CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

E.54d Definitief Ontwerp Energievisie Zeeland april 2025

Raadsvergadering 2 september 2025, gemeente KapelleBij agendapunt: Vaststellen Lijst Ingekomen Stukken (LIS) 2 september 202514.485 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bestuurlijke keuze 2: Bij opstellen van provinciaal beleid voor batterijopslag rekening houden met uitgangspunten vanuit het energiesysteem: batterijen plaatsen nabij hoogspanningsstations, grote zonne- en/of windparken, niet onder hoogspanningstracé’s en niet op de locatie van een toekomstig station. Conversie en opslag (bijvoorbeeld batterijen bij vragers en/of gebruikers) kunnen pieken in energievraag en -aanbod opvangen. De 13

Landelijk Actieprogramma Netcongestie (2022)

30

4. Hoofdsysteem Keuzes Elektriciteit

Bij juist gebruik kunnen batterijen daarmee een cruciale rol spelen in de energievoorziening en het mogelijk maken van woningbouw en verduurzaming van bedrijvigheid. Ook kunnen opslagsystemen bijdragen aan het verminderen van netcongestie. Bij onjuist gebruik kunnen batterijen netcongestie juist verergeren. Daarom is zorgvuldigheid bij het plannen van batterijen belangrijk.

Batterijen Type batterij

Positie in het net

Systeembatterij

Batterij met eigen netaansluiting (stand alone opslagsysteem) zowel >70MW als kleinere vermogens (zoals >10 MW) Opslag gecombineerd met hernieuwbare opwek doorgaans zonder eigen aansluiting. Kan verschillende functies hebben Opslag als onderdeel van een energiehub (soms zonder eigen aansluiting), of als buurtbatterij

Batterij gecombineerd met opwek of afname

Batterij gecombineerd met opwek of afname Batterij in een Achter de individuele meter gebouw of gesloten terrein (bv thuisbatterij) Bron: RVO handreiking vergunningsverlening elektriciteitsopslagsystemen

Ruimtelijke schaal Landelijk/ regionaal

TenneT heeft in een landelijke studie naar flexibiliteit aangegeven dat in Zeeland tot 2030 ongeveer 200-1000 MW aan grootschalige systeembatterijopslag nodig is14. In Zeeland zijn diverse ontwikkelaars aan de slag met de realisatie van batterijprojecten. De verwachting is dat Zeeland in 2030 grotendeels zal voldoen aan de door TenneT gevraagde hoeveelheid flexibiliteit. Na 2030 is nog onbekend hoeveel grootschalige opslag nodig is om het systeem in balans te houden. De verwachting is dat een redelijke doorgroei plaatsvindt, met name op locaties die nu ook al geschikt zijn. TenneT is bezig met het actualiseren van de kaart na 2030 en het aanscherpen van kaders voor plaatsing van systeembatterijopslag. Elektrolyse vervult een dubbelfunctie als het gaat over opslag. Daarom kan de ontwikkeling van elektrolyse de behoefte naar batterijopslag verminderen.

Regionaal/ lokaal

Lokaal

Lokaal

De Provincie werkt in 2025 beleid uit voor batterijopslag, waarbij ook de ruimtelijke impact van batterijen zal worden meegewogen. Vanuit het energiesysteem beredeneerd zijn de richtlijnen van TenneT voor grootschalige batterijen relevant:9

Systeembatterijen kunnen een bijdrage leveren aan het balanceren van de transportnetten op verschillende spanningsniveaus. Met het sluiten van kolencentrales richting 2030 is er meer afhankelijkheid van energie uit wind en zon. De prijs van energie wordt daardoor onvoorspelbaar. Batterijopslag kan zorgen voor balans in het net en stabiliteit in de prijs.

14

 

Batterijen op het hoogspanningsnet 2030 – TenneT (2023)

31

Nabij grote zonne- en/of windparken, omdat hier veel productie is en elektriciteit direct opgeslagen kan worden; Nabij hoogspanningsstations, vanwege korte kabels en lagere kosten;

4. Hoofdsysteem Keuzes Elektriciteit

 

Bestuurlijke keuze 3: Bewust omgaan met schaarse netcapaciteit door planologische sturing op vestiging van eventuele nieuwe energie-intensieve gebruikers. Invoering van energietoets om hierop te sturen.

Niet onder hoogspanningstracés, vanwege bedrijfszekerheid en werkbaarheid; Niet op de locatie van een toekomstig hoogspanningsstation.

Bij het ontwikkelen van nieuwe hoogspanningsstations en nieuwe zonne- en of windparken is het belangrijk om alvast rekening te houden met de benodigde batterijopslag en hiervoor ruimte te reserveren.

Nieuwe energie-intensieve gebruikers, waarmee in de prognoses van de netbeheerders geen rekening is gehouden, kunnen ervoor zorgen dat een heel gebied voor jaren op slot gaat. Flexibele afname van elektriciteit door deze verbruiker(s) kan deze impact verminderen. Als een nieuwe energie-intensieve verbruiker een significante negatieve netimpact heeft, is het belangrijk dat deze verbruikers zich vestigen op plekken waar ook in de toekomst grootschalig wordt geïnvesteerd in hoogspanningsinfrastructuur, bijvoorbeeld het Sloegebied of de Kanaalzone Terneuzen. Of op locaties waar nog structurele ruimte is voor afname in het netwerk, bijvoorbeeld nabij stations waarop veel wind- en/of zonneparken zijn aangesloten. Op de korte termijn gaat TenneT Nederlands grootste verbruikers van elektriciteit verplichten om hun ‘flexibel vermogen’ aan te bieden ten behoeve van congestiemanagement. Dit om de kans op overbelastingen en storingen te verkleinen. Hierbij is het de bedoeling dat grootverbruikers met een gecontracteerd vermogen van meer dan 60MW tijdens piekdrukte op het elektriciteitsnet hun ‘flexibel’ vermogen aanbieden aan de netbeheerder. Zij krijgen hier een vergoeding voor. 15 Om hierop ook vanuit planologisch oogpunt te kunnen sturen voeren we een energietoets in. Deze toets maakt inzichtelijk wat het e ect is van een nieuwe ontwikkeling op het elektriciteitsnetwerk.

