Rekenkamer eindrapport onderzoek Intervence - 12122022
Tekst van het document
40
41
Bron: Brief van Intervence aan gemeenteraadsleden van de 13 Zeeuwse gemeenten met kenmerk 20.068, 4 december 2020 Bron: Procesvoorstel onderzoek terugvaloptie Jeugdbescherming west
Pagina 44
te bieden; daar was onvoldoende tijd voor.42 Ambtelijke advisering was vrijwel onmogelijk vanwege de grote hoeveelheid aan betrokken instanties en zeer veel, vaak op korte termijn, extra ingelaste overlegmomenten voor de Kopgroep en de Bestuurscommissie. Het Transformatieoverleg Jeugd is wel regelmatig extra bij elkaar gekomen (vaak in de avonden), om op cruciale momenten te worden geïnformeerd. Door zich snel opeenstapelende ontwikkelingen wisselde de informatie echter snel.43 In gesprekken in het kader van dit onderzoek wordt daar ook kritisch tegenaan gekeken. De leden van de Kopgroep zou zich door onvoldoende ambtelijke ondersteuning en expertise teveel hebben moeten ingraven in de inhoud. Dat vraagt de nodige kennis die zij in beginsel ook niet hadden.44 In de eigen reflectie van de Bestuurscommissie van 24 januari 2022 wordt dit punt ook genoemd. De Bestuurscommissie geeft aan dat er geleidelijk een fuik ontstond, waar nog maar een optie voorlag en waar men geen eigen afwegingen meer kon maken, bijvoorbeeld door advies vanuit de eigen ambtelijke organisatie in te winnen. Ook was het door de tijdsdruk niet meer mogelijk om afstand te nemen en de voorliggende informatie goed te beoordelen.
De Bestuurscommissie trekt daarbij een les: ‘In geval van een complex dossier is het werken met een Kopgroep in principe goed, maar het is wel nodig om een ondersteunende structuur in te richten waarbij een expertteam snel en met voldoende capaciteit beschikbaar is’. De ervaren tijdsdruk en benodigde expertise wordt hieronder aan de hand van de cruciale momenten in deze fase verder geïllustreerd. Op 8 mei 2020 dreigt een groot probleem. Betaling van het voorschot aan Intervence gebeurt op basis van PxQ, Dat betekent dat Intervence wordt betaald op basis van geleverde prestaties. Door de afnemende aantallen zorg heeft Intervence teveel betaald gekregen en dat moet worden terugbetaald aan de gemeenten. Direct terugvorderen zal maken dat Intervence failliet gaat. Echter geen terugbetaling vorderen zou gezien worden als ‘staatssteun’. Vandaar dat er gestart moet worden met het opstellen van een plan B: verschillende scenario’s onderzoeken. Op basis van een extra Portefeuillehoudersoverleg Jeugd wordt geconcludeerd dat het merendeel van de portefeuillehouders onvoldoende vertrouwen heeft dat Intervence met adequate oplossingen gaat komen. Dat wordt nog eens bevestigd met het verbeterplan dat Intervence opstelt in opdracht van de Kopgroep. De Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg kan niet instemmen met het verbeterplan.
Reden is dat het onvoldoende richtinggevend en hoopgevend is voor de toekomst. Het Portefeuillehoudersoverleg Jeugd geeft aan dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de instandhouding van de GI-functie, maar niet voor de instandhouding van de GI-Intervence. De Bestuurscommissie wil nu drie scenario’s uitgewerkt zien. De eerste twee scenario’s dienen te worden uitgewerkt door Intervence en het derde scenario valt onder verantwoordelijkheid van de Bestuurscommissie. Op hoofdlijnen gaat het om de volgende scenario’s: 1 Intervence wordt vanaf 2021 de voorkeursaanbieder inzake GI-functies. Dit vindt plaats aan de hand van een helder verbeterplan; 2 Intervence wordt overgenomen door een andere partij, waarna Intervence als dochter of werkmaatschappij de GI-werkzaamheden gaat uitvoeren. Ook dit vindt plaats aan de hand van een helder plan. Dit scenario is toegevoegd op verzoek van het ministerie JenV; 3 De werkzaamheden van Intervence worden afgebouwd, waarna de organisatie wordt geliquideerd. De werkzaamheden worden uitgevoerd door een andere GI.
42
Bron: Interviews
43
Bron: Ambtelijke verificatie Bron: Interviews
44
Pagina 45
In juni 2020 biedt de Bestuurscommissie, conform de lopende contracten, contractverlenging aan de vier GI’s. Intervence maakt geen gebruik van de mogelijkheid om het bestaande contract met een jaar te verlengen. Het contract met Intervence eindigde daarmee automatisch op 31 december 2020.
In juli 2020 ligt er een gezamenlijke opdracht vanuit Intervence en de Bestuurscommissie voor de uitwerking van drie scenario’s: > Intervence onderzoekt, met ondersteuning van het extern adviesbureau EHdK scenario 1 en 2; > De Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg onderzoekt scenario 3. De Bestuurscommissie geeft aan dat de verdeling van de scenario’s is ingegeven vanuit het principe dat de gemeenten niet verantwoordelijk zijn voor Intervence. De consequentie was echter wel dat de Bestuurscommissie beperkt invloed had op de kwaliteit en timing van informatie rondom scenario’s 1 en 2 van Intervence en de methodiek van analyse. Tegelijkertijd geldt dat ook voor Intervence, die geen invloed had op de kwaliteit van de analyse van scenario 3. Wel heeft Intervence de analyse laten uitvoeren door een extern adviesbureau. De Bestuurscommissie heeft de analyse zelf uitgevoerd, met ondersteuning van een extern procesbegeleider. In het overleg tussen de Kopgroep, het ministerie JenV en Intervence op 9 juli 2020 wordt de tussenstand van de uitwerking van de scenario’s en knelpunten besproken: > Scenario 1: Intervence is intern aan de slag gegaan met scenario 1, er vindt een diepgaander onderzoek op de interne bedrijfsvoering plaats; > Scenario 2: Intervence heeft gesprekken gevoerd met vijf GI’s, te weten WSG, Briedis, JB RR, JBW en JBB.
Behalve Briedis staan de partijen open voor eventuele overname. Er komen nu vervolggesprekken met drie partijen. > Scenario 3: Gesprekken met zes GI’s staan gepland. Op 26 november 2020 besluit de Bestuurscommissie om het contract met Intervence niet te verlengen. Dat kan zonder openbreking van het contract, omdat Intervence in december 2016 was gecontracteerd met een raamovereenkomst van 2017 t/m 2019, met een optie om te verlengen met twee maal één jaar, dus maximaal tot en met 2021. Daarnaast had Intervence al eerder in juni 2020 besloten geen gebruik te willen maken van een contractverlenging. Met een raadsmemo van 1 december 2020 worden de raden geïnformeerd over: > De uitkomst van het scenario-onderzoek. Per scenario wordt het resultaat kort beschreven. Er wordt geconcludeerd dat Intervence de zorg niet binnen de gestelde financiële kaders kan organiseren (scenario 1) en er ook geen overnamepartner voor Intervence is gevonden (scenario 2). Daarmee blijft scenario 3 als enige optie over. Dat betekent dat de werkzaamheden van Intervence in Zeeland worden afgebouwd, waarna de organisatie stopt; > Het proces van de besluitvorming rondom het voorgenomen standpunt om Intervence niet meer te contracteren voor 2021. Dit in overleg met de RvT en directeur-bestuurder van Intervence, het ministerie JenV en de Bestuurscommissie Inkoop Jeugdhulp Zeeland (13 november 2020).
