39d. Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
Tekst van het document
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW Rapport bij basisdocumenten 2018
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW Rapport bij basisdocumenten 2018 Leonard Osté Jaap Postma Gerlinde Roskam Rineke Keijzers Nanette van Duijnhoven
11202236-001
© Deltares, 2018
Titel
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW Opdrachtgever
Project
Kenmerk
Pagina's
Rijkwaterstaat WVL
11202236-001
11202236-001-BGS-0001
40
Trefwoorden
Basisdocumenten, probleemstoffen
prioritaire
stoffen
specifieke
verontreinigende
stoffen,
KRW,
Samenvatting
Dit rapport is opgesteld om waterbeheerders te ondersteunen in het ontwerpen van aangepaste monitoring- en maatregelenprogramma's voor probleemstoffen en nieuwe prioritaire stoffen. Het resultaat omvat informatie voor alle KRW-probleemstoffen, die waterbeheerders kunnen gebruiken als die betreffende stof overschrijdt in een bepaald waterlichaam. In drie stappen - de diagnose, de bronnenanalyse en de maatregelenanalyse wordt op een gestandaardiseerde, beknopte en overzichtelijke wijze weergegeven hoe het probleem in elkaar zit (diagnose), wat de oorzaak is (bronnenanalyse) en welke maatregelen genomen zouden kunnen worden en door wie (maatregelenanalyse). De basisdocumenten bestaan uit 3 Excelbestanden: stap 1 - diagnose, stap 2 bronnenanalyse, stap 3 - maatregelenanalyse. Dit rapport beschrijft de gevolgde methodiek en geeft in tekstboxen generieke achtergrondinformatie bij onderwerpen zoals alomtegenwoordige stoffen, toetsingssystematiek en gewasbeschermingsmiddelen. Referenties
Oste, L.A., Postma, J.F., Roskam, G.o., Keijzers, R., Van Duijnhoven, Basisdocumentatie probleemstoffen. Rapport bij de basisdocumenten 2018.
Versie Datum Auteur 0.2 nov 2018 Leonard Osté
Status
definitief
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
Review Joost v.d. Roovaart
Goedkeurin
N., 2018.
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Doelstelling 1.2 Probleemstoffen en nieuwe prioritaire stoffen 1.3 Denkkader 1.4 Hoe kan deze systematiek worden gebruikt?
1 1 1 3 4
2 Stap 1 - Diagnose: hoe groot is mijn probleem? 2.1 Algemene informatie 2.2 De vier adviezen in de diagnose (stap 1) 1. Moet de monitoring kwantitatief verbeteren? 2. Moet de monitoring kwalitatief verbeteren? 3. Norm nuanceren? 2.3 Selectie van stoffen voor de bronnenanalyse
5 5 9 9 10 11 15
3 Stap 2 – Bronnenanalyse: wat is de oorzaak? 3.1 Inleiding 3.2 De vijf hoofdvragen 3.3 Selectie van stoffen voor de maatregelenanalyse
17 17 18 25
4 Stap 3 – Maatregelen: wat zijn de oplossingen? 4.1 Noodzaak van maatregelen 4.2 Effectiviteit van maatregelen
27 27 29
5 Referenties
33
Bijlage(n) A Advies voor bronnenanalyse voor alle probleemstoffen
A-1
B Advies voor maatregelenanalyse voor alle stoffen uit de bronnenanalyse
B-1
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
i
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Voorwoord In 2016 ontstond meer en meer een beeld dat waterbeheerders weliswaar een groot aantal overschrijdingen van stoffen in oppervlaktewater rapporteerden, maar niet zo goed wisten hoe hiermee om te gaan. Ze vroegen zich af hoe groot het probleem nou eigenlijk was, wat de oorzaken van de overschrijdingen waren en of het überhaupt wel mogelijk was om de norm te halen. Daaruit is het idee geboren om per probleemstof een basisdocument te maken, dat waterbeheerders handelingsperspectief kan bieden. Na een verzoek van RWS om met een voorstel gekomen, hebben Ecofide en Deltares begin 2017 de eerste fundamenten de methodiek ontwikkeld. Bijna twee jaar later heeft dat geleid tot dit rapport en 3 bijbehorende excelbestanden.
Dat was niet mogelijk geweest zonder de stimulerende begeleiding van Hannie Maas en John Hin van RWS-WVL en de feedback die we hebben gekregen van de waterbeheerders en in het bijzonder van de begeleidingsgroep van dit project met als deelnemers: Gert van Ee (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier namens Rijn West) Wim van der Hulst (Waterschap Aa en Maas namens Maas) Mattie de Vries / Harry Boonstra (Wetterskip Fryslân namens Noord) Frans de Bles (Waterschap Vallei en Veluwe namens Rijn Oost) Jos Goossen (Waterschap Scheldestromen namens Schelde) We hopen dat het eindresultaat bruikbaar is voor waterbeheerders en leidt tot betere en eenduidigere onderbouwing van het omgaan met overschrijdingen van chemische stoffen. Leonard Osté (projectleider Deltares) Jaap Postma (projectleider Ecofide)
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
iii
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
1 Inleiding 1.1
Doelstelling Volgens de Kaderrichtlijn Water dienen lidstaten voor hun oppervlaktewaterlichamen te beschikken over een monitoringprogramma en een maatregelenprogramma. Als een doelstelling, zoals de norm voor een prioritaire of specifieke verontreinigende stof, niet gehaald dreigt te worden dient het monitoringprogramma getoetst en zo nodig bijgesteld te worden. Tevens dienen eventueel noodzakelijke aanvullende maatregelen te worden opgenomen in het maatregelenprogramma. Voor de nieuwe prioritaire stoffen (uit Richtlijn prioritaire stoffen 2013) moet eind 2018 een aanvullend monitoringprogramma en een voorlopig maatregelenprogramma vastgesteld zijn. Dit rapport dient waterbeheerders te ondersteunen in het ontwerpen van aangepaste monitoring- en maatregelenprogramma’s voor probleemstoffen en nieuwe prioritaire stoffen in oppervlaktewater (en niet in grondwater). Met probleemstoffen wordt in dit kader bedoeld: prioritaire of specifieke verontreinigende stoffen die in 1 of meer waterlichamen de norm overschrijden. Dat betekent dat nutriënten buiten beschouwing worden gelaten, maar dat ammonium wel wordt meegenomen. Verder wordt voor gewasbeschermingsmiddelen voor de bronopsporing en de te nemen maatregelen verwezen naar het Landelijk meetnet gewasbeschermingsmiddelen en de Tweede Nota Duurzame Gewasbescherming.
Voor de KRW-factsheets zullen generieke formuleringen voor deze stoffen worden opgesteld. Het projectresultaat omvat informatie per (probleem)stof, die waterbeheerders kunnen gebruiken om (per waterlichaam) de maatregelen vast te stellen en op te nemen in KRWfactsheets. Het project is met betrokkenheid van waterbeheerders uitgevoerd. Dit is vooral tot stand gekomen vanuit de begeleidingsgroep van het project, die was samengesteld uit vertegenwoordigers van de verschillende deelstroomgebieden. Verder is regelmatig gecommuniceerd met het Regionaal Afstemmingsoverleg Monitoring (RAM), het cluster Monitoring, Rapportage en Evaluatie, MRE en de sub-werkgroepen in de KRW stroomgebieden. De belangrijkste eindproducten zijn de basisdocumenten. Dit betreft Exceldocumenten. De methodiek kent drie onderdelen: de diagnose, de bronnenanalyse en de maatregelenanalyse. In de basisdocumenten zijn deze onderdelen op een gestandaardiseerde en overzichtelijke wijze beschreven. Dit rapport bevat een beknopte beschrijving van de aanpak en het gebruik van deze basisdocumenten. In principe zijn de basisdocumenten zelfstandig te gebruiken.