Hierdoor kan de Energietoets ondersteunend werken in besluitvorming over plannen en

Figuur 20 Relatief benodigde ruimte voor opslag (ca. 0,36 ha) en distributie van elektriciteit (1,5 – 4 ha)

Verplicht aanbod flexibel vermogen voor grootste elektriciteitsverbruikers – TenneT (2024)

15

32

4. Hoofdsysteem Keuzes Elektriciteit

vergunningen voor grote verbruikers. Hoe de toets er precies uit komt te zien en wie hiervoor bevoegd gezag is wordt nog verder uitgewerkt.

deel uit van een grensoverschrijdend haven- en industrieel complex: North Sea Port, dat zowel in Zeeland als Vlaanderen ligt. Het realiseren van een grensoverschrijdende tussen Zeeuws-Vlaanderen en Vlaanderen kan in de toekomst mogelijk zorgen voor meer capaciteit en flexibiliteit op het Zeeuwse elektriciteitsnetwerk en ook de versterking van het Vlaamse gedeelte van het integrale haven- en industriecluster.

Bestuurlijke keuze 4: Zorg ervoor dat extra opwek na 2030 in lijn is met de Zeeuwse vuistregels met aandacht voor systeemintegratie. Keuzes over regionale opwek worden gemaakt in de RES. De Energievisie geeft geen nieuwe locaties voor opwek op kaart. In de RES 2.0 is de doelstelling van 700 MW voor wind en 1000 MW voor zon behouden. Vanuit energiesysteemperspectief is het belangrijk dat extra opwek na 2030 (bovenop de RES 2.0) past bij het energiesysteem van de toekomst en aansluit bij de Zeeuwse Vuistregels. Dit geldt in het bijzonder voor vuistregel nr. 1: Het samenbrengen van vraag, aanbod en flexibiliteit. Dit betekent dat opwek zo veel mogelijk daar gepland wordt waar ook energievraag is (of vice versa). En dat opwek (en vraag) gecombineerd worden met energieopslag. Dit vraagt om een integrale gebiedsbenadering en dat er in de planning rekening wordt gehouden met doorlooptijden in planvorming en realisatie van vraag, aanbod en opslag. In realisatie van nieuwe, grootschalige opwek moet daarbij rekening gehouden worden met benodigde systeemintegratie.

4.1.4 Vervolgstappen Hierboven genoemde keuzes leiden tot de volgende vervolgacties:  

De verdere uitwerking van deze vervolgstappen is terug te vinden in de actieagenda van hoofdstuk 6, in acties 4 en 6.

De vuistregels kunnen ook worden toegepast op eventuele Small Modular Reactor (SMR)16, mocht ervoor gekozen worden deze in de toekomst in Zeeland te realiseren. Een SMR is een modulair gebouwde kerncentrale met een relatief klein vermogen tot maximaal 300MW. Rondom SMR’s zijn nog veel onzekerheden: er zijn in de westerse wereld nog geen SMR’s gebouwd en is nog er veel onzekerheid over de kosten. Bestuurlijke keuze 5: Inzetten op interconnectie met Vlaanderen. Een van de manieren om flexibiliteit in het systeem te brengen is door het realiseren van verbindingen met buurlanden. De Kanaalzone maakt 16

Onderzoek uitwerking energietoets; Verwerken uitgangspunten energiesysteem in nog op te stellen provinciaal batterijbeleid;

SMR programma aanpak (2024)

33

34 Figuur 21 Dragerkaart Zeeland - Elektriciteit

4. Hoofdsysteem Keuzes Warmte

4.2 Warmte

Warmtebronnen en warmtenetten

4.2.1 Ontwikkelingen

Er zijn verschillende soorten warmtebronnen, zoals restwarmte, geothermie, aquathermie en bodemenergie. Warmtebronnen worden gekoppeld aan een warmtenet, dat de warmte transporteert naar de gebruikers. Warmtenetten kunnen worden ingedeeld op basis van de geleverde temperatuur: hoge temperatuur, middentemperatuur en lage temperatuur warmte. Afhankelijk van de temperatuur worden deze netten ingezet voor verschillende toepassingen. Hoge temperatuur warmtenetten zijn doorgaans geschikt voor glastuinbouw en grotere wijken met minder goed geïsoleerde woningen, lage temperatuurnetten kunnen worden ingezet bij beter geïsoleerde gebouwen.

De warmtevraag (voor o.a. verwarming, tapwater en warme teelten) wordt momenteel grotendeels ingevuld door verwarmingsketels en warmtekrachtkoppelingsinstallaties (WKK's) op aardgas. Richting 2050 dient de volledige warmtevoorziening te verduurzamen (Klimaatakkoord, NPE). Elektrificatie zal, door middel van all-electric en (in de tussenperiode) hybride warmtepompen een belangrijke verduurzamingsroute zijn. Maar ook warmtebronnen kunnen een significante bijdrage leveren aan invulling van de totale warmtevraag. Zeeland heeft zowel lokale als bovenlokale warmtebronnen. Bovenlokaal gaat het vooral om de industriële restwarmte vanuit het Sloegebied en de Kanaalzone. Lokale bronnen zijn bijvoorbeeld aquathermie, (ondiepe) geothermie, zonthermie en lokale restwarmtebronnen.17

In Zeeland lopen verschillende onderzoeken naar de haalbaarheid van warmtenetten. Voorlopige onderzoeksresultaten in opdracht van de Provincie Zeeland en gemeenten geven aan dat er vanuit het Sloegebied in 2030 in potentie genoeg restwarmte is om 38% van de totale warmtevraag van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Middelburg en Vlissingen van duurzame warmte te voorzien (zie kaart hieronder). Tegelijkertijd is de realisatie weerbarstig, en is de businesscase voor de aanleg van warmtenetten op dit moment vaak ongunstig. Warmte moet in Zeeland over een lange afstand getransporteerd worden, en de bebouwingsdichtheid is relatief laag. Tijdige invulling van (nationale) randvoorwaarden op met name financiering en marktordening is nodig om warmtenetten in Zeeland kans van slagen te laten hebben (zie H5).

