeentelijke bestemmingsplannen moeten worden opgenomen ter bescherming van archeologische waarden binnen de gemeente Katwijk. In het beleid wordt onderscheid gemaakt in 3 typen archeologisch interessante gebieden: 1. Archeologische Monumenten. Er bestaan twee typen archeologische monumenten: 'beschermde monumenten' en 'monumenten'. Het Rijk behartigt de 'beschermde' archeologische monumenten, zijnde rijksmonumenten. Het streven is deze vrij van bebouwing te laten en ze vorm te geven, bijvoorbeeld in de vorm van een park. 2.
Archeologisch Waardevol Gebied Archeologisch waardevolle gebieden zijn gebieden waarvan de archeologische waarde vastgesteld is aan de hand van archeologisch onderzoek, meestal zijn dit de archeologische monumenten waar de provincie zeggenschap over heeft. Ook zijn de historische dorpskernen van Katwijk, Valkenburg en Rijnsburg archeologisch waardevol gebied. Voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen bestaat voor de archeologisch waardevolle gebieden geen vrijstellingsnorm. Pas na overlegging van een rapport van
status: ontwerp
19
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
archeologisch onderzoek aan het bevoegd gezag, provincie of gemeente, kan een vergunning worden afgegeven. 3. Archeologisch Verwachtingsgebied Archeologische verwachtingsgebieden zijn gebieden waarvan nog geen bepaling van archeologische waarden bestaat. Daar is dus nog geen archeologisch onderzoek verricht. De verwachting is uitgedrukt in lage-, middelmatige- en hoge archeologische verwachting. In het geval van een middelmatige- tot hoge archeologische verwachting wordt archeologisch onderzoek voorafgaande aan de afgifte van een vergunning verplicht gesteld. Net als voor gebieden met een lage archeologische verwachting, geldt voor bodemverstorende activiteiten met een totaal gebiedsomvang kleiner dan 100 m2 geen onderzoeksplicht. Indien ontwikkelaars of individuele inwoners van de gemeente Katwijk van plan zijn om een omgevingsvergunning aan te gaan vragen kunnen deze zelf vooraf al bekijken of ze daarbij rekening moeten houden met archeologische verwachtingen en een onderzoeksplicht. Indien er tijdens graafwerkzaamheden, ongeacht de locatie en de omvang, onverwachte archeologische resten worden aangetroffen geldt een wettelijke meldingsplicht. In geval van bijzondere vondsten kan de gemeentelijke archeoloog deze laten opgraven en de vondsten bergen voordat ze zouden worden afgevoerd.
2.4.7
Duurzaamheidsprofiel Katwijk (2008)
Op 12 augustus 2008 heeft de raad het Duurzaamheidsprofiel Katwijk vastgesteld. De gemeente geeft een overkoepelende visie op hoe zij zich wil ontwikkelen op het gebied van duurzaamheid de komende jaren. Katwijk wil vanuit haar traditie en identiteit de samenleving duurzaam inrichten waarbij het voor huidige en toekomstige inwoners en bezoekers aangenaam en goed wonen, werken en leven is, en zal daartoe waar nodig vernieuwend handelen. Het aspect duurzaamheid komt met name naar voren in het lokale milieubeleid. In nieuwe planvorming wordt de duurzaamheid meegewogen. Een duurzaamheidstoets draagt aan deze functie bij. De gemeente zal zich richten op duurzaam inrichten en bouwen, duurzaam wijkbeheer en leefomgeving, sociale duurzaamheid en duurzaam handelen. Kaders daarbij zijn de volgende: het beleidskader Duurzame Stedenbouw (RBDS) is van toepassing op elke ruimtelijke opdracht in de gebouwde omgeving vanaf 10 woningen en/of één hectare grondoppervlak of 5000 m2 bedrijvigheid. in de Regionale DuBoPlus-Richtlijn 2008-2012 is een beperkt aantal basismaatregelen opgenomen, aangevuld met een prestatie-eis die, voor zover hoger dan wettelijk vereist, vrijwillig is. Deze richtlijn wordt meegenomen als onderdeel in het milieuadvies bij ruimtelijke plannen en toetsing.
het Klimaatprogramma 2008-2012 bevat kaders voor energieprestaties bij gebouwen en geldt zowel voor nieuwbouw als bestaande bouw. De doelstelling van het programma is het minimaliseren van de energievraag en het duurzaam opwekken en/of inkopen van de resterende energievraag (energieneutraal). Vanwege de grote overlap in inhoud (energie) en doelgroepen is het klimaatprogramma in het RBDS en de DuBoPlus-richtlijn geïntegreerd. het Politiekeurmerk Veilig Wonen voor nieuwbouw voorziet in de verbetering van de sociale veiligheid.
