7. Bijlage 7. Investeren in een schone toekomst; Rapport Bureau SEO Economisch Onderzoek (1910020)
Tekst van het document
13
2030
2040
2050
25
38
50
In het Jaarplan 2010 geeft het platform Kas als Energiebron een duidelijk overzicht van de transitiepaden tot 2020. Het doel is om kassen energieneutraal te maken en uiteindelijk mogelijk ook energie te laten leveren aan andere gebruikers. Teeltstrategieën kunnen worden aangepast zodat er minder energie nodig is voor productie en bijvoorbeeld het gebruik van semigesloten kassen zorgt voor een efficiëntere opslag en gebruik van energie. Het platform geeft zelf geen voorspellingen tot 2050. Voor dit onderzoek is verondersteld dat de totale energiebesparing voor de Kas als energiebron oploopt tot 50 PJ in dat jaar.
3.3.3 Verandering van de energiemix In het Blue Map scenario zit in het nulalternatief reeds een verwachte besparing. Bovenop deze besparing is in de projectalternatieven uitgegaan van een additionele besparing die oploopt tot 630 PJ in 2050. Figuur 3.10 laat dit zien voor het projectalternatief Fossiel. In de mix is goed zichtbaar hoe vooral het olieverbruik sterk wordt teruggedrongen door substitutie van de
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
DE INVULLING VAN NUL- EN PROJECTALTERNATIEVEN
41
transportvraag door biobrandstoffen en substitutie van de grondstoffenvraag door groene grondstoffen, hier vertegenwoordigd in het aandeel biomassa. Het aandeel van de groene grondstoffen in de totale energiemix in Blue Map bedraagt circa 600 PJ. In de plannen van het Transitieplatform zit een grotere omvang voor de groene grondstoffen van circa 1000 PJ. Het verschil van circa 400 PJ wordt verklaard door de non-energetische toepassingen van groene grondstoffen zoals bij de productie van eiwitten. Dit is een toepassing die bijdraagt aan de reductiedoelstelling, maar die bij de schets van de energiemarkt niet wordt meegenomen. Hier is geen sprake van energieproductie, maar van productie van een commercieel product met een toepassing buiten de energiemarkt (al zijn er duidelijke raakvlakken met energietoepassingen bij de productie). Figuur 3.10 laat verder zien dat de reductiedoelstelling in dit projectalternatief vooral behaald wordt door CCS-toepassingen en de inzet van kernenergie. Verondersteld is dat na 2030 twee nieuwe kerncentrales in bedrijf komen, al blijft de impact hiervan beperkt. Het in bedrijf komen van de nieuwe kerncentrales vervangt ander basislastvermogen zoals kolen. Dit verklaart de ‘hap’ in het marktaandeel van kolenvermogen na 2030. Figuur 3.10
Projectalternatief Fossiel in Blue Map, Productie primaire energiebronnen (in PJ)
4000 3500 3000
Kernenergie
2500
Aardgas
2000
Olie Kolen
1500
Biomassa 1000
Hernieuwbaar overig
500
Hernieuwbaar elektrisch
2010 2013 2016 2019 2022 2025 2028 2031 2034 2037 2040 2043 2046 2049
0
Bron: SEO
Figuur 3.11 toont de productie van de primaire energiebronnen in het projectalternatief Hernieuwbaar in Blue Map. Het aandeel fossiele energie daalt in dit alternatief sterk doordat er geen CCS wordt toegepast. De inzet van biomassa (onder meer groene grondstoffen en biobrandstoffen) en hernieuwbare energie groeit sterk. De groei van het aandeel groene grondstoffen is in dit projectalternatief sterker dan in het fossiele projectalternatief. De reden hiervoor is dat met groene grondstoffen een groter deel van het niet-energetisch verbruik in de industrie wordt vervangen waardoor het verbruik van olie dus ook sterker afneemt dan in het fossiele projectalternatief. Doordat er geen CCS wordt toegepast zijn de marktaandelen van
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
42
HOOFDSTUK 3
aardgas en kolen vanzelfsprekend lager en ligt de nadruk in de energiemix veel sterker bij de hernieuwbare bronnen zoals groen gas en wind- en zonne-energie. Figuur 3.11
Projectalternatief Hernieuwbaar in Blue Map, Productie primaire energiebronnen (in PJ)
4000 3500 3000
Kernenergie
2500
Aardgas
2000
Olie Kolen
1500
Biomassa
1000
Hernieuwbaar overig
500
Hernieuwbaar elektrisch 2010 2013 2016 2019 2022 2025 2028 2031 2034 2037 2040 2043 2046 2049
0
Bron: SEO
Het ‘verhaal’ rondom het transitieproces zoals bovenstaande figuren dat weergeven wordt gedreven door verschillende hefbomen. Een hefboom geeft een keuze weer voor energieproducenten tussen verschillende energieopties. De afweging tussen aardgas en kolen als energiebron voor de elektriciteitsproductie is een voorbeeld van een hefboom; de afweging tussen kolenvermogen en hernieuwbare energiebronnen voor elektriciteitsproductie is een ander voorbeeld. De afweging tussen groene grondstoffen (biomassa) en nafta (een olieproduct) is een derde voorbeeld. De ontwikkeling van de kostprijzen is dus erg bepalend voor de richting van het transitieproces. Dit type afwegingen wordt gemaakt op basis van de kostprijzen van de energieopties waarbij rekening wordt gehouden met kostprijsverlagende subsidies zoals SDE. Dit is de hefboom van de overheid om het energietransitieproces in de gewenste richting te sturen. Figuur 3.10 en Figuur 3.11 veronderstellen dat de keuze vanaf circa 2020 in toenemende mate in het voordeel van de hernieuwbare opties zal uitvallen. In eerste instantie zal de invloed van subsidies hierbij bepalend zijn om de onrendabele top van de hernieuwbare opties te corrigeren. Maar technologische ontwikkeling veroorzaakt tevens een autonome daling van de kostprijzen voor hernieuwbare energie en schoon fossiel. In het volgende hoofdstuk worden deze kostencurven nader besproken.
Daaruit volgt bijvoorbeeld dat windenergie op land al rond 2015 kan concurreren met de kolenprijs voor elektriciteit, inclusief de ETS heffing. Voor wind op zee wordt dit omslagpunt rond 2030 bereikt. Dit is dan ook het moment dat de hernieuwbare opties snel marktaandeel winnen in de energiemix. Dit geld voor hernieuwbare elektriciteit maar ook voor de inzet van biomassa. Dit betreft voor een belangrijk deel de productie van groene grondstoffen op basis van biofeedstock (zeewieren, microalgen). Dit is hard nodig om de groei
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
DE INVULLING VAN NUL- EN PROJECTALTERNATIEVEN
43
van het niet-energetisch gebruik van energie (vooral olie) te compenseren. De inzet van groende grondstoffen is ook een ontwikkeling die eerst ‘door’ de kostencurven heen moet voordat grootschalige inzet economisch rendabel wordt. Zolang dit punt niet bereikt is, is ondersteuning vanuit de overheid nodig. Voor deze KKBA is verondersteld dat dit betekent dat de onrendabele top via een stimuleringsregeling wordt weg gesubsidieerd. De verschillen tussen de projectalternatieven Fossiel en Hernieuwbaar in Blue Map zitten vooral bij de elektriciteitsproductie. Dit blijkt uit Figuur 3.12 en Figuur 3.13. In Figuur 3.12 blijkt de sterke groei van het aandeel windenergie. Deze groei zet stevig door vanaf 2030, het moment dat windenergie offshore volgens de kostencurven een rendabele optie is vergeleken met het referentiepunt, de prijs van ‘schoon fossiel’. Na 2030 begint ook de groei van het aandeel zonneenergie aan te tellen, hoewel het voor deze opties nog langer duurt voordat het breakeven punt wordt bereikt. In het projectalternatief Fossiel speelt een andere dynamiek. Hier ligt de nadruk op fossiele energiebronnen zoals kernenergie en kolen en aardgas. De laatste twee opties worden geleidelijk uitgerust met CCS om de emissie van CO2 te verlagen. Vanaf 2010 wordt het fossiele productievermogen geleidelijk uitgerust met CCS; na 2020 groeit het marktaandeel voor de CCSopties sneller.
