7. Bijlage 7. Investeren in een schone toekomst; Rapport Bureau SEO Economisch Onderzoek (1910020)
Tekst van het document
8
9
Als het perspectief bestaat dat duurzame opties op langere termijn rendabel worden, zou afhankelijk van het rendement financiering via de kapitaalmarkt gerealiseerd kunnen worden. Dat dit niet of weinig gebeurt is mede afhankelijk van de onzekerheid rondom de technologieontwikkeling waar de financiers door kennisachterstand onvoldoende inzicht in hebben. Mogelijk werkt de kapitaalmarkt op dit punt niet goed. Dit is wellicht een vorm van marktfalen. Het gaat om Variant 1-B van de Heroverweging: ‘normeren en reguleren in plaats van subsidiëren’. Bij de implementatie staat de kanttekening: “de kosten van implementatie en handhaving van verplichtingen voor energiebesparing in de gebouwde omgeving en bij bedrijven kunnen zeer hoog zijn. Hierover zijn geen cijfers beschikbaar.” (Brede Heroverweging Klimaat en Energie, p. 45).
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
HOOFDCONCLUSIES: INVESTEREN IN EEN SCHONE TOEKOMST
Box 1.1
15
Publiek-private samenwerking ter bevordering van energietransitie
Investeren in een duurzame energiehuishouding is niet alleen een taak voor de overheid. Het betreft een opgave voor alle partijen in de samenleving: overheid, bedrijfsleven, kennisinstellingen en burgers. Vanuit deze gedachte zijn bij de vormgeving van het beleid voor energietransitie publiek-private samenwerkingsverbanden opgericht, de Transitieplatforms. Er zijn er zeven, op het terrein van Duurzame Elektriciteit, Nieuw Gas, Groene Grondstoffen, Duurzame Mobiliteit, Gebouwde Omgeving, Ketenefficiency en Kas als Energiebron. Taak van de platforms is het bundelen van kennis en het aanjagen van nieuwe ontwikkelingen. Doel is het vormgeven van Transitiepaden die aangeven hoe de beweging naar een duurzame energiehuishouding concreet gerealiseerd kan worden. Een ander punt is de afstemming van de doelstellingen. De plannen van de transitieplatforms verschillen in looptijd en doelstelling. Het is belangrijk om afstemming te waarborgen. Op verschillende punten is voor de 80% doelstelling aanvullend beleid nodig. Dit geldt vooral voor beleid gericht op het terugdringen van het olieverbruik. Dit blijkt in de uiteindelijke energiemix een factor te zijn die voor een aanzienlijk deel van de CO2-emissie zorgt. De agenda van het Transitieplatform Duurzame Mobiliteit speelt via biobrandstoffen, elektrisch vervoer en dergelijke in op de brandstofvraag vanuit de transportsector.
Het niet-energetisch verbruik van olie wordt deels door het Platform Groene Grondstoffen gedekt. Het effect van dit transitiepad kent grote onzekerheden die de vraag opwerpen of de transitieagenda voldoende in staat is om substantieel op het niet-energetische deel van het olieverbruik te besparen. Uiteindelijk moet het totaal van de voornemens in lijn zijn met de overkoepelende doelstelling. De analyse die nu is uitgevoerd is een maatschappelijke kosten-batenanalyse op basis van kengetallen. De conclusies van de analyse wijzen op de noodzaak op verschillende punten dieper te graven waarvoor met modellen van de energiemarkt gewerkt moet worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de interactie in het systeem tussen de verschillende opties voor duurzame energie en mogelijke conflicten in de doelstelling om zowel energiebesparing te realiseren als het aandeel duurzame energie in de energiemix te verhogen.10 Een volgende stap voor het Regieorgaan zou kunnen zijn om een integrale maatschappelijke kosten- en batenanalyse op basis van modelstudies uit te laten voeren, bijvoorkeur door de Planbureaus CPB en PBL
1.6
Onzekerheden in het toekomstbeeld
De grootste onzekerheden in het geschetste beeld van de kosten en baten van overheidsbeleid gericht op energietransitie zijn, in volgorde van belangrijkheid (impact op de resultaten): • De mate waarin toekomstige generaties worden meegewogen. Een traditionele, hoge disconteringsvoet leidt tot een lichte weging van kosten en baten na 2030. Duurzame discontering, waarin toekomstige generaties even belangrijk zijn als de huidige generatie, levert zowel bij de kosten als bij de baten een ongeveer drie keer zo hoge uitkomst op. Bovendien wordt de baten-
10
Het probleem is dat vollastinstallaties met lage marginale kosten zoals windenergie gasgestookte installaties die nodig zijn voor de besparingsdoelstelling (WKK) uit de merit order drukken. Zie: AER (2008).
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
16
•
•
•
•
11 12
HOOFDSTUK 1
/kostenverhouding dan groter, omdat bij investeringen de kost voor de baat uitgaat.11 De verdeling van welvaart is bij uitstek een politieke kwestie, ook als het om verdeling tussen generaties gaat. Daarom is het aan de politiek om deze weging te bepalen. De internationale omgeving. Als internationaal een intensief energie- en CO2-beleid wordt gevoerd, met onder andere emissiehandel voor alle landen en alle sectoren, dalen de kosten van additionele maatregelen voor energietransitie in Nederland met circa 25 tot 50%. Als de kosten van het internationale beleid voor Nederland worden meegenomen in de berekening, zijn de totale kosten voor Nederland nog steeds lager dan bij een “alleingang” De waardering van de CO2-emissies. In de berekeningen is uitgegaan van de huidige bereidheid van de Nederlandse overheid om kosten te maken voor CO2 reductie en van een stijging van deze waardering in de tijd. Als deze waardering wordt gehalveerd, dalen de totale baten in BAU met circa een kwart. De energietransitie blijft dan rendabel in het business-as-usual omgevingsscenario. In het Blue Map scenario gelden veel lagere prijzen voor CO2 omdat de marginale baten en kosten van emissiereductie in dit scenario anders zijn dan in BAU. Op deze veel lagere waardering van CO2 in Blue Map is geen robuustheidanalyse toegepast.
De mate waarin de kosten van duurzame investeringen dalen (via ‘leercurven’). Als deze daling de helft zou zijn van de waarden die in de KKBA zijn meegenomen, worden de kosten voor het implementeren van de duurzame energietechnologieën zoals zonne-energie hoger. Het uiteindelijke effect van andere leercurven op het saldo van de KKBA wordt gedempt doordat verschillende posten aan de batenkant positief gecorreleerd zijn met de productiekosten. Dit geldt vooral voor de bestedingsimpuls. Ook is het leereffect niet in gelijke mate van toepassing op alle energietechnologieën waardoor de totale kosten van de energiemix maar voor een deel beïnvloed worden. Het effect is vooral voelbaar in de projectalternatieven met hernieuwbare energie. Hier kunnen de productiekosten met circa 50% oplopen bij halverering van het leereffect. De ontwikkeling van de brandstofprijzen. De scenario’s voorzien een stijging van de olieprijs naar $ 121 per vat in 2050 (BAU) respectievelijk $ 70 per vat (Blue Map).12 IEA heeft berekend dat de voorraden wereldwijd voldoende zijn om de voorziene stijging van de energievraag naar olie te bedienen. Dit is een theoretisch potentieel. Of dit potentieel uiteindelijk in productie komt hangt van onzekere factoren af, zoals de investeringen in de oliesector. IEA ziet dit als het belangrijkste knelpunt.
