CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-47a D24.310553 RO zonnepark Zeeuwind 20240730 Onderbouwing BOPA zonnepark WAP

Raadsvergadering 24 september 2024, gemeente KapelleBij agendapunt: Vaststellen advies voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) zonnepark Willem-Annapolder16.152 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 29

Gebruiksfase Het plan heeft geen permanente verkeersaantrekkende werking en geeft derhalve geen extra toename van de concentratie NO2 en PM10. Tijdens het in gebruik zijn van het zonnepark zal er incidenteel sprake zijn van de aanwezigheid van een bedrijfsbus voor inspectie en onderhoud, deze kan via de ten behoeve van het project aan te leggen onderhoudsweg het zonnepark bereiken en op de opstelplaats bij het zonnepark parkeren.

4.9.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de luchtkwaliteit niet 'in betekenende mate' zal verslechteren. Het is daarmee ook niet aannemelijk dat het plan de 3% grens overschrijdt. Daarom hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan door middel van onderzoek. Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.10

M.e.r.-beoordeling Voor een deel van de milieubelastende activiteiten gelden de regels van milieueffectrapportage (MER). In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn in één lijst zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. Een MER brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld. De verwachte gevolgen worden beschreven in een milieueffectrapport. Zo kan de overheid de milieueffecten meenemen bij haar besluit over het plan of project. Bij het toelaten van een zonnepark in het omgevingsplan hoeft de gemeente meestal geen milieueffectrapport (MER) te maken. Een zonnepark is vaak niet mer-(beoordelings)plichtig. Dit blijkt uit een uitspraak van de Raad van State.5 Ze vallen namelijk niet onder de volgende categorieën uit bijlage V van het Omgevingsbesluit: • 5

C1: centrales voor de productie van elektriciteit, of;

ECLI:NL:RVS:2019:2770 Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 30

•

J11: stedelijk ontwikkelingsproject, of;

•

J12: landinrichtingsproject.

4.11 Natuur 4.11.1 Toetsingskader Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming op gegaan in de Omgevingswet (Ow). Op grond van artikel 4.3 Ow zijn voor de volgende relevante natuuractiviteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels gesteld: •

Flora- en fauna-activiteiten (artikel 4.3, lid 3, sub d Ow en afdeling 11.2 van het Bal);

•

Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied (artikel 4.3, lid 1, sub j Ow en afdeling 11.1 van het Bal);

•

Het vellen en beheren van houtopstanden (artikel 4.3, lid 1, sub o Ow en afdeling 11.3 van het Bal).

Dit zijn rechtstreeks werkende geldende regels die zijn gericht aan degene die de activiteit verricht. Daarnaast kunnen er algemene regels gelden naast een eventuele omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1 Ow.

Gebiedsbescherming De aanwijzing van natuurgebieden zoals Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale gebieden, nationale parken, Natuurnetwerk Zeeland en bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen is geregeld in paragraaf 2.6.3 van de Omgevingswet (Ow). Natura 2000-gebieden Voor Natura 2000-gebieden geldt dat er verschillende soorten per gebied zijn aangewezen en dat hiervoor instandhoudingsdoelstellingen gelden. Effecten van zonneparken mogen geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van aangewezen soorten hebben. Zoals te zien in Figuur 4.8 ligt er een groot Natura 2000-gebeid ten zuiden van de zonneparken, over de Westerschelde. Dit gebied heet Westerschelde & Saeftinghe en bevat de hele Westerschelde. Het gebied Westerschelde & Saeftinghe is aangewezen voor een aantal habitattypen. Deze habitattypen liggen uitsluitend in het Natura 2000-gebied zelf. Het plangebied ligt te ver weg om enige directe negatieve effecten te kunnen hebben op de habitattypen. Het plangebied wordt ook niet of nauwelijks gebruikt door broedvogelsoorten. Voor niet-broedvogelsoorten waarvoor het gebied Westerschelde & Saeftinghe zijn aangewezen geldt dat het plangebied geen geringe betekenis heeft voor deze soorten.

Vooralsnog wordt dan ook niet verwacht dat het zonnepark een negatief effect zal hebben op deze soorten Natuurnetwerk Zeeland Het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) is een Zeeuws netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het planvoornemen ligt niet in een NNZ-gebied, zoals in Figuur 4.8 te zien is.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 31

Soortenbescherming Naast gebiedsbescherming is ook de soortenbescherming van belang. Hierbij gaat het om alle soorten die beïnvloed kunnen worden door de bouw en exploitatie van de zonneparken zoals allerlei grondgebonden soorten (vooral bij de bouw). Figuur 4.8 Natuurwaarden in de omgeving van het plangebied

4.11.2 Onderzoek In de zomer van 2024 is een quickscan ecologie uitgevoerd door Buijs Eco Consult. Hierin is onderzocht of beschermde natuurwaarden in het plangebied in het geding kunnen zijn, en daarmee of er sprake is van een Flora- en fauna en/of Natura2000 activiteit, zie bijlage 4. Voorheen was het planvoornemen om ook een oostelijk gebied te betrekken in de omgevingsvergunningaanvraag (perceel ten zuiden van de ’sGravenpolderse Oudedijk, aan de oostkant van de Willem-Annapolder). Dit gebied is geen onderdeel van de omgevingsvergunningaanvraag. Dit gebied is wel meegenomen in de quickscan ecologie, derhalve is het uitgangspunt van het onderzoek worst-case.

Toetsing gebiedsbescherming Het planvoornemen heeft geen effect op Natura2000 en NNZ-gebied. De stikstofdepositie is niet meegenomen in de quickscan, deze is separaat onderzocht, zie paragraaf 4.17. Biotopen De bevindingen van de quickscan t.a.v. de vier biotopen waaruit het plangebied bestaat zijn als volgt: (Half)verharde infra

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 32

De infra voorzieningen; (half)verharde paden vormen geen essentieel leefgebied voor beschermde soorten, er zijn geen beschermde soorten op de verharding aangetroffen. Open kale akker Het gebied bestaat uit open kale akker. Op deze akker zijn twee koppels scholekster waargenomen, evenals een rustende bergeend, een haas, kievit en fazant. Deze akker biedt behalve voor akkervogels geen geschikt leefgebied. Beschermde flora is niet aangetroffen. Begroeide akker De begroeide akker is voorzien van een monocultuur. Ook hier is geen beschermde flora aangetroffen. Aan de rand van de akker is een houtduif en fazant gezien. Open water Aan de oevers van het water kunnen diverse vogelsoorten tot broeden komen, zoals eenden, meerkoet, waterhoen etc. In riet kunnen ook soorten als kleine karekiet en rietzanger tot broeden komen. Aan de oevers van het water en het open water zelf worden geen ingrepen t.b.v. het zonnepark gedaan.