2.4.8
Geluidbeleidsplan (2009)
De gemeente Katwijk heeft op 18 augustus 2009 de nota Geluidbeleid vastgesteld. Daarin zijn ook kaders opgenomen voor het vaststellen van hogere grenswaarden. Ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, moeten voldoen aan de Wet geluidhinder. In de wet is als uitgangspunt opgenomen dat de geluidsbelasting van een geluidgevoelig object niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Ruimtelijke plannen worden eerst uitvoerig onderzocht op mogelijke maatregelen om het geluidsniveau te beheersen, zodat aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. Pas na een ongunstig onderzoeksresultaat kan een procedure tot het verlenen van ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden ingezet. De hogere waarde procedure vereist een zorgvuldige afweging tussen het gevraagde geluidsniveau en een voldoende bescherming van het woonklimaat. Objectieve criteria om tot een afgewogen ontheffingsbesluit te komen zijn opgenomen in bovengenoemde nota.
2.4.9
Waterplan Katwijk (2008)
De gemeente Katwijk en het Hoogheemraadschap van Rijnland hebben gezamenlijk het Waterplan Katwijk opgesteld. De gemeente Katwijk heeft het plan op 18 december 2008 vastgesteld en het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft het op 11 februari 2009 vastgesteld.
20
status: ontwerp
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Het doel van het waterplan is het samen realiseren van een gezond en veerkrachtig watersysteem. Dit watersysteem moet voldoen aan landelijke en Europese normen en is gebaseerd op een gezamenlijke visie van gemeente en hoogheemraadschap op een duurzame waterhuishouding in de gemeente. De planperiode is gesteld op 2009 tot 2019 met een doorkijk naar 2027. Thema's die aan de orde komen zijn onder andere het verbeteren van de waterkwaliteit en het voorkomen van (grond)wateroverlast, maar ook het benutten van kansen voor de beleving van het water, ecologie en waterrecreatie.
2.4.10 Ligplaatsenbeleid Katwijk (2013) Op 26 maart 2013 is het ligplaatsenbeleid vastgesteld. Nu is het innemen van een ligplaats in gemeentelijk openbaar water verboden. Aanmeren aan private grond of in de jachthavens mag wel. Het college wil het aanmeren aan de meeste openbare oevers officieel toestaan. Zo wordt het gebruik en de beleving van de waterlopen aantrekkelijker. Dit nieuwe ligplaatsenbeleid maakt voor iedereen duidelijk waar het innemen van een ligplaats officieel wel en niet mag. Door het nieuwe beleid komen er bijna geen extra ligplaatsen bij, behalve aan de openbare oever langs de Rijn ter hoogte van de Overrijn. Het gemeentelijk ligplaatsenbeleid geldt niet voor de provinciale vaarwegen: de Rijn, Additioneel Kanaal en het Uitwateringskanaal. Hiervoor geldt het provinciaal beleid.
2.4.11 Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2011-2015 (2011) In de Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken en de Waterwet is de zorgplicht van de gemeente uitgebreid met zorg voor het hemelwater en grondwater. Uiterlijk in 2012 moest iedere gemeente in Nederland een verbreed gemeentelijk rioleringsplan hebben vastgesteld, met daarin opgenomen de beleidskeuzes ten aanzien van de zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater. In maart 2011 is voor Katwijk het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2011-2015 vastgesteld. In het VGRP zijn maatregelen opgenomen waarmee wordt gezorgd dat het rioolstelsel goed blijft functioneren, zodat de volksgezondheid en ook natuur en milieu op een duurzame wijze worden beschermd.
2.4.12 Conclusies met betrekking tot het plangebied De voorgenomen plannen zijn in overeenstemming met het gemeentelijke beleid.
status: ontwerp
21
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Hoofdstuk 3
Huidige situatie
Het perceel naast Oegstgeesterweg 251 heeft een woonbestemming zonder bouwvlak en is ingericht als tuin. Het perceel voor de woonboot heeft de bestemming water en de bestemming verkeer.