Blijven de investeringen in de oliesector achter bij de verwachting, dan zullen de olieprijzen door schaarste verder stijgen. De olieprijzen in de scenario’s gelden voor de lange termijn en zijn gebaseerd op de verwachte stijging van de kostprijs in de olieproductie. Een hogere olieprijs dan voorzien in de scenario’s heeft verschillende effecten: • De baat van energiebesparing neemt toe; besparen loont nu nog meer. Dit effect werkt positief door op het maatschappelijk saldo; • Fossiele energie prijst zich uit de markt; het marktaandeel van hernieuwbare energie zal stijgen. Of dit daadwerkelijk gebeurt hangt van verschillende factoren. Een daarvan is de hefboom tussen de gasprijs en de kolenprijs die bepaalt in hoeverre kolenvermogen aan marktaandeel kan winnen bij een stijging van de olieprijs. Zo veronderstelt het WLOscenario Global Economy dat een stijging van de olieprijs geen enkel effect heeft op het duurzame vermogen. Het enige gevolg is een toename van het kolenvermogen. Een tweede factor is de hefboom tussen kolen en hernieuwbare energie. Prijsdruk op kolen kan Dit effect komt in de “duurzame discontering” variant niet volledig naar voren omdat met kengetallen is gewerkt waarin kosten en baten deels zijn samengevoegd. Dit zijn beide reële prijzen (dus gecorrigeerd voor inflatie). De nominale prijzen liggen veel hoger.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
HOOFDCONCLUSIES: INVESTEREN IN EEN SCHONE TOEKOMST
17
er uiteindelijk toe leiden dat ook de concurrentiepositie van hernieuwbare opties verbetert waarmee duurzame investeringen een boost krijgen. Dit effect is helaas lastig te berekenen bij gebrek aan gegevens over prijselasticiteiten.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
INVESTEREN IN EEN SCHONE TOEKOMST
2
19
Opzet KKBA
2.1 Wat kunnen we van een KKBA verwachten? Maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) gaat na of de voordelen van overheidsingrijpen opwegen tegen de nadelen. Overheidsingrijpen is gericht op het oplossen van problemen, maar als het ingrijpen erg duur of weinig effectief is, kan het middel erger zijn dan de kwaal. De toepassing van MKBA heeft in Nederland een hoge vlucht genomen. Sinds 2000 worden infrastructuurprojecten volgens vaste richtlijnen met een MKBA onderzocht. Ook op andere beleidsterreinen worden vaak kosten-batenanalyses uitgevoerd. Een MKBA is een systematische methode om de kosten en baten van overheidsbeleid voor de samenleving in kaart te brengen. Als bij uitvoering van een beleidsmaatregel de totale baten voor de maatschappij groter zijn dan de totale kosten, is het resultaat dat de samenleving als geheel erop vooruitgaat. Door alle kosten van de baten af te trekken, wordt een baten-/kostensaldo verkregen. Een positief saldo duidt op een project dat de welvaart verhoogt. Een negatief saldo duidt op een project dat de welvaart verlaagt. Ook is het gebruikelijk om de baten te delen door de kosten: de baten-/kostenverhouding. Een verhouding groter dan 1 duidt dan op welvaartswinst. In de praktijk leiden maatregelen voor sommigen tot baten en voor anderen tot kosten.
Zo kunnen bepaalde effecten op nationale schaal niet relevant zijn, maar wel voor bepaalde regio’s of bepaalde groepen in de samenleving: de zogenoemde verdelingseffecten. De MKBA moet deze verdelingseffecten zichtbaar maken, ook al gebeurt dit in de praktijk mondjesmaat. De weging van verdelingseffecten is een politieke beslissing. Een MKBA drukt alle aspecten waaraan mensen waarde hechten (voor zover mogelijk) in geld uit en telt deze op. Dat geldt ook voor zaken die meestal niet in geld worden gewaardeerd zoals CO2-emissies of energievoorzieningszekerheid. Met andere woorden: de MKBA hanteert een breed welvaartsbegrip, waarin ook het milieu een bron van welvaart is. Verschillende effecten zoveel mogelijk onder één noemer brengen zodat ze vergelijkbaar worden, dat is de achterliggende gedachte. Ook de onzekerheden en risico's die met een project samenhangen inventariseert een MKBA. Meestal zijn er grote onzekerheden, zowel over de werking van het project zelf als over de omgeving waarin het project gaat functioneren. Door de onzekerheden weer te geven met marges (bandbreedtes), ontstaat een systematisch overzicht van alle kosten en baten. Een MKBA vergelijkt twee toekomstbeelden: een toekomstbeeld met het overheidsbeleid (beleidsalternatief of projectalternatief) en een toekomstbeeld zonder het overheidsbeleid (nulalternatief).
De verschillen tussen deze beelden leiden tot kosten en baten. Stel: de CO2emissies groeien naar verwachting sterk, maar blijven met een intensief beleid stabiel. Dan leidt dit beleid tot baten, ook al zien mensen slechts dat de CO2-emissies hetzelfde blijven. In een MKBA kunnen ook meerdere beleidsalternatieven met elkaar worden vergeleken zoals emissiehandel, regulering of subsidies. In dit rapport gebeurt dat met pakketten van maatregelen.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
20
HOOFDSTUK 2
Door van elk pakket de kosten en baten in beeld te brengen, wordt duidelijk welk beleid het beste ‘scoort’. Een maatschappelijke kosten-batenanalyse is verankerd in de economische wetenschap, in het bijzonder de welvaartseconomie, en wordt veelvuldig toegepast in de praktijk. Veel landen kennen leidraden voor de wijze waarop een KBA moet worden uitgevoerd. Ook Nederland kent een dergelijke leidraad: de Leidraad Overzicht Effecten Infrastructuur (OEI)13. De methode is breed toepasbaar op projecten op uiteenlopende beleidsterreinen en kan bijdragen aan een verzakelijking van het beleid. In een MKBA is er naast de in geld uitgedrukte effecten ruimte om ook andere effecten mee te nemen. Dit zijn zaken die de nationale welvaart wel beïnvloeden, maar die moeilijk of niet in geld zijn uit te drukken: vraagtekens of PM-posten. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om zaken die niet in geld kunnen worden uitgedrukt zoals unieke natuur, maar ook om zaken waaraan de opstellers van de KBA, veelal door tijdgebrek, niet toe zijn gekomen. De MKBA is geen besliscriterium, maar een ondersteunend instrument. ‘De politiek’ maakt de afweging tussen het kosten-/batensaldo, de verdelingseffecten en andere, bijvoorbeeld electorale overwegingen. Daarbij hoeft niet conform de MKBA besloten te worden, maar de MKBA bevat wel belangrijke inhoudelijke informatie ten behoeve van een politiek besluit.
Nationaal versus internationaal beleid De energietransitie vindt plaats in een internationale omgeving, maar richt zich primair op veranderingen in Nederland. Dit betekent dat in elk geval alle kosten en baten van een andere energiehuishouding14 voor Nederland in beeld moeten komen. Daarbij is het de vraag hoe wordt omgegaan met de kosten en baten van effecten van internationaal beleid op de Nederlandse energievoorziening. Hierbij zijn twee benaderingen mogelijk: • De eerste benadering benadrukt dat internationaal beleid voor de Nederlandse overheid een randvoorwaarde vormt; het is geen ‘beleidsknop’ waar Nederland aan kan ‘draaien’. Daarnaast hebben kosten-batenanalyses vooral zin als het gaat over keuzes die daadwerkelijk kunnen worden gemaakt. Daarom is het in KBA’s van Nederlands beleid gebruikelijk om buitenlands beleid mee te nemen als onderdeel van een omgevingsscenario, samen met factoren als internationale economische groei, technologieontwikkeling en sociaal-culturele veranderingen15. Dat impliceert dat het internationale beleid, binnen elk omgevingsscenario, identiek is in het nulalternatief en het beleidsalternatief. Deze alternatieven verschillen dan alleen in de mate waarin Nederland zelf extra beleid voert.
• Aan de andere kant kan worden gesteld dat energietransitie in Nederland ten dele door internationaal beleid en ten dele door nationaal beleid tot stand komt. Door alleen de
13 14 15
Eijgenraam, C.J.J, C.C. Koopmans, P.J.G. Tang & A.C.P. Verster, Evaluatie van infrastructuurprojecten; Leidraad voor kosten-batenanalyse, Sdu, Den Haag, 2000. Daarbij gaat het niet alleen om de energiesector, maar om alle sectoren. Dat betekent niet dat de internationale omgeving constant wordt verondersteld, want er wordt gewerkt met verschillende omgevingsscenario’s.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
OPZET KKBA
21
kosten en baten van nationaal beleid in kaart te brengen, ontstaat slechts een partieel beeld van de totale kosten van energietransitie voor Nederland. Een soortgelijke, maar spiegelbeeldige discussie kan worden gevoerd over de baten van Nederlands beleid die in het buitenland neerslaan. Daarbij gaat het met name om CO2 reductie en innovatie. Deze baten worden slechts ten dele door Nederland ‘gevoeld’, maar de bijbehorende kosten slaan volledig in Nederland neer. Dat geldt ook voor andere landen. Daardoor zijn de kosten voor elk land afzonderlijk, althans in de perceptie van veel landen, groter dan de baten. Hierdoor ontstaat een prisoner’s dilemma16. In de KKBA wordt een meer volledig beeld verkregen door niet alleen de baten voor Nederland, maar ook de baten voor andere landen in beeld te brengen. Tegen deze achtergrond zou het voor de hand liggen om drie soorten kosten en baten in beeld te brengen: 1. kosten en baten van Nederlands beleid voor Nederland; 2. kosten en baten van buitenlands beleid voor Nederland; 3. kosten en baten van Nederlands beleid voor het buitenland. Deze aanpak is echter zeer breed en tijdrovend. Een combinatie van meerdere scenario’s, reductiepercentages, actoren, maatregelen, zichtjaren, gevoeligheidsanalyses etc. kan leiden tot een zeer groot tijdsbeslag en onoverzichtelijke resultaten.