De geprojecteerde ontwikkeling van dit marktaandeel zou volgens de kostencurven mogelijk moeten zijn, al zijn de onzekerheden groot. Kolenvermogen wordt na 2030 volledig 100% uitgerust met CCS. Het totale marktaandeel voor kolenvermogen groeit in de loop van de tijd licht ten koste van aardgas. Na 2030 komen ook de nieuwe kerncentrales in bedrijf met een groei van het marktaandeel kernenergie als gevolg. Het aandeel gas is in 2010 dominant en blijft aanzienlijk, deels om het piekvermogen te bedienen. Figuur 3.12
PA Hernieuwbaar in Blue Map: Aandeel energiebronnen in de elektriciteitsproductie (in %)
100% 90% 80% 70%
Kernenergie
60%
Aardgas/biogas
50%
Kolen
40%
Biomassa bijstook
30%
Zon‐PV
20%
Windenergie
10%
Bron: SEO
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
2049
2046
2043
2040
2037
2034
2031
2028
2025
2022
2019
2016
2013
2010
0%
44
HOOFDSTUK 3
Figuur 3.13
PA Fossiel Blue Map: Aandeel energiebronnen in elektriciteitsproductie (in %)
100% 90% 80%
Kernenergie
70%
Gas + CCS
60%
Aardgas
50%
Kolen + CCS
40%
Kolen
30%
Biomassa bijstook
20%
Zon‐PV
10%
Windenergie 2049
2046
2043
2040
2037
2034
2031
2028
2025
2022
2019
2016
2013
2010
0%
Bron: SEO
Bijlage A toont de figuren met de ontwikkeling van de energiemix voor de projectalternatieven in het BAU-scenario. Ook hier neemt in het projectalternatief Hernieuwbaar het marktaandeel voor de hernieuwbare bronnen toe, evenals het verbruik van biomassa. Kernenergie is in dit scenario duidelijker aanwezig dan in Blue Map; er worden na 2030 vier nieuwe centrales geopend. De afwegingen voor het beleid zijn vergelijkbaar met de situatie voor Blue Map. Het verschil is dat leereffecten beperkter zijn vanwege het ontbreken van internationale samenwerking en de geringere inspanningen van het buitenland voor het klimaatbeleid. Dit heeft gevolgen voor een sector waarin technologische ontwikkeling bij uitstek gedreven wordt door mondiale inspanningen. Het gevolg is dat het potentieel voor kostenreducties via leereffecten geringer is. Daar staat tegenover dat prijzen van olie en aardgas in het BAU-scenario sterker stijgen door de sterkere groei van de mondiale vraag naar energie. Dit maakt de hernieuwbare opties relatief aantrekkelijker. Dit laat onverlet dat subsidies nodig zijn ter compensatie van de onrendabele top.
3.4 Transitie naar duurzame mobiliteit Transport is een belangrijke sector in de Nederlandse economie. Voor de positie van Nederland als in- en doorvoer punt naar de rest van Europa zijn een goede infrastructuur en vlotte doorstroming cruciaal. Om de handelspositie ook in de toekomst te behouden moet er vooruit worden gedacht en rekening worden gehouden met aanstaande ontwikkelingen. De energietransitie draagt hieraan bij door het gebruik van de verschillende technieken en methoden te optimaliseren, en het vervoer zo efficiënt mogelijk te laten plaatsvinden. Dat de mogelijkheden voor een ingrijpende verandering van de mix reëel zijn wordt onderschreven door de internationale bedrijven uit de sector zelf. In het rapport Mobility 2030: Meeting the challenges to sustainability beschrijven zij gezamenlijk de opties voor verduurzaming van mobiliteit.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
DE INVULLING VAN NUL- EN PROJECTALTERNATIEVEN
45
Naast het economisch belang, is de transportsector ook een belangrijke gebruiker van (fossiele) energie in Nederland. De aanpak van het energieverbruik in de transport is daarom noodzakelijk. In het nulalternatief van het BAU-scenario komt 21% van het totale energieverbruik voor rekening van transport in 2020. Naar verwachting blijft transport ook in de toekomst een belangrijke sector, in 2040 ligt het aandeel van transport eveneens op 21%. Dit is de prognose bij afwezigheid van actief beleid om de transitie naar een duurzame energiehuishouding vorm te geven. Figuur 3.14
Energieverbruik nulalternatief BAU en Blue Map scenario
1000 800 Olie
600
Waterstof
400
Biobrandstof
200
Elektrisch
0 2010
2050
BAU
2010 2050 Blue Map
Bron: SEO Economisch Onderzoek
In het BAU-scenario wordt dus geen extra beleid gevoerd en zijn de verwachtingen voor de technologische ontwikkelingen ongunstig. De toenemende welvaart zorgt voor een stijging in het vervoer van goederen en personen tussen 2010 en 2050. Het energieverbruik door de transportsector in Nederland groeit daardoor ongeremd met 63% over dezelfde periode. Het totale energieverbruik in 2050 komt daarmee op 875 PJ. Wegens de beperkte ontwikkeling van technologieën en het afwezig zijn van prikkels tot verduurzaming, vindt er in het BAU-scenario geen vergroening plaats van het wagenpark. De uitstoot van CO2 en andere schadelijke stoffen neemt daardoor eveneens fors toe. In het nulalternatief van het Blue Map scenario vindt er wel al een transitie plaats in het wagenpark. De totale hoeveelheid energieverbruik stijgt van 556 PJ in 2010 naar 635 PJ in 2050. Een groot deel van dit energieverbruik wordt ingevuld door schone energie. Belangrijkste bron zijn de biobrandstoffen. Deze vervangen zowel vloeibare energiedragers als benzine en diesel, door bijvoorbeeld ethanol en biodiesel, en vervangen daarnaast de gassen LPG en LNG door biogas. De reeds ingezette weg naar hybridisering wordt verondersteld verder benut te worden. Het totaal van 70 PJ aan elektrisch vervoer in 2050 bestaat daardoor uit zowel hybride voertuigen als uit volledig elektrisch aangedreven transport.
De aanname over positieve technologische ontwikkelingen in het Blue Map scenario maken op termijn de inzet van waterstof mogelijk (IEA, 2009). Energiebesparing in de transportsector vindt plaats door middel van slimmer rijden, de invoering van een vorm van beprijzing van mobiliteit en het toepassen van efficiëntere technieken. Door het lage besparingspercentage in het BAU-nulalternatief, valt er relatief veel te behalen met de
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
46
HOOFDSTUK 3
voorgestelde maatregelen. In totaal wordt er in de transportsector in 2050 362 PJ bespaard ten opzichte van het nulalternatief. Figuur 3.15
Energiebesparing transport in BAU en Blue Map scenario
350 300 250 200
ABvM
150
efficientere motoren
100
slimmer transport
50 0 2020
2040
BAU
2020
2040
Blue Map
Bron: SEO Economisch Onderzoek
In het nulalternatief van het Blue Map scenario is naast een verandering in de energiemix reeds een besparing verondersteld. Om de 80% CO2 reductie te halen in 2050 is additionele besparing vereist, welk deels bij de transportsector terechtkomt. De additionele besparing bij transport in 2050 is 140 PJ. Het beprijzen van mobiliteit is onderdeel van het nulalternatief in het Blue Map scenario. De additionele besparing komt daarom voor slechts een beperkt deel voort uit het verder opvoeren van de beprijzing van mobiliteit. Het overige deel van de besparing wordt gerealiseerd door het verder opvoeren van de efficiëntie van motoren en het slimmer gebruikmaken van transport. Figuur 3.16
Energieverbruik transport in 2050, BAU en Blue Map scenario
1000 800 600 400 200 0 nul
project
BAU Bron: SEO Economisch Onderzoek
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
nul project Blue Map
DE INVULLING VAN NUL- EN PROJECTALTERNATIEVEN
47
In 2050 is er een groot verschil in totale energieverbruik tussen de nulalternatieven van het BAU en Blue Map scenario, door de afwezigheid van nieuw beleid in het BAU-scenario. Dit verschil wordt kleiner door de relatief grote hoeveelheid aan energiebesparing in het BAU-scenario ten opzichte van de besparing in het Blue Map scenario. De projectalternatieven van beide scenario’s kennen daardoor nauwelijks verschillen in de energiemix voor de transportsector, zoals de rechterkolom uit Figuur 3.17 en Figuur 3.18 laten zien. Figuur 3.17
Energiemix nul- en projectalternatief BAU-scenario
1000 800 Olie
600
Waterstof 400
Biobrandstof
200
Elektrisch
0 2010 2050 Nulalternatief
2010 2050 Projectalternatief
Bron: SEO Economisch Onderzoek
De dominantie van olie in de energiemix voor het nulalternatief vraag om een verklaring. Dit nulalternatief veronderstelt stevige economische groei (dus ook van de vraag naar transport) maar zonder dat overheid en bedrijfsleven actief inzetten op verduurzaming van de energiehuishouding. De toepassing van alternatieve bronnen van energie ontbreekt daardoor geheel in het nulalternatief voor het BAU-scenario. De projectalternatieven zetten wel sterk in op verduurzaming waardoor het aandeel olie daalt naar 4,5% van het totale energieverbruik in de transportsector. Het transitiepad voor de transportsector is gelijk voor het hernieuwbaar en fossiele projectalternatief. De tussen de projectalternatieven veronderstelde verschillen in toepassing van CCS en kernenergie hebben geen direct effect op de gehanteerde mix. De hier beschreven energiemix in het projectalternatief geldt dus voor zowel het hernieuwbare als het fossiele alternatief. De groei in het gebruik van fossiele brandstoffen in het nulalternatief heeft serieuze negatieve gevolgen voor het milieu. Ondanks de ruime energiebesparingen in het BAU-scenario moet de mix in brandstofgebruik grondig veranderen om milieuverantwoord te zijn en haar bijdrage te leveren aan de 80% emissiereductie van CO2.