Toetsing soortenbescherming Vogels Tijdens het veldbezoek zijn enkele koppels scholekster waargenomen en kievit, welke mogelijk broeden/gebroed hebben binnen het plangebied. Het is niet mogelijk om een vergunning te verkrijgen voor het vernielen/vernietigen van nesten van broedende vogels in kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Als er nesten aanwezig zijn moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het moment dat de jonge vogels uitvliegen. Door de werkzaamheden buiten de periode 15 februari tot 1 augustus te plannen is het aannemelijk dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden. De gunstige staat van instandhouding van de algemeen voorkomende broedvogelsoorten is niet in het geding, mits de voorzorgsmaatregelen worden toegepast, zoals omschreven in paragraaf 4.11.3. Vleermuizen Op de locatie is geen sprake van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Binnen het plangebied (beide deelgebieden) zijn geen gebouwen of bomen aanwezig. Negatieve effecten op verblijfplaatsen kunnen hierdoor op voorhand worden uitgesloten. Er is voldoende foerageergebied aanwezig in de nabije omgeving. Er wordt geadviseerde bestaande structuren – indien aanwezig – als houtwallen, dijklichamen en watergangen in stand en donker te houden. De enige mogelijke aanpassing is het verbreden van een watergang.

De gunstige staat van instandhouding van de potentieel in de omgeving van het plangebied verblijvende vleermuizen, zijn niet in het geding, mits de voorzorgsmaatregelen worden toegepast, benoemd in paragraaf 4.11.3. Grondgebonden zoogdieren Op locatie worden essentiële verblijfplaatsen en of functies van haas, konijn en kleine marters uitgesloten. Er is een haas waargenomen, deze kan net als eventueel kleine marterachtigen zich wel door de gebieden heen verplaatsen.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 33

De gunstige staat van instandhouding van de voorkomende zoogdiersoorten is niet in het geding mits de voorzorgsmaatregelen, zoals beschreven in paragraaf 4.11.3 worden toegepast. Amfibieën en reptielen Er zijn geen waarnemingen van rugstreeppad in de nabijheid van het plangebied bekend. Er zijn geen waarnemingen van rugstreeppad in de nabijheid van het plangebied bekend. De gunstige staat van instandhouding van de voorkomende amfibieën en reptielen is niet in het geding mits de voorzorgsmaatregelen, zoals in beschreven in paragraaf 4.11.3, worden toegepast. Vissen Schade aan beschermde vissen wordt niet verwacht omdat er geen water in/nabij het plangebied is waardoor er geen negatieve effecten voor vissen optreden. De gunstige staat van instandhouding van de voorkomende vissen is niet in het geding.

Planten Op de werklocatie zijn geen beschermde planten waargenomen. Op basis van de habitattypes worden beschermde planten in het plangebied ook niet verwacht. De gunstige staat van instandhouding van de algemeen voorkomende beschermde planten is niet in het geding.

Overige beschermde soorten Er zijn geen effecten te verwachten op andere beschermde soorten, zoals dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelden. De gunstige staat van instandhouding zal, met het in acht nemen van de mitigerende maatregelen zoals genoemd in de paragraaf hieronder, niet worden aangetast als gevolg van de voorgenomen ingreep.

4.11.3 Aanbevolen mitigerende maatregelen (voorzorgsmaatregelen) Ter voorkoming van overtreding van verbodsbepalingen tijdens de werkzaamheden volgen hier de aanbevolen voorzorgsmaatregelen : •

Uitvoering van de bouwfase buiten de broedperiode 15 februari tot 1 augustus. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan zorgvuldig handelen met betrekking tot algemene broedvogels (waaronder akkervogels), kleine grondgebonden zoogdieren en algemeen voorkomende amfibieën. Wanneer dit niet mogelijk is dient een ecologisch deskundige het terrein voorafgaande aan de werkzaamheden te beoordelen op eventueel broedvogels en/of andere kwetsbare functies. Als deze niet worden aangetroffen is (wellicht met beperkingen, zoals het afzetten van beschermingszones van aanwezige nesten) ook werken (aanlegfase) binnen deze periode mogelijk. Voorbereidingswerkzaamheden (maaien, eggen) dient wel buiten deze kwetsbare periode plaats te vinden.

•

Door eventuele vegetatie voorafgaande aan de werkzaamheden (aanlegfase) kort te maaien of als kale akker op te laten leveren wordt het gebied onaantrekkelijk gemaakt voor de meeste soorten, deze zullen dan zelfstandig het plangebied verlaten.

•

Niet toepassen van (tijdelijke) verlichting voor het planvoornemen. Op deze wijze worden mogelijke functies (zoals een mogelijke vliegroute voor vogels langs de dijken en/of houtwallen door het plangebied) volledig behouden en is vervolgonderzoek niet noodzakelijk.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 34

•

Aangenomen wordt dat voor het planvoornemen geen zand hoeft te worden aangevoerd. Door verder tijdelijk water op de planlocatie te voorkomen (bijvoorbeeld dat blijft staan als gevolg van insporing) kan aantrekking van rugstreeppad worden voorkomen.

4.11.4 Conclusie Tijdens de realisatie van het planvoornemen wordt geen N2000 en/of NNN aangetast. Het plangebied is niet in Natura2000 en/of NNN gelegen. Hierdoor is oppervlakteverlies en versnippering op voorhand uitgesloten. Een ontheffing voor het onderdeel soortbescherming is niet aan de orde. Als gevolg van het planvoornemen worden geen verblijfplaatsen aangetast. Door verder invulling te geven aan de voorzorgsmaatregelen worden negatieve effecten op algemene soorten verder zo veel mogelijk voorkomen. Tevens wordt geadviseerd inheemse struiken en bomen toe te passen. In het landschappelijk inpassingsontwerp worden inheemse groene hagen toegepast. Daarnaast worden onderdoorgangen voor grondgebonden zoogdieren aanbevolen, dit zal mee worden genomen in de detail uitwerking van het landschappelijk inpassingsontwerp.