Voor scenario 2 is overigens niet gekozen, omdat uit de gesprekken die de gemeenten met twee serieuze kandidaten voor een overname voerden, wordt geconcludeerd dat de risico’s voor de overname van Intervence volledig bij de Zeeuwse gemeenten komen te liggen. De Bestuurscommissie vond dit niet acceptabel. Scenario 3 kan overigens niet op draagvlak rekenen bij de Raad van Toezicht en de Directeurbestuurder van Intervence. Zij richten zich met een brief op 4 december 2020 direct tot de
Pagina 46
gemeenteraden van alle dertien gemeenten.45 In de brief geeft Intervence met kwantitatieve gegevens zicht op de ontwikkeling van onderhanden maatregelen (dwang en drang) over de jaren 2018 t/m 2020, het afnemende personeelsverloop van het aantal gezinsmanagers en de afname van het aantal klachten en het verloop van het ziekteverzuim. Intervence geeft verder aan dat als gevolg van de afname van drangmaatregelen de omzet in 2020 is gedaald met 20%. Door een forse reorganisatie heeft een aanzienlijke kostenreductie plaatsgevonden, waarmee de omzetdaling voor een belangrijk deel is opgevangen. Intervence verwacht hierdoor dat het financieel resultaat over 2020 uit zal komen op minus € 0,5 Mln. Intervence is van mening dat scenario 1 haalbaar is en financieel break-even te kunnen draaien, onder de voorwaarde dat zij minimaal 1.000 jeugdigen kan begeleiden. Hiervoor dient volgens Intervence, met 650 jeugdigen in het dwangkader (situatie eind december 2020) en het aantal jeugdigen in het drangkader te groeien naar 350 (de situatie begin december 2020 was 150 jeugdigen in het drangkader).
De minister van JenV heeft op 11 december 2020 met de Zeeuwse gemeenten afgesproken dat zij op korte termijn een overbruggingscontract met Intervence dienen af te sluiten, dat er geen onomkeerbare besluiten genomen zullen worden totdat er een goed transitieplan ligt en zorg dragen dat het personeel van Intervence zoveel als mogelijk behouden blijft46. De definitieve besluitvorming wordt op 15 december 2020 met een positief advies voor scenario 3 voorgelegd aan de dertien Zeeuwse colleges. Alle ketenpartners (ministeries, inspecties, zorg, rechtbank) vragen daarna met spoed een plan van aanpak. Door berichtgeving in de media over het beëindigen van het contract met Intervence ontstaat nu ook veel onrust in de samenleving. Dat leidde in december 2020 mede tot veel commotie in de gemeenteraden. De Raad van Toezicht van Intervence bleek in die periode ook raadsleden te benaderen. Tevens begon de rechterlijke macht zich te uiten in de media en jeugdrechters deden een oproep in een brief naar de minister voor Rechtsbescherming om in te grijpen. Jeugdrechters gaven aan dat hun rechtelijke besluiten niet meer werden opgevolgd, de uitvoering van jeugdbescherming liep vast. De landelijke overheid zou moeten zorgen voor continuïteit bij gecertificeerde instellingen.
Door alle berichtgeving in de media, de uitingen van jeugdrechters en de betrokkenheid van de minister en inspecties ontstond een krachtenveld waar de portefeuillehouders van de gemeenten en de Bestuurscommissie geen goede regie meer op konden voeren.47 Kinderrechters voorzien grote problemen als Intervence stopt MIDDELBURG - Kinderrechters maken zich zeer ongerust over de dreigende sluiting van jeugdzorgorganisatie Intervence. ,”Wij voorzien grote problemen bij het zo plotseling verdwijnen van Intervence”, zegt Susanne Tempel. ,”Wat betekent dat voor de kinderen en de gezinnen die daarmee te maken hebben?” Bron: https://www.pzc.nl/zeeuws-nieuws/kinderrechters-voorzien-grote-problemen-als-intervencestopt~adc7b47a/
Fase: Naar een (geforceerd) nieuw evenwicht In deze fase ontstaat uiteindelijk een nieuw maar evenwicht door een proces dat leidt tot een overname van Intervence door JB west. In deze fase hebben de portefeuillehouders Jeugd (Bestuurscommissie en Portefeuillehouder overleg jeugd) de regie niet meer in handen. De regie
45
Bron: Brief van Intervence aan gemeenteraadsleden van de dertien Zeeuwse gemeenten met kenmerk 20.068, 4 december 2020 46 Bron: Brief van de minister voor Rechtsbescherming aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 1 februari 2021 47 Bron: interviews
Pagina 47
wordt overgenomen door het ministerie van Justitie en Veiligheid, mede op basis van signalen van de Inspecties en de Jeugdautoriteit. Op 11, 12 en 13 januari 2021 worden digitale informatiebijeenkomsten voor de raden georganiseerd. De gemeenteraden worden geadviseerd om in te stemmen met het voorstel van de colleges, om financiële middelen beschikbaar te stellen om de transitieperiode voor Intervence mogelijk te maken (achtergestelde lening) en de drie andere GI’s in staat te stellen de overgang van cliënten mogelijk te maken. De raden stemmen hiermee in. De Kopgroep ontwikkelt vervolgens een plan van aanpak om te voorzien in de continuïteit van jeugdbescherming en jeugdreclassering. De cliënten van Intervence zouden moeten worden overgedragen aan de drie andere gecertificeerde instellingen die toen actief waren in Zeeland: het Leger des Heils, de William Schrikker Stichting en Briedis Jeugdbescherming. Op dat moment leek overdracht van het overgrote deel van de casussen van Intervence naar Briedis, als andere GI waar Zeeland accounthoudende regio voor was, een logische stap. Intervence meldt in een brief van 2 februari 2021 aan de vier wethouders van de Kopgroep dat door het nog steeds onduidelijke aanbod voor Intervencemedewerkers in het eerste kwartaal 2021 twaalf gezinsmanagers en drie medewerkers van ondersteunende diensten vertrekken.
Het wordt voor Intervence steeds moeilijker om de continuïteit van zorg aan kinderen en gezinnen te borgen. De Jeugdautoriteit stuurt een brief op 2 februari 2021 aan de Bestuurscommissie en het ministerie van JenV. Deze uit daarin haar zorgen over de continuïteit van jeugdbescherming en jeugdreclassering in Zeeland. De zorgen gaan over: > Het ontbreken van een heldere en stevige governancestructuur. Er is een groot aantal partijen betrokken, maar er is geen duidelijke regievoerder aangewezen; > De organisatorische en financiële draagkracht van de overnemende aanbieders in relatie tot het totaal aantal casussen dat moet worden overgenomen. De zorg zit hierbij met name bij de kleinste GI Briedis, die in een kort tijdsbestek een grote groei in cliënten moet doorlopen; > Onvoldoende in beeld hebben van financiële consequenties; > De planning voor een plan van aanpak schuift steeds verder naar achteren, met als gevolg een toenemende onzekerheid bij en vertrek van jeugdbeschermers van Intervence. Dit heeft gevolgen voor de continuïteit van zorg.
Verder biedt de Jeugdautoriteit haar hulp aan bij het beoordelen van de businesscase van Briedis om te beoordelen of deze organisatie voldoende basis heeft om een groot aantal cliënten over te nemen. De Jeugdautoriteit geeft daarbij aan dit ook al eerder mondeling te hebben aangeboden. Op 11 februari 2021 volgt een negatief advies van de Inspecties over het concept plan van aanpak. De Inspecties en de Jeugdautoriteit hebben geoordeeld dat het plan onvoldoende concreet, realistisch en volledig is en te veel risico’s bevat die niet of niet voldoende werden afgedekt. De Inspecties zouden graag zien dat de optie overname door JB west serieus wordt onderzocht. Op 8 maart 2021 stuurt de Bestuurscommissie aan Inspectie Gezondheidszorg Jeugd een brief en uit haar zorgen over het vertrek van twaalf jeugdbeschermers bij Intervence en ziet tegelijkertijd dat er geen overdracht van maatregelen naar andere GI's plaats heeft gevonden. De Bestuurscommissie vraagt om in gesprek te gaan en te onderzoeken of de continuïteit van zorg voldoende is gewaarborgd. Op 12 april 2021 trekt het Keurmerkinstituut het certificaat van Briedis in. Dit was voor de Bestuurscommissie een plotselinge en onaangename verassing: “Uit niets bleek dat het
Pagina 48
Keurmerkinstituut in april 2021 het certificaat zou intrekken”.48 Wel blijkt uit informatie van de Minister van Rechtsbescherming aan de Tweede Kamer dat eerder in maart en september 2020 door het Keurmerkinstituut tekortkomingen waren geconstateerd bij Briedis.49 Daarom had Briedis een verbeterplan opgesteld en eind 2020 constateerde het Keurmerkinstituut dat met de door Briedis ingezette verbetermaatregelen voldoende vooruitgang was geboekt. Daarop heeft het Keurmerkinstituut een regulier certificaat aan Briedis verstrekt. Begin april 2021 bleek echter na een controleaudit van het Keurmerkinstituut, dat Briedis de verbetermaatregelen niet heeft kunnen voortzetten en er werden ditmaal acht kritische tekortkomingen geconstateerd, die grotendeels fundamenteel van aard waren. Het Keurmerkinstituut heeft toen besloten het reguliere certificaat in te trekken en een zogenaamd ‘beëindigingscertificaat’ te verstrekken. Het gevolg was dat de Zeeuwse gemeenten op zoek moesten naar een andere GI-instelling en alle in behandeling zijnde jeugdigen bij Briedis moesten worden overgedragen aan andere GI’s. Het leverde voor de Zeeuwse gemeenten extra problemen op, bovenop de problemen met Intervence. De relatie met Intervence was immers reeds beëindigd.