17

Regionale Structuur Warmte Zeeland (2021)

35

4. Hoofdsysteem Keuzes Warmte

4.2.2 Toekomstige warmtevraag De huidige warmtevraag in Zeeland is 17 PJ, naast de CES. Deze vraag zal door isolatie en e iciëntere verwarmingsoplossingen dalen naar circa 12 PJ in 2050. De huidige warmtevraag wordt grotendeels ingevuld door aardgas, en zeer beperkt door warmtenetten. De toekomstige warmtevraag kan worden ingevuld met elektrische oplossingen en/of alternatieve technieken zoals warmtenetten. Als voor veel alternatieven wordt gekozen, is de verwachting dat de warmtevraag uit warmtenetten van 0,02 PJ naar 6,5 PJ toeneemt, zoals te zien in figuur 23. Naar verwachting zal dan grofweg de helft van deze warmte afkomstig zijn van lokale restwarmte (MT) en/of (ondiepe) geothermie. Circa 2,8 PJ is restwarmte op hogere temperatuur, afkomstig uit het Sloegebied en de Kanaalzone. Deze warmte wordt ook in die omgeving gebruikt. Afstemming met de verduurzamingspaden van de desbetre ende bedrijventerreinen is hierbij van belang: hoogwaardig hergebruik van hoge temperatuur restwarmte binnen de industrie kan onnodig warmtetransport voorkomen (zie bestuurlijke keuze 6).

Figuur 22 Overzichtskaart warmtevraag (wit) en – aanbod (geel) voor het onderzoeksgebied. De zwarte omlijnde gebieden zijn de voorkeursclusters per gemeente. Bron: Haalbaarheid Regionaal Warmtenet Zeeland (2024) RHDHV

De warmtevraag die niet met warmtenetten kan worden ingevuld wordt ingevuld met elektriciteit en (beperkt) groen gas, zie paragraaf 4.3.4. Minder warmtenetten zal leiden tot meer individuele all-electric oplossingen, wat een groter elektriciteitsverbruik en meer druk op het elektriciteitsnetwerk betekent. Figuur 23 Schematische weergave hoofdonderdelen Bron: Haalbaarheid Regionaal Warmtenet Zeeland (2024), RHDHV

Ook collectieve warmtenetten hebben een flink ruimtebeslag. Hierbij dient o.a. rekening te worden gehouden met de ondergrondse ruimte voor kabels, leidingen en boomwortels. Daarnaast zijn bovengronds ook installaties nodig zoals wamteoverdrachtstations en/of piekvoorzieningen. Ook het opslaan van warmte in de ondergrond heeft veel ruimte nodig.

36

4. Hoofdsysteem Keuzes Warmte

Bestuurlijke keuze 6: Inzet op onderlinge uitwisseling en hergebruik van hoogwaardige restwarmte in de industrie en op bedrijventerreinen. Om onnodig transport van warmte zo veel mogelijk te voorkomen ligt het voor de hand dat de industrie zo veel mogelijk warmte in het industriegebied of bedrijventerrein zelf hergebruikt. Dit geldt met name voor hoge temperatuur warmte. Overige restwarmte – van lagere temperatuur – kan dan hierna in de gebouwde omgeving en glastuinbouw worden gebruikt. Waar mogelijk via cascadering: hoge temperatuur gebruikt in de industrie, en de restwarmte die hieruit voortkomen kan vervolgens naar de glastuinbouw en/of de gebouwde omgeving. Bestuurlijke keuze 7: Eerst onderzoeken collectieve oplossingen voorafgaand aan keuze voor individuele all-electric oplossingen voor wijken in de gebouwde omgeving

Warmte glastuinbouw Yara -Westdorpe

Het collectieve gebruik van warmtebronnen middels warmtenetten kent een lagere belasting van het elektriciteitsnetwerk dan individuele all-electric oplossingen. Deels door het lagere elektriciteitsverbruik, maar vooral omdat collectieve systemen beter regelbaar zijn, waardoor ze flexibeler kunnen worden ingezet en zorgen voor minder piekbelasting. Warmte kent in dichtbevolkte gebieden bovendien tot 30% lagere maatschappelijke kosten in vergelijking met andere alternatieven (NVDE), en het vraagt minder ruimte (NPE). Warmtenetten maken het ook mogelijk om industriële restwarmte te benutten die anders wordt geloosd in lucht of water. Hierdoor is minder energieopwek nodig, met een kleinere ruimtelijke impact als gevolg.

Figuur 24 Warmtevraag in warmtenetten (TJ) – huidig en 2050 met variant met nadruk op alternatieven (A) en elektriciteit (E)

4.2.3 Bestuurlijke keuzes Gemeenten zijn de regisseurs van de warmtetransitie. Uiterlijk in 2026 stelt elke gemeente een Warmteprogramma op. Om de ontwikkeling van warmte te stimuleren, voorzien we in Zeeland vier bestuurlijke hoofdkeuzes. Deze keuzes geven richting aan gemeenten bij het ontwikkelen van hun beleid voor de warmtetransitie.

Grootschalige regionale warmtenetten Er zijn in Zeeland twee gebieden dichtbij industriële clusters met in potentie een grote hoeveelheid aan restwarmte. Hier liggen kansen voor de ontwikkeling van een regionaal warmtenet voor de gebouwde

37

4. Hoofdsysteem Keuzes Warmte

Kleine collectieve oplossingen

omgeving en/of de glastuinbouw. Dit betreft restwarmte van grote industrie in het Sloegebied en de Kanaalzone.

Niet overal zijn lokale of regionale warmtenetten haalbaar. In kleinere kernen (of in bepaalde wijken) liggen soms kansen voor kleine collectieve oplossingen. Bijvoorbeeld een gezamenlijke warmtepomp voor een woningblok of een straat die verwarmd wordt door een miniwarmtenet op aquathermie. Ook zo’n collectieve oplossing levert minder belasting op het elektriciteitsnet dan individuele warmtepompen. Daarnaast zijn deze collectieve oplossingen beter stuurbaar en flexibeler. Hierdoor kan piekbelasting op ongunstige momenten beter worden voorkomen.

Voor wat betreft het Sloegebied is in 2030 in potentie genoeg restwarmte om zo’n 90% van de warmtevraag te voorzien van de clusters aan woningen die de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Middelburg en Vlissingen hebben doorgegeven als kansrijke woningen voor een warmtenet. Dit is gelijk aan 38% van de totale warmtevraag van deze vijf gemeenten.18 In de toekomst wordt de potentie mogelijk nog groter wanneer hier (extra) elektrolysers en mogelijk extra kernenergie wordt gerealiseerd. Gemeenten en Provincie nemen in 2025 een besluit over het benutten van deze warmte.

Dat een gebied in principe kansrijk is voor bijvoorbeeld een grootschalig warmtenet wil niet zeggen dat dit overal gerealiseerd kan worden. Er kan een mismatch zijn het vereiste temperatuurniveau of de dichtheid van woningen. Ook in dat soort gevallen kan het de moeite waard te zijn te verkennen of lokale collectieve warmtenetten of op kleine collectieve oplossingen soelaas kunnen bieden boven individuele all-electric oplossingen.