4.12 Omgevingsveiligheid 4.12.1 Toetsingskader Regels omtrent omgevingsveiligheid uit het Bal en Bkl zijn bedoeld om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen, of een gevaarlijke inrichting, te beschermen. Bij een omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk besluit rond zo'n bedrijf moet het bevoegd gezag rekening houden met veiligheidsafstanden ter bescherming van individuen (plaatsgebonden risico) en groepen personen (groepsrisico).

4.12.2 Onderzoek Het zonnepark is geen kwetsbaar of bekend kwetsbaar object in de zin van het Bal en Bkl. Er zijn geen personen aanwezig. Een zonnepark is daarnaast ook geen risicobron of inrichting dat valt onder het Bal en Bkl. Er bevindt zich wel een ondergrondse buisleiding nabij het projectgebied. Het zonnepark valt deels binnen de PR 10-8 contour van deze buisleiding. Deze PR (plaatsgebonden risico) contour betekent een kans op overlijden per jaar van 1 keer in de 100 miljoen jaar. Dit risico is dusdanig klein dat hier geen maatregelen voor hoeven te worden genomen. Het basisbeschermingsniveau is gewaarborgd, zeker gezien er op een terrein van een zonnepark weinig tot geen mensen komen.

4.12.3 Conclusie Uit het oogpunt van omgevingsveiligheid zijn geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten. Daarmee is voor de realisatie van het zonnepark sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 35

4.13 Verkeer en parkeren 4.13.1 Toetsingskader In het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Dit geldt ook bij buitenplanse omgevingsvergunningen. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

4.13.2 Onderzoek Verkeer Bouwfase Het voornemen heeft een verkeersaantrekkende werking. In de bouwfase wordt de verkeersaantrekkende werking veroorzaakt door ritten met vrachtverkeer (o.a. voor het leveren van de PV-panelen, parkinfrastructuur en mobiele werktuigen) en door ritten met personenauto’s of werkbusjes van het bouwpersoneel. Er wordt rekening gehouden met een worst-case toename in het dagelijkse aantal verkeersbewegingen van 15 bewegingen met licht verkeer (personenauto’s of werkbusjes) en 10 ritten met zwaar vrachtverkeer. De Franseweg is de toegangsweg voor het zonnepark. De weg ligt buiten de bebouwde kom en heeft een breedte van ongeveer 5,50 meter, het is een kleine en relatief rustige weg. De hoeveelheid dagelijkse verkeersbewegingen in de bouwfase (geschat op ca. 3 maanden) zal maximaal 70 verkeersbewegingen per etmaal betreffen (zie een toelichting in de Aerius berekening, bijlage 3). De bouw van het zonnepark zorgt met deze ritten voor een significante toename in het aantal verkeersbewegingen over de Franseweg. In het Handboek Wegontwerp (CROW publicatie 164d)6 wordt echter gesteld dat bij enkele honderden verkeersbewegingen per dag een rijbaanbreedte van 5,50 m geen problemen oplevert. Bij een intensiteit van 1.000 of meer voertuigen is de kans op bermschade erg groot en dient een bredere verharding te worden aangelegd.

Die hoeveelheid wordt, zelfs tijdens de bouwfase, op ruimschoots niet gehaald. Effecten op de bereikbaarheid en de weg worden daarom tijdens de gebruiksfase verwaarloosbaar geacht. Gebruiksfase Een vergelijkbare argumentatie is van toepassing tijdens de gebruiksfase, omdat de dagelijkse verkeersaantrekkende werking tijdens de gebruiksfase significant lager ligt dan tijdens de bouwfase. 6

Kennisplatform CROW, Handboek wegontwerp 164d, HWO13, 05-11-2023, druk 1, geraadpleegd 11-04-2024 Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 36

Effecten op de bereikbaarheid en de weg worden daarom tijdens de gebruiksfase verwaarloosbaar geacht.

Parkeren Bouwfase In de bouwfase wordt er werkruimte nabij het zonnepark vrijgemaakt voor de mobiele werktuigen. Er worden rijplaten uitgelegd, waardoor de grote voer- en werktuigen over de onverharde grond kunnen rijden. Naar verwachting zijn er per dag gedurende de bouwperiode circa 70 auto’s, busjes of vrachtauto’s aanwezig op het bouwterrein (uitgaande van een bouwperiode van 3 maanden). In het prepareren van de werkruimte wordt er rekening gehouden met parkeerplaatsen voor het bouwverkeer (verhard met rijplaten). Deze parkeerplekken zijn tijdelijk. De directe ruimte rondom de toegangspoort wordt tijdens de bouw (half)verhard en daarmee geschikt gemaakt voor parkeren. De parkeergelegenheid wordt om bovengenoemde redenen voldoende geacht. Gebruiksfase In de gebruiksfase wordt het zonnepark niet op reguliere basis bezocht door gemotoriseerde voertuigen. Dit gebeurt slechts incidenteel (enkele keren per jaar) voor onderhoud, reparatie, inspectie of schoonmaak. Direct naast de Franseweg is een strook van 25m * 100m beschikbaar, die voldoende parkeergelegenheid voor personenauto’s en grote voer-/werktuigen biedt, zie de inrichtingstekening in bijlage 2. Deze voorziening is niet conflicterend met het parkeerbeleid van de gemeente Kapelle.7 De parkeergelegenheid wordt om deze redenen voldoende geacht.

4.13.3 Conclusie Vanuit het aspect Verkeer en Parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.14 Trillingen 4.14.1 Toetsingskader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw (zoals een woning, school, kinderopvang, zorgvoorziening), die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van het Bkl, deze gelden enkel voor continue trillingen. Deze waarden gelden niet voor trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen die geheel of gedeeltelijk liggen op een gezoneerd industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds zijn ingesteld (art. 22.83 bruidsschat).