1.2
1
Probleemstoffen en nieuwe prioritaire stoffen Tabel 1.1 toont de lijst van stoffen waarvoor een basisdocument is opgesteld. Dit is gebaseerd op de data in het Waterkwaliteitsportaal1. Deze oordelen zijn een momentopname. Het is mogelijk dat er nieuwe probleemstoffen bij komen of dat huidige probleemstoffen kunnen worden afgevoerd. Indien voor een stof zowel de norm voor zoet water als voor zoute en overgangswateren wordt overschreden worden voor die stof twee basisdocumenten opgesteld.
www.waterkwaliteitsportaal.nl data bronbestanden publiek december 2015 4.oordelen_owl_2015_20151028.xls
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
1 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Enkele van de in Tabel 1.1 genoemde stoffen behoren tot de nieuwe prioritaire stoffen, maar waren reeds een specifiek verontreinigende stof. Nieuwe prioritaire stoffen die niet in Tabel 1.1 staan, zijn aclonifen, bifenox, dicofol, hexabroomcyclododecaan, PFOS, quinoxyfen, de som dioxines en terbutryn. In totaal zijn er: - 38 basisdocumenten voor organische stoffen die overschrijden in zoet water - 13 basisdocumenten voor organische stoffen die overschrijden in zout of overgangswater - 17 basisdocumenten voor metalen die overschrijden in zoet water - 5 basisdocumenten voor metalen die overschrijden in zout of overgangswater - 8 basisdocumenten voor nieuwe prioritaire stoffen in alle wateren.
Tabel 1.1 Probleemstoffen waarvoor een basisdocument is gemaakt in volgorde van aantal oppervlaktewaterlichamen dat niet voldoet voor een bepaalde stof.
Stofnaam
Stofcode
Categorie
Aantal voldoet niet 299
Aantal voldoet
specifiek
Totaal aantal WL beoordeeld 694
395
% WL dat niet voldoet 43%
zink
Zn
fluorantheen
Flu
prioritair
598
288
310
48%
ammonium
NH4
specifiek
605
256
349
42%
benzo(ghi)peryleen
BghiPe
prioritair
633
208
425
33%
uranium
U
specifiek
175
156
19
89%
kwik
Hg
prioritair
573
154
419
27%
benzo(a)antraceen
BaA
specifiek
343
143
200
42%
seleen
Se
specifiek
226
141
85
62%
benzo(a)pyreen
BaP
prioritair
595
132
463
22%
nikkel
Ni
prioritair
670
126
544
19%
tributyltin (kation)
TC4ySn
prioritair
460
122
338
27%
benzo(b)fluorantheen
BbF
prioritair
605
117
488
19%
kobalt
Co
specifiek
293
110
183
38%
benzo(k)fluorantheen
BkF
prioritair
611
83
528
14%
som heptachloor en cisen transheptachloorepoxide koper
sHpCl2
prioritair, nieuw
296
71
225
24%
Cu
specifiek
670
62
608
9%
arseen
As
specifiek
425
61
364
14%
chryseen
Chr
specifiek
314
60
254
19%
imidacloprid
imdcpd
specifiek
148
58
90
39%
barium
Ba
specifiek
250
31
219
12%
zilver
Ag
specifiek
244
27
217
11%
propoxur
propxr
specifiek
139
15
124
11%
thallium
Tl
specifiek
275
14
261
5%
linuron
linrn
specifiek
300
12
288
4%
cadmium
Cd
prioritair
524
11
513
2%
hexachloorbutadieen
HxClbtDen
prioritair
604
11
593
2%
metazachloor
mzCl
specifiek
272
11
261
4%
2 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
1.3
Stofnaam
Stofcode
Categorie
Aantal voldoet niet 10
Aantal voldoet
specifiek
Totaal aantal WL beoordeeld 150
140
% WL dat niet voldoet 7%
carbendazim
carbdzm
endosulfan (som alfaen beta-isomeer) esfenvaleraat
endsfn
prioritair
587
9
578
2%
esfvlrt
specifiek
26
9
17
35%
vanadium
V
specifiek
284
8
276
3%
methylpirimifos
C1yprmfs
specifiek
66
7
59
11%
abamectine
abmtne
specifiek
106
5
101
5%
boor
B
specifiek
178
5
173
3%
hexachloorbenzeen
HCB
prioritair
610
5
605
1%
som a-, b-, c- en d-HCH
sHCH4
prioritair
585
5
580
1%
Dichloorvos
DClvs
452
3
449
1%
metolachloor
metlCl
prioritair, nieuw specifiek
357
3
354
1%
lood
Pb
prioritair
610
3
607
0%
trifenyltin (kation)
TFySn
specifiek
277
3
274
1%
ethylazinfos
C2yazfs
specifiek
272
2
270
1%
fenantreen
Fen
specifiek
316
2
314
1%
isoproturon
iptrn
prioritair
614
2
612
0%
4-tertiair-octylfenol
4ttC8yFol
prioritair
547
1
546
0%
Antraceen
Ant
prioritair
624
1
623
0%
methylazinfos
C1yazfs
specifiek
275
1
274
0%
cypermethrin
cypmtn
18
1
17
6%
Dimethoaat
Dmtat
prioritair, nieuw specifiek
38
1
37
3%
Diuron
Durn
prioritair
587
1
586
0%
Irgarol
irgrl
18
1
17
6%
Mevinfos
mevfs
prioritair, nieuw specifiek
271
1
270
0%
Tin
Sn
specifiek
235
1
234
0%
terbutylazine
terC4yazne
specifiek
257
1
256
0%
Denkkader De start van het proces is dat een waterbeheerder een normoverschrijding constateert van een bepaalde stof in een bepaald waterlichaam. Vervolgens onderscheiden we 3 stappen waarin we de waterbeheerder willen ondersteunen. 1. Diagnose: wat is het probleem precies en hoe groot is het? 2. Bronnenanalyse: wat is de oorzaak van het probleem? 3. Maatregelenselectie: hoe los ik mijn probleem op? Per stap is een taartdiagram gemaakt waarin 4 of 5 adviezen zijn opgenomen. De mate waarin zo’n advies belangrijk is of niet, wordt weergegeven middels een kleur in een taartdiagram (zie Figuur 1.1).
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
3 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
De drie gekoppelde taartdiagrammen met de bijbehorende toelichting geven een samenhangend en overzichtelijk beeld van de handelingsperspectieven voor de betreffende stof. Idealiter (vanuit de systematiek gezien) volgt een stof de drie taartdiagrammen: er is een probleem, de belangrijkste bronnen worden achterhaald en er worden effectieve maatregelen genomen. In elke stap kunnen echter andere adviezen worden gegeven die het probleem, de bronnen of de maatregelen verder verhelderen. Soms kan dat er toe leiden dat niet naar de volgende stap wordt gegaan, maar het kan ook dat beide opties worden geadviseerd, dus zowel probleemverheldering als inventarisatie van de bronnen dan wel maatregelenanalyse. Indien geen volgende stap wordt geadviseerd, wordt voor die betreffende stof geadviseerd om vooralsnog niet te investeren in maatregelen totdat meer duidelijkheid is over de omvang/aard van het probleem of over de oorzaken. De basisdocumenten zijn vanuit een landelijk perspectief opgesteld. Voor specifieke regio’s of waterlichamen kan de situatie van dit beeld afwijken. De gekwantificeerde aspecten per stap en de taartdiagrammen kunnen tevens worden gebruikt als indicatoren voor de toestand van de waterkwaliteit en de mogelijkheden tot verbetering daarvan. De drie stappen in de systematiek worden hieronder nader toegelicht. Onderbouwing van de norm
Meetfrequentie/ locaties aanpassen Geen prioriteit Matige prioriteit Hoge prioriteit
Bodem/ bovenstrooms
Andere bronnen
Nationale overheid/EU BRONNENANALYSE
Beter kwantificeren
MaatregelenANALYSE
Andere sectoren
DIAGNOSE
Reg. waterbeheerders
Meetmethode aanpassen
Regionaliseren
Provincies/ gemeenten
Figuur 1.1 Overzicht van de 3 stappen van de methodiek en de mogelijke acties die kunnen worden geadviseerd.
1.4
Hoe kan deze systematiek worden gebruikt? Sommige aspecten van de systematiek zijn gebaseerd op regionale of lokale informatie, bijvoorbeeld de meetfrequentie of het aantal overschrijdingen, maar andere aspecten zijn landelijk of Europees gelijk (generiek), bijvoorbeeld normen of de belasting van oppervlaktewater via luchtemissies. Deze generieke informatie is opgenomen in de basisdocumenten. Dat neemt niet weg dat detailinformatie en gebiedskennis van de beheerder essentieel zijn voor zinvolle beslissingen over maatregelen.