De potentie voor de warmte uit de Kanaalzone is nog niet gedetailleerd bekend. Deze dient nog nader te worden onderzocht. Voor de gemeenten Veere, Noord-Beveland, Schouwen-Duiveland en Tholen is het, vanwege de grote afstand, onwaarschijnlijk dat gebruik kan worden gemaakt van de restwarmte uit een van beide clusters.

All-electric

Lokale warmtenetten

Waar geen mogelijkheid is tot warmtenetten kan gebruik worden gemaakt van all-electric oplossingen of gesloten bodemenergiesystemen. Ook hier is het belangrijk dat deze zo goed mogelijk flexibel en regelbaar zijn om piekbelasting op het elektriciteitsnetwerk te voorkomen.

Niet in alle kernen liggen kansen voor een groot warmtenet op industriële restwarmte en andere bronnen. Maar soms zijn daar wel mogelijkheden voor het realiseren van lokale warmtenetten. Hierbij worden duurzame warmtebronnen zoals aquathermie, zonthermie, (ondiepe) geothermie en kleinschalige restwarmtebronnen ingezet om aan de warmtevraag te voldoen. Ook deze kleinere warmtenetten zorgen ervoor dat warmte gebruikt wordt die anders onbenut blijft. Dit kan uiteindelijk leiden tot minder verzwaring van elektriciteitsinfrastructuur dan individuele all-electric oplossingen.

18

Groen gas Vanwege de verwachte schaarste wordt groen gas conform het Nationaal Plan Energiesysteem voor de gebouwde omgeving alleen ingezet als piekvoorziening voor warmtenetten en in combinatie met hybride warmtepompen in historische binnensteden. Zie bestuurlijke keuze 10.

Haalbaarheid regionaal warmtenet Zeeland – Royal HaskoningDHV (2024)

38

4. Hoofdsysteem Keuzes Warmte

Bestuurlijke keuze warmtenetten

Geothermie

8:

Hanteren

van

uitgangspunten

voor

De ontwikkeling van warmtenetten gaat niet vanzelf, en ze vragen net als andere energie-infrastructuur om stevige (maatschappelijke) investeringen. Daarom is het, naast het op orde brengen van de randvoorwaarden (zie hoofdstuk 5), belangrijk om uitgangspunten te hanteren die ervoor te zorgen dat warmtenetten e ectief, duurzaam en toekomstbestendig worden ontwikkeld.

De potentie voor geothermie lijkt beperkt in Zeeland. Ondiepe geothermie (500 meter tot 1 kilometer) is voornamelijk beschikbaar in Tholen en Schouwen-Duiveland, maar hier is de vraag relatief beperkt. In Zeeland zijn er nauwelijks mogelijkheden voor diepe of ultradiepe geothermie (RSW 2021). Nieuwe technieken kunnen mogelijk de potentie in de toekomst vergroten.

Socialisering van investeringskosten Het socialiseren van investeringskosten houdt in dat de kosten van infrastructuur worden verdeeld over meerdere partijen en gebruikers. Dit zorgt ervoor dat de lasten van grote investeringen niet alleen op één partij drukken, maar worden verdeeld.

Terwijl investeringen in het elektriciteitsnet wel gesocialiseerd worden over de hele samenleving, geldt dit momenteel niet voor warmtenetten. Dit verschil in benadering brengt extra financiële risico’s met zich mee voor investeerders van warmtenetten en heeft negatieve impact op de businesscase. Bovendien mogen deze investeerders geen rekening houden met de kosten die voorkomen kunnen worden door minder druk op het elektriciteitsnet (als gevolg van aanleg warmtenet).

39

Bronnendiversificatie. Afhankelijkheid van één warmtebron is, zeker in het geval van privaat eigendom of onzekere levering van warmtebronnen (bijvoorbeeld bij industriële restwarmte), onwenselijk. De bronnenstrategie dient daarom bij voorkeur zodanig te zijn dat het warmtenet meerdere warmtebronnen en vragers kan integreren. Zeker bij grotere warmtenetten. Dit zorgt voor flexibiliteit en maakt het mogelijk om in de toekomst nieuwe duurzame bronnen en vragers aan te sluiten zonder grote aanpassingen. Duurzame warmtebronnen. We streven ernaar om volledig duurzame warmtebronnen te gebruiken, zoals aquathermie, geothermie (voor zover mogelijk), of restwarmte van duurzame industrie. Wanneer tijdelijke, niet-duurzame bronnen worden ingezet, moet er een duidelijk transitiepad zijn naar volledig duurzame alternatieven. Warmtenetten dienen een gunstige maatschappelijke kosten/batenverhouding te hebben ten opzichte van andere warmteopties, zoals all-electric. De afweging dient hierbij breder te zijn dan alleen de investeringskosten en/of eindgebruikerskosten. Inzetten op verbetering draagvlak. Het is van groot belang om steun te verwerven bij bewoners en bedrijven. Warmtenetten zijn niet overal even populair. Bewoners en bedrijven moeten actief betrokken worden in het proces om zo voldoende draagvlak te creëren voor de invoering van warmtenetten.

4. Hoofdsysteem Keuzes Warmte

Afstemming met de buurtaanpak van Stedin is nodig: Stedin werkt aan de verzwaring van het laagspanningsnetwerk in Zeeuwse buurten. Afstemming is nodig om dubbel werk en kosten te voorkomen. Warmtenetten dienen in combinatie met isolatie te worden gerealiseerd. Aanleg van een warmtenet maakt isolatie niet overbodig: verlaging van de energievraag is in alle gevallen van belang. De mate van isolatie kan wel verschillen per type warmtenet.

Bestuurlijke keuze 9: Ruimte reserveren voor warmteopslag bij toekomstige warmtenetten Het bij elkaar brengen van vraag, aanbod en flexibiliteit is ook bij warmte van belang. Warmteopslag maakt het mogelijk om warmte op te slaan wanneer er een overschot is en deze te gebruiken wanneer de vraag hoog is. Hierdoor kunnen pieken in de warmtevraag opgevangen worden zonder dat er extra productiecapaciteit nodig is. Figuur 25 Benodigde ruimte voor Warmte-overdracht station (WOS) en warmte-koude opslag (WKO)

Opslag neemt significante hoeveelheden ruimte in beslag. Daarom is het belangrijk om bij de uitrol van toekomstige warmtenetten ruimte te reserveren voor warmteopslag.