In juli 2021 rapporteert de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd vanuit het toezichttraject ‘Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd’ over de Jeugdbeschermingsregio Zeeland.50 De kernconclusie is dat het in de regio Zeeland ontbreekt een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel: > De regio Zeeland is er niet in geslaagd om voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig passende hulp in te zetten. De regio Zeeland is er niet in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor deze kinderen. Met name de tijdigheid van het toewijzen van een jeugdbeschermer vraagt aandacht; > Het lukt de gecertificeerde instellingen sinds 1 april 2021 niet meer om een vaste jeugdbeschermer aan gezinnen te koppelen. Dit komt mede door het wegvallen van Briedis als gecertificeerde instelling. Briedis richt zich op dat moment de overdracht van jeugdbeschermingsmaatregelen naar de andere gecertificeerde instellingen. De inspecties verwachten dat de Zeeuwse gemeenten, Intervence en Jeugdbescherming west in gesprek gaan met elkaar.
De zorgen zijn dusdanig groot dat het ministerie van Justitie en Veiligheid ingrijpt en de Zeeuwse gemeente de opdracht geeft om een scenario in gang te zetten, waarbij Intervence zou worden overgenomen door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, die op dat moment nog niet actief was in Zeeland. Uiteindelijk hebben de dertien gemeenteraden van Zeeland in mei/juni 2021 ingestemd met de plannen om de jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsorganisatie Intervence te laten overnemen door Jeugdbescherming west. Deze organisatie bevond zich toen in een positie om de risico’s van een overname door de gemeenten te laten dragen: > De gemeenten boden de instelling de komende vijf jaar een omzetgarantie van € 7 Mln. per jaar; > De tarieven voor de andere in Zeeland werkzame gecertificeerde instellingen werden per 2022 opgetrokken. JB west wilde namelijk alleen op basis van tarieven die zij elders krijgt, aangevuld met een opslagrisico van twee procent, in Zeeland gaan werken.
48
Bron: Ambtelijke verificatie
49
Bron: Brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van de minister van Rechtsbescherming aangaande de coöperatie Briedis Jeugdbeschermers, 15 april 2021
50
Bron: Regiorapport Jeugdbeschermingsregio Zeeland, Inspectie Gezondheidszorg Jeugd ‘vervolgtoezicht kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd’, juli 2021
Pagina 49
>
Daarnaast werd aan JB west een bedrag van € 3,8 Mln. aan eenmalige financiële tegemoetkoming verstrekt om de transitiekosten van de overname te financieren, het verlies in 2021 van Intervence op te vangen en een risicobuffer aan te leggen.51
Ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid geven goedkeuring aan de overname van Intervence door JB west. Tijdens gesprekken met een afvaardiging van de raden in het kader van dit onderzoek, roept dit de vraag op of uiteindelijk de gemeenten nu niet duurder uit zijn dan in de situatie waarbij zou gekozen zijn voor het instandhouden van Intervence. De raden hebben hier tot op heden nog geen zicht op.52
51
52
Bron: Collegevoorstel aan de raad van de gemeente Sluis waarbij in alle dertien gemeenten de collegevoorstellen identiek waren, met uitzondering van de extra incidentele bijdragen die per gemeente verschillend zijn Bron: Interviews
Pagina 50
3
Samenspel tussen raden en colleges Dit hoofdstuk behandelt de deelvraag 3 van het onderzoek. We beantwoorden de deelvraag hieronder eerst kort aan de hand van kernbevindingen. In de navolgende paragrafen worden deze verder uitgewerkt. Gemakshalve korten we ‘Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg’ af als ‘Bestuurscommissie’. DEELVRAAG 3 Hoe was het samenspel tussen de raden en de colleges gedurende het proces en, in het bijzonder met betrekking tot de cruciale momenten van (her)overweging? a Hoe zijn de raden door de colleges in positie gebracht? b Hoe was de informatievoorziening richting de raden? c Hoe hebben de raden hun kaderstellende en controlerende rol ingevuld?
BEANTWOORDING DEELVRAAG: KERNBEVINDINGEN
3a
De raden werden door hun colleges, of direct door de Bestuurscommissie of Portefeuillehouders Jeugd, van uniforme informatie voorzien. Dat geldt voor alle cruciale momenten die zich hebben voorgedaan. Zij werden achteraf geïnformeerd over genomen besluiten door de Bestuurscommissie of het Portefeuillehoudersoverleg Jeugd, de onderbouwing daarvan en de voortgang en status van het proces. De portefeuillehouders Jeugd spraken over de informatie met zijn/haar eigen raad. De portefeuillehouders Jeugd kozen om dat soms in een open vergadering te doen en soms in besloten vergaderingen. Ook werden in een bepaald stadium soms stukken als geheim geclassificeerd, omdat het op dat moment over bedrijfsgevoelige informatie zou gaan. De raden hadden verder nauwelijks invloed op het proces en de inhoud vanwege het feit dat de bevoegdheden en taken, met instemming van de raden in 2014, waren gedelegeerd naar de Bestuurscommissie. Achteraf roept dit nu bij de raden een gevoel op van onbehagen. De Bestuurscommissie heeft achteraf hetzelfde gevoel.
3b De raden werden vooral in positie gebracht op momenten dat zij moesten instemmen met het verstrekken van financiële middelen. Op die momenten was er echter geen weg meer terug, waardoor zij hoogstens kritische vragen konden stellen maar uiteindelijk moesten instemmen. 3c
Uit de memo’s aan de raden blijkt dat de Bestuurscommissie steeds heeft geprobeerd de raden en colleges van uniforme informatie te voorzien en alle raden ook gelijktijdig heeft geïnformeerd. Ondanks dat merkten raadsleden dat er wel verschillen waren tussen de informatiepositie van de verschillende raden. Een en ander hing af van de wijze en vorm waarop het college de informatie vertaalde of besprak met zijn raad.
3d De raden hebben hun kaderstellende rol nauwelijks kunnen invullen, mede door het delegatiebesluit. Zij hebben hun controlerende rol kunnen invullen door kritische vragen te stellen, maar ervaarden de materie als zeer complex en het traject als een proces met vele elkaar snel opvolgende wendingen. Dat maakte dat zij aangeven ook hun controlerende rol moeilijk te kunnen vervullen.
Pagina 51
3.1 De rol van de raden De rol van de raden blijkt al duidelijk uit het voorgaande hoofdstuk en bijlage 1, waarin de historische reconstructie meer in detail is uitgewerkt. Hieruit blijkt dat de rol van de raad zich gedurende het proces heeft beperkt tot het instemmen met het verstrekken van financiële middelen voor het tijdelijk in stand houden van Intervence (de instandhoudingsbijdragen), de transitiefase naar een nieuwe gecertificeerde instelling (JB west) en het voldoen aan de financiële randvoorwaarden die JB west stelt om de risico’s voor JB west te beperken. Dat laatste had tevens gevolgen voor de andere gecertificeerde instellingen binnen Zeeland vanwege het gelijkheidsbeginsel. De beperkte rol van de raad vindt zijn grondslag in de beslissing van de raad in 2014 om de bevoegdheden en taken op het terrein van de inkoop van Jeugdzorg, via de gemeenschappelijke regeling GGD, te delegeren aan de Bestuurscommissie. Achteraf roept dit nu bij de raden een gevoel op van onbehagen. De Bestuurscommissie heeft ook dat gevoel. Dat blijkt uit de reflectie die portefeuillehouders op 24 januari 2022 hebben gedaan op het proces.53 Er wordt geconcludeerd dat de gedelegeerde bevoegdheid niet passend voelde.