Daarom volgt dit rapport voor de internationale aspecten een pragmatische aanpak voor zoals weergegeven in Tabel 2.1. Daarbij worden de meest relevante aspecten in kaart gebracht, zonder dat er drie integrale KKBA’s moeten worden gemaakt. De kern is een analyse van kosten en baten van Nederlands beleid voor Nederland. Aanvullend worden de baten beschreven van Nederlands beleid voor het buitenland, en de kosten van buitenlands beleid voor Nederland. Tabel 2.1
Beleid en effecten: nationaal en internationaal:
Effect voor Nederland
Effect voor buitenland
Effect van Nederlands beleid
Integrale KKBA
Schets van de baten
Effect van buitenlands beleid
Schets van de kostena
Niet onderzocht
a Op basis van verschillen tussen omgevingsscenario’s.
16
Een uitzondering geldt voor effecten van Nederlandse emissies voor het buitenland, voor zover Nederland zich al heeft verbonden aan internationale verdragen. In dat geval worden de kosten immers (deels) in Nederland gedragen. Voor andere emissies, voor verdere aanscherpingen van CO2-verdragen en voor innovaties blijft het prisoner’s dilemma echter volledig aanwezig.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
22
HOOFDSTUK 2
2.2 Toelichting analytisch kader De basis voor de berekening van kosten en baten is de autonome ontwikkeling van de economie en de daaraan gerelateerde energievraag- en productie in twee scenario’s: het BAU-scenario beschrijft een ‘business-as-usual’ situatie waarin de economie in de periode tot 2050 een hoge groei kent en waarin de wereld geen actief klimaatbeleid voert gericht op het terugdringen van CO2-emissies. Dit scenario is ontleend aan het BAU-scenario van het IEA en kent een Nederlandse variant in het Global Economy scenario dat onderdeel is van de studie Welvaart en Leefomgeving (hierna: WLO) (2006) van de gezamenlijke planbureaus en ECN. Het tweede scenario is het IEA Blue Map scenario dat uitgaat van een redelijke economische groei op wereldschaal maar een ambitieuze klimaatdoelstelling kent waarin in 2050 de CO2-emissies wereldwijd teruggebracht moeten zijn tot 50% van het 2007-niveau. De Westerse, geïndustrialiseerde wereld moet hier een meer dan evenredige bijdrage aan leveren en komt op ongeveer 70-80% reductie (IEA 2010). Een Nederlandse variant die hier op lijkt is het WLO-scenario Strong Europe. De economische ontwikkeling conform de scenario’s dicteert de condities waaronder de vraag naar en de productie van energie zich ontwikkelen.
Zo groeit de energievraag in het BAUscenario sneller dan in het Blue Map scenario door de hogere economische groei en de beperktere inzet van energiebesparing. Ook kennen de scenario’s een ander verloop van de energieprijzen wat ook gevolgen heeft voor de energievraag en de energiemix. Datzelfde geldt voor de ontwikkeling van de CO2-emissieprijs. Dit is de situatieschets voor het nulalternatief waarmee de projectalternatieven uiteindelijk worden vergeleken. Om de vertaalslag te maken van scenario’s naar projectalternatieven en projecteffecten volgt dit onderzoek de volgende aanpak. Het startpunt is de energiebehoefte zoals die volgt uit de scenario’s (zie Figuur 2.1). Vervolgens wordt bij de invulling van de vraagzijde gekeken naar de mogelijkheden voor energiebesparing. Voor een deel komt energiebesparing tot stand doordat de economische structuur verandert met lager energieverbruik als autonome uitkomst. Voor een ander deel is energiebesparing het gevolg van toegenomen energie-efficiëntie als gevolg van beleid. De instrumentenmix die hiervoor is toegepast is ontleend aan de plannen en projecten van de Transitieplatforms. De opties worden in Hoofdstuk 3 toegelicht. Het resultaat is het energieverbruik dat conform de CBS-definitie bestaat uit finaal verbruik voor de consumptie van warmte, elektriciteit en voor het verbruik van energie als grondstof.
Daarnaast kent energieverbruik een omzettingssaldo dat aangeeft hoeveel energie er verdwijnt bij de productie van secundaire energie (meestal elektriciteit) uit primaire energiebronnen zoals olie en gas. Het energieverbruik kent als tegenhanger de energieproductie waarmee het evenwicht tussen energievraag en –aanbod gewaarborgd blijft. De productie van energie valt op de CBSenergiebalans uiteen in drie categorieën: winning, voorraadonttrekking en het importsaldo. De nadruk in deze studie ligt vooral op de winning als een door Nederlands beleid te sturen grootheid. Dit heeft alles te maken met de volgende stap in het proces: de productiemix moet zo worden samengesteld dan de energieproductie qua omvang gelijk is aan het energieverbruik maar een samenstelling kent die qua uitstoot van broeikasgassen een reductie realiseert van 80% ten opzichte van het 1990-niveau. Dit is de doelstelling van de projectalternatieven.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
OPZET KKBA
23
Bij de winning wordt wederom gebruikgemaakt van de plannen en projecten van de transitieplatforms om de energiemix zo vorm te geven dat de reductiedoelstelling wordt gehaald. Daarbij is het onderscheid tussen fossiele bronnen en hernieuwbare bronnen van belang. Figuur 2.1
Analytisch kader in onderstaande figuur
• Energiebehoefte conform scenario
Vraag • Besparing in projectalternatief • Structuureffect Besparing • Efficienter verbruikt (input platforms)
Verbruik
• Verbruik in projectalternatief • Finaalverbruik (elekt., warmte en grondstof) • Omzettingssaldo (productie van energie)
• Energiewinnnig • Importsaldo Productie • Voorraadontrekking
Emissie
Winning
• Emissieplafond productie is 20% van 1990 niveau
• Primaire energie en secundaire energie • Hernieuwbare en fossiele bronnen (input TP)
2.3 Bijdrage van de transitieplatforms Figuur 2.1 geeft aan hoe de Transitieplatforms hebben bijgedragen aan de analyse. Met alle platforms zijn gesprekken gevoerd om het werkveld en de plannen van de platforms in kaart te brengen. De input is gebruikt om invulling te geven aan de besparingsplannen aan de vraagzijde. Hier is de vraag van belang hoeveel er op het energieverbruik bespaard wordt en met welke middelen dat gebeurt. Aan de productiezijde zijn is gebruikgemaakt van de plannen voor aanpassing van de energiemix. Via beide routes wordt in de projectalternatieven geprobeerd een pakket maatregelen samen te stellen dat in staat is 80% emissiereductie te bereiken. Dit gebeurt tegen de achtergrond van verschillende economische scenario’s (BAU-scenario en Blue Map) wat tot verschillen in de aanpak leidt. De structurering van de instrumenten rondom de plannen van de platforms heeft als voordeel dat duidelijk wordt wat bereikt kan worden met het totale pakket en waar de eventuele witte vlekken zitten, zodat op basis van de KKBA conclusies kunnen worden getrokken over de plannen van de platforms.
