2024-66a D24.317150 RM-241015-KP4001-Waardenkensstraat DEF
Tekst van het document
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
28
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Beoordeling projectgebied Gebiedsbescherming Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Zeeland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Westerschelde & Saeftinge' ligt op een afstand van circa 2,00 kilometer ten zuiden van de projectlocatie. Het Natura 2000-gebied 'Yerseke en Kapelse Moer', ligt op een afstand van circa 2,00 kilometer en de Oosterschelde op circa 4,00 kilometer. Het dichtstbijzijnde NNZ gebied bevindt zich op ongeveer 650 meter ten zuiden van het projectgebied, waardoor een toetsing van de externe werking van het project op dit gebied niet is vereist.
Figuur 10: Ligging projectgebied ten opzichte van Natura2000. Bron: Quickscan Ecoresult
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van in totaal 26 woningen in een bestaande woonwijk. Gezien de afstand tot de natuurgebieden zijn effecten als vernietiging/areaalverlies, versnippering verandering van de waterhuishouding of verstoring door geluid of licht op voorhand uit te sluiten. Het enige mogelijk relevante ecologische effect betreft vermesting/verzuring als gevolg van stikstofdepositie. Om de toename van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000gebieden te bepalen is met het programma AERIUS Calculator een berekening uitgevoerd. Hierbij wordt getoetst of een mogelijke toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura-2000 gebieden Yerseke en Kapelse Moer, Oosterschelde en Westerschelde & Saeftinge. In Bijlage 5 wordt de AERIUS berekening verder toegelicht.
29
Soortenbescherming Voor de beoogde ontwikkeling is door Ecoresult een quickscan beschermde planten- en diersoorten uitgevoerd (Bijlage 6). Hieruit blijkt binnen het plangebied mogelijk potentiële rust- en verblijfsplaatsen van huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) en huismus aanwezig zijn. Nader onderzoek is vereist en is reeds uitgevoerd. Uit het nadere onderzoek (Bijlage 7) blijkt, dat er 17 vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus en 3 vaste rust- en verblijfplaatsen van de gierzwaluw zijn aangetroffen. In dat kader dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen en een ontheffing op basis van de Wnb te worden aangevraagd. Deze mitigerende maatregelen dienen in samenspraak met een ecoloog en de opdrachtgever verder uitgewerkt te worden en concreet te worden beschreven in een ecologisch werkprotocol c.q. mitigatieplan. Voorts wordt aangegeven welke maatregelen voor deze soorten voorafgaand, tijdens en na afronding van de werkzaamheden dienen te worden getroffen. Deze maatregelen hebben tot doel verstoring van verblijfplaatsen uit te sluiten en de functionaliteit daarvan te behouden en zien achtereenvolgens op het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van vleermuiskasten en het duurzaam bestendigen van de nieuwe verblijfplaatsen.
Deze maatregelen worden niet als onuitvoerbaar beschouwd. Deze maatregelen die moeten worden genomen en ontheffing dienen ter goedkeuring aan de provincie te worden voorgelegd. De provincie zal vervolgens een beslissing nemen over de aan te vragen ontheffing. Tot slot dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht met betrekking tot algemene amfibie-, reptiel- en zoogdiersoorten waarbij al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Conclusie Geconcludeerd kan worden, dat het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming, indien de juiste adequate maatregelen en vervolgstappen worden genomen, geen belemmering vormt voor de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Voldoende aannemelijk is dat voor onderhavige ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming kan worden voldaan. Bij de werkzaamheden zal te allen tijde de zorgplicht in acht worden genomen. 4.7
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’1 . In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of
30
aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
Beoordeling projectgebied De dichtstbijzijnde bedrijfsbestemming waarbij bedrijven uit ten hoogste categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' zijn toegestaan betreft het bedrijventerrein Smokkelhoek op een afstand van circa 380 meter van de projectlocatie. Verder is aan de overzijde van de Biezelingseweg een aannemersbedrijf met timmerwerkplaats gesitueerd. Deze valt onder de milieucategorie 2 en kent daarmee een richtafstand, uitgaande van een rustige woonwijk, van 30 meter. Het projectgebied valt daarmee buiten voornoemde richtafstanden. Verder is hier van belang, dat dergelijke functies en inrichtingen zoals een kerk en bedrijvigheid op grond van het geldende bestemmingsplan reeds toelaatbaar worden geacht in een woon-en verblijfsomgeving. Zo zijn deze inrichtingen (maatschappelijk en bedrijfsmatig) direct naast verblijfsfuncties toegestaan. Immers in de bestaande situatie grenzen deze functies rechtstreeks aan een woonbestemming, welke voor de richtafstanden van deze functies reeds maatgevend zijn én al over deze woonbestemming heen reiken. Tot slot blijft de afstand tot deze functies in de nieuwe situatie nagenoeg gelijk; de ontwikkeling brengt daar dus geen verandering in. Op basis hiervan kan worden aangenomen, dat het bevoegde gezag, zowel in feitelijke als juridische zin, deze situatie acceptabel en aanvaardbaar geacht.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. De ontwikkeling is vanuit de ruimtelijke ordening goed inpasbaar. 4.8
Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; • de aanleg van een nieuwe weg; • de reconstructie van een bestaande weg.