Er liggen grote uitdagingen voor het breder toepassen van biobrandstoffen, het verder uitwerken en doorzetten van de elektrificering van het wagenpark en het ontwikkelen en toepassen van waterstof. Daarbij geldt dat niet alleen motoren aangepast moeten worden, maar dat de gehele infrastructuur rond het produceren en leveren van de brandstoffen aan de eindgebruiker heringericht dient te worden. Een verbetering in de gebruikte technieken en motoren zorgt eveneens voor een vermindering van de uitstoot van schadelijke stoffen. Overheidsbeleid kan hierbij een belangrijke rol spelen. Het gebruik van
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
48
HOOFDSTUK 3
roetfilters is bijvoorbeeld verplicht gesteld voor alle nieuw verkochte auto’s door het ministerie van VROM per 1 januari 2011. Er liggen grote kansen voor het toepassen van hybridisering en elektrificering van transport. Dankzij subsidies van de overheid is het gebruik van hybride motoren in voertuigen een vast onderdeel van het wagenpark geworden. Het omarmen van de techniek door de consument heeft tot verdere verbetering van de techniek geleid, met als zichtpunt het volledig elektrische voertuig. De hybridisering is belangrijk voor een geleidelijke transitie. Veel gebruikers hebben nog geen toegang tot oplaadpunten. Naarmate de verhouding fossiel/elektrisch in toenemende mate dichter bij elektrisch komt te liggen stijgt de vraag naar oplaadpunten. Ondertussen verbetert de techniek en worden de elektrische motoren efficiënter. Het aandeel van elektrificering in de transportsector bedraagt in 2050 bijna 17%. Voor de berekening van dit aandeel evenals voor de aandelen in de energiemix voor biobrandstoffen en waterstof is gebruikgemaakt van berekeningen van het platform Duurzame Mobiliteit. Biobrandstoffen worden momenteel met name gebruikt als bijmening bij benzine en diesel. De huidige motoren zijn echter met een relatief kleine aanpassing geschikt te maken voor het gebruik van grotere hoeveelheden biobrandstof.
Ook het aanbod van biobrandstoffen neemt toe, waarbij er continu nieuwe, goedkopere en betere vormen van biobrandstoffen worden ontwikkeld. Het gebruik van biobrandstoffen neemt een belangrijke plek in in de transitie. Uiteindelijk hebben biobrandstoffen een aandeel van 55% in het energiegebruik in de transportsector. De toepassing van waterstof als energiebron in mobiliteit is al jaren een veel besproken onderwerp. Het gebruik van waterstof is aantrekkelijk omdat er geen CO2 vrijkomt bij de verbranding, maar alleen water. De techniek is echter nog vol in ontwikkeling, en verwachtingen over efficiëntie en rentabiliteit in de toekomst zijn onzeker. In navolging van de berekeningen van het platform Duurzame Mobiliteit wordt de inzet van waterstof op grotere schaal pas na 2020 verwacht en maakt waterstof in 2050 24% uit van het totale energieverbruik in de transportsector. Figuur 3.18
Energiemix nul- en projectalternatief Blue Map scenario
1000 800 Olie
600
Waterstof 400
Biobrandstof Elektrisch
200 0 2010 2050 Nulalternatief Bron: SEO Economisch Onderzoek
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
2010 2050 Projectalternatief
DE INVULLING VAN NUL- EN PROJECTALTERNATIEVEN
49
Het bovenstaande transitietraject wordt binnen het Blue Map scenario reeds in het nulalternatief ingezet en verder uitgebreid in het projectalternatief. De verduurzaming van het energiegebruik leidt in het projectalternatief uiteindelijk tot een aandeel van slechts 2% fossiele brandstof.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
INVESTEREN IN EEN SCHONE TOEKOMST
4
51
Kosten en batenanalyse
4.1 De baten van energietransitie 4.1.1 Energiebesparing Energiebesparing betekent een directe baat voor energieconsumenten. Met een omvang van circa € 42 miljard tot € 189 miljard levert energiebesparing een directe en omvangrijke bijdrage aan de maatschappelijke welvaart (zie Tabel 1.1). Voor de KKBA is de baat berekend door de besparingsplannen, die georganiseerd zijn rond de Transitieplatforms, te vertalen naar een besparing per fossiele energiebron. Deze besparing is vervolgens vermenigvuldigd met de (verwachte) marktprijs van de betreffende bron om de besparing te kwantificeren. De besparingen zijn toegekend aan de energiebronnen aardgas en olie in de transportsector. Via de productiemix vindt er een uitwisseling plaats tussen de verschillende energiebronnen en daarmee vindt indirect besparing bij de overige energiebronnen plaats. Figuur 4.1 geeft het verloop van de baten van energiebesparing weer. Naarmate de hoeveelheid bespaarde energie oploopt over de jaren stijgen ook de baten. In 2050 bedragen de baten ruim € 4,2 miljard. Het besparingsprogramma is identiek voor de projectalternatieven fossiel en hernieuwbaar. Dit is een pragmatische keuze om het aantal vrijheidsgraden voor de analyse te beperken. De nadruk ligt nu vooral bij de verschillen in de energiemix. Wel zit er een belangrijk verschil tussen de scenario’s BAU en Blue Map.
Figuur 4.1 verwijst naar de baat van energiebesparing in BAU. De projectalternatieven in Blue Map realiseren minder energiebesparing, omdat het nulalternatief al een flink deel energiebesparing veronderstelt. Figuur 4.1
Baten energiebesparing per jaar in miljoenen euro
45000
30000 Gas Olie (transport)
15000
0 2010 Bron:
2020
2030
SEO Economisch Onderzoek
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
2040
2050
52
HOOFDSTUK 4
4.1.2 Voorzieningszekerheid De substitutie van fossiele energiebronnen voor niet-fossiele bronnen heeft effecten op de voorzieningszekerheid van de energievoorziening. Voorzieningszekerheid heeft betrekking op het welvaartsverlies als gevolg van veranderingen in de beschikbaarheid en prijs van energie en moet worden onderscheiden van leveringszekerheid (IEA 2007, p. 32). Dit laatste begrip staat voor de betrouwbaarheid van energielevering. De maat hiervoor is de gemiddelde storingsfrequentie en storingsduur. De continuïteit en dus voorzieningszekerheid van energie komt in gevaar bij afhankelijkheid van producenten met voldoende marktmacht om de aanvoer van energie te beïnvloeden. Het gevolg kan zijn dat prijzen sterk fluctueren en in crisissituaties kan de invoer van energie onvoldoende zijn om te voldoen aan de vraag naar energie. Voor dit laatste doel en mede om te kunnen voldoen aan een piekvraag leggen landen strategische reserves aan. Het economische effect van voorzieningszekerheid loopt via twee kanalen. In de eerste plaats heeft een prijsschok op de oliemarkt een langetermijneffect op de potentiële groei van het BBP. Door de hogere olieprijs kan de economie met de beschikbare middelen minder produceren. Je kunt zeggen dat de werking van de werking van de economie tijdelijk verstoord is door de onverwachte prijsstijging van een belangrijke productiefactor, energie.
