2024-32a D24.302970 2024 VGRP eindrapport (R007) R007 verbreed GRP Kapelle definitief
Tekst van het document
7.2.2
Beheer Als netbeheerder is de gemeente wettelijk verplicht (WIBON) om de liggingsdata van ondergrondse netten, waaronder ook riolering, op te slaan en beschikbaar te stellen. De opslag en beschikbaarstelling verloopt via een eigen voorziening (Obsurv). Per 1 juli 2019 zijn netbeheerders verplicht om hun data binnen een maand na aanleg aan te leveren en te ontsluiten via het speciaal daarvoor ontwikkelde IMKL2015-formaat. Voor zover beschikbaar kunnen de gegevens van de huisaansluitleiding door de bewoners bij de gemeente worden opgevraagd of digitaal ingezien. Gezien de complexiteit om alle bestaande huisaansluitingen alsnog te lokaliseren en digitaliseren kent de WIBON een overgangsrecht. Dit overgangsrecht stelt dat registratie van huisaansluitingen pas hoeft te gebeuren bij nieuwe aanleg, vervanging of renovatie. De gemeente is voornemens om de beschikbare huisaansluitschetsen in de komende planperiode te digitaliseren. Indien gemeentelijke (hoofd)riolering op particulier terrein gelegen is of komt te liggen, wordt daartoe een zakelijk recht gevestigd. Boven deze leiding mogen geen bouwwerken worden opgericht of diep wortelende bomen worden geplant.
7.2.3
Meldingen en communicatie Jaarlijks komen er verschillende meldingen van burgers binnen op uiteenlopende gebieden, zoals wateroverlast, verstopping, storing van pompen, klachten over stank, kolken of problemen met een IBA. De meldingen komen centraal binnen bij het gemeentelijk meldpunt (telefonisch, per mail of per post) of via Fixi.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-44-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
Binnengekomen meldingen worden, na beoordeling van de meldingen, gebruikt om werkzaamheden in te plannen. De nadruk ligt op het zo snel mogelijk oplossen van de klachten of storingen. Structurele klachten kunnen aanleiding zijn om een nader onderzoek in te stellen hoe deze klachten definitief opgelost kunnen worden. Bij alle vervangings- en reconstructiewerkzaamheden start de gemeente een participatietraject op. De vorm van dit traject wordt per project afgewogen met behulp van het participatiebeleid: impact bepalen (1), mate van participatie (2), tijd en vorm van communicatie (3). Communicatie vindt plaats via bijvoorbeeld een brief of mail, een informatiebijeenkomst of een werkgroep. Ook wordt de Bouwapp daar waar nodig ingezet om bewoners tijdens de werkzaamheden op de hoogte te houden. Het doel van de participatie is enerzijds informeren, maar kan anderzijds ook dienen om de burgerbetrokkenheid bij de inrichting van de eigen omgeving te vergroten en te voorkomen dat een gemeentelijk ontwerp aan het eind van het proces een tekort aan draagvlak heeft. Ook biedt deze werkwijze mogelijkheden om klimaatadaptatie mee te nemen in het ontwerp en de bewustwording over de gevolgen van de klimaatontwikkelingen bij de bewoners te vergroten. Participatie biedt tot slot de mogelijkheid om meerdere vraagstukken binnen één projectgebied integraal af te stemmen.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-45-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
7.3
Onderzoek en planvorming In het kader van een goede rioleringszorg is het belangrijk om inzicht te hebben in de kwalitatieve staat en het functioneren van het rioolstelsel. Waar nodig dient daarvoor onderzoek te worden uitgevoerd en beleidsuitgangspunten te worden vastgelegd
7.3.1
Inspectie Inspectie van de vrijverval riolering en van de gemalen is noodzakelijk om inzicht te hebben in welke kwalitatieve staat de voorzieningen verkeren. Dit is een belangrijk onderdeel, omdat hiermee bepaald wordt of nog voldaan wordt aan de minimaal gestelde eisen voor de betreffende voorziening. De gemeente Kapelle is voornemens om in deze planperiode haar riolering te inspecteren met een frequentie van eenmaal per 8 jaar te inspecteren. Dit is gekoppeld aan de reinigingsronde. Het streven is om zoveel als mogelijk aaneengesloten gebieden (kernen of wijken in kernen als geheel) te reinigen en te inspecteren. Er is ruimte voor nader onderzoek als de inspectieresultaten of calamiteiten daar aanleiding toe geven. Deze werkzaamheden zijn samen met de gemeente Goes aanbesteed. Voor de inspectiewerkzaamheden is in het verleden een langjarig plan uitgewerkt op basis waarvan in de afgelopen jaren de inspecties zijn uitgevoerd. Dit plan heeft als leidraad gediend in de afgelopen planperiode. Het doel was primair om planmatig te inspecteren met een vaste frequentie, maar daarnaast ook om een actueel beeld van de kwaliteit van de riolering te verkrijgen, zodat in een later stadium gericht (en eventueel verder gedifferentieerd) riolering kan worden geïnspecteerd op basis van specifieke kennisvragen.