22
status: ontwerp
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Hoofdstuk 4 4.1
Planopzet
Stedenbouwkundige opzet
Inleiding Voor 2 locaties gelegen aan de Oegstgeesterweg in Rijnsburg is een bestemmingswijziging voorzien. Het betreft een bouwlocatie aan de Oegstgeesterweg ter hoogte van nummer 255, perceel Jongejan, en een strook land aan en een strook water in het Oegstgeesterkanaal ter hoogte van het adres Oegstgeesterweg 293 waar voorzien is in ruimte voor een ligplaats voor een woonark. Beschrijving van de planlocaties De Oegstgeesterweg is van oudsher de uitvalsweg vanuit Rijnsburg richting Oegstgeest en voert langs het Oegstgeesterkanaal dat in 1840 is aangelegd als boezemkanaal om het overtollige water richting zee af te voeren. De Oegstgeesterweg wordt begeleid door een lint bebouwing met veel vrijstaande woningen met aan de westzijde vaak diepe achtertuinen tot aan de Vliet. Veel woningen hebben een smalle gevel aan de weg en een langgerekte vorm zodat er ruimte tussen de bebouwing overblijft. Aan de oostzijde staan de woningen veelal gedraaid aan de weg doordat de percelen hier niet haaks op de weg eindigen. De lintbebouwing is in de loop van de tijd wel wat verdicht bij de kruising met de Brouwerstraat maar het losse en groene karakter is grotendeels bewaard gebleven. Richting het Oegstgeesterkanaal wordt de Oegstgeesterweg begeleid door woonschepen die in de Vliet en het kanaal liggen.
Bestemmingsplan In de 2e herziening wordt voor de locatie ter hoogte van Oegstgeesterweg 255 uitgegaan van een vrijstaand bouwperceel met maximale breedte aan de weg van 8m en een maximale bouwdiepte van 15m. Het bestemmingsplan voorziet in een bebouwing van maximaal 2 woonlagen met een kap. Deze bouwlocatie is in het bestemmingsplan de Horn uit 2006 niet overgenomen maar was wel aanwezig in het bestemmingsplan Centrum II van 1979 van destijds nog de gemeente Rijnsburg. De aanpassing betreft een reparatie van de bestaande rechten. Voor de ligplaats van het woonschip is een strook van 26m bij 5m gereserveerd. Binnen deze maat dient het woonschip een plek te krijgen. Voor deze waterstrook is een strook oever aangemerkt als tuin voor het woonschip. Binnen deze bestemming is het mogelijk om een terras en een opstelplek voor fietsen te realiseren. Deze bestemmingswijziging komt voort uit de verplaatsing van de woonboot met adres Oegstgeesterweg 283 op de huidige locatie vanwege de aanleg van een nieuwe toegangsbrug naar de nieuwbouwlocatie de Horn. Stedenbouwkundige beoordeling In het bestemmingsplan van 1979 is het bouwvlak ter hoogte van Oegstgeesterweg 255 nog met de lange zijde aan de weg ingetekend. In de 2e herziening is het nieuwe bouwvlak een kwartslag gedraaid zodat het met de korte zijde naar de weg staat en zich meer voegt in het beeld van de lintbebouwing.
Tussen de bouwlocatie en de aangrenzende bebouwing is nu ook voldoende ruimte, minimaal 9,5m, zodat het karakter van de lintbebouwing niet wordt aangetast. De goot- en nokhoogte van het bouwvlak zijn afgestemd op de omgeving met een bouwhoogte van maximaal 2 bouwlagen met een kap. De nieuwe woonbootligplaats ligt in het verlengde van Oegstgeesterweg 293 en is doorzetting van de begeleiding van de Oegstgeesterweg. De nieuwe ligplaats vormt geen wezenlijke aantasting van de ruimtelijke kwaliteit en heeft wellicht een gunstige effect op de sociale veiligheid van dit deel van de Oegstgeesterweg.
4.2
Verkeer en Vervoer
Verkeer en Vervoer De nieuwe ligplaats voor de woonboot is verplaatsing van een bestaande woonboot. Er is daarmee geen sprake van een verkeerstoename. Zowel de oude als nieuwe locatie wordt ontsloten op de Oegstgeesterweg, dus ook daar vindt geen wijziging plaats. Het nieuwe bouwvlak naast Oegstgeesterweg 251 maakt 1 nieuwe woning mogelijk. Dit betekent dat er op de Oegstgeesterweg ongeveer 7 verkeersbewegingen bij komen. De Oegstgeesterweg kan deze geringe toename zonder problemen verwerken. Parkeren Voor het reeds bestaande/gerealiseerde deel in het plangebied geldt het Nota parkeernormen 2020 bij
status: ontwerp
23
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
veranderingen in het gebied (zoals nieuwbouw, in- en uitbreidingen en functieveranderingen). Zodra de nu nog te realiseren gebieden zijn gebouwd geldt ook hier bij wijzigingen het Nota parkeernormen 2020 . Ook bij een functiewijziging binnen een bestemming zal de parkeerbalans opnieuw bekeken moeten worden. Parkeren is meer gedetailleerd en de functies binnen een bepaalde bestemming kunnen een verschillende parkeerbehoefte hebben. Daardoor kan bij functieverandering (ook binnen de bestemming) de parkeerbehoefte groter of kleiner worden. De parkeerbalans in de omgeving mag dan niet verstoord worden. Plangebied Voor de woonboot is volgens beleid 2 parkeerplaatsen nodig en die zijn beschikbaar langs de Oegstgeesterweg. Voor de extra woning naast Oegstgeesterweg 251 zijn 2 parkeerplaatsen nodig en deze zijn op eigen terrein te realiseren. In de openbare ruimte zijn voldoende parkeerplaatsen beschikbaar om het aandeel bezoekers op te vangen.