2.4 Projecteffecten In deze paragraaf wordt toegelicht welke effecten een rol spelen bij de berekening van kosten en baten van energietransitiemaatregelen. Daarbij wordt achtereenvolgens ingegaan op directe effecten, indirecte effecten, externe effecten, kosten en verdelingseffecten.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
24
HOOFDSTUK 2
2.4.1 Directe effecten Directe effecten zijn in maatschappelijke kosten-batenanalyses de effecten op de markt waarop de maatregelen aangrijpen. Bij energietransitie is dat de energiemarkt. Energietransitiemaatregelen veranderen zowel de energievraag als op het energieaanbod. De baten treden daardoor deels aan de vraagzijde en deels aan de aanbodzijde op. Bij de energievraag gaat het met name om de baten van energiebesparing. De verlaging van het energiegebruik vertaalt zich direct in een kostenreductie, die in de KKBA als een baat wordt beschouwd. Het gaat hier om de ‘bruto’ baten; de kosten van de besparingsmaatregelen verschijnen elders in de KKBA. Bij het energieaanbod is voorzieningszekerheid een belangrijke baat. De baten hiervan laten zich minder gemakkelijk in geld uitdrukken, maar in de KKBA wordt dit toch gedaan door te kijken naar de vermindering van kosten van bestaande maatregelen om de voorzieningszekerheid te bevorderen, zoals het aanhouden van olievoorraden.
2.4.2 Indirecte effecten Indirecte effecten ontstaan op andere markten dan de energiemarkt. Meestal gaat het om doorgegeven directe effecten. Een voorbeeld: als bij bedrijven de kosten dalen door energiebesparing, is dat een direct effect. Zodra zij dit voordeel doorgeven aan afnemers in de vorm van lagere prijzen of aan hun aandeelhouders in de vorm van hogere winsten, verandert het directe effect ‘energiekostenreductie’ (op de energiemarkt) in de indirecte effecten ‘lagere productprijzen’ (op de productmarkt) en/of ‘hogere winsten’ (op de kapitaalmarkt). Lagere productprijzen komen ten goede aan andere bedrijen en/of consumenten. Deze samenhang wordt grafisch weergegeven in figuur 2.2. Figuur 2.2
Doorgeven van directe effecten in de vorm van indirecte effecten
Bron: SEO Economisch Onderzoek
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
OPZET KKBA
25
In sommige gevallen zijn indirecte effecten additioneel: • Bestedingseffecten. Als de investeringen in energiebesparing leiden tot meer productie, daalt de werkloosheid. Op langere termijn zullen dan de lonen sterker stijgen, waardoor de werkloosheid weer oploopt naar het evenwichtsniveau (natural rate of unemployment). Tot het moment waarop het nieuwe evenwicht wordt bereikt zijn er extra baten. • Effecten op de structurele groei. Energietransitie leidt tot een vergroting van de investeringen in kapitaalgoederen. Hierdoor wordt de Nederlandse economie kapitaalintensiever en neemt de arbeidsproductiviteit toe.
2.4.3 Externe effecten Externe effecten zijn effecten die niet op een markt optreden, zoals CO2-emissies. Uiteindelijk hebben deze effecten wel degelijk hun weerslag op markten, bijvoorbeeld als klimaatverandering leidt tot andere kosten van landbouwproducten. Kenmerkend voor externe effecten is dat de veroorzaker geen rekening houdt met dergelijke gevolgen. Zonder overheidsingrijpen is de prikkel om externe effecten te beperken onvoldoende. De negatieve externe effecten van gebruik van fossiele energiebronnen zoals kolen, olie en aardgas worden door energietransitiemaatregelen flink gereduceerd. Vooral de CO2-emissies lopen sterk terug, maar ook andere emissies dalen als het energiegebruik afneemt en als de energieopwekking schoner wordt. Externe effecten zijn in een MKBA vaak lastig in geld uit te drukken. Gezien de centrale rol van emissiereductie in de energietransitie is het in de KKBA noodzakelijk om deze positieve effecten in geld uit te drukken. In de volgende paragraaf wordt toegelicht hoe de waardering van emissies is bepaald.
2.4.4 Kosten Tegenover diverse positieve effecten van energietransitie staan de kosten die moeten worden gemaakt om de transitie te realiseren. Wat kosten en opbrengsten zijn, hangt af van het gekozen perspectief. Zo zijn subsidies kosten voor de overheid maar baten voor bedrijven. In de KKBA wordt uitgegaan van een maatschappelijk perspectief: het gaat om kosten en baten voor heel Nederland. Dit betekent dat overdrachten binnen Nederland niet als kosten en baten worden geteld. Voorbeelden van overdrachten zijn subsidies, belastingen en binnenlandse betalingen. In dit maatschappelijk perspectief worden alleen kosten meegeteld die ook een welvaartseffect vormen voor Nederland als geheel. In de KKBA gaat het om de volgende maatschappelijke kosten: • Investeringen in energiebesparing en in een andere energievoorziening. Deze investeringen vormen uiteindelijk kosten voor aandeelhouders (winsten omlaag), klanten (prijzen omhoog) en/of belastingbetalers (meer subsidie). • Reguleringskosten. De overheid maakt kosten om het transitiebeleid uit te voeren. Deze kosten worden uiteindelijk gedragen door belastingbetalers. • Kosten van belastingheffing. Hogere belastingen leiden tot welvaartsverlagend gedrag. Zo stimuleren hoge belastingen op arbeid mensen om minder uren te werken.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
26
HOOFDSTUK 2
2.4.5 Verdelingseffecten De kosten en baten van energietransitie verdelen zich over burgers en bedrijven, afhankelijk van de wijze waarop het beleid vorm krijgt. Een ongelijke verdeling kan ernstige gevolgen hebben. Zo kan het neerleggen van hoge kosten bij energie-intensieve bedrijven leiden tot een slechtere concurrentiepositie en op termijn tot verplaatsing van productie naar andere landen. Hoge kosten voor groepen burgers kunnen leiden tot verlies aan draagvlak voor de energietransitie, met name als mensen met lage inkomens erop achteruit zouden gaan. In deze KKBA veronderstellen we dat eventuele kostenstijgingen voor bedrijven (netto, rekening houdend met de baten van energiebesparing) worden gesubsidieerd. Een en ander wordt gefinancierd met een generieke belastingverhoging die niet sterk op lage inkomens drukt. Overigens geeft de KKBA geen integraal beeld van de verdelingseffecten want daarvoor is de kengetallenbenadering bij een breed pakket van schetsmatig ingevulde maatregelen niet goed geschikt. Een integrale MKBA van afzonderlijke, concreet uitgewerkte energietransitiemaatregelen is beter geschikt om verdelingseffecten te bepalen.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
INVESTEREN IN EEN SCHONE TOEKOMST
3
27
De invulling van nul- en projectalternatieven
3.1 Scenario’s: rekening houden met onzekerheid Energietransitie is een ontwikkeling voor de lange termijn. Deze studie bekijkt de ontwikkeling over de periode 2010-2050. Over deze lange periode zijn kerngegevens zoals economische groei, technologische ontwikkelingen en energieprijzen nooit met zekerheid te voorspellen. Het is daarom gebruikelijk om de economische analyse van energietransitie te baseren op scenario’s van mogelijke toekomstige ontwikkelingen. De scenario’s vormen geen voorspelling maar schetsen een beeld van de toekomst aan de hand van een verzameling consistente veronderstellingen. De consistentie van de veronderstellingen moet garanderen dat het beeld van de toekomst in zekere zin ‘klopt’. Belangrijk is dat via een scenario de invloed van onzekere factoren zoals energieprijzen geïsoleerd kan worden. Via bandbreedtes in de onzekerheid ontstaat een beeld van de toekomst dat op grond van de huidige informatie plausibel is. Het startpunt voor deze KKBA is het ‘Business as usual’ (BAU)- scenario dat ontleend is aan het werk van de IEA voor de World Energy Outlook en de Energy Technology Perspectives. Kern van dit scenario is de vraag hoe de economie zich ontwikkelt bij voortzetting van het huidige beleid.