Voor de interpretatie van de inspectieresultaten wordt gebruik gemaakt van de NEN-EN 13508-2, inspectie en toestandsbeoordeling van riolen. Aan de hand hiervan worden per type schade waarschuwings- en ingrijpmaatstaven opgenomen. Op basis hiervan wordt extra aandacht aan de betreffende streng gegeven en kunnen maatregelen afgewogen worden. De hoofdgemalen, drukrioleringsgemalen en de pompinstallatie van de randvoorzieningen worden door een externe partij eenmaal per jaar of twee jaar geïnspecteerd. Op basis van de inspectieresultaten wordt jaarlijks een rapportage opgesteld met een beschrijving van de staat van de gemalen en een voorstel voor reparatie of vervangingswerkzaamheden. Periodiek worden alle gemalen gecontroleerd conform NEN 3140 (elektrisch). De herhalingstijd is afhankelijk van de geconstateerde toestand. Dit volgt uit de samenwerking met alle Bevelandse gemeenten en Tholen voor het ‘reinigen, preventief en correctief onderhoud pompinstallaties’ (2020).
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-46-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
7.3.2
Berekeningen Het functioneren van het rioleringssysteem kan worden beoordeeld met behulp van modelberekeningen. Van alle kernen binnen de gemeente zijn rioleringsberekeningen uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in basisrioleringsplannen (BRP, periode 2015-2017). Het BRP geeft inzicht in het functioneren van de riolering en biedt oplossingen om dit functioneren waar nodig te verbeteren. De geformuleerde maatregelen uit het BRP zijn gericht op zowel het verminderen van de vuilemissie (indien nodig) als op het verbeteren van het hydraulisch functioneren, maar bevatten soms ook structuurverbeteringen in het rioolstelsel of aanpassingen aan rioolgemalen. Bij de maatregelen wordt bewust een doorkijk gemaakt met intensievere neerslagsituaties in het kader van de klimaatontwikkelingen. De geformuleerde maatregelen uit de vigerende BRP’s zijn, voor zover zij nog niet al zijn uitgevoerd, opgenomen in de vervangingsplanning van het verbreed GRP. Waar mogelijk worden de maatregelen gekoppeld aan reeds geplande vervangingswerkzaamheden of aan andere projecten, zoals herstraatwerkzaamheden, duurzaamheidsmaatregelen of reconstructies. De maatregelen worden ook afgestemd met het waterschap in het kader van de samenhang met het transportsysteem en het watersysteem.
In de komende planperiode wordt bezien in hoeverre de huidige BRP’s aan vervanging toe zijn en of actualisatie noodzakelijk is.
7.3.3
Meten en monitoren Meten en monitoren in het rioleringssysteem is een belangrijke onderzoeksactiviteit met een hoge kenniscomponent. Door te meten wordt meer kennis verkregen over het daadwerkelijk functioneren van de riolering. Deze kennis over het functioneren van de riolering vertaalt zich op de lange termijn in kwaliteitsverbetering, beter inzicht, doelmatiger beheer, vermindering van emissies naar het oppervlaktewater en uiteindelijk ook besparingen. In de riolering zelf wordt beperkt gemeten (randvoorzieningen). De hoofdgemalen worden verder continu gemonitord op hun werking met behulp van de gemaalbeheersoftware van Aquaview++. Het is van belang de meetresultaten te interpreteren en mee te nemen bij het formuleren van beheermaatregelen. Om tijdig te kunnen anticiperen op storingen en ontwikkelingen is het wenselijk niet alleen inzicht te hebben in de eigen gemeentelijke rioolgemalen, maar ook in de rioolgemalen van waterschap Scheldestromen. Vanuit de samenwerking is er daarom een koppeling tussen de SCADA-systemen van het waterschap en van de gemeente gemaakt. Op termijn is een gezamenlijke aansturing van de gemalen de opzet. Daarmee kan het functioneren van zowel de riolering als de rioolwaterzuivering verbeterd worden.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-47-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
7.4
Vervangingsplanning De vervangingsplanning is een dynamisch document dat, indien nodig, ieder jaar wordt bijgesteld aan de hand van de jaarlijkse inspectieresultaten van delen van de riolering binnen de gemeente en op basis van ontwikkelingen vanuit de ruimtelijke ordening.
7.4.1
Afweging maatregelen en afstemming Om te komen tot een integraal maatregelenpakket, waar rioolvervanging onderdeel van uit maakt, wordt rekening gehouden met diverse aspecten. De kwaliteit van de rioolleidingen, het functioneren van het stelsel, risico-inschatting als het riool instort of anderszins faalt en tenslotte de leeftijd van het riolering zijn factoren die benut worden om tot een maatregelkeuze te komen. Wat daarnaast een belangrijk aspect is in deze, is de volgordelijkheid van maatregelen. Het is van belang te bouwen aan een hoofdstructuur voor een goede afvoer van afval- en hemelwater. Het prioriteren van maatregelen om aan te sluiten binnen deze hoofdstructuur kan daarin noodzakelijk zijn. Tenslotte zal gedurende de planperiode overwogen worden of de resultaten van het Riobase-onderzoek van de HZ en SAZ+ (assetmanagement) geïmplementeerd kunnen worden in de afweging van maatregelen. Aan de hand van de mogelijke rioleringsmaatregelen vindt afstemming plaats met andere werkzaamheden binnen de openbare ruimte, zowel intern als extern (onder andere nutsbedrijven). De interne afstemming met andere disciplines (groen, wegen, ruimtelijke ordening) is van essentieel belang om kosten te besparen en overlast voor burgers zoveel mogelijk te voorkomen.