31
De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient via een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Beoordeling projectgebied Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) aangewezen als geluidgevoelige objecten. Hiervoor dient akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden indien deze liggen binnen de geluidzone van wettelijk gezoneerde (spoor) wegen. Dit is hier niet het geval, daar voor de Waardekensstraat en de omliggende wegen een maximale snelheid van 30 km/uur geldt, zodat een onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Conclusie Het aspect verkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9
Lucht Wettelijk kader De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet kent grenswaarden en voor enkele stoffen ook plandrempels. De Wm heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder andere als gevolg van het verkeer. Indien het uitoefenen van bevoegdheden, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen wanneer aannemelijk is gemaakt dat sprake is van één van onderstaande gevallen (artikel 5.16 Wm): • het bestemmingsplan leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden; • de luchtkwaliteit verbetert per saldo als gevolg van het bestemmingsplan dan wel blijft ten minste gelijk; • het bestemmingsplan draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen; • de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In het Besluit niet in betekende mate bijdragen (laatstelijk gewijzigd op 7 juni 2012) is dit verder uitgewerkt.
Bij ministeriële regeling, de Regeling Niet in betekenende mate bijdragen (Regeling NIBM), zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voor onder meer woningbouwlocaties en kantoorlocaties zijn categorieën van gevallen aangewezen.
32
Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig te toetsen aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit. In de praktijk zal daarom voor de nieuwbouw tot ongeveer 1.500 woningen met één ontsluitingsweg geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig zijn. Beoordeling projectgebied Nu de beoogde ontwikkeling per saldo de oprichting van 8 extra woningen mogelijk maakt blijft deze ruim onder de grenswaarden. De ontwikkeling behoort vanwege de beperkte omvang tot de een categorie die als NIBM kan worden gekwalificeerd. Een toetsing kan dus achterwege blijven. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. 4.10
Externe veiligheid Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: • activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de Veiligheidsregio. Onderzoek Om te bepalen of er in de directe omgeving (im)mobiele risicobronnen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd, dat op het projectgebied van toepassing zijn: • het vervoer van ongevallen met gevaarlijke stoffen over de A58 (giftige stoffen) alsmede het spoor (giftige stoffen en brandbare gassen).
33
Verder reiken geen risicocontouren van buisleidingen of inrichtingen over de projectlocatie. De mogelijke toename van het aantal mensen binnen het projectgebied ten opzichte van hetgeen planologisch is toegestaan is voorts dusdanig beperkt en verwaarloosbaar, dat er geen effect op het groepsrisico zal ontstaan. Dit laat onverlet, dat wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico is vereist. Verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Deze ontwikkeling wordt bij het bouwplan getoetst op bluswater en bereikbaarheid. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering te allen tijde een belangrijke rol.
De locatie wordt ontsloten via de Waardekensstraat en wordt via de Bieselingseweg en de Nieuwe Kerkstraat in noordelijke richting naar de Noordstraat en het Jufferswegje geleid. Via deze doorgaande wegen wordt het projectgebied snel aangesloten op het regionale wegennet. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Daarnaast kan via de Bieselingseweg en de Nieuwe Kerkstraat van de bronnen worden gevlucht. Zelfredzaamheid De bewoners zullen over het algemeen dan ook zelfredzaam zijn. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd.
Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het projectgebied ligt binnen het invloedsgebied van de A58 en een spoortraject. Vanwege de ligging, locatie en omvang van de ontwikkeling vormt het groepsrisico geen beperkingen voor deze risicobronnen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het projectgebied als voldoende worden beschouwd.
34
Verder zijn in of nabij het projectgebied geen risicovolle bronnen aanwezig die een belemmering vormen. 4.11
Kabels en leidingen De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer: a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling projectgebied Ter plaatse van het projectgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC melding worden uitgevoerd. Conclusie Het aspect kabels en leidingen is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.12
M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die worden genoemd in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport gemaakt moet worden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van woningbouw, omvattende de ontwikkeling en realisatie van in totaal 14 grondgebonden woningen en 12 appartementen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst.