Dit veroorzaakt onzekerheid bij investeerders, leidt tot uitstel van voorgenomen bestedingen en verlaagt daarmee het nationale inkomen en de werkgelegenheid (De Joode e.a. 2004, p. 52). Dit tijdelijke effect verdwijnt als de nieuwe energieprijs in de verwachtingen verwerkt wordt, maar dit proces gaat niet zonder slag of stoot. Het aanpassingsproces van bedrijven en huishoudens aan een hogere of volatiele energieprijs veroorzaakt kosten die als een extern effect zijn te beschouwen van de importafhankelijkheid van fossiele energie (Leiby 2007).17 Het CPB heeft een kosten-batenanalyse gemaakt van beleidsopties om de voorzieningszekerheid te vergroten. Een van de alternatieven in de CPB-analyse betreft het subsidiëren van hernieuwbare alternatieven voor olie zoals biobrandstoffen en biofeedstock (De Joode e.a. 2004). De uitkomst van deze analyse is negatief omdat de baat van de maatregel te beperkt is. Dit is door het CPB vooral berekend als de reductie van de CO2-emissie die in het geval van de biofeedstock zelfs op nul is gezet. Het argument hiervoor is dat potentiële CO2-emissie van de nafta producten niet in de atmosfeer komt: het zit opgesloten in het product. De baat is dan beperkt en weegt niet op tegen de hogere kosten van de biobrandstoffen en de biofeedstock. Bovendien moet de biomassa ook allemaal worden geïmporteerd.
IEA (2007) heeft voor Nederland een casestudie uitgevoerd van opties ter verbetering van de voorzieningszekerheid in de energie. Een van de maatregelen is 5% extra CO2-emissiereductie in 2030 door de inzet van niet-fossiele energiebronnen bij de productie van elektriciteit. Dit zou volgens IEA voor Nederland een verbetering van de voorzieningszekerheid betekenen. De omvang hiervan is 38% gemeten op basis van een index die het risico meet van de
17
Er kan ook nog een prijseffect optreden als gevolg van monopsonie. Het land in kwestie is dan weliswaar afhankelijk van energie-import maar heeft door de omvang van de vraag invloed op de wereldprijs. Bij besparing op energie-import kan de wereldprijs dalen door het wegvallen van een stuk vraag. Het gevolg is een prijsdaling die de resterende energie-import goedkoper maakt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de VS, maar is voor Nederland geen factor van betekenis. Bovendien kan marktmacht van de producerende landen als een countervailing power werken.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
KOSTEN EN BATENANALYSE
53
productieconcentratie in de energie en de mate waarin landen van die productie afhankelijkheid zijn. Dit betreft een index voor zowel de prijscomponent als de volumecomponent van dit risico. Helaas kan de IEA-index niet worden vertaald in kosten (negatief of positief) die met de reductie in voorzieningszekerheid gepaard gaan. Voor de KKBA maken we daarom gebruik van een schatting gemaakt door Leiby (2007) van de maatschappelijke kosten van de importafhankelijkheid van olie in de VS. De macro-economische baat van de vermindering van de importafhankelijkheid wordt door hem geschat op $4,68 per vat met een ondergrens van $2,18 en een bovengrens van $7,81. Dit is de waarde van de economische kosten veroorzaakt door een olieschok die bij verminderde import worden vermeden. Deze premie is gebruikt om een baat te berekenen van de verminderde consumptie van fossiele energie (olie en aardgas) bij substitutie door niet-fossiele alternatieven. De berekende premie voor voorzieningszekerheid is niet constant in de tijd. Hij verandert met de groei van de energievraag en de importen (suggereert grotere afhankelijkheid) en de wereldprijs voor olie.
We hebben hiervoor correcties aangebracht die rekening houden met het verschil in economische groei in de scenario’s (gemiddeld 2,6% voor Nederland in het BAU-scenario respectievelijk 1,6% in Blue Map) en de olieprijs ($120 in het BAU-scenario en $50 in Blue Map). Verder is de importafhankelijkheid van belang. Voor olie is die voor Nederland constant op zo’n 97% van het totale olieverbruik. Voor aardgas ligt dit anders. Nederland exporteert aardgas maar zal op termijn aardgas importeren met het leeg raken van de Nederlandse velden. In het Blue Map scenario komt dit omslagpunt eerder (2020) dan in het BAU-scenario (2028) door de hogere import van aardgas (WLO 2006, p. 298). De baat voorzieningszekerheid houdt dus wel rekening met de prijs van aardgas, maar dit effect telt minder zwaar door de positie van Nederland op de aardgasmarkt. De vraag is wat de transitie naar hernieuwbare energie betekent voor de voorzieningszekerheid. In de projectalternatieven zit een toename van bijvoorbeeld biomassa die voor een belangrijk deel ook geïmporteerd moet worden. Wanneer de fossiele brandstoffen volledig vervangen worden door biomassatoepassingen verdwijnt het effect van de voorzieningszekerheid. Bovendien zullen de marktprijzen van de andere hernieuwbare opties voor een deel afhankelijk zijn van de prijs van biomassa.
Er is echter geen informatie beschikbaar over het effect dat toename van biomassa heeft op de voorzieningszekerheid. Ook ontbreekt informatie over de prijselasticiteiten van de hernieuwbare opties zodat dit punt niet gekwantificeerd is. De resultaten van de KKBA laten twee zaken zien: • Als het projectalternatief meer bespaart op olieverbruik is de baat van voorzieningszekerheid groter. Dit verklaart de verschillen tussen de projectalternatieven hernieuwbaar en fossiel voor de twee scenario’s’ • De baat is groter in het scenario BAU-scenario door de aanpassing van oliepremie voor economische groei en hogere olieprijs. De baat voorzieningszekerheid kent een bandbreedte en ligt tussen €4 en € 11 miljard euro met als onzekere factor de invloed van de wereldhandelsprijs voor biomassa op de voorzieningszekerheid.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
54
HOOFDSTUK 4
4.1.3 Bestedingsimpuls De investeringen in energietransitie genereren een bestedingsimpuls met een effect op de macroeconomie in de vorm van een stijging in productie en werkgelegenheid. De omvang van dit effect wordt bepaald door de inkomensmultiplier die alleen optreedt op de korte termijn. Figuur 4.2 legt het verschil uit tussen korte- en langetermijneffecten. De figuur laat een dalende vraagcurve zien in combinatie met een stijgende aanbodcurve voor de korte termijn. De aanbodcurve geeft aan dat bedrijven bij een stijging van de prijs bereid zijn om hun productie op te voeren. Op de lange termijn is de hoeveel productie echter alleen afhankelijk van de hoeveelheid productiemiddelen in de economie en niet van het prijspeil. Op lange termijn wordt zoveel geproduceerd als mogelijk is bij een efficiënte inzet van de productiemiddelen arbeid en kapitaal. Dit is het natuurlijke productieniveau waarbij op de arbeidsmarkt alleen maar frictiewerkloosheid (of natuurlijke werkloosheid) is. Figuur 4.2
De korte- en langetermijneffecten van bestedingen
Bron: De Nooij en Theeuwes (2004, p. 126).