4.2.4 Vervolgstappen Hierboven genoemde keuzes leiden tot de volgende vervolgacties:  

Verwerken bestuurlijke keuzes in RSW Verwerken bestuurlijke keuzes in gemeentelijk warmteprogramma 2026 en wijkuitvoeringsplannen

Deze acties zijn terug te vinden in de actieagenda van hoofdstuk 6 in actie 10 en 11.

40

Figuur 26 Dragerkaart Zeeland - Warmte

41

4. Hoofdsysteem Keuzes Waterstof

4.3 Waterstof & Groen Gas 4.3.1 Ontwikkelingen Waterstof Waterstof speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van een flexibel en robuust energiesysteem (NPE). Nederland heeft de ambitie om de waterstofmarkt in de komende jaren fors uit te breiden, met onder andere de aanleg van het Nationaal Waterstofnetwerk. Als onderdeel hiervan worden in Zeeland vanuit Noord-Brabant twee waterstofleidingen gerealiseerd: één op Zuid-Beveland richting het Sloegebied en één op Zeeuws-Vlaanderen richting de Kanaalzone. Vanuit deze leidingen zijn aftakkingen mogelijk op locaties waar grote volumes aan waterstof gevraagd worden. De locaties van deze (mogelijke) aftakkingen worden nationaal bepaald op basis van aanvragen vanuit de industrie en input van bedrijven, gemeenten, Provincies en anderen. De ontwikkeling van deze waterstofleidingen zijn randvoorwaardelijk voor eventuele regionale aftakkingen. Voorlopig blijft duurzame (groene of low-carbon/blauwe) waterstof schaars, en zijn er onzekerheden over de beschikbaarheid van waterstof vanwege internationale marktomstandigheden, prijzen, vraagontwikkeling en concurrerende opties. De verwachting is dat waterstof pas na 2030 in aanzienlijke hoeveelheden beschikbaar zal zijn. Volgens het landelijke beleid zal waterstof in ieder geval tot 2035 voornamelijk worden ingezet in de industrie.

Daarnaast kan het tot 2035 worden ingezet voor de zware mobiliteit. Waterstof wordt voor 2035 niet ingezet voor de gebouwde omgeving, conform de waterstofladder van de Europese Commissie19 en het NPE. Waterstof is namelijk te kostbaar en te schaars om dat te gebruiken waar directe elektrificatie mogelijk is. 19

Een waterstofstrategie voor een klimaatneutraal Europa

De industrie in het havengebied van North Sea Port vormt vandaag de dag het grootste waterstofcluster van de Benelux. De productie hiervan bestaat nu volledig uit grijze waterstof. Om dit gebruik te verduurzamen worden diverse duurzame waterstofprojecten ontwikkeld. De verwachte elektrolysecapaciteit in het Zeeuwse CES-cluster zal tegen 2035 naar verwachting 1,5 - 2,5 GW bedragen20. Met de doorgroei van wind op zee kan deze capaciteit mogelijk doorgroeien tot 4,7 GW in 2050, hoewel dit waarschijnlijk niet voldoende is om in de eigen waterstofvraag te voorzien. Daarom zal import van waterstof (bijvoorbeeld via ammoniak) of de productie van blauwe waterstof ook nodig zijn. Naast de inzet van waterstof in de industrie is inzet van waterstof ook mogelijk voor de scheepvaart, hoewel hier ook bio LNG, CNG en HVO ingezet kan worden (zie ook bijlage A Mobiliteit). Het NPE schetst dat er in ieder geval tot 2035 niet voldoende waterstof beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving of landbouw. Het Nationaal Waterstofprogramma verwacht dat ook na die tijd waterstof een kleinere rol zal spelen dan alternatieven als warmte, elektriciteit en groen gas. Het NPE laat zien dat voor 2050 het landelijk verwacht gebruik van waterstof in de CES industrieclusters 363 PJ is, tegenover bijvoorbeeld 6 PJ voor de glastuinbouw. De verwachting is dat waterstof ook na 2035 relatief duur en schaars blijft.

Zeeland krijgt naar verwachting een belangrijke hub-functie voor waterstof in verbinding met de regio Rotterdam, België en Duitsland. Dit zal bijdragen aan de ontwikkeling van Zeeland als “hydrogen valley”,

20

Cluster Energie Strategie 3.0 Schelde-Deltaregio

4. Hoofdsysteem Keuzes Waterstof

waarin groene waterstof op grote schaal wordt geproduceerd en gebruikt in het CES-cluster.21

4.3.2 Toekomstige waterstofvraag De huidige waterstofvraag – buiten het CES-cluster – is klein. De verwachting is dat er richting 2050 vanuit mobiliteit en de bedrijvigheid in de buurt van Waterstofnetwerk Nederland wel vraag naar waterstof zal ontstaan. In het scenario gebaseerd op zoveel mogelijk inzetten op alternatieven is de totale waterstofvraag buiten het CES-cluster iets minder dan 2 PJ. Hierbij is waterstof dan deels een bron voor de zwaardere mobiliteit en voor de bedrijvigheid in de provincie. In een energiesysteem dat meer op elektrificatie leunt zal de zware mobiliteit veelal elektrisch zijn en is de inzet voor proceswarmte in de bedrijvigheid kleiner.

Naast de mogelijkheid om een aansluiting op Waterstofnetwerk Nederland te verkrijgen, kan waterstof ook lokaal worden geproduceerd met behulp van een elektrolyser. Hierbij is de impact op het elektriciteitsnet een belangrijk aandachtspunt aangezien waterstofproductie veel elektriciteit vereist, en de productie gepaard gaat met aanzienlijke conversieverliezen (circa 30%)22. Een elektrolyser kan juist ook een flexfunctie vervullen, door overtollige elektriciteit af te nemen en om te zetten tot waterstof. Hierover is echter nog veel onduidelijk. De beschikbaarheid van zoet water speelt hierbij een rol, aangezien er gedemineraliseerd water nodig is voor elektrolyse. Voldoende beschikbaarheid hiervan is een voorwaarde voor waterstofproductie. Beschikbaarheid van voldoende waterstof buiten het CES-cluster blijft onzeker. Andere sto en die geproduceerd worden uit waterstof – zoals ammoniak en methanol – zijn industriële sto en die niet in deze Energievisie worden behandeld, maar waarvan onder andere het onderzoek van de Omgevingsverkenning de impact in kaart brengt. Veilige doorvoer van ammoniak is, gezien de verwachte grote volumes van import, noodzakelijk. Een eerste haalbaarheidsstudie is door de Provincie, North Sea Port en Smart Delta Resources in 2024 afgerond. De verwachte ruimtelijke impact van waterstof en groengas is beperkt, op het CES-cluster na.