Daar hoort ook een eenduidige verdeling van kosten tussen de verschillende disciplines bij, evenals een verdeling van de kosten voor beheeraspecten en voor het project zelf. Het is belangrijk dat de motivatie voor beleidskeuzes binnen projecten voor alle betrokken disciplines helder zijn, zodat deze ook gehandhaafd kunnen worden gedurende het gehele project, van planvorming tot en met de uitvoering. Ook de afstemming met de externe partners, zoals de nutsbedrijven, is van belang. Extern wordt voor de langere termijn plannen gebruik gemaakt van AZON (Afstemming Zeeuwse Overheden en Nuts-bedrijven). Gezien de lange voorbereidingstijd bij de nutsbedrijven dienen plannen al vroegtijdig te worden ingebracht. De resultaten van de interne en externe afstemming leiden tot een integraal maatregelenplan voor de openbare ruimte. Een belangrijk aandachtspunt zijn de grondstromen en de bijbehorende kosten die met uitvoeringsmaatregelen en projecten gemoeid gaan. Voor de komende planperiode dient er in de afweging van maatregelen bewust rekening te worden gehouden met de steeds beperktere mogelijkheden en toenemende kosten voor het afvoeren van overtollige grond. Het meest doelmatig en milieutechnisch verantwoord is het hergebruiken van grond binnen de uitbreidingsplannen.
Tot slot wordt voor het opstellen van een integraal maatregelenplan voor de openbare ruimte uitgegaan van een wijk- of kerngerichte aanpak. Door voor grotere, maar
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-48-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
afgebakende gebieden een integraal maatregelenplan op te stellen, ontstaat meer armslag en daarmee ruimte om potentiële kansen vanuit verschillende disciplines te verzilveren. Al met al is het de insteek dat het afwegingsproces rondom maatregelen zo integraal mogelijk wordt uitgevoerd. Het proces wordt daarbij zoveel mogelijk gestructureerd, zodat het voor alle projecten eenduidig en op dezelfde manier doorlopen wordt. Daarmee wordt het proces organisatie-breed nog beter herkenbaar.
7.4.2
Renovatie of vervanging Bij renovatie en vervanging van de riolering wordt onderscheid gemaakt in levensduur verlengende maatregelen (renovatie) of het volledig nieuw aanleggen van de voorzieningen (vervanging). Renovatie houdt in veel gevallen in dat een leiding en/of inspectieput wordt bekleed met een kunststof bekleding (zogenaamde relining) die beschadigde of lekke riolen hersteld. De keuze voor renovatie of vervanging is afhankelijk van de karakteristieken van een object en de aard van de schade, maar zeker ook van omgevingsfactoren zoals ligging van de leidingen (weg of tuin), karakter van de weg (druk of rustig), diepteligging, kwaliteit huisaansluitingen (gres) en mogelijke combinatie met andere werkzaamheden (bijvoorbeeld herinrichting of afkoppelen). Technische voorwaarden voor relining zijn onder meer zijn dat er een kous (coating) aangebracht moet kunnen worden in de leiding en dat er geen onacceptabele verzakkingen of tegenschot in de rioolstreng aanwezig zijn. Daarnaast is een belangrijke randvoorwaarde voor relinen dat de afmeting van de leiding hydraulisch voldoende is en geen opstuwing veroorzaakt en er dus geen diameteraanpassing moet plaatsvinden. Door relining wordt zowel de instroom van grondwater naar de riolering (rioolvreemd water) als de uitstroom van afvalwater (risico op vervuiling grondwater) voorkomen.
De instroom van grondwater heeft een negatief effect op het functioneren van de rioolwaterzuivering. Wel dient rekening te worden gehouden met het drainerend effect van oude, lekke rioolleidingen.
7.4.3
Afkoppelen Een belangrijke duurzame maatregel om de vuilemissie uit de gemengde riolering terug te dringen, de doelmatigheid van de afvalwaterketen te vergroten en de kans op wateroverlast te verkleinen, is het afkoppelen van verhard oppervlak. Het primaire doel van afkoppelen is het ontvlechten van afvalwater en (schoon) hemelwater. Afkoppeloplossingen worden gevonden in oppervlakkige afstroming, wadi’s of, waar mogelijk, infiltratie, maar ook in (regenwater)leidingen. Ook het terugdringen of beperken van de hoeveelheid verharding speelt bij afkoppelen een rol. In geval van het realiseren van
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-49-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
nieuwe voorzieningen bij bestaande bebouwing wordt gezocht naar participatie van burgers. Afkoppelen maakt deel uit van het rioleringsbeleid van de gemeente. Daarbij wordt er naar gestreefd om structureel afkoppelkansen te signaleren en te verzilveren, bijvoorbeeld op locaties waar kan worden meegelift met andere werkzaamheden zoals rioolvervanging, herstraatwerkzaamheden of herbouwprojecten in bestaand gebied. Bij afkoppelwerkzaamheden is te allen tijde afstemming met het waterschap noodzakelijk in verband met de capaciteit van het ontvangende oppervlaktewater. Het afkoppelen geschiedt zorgvuldig, met aandacht voor risico’s ten aanzien van de waterkwaliteit en aandacht voor beheer- en onderhoudsaspecten, met name in bestaande gebieden. Ook wordt gewaakt voor kapitaalvernietiging. Dit alles heeft tot doel om te komen tot robuuste en flexibele rioolstelsels die de klimatologische ontwikkelingen aankunnen. Afkoppelen (zowel bovengronds als ondergronds) is geen doel op zich, maar wordt als potentiële maatregel overwogen in relatie tot de meest actuele inzichten in kosten, beheer en onderhoud, effecten op wateroverlast en vuilemissie, en dergelijke. Iedere keer wordt daarvoor een doelmatigheidsafweging gemaakt, waar deze aspecten bij worden betrokken.