De werking van de bestedingsmultiplier kan als volgt worden toegelicht. In de figuur is punt A het oorspronkelijke evenwicht tussen vraag en aanbod. De bestedingsimpuls als gevolg van investeringen in energietransitie verschuiven de vraagcurve naar rechts (aangegeven met 1). Door
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
KOSTEN EN BATENANALYSE
55
de toegenomen vraag stijgt de omzet, de productie en daarmee de werkgelegenheid. Dit proces gaat verder omdat de medewerkers en Nederlandse ondernemers in een tweede ronde hun hogere inkomens op hun beurt zullen besteden bij bedrijven in binnen- en buitenland. Dit genereert weer hogere inkomens en meer bestedingen in een derde ronde. Dit proces van doorwerking is het multiplierproces. In elke ronde stijgen het nationaal product en de werkgelegenheid. Dit proces is echter eindig omdat de bestedingen in elke ronde kleiner worden. In elke ronde lekt inkomen weg bijvoorbeeld omdat er uit de inkomens wordt gespaard of omdat men geen Nederlandse goederen maar ingevoerde producten koopt. Het totale vraageffect, het multipliereffect, is in Figuur 4.2 aangeven met ‘2’. Bij constante prijzen stijgt de productie met 150 eenheden van 100 naar 250. In het nieuwe kortetermijnevenwicht B is het aanbod met minder dan deze 150 toegenomen omdat tegelijkertijd het prijspeil is gestegen. Hoe groot het uiteindelijke effect is, is afhankelijk van de prijselasticiteit van de vraag- en aanbodcurve. Een extreme situatie is dat de economie in een laagconjunctuur verkeert. In dit geval wordt de vraagimpuls waarschijnlijk helemaal omgezet in een toename van de productie. Alle investeringsuitgaven voor energietransitie zijn dan baten.
Het is realistischer te veronderstellen dat de vraagimpuls maar voor een deel een kortetermijneffect op de productie is. Op grond van empirische studies gebruiken De Nooij en Theeuwes (2004) een waarde van 0,5 zodat de productie toeneemt van 100 naar 175. Deze veronderstelling nemen we over bij de analyse van de bestedingsimpuls. Het gevolg van de multiplier is een hogere productie en werkgelegenheid als kortetermijneffect. Dit is het effect dat we tegenkomen in veel sectorstudies over de gevolgen van investeren in energietransitie. Zo concluderen Van der Slot e.a. (2010) dat stimulering van duurzame energie in Nederland werkgelegenheid creëert in de orde van grootte van 38.000 tot 72.000 FTE in 2020. Voor Europa berekenen Ragwitz e.a. (2009) een netto werkgelegenheidseffect in 2020 van ongeveer 400.000 banen. Dit betreft het effect van een stimuleringsprogramma gericht op het bereiken van een aandeel duurzame energie in de totale productie van 20% in 2020 en 30% in 2030 en is berekend ten opzichte van scenario waarin alle ondersteuning voor duurzame energie wordt stopgezet. De bestedingsimpuls levert in deze KKBA een baat op € 1 tot € 20 miljard in Blue Map en € 28 tot € 77 miljard in BAU. Het grootste effect doet zich voor in het projectalternatief Fossiel onder het BAU-scenario omdat dit alternatief de grootste investeringsagenda kent.
Kern van een bestedingsimpuls is dat het effect op de lange termijn verdwijnt. Dit effect is in Figuur 4.2 te zien als de verschuiving van de aanbodcurve naar boven. De bestedingen leiden tot extra productie en daarmee tot intensievere benutting van potentieel schaarse productiemiddelen in de economie zoals arbeid. Het gevolg is prijs- en loonstijgingen. Prijsstijgingen remmen de bestedingen af en loonstijgingen remmen de inzet van arbeid en daardoor de productie af. Door het stijgende prijspeil daalt de productie van boven het natuurlijke niveau (B > A) terug naar het natuurlijke productieniveau (C = A). Er wordt in het voorbeeld weer 100 geproduceerd. Uiteindelijk zijn alleen de lonen en prijzen gestegen.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
56
HOOFDSTUK 4
De vraag is hoe snel dit aanpassingproces verloopt. We gaan ervan uit dat het tien jaar duurt voordat de impuls van de extra bestedingen is uitgewerkt en de economie weer de lange termijn hoeveelheid produceert. Dit spoort met onderzoeksresultaten van het Centraal Planbureau (berekeningen van bestedingseffecten met het Athena model van het CPB). We nemen aan dat het multiplier proces (de toename van het inkomen en de productie boven op de bestedingsimpuls) direct plaatsvindt. Het hierop volgende inflatieproces (prijs- en loonstijgingen die het inkomen en de productie terugbrengen naar het natuurlijke niveau) duurt tien jaar, waarna de economie weer in het lange termijn evenwicht is. In onze berekeningen gaan we ervan uit dat ieder jaar 10% van de oorspronkelijke toename van de productie verdwijnt. We veronderstellen bij onze berekeningen dat de helft van de bestedingen extra productie uitlokt en dat de andere helft leidt tot prijsstijgingen, verdringing en het terugdringen van de productie. Het gevolg is een bestedingsimpuls met een patroon zoals weergegeven in Figuur 4.3 met de resultaten van de bestedingsimpuls voor de periode tot 2060. Het zigzagpatroon ontstaat doordat de impuls langzaam vermindert en een nieuwe impuls alleen effect heeft voor het deel dat extra is ten opzichte van de eerdere bestedingen.
In Figuur 4.3 zijn de resultaten meegenomen tot het jaar 2060 omdat een bestedingsimpuls rond 2050 effecten heeft die nog tien jaar merkbaar zijn en dus van invloed op de omvang van deze baat. De figuur laat zien dat de impuls ook negatief kan zijn. Dit gebeurt als de omvang van de desinvesteringen in de fossiele energie groter is dan de investeringen in energiebesparing en hernieuwbare energie. Het is waarschijnlijk dat dit plaatsvindt tegen het einde van de transitiecyclus als de hernieuwbare opties beginnen te renderen en snel marktaandeel winnen ten opzichte van de fossiele energiebronnen. Voor het projectalternatief Hernieuwbaar in het Blue Map scenario is dit effect goed zichtbaar. Figuur 4.3
Omvang bestedingsimpuls in de tijd (bruto), in € miljoen per jaar, 2010-2060
8000
6000
Projectalternatief Fossiel in BAU
4000
Projectalternatief Hernieuwbaar in BAU
2000
Projectalternatief Fossiel in Blue Map
‐2000
‐4000
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
2058
2054
2050
2046
2042
2038
2034
2030
2026
2022
2018
2014
2010
0 Projectalternatief Hernieuwbaar in Blue Map
KOSTEN EN BATENANALYSE
57
Bron: berekening SEO Economisch Onderzoek
4.1.4 Effect op de structurele groei Het langetermijneffect van de investeringen op de werkgelegenheid is dus beperkt. Dit komt overeen met de conclusie van vergelijkbare scenariostudies zoals ECF (2010). Ook deze studie laat per saldo weinig extra werkgelegenheid zien van het transitieproces. Dat betekent niet dat er geen effect op de werkgelegenheid is. Integendeel. Er vinden forse verschuivingen plaats tussen sectoren die met hernieuwbare energie te maken hebben en de fossiele energie. ECF (2010) concludeert dat de werkgelegenheid in 2050 met 1,5% is gestegen ten opzichte van het referentiescenario voor deze studie (‘business as usual’, geen energietransitie, zie Figuur 4.4). Dit langetermijneffect is het gevolg van het effect van de energietransitie-investeringen op de structurele groei. Dit is het langetermijneffect dat optreedt als in Figuur 4.2 de verticale aanbodcurve voor de lange termijn naar rechts verschuift als gevolg van veranderingen in de productiviteit. Productiviteit verwijst naar het vermogen van de productiefactoren arbeid en kapitaal om toegevoegde waarde – in macro-economische termen, het BBP – te genereren. Een productieve economie is in staat om per eenheid kapitaal en arbeid meer toegevoegde waarde te produceren dan een buurland met een lagere productiviteit.