7

Gemeente Kapelle (2021). Algemeen Plaatselijke Verordening. Link: Algemene plaatselijke verordening gemeente Kapelle | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl) Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 37

4.14.2 Onderzoek In de bouwfase van een zonnepark kunnen mogelijk tijdelijk trillingen ontstaan, bijvoorbeeld bij het aanrijden van zwaar vrachtverkeer en heien van de palen voor de stellages waarop de panelen komen te staan. In de gebruiksfase is er geen sprake van trillingen. Het meest dichtbij zijnde trillinggevoelige gebouw (woning) staat op ca. 350m. Dit is ruimschoots meer dan 100m, dat als maximale richtafstand geldt voor het doen van nader onderzoek of mitigerende maatregelen. Op zichzelf is een zonnepark geen trillingsgevoelig object.

4.14.3 Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties

4.15 Water 4.15.1 Toetsingskader Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Water en het watersysteem maken derhalve integraal deel uit van de fysieke leefomgeving. Enerzijds is water één van de ordende principes in de fysieke leefomgeving en kan daarmee beperkingen opleggen aan het gebruik van een locatie. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, et cetera, te voorkomen. De verplichte ‘Weging van het waterbelang’ (voor invoering van de Omgevingswet de Watertoets geheten) is geregeld in artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels zoals voor de bescherming van primaire waterkeringen, behoud waterveiligheid kust, behoud waterveiligheid grote rivieren en het IJsselmeergebied.

4.15.2 Onderzoek De Willem-Annapolder valt onder het werkingsgebied van het waterschap Scheldestromen, zie Figuur 4.9. Een Weging van het waterbelang (voorheen watertoets geheten) is uitgevoerd (zie bijlage 6) en is afgestemd met het waterschap Scheldestromen. Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 38

Het waterschap geeft aan dat er rekening moet worden gehouden met ‘Beschermingszone Leggerwateren’ (t.b.v. onderhoud van het leggerwater) dat langs de kreek aan de noord, west- en zuidkant van het zonnepark ligt. Er moet een 5m brede onderhoudsstrook worden vrijgehouden. De initiatiefnemer is voornemens aan de noordkant een natuurlijke oever aan te leggen, en aan de zuidkant een Zeeuwse haag. Hiervoor is een watervergunning nodig. Deze zal aangevraagd worden bij het waterschap. Aan de oostkant van het zonnepark heeft het waterschap een ‘Bebouwingsvrije strook wegen’, hier moet een 1m brede strook worden vrijgehouden, dit aspect is meegenomen in het landschappelijk ontwerp om te voorkomen dat er overlap plaatsvindt. Hiervoor is geen vergunning/melding nodig. Uit de watertoets blijkt dat er geen watercompensatie hoeft plaats te vinden omdat het regenwater infiltreert op het perceel en niet wordt afgevoerd op oppervlaktewater. Er wordt geen grondwater onttrokken en regenwater kan infiltreren in de bodem. Dit is in lijn met het principe van het waterschap dat regenwater vertraagd wil afvoeren in plaats van dat het direct in het oppervlaktewater afstroomt. Figuur 4.9 Werkingsgebied Scheldestromen

Blauwe strook = beschermingszone leggerwater c.q. onderhoudsstrook; roze strook = bebouwingsvrije strook wegen

4.15.3 Conclusie Een watertoets is uitgevoerd en de criteria van het waterschap zijn meegenomen in het ontwerp. Een watervergunning zal worden aangevraagd vanwege de situering van het zonnepark ten opzichte van de onderhoudsvrije strook (Beschermingszone Leggerwateren).

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 39

4.16 Welstand en landschappelijke inpassing 4.16.1 Toetsingskader Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Heeft de gemeente geen welstandsnota en ook een beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken? Dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De regelt geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen. Artikel 22.29 lid 1 onder b (Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.

Bouwsteen Elektriciteit deel 2 Dit beleidsdocument – onderdeel van Duurzaamheidsagenda Kapelle - wordt gehanteerd als toetsingskader. Behalve het leveren van een kwaliteitsbijdrage aan het landschap ter plekke, dient de landschappelijke inpassing aan bepaalde randvoorwaarden te voldoen. Echter is aan de welstandcommissie voorgesteld enigszins af te wijken van deze randvoorwaarden, omdat dat daarmee een landschappelijke inpassing kan worden gerealiseerd die de openheid van de polder rechtdoet. De (welstands)criteria uit de Bouwsteen Elektriciteit deel 2 zijn: Algemene criteria •

Panelen en opstellingen: o Maximale hoogte: 2,5 meter (in Willem-Annapolder) o Oriëntatie: zuid of oost-west, logisch voegen op locatie en in omgeving, aandacht voor bodem o Vermijden van zicht op de achterkant vanaf de openbare weg o Uitvullen van kavels tot de randen, geen lege hoeken (rafelranden oplossen aan binnenzijde) o Uitgangspunt is niet-spiegelende en terughoudende kleur van panelen en frames

•

Hekwerken en poorten o Bij voorkeur geen omringend hekwerk toepassen o Indien toch een hekwerk nodig is: zo transparant en natuurlijk mogelijk, geen faunabarrière o Geïntegreerd in omringende beplanting, dicht bij panelen o Op voldoende afstand van (openbare) routes en wegen o Plaatsen in logische rechte lijnen, eenvoudig, eenduidig, simpele poort(-en) in lijn met hek

•

Overige criteria: o Geen permanente verlichting (calamiteitenverlichting uitgesloten) o Goed inpassen van kabelgoten, bij voorkeur niet zichtbaar

•

Transformator- en bijgebouwen: o Zo compact mogelijk Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 40

o Terughoudende kleurstelling, functionaliteit voorop o Integreren in het totale ontwerp, in lijn met het zonneveld, volgens helder ruimtelijk ontwerp o Hou rekening met geluid •

Meervoudig ruimtegebruik: o Bijvoorbeeld het houden van dieren, natuurontwikkeling, recreatie, teelt van producten o Benut bestaande elektriciteitsnet, met minimale belasting

Criteria specifiek voor nieuwlandpolders (Willem-Annapolder) •

Inpassing: inhaken op bestaande kenmerken (de WAP is een ‘agrarisch werklandschap’): o Grootschalig, agrarisch karakter, rationeel verkavelingspatroon o Glastuinbouw, windturbines, hoogspanningsmasten, omringd door dijken o Openheid en bestaande landschappelijke structuur zijn belangrijke kwaliteiten o Verschillende vormen: o Singelbeplantingen (7 m), Zeeuwse hagen (3 m) i.c.m. bomenrijen en kruidenrijke bermen o