4 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
2 Stap 1 - Diagnose: hoe groot is mijn probleem? 2.1
Algemene informatie Het doel van deze stap is het inzichtelijk maken of en in welke mate een stof daadwerkelijk een probleem vormt. Dit is uitgewerkt via vier adviezen. Uit de systematiek blijkt of een bepaald advies een hoge (donker gekleurd), gemiddelde (middel gekleurd) of lage (licht gekleurd) prioriteit krijgt. Voor een bepaalde stof kan blijken dat alle adviezen een hoge prioriteit krijgen. Om de adviezen te prioriteren en te onderbouwen zijn data nodig. Deze landelijke data (periode 2010-2015) zijn, net als de oordelen, verkregen via het Waterkwaliteitsportaal2. Deze landelijke data kunnen niet een op een vergeleken worden met de oordelen van de oppervlaktewaterlichamen. De selectie van data varieert per waterschap. Sommige waterschappen hebben al hun data geleverd, andere alleen KRW-meetpunten of een combinatie daarvan. Bovendien is het niet eenvoudig om te bepalen welke locaties zijn gebruikt als KRW-meetpunt. Dit is gebeurd met een koppeltabel, maar die is verre van perfect. Toch denken we dat de data een goede algemene indruk geven van de toestand. Figuur 2.1 en Figuur 2.2 geven het resultaat voor kobalt weer als voorbeeld. Met een eerste blik krijgt de waterbeheerder een beeld van de betreffende stof. Voor stap 1 zijn vier adviezen mogelijk: Voor een goede bepaling van de omvang van het probleem wordt geadviseerd om 1.
De meetfrequentie of de meetlocaties aan te passen. 2. De meetmethode aan te passen door lagere rapportagegrenzen te halen of in een ander compartiment te meten. 3. Nog eens goed te kijken naar de (eerste en/of tweedelijns) normen Advies nummer 4 betreft geen advies om het probleem beter in kaart te brengen, maar gaat over het nut van het uitvoeren van een bronnenanalyse (stap 2). Uit het taartdiagram in Figuur 1.1 blijkt dat de meetfrequentie/aantal locaties en de meetmethode prioriteit ’gemiddeld’ krijgen (het zou beter kunnen, maar de kans is klein dat die verbeteringen een ander beeld van het probleem geven). Onderbouwing van de norm wordt ‘hoog’ geprioriteerd (er is dus een grote kans dat actie leidt tot ander beeld van het probleem). Ondanks dat de omvang en ernst van het kobaltprobleem nog niet helemaal helder is, wordt toch geadviseerd (prioriteit ‘hoog’) om een bronnenanalyse uit te voeren. De verwachting is namelijk niet dat na de eerder genoemde acties alle normoverschrijdingen van kobalt zijn opgelost. In de boxen onder het taartdiagram wordt een zeer beknopte toelichting gegeven op het advies dat voor elke vraag is gegeven.
2
www.waterkwaliteitsportaal.nl data waterkwaliteitsmetingen – chemie meetgegevens 2010-2015. Deze bestanden zijn in het kader van het project Basisdocumentatie gecombineerd tot 1 Accesbestand waarop kwaliteitsborging is uitgevoerd (bijv. foute compartimenten verwijderd, dubbele data verwijderd, etc.)
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
5 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Figuur 2.2 geeft aanvullende toelichting. Dit is een vrij in te vullen pagina (maar wel maximaal 1 pagina). Een terugkomend element is dat voor alle stoffen een kaartje is opgenomen met de jaargemiddelde concentratie in elk meetpunt waarvoor minimaal 1 jaar beschikbaar is met 4 metingen. Dit kaartje is bedoeld om een kwalitatief beeld te krijgen van regionale verschillen. Voor kobalt is te zien dat de hoogste concentraties in (hoge) zandgebieden liggen (Oost-Brabant, Veluwe en grensgebied Twente/Drenthe). Na Figuur 2.1 en Figuur 2.2 worden de criteria beschreven die als basis dienen om de adviezen te formuleren. De criteria zijn voor het grootste deel kwantitatief (of ja/nee) geformuleerd. Dit geeft een kleurenpalet. Hoewel de criteria samen het advies bepalen, is er geen exacte formule om van criteria tot advies te komen. Dit is een kwalitatief proces waarin expertkennis wordt meegenomen. Wel wordt het advies gemotiveerd in het begeleidende Excelbestand.
6 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Diagnose voor Kobalt in zoetwater Specifiek verontreinigend; JG-MKE = 0,2; MAC-MKE= 1,36 µg /l; AC = 0,2 µg/l (correctie AC alleen voor MAC-MKE mogelijk). Zie www.RIVM.nl/rvs. 3. Normstelling
2. Beter meten
4. Bronanalyse
1. Meetfreq./locaties
1 Moet de monitoring kwantitatief verbeteren (meer meten)? onderbouwing: In 35% van de waterlichamen zijn gegevens over de kobalt concentraties aanwezig, terwijl in 73% van de locaties overschrijdingen zijn vastgesteld. De meetintensiteit verschilt per waterschap. Voor sommige is intensivering wenselijk.
Prioriteit Gemiddeld
2 Moet de monitoring kwalitatief verbeteren (beter meten)? onderbouwing: Rapportagegrens ligt rondom norm en behoeft enige aandacht maar normoverschrijdingen zijn voldoende betrouwbaar.
Gemiddeld
3 Is er vanuit de normstelling sprake van voortschrijdend inzicht, waardoor de ernst van de normoverschrijding wellicht genuanceerd moet worden? onderbouwing: Validatie van de bij de normstelling gebruikte BioAccumulatie Factor (BAF) is wenselijk alsmede een evaluatie van uitgangspunten humane risico beoordeling i.r.t. nieuwe EU-guidance normstelling. Norm ligt op achtergrond concentratie, maar risico's rondom deze waarde zijn niet uit te sluiten. Nagaan of kobalt van nature plaatselijk verhoogd voorkomt (Kempen, Twente, Achterhoek?) cq. of een regionale AC een oplossing zou kunnen zijn.
Hoog
4 Is het uitvoeren van een bronnenanalyse een nuttige vervolgstap? onderbouwing: De JG-MKE wordt in driekwart van de locaties overschreden, waarbij de overschrijdingsfactor tot 50 kan oplopen. Ook treden er enkele overschrijdingen van de MAC-MKE op. In beperkte mate lijkt er sprake van regionale verschillen.
Hoog
Figuur 2.1 Voorbeeld van de visuele weergave van stap 1 (licht=lage prioriteit, middel=middelmatige prioriteit en donker=hoge prioriteit).
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
7 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Nadere toelichting: In de linker figuur zijn alle chemische meetdata van deze stof uit het Waterkwaliteitsportaal weergegeven o.b.v. locatiegemiddelde waarden over de periode 2010-2015. 'Niet toetsbaar' betekent dat alle metingen onder de rapportagegrens liggen (en de rapportagegrens >norm is). De rechter figuur geeft de oordelen van de waterbeheerders weer (dus niet berekend in dit project) voor de betreffende stof op basis van het oordeel gegeven in het SGBP van 2015. 'Geen oordeel' betekent dat de waterbeheerder geen oordeel heeft bepaald. Aanvullende toelichting is gegeven in het rapport, paragraaf 2.1.
Figuur 2.2 Voorbeeld van de nadere toelichting voor een stof, de minimale versie bevat een kaart met alle meetpunten die een jaar met minimaal 4 metingen beschikbaar hebben. Er kan echter ook andere toelichting worden opgenomen.
Als nadere toelichting bij de kaarten: de basis van de twee kaarten is verschillend. In de linker figuur zijn de gemeten concentraties weergegeven op basis van de bestanden Waterkwaliteitsmetingen - Chemie op het Waterkwaliteitsportaal. Alleen jaren met ten minste 4 metingen zijn meegenomen en na berekening van de jaargemiddeldes is het gemiddelde over alle jaren (2010-2015) berekend. De locaties waarvoor alle metingen < de rapportagegrens waren én waarvoor de rapportagegrens > norm is, zijn als niet toetsbaar weergegeven (grijze punten). Voor locaties waarvoor alle metingen onder de rapportagegrens (rg) liggen én waarvoor de rapportagegrens < norm is, wordt wel een jaargemiddelde berekend met 0,5xrg als waarde. Dit zijn dus geen daadwerkelijk gemeten waarden, je kunt wel met zekerheid zeggen dat ze geen probleem vormen voor de KRW. Ze zijn dus wel toetsbaar.