Bij elk project zal, afhankelijk van de mogelijkheden van een gebied, een keuze gemaakt worden voor ondergronds dan wel bovengronds afkoppelen. Burgers zullen, indien van toepassing, actief betrokken worden bij het afkoppelen en opvangen van regenwater op eigen terrein. Het vervangen van verharding door groen op eigen terrein kan bijdragen aan een lagere belasting van het rioolstelsel, het vergroten van de biodiversiteit, het verminderen van het risico van verdroging, het aanvullen van het zoete grondwater en het verlagen van de hittestress in bebouwd gebied. Ook geldt, dat naarmate er minder regenwater afvloeit naar het gemengde stelsel, het risico van verdund afvalwater op straat met risico’s voor de gezondheid van de bewoners kleiner wordt. Indien blijkt dat (onbedoeld) regenwater op de drukriolering zit en voor overlast zorgt, zal onderzocht worden waar de foutaansluitingen vandaan komen en worden de eigenaren verplicht om deze foutaansluitingen van de drukriolering af te halen.
7.4.4
Uitgangspunten vervanging Vervanging van riolen of gemalen vindt in hoofdzaak plaats op basis van de kwalitatieve staat. De ouderdom speelt een ondergeschikte rol. De staat en de functie van de bovenliggende weg daarentegen zijn wel belangrijk in de afweging. Afstemming van het wegbeheer en het rioolbeheer is essentieel om de lastendruk en de maatschappelijke overlast van de burgers zo laag mogelijk te houden. Ook de aanpak van wateroverlast-locaties en klimaatadaptieve maatregelen speelt steeds meer een rol.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-50-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
Bij rioolvervangingsprojecten of wegreconstructies worden de huisaansluitingen in de openbare ruimte ook vervangen (tot aan de erfgrens, in overleg met de eigenaren). De huiseigenaren zullen geadviseerd worden om indien nodig ook hun huisaansluitleiding op eigen terrein te vervangen. Het uitgangspunt van de gemeente Kapelle is primair het relinen van kwalitatief slechte riolering (renovatie), tenzij uit oogpunt van andere redenen (technisch, klimaatadaptatie, financieel, et cetera) vervanging aantrekkelijker is. Voor de gemiddelde levensduur van de kapitaalvoorzieningen wordt uitgegaan van de onderstaande gegevens. De praktijkervaringen bij vervanging van riolering en gemalen binnen de gemeente Kapelle bevestigen de waarde van deze uitgangspunten. • • • • • •
Vrijverval riolering (beton) Vrijverval riolering (pvc) Vrijverval riolering (gerenoveerd) Gemalen en randvoorzieningen, bouwkundig Rioolgemalen en drukrioleringsunits, mechanisch/elektrisch Persleidingen
60 jaar 60 jaar 50 jaar 40 jaar 15 jaar 60 jaar
De hoeveelheid verloren berging in het rioolstelsel van de gemeente Kapelle is acceptabel. Bij rioolvervanging wordt gestreefd naar het opheffen van verloren berging. Voor het opheffen van verloren berging zijn geen extra financiële middelen gereserveerd.
Concretisering vervangingsplanning Ten behoeve van het inzicht in de kosten en kostendekking is een langjarige vervangingsplanning opgesteld. Daarbij is uitgegaan van de gemiddeld langste levensduur van onderdelen van het rioleringssysteem. Deze bedraagt 60 jaar. Figuur 7.3: langjarige vervangingsplanning op basis van leeftijd (in meters) 10000 9000 8000 7000 6000 5000 4000 3000 2000 1000 0
2023 2025 2027 2029 2031 2033 2035 2037 2039 2041 2043 2045 2047 2049 2051 2053 2055 2057 2059 2061 2063 2065 2067 2069 2071 2073 2075 2077 2079 2081
7.4.5
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-51-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
De eerste 5 jaar van deze planning, overeenkomend met de planperiode, is gebaseerd op concrete keuzes om maatregelen uit te voeren, onder meer gebaseerd op de inspectieresultaten en rioleringsberekeningen. De resterende planning is gebaseerd op leeftijd. Maatregelen in het kader van klimaatadaptatie zijn integraal opgenomen in deze planning. Afhankelijk van de resultaten van de rioolinspecties, nieuwe inzichten of politieke sturing kan de planning aangepast worden. Primair wordt uitgegaan van het wegwerken van ernstige schadebeelden en het vervangen van leidingen aan het einde van hun levensduur. Op deze manier worden de kwalitatief minst goede leidingen het eerste vervangen of gerenoveerd. Daarmee is de inzet van de financiële middelen zo effectief mogelijk. De geconcretiseerde meerjarenplanning voor de periode 2023-2028 voor maatregelen aan de riolering is opgenomen op de volgende pagina. De gemiddelde vervangingskosten op jaarbasis zijn hoger dan in de voorgaande planperiode. De belangrijkste redenen hiervoor zijn de gestegen eenheidsprijzen (onder andere materiaal) als gevolg van inflatie over de afgelopen jaren. Deze eenheidsprijzen zijn gebaseerd op ervaringen in de regio en recent uitgevoerde projecten binnen de gemeente Kapelle.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-52-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
Tabel 7.1: meerjarenplanning rioolvervanging
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-53-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
7.5
Riolering buitengebied Binnen de gemeente zijn per 1 april 2023 nog 61 niet gerioleerde panden aanwezig die afvalwater lozen. Voor deze panden heeft de gemeente een ontheffing van de zorgplicht voor het inzamelen en transporteren van het afvalwater gekregen van de Provincie Zeeland. Deze ontheffing is geldig voor onbepaalde tijd. Met het in werking treden van de Omgevingswet zal de gemeente zelf moeten bepalen of deze 61 panden onder een gemeentelijke ontheffing komen te vallen en aan welke eisen de eigenaren op termijn moeten voldoen.