Meestal wordt productiviteit aangeduid door het vermogen van de economie om BBP-groei te realiseren. Dit vermogen hangt af van de twee motoren van economisch groei: arbeidsproductiviteit (BBP per gewerkt uur) en het arbeidsaanbod (Figuur 4.5). Het is niet waarschijnlijk dat energietransitie invloed heeft op de structurele kenmerken van de arbeidsmarkt en via het arbeidsaanbod invloed heeft op de productiviteit. Arbeidsproductiviteit is de sleutel tot analyse van het effect op de structurele groei. Figuur 4.4
Verschuiving van werkgelegenheid als gevolg van investeringen in duurzame energie
Bron: ECF (2010), p. 86.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
58
HOOFDSTUK 4
Figuur 4.5 laat zien dat arbeidsproductiviteit twee samenstellende delen kent: de fysieke kapitaalgoederenvoorraad en de voorraad kenniskapitaal. Fysiek kapitaal heeft bijvoorbeeld betrekking op machines en andere kapitaalgoederen die een werknemer in staat stellen om per gewerkt uur een hogere productie te halen (‘capital deepening’). Kenniskapitaal laat zijn invloed gelden op de productiviteit van zowel arbeid als kapitaal. Het heeft bijvoorbeeld invloed op de efficiëntie waarmee de productiefactoren in het productieproces worden gecombineerd. Dit heet multifactorproductiviteit. Er is nog een derde bron van productiviteitsgroei en dat is de verandering in de structuur van de economie waarbij productieve sectoren marktaandeel winnen ten opzichte van de minder productieve sectoren. Dit effect is in deze analyse buiten beschouwing gelaten. Figuur 4.5
De opbouw van productiviteit
BBP per capita
Arbeidsproductiviteit
Fysiek kapitaal
Kenniskapitaal
Arbeidsaanbod
Gewerkte uren per werknemer
Participatiegraad
Bron: gebaseerd op Van Ark, Frankema en Duteweerd (2004), p. 8.
ECF (2010) verwijst op soortgelijke manier naar de effecten van energietransitie op fysiek kapitaal (in de vorm van ‘capital deepening’) en kenniskapitaal (in de vorm van technologische ontwikkelingen) op de structurele economische groei. De analyse in ECF (2010, p. 85) is zuiver retrospectief en verwijst naar de effecten van de golven in de industriële revolutie op dit vlak. De suggestie lijkt te zijn dat energietransitie een volgende golf zal zijn in dit patroon. Dit kan niet zonder bewijsvoering worden aangenomen. Een lastig aspect is dat de investeringen in energietransitie zeker in de beginfase het gevolg hebben dat de kosten van energie per eenheid product stijgen. Dit veroorzaakt ceteris paribus een daling van de toegevoegde waarde in plaats van een stijging. Box 4.1 laat zien dat we bij de berekening van het productiviteitseffect als gevolg van ‘capital deepening’ rekening moeten houden met de tegenwerking van een mogelijk duurdere productietechnologie. • Als een investering in duurzaam de kostprijs per eenheid energie verhoogt resulteert een productiviteitsverlies. • Een investering in duurzaam die tot een kapitaalintensievere productiemethode leidt verhoogt de productiviteit.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
KOSTEN EN BATENANALYSE
Box 4.1
59
Het productiviteitseffect van duurzame maar duurdere productietechnologie
Stel dat de economie slechts één product kent, elektriciteit. De elektriciteit heeft als input arbeid nodig en kolen. Voor 1 kWh elektriciteit is 1 eenheid arbeid en 1 eenheid kolen nodig. Om de kolen te winnen is ook arbeid nodig en wel in de verhouding 1:1. Als de economie 50 eenheden arbeid heeft, kan in totaal 50 kWh elektriciteit worden geproduceerd. Stel de loonvoet op €1, dan kost 1 eenheid kolen €1 en een kWh elektriciteit €2. Het BBP is €100 is bestaat uit de som van het factorinkomen en het kapitaalinkomen (in dit geval nul). Stel dat de elektriciteitsproductie vanwege het klimaatbeleid overgaat op CCS-technologie. CCS verlaagt de efficiency van het productieproces. We hebben nu 1 eenheid arbeid en 2 eenheden kolen nodig om schone elektriciteit via CCS te produceren. Het gevolg is dat met de beschikbare 100 eenheden arbeid nog maar 33 kWh geproduceerd kan worden. 1 kWh kost nu €3,30. Nominaal BBP is nog steeds €100 maar in reële termen is het BBP met 33% gedaald. Dit geldt ook voor de productie per eenheid arbeid. Ceteris paribus is het effect van een duurdere productietechnologie een daling van de arbeidsproductiviteit. Daar staat tegenover dat de investering in de schone technologie tot een kapitaalintensievere productiemethode leidt (‘capital deepening’). Dit effect verhoogt de arbeidsproductiviteit en compenseert dus het effect op de productiekosten.
Stel dat door productiviteitswinst als gevolg van een meer kapitaalintensieve productiewijze in de CCS-centrale nog per kWh elektriciteit nog maar 0,5 eenheid arbeid nodig is tegenover 2 eenheden kolen. Dit verhoogt het reële BBP weer tot 50 kWh. We berekenen in de KKBA de productiviteitseffecten door het verschil in kapitaalinvesteringen tussen nulalternatief en projectalternatief te nemen. Bij een positief verschil zal de productie van energie per saldo kapitaalintensiever worden. Dit geldt alleen voor die investeringen met een kostprijs op of beneden de marktprijs. We corrigeren met andere woorden voor investeringen met een onrendabele top.18 Bij deze berekening onderscheiden we drie soorten fysiek kapitaal: • fysiek kapitaal nodig voor elektriciteitsproductie. Dit betreft de kapitaalinvesteringen in de elektriciteitsproducerende industrie, zowel hernieuwbaar als fossiel. Kapitaal bestaat uit centrales en distributie- en transportleidingen; • investeringen in de productie van groene grondstoffen zoals de natte teelt van zeewier en microalgen; • overig fysiek kapitaal dat vooral energiegerelateerd is zoals de productie van biogas. Daarnaast onderscheiden we het kenniskapitaal als bron van multifactorproductiviteit. Om het effect van veranderingen in de kapitaalgoederenvoorraad te berekenen hebben we een output elasticiteit nodig.
Deze elasticiteit geeft aan de procentuele verandering in de productie als gevolg 18
Huizinga en Smid (2004, pp. 55-56) waarschuwen voor het tijdelijke effect van capital deepening als bron van productiviteitsgroei. Een verandering van de kapitaal-/arbeidverhouding door een prijsverandering is volgens deze auteurs altijd tijdelijk, doordat prijsdruk de kapitaal-/arbeidverhouding weer terugbrengt naar het oorspronkelijke evenwicht. De auteurs vermelden niet dat dit alleen geldt voor het langetermijnevenwicht. De theorie van ‘growth accounting’ staat in de literatuur te boek als een benadering voor de middellange termijn waarin de groeivoet van zowel arbeid, kapitaal als technologische ontwikkeling in de beweging naar een langetermijnevenwicht invloed hebben op de groeivoet van de productie. Middellangetermijn moet hier worden gezien als een periode die meerdere decennia omvat, de relevante horizon voor dit onderzoek. Voor een toelichting op de methode van growth accounting, zie bijvoorbeeld Van Ark, Frankema en Duteweerd (2004).
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
60
HOOFDSTUK 4
van de verandering van een productiefactor, zoals de kapitaalgoederenvoorraad. In de literatuur zijn verschillende schattingen gemaakt van deze elasticiteiten. • In een paneldata-analyse is door de OECD een studie gemaakt van het effect van investeringen in infrastructuur op de economische groei. Voor Nederland is de outputelasticiteit van infrastructuur in de elektriciteitssector 0,25 (Égert, Koźluk en Sutherland 2009, p. 31). • Voor de private investeringen in r&d-kapitaal berekenen Guellec en Van Pottelsberghe de la Potterie (2001) een output elasticiteit van 0,13. Dit betekent dat een verhoging van de r&d met 1% de productie met 0,13% verhoogt. Publieke r&d-investeringen hebben over het algemeen grotere spillover effecten doordat ze meer in het publieke domein liggen. De outputelasticiteit voor publieke r&d is volgens Guellec en Van Pottelsberghe de la Potterie (2001) 0,17. • Voor de overige vormen van kapitaal maken we gebruik van een theoretische eigenschap van de Cobb-Douglasproductiefunctie. Dit is een productiefunctie met constante meeropbrengsten. Prettige eigenschap van de functie is het feit dat de outputelasticiteit samenvalt met het inkomensaandeel van de productiefactoren. Dit betekent voor het overige kapitaal bijvoorbeeld dat de outputelasticiteit ongeveer 0,2 is omdat de kapitaalinkomensquotiënt in Nederland rond de 20% schommelt (CPB 2010, p. 56).