8 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
De rechterfiguur is niet in dit project berekend maar direct gebaseerd op het oordeel van de beheerders voor de betreffende stoffen zoals opgenomen in KRW bestand 4.oordelen_owl_2015_20151028.csv op het Waterkwaliteitsportaal. 2.2
De vier adviezen in de diagnose (stap 1) 1. Moet de monitoring kwantitatief verbeteren? Achterliggend doel. Beperkingen in de monitoring kunnen ertoe leiden dat het niet duidelijk is in welke mate de stof een probleem vormt. Toelichting. Op basis van een beperkt aantal metingen in tijd of ruimte, kan in sommige oppervlaktewaterlichamen een normoverschrijding zijn vastgesteld. Tegelijkertijd hoeft het niet te betekenen dat de stof altijd en overal een probleem vormt. Voor beheerders die in hun gebied nog onvoldoende beeld hebben van het probleem kan dit aanleiding zijn om vaker of op meer plaatsen te meten. Mogelijke antwoorden. Uitbreiden van de monitoring in tijd of ruimte zal niet leiden tot een wezenlijk ander oordeel over de ernst van de normoverschrijding. Uitbreiden van de monitoring in gebieden met weinig metingen in tijd en/of ruimte is wenselijk, maar de mate waarin en snelheid waarmee kan worden afgewogen ten opzichte van andere wensen, die aan meetprogramma’s worden gesteld. Uitbreiden van de monitoring in gebieden met weinig metingen in tijd en/of ruimte is op korte termijn wenselijk omdat de omvang van de normoverschrijding onvoldoende duidelijk in beeld is. Onderbouwing. Bovenstaand kwalitatief antwoord wordt gebaseerd op een aantal meer kwantitatief cq.
objectief te beoordelen aspecten, namelijk: Vraag 1 Moet de monitoring kwantitatief verbeteren? Welk percentage van de WL heeft geen meetpunt waar de betreffende stof is gemeten? Hoeveel meetjaren in de periode 2010-2015 met minimaal 4 metingen zijn er gemiddeld beschikbaar? Voor welk deel van de locaties waar een stof is gemeten, zijn er minimaal 4 metingen per jaar gedaan?
<30%
30-70%
>2
1-2
>75%
25-75%
>70%
<25%
Toelichting op de resultaten. Vooral voor de gewasbeschermingsmiddelen (GBM) wordt vaak aangegeven dat het beeld niet compleet is en dat meer meten gewenst zou zijn om een beter beeld te krijgen van de omvang van het probleem. De begeleidingscommissie is het in essentie eens met deze constatering, maar vindt dat de beheerder gemotiveerd kan beslissen een GBM niet te meten bijv. omdat de teelt waarin het middel wordt gebruikt, niet voorkomt in zijn gebied. Het landelijk meetnet GBM (en alle reductieplannen en andere acties daaraan verbonden) wordt gezien als maatregel, maar dat neemt niet weg dat de KRW een eigen monitoringsverplichting heeft.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
9 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
2. Moet de monitoring kwalitatief verbeteren? Achterliggend doel. Nagaan of de geconstateerde normoverschrijdingen voldoende betrouwbaar zijn.
i.
ii.
iii.
iv.
Toelichting. Er zijn in de KRW, de bijbehorende EU-richtlijnen en de Richtlijn Monitoring meerdere eisen gesteld aan metingen, nl.: In de Europese QA/QC richtlijn wordt gesteld dat de rapportagegrens ten hoogste 1/3 van de norm-waarde mag bedragen. Als hier niet aan wordt voldaan, kan één enkele meting óp de rapportagegrens al een overschrijding van de MAC-MKE betekenen, terwijl de analytische betrouwbaarheid van die overschrijding dan laag is. Voor de metalen Cu, Ni en Zn kan een 2de-lijnstoetsing worden gebruikt, waarmee de biologische beschikbaarheid in ogenschouw wordt genomen. Hiervoor moeten dan wel enkele ondersteunende parameters in de monitoring worden meegenomen (pH, DOC, hardheid). Meer in het algemeen is het voor metalen belangrijk dat deze in gefiltreerd oppervlaktewater worden gemeten. Dit is voor de meeste oppervlaktewaterlichamen ondertussen de standaard praktijk. De chemische waterkwaliteitsdoelen zijn gericht op het beschermen van ecologische, doorvergiftiging en humane risico’s. Bij die laatste twee sporen is de JG-MKE norm meestal gebaseerd op een achterliggende risicowaarde in een organisme (zoals een vis of mossel). Dit geldt voor stoffen met een formeel vastgestelde biotanorm maar ook voor sommige andere, zoals kobalt en selenium.
Een lokale biologische beschikbaarheid, die afwijkt van hetgeen in de normstelling is verondersteld, kan dan leiden tot een normoverschrijding in oppervlaktewater terwijl de gehalten in biota wel voldoen. Het opnemen van biota in nader onderzoek of monitoring kan deze onzekerheid verkleinen.
Mogelijke antwoorden. Verbeteren van de analysetechniek en/of het aanvullend meten van extra parameters zal niet leiden tot een wezenlijk ander oordeel over de ernst van de normoverschrijding. In gebieden die niet aan bovenstaande eisen voldoen, is het verbeteren of wijzigen van de analysemethode en/of het aanvullend meten van extra parameters wenselijk, maar de mate waarin en snelheid waarmee kan worden afgewogen ten opzichte van andere wensen, die aan meetprogramma’s worden gesteld. In gebieden die niet aan bovenstaande eisen voldoen, is het verbeteren van de analysetechniek en/of het aanvullend meten van extra parameters op korte termijn wenselijk, omdat de ernst van de normoverschrijding onvoldoende duidelijk in beeld is.
10 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Onderbouwing. Bovenstaand kwalitatieve antwoord wordt gebaseerd op een aantal meer kwantitatief c.q. objectief te beoordelen aspecten, namelijk: Vraag 2 Moet de monitoring kwalitatief verbeteren? Hoeveel procent van de meetdata ligt onder de rapportagegrens? Wat is de gemiddelde factor tussen de JG-MKE norm en de rapportagegrens? Wat is de gemiddelde factor tussen de gemiddelde MAC-MKE norm en de rapportagegrens? Voor welk deel zijn de meetgegevens van metalen gebaseerd op gefiltreerd oppervlaktewater? Wordt er gemeten in biota voor stoffen met een biotanorm?
<50%
50-90%
>90%
>5
2-5
<2
>5
2-5
<2
>75%
25-75%
<25%
n.v.t.
Ja
Incidenteel
Nee
n.v.t.
Toelichting op de resultaten Verlagen rapportagegrenzen Het advies ‘beter meten’ is in de meeste gevallen gericht op verlaging van rapportagegrenzen. In veel gevallen worden deze adviezen opgepakt in andere werkgroepen, zoals RAM (voor KRW monitoring) en de werkgroep AAN (voor bestrijdingsmiddelen). Op die manier, worden acties zoveel mogelijk gezamenlijk opgepakt in plaats van door elke beheerder afzonderlijk. Biotamonitoring Vanaf 2017 meet RWS de prioritaire stoffen waarvoor een biotanorm is vastgesteld ook in biota. Het gaat om PBDE’s. HCB, PFOS, heptachloor + -epoxide, dioxines, fluorantheen, BaP, hexachloorbutadieen, Hg, dicofol en HBCDD. Er wordt gemonitord op 18 RWS-locaties in gehele vis (blankvoorn of bot) en voor PAK’s in mosselvlees van 6 weken uitgehangen mosselen. Meer informatie is te vinden in Ecofide (2016).