•

Alzijdige inpassing, hoogtebeperking opstellingen tot 2,5 meter boven maaiveld

Voorbeelden kwaliteitsverbetering (maatwerk, 10% van het plangebied (uitgangspunt)): o Aanleg c.q. herstel van natuur- en landschapselementen o o

Extra brede inpassingszones, extensieve recreatieve voorzieningen Fysieke bijdrage Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) en ecologische verbindingszones

o

Extra waterberging t.b.v. verbetering waterhuishouding

Deze criteria zijn meegenomen in het voorgenomen landschappelijk inpassingsplan. Echter is voorgesteld hier enigszins van af te wijken, omdat daarmee blijvend wordt gedaan aan de openheid van het landschap. Immers wanneer het gehele zonnepark aan alle zijden met een hoge Zeeuwse haag wordt omrand, belemmerd dat het open zicht. Zie voor een toelichting de volgende paragraaf.

4.16.2 Onderzoek De Willem-Annapolder is een agrarisch werklandschap, heeft een grootschalig karakter met een rationeel verkavelingspatroon en is omringd door dijken. Bij het inpassen van het zonnepark zijn de bestaande kavelstructuren leidend. Verder is de openheid van het gebied een belangrijke kwaliteit die zoveel mogelijk behouden moet blijven. Het gebied kenmerkt zich door grootschalig elementen als kassen, een rioolwaterzuivering, hoogspanningslijnen en windturbines. Deze analyse vormt de basis van het landschappelijk inpassingsplan. Landschappelijk inpassingsplan: twee modellen Aan de welstandscommissie zijn twee modellen gepresenteerd (d.d. 12-7-24), te weten model A (‘volgens het boekje’ en model B (‘veelzijdig’) Model A is volgens de ontwerpprincipes uit Bouwsteen Elektriciteit deel 2, en behelst: •

Inpassing: alzijdige singelbeplanting en/of Zeeuwse hagen met bomenrijen, dicht beeld rondom

•

Kwaliteitsverbetering binnen de nieuwe (gesloten) rand van houtopstanden, bijvoorbeeld met bloemrijk grasland

Model B daarentegen betreft een meer veelzijdig ontwerp:

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 41

•

Inpassing: verschillend per rand, deels open randen: o noordrand: flauwe natuurlijke oever richting voormalige kreek, ruimte voor waterberging o zuidrand: Zeeuwse hagen o oost- en westrand: kruidenrijk grasland

•

Kwaliteitsverbetering met name in (brede) randen van het zonnepark

•

Versterking NNZ: plangebied valt deels binnen agrarische zoekgebied, natuurtype A15 (dooradering)

De welstandscommissie heeft aangegeven dat het verder uitwerken van model B kan leiden tot een landschappelijk interessante inpassing van het zonnepark. De commissie heeft verzocht aan te tonen hoe de principeprofielen (zie de tekeningen hiervan in bijlage 1) uiteindelijk uitgewerkt worden en heeft om inzicht gevraagd in de maatvoeringen van zowel de randen van het zonnepark als van de zonneopstellingen, randvoorzieningen, hekwerken en dergelijke. Verder wil de commissie graag inzicht in hoe het zonnepark er uiteindelijk uit komt te zien, aan de hand van visualisaties. Deze visualisaties worden later toegestuurd. Kwaliteitsverbetering Naast het landschappelijk inpassen van het zonnepark dient er ook een landschappelijke kwaliteitsverbetering te worden gerealiseerd. De ontwikkeling van een zonnepark is aan te merken als een ontwikkeling die een behoorlijke invloed kan hebben op de omgeving. Daarom moet een initiatief bijdragen aan het verder versterken van de aanwezige kwaliteiten. Uitgangspunt is dat tenminste 10% van de oppervlakte van het zonnepark wordt aangewend voor landschappelijke kwaliteitsverbetering. Daaraan wordt ruimschoots voldaan, aangezien van het totaal oppervlak van het projectgebied minimaal 25% benut wordt voor landschappelijke inpassing, bestaande uit kruidenrijk grasland, Zeeuwse hagen en een natuurlijke oever.

Elementen die bijdragen aan landschappelijke kwaliteitsverbetering, gegeven het huidige landschap een enkelvoudige functie van tarweveld heeft.

4.16.3 Conclusie De welstandscommissie kan zich vinden in het ontwerp model B ‘veelzijdig’ dat tot op bepaalde hoogte afwijkt van het toetsingskader (zoals model A ‘volgens het boekje’ wel doet) omdat het landschappelijke kwaliteitsverbetering kan brengen

4.17 Gezondheid 4.17.1 Toetsingskader Er bestaat een relatie tussen milieu en gezondheid. Ook andere factoren dan milieufactoren zijn van invloed op de gezondheid van mensen, denk aan roken, beweging en het binnenklimaat van woningen. In het verleden is bij sommige projecten voor zonne-energie gebleken dat er bij omwonenden zorgen kunnen bestaan over de mogelijke gevolgen van een zonnepark op de kwaliteit van de leefomgeving en de gezondheid. In deze paragraaf wordt daarom het onderwerp zonne-energie in relatie tot gezondheid nader belicht. Wanneer zonneparken in of nabij bewoonde gebieden worden geplaatst, zouden omwonenden hinder kunnen ervaren. Hierbij dient te worden opgemerkt dat hinder kan worden ondervonden, terwijl er geen sprake is van gezondheidseffecten. (Ernstige) hinder zou kunnen leiden tot gevoelens van irritatie, Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 42

boosheid en onbehagen en als gevolg daarvan tot gezondheidseffecten (zoals bijvoorbeeld hoge bloeddruk). Hinder van zonneparken komt voornamelijk voort uit visuele effecten (zichtbaarheid en schittering) of uitstootgassen tijdens de bouwfase. Het aspect gezondheid maakt impliciet deel uit van eerdere paragrafen in dit hoofdstuk, aangezien de regels die zijn opgesteld voor onder andere luchtkwaliteit, geluid en schittering beschermen tegen onaanvaardbare hinder. Bij het vaststellen van die regels speelden gezondheidsaspecten een rol. Voor het aspect gezondheid op zich bestaat er geen wettelijk toetsingskader.