De investeringen in groene grondstoffen betreffen een vorm van landbouw en tuinbouw. Bij benadering is voor de kapitaalinvesteringen in groene grondstoffen gerekend met een outputelasticiteit van landbouwgerelateerd kapitaal van 0,18. Voor de berekening van de productiviteitseffecten zijn de kapitaalinvesteringen in de genoemde categorieën genomen voor zover de investeringen geen onrendabele top kennen en een vorm van ‘capital deepening’ zijn. Een andere veronderstellingen is dat het aandeel private r&d circa 16% van de totale bedrijfsinvesteringen beslaat. De publieke investeringen in r&d voor energietransitie zijn hiervan afgeleid. We veronderstellen dat alle subsidieprogramma’s op basis van matching tot stand komen zodat bedrijven en overheid qua omvang dezelfde investering plegen in energiegerelateerde r&d. De impact van energietransitie op de structurele groei is relatief beperkt. Het effect kan ook negatief zijn als investeringen in hernieuwbare opties of schoon fossiel ertoe leiden dat de arbeidsproductiviteit daalt in plaats van stijgt. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij het projectalternatief Fossiel in Blue Map en wordt veroorzaakt door de investeringen in CCS-opties. Het effect op de maatschappelijke welvaart is beperkt met een bedrag van circa € 2 tot 7 miljard voor BAU en maximaal € 3 miljard in Blue Map.
Voor het projectalternatief fossiel is het groei-effect per saldo negatief doordat de investering in CCS niet is te beschouwen als kapitaal dat in staat is een hogere productiviteitsgroei te realiseren.
4.1.5 Werkgelegenheidseffecten van energietransitie Grote veranderingen Energietransitie leidt tot grote veranderingen va de economie en daarmee ook van de arbeid die nodig is. Er wordt flink bespaard op energie, vooral door te investeren in zuinige kapitaalgoederen zoals machines en gebouwen. Dat betekent dat productieprocessen
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
KOSTEN EN BATENANALYSE
61
kapitaalintensiever worden, waardoor (nog) hoger opgeleid personeel nodig is. Ook kan de vernieuwing van kapitaalgoederen leiden tot minder banen, als ook arbeid door kapitaalgoederen wordt vervangen. Naast energiebesparing zullen fossiele brandstoffen deels worden vervangen door hernieuwbare bronnen zoals wind en zon; ook dit heeft gevolgen voor de werkgelegenheid. Er verdwijnen banen bij de fossiele bronnen en bij de vernieuwbare bronnen ontstaan extra banen. Afhankelijk van de behoefte aan arbeid bij respectievelijk fossiele en vernieuwbare bronnen, zal de werkgelegenheid per saldo stijgen of dalen. De werkgelegenheid van economische sectoren wordt beïnvloed door de productiekosten. Daarbij zijn met name de kosten van schone versus vervuilende technieken van belang. Daarnaast zullen de productiekosten van sectoren worden beïnvloed door het systeem van emissiehandel: sectoren die hun emissies sterk reduceren kunnen hun emissierechten verkopen en zien hun kosten dalen. Sectoren die niet of minder reduceren, daarentegen, moeten rechten bijkopen en zien hun kosten stijgen. Lange termijn effect op totale werkgelegenheid per saldo nul Volgens de ‘mainstream’ van economen wordt de werkgelegenheid op lange termijn bepaald door het aantal mensen dat een baan wil. In deze ‘algemeen evenwicht’ benadering tendeert de arbeidsmarkt naar een evenwicht, net als andere markten.
Dat gebeurt door aanpassing van de prijs, in dit geval het loonniveau. Als er minder banen dan werkwilligen zijn, stijgen de lonen minder snel19. Dat betekent voor bedrijven lagere kosten en een betere concurrentiepositie. Daardoor nemen op termijn de productie en het aantal banen toe. Als er meer banen dan werkwilligen zijn, bieden werkgevers tegen elkaar op om mensen binnen te krijgen. Dat leidt tot hogere lonen en op termijn tot minder werkgelegenheid. Kortom, het aantal banen past zich op termijn aan aan het aantal werkwilligen, via aanpassing van de lonen. In de voorgeschreven richtlijnen voor kosten-batenanalyses van infrastructuurprojecten is vastgelegd dat deze ‘lange termijn algemeen evenwicht’ benadering moet worden gevolgd. De richtlijnen verwoorden het als volgt20: “Meer banen op één plek betekent vaak minder banen op een andere plek. Deze verdringing wordt vaak over het hoofd gezien. Verdringing is het makkelijkst te beredeneren door een schaarse productiefactor als uitgangspunt te nemen, zoals hooggeschoolde werknemers. Zij kunnen slechts op één plek werken. Als een schaarse productiefactor wordt aangewend heeft dat dus elders een verlies aan productie tot gevolg. Met dit verlies van productie zal eveneens een verlies van banen gepaard gaan.
Wel zal de reden voor verdringing meestal samenhangen met een hogere arbeidsproductiviteit bij de nieuwe activiteiten in vergelijking met de oude. Verdringing leidt dus wel tot een reële inkomensstijging.”
19
20
Dit gebeurt niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk. Begin jaren 80 was er massawerkloosheid. In het akkoord van Wassenaar spraken werkgevers en werknemers af dat de lonen zouden worden gematigd. Na 10 tot 15 jaar was de werkgelegenheid sterk gestegen en was de arbeidsmarkt weer ongeveer in evenwicht. Eijgenraam, C.J.J, Koopmans, C.C., Tang, P.J.G. & Verster, A.C.P.(2000) Evaluatie van infrastructuurprojecten; Leidraad voor kosten-batenanalyse, Sdu, Den Haag, p. 49.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
62
HOOFDSTUK 4
Op minder lange termijn wel extra banen Tot de aanpassing van de lonen aan overschotten of tekorten op de arbeidsmarkt heeft plaatsgevonden, zijn er wel degelijk extra banen. De werkloosheid wordt dan tijdelijk kleiner en de productie navenant groter. In navolging van andere kosten-batenanalyses21 nemen we aan dat dit werkgelegenheidseffect in tien jaar tijd terugloopt naar nul. Dit leidt tot een extra batenpost in de kosten-batenanalyse, bovenop de langetermijneffecten. Indicatie van de omvang van werkgelegenheidsverschuivingen Het schatten van de aard en omvang van de aanzienlijke werkgelegenheidsverschuivingen die hierboven zijn geschetst, valt buiten de scope van deze kengetallen kosten-batenanalyse. Maar het is wel mogelijk om een indruk te geven van de mogelijke omvang op basis van Amerikaans onderzoek naar de effecten van emissiehandel22. Emissiehandel is bij de energietransitie het belangrijkste beleidsinstrument naast subsidies. In het Amerikaanse onderzoek wordt verondersteld dat de CO2-prijs oploopt naar 30 dollar (25 euro) in 2025. Uit dit onderzoek presenteren we alleen varianten waarin de lonen zich op termijn aanpassen, zoals hierboven beschreven. Tabel 4.1
Werkgelegenheidsverschuivingen door emissiehandel in de VS
Sector Olie- en gaswinning; gasdistributie Raffinage Elektriciteit Landbouw, industrie, bouw, transport Diensten (excl. transport)
Verandering werkgelegenheid in de VS in 2025 tienduizenden banen In % –4 à –10 –9 à –20 –1 à –2 –7 à –11 –7 à +8 –11 à +10 –7 à –28 0 (afgerond) à –1 +23 à 48 0 (afgerond)
Bron: Congressional Budget Office (2010)
Uit Tabel 4.1 blijkt dat emissiehandel leidt tot een verschuiving van industriële activiteiten, transport en traditionele energiesectoren naar de dienstensectoren. De richting van het effect in de elektriciteitssector verschilt tussen studies, omdat het gaat om een verschuiving binnen deze sector. Het totale effect op het aantal banen is ongeveer nul. In procenten zijn de reducties in de traditionele energiesectoren groot omdat de werkgelegenheid daar relatief klein is. De Amerikaanse cijfers zijn niet toepasbaar op de energietransitie in Nederland, onder meer omdat de werkgelegenheid in de VS ongeveer twintig keer zo groot is als in Nederland. Als de procentuele veranderingen in de tabel voor Nederland zouden gelden, gaat het om duizenden banen in plaats van tienduizenden banen en moeten de aantallen ongeveer worden gehalveerd. Het zou dan kunnen gaan om een verschuiving van in totaal tien- tot twintigduizend banen in 2025, bij een CO2-prijs van 25 euro. Naarmate de CO2-prijs hoger wordt, wordt ook de verschuiving groter.