Dit komt omdat de productie van waterstof veelal buiten de provincie of in het CES-cluster gebeurt ofwel daar binnenkomt. Voor het transport kunnen deels bestaande leidingen worden gebruikt. 21

Koersdocument EU 2021-2027 Provincie Zeeland

Verkenning van toekomstige ontwikkelingen en uitdagingen voor een klimaatneutraal elektriciteitssysteem in Nederland, 2030-2050 - TNO (2024)

22

43

4. Hoofdsysteem Keuzes Waterstof

Het nationale waterstofnetwerk zal zich in Zeeland richten op twee belangrijke industriële gebieden: het Sloegebied en de Kanaalzone Terneuzen, waarnaartoe twee leidingen worden omgevormd/aangelegd. Deze zijn randvoorwaardelijk voor de ontwikkeling van een regionaal waterstofnetwerk. Daarnaast zetten we in op de ontwikkeling van een regionaal waterstofnetwerk in Kapelle, zowel voor afname als invoeding. Hier wordt door de lokale industrie een aanvraag bij Gasunie voorbereid. In Reimerswaal is een aftakking op de waterstofbackbone mogelijk, als hier een elektrolyser wordt gerealiseerd. Mocht deze worden vergund, dan ligt een aansluiting op Waterstofnetwerk Nederland ook hier voor de hand. Naast deze concrete initiatieven zijn andere locaties voor een aansluiting op het nationale waterstofnetwerk ook denkbaar. Aanvragen hiervoor kunnen ingediend worden bij Gasunie. Afwegingen over ruimteclaims worden in NOVEX en het ruimtelijk arrangement gemaakt. Bestuurlijke keuze 11: Decentrale waterstofproductie onder randvoorwaarden, waaronder bewust omgaan met schaarse netcapaciteit door planologische sturing op vestiging elektrolysers. Naast waterstofproductie in de industrie, is het ook mogelijk om elders in Zeeland decentraal waterstof te produceren zonder aansluiting op het nationale waterstofnetwerk.

Naast de eisen die gesteld worden vanuit RO- of milieutechnische overwegingen (zoals Natura2000), is het vanwege de grote potentiële impact op het elektriciteitsnetwerk belangrijk ook randvoorwaarden vanuit het energiesysteem te hanteren:

Figuur 27 Waterstofvraag (TJ) – huidig en 2050 met variant met nadruk op alternatieven (A) en elektriciteit (E)

4.3.3 Bestuurlijke keuzes In Zeeland formuleren we twee bestuurlijke keuzes voor waterstof. Bestuurlijke keuze 10: Inzet op aftakkingen op Waterstofnetwerk Nederland in Kapelle en waar mogelijk Reimerswaal, met bijbehorende regionale waterstofnetwerken.

44

Er dient voldoende hernieuwbare elektriciteit beschikbaar te zijn om de waterstofproductie te ondersteunen, zonder dat dit ten koste gaat van andere elektriciteitsvragers.

4. Hoofdsysteem Keuzes Waterstof

  

Er moet evenwicht zijn tussen vraag en aanbod van waterstof, bijvoorbeeld door toegang tot opslagmogelijkheden. De productie mag geen negatieve impact hebben op het elektriciteitsnet, en levert bij voorkeur zelfs een positieve bijdrage. Er is voldoende gedemineraliseerd water beschikbaar, een vereiste voor de productie van waterstof. De watervraag mag geen grote negatieve consequenties hebben voor andere maatschappelijke ontwikkelingen.

4.3.4 Vervolgstappen Hierboven genoemde keuzes leiden tot de volgende vervolgacties:  

 

Verdere inzet op opschaling duurzame waterstofmarkt ten behoeve van verduurzaming van de industrie in de toekomst. De marktordening voor regionale waterstofnetwerken moet uitgewerkt worden. Dit gaat om verduidelijking van de opzet van de verantwoordelijkheid van het beheer en de aanleg van het regionale waterstofnetwerk. Projectvoorstel(len) voor aftakking en regionaal distributienet bij Kapelle en eventueel Reimerswaal. Onderzoek naar de verwachte beschikbaarheid van waterstof buiten het CES-cluster in relatie tot de (on)mogelijkheden voor decentrale waterstofproductie, inclusief de impact op het elektriciteitsnetwerk.

Deze zijn terug te vinden zijn in de nationale randvoorwaarden zoals beschreven in hoofdstuk 5 en de actieagenda uit hoofdstuk 6, in actie 16 en 17.

45

4. Hoofdsysteem Keuzes Groen gas

4.3.5 Ontwikkelingen Groen Gas

4.3.6 Toekomstige vraag naar groen gas Hoofdsysteemkeuzes Groen gas

Groen gas wordt geproduceerd uit duurzame biomassa zoals mest en groenafval. Hieruit wordt biogas geproduceerd dat kan worden opgewerkt naar groen gas. Groen gas kan dienen als alternatief voor aardgas. De verwachting in landelijk beleid is dat de beschikbaarheid op de lange termijn beperkt blijft en de kosten relatief hoog. Vooral vergeleken met andere hernieuwbare energiebronnen zoals zonne- en windenergie. In het klimaatakkoord is afgesproken dat de landelijke groen gasproductie tot 2030 verzesvoudigt tot 70 PJ. Ter vergelijking: cijfers van het CBS laten zien dat de het totale gasgebruik in Nederland rond de 1.000 PJ per jaar is.

Momenteel wordt er al beperkt groen gas gebruikt doordat het deels is bijgemengd in het aardgasnetwerk. De 2 scenario’s laten zien dat de vraag naar groen gas flink toeneemt. Met name in de variant met nadruk op alternatieven (tot ca. 1,5 PJ). Deze vraag is voornamelijk afkomstig vanuit de gebouwde omgeving en zal in dit scenario met name worden ingezet in gebieden waar andere alternatieven lastig inpasbaar blijken. Ook de ruimteverwarming in de glastuinbouw wordt dan deels ingevuld door middel van groen gas. Daarnaast heeft groen gas in beide varianten een rol in de proceswarmte voor de bedrijvigheid.