4.17.2 Onderzoek Elektromagnetische velden Waar sprake is van de productie van stroom is tevens sprake van elektromagnetische velden (EM-velden). Elektromagnetische velden komen overal om ons heen voor. Zo produceren huishoudelijke apparaten EM-velden, maar ook de aarde zelf heeft zijn eigen EM-veld. Rond de bekabeling van het zonnepark, de transformatorgebouwen en de omvormers is sprake van Extreem Laag Frequente Elektromagnetische Velden (ELF-EMV). Langdurig verblijf binnen elektromagnetische velden, bijvoorbeeld in de directe omgeving van de transformatorgebouwen, moet worden vermeden. Het RIVM heeft onderzoek8 uitgevoerd naar ELF-EMV-velden rondom verschillende typen bronnen. Uit literatuurwaarden en metingen bleek dat onder redelijk maximale omstandigheden9 de afstand tot de omvormer waarop het gemeten veld zwakker wordt dan 0,4 µT circa 1,0 meter is. Voor schakelkasten is dat 6,0 meter. Geconcludeerd kan worden dat op grotere afstand het EMV-veld, zelfs onder maximale omstandigheden, niet groter is dan 0,4 µT. In het geval van het beoogde zonnepark geldt dat binnen enkele meters van de installaties geen personen verblijven. Het gebied is niet publiek toegankelijk, en wordt alleen bezocht tijdens periodiek onderhoud. De dichtstbijzijnde woning tot de installaties ligt op een afstand van ca. 350 meter.

Vandaar dat er geen aanleiding bestaat voor nader onderzoek naar mogelijke gezondheidseffecten als gevolg van EM-velden. Overige gezondheidseffecten Andere eventuele gezondheidseffecten zijn impliciet besproken in eerdere paragrafen. Het gaat hier om effecten als gevolg van: •

Geluid (paragraaf 4.6)

•

Lichtschittering / hinder (paragraaf 4.8)

•

Landschappelijke inpassing (paragraaf 4.16)

•

Luchtkwaliteit (paragraaf 4.9)

•

Geur (paragraaf 4.7)

8

Dusseldorp, A.; Pruppers, M.J.M.; van Putten, E.M. Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magneetvelden bij verschillende bronnen. Een aanvulling op eerdere metingen. Briefrapport 2018-0015, RIVM, geraadpleegd 19-4-2024 via https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2018-0015.pdf 9 bij sterke zonneschijn, daardoor meer stroomproductie en een sterker ELF-EMV-veld Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 43

4.17.3 Conclusie Uit het oogpunt van gezondheid zijn geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten. Daarmee is voor de realisatie van het zonnepark sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.18 Stikstof 4.18.1 Toetsingskader Gebiedsbescherming is opgenomen in de Omgevingswet en biedt de juridische basis voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden, alsmede de beoordeling van activiteiten die (mogelijk) negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden. Het kan daarbij zowel activiteiten binnen als buiten het betreffende Natura 2000-gebied betreffen. Natura2000-gebieden hebben een externe werking, waardoor ook moet worden bezien of activiteiten buiten het Natura 2000-gebied negatieve effecten kunnen hebben op de daarvoor vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. Het is juridisch verplicht om projecten te beoordelen op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Voor projecten geldt een vergunningsplicht (omgevingsvergunning Natura 2000-activiteiten) als het project een significant gevolg kan hebben voor een Natura 2000-gebied (art. 5.1 lid 1, onder e, OW). Als een ontwikkeling op zichzelf niet leidt tot een toename van stikstofdepositie (> 0,00 mol/ha/jaar), dan is op grond van objectieve gegevens uitgesloten dat de ontwikkeling qua stikstofdepositie significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied heeft. Het project is dan vanwege stikstofdepositie niet vergunningplichtig op grond van de Omgevingswet.

Als een ontwikkeling op zichzelf leidt tot een toename van stikstofdepositie, maar vergeleken met de referentiesituatie er geen toename is van stikstofdepositie, dan zijn er eveneens geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden en is ook dan het project niet vergunningplichtig op grond van de Omgevingswet. In de twee genoemde situaties staat de Omgevingswet besluitvorming (voor wat betreft gebiedsbescherming) dan niet in de weg. AERIUS-calculator De stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan berekend worden met behulp van het verplicht te gebruiken rekenprogramma AERIUS Calculator. Van elke te berekenen situatie wordt een model gemaakt met invoergegevens waarmee vervolgens de berekening wordt uitgevoerd. Op basis van de invoer bepaalt het rekenprogramma AERIUS Calculator zelf de correcte berekening van de bijdrage ten opzichte van de referentiesituatie, indien aanwezig. Tevens bepaalt zij zelf de rekenpunten binnen de Nederlandse Natura 2000-gebieden. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden wordt berekend ter plaatse van stikstofgevoelige habitats.

4.18.2 Onderzoek Ten behoeve van de realisatie van Zonnepark Willem-Annapolder is bepaald in welke mate de aanleg en exploitatie van het zonnepark leidt tot stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattype van omliggende Natura 2000-gebieden. Uit de stikstofberekening met de AERIUS calculator volgt een depositie van maximaal 0,11 mol N per hectare per jaar gedurende de aanlegfase zonder toepassing van intern salderen.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 44

Echter is de initiatiefnemer voornemens intern salderen toep te passen. Dit betekent dat de emissie van een reeds bestaande activiteit dusdanig verlaagd moet worden dat de nieuw veroorzaakte depositie daar in zijn geheel, dus op alle betreffende locaties/hectare in alle betreffende Natura 2000-gebieden, tegen weggestreept (‘gesaldeerd’) kan worden. Hiervan is sprake, aangezien de landbouwgrond waarop het zonnepark wordt gerealiseerd, momenteel leidt tot stikstofemissie (door uitrijden van mest). Deze emissie kan worden verlaagd wanneer de landbouwfunctie stopt door realisatie van het zonnepark. Zie in het Aerius onderzoek een uitgebreidere toelichting op intern salderen (bijlage 3).