7.5.1
Regeling buitengebied Per 1 januari 2008 zijn er wettelijke regelingen van kracht voor lozingen in het buitengebied en zijn er eisen gesteld aan de septic tank waar veel huishoudens in het buitengebied gebruik van maken. Deze wettelijke regelingen zijn binnen de provincie Zeeland vertaald naar afspraken die aangeven hoe om te gaan met bestaande en nieuwe ongerioleerde huishoudelijke lozingen: beleid lozingen buitengebied (SAZ+). Hierin staat dat nieuwe lozingen direct moeten gaan voldoen aan de nieuwe eisen, bestaande lozingen krijgen nog tot 2027 de tijd om hier aan te voldoen. Deze eisen houden in, dat iedere ongerioleerde lozing moet zijn voorzien van een zuiveringsvoorziening. Deze zuiveringsvoorziening is minimaal een verbeterde septic tank (IBA klasse 1, minimale inhoud 6 m3) conform de eisen van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dat betekent, dat voor 2027 alle kleine septic tanks door de perceeleigenaar vervangen moeten zijn door een nieuwe voorziening. In deze planperiode zullen alle eigenaren die nog niet aan de wettelijke eisen voldoen worden aangeschreven om voor 1 januari 2027 de noodzakelijke aanpassingen uit te voeren. Dit gebeurt voor de gehele provincie vanuit de regionale samenwerking (SAZ+) Voor bestaande lozingen in het buitengebied is verder in het Zeeuwse ‘beleid lozingen buitengebied’ opgenomen dat bestaande drukriolering gehandhaafd blijft.
Hier kan alleen van worden afgeweken als nieuwe ontwikkelingen hebben aangetoond dat deze een beter milieurendement hebben of lagere maatschappelijke kosten opleveren bij minimaal een zelfde milieurendement. Dat geldt ook voor andere lokale zuiveringsvoorzieningen die niet bij de particuliere eigenaar in beheer en onderhoud zijn.
7.5.2
Smalle zorgplicht De gemeente Kapelle kiest met dit verbreed GRP voor het hanteren van de zogenaamde smalle zorgplicht voor niet gerioleerde panden in het buitengebied. Dat betekent, dat de particulier verantwoordelijk is voor de aanleg en het beheer en onderhoud van de
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-54-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
zuiveringsvoorziening op het eigen perceel. De particulier is eigenaar van deze voorziening en betaalt geen rioolheffing. De keuze hiervoor is het voortzetten van bestaand beleid en wordt in belangrijke mate ingegeven door het afwegen van de maatschappelijke kosten en het (milieu)rendement. De kosten voor aansluiten van alle panden in het buitengebied zijn relatief hoog, evenals de kosten voor het beheer en onderhoud van deze voorzieningen. Alle rendabel aan te sluiten panden zijn reeds in de saneringsoperatie in de periode 2000-2005 aangesloten (verfijningsregeling). Daarnaast hebben de meeste inwoners in het buitengebied geen behoefte aan verandering van de huidige situatie waarin zij zelf zorg dragen voor de aanleg en het beheer en onderhoud van de zuiveringsvoorziening op hun eigen perceel. Het rendement in de zin van invulling van een maatschappelijke behoefte is beperkt evenals het milieurendement. Bij uitbreiding van het gemeentelijk rioolstelsel, waarbij woningen in het buitengebied met een septic tank eenvoudig aan te sluiten zijn op het stelsel, wordt een overgangstermijn gehanteerd om alsnog aan te sluiten of maakt de gemeente een financiële afweging over het mogelijk alsnog aansluiten van deze panden.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-55-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
7.6
Nieuw te realiseren bebouwing
7.6.1
Algemeen Voor nieuwe (particuliere) bouwwerken in bestaand gebied geldt het beleid dat het huishoudelijk afvalwater en het hemelwater gescheiden moeten worden aangeboden conform het Bouwbesluit 2012. Op die manier kunnen deze huisaansluitingen eenvoudig worden opgepakt bij toekomstige afkoppelwerkzaamheden. Riolering dient te voldoen aan de eisen conform de NEN 3215 (Gebouwriolering en buitenriolering binnen de perceelgrenzen) en de NTR 3216 (Riolering van bouwwerken). Alle nieuw te realiseren bebouwing binnen de gemeente wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering, op drukriolering of via een alternatieve voorziening die voldoet aan de eisen van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (conform het beleid lozingen buitengebied, SAZ+). Dit wordt afgedwongen door ongezuiverde lozingen op oppervlaktewater en in de bodem niet toe te laten. Bij de omgevingsvergunning wordt melding gemaakt van de verplichting aan te sluiten op de riolering. Binnen de bebouwde kom of daar waar binnen 40 meter een gemeentelijk riool aanwezig is, dient verplicht te worden aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Dit afstandscriterium geldt vanaf de perceelsgrens (voorheen vanaf de woning). Voor nieuwbouw gold dit criterium altijd al vanaf de perceelsgrens.