21 22
M. de Nooij en J. Theeuwes, Kosten-batenanalyse van vestiging en verblijf internationale organisaties, SEO-rapport 617, 2002. Congressional Budget Office, How Policies to Reduce Greenhouse Gas Emissions Could Affect Employment, 2010.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
KOSTEN EN BATENANALYSE
63
4.1.6 Waardering externe effecten: CO2 en overige emissies Een belangrijke parameter in de kengetallen KBA van energietransitie is de waardering van (vermeden) CO2-emissies. Voor CO2 bestaat een marktprijs, namelijk de prijs van emissierechten in het Europese emissiehandelssysteem. In het WLO scenario Strong Europe is de CO2-prijs € 11 per ton in 2020, oplopend tot meer dan € 80 in 2040.23 In het Global Economy scenario wordt het systeem van internationale emissiehandel beëindigd en ontstaat er geen CO2-prijs. Sinds het verschijnen van de WLO scenario’s in 2006 is het klimaatbewustzijn verder toegenomen en zijn plannen voor uitbreiding van de emissiehandel naar de luchtvaart en andere sectoren concreter geworden. Daarom lijkt het voor de kengetallen KBA van energietransitie zinvol om zowel in het Blue Map scenario als in het BAU-scenario wel uit te gaan van voortzetting van emissiehandel. Hierbij kan echter de vraag worden gesteld in hoeverre de prijs van CO2-emissierechten de werkelijke maatschappelijke waarde van vermeden emissies weerspiegelt. De vermeden schade van CO2-emissies kan veel groter zijn dan de prijs van emissierechten.24 Betalingsbereidheid als grondslag voor maatschappelijke waarde CO2 Doordat de kengetallen KBA wordt uitgevoerd vanuit een Nederlands perspectief, speelt vermeden schade in het buitenland slechts indirect een rol.
Als Nederland CO2-emissies reduceert, slaan de baten daarvan voor het overgrote deel neer in andere landen. De baten voor Nederland bestaan daarom met name uit het voldoen aan internationale afspraken (Kyoto en toekomstige verdragen). Dit kan worden beschouwd als de Nederlandse bijdrage aan het (deels) voorkomen van kosten van adaptatie aan temperatuurstijging. Om te voldoen aan internationale afspraken zijn in de afgelopen jaren maatregelen genomen die € 20 tot € 65 per ton CO2-reductie hebben gekost25. Kennelijk was de maximale ‘betalingsbereidheid’ van de Nederlandse samenleving om aan CO2-doelen te voldoen dus zo’n € 65 per ton. Dit kunnen we zien als de waarde die de Nederlandse samenleving overheeft voor het voorkomen van schade en adaptatiekosten in Nederland en in andere landen. Gegeven onzekerheden over de toekomst kan de waarde van vermeden CO2-emissies in de kengetallen KBA niet zeer precies worden bepaald. Een belangrijke bron voor waarderingen van emissies in Nederland is CE (2008). Kengetallen uit CE studies worden daarom vaak gebruikt in MKBA’s van infrastructuur. CE stelt dat CO2-preventiekosten te verwachten zijn die toenemen van € 25 per ton in 2010 tot € 40 per ton in 2020 en € 85 per ton in 205026. In de KKBA van energietransitie is het echter beter om schadekosten te gebruiken.
Bij gebruik van preventiekosten worden de baten van energietransitiemaatregelen gelijkgesteld aan de kosten van andere
23 24
25 26
CPB/MNP/RPB (2006), Welvaart en leefomgeving: Achtergronddocument, p. 271. Een belangrijke reden hiervoor ligt bij de marktimperfecties in het ETS system. ETS dekt bijvoorbeeld niet alle sectoren in de economie of alle bedrijven in een sector. Ook is het allocatiesysteem van de emissierechten niet marktconform: rechten worden nu nog gratis uitgedeeld in plaats van bijvoorbeeld geveild. VROM (2005), Evaluatienota Klimaatbeleid 2005. H.P. van Essen et al. (2008), Berekening van externe kosten van emissies voor verschillende voertuigen, CE, Delft; deze cijfers staan ook in CE (2010), “Handboek Schaduwprijzen - Waardering en weging van emissies en milieueffecten”, Delft.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
64
HOOFDSTUK 4
(preventie)maatregelen. De cijfers van CE weerspiegelen een zo kosteneffectief mogelijk beleid; het feitelijke beleid is echter duurder. Een andere bron is een studie van het Instituut voor Milieuvraagstukken (IVM) van de Vrije Universiteit27 die is uitgevoerd in opdracht van het Platform Duurzame Elektriciteitsvoorziening. Daarin worden resultaten gepresenteerd van het ‘ExternE’ project, waaraan vele Europese onderzoeksinstituten hebben bijgedragen. Het betreft waarden voor het jaar 2020. Tabel 4.2 vergelijkt de waarden van CE en IVM (ExternE). Het blijkt dat de externe kosten van CO2 van een vergelijkbare grootte zijn. De waarden van de andere emissies zijn voor transport hoger, omdat transportemissies zich in of in de buurt van bebouwde gebieden concentreren en op straatniveau plaatsvinden. Aangezien betalingsbereidheid die besloten ligt in het Nederlandse CO2-beleid nu al tot € 65 per ton gaat, wordt in de KKBA voor CO2 de bovengrens de IVM/ExternE cijfers gebruikt: € 76 per ton in 2020. Omdat de ExternE cijfers niet verder gaan dan 2020, passen we op deze cijfers in het BAU-scenario’s de groei van de CE waarderingen toe. Dit betekent voor 2050 een CO2-prijs van (85/40)x76=€ 162 per ton28. CO2-prijs voor de projectalternatieven in het Blue Map scenario Blue Map vertegenwoordigt een ander economisch klimaat dan BAU.
Dit heeft gevolgen voor de maatschappelijke waardering van CO2 in Blue Map. Figuur 4.6 laat zien hoe de CO2-prijs volgens de economische theorie wordt afgeleid. De curven MB en MK geven respectievelijk de marginale baten en marginale kosten weer van emissiereductie. De marginale batencurve verloopt dalend, omdat we ervan uitgaan dat de maatschappelijke opbrengst van een additionele eenheid vermeden CO2-emissie lager is naarmate het totale emissieniveau lager is. De marginale kosten van CO2-reductie stijgen daarentegen omdat verdergaande reductie afhankelijker is van steeds duurdere reductieopties. De marktprijs voor CO2 is PE op basis van het evenwicht tussen de marginale kosten en de marginale baten van emissiereductie. Dit rapport kiest voor een andere benadering van de waardering van CO2-emissiereductie. Het economische model voor de waardering van emissies is geschikt voor stoffen en gassen die als stroomgrootheid een directe relatie hebben met de maatregelen om emissies te verlagen: de concentraties van deze stoffen en gassen in de atmosfeer veranderen (min of meer) 1-op-1 met de inspanningen om de uitstoot te verminderen. Voor CO2 geldt dit maar in beperkte mate. Hier is sprake van een voorraadprobleem. CO2 zit van nature in de atmosfeer en maatregelen zijn er alleen op gericht om de voortgaande groei van de concentratie CO2 af te remmen.
Het is dus maar de vraag of de marginale batencurve zo sterk zal dalen, zoals afgebeeld in Figuur 4.6. Het ligt gezien de voortdurende hoge concentratie van CO2 in de atmosfeer voor de hand dat de betalingsbereidheid van de samenleving voor CO2-emissiereductie relatief hoog zal blijven. Deze betalingsbereidheid (‘willingness to pay’) is aangeven met de dikke lijn WTP, die een hogere schaduwprijs van CO2 kent dan de prijs PE.