4.18.3 Conclusie Het Aerius onderzoek toont aan dat er geen gebieden zijn waar stikstofdepositie optreedt wanneer rekening wordt gehouden met intern salderen (op basis van worst-case uitgangspunten). Het effect van het project is dus in de salderingssituatie 0,00 mol/ha/jaar (netto 0).

4.19 Conclusie Kwaliteit van de leefomgeving Gelet op bovenstaande – na een uitgebreide analyse van verscheidene effecten die het projectvoornemen op de omgeving kan hebben – kan worden geconcludeerd dat de effecten beperkt zijn en of gemitigeerd kunnen worden.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 45

5 Participatie Ontwikkelaar Zeeuwind – dat namens de initiatiefnemer de ontwikkeling op zich neemt en tevens medeeigenaar is van Windpark Willem-Annapolder II BV - is een professionele coöperatie voor duurzame energie. Dankzij ruim 3.300 leden kan Zeeuwind investeren in duurzame energieprojecten zoals dit zonnepark. Met ruim 3.300 leden is Zeeuwind sinds 1987 uitgegroeid tot één van de grootste energiecoöperaties van Nederland. De leden zijn met name particulieren, maar ook alle dertien Zeeuwse gemeenten, een aantal bedrijven, verenigingen en stichtingen zijn lid. Als Zeeuwse Coöperatie voor duurzame energie heeft Zeeuwind zowel personeel als een professionele aanpak in de ontwikkeling van duurzame energieprojecten in de provincie Zeeland. In de aanpak van Zeeuwind staat het betrekken van de omgeving centraal. Hierdoor is Zeeuwind een betrouwbare en professionele partner voor de initiatiefnemers, de omgeving, de overige stakeholders en de lokale overheden. Hieronder volgt een samenvatting van het participatieplan, zie dat in bijlage 8.

5.1 Communicatie Voor een succesvolle ontwikkeling is het van belang dat de omgeving goed geïnformeerd wordt en zich goed geïnformeerd voelt. Belanghebbenden en geïnteresseerden worden tijdens de ontwikkeling, bouw en exploitatie op de hoogte gehouden van de plannen en ontwikkelingen. De boodschap is gericht op inspraak en samenwerking. Reeds zijn er nieuwsberichten verspreid via de website en nieuwsbrief van Zeewind naar alle leden en wordt een advertentie in de lokale huis-aan-huis bladen geplaatst. Gedurende het vergunningstraject wordt communicatie gecontinueerd over de stand van zaken, net als tijdens andere mijlpalen in het project. Er zal tevens een feestelijk evenement rondom de opening van het zonnepark worden georganiseerd.

5.2 Procesparticipatie met (in)direct omwonenden Het project is gelokaliseerd aan de westkant van de Willem-Annapolder. Centraal staan het drietal bewoners in de Willem-Annapolder. Het windpark en mogelijk toekomstige zonnepark zijn er te gast. De directe invloedssfeer van het zonnepark strekt, in tegenstelling tot de windturbines, niet tot buiten de polder. Dit bepaalt de omgang met de omgeving. De drie bewoners zijn reeds betrokken bij de ontwikkeling (middels keukentafelgesprekken) en de eerste aandachtspunten voor de inrichting van het zonnepark zijn bij hen opgehaald en in de plannen verwerkt. De aandachtspunten van de bewoners worden samen met de richtlijnen uit het beleid van de gemeente gebruikt om het zonnepark in te richten.

5.3 Financiële participatie en eigendom De kabel van het windpark wordt gedeeld met het zonnepark. Hierin helpt een gelijke verdeling van belangen tussen het windpark en zonnepark ervoor om zonder belangenverschillen een maximale productie te balanceren tussen het wind- en zonnepark en om in de realisatieperiode de werkzaamheden soepel en op elkaar afgestemd te laten verlopen. Om deze reden wordt de BV voor het zonnepark in lijn met de BV voor het windpark opgericht, dus met dezelfde eigendomsverhouding. De eigendomsverhouding is als volgt: •

Zeeuwind: afgerond 33,3% Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 46

•

Triodos Impact Strategies II N.V.: afgerond 33,3%

•

Dhr. Rijk (grondeigenaar en inwoner gemeente Kapelle): afgerond 33,3%

Alle leden van Zeeuwind krijgen de gelegenheid om te participeren in het zonnepark (als onderdeel van de totale projectenportfolio van Zeeuwind waar de leden gezamenlijk eigenaar van zijn). Met Zeeuwind en dhr. Rijk als mede-initiatiefnemers is in ieder geval 66,6% van het eigendom in Zeeuwse handen. Afname van de groene stroom door een ondernemer uit de gemeente Kapelle heeft de voorkeur en Zeeuwind legt zichzelf een inspanningsverplichting op om dit te realiseren. Concrete afspraken zijn in deze fase echter nog niet te maken. Daarnaast heeft Zeeuwind het initiatief Zeeuwsestroom om mogelijkerwijs de lokale stroomafname te faciliteren. Procesparticipatie wordt volgordelijk opgepakt, te beginnen met doelgroep 1. Tabel 5.1 Volgordelijke aanpak procesparticipatie

Doelgroep

Omschrijving

Participatie

1

Bewoners en grondeigenaren Willem-Annapolder

Zonnepark heeft impact op directe leefomgeving.

• • •

2

Omwonenden en bedrijven binnen 1 km

RWZI, Seasun B.V. en ca. 10 huishoudens

Informeren via gerichte communicatie

3

Inwoners gemeente Kapelle en buurgemeente

5.500 huishoudens in gemeente Kapelle en 9.800 huishoudens in de buurgemeente Borssele

Communicatie via pers/websites

Direct informeren Meebeslissen Meeprofiteren

5.4 Werkgelegenheid De initiatiefnemer is voornemens om lokale bedrijven te betrekken bij de realisatie en het beheer van het zonnepark. Vooral bedrijven uit de directe omgeving worden betrokken in de bedrijvigheid die het zonnepark creëert. De volgende werkzaamheden kunnen mogelijk uitgevoerd worden door lokale bedrijven: montage hekwerk, civiel werk, realisatie beveiliging, aanleg landschappelijke inpassingselementen, groenonderhoud.