Uit het verslag van de reflectie: ‘Het dossier Intervence werd namelijk gaandeweg steeds groter en politieker van aard, dan inkoop alleen: de raden hadden het gevoel alleen achteraf te kunnen tekenen bij het kruisje.’ Dit wordt ook bevestigd in gesprekken met raadsleden. Zij geven aan dat door het delegatiebesluit zij hun kaderstellende en controlerende rol onvoldoende hebben kunnen invullen. Zij werden achteraf geïnformeerd over besluiten van de Bestuurscommissie. Zij konden bij een aanvraag voor financiële middelen dan ook niets anders doen dan instemmen, na het stellen van kritische vragen. Zij voelen zich daarmee voor voldongen feiten gesteld. De raden zijn weliswaar regelmatig geïnformeerd door hun colleges of via raadsbrieven van de Bestuurscommissie, maar hebben geen substantiële invloed kunnen uitoefenen op het proces of de inhoud. Los van het delegatiebesluit geven raadsleden ook aan dat invloed uitoefenen, daar waar dertien gemeenten samenwerken in een gemeenschappelijke regeling, ook zeer relatief is. Een raad is dan ook afhankelijk van het standpunt en keuzes van andere raden. Zo kunnen zij zich bijvoorbeeld niet voorstellen tegen de instandhoudingsbijdragen te stemmen, in het geval andere raden daarmee wel instemmen.
Sommige fracties hebben hiertoe wel contact gezocht met hun evenknie in andere gemeenten, maar zij geven aan dat onderlinge afstemming zeer tijdrovend is. Hoewel de Bestuurscommissie de raden en colleges op een uniforme wijze heeft geïnformeerd ontstonden er, mede door de complexe materie, verschillende interpretaties van feiten. Een en ander hing ook af van de wijze en vorm waarop het college de informatie vertaalde of besprak met zijn raad. De complexiteit van de materie werd veel keren genoemd in de gesprekken, maar ook de complexiteit van het proces. Raadsleden ervaarden een opeenvolging aan wendingen in het proces, waardoor zij het zicht kwijt raakten op de oorspronkelijke bedoeling en doelen. Wij merken daarbij op dat vele wendingen op zichzelf te begrijpen zijn, gegeven de fase van crisis waarin het dossier op enig moment terecht kwam en de tijdsdruk die ontstond.
53 Bron: Reflectieverslag GI functie in Zeeland, 8 maart 2022
Pagina 52
3.2 Informatievoorziening Los van de momenten waarop de raad in positie moest worden gebracht om in te stemmen met het beschikbaar stellen van financiële middelen, zijn de raden op vele andere momenten door de Bestuurscommissie, het Portefeuillehoudersoverleg Jeugd en de eigen colleges geïnformeerd over genomen besluiten, de onderbouwing daarvan en de voortgang. Wij merken daarbij op dat uit de memo’s aan de raden blijkt dat de Bestuurscommissie en het Portefeuillehoudersoverleg steeds heeft geprobeerd de raden en colleges van uniforme informatie te voorzien en alle raden ook gelijktijdig heeft geïnformeerd. De portefeuillehouders Jeugd spraken over de informatie met zijn/haar eigen raad. De portefeuillehouders Jeugd kozen om dat soms in een open vergadering te doen en soms in besloten vergaderingen. Ook werden in een bepaald stadium soms stukken als geheim geclassificeerd, omdat het op dat moment over bedrijfsgevoelige informatie zou gaan. In gespreken met raadsleden wordt daarbij wel aangegeven dat raadsleden graag meer tijd hadden willen krijgen om de complexe materie goed te kunnen doorgronden. Zij geven daarbij het volgende aan: > Met name het proces en de resultaten van de scenario-analyse roept nog veel vragen op; > Er wordt veel aandacht geschonken aan de inhoud.
Het is echter niet altijd helder voor raadsleden wat hun rol en invloedsruimte is; er zou qua informatie meer aandacht kunnen worden geschonken aan het proces. Raadsleden hebben vooraf onvoldoende scherp waar kansen liggen om invloed uit te oefenen en hoe dat zou kunnen, komen daar pas achter op het moment dat dit zich voordoet of achteraf; > Raadsleden missen vaak een maatlat waarmee zij deze complexe informatie kunnen beoordelen. Daar wordt vooraf onvoldoende over gesproken. Hoe kun je bijvoorbeeld de keuze voor een bepaalde instelling beoordelen: wat is een duurzame en robuuste instelling? Als laatste merken raadsleden op dat het qua informatievoorziening niet alleen draait om het college en de raad. Gedurende het gehele proces zou de positie van kinderen en ouders centraal moeten staan. Volgens raadsleden is de informatie naar kinderen en ouders niet als collectief opgepakt; iedere gemeente informeerde de kinderen en ouders op een andere wijze. Daarnaast liep een deel van die informatie via Intervence. Uit de dossierstudie voor dit onderzoek blijkt dat de Bestuurscommissie wel informatie heeft verstrekt aan de cliëntenraad van Intervence, mede omdat deze vragen stelden.
Als laatste missen raadsleden een evaluatie achteraf: zijn de doelen van dit complexe proces nu gerealiseerd? Er spelen vragen zoals: > Is de nieuwe instelling inderdaad in staat om betere kwaliteit van dienstverlening te verzorgen en hiervoor de benodigde personele kwaliteit en kwantiteit aan te trekken en te behouden? Intervence kampte immers met een groot personeelsverloop. > Is de nieuwe instelling nu financieel robuuster dan Intervence? > Zijn we nu achteraf goedkoper of duurder uit?
Pagina 53
Deel 3 De bijlagen
Pagina 54
Bijlage 1 Historische reconstructie van het proces Datum Gebeurtenis Oprichting van de Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg Zeeland
Bron
Vóór 1 januari 2015
Inrichtingsplan voor een centrale inkooporganisatie
september 2014
1 januari 2015
De Task Force Jeugd heeft opdracht gegeven aan het Transitieteam Jeugd om de inkoop en het opdrachtgeverschap voor de jeugdzorg in de regio Zeeland vorm te geven. Onderdeel van deze aanpak was het op- en inrichten van een centrale inkooporganisatie voor de inkoop van jeugdhulp. Door de Task Force Jeugd is de voorkeur uitgesproken voor het positioneren van deze centrale inkooporganisatie in de vorm van een Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg Zeeland, binnen de Gemeenschappelijke Regeling Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zeeland (GR GGD Zeeland) op basis van artikel 25 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). De gemeenteraden van de Zeeuwse gemeenten hebben in september 2014 ingestemd met het positioneren van de centrale inkooporganisatie, binnen de GR GGD Zeeland. De centrale inkooporganisatie is formeel op 1 januari 2015 gestart en heet Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland. De Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland is formeel opgericht op 1 januari 2015 door de dertien gemeenten in Zeeland en is ondergebracht bij de gemeenschappelijke regeling GGD. De inkooporganisatie is een uitvoerende organisatie en richt zich op de inkoop van zorg voor jeugdigen voor de dertien Zeeuwse gemeenten.
Contractering van Stichting Intervence december 2015
9 december 2016
De gecertificeerde instelling Intervence wordt gecontracteerd door de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland voor een periode van één jaar. Het bestuur van Intervence meldt in het jaarverslag dat het contract is gesloten met minder budget en zonder langetermijnzekerheid. Ook meldt het bestuur dat het contract moeizaam tot stand is gekomen en dat het wegvallen van collega’s van invloed was op de werkdruk en dat het ziekteverzuim is opgelopen. De gecertificeerde instelling Intervence wordt gecontracteerd door de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland. Het is een raamovereenkomst voor de periode 2017 t/m 2019, met een optie om te verlengen met twee maal één jaar, dus maximaal tot en met 2021.