4.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen. De afweging is van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkelingen voor wonen, werken, bedrijven, infrastructuur en diverse andere stedelijke voorzieningen. Het gaat om stedelijke ontwikkeling die een zekere ruimtelijke impact hebben, bij bedrijven geldt dit al voor één bedrijf, bij woningen heeft jurisprudentie uitgewezen dat het om plannen met 10 woningen of meer zou gaan. De provincie Zuid-Holland heeft de ladder nader ingevuld, dit leidt tot volgende benodigde stappen : 1. 2. 3. 4.
Bestaat er regionaal behoefte aan de nieuwe ontwikkeling ? Kan (een deel van) de behoefte in bestaand stedelijk gebied of in andere harde plancapaciteit worden opgevangen ? Heeft regionale afstemming plaatsgevonden over het kwantiteit en de kwaliteit ? Mocht nieuwbouw echt nodig zijn, zoek dan een locatie die multimodaal ontsloten is of kan worden ontsloten voor de resterende regionale behoefte. Voor uitbreiding van woongebieden is deze eis minder relevant.
Deze ontwikkeling bestaat uit 1 vrijstaande woning en 1 woonboot. Dit betekent dat het hier niet gaat om een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder van duurzame verstedeling en de ladder van duurzame verstedelijking niet van toepassing is op deze ontwikkeling.
24
status: ontwerp
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu & omgevingsaspecten
Duurzaam ontwikkelen
Om uitvoering te kunnen geven aan het beleid is een ambitietabel opgesteld (bijlage). Daaruit blijkt waar in het plangebied de mogelijkheden liggen voor een duurzame gebiedsontwikkeling. Inmiddels is de stedenbouwkundige uitwerking van deelgebied fase 1 voltooid. Uit de tabel blijkt dat het project De Horn voldoet aan het minimale ambitieniveau. Vrijwel alle relevante basisambities en 3 extra ambities zijn opgenomen in het Programma van Eisen. Ten behoeve van de implementatie van duurzaamheid in woningbouwlocatie De Horn is in 2013 het Duurzaamheidsprofiel De Horn (bijlage) opgesteld. Het DPL (DuurzaamheidsProfiel van een Locatie) is een instrument om de duurzaamheid van een gebied of wijk te meten uitgaande van de gestelde ambities. Doel is de operationalisering van het begrip duurzaamheid bij gebiedsontwikkeling door het formuleren van een concrete prestatie die eenduidig en kwantificeerbaar is voor alle betrokken partijen in het proces. Het definitieve rapport is in de bijlagen bij deze toelichting opgenomen. Op basis van het plan zijn 19 scores berekend op basis van gegevens uit het stedenbouwkundig plan zelf, het bestemmingsplan en aanvullende onderzoeken.
De volgende aspecten maken deel uit van de analyse: ruimtegebruik, materialen, afvalinzameling, energiegebruik, duurzame energie, hemelwaterafvoer, overstromingsgevaar, groen en water, bodemkwaliteit, luchtverontreiniging, geluidshinder, geurhinder, externe veiligheid, sociale veiligheid, verkeersveiligheid, kwaliteit van woningen en omgeving, cultuurhistorische waarde, sociale cohesie, kwaliteit voorzieningen, duurzaam vervoer, lokale werkgelegenheid, bedrijvigheid, functiemenging, flexibiliteit. Daartoe zijn de resultaten van het plan vergeleken met een referentiewijk die is gemaakt op basis van een standaard referentiewijk uit het DPL programma: sub-urbane woonwijk, laagbouw, rond 2012. Het plaatsen van zonnecollectoren (opwekking duurzame energie) is vergunningsvrij op grond van artikel 2, Hoofdstuk II, Bijlage II van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit betekent dat het oprichten van deze bouwwerken niet in de regels hoeft te worden geregeld. Bestemmingsplan De Horn 2e herziening maakt de bouw van 1 woning mogelijk en maakt het verplaatsen van een bestaande woonboot mogelijk. Het grootste deel van de DPL-thema's wordt uitgewerkt in andere plangebieden binnen De Horn.