Bij nieuwbouw zal het hemelwater gescheiden worden afgevoerd en infiltreren in de bodem of rechtstreeks afstromen naar het oppervlaktewater. Indien infiltratie mogelijk is, geldt dat als uitgangspunt. Indien het hemelwater wordt afgevoerd, vindt dit in principe oppervlakkig plaats of, wanneer dat niet mogelijk is, met behulp van regenwaterriolering. Belasting van de riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie met schoon water wordt daarmee beperkt. Ook worden aspecten als droogte, veilige bouwhoogte en drooglegging beschouwd.
7.6.2
Incidentele nieuwbouw in landelijk gebied Bij incidentele nieuwbouw in het landelijk gebied op locaties waar geen riolering aanwezig is binnen een straal van 40 meter vanaf de perceelsgrens en waarin de planperiode van dit verbreed GRP geen riolering zal worden aangelegd, vindt in eerste instantie de toetsing plaats of er wel of niet invulling gegeven zal worden aan de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater. Indien dat niet het geval is, zal in de omgevingsvergunning worden opgenomen dat het vrijkomende afvalwater niet ongezuiverd op oppervlaktewater of in de bodem mag worden geloosd. Iedere nieuwe lozing dient te voldoen aan de eisen conform het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De gemeente zal bij bouwaanvragen voor deze nieuwbouw een melding doen aan de waterkwaliteitsbeheerder (waterschap Scheldestromen) en de betrokkenen naar haar doorverwijzen. In geval van bodemlozingen ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-56-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
7.6.3
Bedrijfsmatige nieuwbouw In het geval van nieuwe bedrijfsmatige lozingen (en ook bij bestaande lozingen) is de aard en de omvang van de lozing bepalend voor de wijze van lozen. Er wordt bepaald of een lozing al dan niet op de riolering dient plaats te vinden of, indien dit niet doelmatig blijkt te zijn, welke vorm van lozen dan wordt toegestaan. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met het waterschap die als waterkwaliteitsbeheerder daar een belangrijke rol in speelt. Een initiatiefnemer dient op voorhand hierover contact op te nemen met de gemeente, de eventuele kosten voor aanvullende voorwaarden en/of voorzieningen komen geheel ten laste van de initiatiefnemer. Ongemengd bedrijfsafvalwater is in veel gevallen geen stedelijk afvalwater. Hiervoor geldt derhalve geen automatische zorgplicht voor inzameling en transport door de gemeente. De gemeente heeft het recht om bestaande en nieuwe aansluitingen van bedrijven te weigeren. Dit geldt zeker als dit afvalwater niet gezuiverd kan worden op de RWZI.
7.6.4
Projectmatige nieuwbouw Bij projectmatige nieuwbouw worden de voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en hemelwater (bijvoorbeeld uitleggers naar de hoofdriolering) en eventueel voor grondwater aangelegd bij het bouwrijpmaken van de locatie. De kosten hiervoor worden opgenomen in de exploitatieopzet en verrekend met de grondeigenaar en/of ontwikkelaar. Dit kan bijvoorbeeld via een anterieure overeenkomst, maar ook via de aanvraag van een nieuwe rioolaansluiting. Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden toekomstbestendig uitgevoerd, waarbij het scheiden van afvalwater en hemelwater (ontvlechten) de norm is. Verhard oppervlak wordt volledig afgekoppeld en waar mogelijk dient regenwater op eigen terrein te worden gebufferd. Afhankelijk van de karakteristieken van het gebied wordt een keuze gemaakt tussen bovengronds of ondergronds verwerken van regenwater. In een rioleringsplan (of waterparagraaf) zal worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding en aan welke eisen moet worden voldaan. Het hemelwater dat niet aan deze criteria voldoet, wordt ingezameld en afgevoerd naar de RWZI. Voor de aanleg van de voorzieningen wordt een (riool)ontwerp gemaakt volgens de dan geldende eisen, waarbij de insteek is om een klimaatbestendige openbare ruimte te realiseren en regenwater zoveel mogelijk ter plaatse te verwerken.
Er worden rioleringsberekeningen uitgevoerd en er wordt een risicoafweging gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met verschillende klimaatontwikkelingen (kort hevig nat, langdurig nat, langdurig droog en hittestress). Er wordt tijdig overleg gevoerd met de waterbeheerder (kwantiteit en kwaliteit). In verband met de voorkeur om regenwater op particuliere terreinen op te vangen, is het belangrijk dat dit ook fysiek mogelijk wordt gemaakt. Bij de bouwwerkzaamheden slaat de grond in de (achter)tuinen vaak dicht, doordat er met zwaar materieel over de bouwlocatie
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-57-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
wordt gereden. Dit kan leiden tot klachten (richting de gemeente) op het moment dat bewoners intrek nemen in hun nieuwe woning, vaak in de vorm van het melden van een te hoge grondwaterstand. De oorzaak is echter niet de hoge grondwaterstand, maar zogenaamde ‘verkneding’ van de bodem. Op de lagere kleilaag blijft water staan en er ontstaat een zogenaamde ‘schijn-grondwaterspiegel’. Om dit te voorkomen, kan de ontwikkelaar worden verplicht om het perceel ‘diep te spitten’ nadat het is opgehoogd. Ter voorkoming van foutieve aansluitingen worden bij gescheiden rioolstelsels buizen in twee verschillende kleuren toegepast. Voor vuilwaterriolering is dit roodbruin, voor regenwaterleidingen is de kleur middelgrijs. Daarnaast wordt voor infltratieriolering (ITriool) de kleur groen voorgeschreven. Het verplicht gebruiken van deze kleuren wordt ook in de omgevingsvergunning opgenomen.