Het illustreert de gevolgen van “inactiviteit” en vormt een referentiepunt voor de analyse van beleid om de huidige trend van stijgend energieverbruik en groeiende broeikasgasemissies om te buigen. In het BAU-scenario groeit de wereldeconomie met gemiddeld 3,3% per jaar tussen nu en 2050. Dit tempo vlakt na 2030 iets af doordat de bevolkingsgroei vanaf dat moment vermindert. Nederland behoort als geïndustrialiseerd land niet tot de snelle groeiers van de wereldeconomie. Bij de doorvertaling van het BAU-scenario naar Nederland is de veronderstelling dat de groei in ons land voor de periode tot 2050 jaarlijks 2,6% is. Wereldwijd veroorzaakt de economische groei een verdubbeling van de CO2-emissie in 2050. Dit is mogelijk doordat het scenario geen prikkels bevat om het gebruik van fossiele energie terug te dringen. Waar besparing plaatsvindt wordt dit effect meer dan tenietgedaan door de sterke groei van de energievraag. Deze groei legt een stevige druk op de energieproductie. Vooral olieproducenten worden gedwongen de minder productieve en duurder te exploiteren velden in bedrijf te nemen. Het gevolg is een stijging van de olieprijs tot $121 in 2050 (in 2010 prijzen). Door de koppeling met de olieprijs stijgt de prijs van aardgas overeenkomstig.
Blue Map is het IEA-scenario dat de situatie schetst waarin het energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen sterk wordt gereduceerd. IPCC (2007) berekent dat reducties in de orde van grootte van 50% tot 80% in 2050 nodig zijn om de wereldwijde temperatuurstijging te beperken tot 2 à 2,4 graden Celsius. Blue Map heeft als doel om aan deze eis te voldoen onder macroeconomische condities die gelijk zijn aan het BAU-scenario. De wereldeconomie groeit in Blue Map dus ook met 3,3% per jaar. De ombuiging in de emissies wordt gerealiseerd door energiebesparing en veranderingen in de energiemix. Dit kan alleen op basis van technologieën die vandaag nog niet ontwikkeld zijn. Kennisontwikkeling en innovatie is dus een belangrijk onderdeel van Blue Map. Welk beleid hiervoor nodig is wordt in Blue Map niet ingevuld. Dat
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
28
HOOFDSTUK 3
beleid nodig is blijkt uit de kosten van de opties voor emissiereductie. Blue Map gebruikt voor het behalen van de emissiedoelstelling opties die tot $175 per ton vermeden CO2 kosten. Reducties vinden plaats in alle onderdelen van de energiesector: energiebesparing bij eindverbruikers (36%), toepassing van CCS bij elektriciteitsproductie (11%), kernenergie (7%), hernieuwbare energie (18%). Fossiele energie blijft ook in Blue Map een belangrijke rol spelen. Wel vermindert de vraag naar fossiele energie in 2050 met 25% ten opzichte van vandaag (en 57% ten opzichte van het BAU-scenario). Dit heeft gevolgen voor de olieprijs die in Blue Map op $ 70 per vat blijft steken. Voor het BAU-scenario is door de IEA een doorvertaling gemaakt voor Nederland (IEA 2008b). Voor Blue Map bestaat zo’n analyse niet en is voor de KKBA een aanpassing gemaakt van het WLO-Strong Europe scenario dat sterk lijkt op Blue Map. Een belangrijk verschil met Blue Map is de macro-economische ontwikkeling. Strong Europe veronderstelt een matige economische groei van 1,6% voor Nederland waar de groei volgens Blue Map gelijk is aan het BAU-scenario. Ook is in Strong Europe gerekend met een lagere olieprijs van $25 per vat. Dit is voor de KKBA gecorrigeerd om aan te sluiten bij de olieprijs van Blue Map. Tabel 3.1 vat de economische veronderstellingen van de scenario’s samen. Tabel 3.1
Samenvatting kerngegevens scenario’s BAU en Blue Map*
Economische groei wereld Economische groei NL Olieprijs (per vat) Gasprijs (MBtu) Kolenprijs (ton) ETS prijs CO2
2010 3,3%
BAU 2030 3,3%
2050 3,3%
2010 3,3%
Blue Map 2030 3,3%
2050 3,3%
2,6%
2,6%
2,6%
1,6%
1,6%
1,6%
$ 85 $ 10,0 $ 63 € 15
$ 115 $ 13,6 $61 €0
$ 121 $13,9 $61 €0
$85 $10,0 $63 € 15
$90 $ 9,5 $ 42,7 € 58
$70 $ 8,3 $ 31 € 121
Bron: IEA (2008), p. 537 en IEA (2010).
* Alle energieprijzen zijn in reële termen. Dit betekent dat de daadwerkelijke, nominale prijs door de invloed van inflatie veel hoger ligt.
3.2 De invulling van de nulalternatieven in BAU en Blue Map Inzet beleid in de nulalternatieven De basis voor het uitvoeren van de KKBA is de vergelijking tussen een nulalternatief en een projectalternatief. Het projectalternatief bevat het pakket maatregelen dat gericht is op de ambitieuze doelstelling om in 2050 80% reductie van de uitstoot van de broeikasgassen te bereiken. Het nulalternatief is het referentiepunt voor de beoordeling van de effecten van dit programma. Voor het nulalternatief moeten echter ook veronderstellingen worden gemaakt. Zo ziet het nulalternatief in het BAU-scenario er anders uit dan in Blue Map. BAU is het scenario met hoge economische groei en de afwezigheid van internationale samenwerking voor
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
DE INVULLING VAN NUL- EN PROJECTALTERNATIEVEN
29
verduurzaming van de samenleving. Dit weerspiegelt zich in het nulalternatief waarin in BAU geen maatregelen worden genomen om energietransitie actief te stimuleren; waar dit beleid al is ingezet wordt het afgebouwd. In het Blue Map scenario ligt dit anders. De veronderstelling ‘geen nieuw beleid’ betekent in dit scenario toch een flinke inspanning gericht op reductie van broeikasgasemissies omdat dit onderdeel is van de internationale samenwerking die in Blue Map is verondersteld. Dit levert voor Nederland al 50% reductie van de CO2-emissie en die prestatie komt naar voren in de veronderstellingen onder het nulalternatief. Er is immers beleid nodig om dit doel te bereiken (zie Tabel 3.2). Tabel 3.2 Overzicht van verondersteld beleid in de nulalternatieven
Nulalternatief
Blue Map/Strong Europe
BAU-scenario
Emissiehandel
ETS: €15/ton in 2010 ETS tot oplopend naar €121/ton in afgeschaft. 2050
Energiebelasting
Bij voor niet-deelnemers ETS Tarieven constant vanaf 2010 minimaal gelijk aan tarieven deelnemers plus CO2-prijs. Bij elektriciteit tarieven constant.
Gebouwde omgeving
Voor nieuwbouw EPC naar 0 Na 2020 geen regels meer voor in 2020 EPC
Elektrische apparaten
Aanscherping energielabels Geen aanscherping en na 2020 conform Europese normen geen labels
Industrie
Energie-investeringsaftrek blijft Na 2020 afschaffing EIA. gehandhaafd.
SDE
Voortzetting huidig beleid. Na 2020 vervalt SDE. Tarieven dalen door dalende kosten van duurzame energie
Kernenergie
Na 2033 geen vergunning voor Bouw van nieuwe centrales nieuwe centrales blijft mogelijk.
2020.