Innovaties zoals e-methaan, waarbij waterstof en gerecyclede CO₂ wordt omgezet in synthetisch methaan bieden kansen, maar zijn vooralsnog erg kostbaar. Ook in Zeeland, waar jaarlijks ongeveer 1,44 PJ groen gas wordt geproduceerd23, is het nog onzeker hoe de productie van groen gas zich verder ontwikkelt na 2030. Dit maakt het essentieel om groen gas op de lange termijn alleen in te zetten op plekken waar andere duurzame alternatieven, zoals elektriciteit of warmte, niet geschikt zijn. Denk hierbij aan historische binnensteden en industrieën waar elektrificatie lastig is (NPE24). Dit betreft dan met name de industriegebieden buiten het CES-cluster, waar de toegang tot waterstof naar verwachting beperkt is. In de tussentijd zal groen gas vooral worden bijgemengd in het aardgasnet, waarmee het dient als transitiebrandstof voor alle aardgasverbruikers.

23

Sustainable Fuel Plant Group

24

46

Nationaal Plan Energiesysteem, Verdiepingsdocument B

4. Hoofdsysteem Keuzes Groen gas

Vanwege de beperkte beschikbaarheid van groen gas moet zorgvuldig afgewogen worden waar deze schaarse energiebron wordt ingezet; met name op plekken waar het niet anders kan. Conform het NPE voorzien we dat het beperkt beschikbare groen gas vooral zal worden gebruikt in de industrie buiten het CES cluster waar het ingezet kan worden als duurzame energiebron en als bron van groene koolstof. Ook is er een groeiende rol voor bio-LNG in zowel de industrie als de mobiliteit voor zware transporten waar elektrificatie minder goed haalbaar is. In de gebouwde omgeving wordt groen gas, afhankelijk van de daadwerkelijke beschikbaarheid, voornamelijk ingezet als piekvoorziening voor warmtenetten. Bijvoorbeeld wanneer de vraag naar warmte tijdelijk hoger is dan wat duurzaam wordt opgewekt. Daarnaast is er wellicht een rol weggelegd voor groen gas in historische binnensteden. Dit gaat om plaatsen met veel monumentale gebouwen zoals Brouwershaven, Goes, Hulst, Middelburg, Sluis, Tholen-stad, Veere, Vlissingen en Zierikzee. In deze gebieden is de beschikbare ondergrondse ruimte voor de aanleg van uitgebreide warmtenetten een uitdaging. Ook zijn monumentale panden soms moeilijk te isoleren. In monumentale binnensteden kan groen gas (in combinatie met een hybride warmtepomp) uitkomst bieden als oplossing om te verduurzamen zonder ingrijpende aanpassingen aan monumentale gebouwen.

De mate waarin groen gas voor deze binnensteden noodzakelijk is, is op dit moment nog onbekend. Dit dient nog nader te worden onderzocht.

Figuur 28 Groengasvraag (TJ) – huidig en 2050 met variant met nadruk op alternatieven (A) en elektriciteit (E)

Tot slot kan groen gas (bij uitzondering) ingezet worden bij individuele aanpakken voor grote energieverbruikers of als piekvoorziening bij energy hubs, als hier geen alternatief voorhanden is. Bijvoorbeeld voor grote energieverbruikers die op een ongunstige locatie liggen ten opzichte van centrale energie-infrastructuur (zie hiervoor ook ‘solitaire punten’ uit de gebiedstypologieën). Bijvoorbeeld een bedrijf dat in de

4.3.7 Bestuurlijke keuze Bestuurlijke keuze 12: Inzet van groen gas op de lange termijn alleen daar waar geen alternatief is.

47

4. Hoofdsysteem Keuzes Groen gas

buurt ligt van een melkveehouderij waar een vergister gerealiseerd kan worden.

4.3.8 Vervolgstappen Hierboven genoemde keuzes leiden tot de volgende vervolgacties. 

Inventariseren exacte omvang historische kernen en gebouwen, en of er in historische kernen alternatieven zijn voor groen gas.

Deze acties zijn terug te vinden in de randvoorwaarden van hoofdstuk 5 en de actieagenda van hoofdstuk 6 in actie 18.

48

49

Figuur 29 Dragerkaart Zeeland - Waterstof en andere gassen

5. Randvoorwaarden

5. Randvoorwaarden voor uitvoering van de Energievisie Deze Energievisie bevat een gedeelde toekomstvisie op het energiesysteem voor de (middel)lange termijn en geeft daarmee richting aan de ontwikkeling van het energiesysteem. Om deze visie te realiseren is het niet alleen nodig dat de keuzes verankerd worden in provinciaal en sectoraal beleid. Er moet ook aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. Deze randvoorwaarden moeten op nationaal niveau ingevuld worden.

Wet- & regelgeving en beleid   

 

De marktordening voor warmtenetten is nog niet definitief. Hiervoor is het van belang dat de Wet Collectieve Warmtevoorzieningen snel wordt vastgesteld. Ook marktordening voor regionale waterstofnetwerken moet uitgewerkt worden. Dit gaat over de verantwoordelijkheid van het beheer en de aanleg van het regionale waterstofnetwerk. De energietoets moet juridisch uitvoerbaar en houdbaar zijn. Op dit moment hebben gemeenten en Provincies geen juridische mogelijkheden om initiatieven af te wijzen op basis van de impact op het elektriciteitsnetwerk. Dit vraagt om aanpassingen in de Energiewet en mogelijk ook de Omgevingswet. Juridisch mogelijk maken (en financieel stimuleren) van energie managementsystemen en bi-directioneel laden. Op Nationaal en/of Europees niveau moet meer duidelijkheid komen over verduurzamingsroutes van landbouw(voertuigen) en binnen- en zeevaart.

Financiering 

De businesscase voor warmtenetten is vaak onrendabel, zelfs als deze maatschappelijk gezien voordeliger zijn dan andere

50

warmteoplossingen. Er is aanvullende financiering nodig, bijvoorbeeld door de Warmtenet Investeringssubsidie (WIS) uit te breiden of door de subsidie op aansluitkosten te verhogen. Socialisering van warmtenetkosten vergroot de haalbaarheid van warmtenetten. Er is een ongelijk speelveld tussen warmtenetten en all-electric oplossingen doordat kosten voor het elektriciteitsnetwerk over alle Nederlanders worden verdeeld, terwijl de kosten voor warmtenetten alleen door directe verbruikers worden gedragen. Specifieke ondersteuning van deze kleine collectieve oplossingen is noodzakelijk: deze hebben vaak een minder gunstige businesscase dan individuele all-electric opties, maar kunnen significant bijdragen aan het verminderen van de impact op het net, met name in kleine kernen. Het ontwikkelen van financiële prikkels voor netbewuste of netneutrale woonwijken is noodzakelijk. Hoewel de netwerkkosten voor reguliere en netbewuste woningen gelijk zijn, komen de extra kosten voor bijvoorbeeld batterijen en regelbare warmtepompen volledig voor rekening van de ontwikkelaar of bewoner, wat de uitrol belemmerd. Een nieuwe financieringsstructuur is nodig om slimme lokale energieoplossingen, zoals energy hubs, batterijen en vraagsturing financieel haalbaar te maken.