Op basis van het beleidskader 'Duurzaamheid' gelden voor dit bestemmingsplan de volgende uitgangspunten: 5% van het primaire energieverbruik binnen het projectgebied duurzaam opwekken; verkaveling met 70% van de woningen gunstig op de zon georiënteerd; de openbare ruimte en de verkaveling moeten worden getoetst aan het PKVW. Conclusie In de planregels kunnen bepalingen worden opgenomen zoals hiervoor onder 'Onderzoek' genoemd om invulling te geven aan de doelstellingen van het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid.
5.2
Bedrijvigheid
Feitelijke situatie Er wordt alleen ten gevolge van de mogelijk toegestane activiteiten ter plaatse van de ten noorden gelegen percelen met een agrarische bestemming en de direct ten zuiden gelegen percelen met een bedrijfsbestemming niet voldaan aan de van toepassing zijnde richtafstanden. De richtafstanden zijn volgens de VNG-publicatie echter algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen. Gemotiveerd afwijken van deze afstanden is mogelijk, zo volgt ook uit jurisprudentie. Er dient in voorliggende situatie aldus gemotiveerd te worden dat ondanks dat er niet wordt voldaan aan de richtafstanden alsnog sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarom zal de feitelijke situatie ter plaatse van de percelen waarvoor niet aan de geldende richtafstand wordt voldaan tevens beoordeeld worden. Ten noorden gelegen agrarische gronden Thans is ter plaatse van deze gronden overwegend sprake van grasland. Daarnaast is direct aan de overzijde
status: ontwerp
25
Toelichting behorende bij bestemmingsplan "2e Herziening De Horn"
van het Oegstgeesterkanaal aan het Kanaalpad Noord-Oost kasbebouwing gesitueerd. Kassen behoren conform de VNG-publicatie tot milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Op basis van de feitelijke situatie wordt, aangezien de beoogde ontwikkeling op circa 45 meter afstand is gelegen, aldus aan de van toepassing zijnde richtafstand voldaan. Daarnaast zijn op kortere afstand van deze gronden, en dan wel direct aangrenzend aan de perceelgrens, woningen gesitueerd aan de Bankijkerweg. Deze woningen vormen hiermee reeds beperkingen voor de toekomstige mogelijkheden ter plaatse van deze gronden met een agrarische bestemming. De beoogde ontwikkeling zal daarom naar verwachting geen verdere beperkingen aan de bedrijfsvoering van deze agrarische bedrijvigheid opleggen. De beoogde ontwikkeling is aldus op een passende afstand gesitueerd, waarmee naar verwachting geen sprake zal zijn van mogelijke hinder. Ten zuiden gelegen bedrijvigheid Ten zuiden van de beoogde ontwikkeling is de Kamphuispolder gelegen. Dit gebied is in hoofdzaak aangewezen voor de bloemenveiling Royal FloraHolland en daaraan verbonden bedrijvigheid. In de feitelijke situatie is ter plaatse van de meest nabijgelegen percelen sprake van bloemengroothandels. Een groothandel voor bloemen en planten behoort tot milieucategorie 2.
Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Aangezien de beoogde ontwikkeling op circa 46 meter afstand is gesitueerd wordt hiermee aan de van toepassing zijnde richtafstand voldaan. Dat aan de geldende richtafstand voor een groothandel voor bloemen en planten wordt voldaan betekent echter nog niet direct dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De afstanden uit de VNG-publicatie zijn namelijk richtafstanden, en het voorkomen van (geluid)hinder kan dan ook niet geheel worden uitgesloten wanneer aan deze richtafstanden wordt voldaan. Er kan immers sprake zijn van specifieke omstandigheden, waar de gehanteerde richtafstanden geen rekening mee houden, die van invloed zijn op de impact voor de omgeving. In voorliggende situatie worden de activiteiten ter plaatse van de nabijgelegen percelen daarom nader beschouwd. De groothandels zijn wat betreft geluid relatief gunstig georiënteerd ten opzichte van de beoogde ontwikkeling. De achterzijde van de groothandels is namelijk richting de beoogde woonschepenligplaats gericht, en de aanwezige loading docks aan de zuidzijde van deze panden zijn hiermee in enige mate afgeschermd. De loading docks, en de daaraan verbonden vrachtwagenbewegingen, zullen tezamen met de aanwezige installaties naar verwachting bepalend zijn voor de optredende geluidbelasting in de omgeving van de groothandels.