Daarna
Effect van beleid op het gebruik primaire energiebronnen in Blue Map De combinatie van beleid en economisch ontwikkeling bepaalt de groei van de energievraag en de energieproductie in het nulalternatief. Dit laat zich aflezen aan de veranderingen in de energiemix. Figuur 3.1 toont de verandering in de energiemix in het nulalternatief van het Blue Map scenario. In Blue Map wordt uitgegaan van een effectieve internationale inspanning om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Dit gebeurt met de inzet van een breed palet aan opties. Energiebesparing is met ongeveer 1,5% per jaar een belangrijke motor achter de reductieinspanning. Daarmee wordt de groei van de energievraag grosso modo gecompenseerd waardoor het totale verbruik constant blijft.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
30
HOOFDSTUK 3
Bij de veranderingen in de productiestructuur is in het Blue Map scenario in het nulalternatief uitgegaan van een flinke inzet van CCS bij kolen en gas verbruik. Daarnaast spelen ook positieve aannames over technologische ontwikkelingen een rol waardoor het aandeel hernieuwbaar in 2050 toeneemt. Door de prijsstijgingen van de fossiele energiebronnen in combinatie met de technologische ontwikkeling die hernieuwbare opties na 2030 aantrekkelijker maken, daalt het marktaandeel van de fossiele energiedragers. Ze blijven echter een belangrijke rol spelen in dit nulalternatief. Kernenergie verdwijnt in het nulalternatief met de sluiting van Borssele in 2033. Resultaat van de verandering in de energiemix is een daling van de totale CO2-uitstoot met 50% over de periode 2010 tot 2050 (ten opzichte van 1990). De projectalternatieven in Blue Map staan voor de uitdaging om dit percentage uitstoot verder te reduceren tot maximaal 20% van het 1990-niveau. Om dit bereiken zijn stevige maatregelen en investeringen nodig die verderop worden toegelicht. Figuur 3.1
Blue Mapscenario:Gebruik primaire energiedragers, 2010-2050 (productie in PJ)
4000 3500 3000
Kernenergie
2500
Aardgas
2000
Olie Kolen
1500
Biomassa
1000
Hernieuwbaar overig
500
Hernieuwbaar elektrisch 2010 2013 2016 2019 2022 2025 2028 2031 2034 2037 2040 2043 2046 2049
0
Bron: SEO
Ontwikkeling gebruik primaire energiebronnen in BAU-scenario Kenmerk van het ‘business as usual’ scenario (BAU) is letterlijk dat verduurzaming van de samenleving niet actief wordt bevorderd. Het gevolg is dat het energiegebruik stevig zal doorgroeien, zoals Figuur 3.2 laat zien. Vooral het gebruik van olie voor transportdoeleinden en als grondstof in de industrie blijft sterk doorgroeien. De prijs van de fossiele brandstoffen neemt in dit scenario toe, maar deze toename is onvoldoende om het gebruik af te remmen en de ontwikkeling van alternatieven zoals hernieuwbare energie in gang te zetten. Dit is het gevolg van twee ontwikkelingen die in het scenario zijn verondersteld: • De prijs van kolen blijft relatief laag. Het marktaandeel van kolen als primaire energiebron neemt daarom toe ten nadele van het aandeel van aardgas dat qua prijs meestijgt met de olieprijs. Maar het kolenvermogen concurreert ook hernieuwbare alternatieven uit de markt.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
DE INVULLING VAN NUL- EN PROJECTALTERNATIEVEN
31
•
De concurrentiestrijd tussen fossiele en hernieuwbare bronnen valt verder in het voordeel uit van fossiel doordat er geen technologische ontwikkeling is verondersteld, die de ontwikkeling van duurzame technologieën op de lange termijn concurrerender kan maken. Het gevolg van deze twee oorzaken is dat bij afwezigheid van beleid ter stimulering van energiebesparing en duurzame energie ontwikkeling in dit scenario geen schijn van kans heeft. De CO2-emissie verdubbelt tot bijna 400 Mton in 2050. Figuur 3.2
BAU-scenario: Gebruik primaire energiebronnen, 2010-2050 (productie in PJ)
6000 5000 Kernenergie 4000
Aardgas Olie
3000
Kolen 2000
Biomassa Hernieuwbaar overig
1000
Hernieuwbaar elektrisch 2010 2013 2016 2019 2022 2025 2028 2031 2034 2037 2040 2043 2046 2049
0
Bron: SEO
3.3 De invulling van de projectalternatieven 3.3.1 Indeling van de projectalternatieven De projectalternatieven hebben als gemeenschappelijk doel om de uitstoot van CO2 in 2050 met 80% te verminderen waarbij 1990 het referentiejaar is. Voor ieder scenario onderscheiden we een projectalternatief ‘fossiel’ en een projectalternatief ‘hernieuwbaar’. De naam van het projectalternatief geeft aan dat de nadruk in de energiemix ligt bij fossiele bronnen of hernieuwbare bronnen. Dit onderscheid is relatief omdat de 80%-doelstelling alleen gehaald kan worden bij inzet van een breed palet aan maatregelen. In het projectalternatief fossiel groeit het aandeel hernieuwbare energie dus ook ten opzichte van het nulalternatief. De nadruk ligt echter bij de inzet van fossiele bronnen waarbij kernenergie en CCS-toepassing bij kolengestookte elektriciteitscentrales en gascentrales de belangrijkste bronnen vormen. Het belangrijkste verschil tussen de projectalternatieven in de scenario’s is de mate waarin Nederlands beleid autonoom doelstellingen op het terrein van energietransitie nastreeft. Dit vindt zijn weerklank in de twee sporen in de beleidsanalyse van VROM-raad/AER (2004) waarin een onderscheid is gemaakt tussen een versterkte internationale aanpak van energietransitie en een actieve nationale aanpak.
In alle projectalternatieven staat het nationale beleid centraal, maar onder het Blue Map scenario is in het nulalternatief al verondersteld dat de internationale
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
32
HOOFDSTUK 3
samenwerking op dit thema versterkt wordt. Dit ondersteunt in de projectalternatieven de aanpak van het nationale beleid. In het BAU-scenario is de opgave van het nationale beleid relatief zwaar, omdat geen bijdrage te verwachten is van kennisontwikkeling en dergelijke uit het buitenland. De inspiratie voor de invulling van de projectalternatieven komt uit vergelijkbare scenariostudies van energietransitie. IEA (2010) heeft verschillende varianten van Blue Map uitgewerkt die overeenkomen met de invulling van de projectalternatieven. Zo is er een variant van Blue Map waarin CCS en kernenergie centrale opties zijn. In een andere variant wordt juist de inzet van hernieuwbare bronnen maximaal benut. In ECF (2010) komen we vergelijkbare varianten tegen. Hierin zijn drie varianten doorgerekend die verschillen in de mix tussen hernieuwbaar, kernenergie en CCS. Concreet is de verdeling: • 80% hernieuwbaar, 10% kernenergie, 10% CCS • 60% hernieuwbaar, 20% CCS en 20% kernenergie • 40% hernieuwbaar, 30% CCS en 30% kernenergie Dit betreft de energiemix voor de Europese energiehuishouding wat het grote aandeel kernenergie verklaart. Dit aandeel is in de Nederlandse context veel kleiner waardoor het vooral gaat om de vraag hoe de mix is tussen de inzet van hernieuwbare bronnen en de toepassing van CCS.
De invulling van de projectalternatieven in dit onderzoek is de reflectie van dit vraagstuk.
3.3.2 Ontwikkeling aan de vraagzijde In de projectalternatieven vindt een reductie in het energieverbruik plaats ten opzichte van het energieverbruik in het nulalternatief. De besparing bedraagt ruim 2000 PJ in 2050 voor de projectalternatieven in het BAU-scenario en 630 PJ in Blue Map. Uiteraard verschillen de instrumenten waarmee in beide scenario’s besparing is gerealiseerd. In Blue Map veronderstelt het nulalternatief al een besparing van circa 1,5% per jaar. De extra besparing wordt gerealiseerd in de gebouwde omgeving, via extra inzet van WKK en met het Anders beprijzen van mobiliteit (kilometerprijs). De lagere warmtevraag zorgt voor een daling in het gebruik van gas. Door de besparingen daalt het energiegebruik en daarmee de CO2-uitstoot. Figuur 3.3 geeft aan hoe het energieverbruik zich ontwikkelt per sector in de nulalternatieven. De figuur laat zo zien dat het nulalternatief in het Blue Map scenario al een deel energiebesparing veronderstelt. Ook blijkt uit de figuur dat in het BAU-scenario vooral de industrie een sector is waar het energieverbruik stevig doorgroeit bij afwezigheid van maatregelen om dit verbruik te matigen. Figuur 3.4 splitst het energiegebruik verder uit om de besparing in de projectalternatieven tot uitdrukking te brengen.