Zo zijn energy hubs op dit moment minder aantrekkelijk voor bedrijven, omdat zij mogelijk een deel van hun gecontracteerde vermogen kwijtraken. Daarnaast dragen initiatiefnemers momenteel de kosten voor deze oplossingen, terwijl de kosten voor netverzwaringen over alle gebruikers worden verdeeld. Dit creëert een ongelijk speelveld, waarbij bedrijven in gebieden met netverzwaring voordeliger uit zijn

6. Actieagenda

6. Actieagenda Diverse vraagstukken uit deze Energievisie zijn nog niet volledig uitgekristalliseerd. Voor deze onderwerpen geeft de Energievisie een eerste richting, maar moeten nog nadere stappen worden genomen om tot concrete keuzes te komen. In deze actieagenda zijn vervolgstappen benoemd en is toegevoegd welke acties en beslissingen nodig zijn om tot verdere uitwerking te

komen. Beleidskeuzes die nog verdere afstemming vragen zullen worden ingebracht bij andere relevante tafels. Resultaten hiervan kunnen vervolgens worden verwerkt in een volgende herijking van de Energievisie (zie paragraaf 1.3.5), waarmee het beleid verder kan worden aangescherpt en verfijnd

Tabel 1 Actieagenda

Onderwerp Algemeen

Elektriciteit

Actie

Actiehouder

Planning

1

Gebiedsgerichte aanpak opstarten met uitwerking van de ruimtelijke Provincie, gemeenten inpassing van de nieuwe energie-infrastructuur in samenhang met en Stedin toekomstige vraag, aanbod en flex (opslag). Inclusief mogelijke locaties voor energy hubs, clean energy hubs en logistieke hotspots.

2025 e.v.

2

Doorvertaling bestuurlijke keuzes naar verkennings- en onderzoeksprojecten Provincie, Stedin en provinciaal MIEK. TenneT

Feb 2025

3

Doorvertaling Energievisie in provinciaal omgevingsbeleid: Omgevingsvisie en Provincie eventueel Programma en/of Omgevingsverordening.

2025

4

Uitwerking energietoets en implementatie in omgevingsbeleid.

2025

5

Individuele aanpak uitwerken voor verspreid liggende grote energieverbruikers Provincie met Stedin, (voor transport, industrie en landbouwbedrijven). TenneT, desbetre ende gemeente(n) en grote energieverbruikers

2026 e.v.

6

Ontwikkeling van beleid voor grootschalige batterijopslag met mogelijke Provincie i.s.m. locaties, randvoorwaarden etc. Rijk/IPO

2025

Provincie en netbeheerders i.s.m. Rijk/IPO

6. Vervolg

6. Actieagenda

Warmte

Waterstof

7

Doorvertaling bestuurlijke keuzes in investeringsplannen netbeheerders.

TenneT & Stedin

2025 e.v.

8

Uitwerking aanvullende 150 kV- en 380 kV-stations na 2033.

TenneT, Stedin, Rijk en Provincie en eventueel desbetre ende gemeente

Medio 2025 e.v.

9

Verder uitwerken en borgen van aanpak voor decentrale slimme oplossingen.

Taskforce Zeeuwse netoplossingen

2025

10

Doorvertaling van de bestuurlijke keuzes in de RSW.

RES Zeeland

Bij volgende herijking RES

11

Doorvertaling bestuurlijke keuzes in gemeentelijke warmteprogramma’s en Gemeenten wijkuitvoeringsplannen.

2026

12

Afwegen maatschappelijke kosten en baten van warmte en all-electric bij het Gemeenten opstellen van de wijkuitvoeringsplannen.

Doorlopend

13

Haalbaarheidsonderzoek en besluitvorming omtrent warmtenetten Gemeenten op Walcheren-Beveland, inclusief inventarisatie van beschikbare restwarmte Walcheren & Bevelanden, North-Sea vanuit de industrie voor de gebouwde omgeving. Port, Provincie

2026

14

Haalbaarheidsonderzoek en besluitvorming omtrent warmtenetten Terneuzen met NorthTerneuzen, inclusief inventarisatie van beschikbare restwarmte vanuit de Sea Port industrie voor de gebouwde omgeving.

2026

15

Stimuleren van hergebruik van restwarmte op bedrijventerreinen en bij aanleg Gemeenten van warmtenetten onderzoek doen naar koppelkansen met nabij gelegen gebouwde omgeving. Verwerking in verduurzamingsaanpakken van bedrijventerreinen.

Doorlopend

16

Projectvoorstel(len) voor aftakking en regionaal distributienet bij Kapelle en Kapelle/ Reimerswaal eventueel Reimerswaal.

N.t.b.

52

6. Actieagenda

Groen gas

17

Onderzoek naar de verwachte beschikbaarheid van waterstof buiten het CES- Provincie, Stedin cluster in relatie tot de (on)mogelijkheden voor decentrale waterstofproductie, inclusief de impact op het elektriciteitsnetwerk.

2025

18

Inventariseren of er in historische kernen alternatieven zijn voor groen gas.

2025

53

Provincie, in afstemming met HZ

6. Actieagenda

Bijlage afkortingenlijst CES – Cluster Energie Strategie (p)MIEK – (provinciaal) Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat NPE - Nationaal Plan Energiesysteem OZO-KEM - Overleg Zeeuwse Overheden Klimaat, Energie en Milieu PEH - Programma Energiehoofdstructuur RES – Regionale Energiestrategie RMP – Regionaal Mobiliteitsprogramma RSW – Regionale Structuur Warmte SMR – Small Modular Reactor TVW – Transitievisie Warmte WIP – Werkgroep Integraal Programmeren Zeeland WKK – Warmte Kracht Koppeling ETS – Emission Trading System EMS – Energie Management Systemen

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15847323/1