Jaarverslag Intervence 2015
Overeenkomst Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland en Stichting Intervence
Eerste signalen van problemen bij Stichting Intervence 2017
• •
•
Ten gevolge van de transformatiedoestellingen was een dalende tendens te zien van JBR casussen (dwang) ten gunste van casussen in het vrijwillig preventief kader (drang). De problemen rondom Intervence werden zichtbaar na publicatie van de jaarrekening van 2017. Toen bleek al dat Intervence moest putten uit de financiële reserves van de organisatie om de exploitatie dekkend te krijgen. Eind 2017 heeft de Bestuurscommissie IJZ hierover gesprekken gevoerd met de Raad van Toezicht en de directeur van Intervence.
Interviews Interviews
Interviews
Pagina 55
Datum
Gebeurtenis
Bron
15 februari 2017
De portefeuillehouders Jeugd besluiten op 15 februari 2017 om Intervence door te ontwikkelen naar een zogenaamde ‘Innovatieve GI’.54
18 mei 2017
Op basis van dat besluit stellen de portefeuillehouders Jeugd op 18 mei 2017 een opdracht vast voor een werkgroep GI. Daarmee moesten tevens de hiervoor genoemde knelpunten met betrekking tot de continuïteit en kwaliteit, specifiek op het gebied van jeugdbescherming en jeugdreclassering, worden opgelost. Met het plan om Intervence door te ontwikkelen naar een ‘Innovatieve GI’ is er naast een inkooprelatie voor uitvoering van de basisdienstverlening ook sprake van een samenwerkingsrelatie. Met het laatste zetten de gemeenten namelijk in op verbetering van samenwerking tussen Intervence en wijk/gebiedsteams en ketenpartners en de ontwikkeling van nieuwe innovatieve aanpakken. Dit door het inrichten van een gezamenlijke innovatiegroep ‘Oester 2018-2023’ waarin de gemeenten, Intervence en allerlei andere partners deelnemen.
Samen op weg naar een Innovatieve GI in Zeeland, Werkgroep GI Zeeuwse gemeenten en Intervence, 26 februari 2018
oktober 2017
Onderdeel van de opdracht is tevens de invoering van een meer stabiele bekostigingsvorm voor Intervence. Dit door de basisdienstverlening op basis van progonoses ten aanzien van PxQ te bevoorschotten en afzonderlijke projectbudgetten beschikbaar te stellen voor innovatieve projecten. De Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg Zeeland gaat steviger bijsturen. Ten eerste vraagt de Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg Zeeland aan Intervence een verbeterplan op te stellen. Intervence stelt dit in november 2017 op naar aanleiding van een brief op 10 oktober 2017 van de Bestuurscommissie waarin onvrede is uitgesproken ten aanzien van het functioneren van Intervence. Intervence geeft aan deze brief te hebben ontvangen namens de portefeuillehouders Jeugd van de dertien Zeeuwse gemeenten van de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland. Het verbeterplan van Intervence omvat op hoofdlijnen: > Eerste prioriteit is het wegwerken van knelpunten op het gebied van wachtlijsten en kritieke dossiers door nadrukkelijker te sturen op de taken van de gezinsmanagers. Er worden maatregelen voorgesteld om de kwaliteit van dienstverlening te verbeteren en de beschikbaarheid van gekwalificeerde medewerkers te verhogen. > Voor de middellange en lange termijn inzetten op het ontwikkelen en vernieuwen van de organisatie.
Een open bedrijfscultuur en het ontwikkelen van een langetermijnvisie op de GI-functie in Zeeland en de samenwerking met gemeenten en ketenpartners. Het laatste punt van het verbeterplan speelt in op de keuze die de portefeuillehouders Jeugd
Samen op weg naar een Innovatieve GI in Zeeland, Wergroep GI, 26 februari 2018. Hoofdbijlage 2 bevat een afzonderlijk plan van Intervence dat is goedgekeurd in het Portefeuillehoudersoverleg van 8 december 2017: Verbeterplan GI Intervence versie 3.0 definitieve versie.
Pagina 56
Datum
Gebeurtenis
Bron
8 december 2017 30 januari 2019
al op 15 februari 2017 maken om Intervence door te ontwikkelen naar een zogenaamde ‘Innovatieve GI’. De Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg gaat akkoord met het verbeterplan op 8 december 2017. Begin 2019 zijn de Zeeuwse colleges en raden over de problemen van Intervence geïnformeerd via een ‘Memo betreffende situatie Intervence’ van 30 januari 2019.
Memo betreffende situatie Intervence van 30 januari 2019
Maatregelen voor de korte termijn financiële problemen 1 februari 2019
Vanwege de negatieve exploitatieresultaten van Intervence heeft de Bestuurscommissie Inkoop Jeugdhulp na grondig financieel onderzoek geconcludeerd dat Intervence voor 2019 en 2020 extra instandhoudingsbijdragen nodig heeft. Er zijn gesprekken gevoerd met het ministerie van Justitie en Veiligheid. Er is gezocht naar oplossingen en in februari 2019 is een bestuursakkoord gesloten tussen de gemeenten, het ministerie van Justitie en Veiligheid en Stichting Intervence. In dat bestuursakkoord is afgesproken dat: > Intervence in 2019 een instandhoudingsbijdrage zou krijgen van de Zeeuwse gemeenten van € 680.000,-; > Intervence daarna weer zelfstandig de zorg zou moeten kunnen financieren op basis van de afgesproken kaders met betrekking tot prijs en hoeveelheid (PxQ); > De Zeeuwse gemeenten Intervence gaan bevoorschotten op basis van de toen geldende schatting van de productiecijfers en dat de verrekening van de voorschoten op basis van de werkelijke productie aan het einde van elk boekjaar zal worden gedaan; > Ook zijn in 2019 de tarieven voor de diensten aangepast.
februari 2019
Binnen het bestuursakkoord is de verantwoordelijkheid van gemeenten opgenomen, om indien noodzakelijk, extra financieel bij te dragen gedurende de periode dat toegewerkt wordt naar een duurzame organisatievorm voor de GI-taken in Zeeland per 2021. Raden stemmen in met de instandhoudingsbijdrage op basis van hun budgetrecht.
Interviews Reflectieverslag GI-functie Zeeland, 8 maart 2022 Diverse memo’s aan gemeenteraden van de Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg.
Raadsvoorstellen
Verkenning van duurzame oplossingen 5 april 2019
Opdrachtverstrekking door de Bestuurscommissie Jeugdhulp Zeeland voor het zogenaamde ‘VanMontfoort-onderzoek’. Aanleiding is dat de gemeenten zich bezinnen over het aanbod van de taken van gecertificeerde instellingen, in aanloop naar het opnieuw contracteren van deze taken per 1 januari 2020. Tevens willen de gemeenten dat moment aangrijpen om het huidige tij te keren met betrekking tot de financiële problemen, kwetsbaarheid in de uitvoering door personele problemen en weinig effectieve samenwerking in de keten.