7.6.5
Watertoets Voor alle ruimtelijke plannen moet een watertoets worden uitgevoerd. In deze watertoets wordt aangegeven hoe in het betreffende plan met water wordt omgegaan. Aspecten als oppervlaktewater, grondwater, hemelwater, afvalwater, waterkwaliteit en -kwantiteit, omgevingsfactoren en waterberging komen hierin aan de orde. Met de watertoets wordt de waterbeheerder tijdig betrokken in het ontwerpproces. Het streven is om vanuit de watertoets in de nabije toekomst te gaan komen tot een klimaattoets, waarbij ook de aspecten droogte en hitte worden betrokken. In de openbare ruimte is de zoektocht naar een evenwicht tussen blauw, groen en steen essentieel om de klimaatontwikkelingen het hoofd te bieden. Voldoende ruimte tussen vloerpeil en het niveau van de openbare ruimte zorgt er voor dat water op straat niet direct tot schade aan de woningen leidt. Doorgaande wegen in het plan moeten in principe altijd beschikbaar zijn voor de hulpdiensten. In geval van nieuwe bebouwing dient de toename aan verhard oppervlak te worden gecompenseerd met waterberging op eigen terrein.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-58-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
7.7
Overige aspecten
7.7.1
Vermindering rioolvreemd water Binnen de SAZ+ is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid en de effecten van rioolvreemd water. Rioolvreemd water kan bijvoorbeeld bestaan uit lekwater bij hogere grondwaterstanden, instromend oppervlaktewater (instroom van water), regenwater op drukriolering, water vanuit drainage of afgebroken huisaansluitleidingen. Afvalwateraansluitingen op hemelwaterriolering vallen ook onder rioolvreemd water en hebben grote invloed op de waterkwaliteit. Rioolvreemd water heeft in het algemeen een kostenverhogend effect op het transporteren en zuiveren van afvalwater en veroorzaakt een wezenlijk verhoogde emissie van nutriënten en gevaarlijke stoffen. Voor het opsporen van rioolvreemd water kan onder meer gebruik worden gemaakt van de meetgegevens van waterschapsgemalen en gemeentelijke rioolgemalen. Voor de gemeente zijn de afgelopen jaren gegevens geïnventariseerd van gemalen, rwzi’s, waterpeilen en neerslag. Dit geeft niet direct aanleiding tot verder onderzoek of het nemen van maatregelen. Lekke riolering wordt bij vervangingsopgaven pas vervangen. Het is niet doelmatig om alleen voor het bestrijden van rioolvreemd water het riool te vervangen. Figuur 6.3: effecten rioolvreemd water (bron: SAZ+ rapportage ‘aanpak rioolvreemd water’, 2016)
Bij de bepaling van de maatregelen om rioolvreemd water terug te dringen, wordt een integrale afweging gemaakt, waarbij de hoeveelheid rioolvreemd water, de oorsprong van het water, de staat van de riolering, de mogelijkheid om het probleem op te lossen en de afstemming met overige vakdisciplines een rol speelt. De kosten die gemaakt worden om de waterdichtheid van het riool te waarborgen, maken in principe deel uit van de kosten van onderhoud en vervanging van het rioolstelsel. Regenwater op de drukriolering wordt alleen aangepakt als dit een knelpunt oplevert voor de afvoer van het afvalwater. Een kleine hoeveelheid regenwater op de drukriolering kan bijdragen in het voorkomen van aantasting van de ontvangende riolering. Geconstateerde afvalwaterlozingen op regenwaterriolering worden direct/hetzelfde jaar nog overgezet naar vuilwater- of gemengde riolering. De invloed van puur afvalwater op het oppervlaktewater is dermate groot dat dit niet lang kan worden gedoogd.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-59-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
7.7.2
Diffuse bronnen Een aantal stoffen dat diffuus in het rioolwater terechtkomt, vormt een belasting voor het milieu. Te denken valt hierbij aan zink uit dakgoten, koper uit waterleidingen of minerale olie uit motoren. Er wordt naar gestreefd de emissie van deze stoffen te voorkomen. De gemeente volgt hierin het landelijk beleid, dat is vastgelegd in het beleid Duurzaam Bouwen (DuBo) met regelgeving voor duurzaam (ver)bouwen in het Bouwbesluit 2012.