3. Norm nuanceren? Achterliggend doel. Ook bij normen kan sprake zijn van voortschrijdend inzicht. Men wil voorkomen dat er allerlei maatregelen worden genomen, terwijl een eventueel wenselijke herziening van de norm tot een andere omvang van het probleem kan leiden. Toelichting. Bij het opstellen van de chemische waterkwaliteitsdoelen wordt met alle beschikbare gegevens en kennis rekening gehouden. Dit laat onverlet dat deze gegevens en kennis ook beperkingen kunnen hebben, waardoor de ene norm een hogere betrouwbaarheid heeft dan de andere. Naast het beoordelen van de meetgegevens op kwantiteit en kwaliteit (vraag 1 en 2), is het ook zinvol om na te gaan in hoeverre er sprake kan zijn van voortschrijdend inzicht in de normstelling en toetsing. Meer specifiek kan dit vooral bij de volgende situaties een rol spelen: i. Tweedelijns normstelling. Voor diverse stoffen mag rekening gehouden worden met biobeschikbaarheid of achtergrondconcentraties. Zowel biotic ligand models als achtergrondconcentraties worden in Nederland reeds toegepast, maar tegelijkertijd worden de methodieken van deze twee onderwerpen zowel in Nederland als in Europa nog doorontwikkeld.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
ii. Invloed van zwevende stof. In de Europese normstelling is gekozen voor waterkwaliteitsdoelen gebaseerd op opgeloste concentraties. Dit geldt voor metalen, maar ook voor organische verontreinigingen, terwijl de monitoring voor deze laatste groep stoffen op totaal concentraties (dus incl. zwevende stof) is gericht. Deze aanpak levert een veilige eerstelijns toetsing: wordt aan de norm voldaan dan weet men zeker dat er voor deze stof ook geen probleem is. Tegelijkertijd wil dit niet zeggen dat er bij een normoverschrijding ook sprake is van een ernstig en acuut probleem. Dit speelt met name voor erg hydrofobe stoffen een rol. In de EU-richtlijn over normstelling (EC, 2011) is dan ook aangegeven hoe een correctie op basis van de hoeveelheid zwevende stof kan worden uitgevoerd. Hoewel deze werkwijze nog niet toegepast kan worden bij de formele toestandsbeoordeling, is deze nuancering wel relevant bij het prioriteren van maatregelen. Overigens hangt dit aspect ook samen met de biotanormen zoals die onder vraag 2 zijn behandeld en is deze correctie voor sommige specifieke verontreinigende stoffen (die nationaal worden afgeleid) al toegepast. Dit betreft bijvoorbeeld benzo(a)antraceen: de JG-MKE voor deze stof is gebaseerd op humane risico’s uitgaande van een gehalte in biota van 3,0 µg/kg vers. De resulterende JG-MKE is 0,23 ng/l voor opgelost benzo(a)antraceen.
De in de BKMW-normlijsten opgenomen JG-MKE van 0,64 ng/l geldt voor de totale concentratie (Verbruggen en Herwijnen, 2011). iii. Elementen uit de normstelling: vooral in de berekening van de humane blootstelling kunnen nog onzekerheden zitten. Zo worden daar bioaccumulatiefactoren in gebruikt. Het afleiden van dergelijke factoren voor de Nederlandse situatie leidt tot een verbetering van de betrouwbaarheid van de norm (en wellicht tot verlaging van de veiligheidsfactor).
Mogelijke antwoorden. De norm is voldoende betrouwbaar en er zijn geen aanwijzingen dat een herevaluatie van de norm tot een wezenlijk ander oordeel over de ernst van de normoverschrijding zal leiden. E Er zijn enkele aanleidingen om de norm en normtoetsing nader te beschouwen, maar de verwachting is dat dit niet tot een wezenlijk ander oordeel over de ernst van de normoverschrijding zal leiden. E Er zijn voldoende aanwijzingen om in de probleemstelling ook de norm en normtoetsing nader te beschouwen. Onderbouwing. Bovenstaand kwalitatief antwoord wordt gebaseerd op een aantal meer objectief en/of kwantitatief te beoordelen aspecten, namelijk:
Wat is de berekende bijdrage van ZS uitgaande van een gemiddelde ZS-concentratie en foc=0,1 en Koc-factsheet? Is de norm op doorvergiftiging of humane risico’s gebaseerd, als er geen biotanorm is? Zijn er, in het geval van metalen, mogelijkheden voor andere/nieuwe tweedelijns beoordelingen (BLM’s, andere achtergrondconcentraties)? Is range van EQS-en binnen Europa bekend?
12 van 40
<10%
10-50
>50%
Nee
-
Ja
Nee
-
Ja
n.v.t.
Wel beoordelen, geen criteria
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Toelichting op de resultaten In 2016 zijn vanuit RAM en (deels) via de ‘Landelijke evaluatie KRW-monitoring oppervlaktewater’ punten bij de monitoring en toetsing van stoffen (KRW-chemie) geïnventariseerd, die mogelijk verbetering behoeven. Ecofide (2017) heeft voor deze punten opties voor de verbetering uitgewerkt. Samen met mogelijke verbeteringen op andere aspecten zijn deze opties eind 2017 in het RAM besproken en vervolgens ter accordering voorgelegd aan Cluster MRE. De verbeteringen krijgen vervolgens hun beslag in een nieuwe versie van de Richtlijn KRW-monitoring oppervlaktewater en protocol toetsen en beoordelen, die volgens planning in 2018 wordt opgesteld en in Cluster MRE vastgesteld. Voor de verbeteropties, die op de toetsingsprocedures betrekking hebben, is binnen het huidige project een globale inschatting van de gevolgen gemaakt. Voor de correctie op biobeschikbaarheid is dat in onderstaande tekstbox uitgewerkt. Correctie op biobeschikbaarheid Hierbij wordt gekeken naar het effect van i) een getrapte toetsing (alleen de 2de fase toetsing uitvoeren als de wettelijke norm in de 1ste fase is overschreden); ii) de gewijzigde BLM’s voor Cu, Ni en Zn en het mogelijk invoeren van een BLM voor Pb; iii) het invoeren van een BLM-correctie op de MAC van zink en iv) het ook kunnen uitvoeren van een BLM correctie als alleen de DOC-concentratie bekend is.
Voor stoffen waar een van deze opties het beeld van de normoverschrijdingen betekenisvol lijkt te kunnen gaan wijzigen, is dit in de diagnosestap aangegeven. 4. Is het uitvoeren van een bronnenanalyse een nuttige vervolgstap? Achterliggend doel. Het uitvoeren van een bronnenanalyse kost tijd en geld en is daarmee pas nuttig indien de stof met voldoende zekerheid als ‘probleemstof’ is aangemerkt. Toelichting. De zekerheid waarmee een stof als probleemstof wordt aangemerkt hangt van allerlei aspecten af, zoals het aantal en de omvang van de aangetroffen normoverschrijdingen maar ook de karakteristieken van de analysemethode (rapportagegrens). Naast dit inzicht in de omvang van de normoverschrijdingen kan ook de beleidsmatige status van de stof een rol spelen. Met name voor de categorie “stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige persistente bioaccumulerende en toxische stoffen (PBT) stoffen3” is deze status van belang.
3 Stoffen die nog tientallen jaren terug te vinden zijn in het aquatische milieu in concentraties die een significant risico vormen, zelfs als er reeds uitvoerige maatregelen zijn getroffen om de emissies van dergelijke stoffen te beperken of te beëindigen. Sommige van deze stoffen kunnen zich ook over grote afstanden verplaatsen en zijn nagenoeg alomtegenwoordig in het milieu.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
13 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Alomtegenwoordige (ubiquitaire) PBT stoffen PBT stoffen en andere stoffen die zich gedragen als PBT stof kunnen nog tientallen jaren terug te vinden zijn in het aquatische milieu in concentraties die een significant risico vormen, zelfs als reeds uitvoerige maatregelen zijn getroffen om de emissies van dergelijke stoffen te beperken of te beëindigen. Sommige van deze stoffen kunnen zich ook over grote afstanden verplaatsen en zijn nagenoeg alomtegenwoordig in het milieu. Voor de in de Richtlijn prioritaire stoffen (EC, 2013) benoemde stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige PBT-stoffen geldt dat deze niet hoeven te worden meegenomen op de verplicht aan de EU te rapporteren kaart met weergave van de chemische toestand, zodat verbeteringen van de waterkwaliteit ten aanzien van de andere prioritaire stoffen niet onopgemerkt blijven. In de Richtlijn prioritaire stoffen is vermeld dat bij de monitoring het aantal meetlocaties en/of de meetfrequentie kan worden beperkt tot het laagste niveau waarmee nog een betrouwbare trendanalyse voor de lange termijn mogelijk is (eigenlijk: “mits voor de monitoring een statistisch robuust referentiekader voorhanden is”. Dit vraagt nog wel nadere uitwerking.
De lidstaten hebben wel de verplichting om voor stoffen die zich als alomtegenwoordige PBT stoffen gedragen maatregelen te treffen, in aanvulling op reeds getroffen maatregelen, om lozingen, emissies en verliezen van de stoffen te beperken of te beëindigen. In de Richtlijn Prioritaire stoffen zijn acht stoffen als alomtegenwoordige PBT stof aangemerkt: gebromeerde difenylethers, kwik, verschillende Pak’s (benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, benzo(ghi)peryleen en indeno(123cd)pyreen), TBT, PFOS, dioxines, HBCDD en heptachloor & -epoxide. In het algemeen is het nemen van extra maatregelen voor deze categorie stoffen nauwelijks effectief en een bronnenanalyse heeft daarmee een lage prioriteit. Tegelijkertijd is de aanwezigheid van lokale bronnen niet op voorhand uitgesloten. In dat geval is een bronanalyse wel degelijk opportuun en vereist.