5.5 Samenvatting De initiatiefnemer is voornemens met de participatieaanpak te zorgen voor een breed draagvlak onder belanghebbenden en de lokale bevolking. De combinatie van goede communicatie, procesparticipatie en financiële participatie moet leiden tot een project dat niet alleen bijdraagt aan de energiedoelstellingen, maar ook voordelen biedt voor de directe omgeving. Belangrijke elementen zoals keukentafelgesprekken en mogelijkheden voor lokaal eigenaarschap, versterken de betrokkenheid van de gemeenschap.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 47

6 Financiële haalbaarheid 6.1 Financiële beoordeling Het initiatief wordt volledig gefinancierd door de initiatiefnemers d.m.v. in te brengen eigen vermogen en het aantrekken van een projectfinanciering. De investeringen voor de aanleg van de zonnepanelen, toegangswegen, kabels en transformatorstations, maar ook plankosten en nadeelcompensatie, worden gedragen door de initiatiefnemer. De initiatiefnemer verdient de investeringen terug door de verkoop van de opgewekte elektriciteit. Voor de totstandkoming van dit zonnepark wordt ook een subsidie op grond van de Subsidieregeling Duurzame Energie (SDE++) aangevraagd, waarmee de zogeheten onrendabele top van de elektriciteitsproductie van dit zonnepark via een bedrag per aan het elektriciteitsnet geleverde kilowattuur wordt gecompenseerd. Met de SDE++ vult het Rijk de elektriciteitsopbrengsten voor de initiatiefnemer aan tot het basisbedrag dat nodig is om de investering terug te kunnen verdienen binnen een redelijke termijn. Er is geen reden aan te nemen dat het initiatief niet financieel niet uitvoerbaar is. Indien een zonnepark op voorhand niet uitvoerbaar blijkt, wordt deze niet opgestart of doorgezet.

Omdat van dezelfde kabel als het windpark WAP gebruik wordt gemaakt, zijn de maatschappelijke kosten lager dan bij soortgelijke projecten waarvoor een aparte aansluiting door de netbeheerder moet worden aangelegd en die (maatschappelijk) moet worden bekostigd.

6.2 Kostenverhaal Het Omgevingsbesluit (Ob) bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Kostenverhaal geldt voor de volgende aangewezen kostenverhaalplichtige activiteiten (artikel 8.13 Ob): •

De bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;

•

De bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie;

•

De uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie;

•

De bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte;

•

De verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of

•

De verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.

De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de realisatie van een zonnepark en de daarbij behorende voorzieningen. Aangezien hiermee geen sprake is van de bouw van een hoofdgebouw zoals bedoeld in artikel 8.13 lid b Ob, is kostenverhaal niet verplicht. Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 48

6.3 Nadeelcompensatie Artikel 13.3c van de Omgevingswet bevat de wettelijke grondslag om een schadevergoedingsovereenkomst aan te gaan met degene die de activiteiten verricht. Met de Omgevingswet is ook titel 4.5 van de Awb gelijktijdig in werking getreden. Met het toevoegen van titel 4.5 bevat de Awb een generieke regeling voor nadeelcompensatie. Voor het omgevingsrecht is in hoofdstuk 15 van de Omgevingswet aanvullend op de regeling in de Awb een specifieke regeling voor nadeelcompensatie bij ruimtelijke besluiten opgenomen.

Op grond van hoofdstuk 15 kan schadevergoeding in de vorm van nadeelcompensatie worden uitgekeerd als de schade het gevolg is van een rechtmatig overheidsbesluit. In artikel 15.1 van de Omgevingswet is (limitatief) opgesomd welke rechtmatige ruimtelijke besluiten mogelijk tot schade kunnen leiden. Zo kunnen bijvoorbeeld omgevingsvergunningen voor de binnenplanse- en buitenplanse omgevingsplanactiviteit, vergunningen voor een milieubelastende activiteit en maatwerkvoorschriften allemaal schade veroorzaken die voor een vergoeding in aanmerking komt.

In de regeling van nadeelcompensatie onder de Omgevingswet kan voor activiteiten waarvoor een vergunningplicht geldt, pas een verzoek om nadeelcompensatie worden gedaan bij het bevoegd gezag als die vergunning daadwerkelijk wordt verleend. Voor activiteiten waarvoor geen vergunning vereist is, geldt dat de schade ontstaat op het moment dat er een melding wordt gedaan of feitelijk wordt begonnen met het uitvoeren van de activiteit. Het moment dat de aanspraak op een vergoeding van de schade ontstaat, verschuift in veel gevallen dus van het moment van planvaststelling naar het moment dat een ontwikkeling daadwerkelijk vorm krijgt.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 49

7 Conclusie evenwichtige toedeling van functies Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet. Ook bij het verlenen van omgevingsvergunningen moet een evenwichtige toedeling van functies en een goede ruimtelijke ordening gewaarborgd worden. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er een balans bestaat tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Alle aspecten die behandeld zijn in ogenschouw nemend, is er sprake van een evenwichtige toedeling van de functie aan de beoogde locatie.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 50

8 Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan De gemeente Kapelle wordt verzocht om af te wijken van het ’Bestemmingsplan Windpark WillemAnnapolder’ om het planvoornemen planologisch mogelijk te maken. Momenteel zijn de gronden bestemd voor agrarische bedrijven en bijbehorende voorzieningen, zoals groen, sloten en watergangen, natuurvriendelijke oevers, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Echter niet voor zonneparken. De gemeente verwerkt de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) binnen 5 jaar in het omgevingsplan. Deze verplichting geldt echter pas vanaf 1 januari 2032, deze datum wordt bij Koninklijk Besluit vastgesteld in artikel 22.5 Omgevingswet.

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 51

9 Bijlagen 1. 2.

Presentatie landschappelijk inpassingsplan, OVSL Ontwerptekeningen, OVSL

3. 4.

AERIUS berekening, Pondera Quickscan Flora & fauna, Buijs Eco Consult

5. 6.

Archeologisch onderzoek, ArcheoPro Weging van het waterbelang

7. 8.

Technische tekeningen bovenaanzicht en zijaanzicht, GroenLeven Participatieplan, Zeeuwind

Onderbouwing buitenplanse omgevingsactiviteit 721094| Zonnepark Willem-Annapolder | 3.0 | 30-7-2024 Pagina 52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14523129/1