De figuur betreft de situatie onder het BAU-scenario, omdat dit scenario dwingt tot het nemen van stevige besparingsmaatregelen. Zoals gesteld, veronderstelt het nulalternatief in het Blue Map scenario al een flink deel energiebesparing en is het additionele effect van het projectalternatief beperkt. De figuur laat zien dat vooral bij de huishoudens, de dienstensector en de transportsector flinke besparingen worden gerealiseerd. De industrie blijft in verhouding een groot aandeel houden in het energieverbruik; de besparingen tellen hier in verhouding minder sterk aan.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
DE INVULLING VAN NUL- EN PROJECTALTERNATIEVEN
Figuur 3.3
33
Primair energiegebruik per sector in het nulalternatief, 2002-2040
5000
4000 Energiebedrijven 3000
Handel, diensten en overheid Landbouw Verkeer en Vervoer
2000
Industrie Huishoudens
1000
0 2002
Bron: WLO (2006), p. 286
Figuur 3.4
2020 2040
2020 2040
BAU‐scenario
Blue Map
Primair energiegebruik per sector in BAU-scenario, 2020 en 2040
4000 3500 3000
Handel, diensten en overheid
2500
Landbouw
2000
Verkeer en Vervoer
1500 Industrie
1000 500
Huishoudens
0 2020
2020 projectalternatief
2040
2040
projectalternatief
Bron: SEO
Ontwikkeling finaal verbruik De stap van nulalternatief naar projectalternatief kan ook worden geïllustreerd door de ontwikkeling in het finaal verbruik te schetsen. Het gaat hier om vier categorieën verbruik: finaal elektrisch verbruik, finaal thermisch verbruik (vooral verwarming en transport), non-energetisch
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
34
HOOFDSTUK 3
verbruik (energie als grondstof) en het omzettingssaldo. Deze laatste categorie geeft het verlies aan energie weer bij de productie van energie (elektriciteit en warmte) uit primaire energiebronnen. Voor het Blue Map scenario kunnen de ontwikkelingen van het finaal verbruik voor het nulalternatief en de projectalternatieven naast elkaar worden gezet. Figuur 3.5 geeft het finaal verbruik aan in het nulalternatief. Dit laat de effecten zien van de energiebesparing van circa 1,5% waardoor het verbruik per saldo nauwelijks groeit. In de projectalternatieven voor dit scenario wordt extra bespaard, vooral op het thermisch verbruik (zie Figuur 3.6). Het finaal verbruik elektrisch loopt per saldo licht op door de groei van het aantal elektrische toepassingen zoals elektrisch vervoer dat onderdeel uitmaakt van het energietransitieproces. Figuur 3.5
Finaal verbruik nulalternatief Blue Map scenario, 2010-2050 (in PJ)
4000 3500 Omzettingssaldo
3000 2500
Non‐energetisch verbruik
2000
Finaal verbruik thermisch
1500 1000
Finaal verbruik elektrisch
500 0 2010
Figuur 3.6
2050
Finaal verbruik projectalternatief Blue Map scenario, 2010-2050 (in PJ)
4000 3500 Omzettingssaldo
3000 2500
Non‐energetisch verbruik
2000 1500
Finaal verbruik thermisch
1000
Finaal verbruik elektrisch
500 0 2010
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
2050
DE INVULLING VAN NUL- EN PROJECTALTERNATIEVEN
35
Voor het BAU is in de Figuur 3.7 en Figuur 3.8 dezelfde vergelijking gemaakt. Kern van dit scenario is de sterke groei van het verbruik in het nulalternatief. Het effect van energiebesparing is goed zichtbaar in het projectalternatief (de opties zijn voor de alternatieven Hernieuwbaar en Fossiel gelijk). Ook hier wordt de besparing vooral gerealiseerd bij het thermisch verbruik. Het finaal verbruik van grondstoffen lijkt in de projectalternatieven meer toe te nemen dan in het nulalternatief, maar dit is alleen een relatieve toename. Dit aandeel springt er in de figuur meer uit doordat het totale verbruik veel lager is, terwijl er op het grondstoffenverbruik niet veel wordt bespaard. Figuur 3.7
Finaal verbruik nulalternatief BAU-scenario, 2010-2050 (in PJ)
6000 5000 4000 Omzettingssaldo 3000
Non‐energetisch verbruik Finaal verbruik thermisch
2000
Finaal verbruik elektrisch
1000 0 2010 Figuur 3.8
2050 Finaal verbruik projectalternatief BAU-scenario, 2010-2050 (in PJ)
4000 3500 3000 2500
Omzettingssaldo
2000
Non‐energetisch verbruik
1500
Finaal verbruik thermisch
1000
Finaal verbruik elektrisch
500 0 2010
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
2050
36
HOOFDSTUK 3
De precieze invulling van de besparingsmaatregelen is weergegeven in Tabel 3.3. De tabel is georganiseerd rondom de projecten van de verschillende transitieplatforms. Daarbij zijn de projecten van de platforms niet strikt gevolgd, zoals bij het onderdeel rekeningrijden onder het kopje Duurzame mobiliteit. De tabel laat zien dat de ambitieuze doelstelling van 80% emissiereductie voor de projectalternatieven alleen kan slagen bij grote energiebesparingen over een breed front. De gebouwde omgeving is duidelijk een sleutelsector bij het realiseren van deze agenda. Hieronder wordt per platform een toelichting gegeven van de invulling van de besparingen. Tabel 3.3
Besparing in de projectalternatieven van het BAU-scenario, 2010-2050 (in PJ)
In peta joule
2010
2020
2030
2040
2050
0
186
322
603
880
proces intensificatie
0
20
30
70
100
symbiose en restwarmte
0
13
25
38
50
clearing house
0
0,5
1
1,5
2
precisie landbouw
0
3
5
8
10
WKK industrieel
0
50
50
50
50
Overige Industrie
0
135
270
390
540
0
18
35
18
10
slimmer transport
0
38
75
113
150
efficiëntere motoren
0
25
50
75
100
ABvM (rekeningrijden)
0
0
93
105
112
Kas als energiebron
0
13
25
38
50
Totaal
0
502
981
1510
2054
Gebouwde omgeving Ketenefficiency
Duurzame elektriciteit WKK huishoudens Duurzame mobiliteit
* Groene grondstoffen is opgenomen in energiemix * Nieuw gas is onderdeel van Gebouwde omgeving (hr‐ketel) en Duurzame mobiliteit (waterstof)
Platform Gebouwde Omgeving Energiebesparing in vergelijking tot het nulalternatief (in peta joule) 2010 2020
0
186
2030
2040
2050
322
603
880
De grootste besparing vindt plaats in de gebouwde omgeving. De totale besparing loopt op tot 880 PJ in 2050. De Innovatieagenda Energie Gebouwde Omgeving (2009) beschrijft het beoogde transitiepad naar een duurzame energiehuishouding in de gebouwde omgeving in 2050. Figuur 3.9 toont de ontwikkeling van het totale energieverbruik in de gebouwde omgeving. In 2010 verbruikt de gebouwde omgeving ongeveer 1000 PJ per jaar.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
DE INVULLING VAN NUL- EN PROJECTALTERNATIEVEN
Bij ongewijzigd beleid komt het verbruik in 2050 volgens het Platform slechts iets lager te liggen. Merk op dat het achtergrondscenario BAU voor deze KKBA een stijging van het verbruik veronderstelt die niet in deze figuur is opgenomen. Het aansturen op energiebesparing vormt het belangrijkste middel om tot een energieneutrale sector te komen. Zowel bij woningen als bij utiliteitsgebouwen wordt er vanaf 2015 sterk ingezet op energiebesparing. Vanaf 2020 loopt daarnaast in de visie van het Platform het ontwikkelen van ‘wijksystemen’ mee in de ontwikkeling. Hierbij gaat het om productie van duurzaam opgewekte energie binnen de gebouwde omgeving bijvoorbeeld door middel van zon-pv en warmtesystemen. Deze productiemiddelen zijn als negatieve waarden meegenomen in de figuur. Voor de besparingen in de KKBA zijn alleen de besparingen meegenomen en niet de wijksystemen. Deze vallen in de KKBA deels onder de productiemix van het energieaanbod. Bij de totale besparing van 880 PJ in 2050 in de berekeningen in de KKBA is ervan uitgegaan dat de vraag naar energie in de gebouwde omgeving in 2050 positief is. Deze vraag wordt in de visie van het Platform (zie Figuur 3.9) ingevuld door de wijksystemen, waardoor de gebouwde omgeving als geheel energieneutraal is. Figuur 3.9 Projectie energiegebruik gebouwde omgeving
Bron:
Innovatie agenda – Gebouwde omgeving (2009)