Mogelijke antwoorden. Het uitvoeren van een bronnenanalyse wordt nog niet geadviseerd. Resterende onzekerheden zijn zo groot dat andere aspecten meer aandacht behoeven. Het uitvoeren van een bronnenanalyse is nuttig, maar zou bij voorkeur mee moeten lopen als er ook voor andere stoffen een bronnenanalyse wordt uitgevoerd. Het uitvoeren van een bronnenanalyse is zodanig belangrijk dat het opstarten van dit traject sowieso nuttig en noodzakelijk is. Onderbouwing. Het uiteindelijke resultaat is een kwalitatief antwoord over de nut en noodzaak van het uitvoeren van een bronnenanalyse. Dit oordeel wordt gebaseerd op een aantal, meer kwantitatief cq. objectief te onderbouwen aspecten. Dit betreft vooral zaken die inzicht geven in de ernst van de aangetroffen normoverschrijding (aantal, mate) en eventuele trends.
14 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
In hoeveel procent van de locaties treedt een normoverschrijding van de JGMKE op (excl. locaties die als "niet toetsbaar" zijn beoordeeld)? Hoe hoog is de maximale overschrijdingsfactor? In hoeveel procent van de locaties treedt een normoverschrijding van de MACMKE op (excl. locaties die als "niet toetsbaar" zijn beoordeeld)? Hoe hoog is de maximale overschrijdingsfactor? Is er over de afgelopen 5 jaar sprake van een dalende trend? Is het een alomtegenwoordige stoffen waarbij de aanwezige meetgegevens duiden op lokale emissies?
2.3
<10
<2
>25
2-5
>5
<10
>25
2
5
Ja
Nee
Nee
Ja
Selectie van stoffen voor de bronnenanalyse Het advies dat in de diagnose wordt gegeven is gebaseerd op inhoudelijke argumenten. Voor het daadwerkelijk uitvoeren van de bronnenanalyse zijn meerdere aspecten van belang. Bijlage A toont per stof het advies uit de diagnose stap en de beslissing of een bronnenanalyse wordt uitgevoerd. Uitgangspunt is dat een advies ‘nee/lichte kleur’ niet leidt tot het uitvoeren van een bronnenanalyse en een advies ‘ja/donkere kleur’ wel. Voor de stoffen die een advies ‘mogelijk/middel gekleurd’ hebben, wordt de beslissing toegelicht (zie laatste kolom in bijlage AError! Reference source not found.). Daarnaast is er een aantal uitzonderingen: - Voor gewasbeschermingsmiddelen wordt geen bronnenanalyse uitgevoerd, ook niet als ze een toepassing als biocide hebben of als ze verboden zijn en geen rol meer spelen in het gewasbeschermingsmiddelenbeleid (zie tekstkader op de volgende pagina). - Indien de stof slechts bij één beheerder overschrijdt, wordt geen landelijke bronnenanalyse uitgevoerd.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
15 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Activiteiten ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen In het kader van de tweede nota duurzame gewasbescherming “Gezonde Groei, Duurzame Oogst”, die loopt van 2013-2023, vinden vele activiteiten plaats gericht op duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Een van de activiteiten is het Landelijk Meetnet Gewasbeschermingsmiddelen (LM-GBM), dat wordt uitgevoerd door de waterschappen en door Deltares wordt geëvalueerd in opdracht van het ministerie van I&W. Het LM-GBM kent een aantal werkgroepen: Per teelt (akkerbouw, bloembollen, boomkwekerijen, fruit, glastuinbouw, mais-/grasland en wintertarwe) is in 2015 een werkgroep opgericht bestaande uit een afvaardiging van waterschappen met de betreffende teelt in hun beheersgebied. Er is een aparte werkgroep gevormd waarin afgevaardigden van de waterschapslaboratoria, RIVM, WVL en enkele waterschappen zijn aangesloten. Dit is de werkgroep AAN (Analyses, Analysepakketten en Normen). Deze werkgroep houdt zich bezig met betere afstemming en optimalisatie van de analysemethode voor de stoffen uit het LM-GBM en mogelijke knelpunten bij de analyse. Tevens bekijkt deze werkgroep ook hoe de rapportagegrens zich tot de norm verhoudt en wat er gedaan kan worden om de stoffen toch op normniveau te kunnen meten.
Daarnaast is er de beslisboomwater die een module heeft ontwikkeld voor de terugkoppeling van monitoring data van gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater naar de toelatingshouder(s) en toelatingsinstantie (De Werd en Kruijne, 2013). De module bestaat uit 3 stappen: 1. Identificatie en ordenen van problematische stoffen 2. Oorzakenanalyse en samenstelling van een Emissiereductieplan (ERP) 3. Terugkoppeling naar het Ctgb en betrokken ministeries. De stoffen die in basisdocumentatie als probleemstof zijn geïdentificeerd zijn als het goed is opgenomen in deze module. Omdat bovenstaande veel kennis vraagt van het gewasbeschermingsmiddelenbeleid is er voor basisdocumentatie een notitie opgesteld over de normoverschrijdende gewasbeschermingsmiddelen in de KRW. Daarin is hun toepassing, toelaatbaarheid en aanpak binnen het gewasbeschermingsmiddelenbeleid beschreven (RWS-WVL, in voorbereiding).
16 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
3 Stap 2 – Bronnenanalyse: wat is de oorzaak? 3.1
Inleiding In de diagnose is het probleem van iedere normoverschrijdende stof nader beoordeeld en is voor de volgende stoffen geadviseerd een bronnenanalyse uit te voeren (Tabel 3.1 en voor een uitgebreider overzicht bijlage A): Tabel 3.1
Geselecteerde stoffen voor een bronnenanalyse.
Stofgroep PAKs
Stoffen benzo(a)antraceen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluoranteen, benzo(ghi) peryleen, benzo(k)fluoranteen, chryseen, fluoranteen
Metalen
zilver, arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, seleen, thallium, uranium, vanadium, zink
Overig
irgarol, tributyltin, ammonium, PFOS, som dioxines (TEQ)
Stap 2 van de methodiek gaat in op een analyse van de bronnen, die de normoverschrijding van een stof veroorzaken. De meeste probleemstoffen zijn opgenomen in de EmissieRegistratie (http://www.emissieregistratie.nl). Dat geeft een goede basis voor het bepalen van de bronnen en hun omvang. Hoewel de Nederlandse EmissieRegistratie voorop loopt in de wereld, is er echter voor veel bronnen en stoffen nog steeds een behoorlijke onzekerheid. Verder zijn in de EmissieRegistratie niet voor alle stoffen alle bronnen opgenomen en ammonium, tributyltin, uranium, vanadium en PFOS missen, om verschillende redenen, in het geheel. Verder is het van belang om goed te definiëren wat een bron is. Een RWZI is conform de EmissieRegistratie een (secundaire) bron voor oppervlaktewaterbelasting, maar de ‘echte’ (primaire) bronnen zijn natuurlijk de producenten (kleine industrie), de consumenten en overige bronnen zoals afspoelend regenwater, die afwateren op het riool. Er is dus vaak een bron achter de bron. Dat is voor maatregelenselectie relevant. Ditzelfde geldt voor een bron als ‘atmosferische depositie’. Als de bijdragen van RWZI’s of atmosferische depositie groter dan 10% waren, is gekeken of de achterliggende bronnen in de EmissieRegistratie beschikbaar waren. Deze zijn naast de grafieken van de EmissieRegistratie vermeld.
De bronnenanalyse bestaat uit twee elementen: Kwantificering van de bronnen van verontreiniging, waarbij vragen van belang zijn als: Wat is de omvang van de bronnen? Wat is de locatie van de bronnen (bij puntbronnen) of de regionalisering van de bronnen (bij diffuse bronnen)? Via welke routes komen de emissies in het oppervlaktewater: riolering, RWZI’s, als directe lozingen op oppervlaktewater of via afstroming van verhard oppervlak, via de lucht (atmosferische depositie), via grondwater (kwel) of uit- en afspoeling van landbouw- of natuurgronden?