Rapport aanvullend onderzoek naar een duurzaam aanbod van GI-taken in Zeeland, 17 mei 2019
Pagina 57
Datum
6 juni 2019
21 november 2019
Gebeurtenis
Bron
Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland namens de dertien Zeeuwse gemeenten. Hiervoor onderzoek is een begeleidingscommissie benoemd van beleidsambtenaren van de gemeenten en een inkoopmanager van de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland. Als gevolg van het VanMontfoort-onderzoek naar een duurzaam aanbod van de taken van gecertificeerde instellingen in Zeeland vanaf 2020, heeft de Bestuurscommissie Inkoop Jeugdhulp op 6 juni 2019 een oplossingsrichting en de daarbij horende vervolgstappen bepaald. Het traject van onderzoek en vaststelling van het gewenste duurzame ‘GI-landschap’ loopt door tot 2021. Hierover zijn de colleges en gemeenteraden in een memo voor de Zeeuwse gemeenteraden van 6-6-2019: ‘Uitwerking onderzoek VanMontfoort naar de GI-functie in Zeeland’ geïnformeerd. In het memo zijn de colleges en gemeenteraden ook geïnformeerd over de verdere financiële gevolgen voor 2019 en 2020. Er is een extra instandhoudingsbijdrage nodig en dat is als volgt gemotiveerd:
Memo voor de Zeeuwse colleges en gemeenteraden van 6 juni 2019: ‘Uitwerking onderzoek VanMontfoort naar de GI-functie in Zeeland’
‘Het is de taak van de gemeenten om zorg te blijven dragen voor de beschikbaarheid van voldoende jeugdbeschermingsfaciliteiten in Zeeland. Dat betekent dat het de verantwoordelijkheid is van de gemeenten om Intervence in de huidige vorm in stand te houden, totdat er een langetermijnoplossing is geïmplementeerd. De Zeeuwse gemeenten dienen Intervence van voldoende liquiditeit te voorzien om hun diensten uit te kunnen blijven uitvoeren. Deze liquiditeit staat onder druk doordat Intervence in 2019 en 2020 te kampen heeft met negatieve exploitatieresultaten. Intervence zal een open begroting overleggen aan de gemeenten om inzicht te geven in de te verwachten negatieve resultaten in deze jaren. Voor 2019 is hiervoor al een initiële instandhoudingsbijdrage van € 680.000,- toegekend aan Intervence. Desondanks zal aan de Zeeuwse gemeenten voor de jaren 2019 en 2020 een (aanvullende) instandhoudingsbijdrage gevraagd worden.’ Om eerder ingezette maatregelen te bekrachtigen en stevig door te zetten is een hernieuwd bestuursakkoord opgesteld, ten opzichte van het eerdere akkoord van 1 februari 2019: ‘contouren voor een nieuw bestuursakkoord’.
Gevraagd besluit: • In te stemmen met (aanvullende en voorwaardelijke) financiële instandhouding van Intervence voor 2019 en 2020 ten bedrage van € 158.000,- en € 604.000,-; • In te stemmen met financiële steun aan het Leger des Heils ter behoud van specifieke GI-functies ten bedrage van € 100.000,- en dit te dekken vanuit het transformatiefonds; • Kennis te nemen van de ‘contouren van het hernieuwd bestuursakkoord 2020’ tussen de Zeeuwse gemeenten, Intervence en het ministerie van Justitie en Veiligheid. De Zeeuwse gemeenten hebben eerder vastgesteld dat de kwaliteit en capaciteit van GI-taken in Zeeland onvoldoende was en waren daarbij specifiek ontevreden over de samenwerking met Intervence.
Voorstel aan Portefeuillehoudersoverleg Jeugd/Bestuurscommissie Inkoop Jeugdhulp
Pagina 58
Datum
Gebeurtenis
Bron
Eind 2019
De Inspecties agenderen hun toenemende zorgen over de continuïteit van de zorg door Intervence, vanwege het personele verloop en zieketeverzuim en de financiële situatie van Intervence.
Reflectieverslag GI-Functie GI in Zeeland
16 april 2020
In november 2019 zijn de inspectierapporten over de jeugdbescherming aan de Tweede Kamer aangeboden. Naar aanleiding van deze rapporten zijn een ‘foto’ en een ‘Plan van aanpak’ Intervence opgesteld. In dit raadsvoorstel wordt het verzoek om een (aanvullende) instandhoudingsbijdrage voorgelegd om de continuïteit van Intervence te waarborgen. Motivatie: Intervence heeft de afgelopen jaren te maken gehad met een trendmatige daling in de dienstverlening op het gebied van drangmaatregelen. Waar de opbrengst in 2016 circa € 3,8 miljoen bedroeg, is dit in 2018 circa € 2,8 miljoen. In 2019 en 2020 zetten de negatieve exploitatieresultaten zich voort en als dit doorgaat ontstaat een financieel onhoudbare situatie. Voorstel: Op advies van de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland (hierna IJZ) heeft de Bestuurscommissie ingestemd met een aanvullende financiële instandhouding van Intervence voor 2019 en 2020 ten bedrage van € 158.000,- respectievelijk € 604.000,- voor alle Zeeuwse gemeenten gezamenlijk. Dit onder de volgende voorwaarden: > De Zeeuwse gemeenten stellen zich op het standpunt dat zij bereid zijn om Intervence de noodzakelijke (financiële) steun te verlenen die direct gerelateerd is aan de zorg voor Zeeuwse cliënten. > De gemeenten willen geen verantwoordelijkheid dragen voor de kosten van bedrijfsvoering en investeringen in bedrijfsmiddelen.
Hiervoor dient Intervence zelf de noodzakelijke middelen te voorzien. > Evenzo verwachten de gemeenten dat Intervence in 2020 haar personeels- en apparaatskosten in overeenstemming brengt met de te verwachten (lagere) productie, dan wel zorg draagt voor stijging van die productie. > Van Intervence wordt verwacht dat zij inzet op diverse activiteiten in het kader van het verbeteren en doorontwikkelen van de bedrijfsvoering. Vraag van een fractie bij behandeling van het raadsvoorstel:
Raadsvoorstel Instandhoudingsbijdragen Intervence 2019 en 2020 16 april 2020, gemeente Middelburg
Pagina 59
Datum
Gebeurtenis
Bron
Volgens het raadvoorstel komen de financiële problemen van Intervence onder andere voort uit de trendmatige daling in de dienstverlening op het gebied van drangmaatregelen. Wordt deze daling veroorzaakt doordat er minder gevallen in Zeeland zijn, of wellicht omdat er wachtlijsten zijn door beperkte capaciteit of misschien door een andere oorzaak? Antwoord college: Eén van de oorzaken is dat de Zeeuwse toegangsorganisaties voor drangmaatregelen minder naar Intervence verwijzen. Intervence neemt de uitvoering van hun wettelijke taken serieus en in het kader daarvan zorgt Intervence dat het hulp in het gedwongen kader uitgevoerd kan worden. Omdat het jeugdbeschermingspersoneel hier de laatste jaren op heeft ingezet en er sprake is van een meer dan natuurlijk verloop, heeft Intervence niet actief verzocht om meer drangmaatregelen toegewezen te krijgen. Dit om uitvoering van het gedwongen kader blijvend te kunnen garanderen.
Verdieping van de kortetermijnproblemen en versnelling van de ontwikkeling met langere termijn perspectief 8 mei 2020
Begin 2020
27 mei 2020
Betaling van het voorschot aan Intervence gebeurt op basis van PxQ, Dat betekent dat Intervence wordt betaald op basis van een geleverde prestatie. Door de afnemende zorg heeft Intervence teveel betaald gekregen en dat moet worden terugbetaald aan de gemeenten. Direct terugvorderen zal maken dat Intervence failliet gaat/is. Echter geen terugbetaling vorderen zou gezien worden als ‘staatssteun’. Vandaar dat er gestart moet worden met het opstellen van een plan B: verschillende scenario’s onderzoeken. Op basis van een extra portefeuillehoudersoverleg Jeugd wordt geconcludeerd dat het merendeel van de portefeuillehouders onvoldoende vertrouwen heeft dat Intervence in het meerjaren Perspectiefplan met adequate oplossingen gaat komen. Begin 2020 zijn gesprekken gevoerd met de Raad van Toezicht en de directeur van Intervence. Intervence vroeg wederom om een financiële injectie. terwijl duidelijk was dat de problemen veel structureler van aard waren. Een eenmalige financiële injectie zou deze problemen niet oplossen. De Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg kan niet instemmen met het verbeterplan van de GI Intervence. Reden is dat het onvoldoende richtinggevend en hoopgevend is voor de toekomst. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van de GI-functie, maar niet voor de instandhouding van de GIIntervence.