In de innovatieagenda is voor het zichtjaar 2020 een concrete aanpak uitgewerkt van instrumenten en doelen. Het programma is opgebouwd uit de delen ‘Denken’, ‘Doen’ en ‘Opschalen’. Onder het kopje ‘Denken’ zijn de doelstellingen geformuleerd; o.a. volledig energieneutraal bouwen in 2020 en bij bestaande bouw het gebruik van fossiel terugdringen met 50 à 75% voor warmte en koelen, en met 25 à 50% voor elektriciteitsgebruik. Gehanteerde instrumenten voor het halen van de doelstelling binnen de bestaande bouw is een verplichte energieprestatie gecombineerd met een fiscale vergroening die het aantrekkelijk maakt te investeren in energiezuinige maatregelen. Bij
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
37
38
HOOFDSTUK 3
nieuwbouw worden soortgelijke instrumenten ingezet zoals het aanscherpen van de EPCnormen voor woning- en utiliteitsbouw en het oprichten van een programma voor innovatie en opschaling van nieuwe technieken. De EPC-norm voor nieuwbouw moet op grond van Europese richtlijnen al in 2020 naar nul. Dit betekent dat nieuwe woningen energieneutraal zijn. Vervolgens zal via vervanging en renovatie ook de bestaande woningvoorraad moeten worden aangepakt om de ambitieuze doelstelling van 880PJ besparing in 2050 te kunnen realiseren. Dit kan alleen met zeer scherpe normering en flankerend beleid met subsidies. Platform Ketenefficiency Energiebesparing in vergelijking tot het nulalternatief (in peta joule) 2010 2020
2030
2040
2050
proces intensificatie
0
25
50
75
100
symbiose en restwarmte
0
13
25
38
50
clearing house
0
0,5
1
1,5
2
precisie landbouw
0
3
5
8
10
WKK industrie
0
50
50
50
50
overige industrie
0
135
270
390
540
Net als het platform Gebouwde Omgeving is het platform Ketenefficiency sterk gericht op energiebesparing. Het platform probeert de “gehele keten zo energie-efficiënt en effectief mogelijk (her) in te richten”. Binnen het platform Ketenefficiency zijn verschillende plekken waarop besparingen worden ingeboekt. Belangrijkste target is daarbij de procesindustrie waar chemische en fysische processen plaatsvinden die veel energie kosten. Volgens het platform maken veel installaties in de procesindustrie gebruik van oude technologie. Nieuwe technieken en andere werkwijzen maken het mogelijk om met een veel kleinere installatie de zelfde resultaten te boeken. Deze procesintensificatie leidt eveneens tot een veel lager gebruik van energie. De European Roadmap for Process Intensification schetst voor verschillende technologieën de mogelijkheden. Binnen de industrie moet er ook energie bespaard worden door beter samen te werken en door restwarmte beter te benutten. Het clearing house idee haakt in op het nodeloze transport van commodities goederen tussen leveranciers en klanten, terwijl er vaak een leverancier op kortere afstand van de klant aanwezig is. Het clearing house principe wordt eerst opgezet voor de chemiesector, waarna het overgenomen kan worden door overige sectoren. De afname in transport zorgt voor een energiebesparing van 2 PJ in 2050.
De toepassing van WKK in de industrie is bij het platform KE ondergebracht vanwege de nadruk op de warmtevraag. De productie van elektriciteit is bij deze toepassing een bijproduct. We veronderstellen dat de warmtevraag in de industrie gaat dalen, mede door de sterk stijgende CO2-prijzen in beide projectalternatieven. De dekkingsgraad van WKK in de industrie zal echter stijgen waardoor de besparing van dit onderdeel per saldo op 50 PJ blijft steken (zie mede WLO 2006, p 291).
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
DE INVULLING VAN NUL- EN PROJECTALTERNATIEVEN
39
In aanvulling op deze door het platform besproken besparingen in de industrie is er tevens een belangrijk post voor overige besparingen in de industrie ingeboekt. Deze overige besparingen lopen op tot 540 PJ in 2050 en vormen daarmee een niet te verwaarlozen post. Zoals hierboven is beschreven, is de industrie een belangrijke bron van energieverbruik in 2050. De industriesector is daarom een aangewezen bron voor extra besparing. De hogere besparing komt ook overeen met de conceptresultaten van het onderzoek door de Universiteit van Utrecht naar het ‘Potentieel voor Besparing en Efficiency van Energiegebruik in Nederland (BEEN)’, waarin een besparing van circa 800 tot 900 PJ in 2050 mogelijk wordt geacht. De studie geeft daarnaast een aantal maatregelen zoals voor de Basis metaal sector; ‘thin slab casting’, ‘Coke Dry Quenching’, ‘Smelt’ reductie (HISarna) en ‘Near net shape casting’. De besparingen zijn te vinden in de verschillende sectoren binnen de industrie en vormen deels een aanvulling en overlappen deels met de activiteiten van het platform op het gebied van procesintensificatie en symbiose/restwarmte. Het platform zet zich daarnaast in voor de toepassing van precisielandbouw waarbij het gebruik van hulpstoffen precies wordt afgestemd op klimaat, bodem en gewas.
Per gewas wordt er gekeken welke omstandigheden het beste zijn voor de groei van de plant, vervolgens wordt per vierkante meter grond de hoeveelheid hulpstoffen aangepast. De methode bespaart onder andere op kunstmest, pesticiden en brandstof. In totaal wordt daarmee naar verwachting 10 PJ energie bespaard in 2050. De belangrijkste instrumenten om de veranderingen tot stand te brengen zijn het samenbrengen van partijen en het realiseren van voorbeeldprojecten om de transitie op gang te brengen en te houden. Platform Duurzame Elektriciteit/Nieuw Gas Energiebesparing in vergelijking tot het nulalternatief (in peta joule) 2010 2020 WKK huishoudens
0
18
2030
2040
2050
35
18
10
De toepassing van (micro) WKK komt bij verschillende platforms terug. In haar visierapport ‘Vergezichten in gas’ beschrijft het platform Nieuw Gas de rol van (micro) WKK in woningen en gebouwen. Momenteel heeft aardgas nog een dominante positie in het voorzien van warmte aan woningen, maar naar verwachting zal dit afnemen naarmate woningen beter geïsoleerd worden en nieuwbouw energieneutraal wordt. Het platform Duurzame Elektriciteit schetst in haar rapport ‘Naar een duurzame elektriciteitsvoorziening: de Visie’ een beeld van een toenemende toepassing van WKK tot deze overbodig wordt gemaakt door de bredere inzet van niet fossiele bronnen zoals winden zonne-energie. De besparing behaald door de toepassing van WKK loopt daardoor op tot medio 2020-2030 en vervolgens terug tot 10 PJ in 2050.
SEO ECONOMISCH ONDERZOEK
40
HOOFDSTUK 3
Platform Duurzame mobiliteit Energiebesparing in vergelijking tot het nulalternatief (in peta joule) 2010 2020
2030
2040
2050
slimmer transport
0
38
75
113
150
efficiëntere motoren
0
25
50
75
100
ABvM (rekeningrijden)
0
0
93
105
112
Voor de transportsector bestaan grosso modo twee mogelijkheden voor energiebesparing. Enerzijds besparen we energie door minder kilometers te maken, anderzijds door minder energie te gebruiken per afgelegde kilometer. Rekeningrijden is een voorbeeld van een besparing op het aantal kilometers door middel van een beprijzing van het weggebruik. Daarnaast zijn er ook andere manieren van ‘slimmer’ transport te bedenken, zoals Intelligente Transportsystemen (ITS), compact rijden/vertreinen. Hierbij wordt geavanceerde informatie- en communicatietechnologie ingezet voor interactieve cruise control (afstandhouden), ondersteuning van de chauffeur (waarschuwingssystemen, semiautomatisch rijden), verkeersinformatie en routenavigatie (verkeersmanagement). Voertuigen worden hiervoor uitgerust met in-car apparatuur. Daarnaast zet het platform in op verandering van de brandstofmix via biobrandstoffen, rijden op waterstof en de door het platform Duurzame Mobiliteit opgestelde brandstofmix projectie geeft verder inzicht in de opkomst van de hybridisering en in de toekomst de toepassing van waterstof. Dit zijn onderdelen van het transitiepad die bij de bespreking van de energiemix aan bod komen. Paragraaf 3.4 gaat nader in op het transitieproces in de transportsector. Platform Kas als energiebron Energiebesparing in vergelijking tot het nulalternatief (in peta joule) 2010 2020 0