Kwantificering van de verspreiding van de stoffen in het oppervlaktewater. Hierbij spelen zaken zoals:
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
17 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Heb ik zicht op de hydrologie in mijn watersysteem? Is het bekend hoe de routing van de aan- en afvoer van water in het systeem loopt? Is er informatie over verblijftijden en waterkwaliteitsprocessen, zoals binding en afbraak?
In een systeemanalyse of met behulp van waterkwaliteitsmodellen kunnen beide elementen bij elkaar worden gebracht. Zo kan een samenhangend beeld worden verkregen van het verloop van de stoffen in het watersysteem, waarbij ook mogelijke afwenteling tussen onderdelen van het watersysteem in kaart worden gebracht. De mate waarin we de gemeten waterkwaliteit kunnen verklaren aan de hand van de omvang en routes van de emissies, de weg van de stoffen in het water en de processen die daarbij een rol spelen, geeft een goede indicatie of de kennis op dit gebied voldoende is. Stap 2 eindigt, net zoals stap 1, met een aantal mogelijke adviezen, die in een taartdiagram zijn te visualiseren en waarbij de kleur van de taartpunt de prioriteit aangeeft (zie onderstaande figuur). Ook in dit geval kunnen één of meerdere adviezen een hoge prioriteit krijgen. 4. regionaliseren 3. Uitspoeling bodems/ buitenlandse belasting 5. Maatregelen analyse
2. Andere bronnen 1. Beter kwantificeren
3.2
De vijf hoofdvragen 1. Is het wenselijk dat bekende bronnen beter gekwantificeerd worden? Achterliggend doel. Als er grote onzekerheid is over de omvang van de bekende bronnen, is het lastig om effectieve maatregelen te formuleren. Toelichting. Een mis-match tussen de gemodelleerde en gemeten waterkwaliteit geeft aan dat er kennishiaten zijn, die moeten worden opgelost om de juiste maatregelen te kunnen treffen.
18 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Mogelijke antwoorden. Er is niet veel winst te behalen in het verbeteren van de kwantificering van de emissiebronnen, omdat de bronnen al goed in beeld zijn. Het verbeteren van de kwantificering van de emissiebronnen is wenselijk, maar de mate waarin en snelheid waarmee kan worden afgewogen ten opzichte van andere adviezen. Het verbeteren van de kwantificering van de emissiebronnen is op korte termijn wenselijk. Onderbouwing. Bovenstaand kwalitatief antwoord wordt gebaseerd op een aantal meer kwantitatief cq. objectief te beoordelen aspecten, namelijk: Vraag 1 Is het wenselijk dat bekende bronnen beter gekwantificeerd worden?
1a
1b
1c 1d 1e 1f
Wat is de verhouding tussen gemeten en gemodelleerde waterkwaliteit o.b.v. KRWverkenner versie 2.2? Wat is de gemiddelde betrouwbaarheidsscore van de belangrijkste bronnen (die samen 75% van de belasting vormen)? Welk deel van de metingen is verricht in overig water? In hoeveel locaties in "overig water" is deze stof geanalyseerd? In welk deel van alle “meetpunten in overig water” is deze stof geanalyseerd? Is de concentratie in kleine wateren gemiddeld genomen hoger, gelijk of lager dan in rijkswater?
<facto r2
factor 2-10
>facto r 10
Niet bepaald
<50%
15100%
>100 %
onbeken d
>75%
niet bekend
<25% >500 >25% lager
2575% 100500 1025% gelijk
<100 <10%
niet bekend
hoger
niet bekend
Industriële lozingen in de emissieregistratie De industriële directe lozingen in de ER zijn afkomstig uit elektronische Milieujaarverslagen (eMJV). Daarin dienen bedrijven uit E-PRTR sectoren met een bepaalde capaciteit hun vrachten te rapporteren. Dit geldt alleen voor E-PRTR stoffen die gemeten zijn boven een bepaalde drempelwaarde. Ook dienen bedrijven met een MJV verplichting te rapporteren. De bedrijven die nu rapporteren zijn de grote bedrijven in Nederland. Nutriënten en zware metalen worden regelmatig gerapporteerd. PAK is een stof die slecht gerapporteerd wordt aan E-PRTR. Dat komt wellicht omdat de PAK’s vaak gemeten worden onder de (nog hoge) rapportagegrens.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
19 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Berekeningen met KRW-verkenner o.b.v. Emissieregistratie Met het landelijk KRW-verkennermodel (versie 2.2; https://publicwiki.deltares.nl/display/KRWV/KRW-Verkenner) zijn de concentraties in oppervlaktewater voor alle stoffen in de bronnenanalysestap berekend. De belasting van de stoffen is gebaseerd op de landelijke emissieregistratie. Vervolgens zijn de stoffen zonder retentie doorgerekend. De verwachting is dat dit leidt tot een overschatting van de oppervlaktewaterconcentraties, omdat aannemelijk is dat een deel van de belasting in het systeem achterblijft, m.n. in sediment (retentie). Het berekenen zonder retentie moet gezien worden als eerste stap. De berekeningen zijn vervolgens vergeleken met metingen. Uit het landelijk waterkwaliteitsbestand zijn de meetpunten geselecteerd die aan een KRW-waterlichaam zijn gekoppeld. Data beneden de rapportagegrenzen zijn meegenomen als 0.5 x de rapportagegrens. Daarin schuilt een gevaar dat hoge rapportagegrenzen kunnen leiden tot hoge concentraties. Voor het berekenen van ‘gemeten/berekende waarden’ zijn de hoge concentraties die aantoonbaar beïnvloed zijn door de rapportagegrens niet meegenomen. Aangezien er nog gewerkt wordt aan verbetering van regionale schematisaties (Rijn-West, Rijn-Noord en Schelde) zal deze aanpak komend jaar nog aanzienlijk worden verbeterd.
Dan kunnen ook meteen andere verbeteringen worden doorgevoerd, zoals: - Nieuwe waterkwaliteitsdata (2012-2017), zodat het jaar 2011 (met relatief veel fouten) niet meer gebruikt hoeft te worden. - Aanpak rapportagegrenzen conform Volkert Bakkermethode. In deze methode hangt de waarde van de RG af van het percentage waarnemingen onder de RG. Een voorbeeld: er is een meetreeks met 10 waarnemingen. 80% van de waarnemingen ligt onder de RG (in dit rekenvoorbeeld is deze 25 μg/l). De twee resterende waarnemingen zijn 50 en 75 μg/l. De waarde van een waarneming onder de RG wordt dan als volgt bepaald: (100%-80%) * 25 μg/l = 5 μg/l. Het betreft 8 waarnemingen. Het gemiddelde van de gehele reeks is (8*5 + 50 + 75)/10 = 16,5 μg/l. - Voor metalen na filtratie (nf)-waarden gebruiken voor overige stoffen totaalconcentraties (n.v.t.) - Uitzoeken waar de uitschietende hoge berekende en lage gemeten waarden vandaan komen (retentie?) en omgekeerd (ontbreken bronnen, rg problemen) - Betere bepaling van buitenlandse belasting via grensoverschrijdende regionale rivieren en beken.
2. Verwachten we andere relevante bronnen? Achterliggend doel. Als niet alle relevante bronnen in beeld zijn, zullen maatregelen niet het verwachte effect hebben. Toelichting. Wanneer geplande maatregelen slechts een emissiereductie bij een deel van de bronnen kunnen bewerkstelligen, zal ook het uiteindelijke effect van de kwaliteitsverbetering naar rato beperkt zijn.
20 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Mogelijke antwoorden. Er is niet veel winst te behalen in het zoeken van andere emissiebronnen omdat de bronnen goed bekend zijn. Het zoeken naar andere emissiebronnen is wenselijk, maar de mate waarin en snelheid waarmee kan worden afgewogen ten opzichte van andere adviezen. Het zoeken naar andere emissiebronnen is op korte termijn wenselijk. Onderbouwing. Bovenstaand kwalitatief antwoord wordt gebaseerd op een aantal meer kwantitatief cq. objectief te beoordelen aspecten, namelijk: Vraag 2 Verwachten we andere relevante bronnen?