Het Bestuurlijk Overleg Zeeuwse Jeugdregio gaat uit van drie uit te werken scenario’s, waarbij de uitwerking van het derde scenario onder gemeentelijke verantwoordelijkheid valt: 1 Intervence wordt vanaf 2021 de voorkeursaanbieder inzake GI-functies. Dit vindt plaats aan de hand van een helder verbeterplan;
Memo aan gemeenteraden betreffende situatie bevoorschotting Intervence. Betreft ‘informatie situatie Intervence’. Vertrouwelijke memo om te voorkomen dat er grote maatschappelijke onrust ontstaat bij cliënten en medewerkers van Intervence. Interviews
Bestuurscommissie IJZ, Afsprakenlijst overleg 27 mei 2020
Notitie van Bestuurlijk overleg Zeeuwse Jeugdregio: aanvullende informatie bij Verbeterplan GU Intervence aan Inspecties, Ministerie J&V en VNG
Pagina 60
Datum
Gebeurtenis 2
3
Bron
Intervence wordt overgenomen door een andere partij, waarna Intervence als dochter of werkmaatschappij de GI-werkzaamheden gaat uitvoeren. Ook dit vindt plaats aan de hand van een helder verbeterplan; De werkzaamheden van Intervence worden afgebouwd, waarna de organisatie wordt geliquideerd. De werkzaamheden worden uitgevoerd door een andere GI.
Het tweede scenario is toegevoegd op verzoek van het ministerie JenV. (Bron: BestuurscommissieIJZ, Afsprakenlijst overleg, 27 mei 2020).
28 mei 2020
juni 2020
juli 2020
Besloten is dat de scenario’s onder regie van een extern procesbegeleider55 worden uitgewerkt. EHdK voert voor Intervence de uitwerking van scenario’s 1 en 2 uit. De Bestuurscommissie werkt scenario 3 uit. EHdK wijst erop dat het van belang is dat Intervence en de Bestuurscommissie met elkaar afstemmen, zodat de opbrengst van de uitwerkingen voldoende met elkaar vergelijkbaar is en de beschikbare informatie en uitkomsten transparant zijn.
De Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg biedt, conform de lopende contracten, contractverlenging aan de vier GI’s. Intervence maakt geen gebruik van de mogelijkheid om het bestaande contract met een jaar te verlengen. Het contract met Intervence eindigde daarmee automatisch op 31 december 2020. Er ligt een gezamenlijke opdracht vanuit Intervence (RvT) en Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg voor de uitwerking van 3 scenario’s. • Intervence onderzoekt, met ondersteuning van het extern adviesbureau EHdK scenario 1 en 2; • IJZ onderzoekt scenario 3. In het overleg tussen de Kopgroep (bestuurscommissie IJZ), het ministerie JenV en Intervence op 9 juli 2020 wordt de tussenstand van de uitwerking van de scenario’s en knelpunten besproken. • Scenario 1: Intervence is intern aan de slag gegaan met scenario 1: er vindt een diepgaander onderzoek op de interne bedrijfsvoering plaats. • Scenario 2: Intervence heeft gesprekken gevoerd met vijf GI’s: WSG, Briedis, JB RR, JBW en JBB. Behalve Briedis staan de partijen open voor eventuele overname. Er komen nu vervolggesprekken met drie partijen.
55
Procesbegeleider vanuit het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ), vanuit VNG en VWS ingericht
Brief van het bureau EHdK aan de bestuurder van Intervence, Inkoop Jeugdhulp Zeeland, de VNG en in cc naar de voorzitter van de Bestuurscommissie en het ministerie van JenV Brief van de Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg aan het ministerie van VWS, 23 februari 2021 Kopgroep, ministerie J en V en Intervence, Verslag gesprek van kopgroep met het ministerie J en V en bestuur/RvT van Intervence, 9 juli 2020
Pagina 61
Datum
Gebeurtenis
Bron
• Lopende uitwerking varianten 2 juli 2020
14 juli 2020
Scenario 3: Gesprekken met zes GI’s staan gepland (juli) en worden gevoerd na de eerste gesprekken vanuit Intervence. De Kopgroep had korte lijnen met het ministerie. Daarnaast speelden de inspecties een rol. De Inspectie Jeugdzorg, de Inspectie Veiligheid en Justitie en het Keurmerkinstituut houden namelijk gezamenlijk toezicht op organisaties die jeugdbescherming en jeugdreclassering uitvoeren. De ondernemingsraad van Intervence geeft aan verbaasd te zijn dat de gemeenten, ondanks al eerder uitgevoerde onderzoeken, wederom onderzoek doen naar mogelijkheden om een GI-functie in Zeeland gestalte te geven. Daarbij vraagt de ondernemingsraad zich af hoe geldig het in februari 2019 afgesloten bestuursakkoord nog is. Ook geeft de ondernemingsraad aan dat uit eerdere onderzoeken van de Inspecties Justitie en Veiligheid blijkt dat de problemen die Intervence heeft ook landelijk aan de orde zijn voor GI’s. De raden worden via een memo geïnformeerd over de stand van zaken rondom het onderzoek betreffende mogelijke scenario’s over de toekomst van de GI-functie in Zeeland in relatie met Intervence. (15 juli 2020). Hierin staan onder andere ook de afspraken rondom de toekomst van de GIfunctie.
Interviews
Memo van de ondernemingsraad van Stichting Intervence aan de raden en colleges van de dertien gemeenten in Zeeland
Memo aan raden, Onderzoek GIfunctie in Zeeland, 14 juli 2020
Knopen doorhakken 3 september 2020
Directeur Intervence bespreekt in een uitgereikte PowerPointpresentatie de stand van zaken rondom de uitwerking van scenario 1 en 2. Scenario 1: In de afgelopen jaren is het aantal zaken bij Intervence flink afgenomen, vooral drangcasussen, maar ook een groot aantal dwangcasussen zijn naar andere GI’s of andere jeugdhulpaanbieders gegaan. Intervence is een groot deel van de markt in Zeeland kwijtgeraakt. Voor scenario 1 moet dit teruggedraaid kunnen worden, anders is scenario 1 niet haalbaar. Intervence geeft aan dat Intervence minimaal 900 zaken nodig heeft om scenario 1 realistisch te laten zijn. Dit is niet haalbaar. Dat zou ook betekenen dat gemeenten actief moeten sturen op vermindering van casussen van bijvoorbeeld Briedis, wat zou maken dat de gemeenten met een volgend probleem komen te zitten, omdat Zeeland als accounthoudende regio voor Briedis optreedt. Aanwezigen concluderen dat daarmee de optie van scenario 1 op dit moment vervalt. Scenario 2: Voor scenario 2 zijn gesprekken gevoerd met JB west, JB Rotterdam, JB Brabant en WSG/Partners voor Jeugd. De meest serieuze kansen maken de gesprekken met WGS/PvJ en JB west. Primair uitgangspunt
Verslag dialoogsessie uitwerking scenario’s GI-functie in Zeeland met Kopgroep Intervence + RvT Intervence, 3 september 2020
Pagina 62
Datum
Gebeurtenis
3 september 2020
voor scenario 2 zijn de continuïteit van zorg, gekoppeld aan de medewerkers (jeugdbeschermers/ jeugdreclasseerders, incl. ondersteunende diensten). De standpunten over de scenario’s worden voorgelegd en besproken in overleg van 3 september 2020. Samenvatting: • De RvT Intervence heeft de voorkeur voor scenario 2; • De Kopgroep adviseert op basis van de informatie die er nu ligt en de gesprekken die zijn gevoerd, om te gaan voor scenario 3. • Individuele standpunten worden per gemeente opgehaald. Conclusies: • Op basis van de informatie die nu beschikbaar is, wordt unaniem geconstateerd dat scenario 3 het meest toekomstbestendige scenario is; • Dit komt ook omdat de financiële doorrekeningen van scenario 1 en 2 niet bekend zijn. Dit open eind is onwenselijk; • De behoefte wordt uitgesproken om te komen tot een matrix, waarin op basis van de scenario’s inzichtelijk wordt gemaakt wanneer het punt ontstaat dat structurele financiële voordelen worden behaald (waar ligt het omslagpunt?).
13 september 2020
Er wordt een extra vergadering ingepland om te komen tot een definitief standpuntenbepaling m.b.t. de scenario’s. Na het overleg van 3 september bleek dit niet haalbaar. De stand van zaken wordt besproken: De afgelopen dagen/week zijn gebruikt om meer duidelijkheid te creëren over scenario 2. Er is een kennismakingsgesprek met bestuurders van JB west gevoerd, waarin de verwachtingen rondom dit scenario zijn besproken. Ook is een soortgelijk gesprek gevoerd met de bestuurder van Partners voor Jeugd. INHOUD GESPREKKEN JB west heeft nog vier tot zes weken nodig om een businesscase voor scenario 2 verder uit te werken. Ook wil JB west niet dat hun onderzoek voor scenario 2 tegelijkertijd met Partners voor Jeugd plaatsvindt. JB west wil een vijfjarig contract aangaan. Daarnaast vraagt JB west om een weerstandsreserve om de risico’s te beperken. Ook vraagt JB west een bedrag van € 25.000,- als voorwaarde voor het opstellen van een businesscase. Dit betekent dat als eerste een businesscase voor Partners voor Jeugd wordt opgesteld en deze daarna pas voor JB west kan worden ontwikkelt. De totale termijn bedraagt twaalf weken.