Het bouwen van grondgebonden woningen en appartementen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’
35
Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. In onderhavige situatie is er sprake van een verruiming van de gebruiksmogelijkheden door het toevoegen van 8 extra woningen in diverse typologieën. Het project blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Indien de ontwikkeling aangemerkt dient te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. dan dient een vormvrije m.e.r. uitgevoerd te worden. Volgens de Raad van State (uitspraak 201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
Beoordeling projectgebied Het verruimen van de gebruiksmogelijkheden in de vorm van het toestaan van andere woningbouwtypen kan m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Concrete omstandigheden in dit geval zijn een verruiming van de woningbouwtypen op een locatie, gelegen in bestaande stedelijk gebied, alwaar bebouwing van nagenoeg gelijke omvang reeds is toegestaan. Daar komt bij dat het realiseren van een woonfunctie nu ook tot de (planologische) mogelijkheden behoort. Voorts brengt de ontwikkeling geen negatieve effecten voor het nabijgelegen Natura2000 gebied met zich mee en zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Dit maakt dat de ontwikkelmogelijkheden ter plaatse van de Waardenkensstraat 2 tot en met 24 en 13 tot en met 23, niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Kort samengevat er zijn geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen' te verwachten en daarom is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Toetsing en conclusie Een (vormvrije) m.e.r.-(beoordelings)plicht is voor onderhavige ontwikkeling niet van toepassing.
36
5.
ECONOMISCHE EN FINANCIËLE UITVOERBAARHEID
5.1
Economische uitvoerbaarheid Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Er is sprake van de het verruimen van de gebruiksmogelijkheid voor het realiseren van 26 permanente woningen, waar er bij recht 18 zijn toegestaan. Het projectgebied is in eigendom van initiatiefnemer, gebruikt eigen middelen om het project te financieren en verhaal van de kosten van grondexploitatie wordt anderszins verzekerd door middel van een gesloten anterieure overeenkomst alsmede het verhalen van kosten via leges. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate verzekerd. Gelet hierop geldt geen verplichting tot het maken van een exploitatieplan. Een anterieure overeenkomst heeft tot doel het vastleggen van afspraken tussen de gemeente en een initiatiefnemer. De afspraken welke worden vastgesteld gaan onder andere over bouwrijp maken, kabels en leidingen, bouwschade aan de openbare ruimte, planschade en het kostenverhaal. Deze zaken zullen privaatrechtelijk worden vastgelegd. Conclusie Er zijn daarmee geen belemmeringen aangaande de financiële uitvoerbaarheid.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog In het kader van het participatiebeleid heeft de gemeente Kapelle in 2022 de ‘Handreiking participatie’ vastgesteld en is een plan van aanpak opgesteld en zullen 2 bijeenkomsten worden georganiseerd. De eerste bijeenkomst heeft plaatsgevonden op donderdag 6 juli. In deze bijeenkomst is het bouwvoornemen door Beveland Wonen nader toegelicht. Kort samengevat heeft initiatiefnemer tijdens deze bijeenkomsten zich voorgesteld en aansluitend de beoogde woningtypen uitgelegd. Verder zijn het bouwvolume en de positionering daarvan getoond en is men over het verloop van de procedure geïnformeerd. Aansluitend werd de gelegenheid geboden om vragen te stellen en een reactie op het bouwvoornemen te geven. De vragen en reacties zagen onder meer op de bestaande schuttingen, de entree en doelgroep van het appartementengebouw, het parkeren en de getoonde stedenbouwkundige opzet van het plan. Initiatiefnemer heeft deze punten aansluitend beantwoord en nader toegelicht. Verder is een ieder de mogelijkheid geboden om per mail te reageren. Ook deze reacties zullen worden verwerkt en beantwoord. Vooroverleg Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 6.18 Bor (Besluit omgevingsrecht) dient bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning, waar nodig, overleg gepleegd te worden conform artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Artikel 3.1.1 van het Bro geeft aan dat, het college van burgemeester en wethouders overleg plegen met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen. Waar nodig plegen zij tevens
37
overleg met besturen van ander gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Vóór het opstarten van de procedure is deze ruimtelijke onderbouwing ter vooroverleg opgestuurd naar de diverse instanties. In verband hiermee is de concept ruimtelijke onderbouwing voorgelegd aan de provincie en het waterschap. Tervisielegging In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3°, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4. Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter visie zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan het college van burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning. De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige ruimtelijke onderbouwing.
38
6.
CONCLUSIE Onderhavig project ziet toe op het realiseren van in totaal 26 woningen in de vorm van 6 grondgebonden eengezinswoningen, 8 nultreden woningen en 12 gestapelde woningen ter plaatse van de percelen, plaatselijk bekend Waardekensstraat 2 tot en met 24 en 13 tot en met 23 in Biezelinge, gemeente Kapelle. Om deze nieuwbouw mogelijk te maken dient te worden afgeweken van het vigerend bestemmingsplan. Door middel van onderhavige ruimtelijke onderbouwing is aangetoond, dat de betreffende afwijking niet stuit op overwegende bezwaren van ruimtelijke, functionele, beleidsmatige of milieukundige aard. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat onderhavig project planologisch te verantwoorden is.
39