2a
2b
2c 2d
2e
Wat is de verhouding tussen gemeten en gemodelleerde waterkwaliteit obv KRWverkenner versie 2.2? Geven gemeten en gemodelleerde waterkwaliteit een heel verschillend ruimtelijk patroon, dat veroorzaakt kan worden door missende bronnen? Worden op internet (of o.b.v. andere informatie) bronnen genoemd die niet in de EmissieRegistratie zitten? Zo ja, welke lijken een betekenisvolle bijdrage te leveren? Wat is verhouding tussen de huidige gerapporteerde (totale belasting cf ER/watervolume) en de gemeten gemiddelde concentraties?
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
<factor 2
factor 2-10
>factor 10
Niet bepaald
Ja
een beetje
Nee
niet bepaald
Nee
mogelijk
Ja
geen search / onbekend
>20
2-20
<2
onbekend
21 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Uitspoeling uit de bodem De Emissieregistratie heeft voor 5 metalen uitspoeling uit de bodem als bron opgenomen (Bonten et al. 2010): Cd, Cu, Pb, Ni en Zn. Voor Cd, Ni en Zn is deze bron meer dan 40%, voor Cu ongeveer 15% en voor lood (weliswaar geen probleemstof) 5%. Deze bron wordt berekend op basis van het model dat ook voor nutriënten worden gebruikt (STONE). Op basis van totaalgehalten in de bodem, die het resultaat zijn van natuurlijke gehalten, historische belasting en actuele belasting, worden concentraties in poriewater berekend. De concentraties in poriewater verplaatsen zich naar het oppervlaktewater. STONE modelleert een bodemlaag van 13 meter vanaf het maaiveld. Er wordt aangenomen dat de bron in de bovengrond zit. De bijdrage van dieper grondwater aan de uitspoeling is dus gebaseerd op ‘lange termijn’ transport van de bovengrond naar de ondergrond. De verwachting is dat de emissie uit de bodem ook voor een aantal andere metalen zeer bepalend zal zijn. Uitbreiding van de aanpak met metalen zoals seleen en kobalt is wenselijk. Echter niet alleen uitbreiding, ook verbetering van de huidige aanpak is gewenst. Vooral stoffen die redox-gevoelig zijn of die (im)mobiliseren onder bepaalde omstandigheden (denk aan pyrietoxidatie), vragen een betere ondergrondkarakterisatie.
In het verleden is hier regionaal wel in geïnvesteerd, met name in de Maasregio in de projecten STROMON (Heerdink et al., 2006), en WAHYD (Klein et al, 2008). Deze kennis moet worden meegenomen in een verbeterede aanpak. Ook de bijdrage van de bovengrond kan worden verbeterd, vooral door een verbeterde schematisatie en het gebruik van nieuwe data. Pyrietoxidatie speelt ook in andere gebieden dan in stuwwallen, namelijk in mariene afzettingen en veen (Vink et al, 2010). In veengebieden heeft de verlaging van de grondwaterspiegel invloed gehad op de oxidatie van pyriet waardoor metalen zijn vrijgemaakt.
3. Wat is de bijdrage van uitspoeling uit bodems en buitenlandse belasting? Achterliggend doel. Dit zegt iets over de indirecte bronnen vanuit andere gebieden4 of andere compartimenten. Voor een deel kan dit natuurlijke achtergrondbelasting zijn; elke bodem en elke rivier bevat een natuurlijke concentratie metalen, maar in veel gevallen is ook via de bodem of buitenlandse belasting sprake van antropogene aanrijking. Toelichting.
4
Voor het binnenland is aangenomen dat de waterbeheerder zelf (of een collega-waterbeheerder in Nederland) de doelen haalt er dat er dus geen concentraties boven de norm uit bovenstroomse waterlichamen komt. Voor het buitenland is dat om verschillende redenen niet zeker. Zowel de lijst van genormeerde stoffen als de hoogte van normen kan verschillen.
22 van 40
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
Mogelijke antwoorden. De bijdrage via bodem of buitenlandse belasting is geen belangrijke bron. De bijdrage via bodem of buitenlandse belasting is wel een bron van betekenis, maar niet allesbepalend. De bijdrage via bodem of buitenlandse belasting bepaalt in hoge mate de concentraties in het waterlichaam. Onderbouwing. Bovenstaand kwalitatief antwoord wordt gebaseerd op een aantal meer kwantitatief cq. objectief te beoordelen aspecten, namelijk: Vraag 3 Zijn de bijdragen van uitspoeling uit bodems en buitenlandse belasting belangrijk?
3a
3b
Is de binnenlandse belasting relatief groot in verhouding tot de buitenlandse belasting? Dit wordt genormaliseerd op debieten (hoeveel water komt uit NL t.o.v. wat binnenkomt via Maas en Rijn). Is de bijdrage van uitspoeling uit de bodem groot?
>2
0.52
<0.5
n.v.t./ onbekend
<10%
1025%
>25%
n.v.t./ onbekend
Bijdrage van buitenlandse belasting Nederland ligt aan het einde van 4 grote stroomgebieden (Eems, Rijn, Maas, Schelde), waarbij vooral de Rijn en de Maas interactie hebben met de regionale wateren, zowel qua inlaat als afwatering. Voor het beoordelen van buitenlandse belastingen is daarom niet alleen gekeken welke vracht aan verontreinigingen via de Maas en de Rijn Nederland binnenkomt, maar ook hoeveel water er wordt aangevoerd. Daarmee wordt een indruk gegeven hoe de ‘geloosde’ concentraties uit het buitenland zich verhouden tot de binnenlandse lozingen. Dezelfde overwegingen gelden ook als het niet om de binnenlandse voorbelasting gaat, maar door de stroomgebiedsaanpak gaan we er vanuit dat iedere beheerder binnen Nederland zijn deel uitvoert. Volgens het Landelijk KRW-Verkenner Model (LKM Versie 2.2) is het gemiddelde debiet van Maas en Rijn 2500 m3/s, terwijl de hoeveelheid water die Nederland ‘toevoegt’ 500 m3/s bedraagt. Dat resulteert in [debiet binnenland]/[debiet Maas+Rijn] = 0,20. Dezelfde ratio wordt berekend voor de emissie-vrachten. Bijvoorbeeld voor benzo(a)pyreen is de geregistreerde vracht in de emissieregistratie 105 kg. Via de Maas en de Rijn komt 662 kg binnen. Dat resulteert in [binnenlandse vracht]/ [vracht Rijn+Maas] = 0,16. Dit indiceert dat de bijdrage van Nederland relatief gezien iets lager ligt dan wat er via het buitenland wordt aangevoerd.
De [relatieve emissies]/[relatieve debieten] = dan 0,8.
Basisdocumentatie probleemstoffen KRW
23 van 40
11202236-001-BGS-0001, Versie 0.2, 6 november 2018, definitief
4. Is er een sterke regionale spreiding te verwachten door lokale/regionale bronnen? Achterliggend doel. Als bronnen of gebiedseigenschappen sterk variëren per regio, kunnen ook de normoverschrijdingen sterk variëren per regio. Een regionale aanpak is dan wenselijk in de meest gevoelige gebieden. Toelichting. Voor stoffen met een diffuse belasting (bijv. PAK’s) is het regionaliseren van bronnen minder relevant. Voor puntbronnen (bijv. een specifieke industriële lozing of een RWZI) kan het op een meer gedetailleerde schaal in kaart brengen van de bronnen verhelderend zijn. Ook het regionaliseren van gebiedskenmerken, bijvoorbeeld t.a.v. DOC-concentraties, kan inzicht geven in de reden waarom er veel of weinig overschrijdingen worden gevonden voor metalen. In hoeverre dit punt van belang is hangt af van de schaal waarop de analyse wordt uitgevoerd. Als de focus al op een klein gebied is, heeft regionalisatie weinig zin; de ‘taartpunt’ heeft dan voor alle stoffen een lage prioriteit. Mogelijke antwoorden. Er is niet veel winst te behalen in het regionaliseren van emissies en de waterkwaliteit als gevolg van die emissies. Het regionaliseren van bronnen en effecten op de waterkwaliteit is wenselijk, maar de mate waarin en snelheid waarmee kan worden afgewogen ten opzichte van andere adviezen.
Het regionaliseren van bronnen en effecten op de waterkwaliteit is op korte termijn wenselijk.
Onderbouwing. Bovenstaand kwalitatief antwoord wordt gebaseerd op een aantal meer kwantitatief c.q. objectief te beoordelen aspecten, namelijk: Vraag 4 Is er een sterke regionale spreiding te verwachten door lokale/regionale bronnen?