Bron
Bestuurscommissie IJZ, Afsprakenlijst van 3 september 2020 Memo aan de gemeenteraden van de , ondertekend door De heer J. Werkman namens de wethouders Jeugd van dertien Zeeuwse gemeenten. Intervence heeft scenario’s 1 en 2 onderzocht en beschreven in Rapport EHdK Bedrijfsplan Intervence september 2020. Brief van de Bestuurscommissie Inkoop Jeugdzorg aan het Ministerie van VWS, 23 februari 2021 Bestuurscommissie IJZ, Afsprakenlijst van 16 september 2020
Pagina 63
Datum
Gebeurtenis
Bron
Partners voor Jeugd daarentegen stelt de maatschappelijke verantwoordelijkheid en het bieden van zorg boven het zakelijke belang, al leggen ook zij, net als JB west, de volledige risico’s bij de gemeenten. Rondom scenario 2 is er contact geweest tussen het ministerie van J&V, Intervence en de Kopgroep. Geconcludeerd wordt dat het nog te vroeg is om een definitieve keuze te maken. SAMENVATTEND
• •
Scenario 2 biedt voor de continuïteit van zorg meer zekerheid. De regie ligt hierbij dan bij één partij. Echter zijn er in dat geval, ondanks een businesscase, miljoenen nodig om de risico’s voor de overnemende partij te dekken. Deze financiën worden van de gemeenten verwacht. Bij scenario 3 ligt de regie bij drie GI’s, waarbij één GI een hoofdfunctie vervult. Dit betekent dat er een groter risico ligt voor de continuïteit van zorg en dat het van extra belang is om goede afspraken te maken.
Er wordt een ronde gemaakt langs de gemeenten om de standpunten te verhelderen over: • De huidige voorkeur voor een scenario; • De vraag van Intervence m.b.t. extra bevoorschotting voor de periode tot en met 31 december 2020. De liquiditeitsprognose geeft aan dat er op korte termijn sprake is van een probleem rondom uitbetaling van de salarissen. Voorstel hierbij is om te voorzien in een verhoging van de bevoorschotting tot en met december 2020. Het gaat om een bedrag van € 500.000,-. Als de extra bijdrage nu niet wordt voorzien, dan kan Intervence in november niet aan de betalingsverplichtingen voldoen.
september 2020
CONCLUSIE • Unaniem wordt geconcludeerd dat op basis van de gesprekken met JB west en Partners voor Jeugd scenario 3 nog steeds de beste keuze lijkt; • De Bestuurscommissie stemt in met de verhoogde bevoorschotting tot en met december 2020. Met een memo van 13 september 2020 worden de gemeenteraden geïnformeerd over de stand van zaken rondom de uitwerking van de scenario’s in de afrondende fase van het scenario-onderzoek. • Scenario 1 geen optie = conclusie van RvT Intervence. Er zijn te weinig casussen voor Intervence en daarmee is Intervence als zelfstandige organisatie niet levensvatbaar. • Voor scenario 2 voert Intervence nog gesprekken met twee mogelijke overnamepartners. Ook de contactpersonen vanuit de gemeenten (zie boven) hebben gesprekken met de bestuurders van deze GI’s gevoerd. Uit de gesprekken die de gemeenten met deze GI’s voerden, wordt geconcludeerd dat
Wethouders van de Zeeuwse gemeenten, memo aan raden, Onderzoek GI-functie in Zeeland, 13 september 2020
Pagina 64
Datum
november 2020
november 2020
Gebeurtenis de risico’s voor de overname van Intervence volledig bij de Zeeuwse gemeenten komt te liggen. Dat betekent dat de gemeenten voor hoge, incidentele, kosten komen te staan. Uiteindelijk geven de betreffende GI’s wel aan dat zij de tarieven van Zeeland voldoende vinden en de GI-functie daarvoor ook kunnen uitvoeren. Met scenario 2 is de continuïteit van de zorg gegarandeerd. • Voor scenario 3 hebben drie GI’s aangegeven dat zij bereidt zijn om medewerkers en casussen over te nemen. Ook hier moet rekening gehouden worden met incidentele kosten. Naar verwachting zijn die echter veel lager dan bij scenario 2. Met dit scenario is de continuïteit van de zorg zoveel mogelijk gegarandeerd. De risico’s voor de Zeeuwse gemeenten zijn minder en ook contractueel zijn er minder risico’s. Bij keuze voor uitrol van dit scenario zijn er geen vier, maar drie GI’s in Zeeland werkzaam, waarmee het aantal casussen onder minder GI’s verdeeld worden. Besluitvorming toekomst GI-functie door colleges.
Voor besluitvorming ontvangen de wethouders een oplegger met de volgende informatie: • Uitgangspunten voor besluitvorming in volgorde van belangrijkheid: > Continuïteit van zorg > Continuïteit van werkgelegenheid > Uitwerken resultaten van Vaart in Veiligheid in relatie tot de structurele borging van GI-functie > Financiële verantwoordelijkheden van de partijen > We lopen dit proces met begrip en erkenning van elkaars verantwoordelijkheden; • Welke scenario’s en varianten zijn onderzocht; • De resultaten van de uitwerking, samengevat in twee matrixen: kansen en bedreigingen en vergelijking scenario’s o.b.v. indicatoren. In november 2020 werden de resultaten in de Bestuurscommissie Jeugd gepresenteerd. De resultaten zijn samengevat in twee matrixen: > ‘Kansen en bedreigingen; voor scenario’s 1 (variant a en b), 2 en 3 (variant a en b); > Vergelijking van scenario’s op basis van indicatoren; > Oplegnotitie met samenvatting van de belangrijkste onderdelen van beide matrixen.
26 november 2020
Besluit van de Bestuurscommissie om het contract met Intervence niet te verlengen.
1 december 2020
Per memo van 1 december 2020 worden de raden geïnformeerd over:
Bron
Inkooporganisatie Jeugdzorg Zeeland, Oplegger ten behoeve van besluitvorming toekomst GI-functie in Zeeland, 13 november 2021
Deze stukken zijn als bijlagen naar de raden van de Zeeuwse gemeenten verstuurd bij behandeling van de financiering toekomst GI-functie Zeeland De matrix ‘Kansen en bedreigingen’ is onder geheimhouding verstrekt aan de gemeenteraden Reflectieverslag GI functie Zeeland, 8 maart 2022 Wethouders van de Zeeuwse gemeenten, Memo aan raden,
Pagina 65
Datum
Gebeurtenis
Bron
•
Onderzoek GI-functie in Zeeland, 1 december 2020
•
De uitkomst van het scenario-onderzoek. Per scenario wordt het resultaat kort beschreven. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat Intervence de zorg niet binnen de gestelde financiële kaders kan organiseren (scenario 1) en er ook geen overnamepartner voor Intervence is gevonden (scenario 2). Daarmee blijft scenario 3 als enige optie over: De werkzaamheden van Intervence in Zeeland worden afgebouwd, waarna de organisatie stopt. Proces besluitvorming rondom een voorgenomen standpunt om Intervence niet meer te contracteren voor 2021. Dit in overleg met de RvT en directeur-bestuurder Intervence, het ministerie JenV en de Bestuurscommissie Inkoop Jeugdhulp Zeeland (13 november 2020). Besluit van de Bestuurscommissie Inkoop op 26 november 2020 het contract met Intervence niet te verlengen en in te stemmen met voorstel om Intervence middels een achtergestelde lening (aanvullend op de PxQfinanciering) te ondersteunen om te kunnen voldoen aan de contractuele verplichtingen.