7.7.3
Duurzaamheid Ook binnen de rioleringszorg wil de gemeente invulling geven aan duurzaamheid. Duurzaamheid betekent ‘ontwikkelingen uitvoeren die aansluiten op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen’. Vanuit de gemeentelijke watertaken is er relatie te leggen met thema’s op dit gebied zoals klimaatadaptatie, energietransitie en versterking van de biodiversiteit. Concreet betekent duurzaam omgaan met water bijvoorbeeld dat oplossingen binnen de hemelwaterzorgplicht steeds vaker gezocht worden in meer natuurlijke voorzieningen zoals waterlopen en waterpartijen. Ondergrondse constructies worden waar mogelijk vervangen door bovengrondse oplossingen in de openbare ruimte. Hiermee wordt ingespeeld op klimaatverandering met steeds hevigere neerslagsituaties. Onderhoud van deze nieuwe bovengrondse voorzieningen dient in de komende jaren specifiek aandacht te krijgen. Duurzame rioleringszorg draagt bij aan een duurzame bescherming van volksgezondheid, maar ook aan de instandhouding van natuur en milieu en waterkwaliteit. Naast het zoeken naar duurzame oplossingen geeft de gemeente invulling aan het streven naar duurzaamheid door gebruik te maken van duurzame producten als hergebruikt pvc en pompen met een laag energieverbruik (in geval van vervanging van de bestaande pompen).
Hiermee wordt invulling gegeven aan aspecten als het hergebruik van materiaal, laag energieverbruik, circulaire economie en biobased materiaalgebruik. Binnen de gemeentelijke rioleringszorg worden nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid gevolgd, bijvoorbeeld terugwinning van grondstoffen. Dit gebeurt in SAZ+verband. Indien zich kansen voordoen, wordt bezien of er nuttige toepassingen zijn binnen de gemeente Kapelle en worden deze verzilverd. Dit is echter op ad-hoc basis.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-60-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
8
Beleid grondwater In de Omgevingswet is de gemeentelijke zorgplicht voor grondwater verwoord. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de werkzaamheden die in de komende planperiode in het kader van de grondwaterzorgplicht zullen worden uitgevoerd. Tevens wordt het kader geschetst, waarbinnen deze maatregelen worden uitgevoerd. Vanwege klimaatverandering nemen zowel droge als natte perioden toe in frequentie, waardoor grondwateroverlast en/of -onderlast vaker optreden. Dit betekent dat de gemeente vaker te maken zal krijgen met meldingen van burgers en bedrijven ten aanzien van grondwaterklachten. Onder meer om bij klachten juist te kunnen handelen, is het van belang dat de gemeente hiervoor beleid beschikbaar heeft, zodat het voor burgers en gemeenten duidelijk is wat men van elkaar mag verwachten. Het gemeentelijk grondwaterbeleid bevat onder meer de concretisering van de grondwaterzorgplicht voor het beheergebied van de gemeente, maar beschrijft nog meer aspecten.
8.1
Grondwaterzorgplicht De gemeentelijke grondwaterzorgplicht is verankerd in de Omgevingswet (artikel 2.16, lid 1, onder a, onder 2°). Daarin staat: De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het treffen van maatregelen in het openbaar gemeentelijke gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de op grond van deze wet aan de fysieke leefomgeving toegedeelde functies zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de taak van een waterschap, een provincie of het Rijk behoort.
De gemeente is daarmee formeel verantwoordelijk voor de uitvoering van het grondwaterbeheer in het stedelijk gebied voor zover dat binnen de kaders van de Omgevingswet is bedoeld. Het verbreed GRP is de plaats waar zij haar beleid ten aanzien van de invulling van de grondwaterzorgplicht verwoordt. Uit hoofde van deze zorgplicht dienen gemeenten, binnen de grenzen van doelmatigheid, maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand te beperken of te voorkomen. Hierbij richt de zorgplicht zich met name op maatregelen van waterhuishoudkundige aard in de openbare ruimte van de gemeente. In het geval dat de maatregelen bestaan uit het aanleggen van (ontwaterings)voorzieningen, valt daar ook het beheer van deze voorzieningen onder. De gemeente heeft nadrukkelijk niet de plicht de grondwaterstand op een (vooraf) vastgesteld peil te houden. Het grondwaterpeil staat onder invloed van zoveel factoren en reageert dermate onafhankelijk, dat het vasthouden van het peil niet tot de mogelijkheden behoort. Een overzicht van de verantwoordelijkheden op het gebied van grondwater is opgenomen in de navolgende figuur.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-61-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
Figuur 8.1: verantwoordelijkheden grondwater
Een van de aspecten waarin de grondwaterzorgplicht van de gemeente zichtbaar wordt, is het functioneren van het waterloket (de regisseursrol van de gemeente). Het waterloket is de plaats waar burgers meldingen en klachten over grondwater doorgeven. Het waterloket is vervolgens de aanjager voor het zoeken naar oplossingen van grondwaterproblemen, maar is niet per definitie de plaats waar de oplossingen worden geformuleerd. Hiertoe kunnen ook andere partijen worden ingeschakeld. Het grondwaterloket draagt wel zorg voor de communicatie daarvan naar de burger toe. Daarvoor is in ieder geval een contactpersonenlijst beschikbaar die bekend is bij het klantcontactcentrum van de gemeente en het waterschap.
8.2
Grondwateroverlast De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het voorkomen van overlast of schade ten gevolge van grondwater. Dit houdt in dat de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk is voor de ontwatering van het eigen terrein, evenals voor het beheer en onderhoud van deze voorzieningen. Behalve door te hoge grondwaterstanden kan ook overlast ontstaan door te lage grondwaterstanden. Daarbij valt te denken aan schade aan gebouwen door ongelijkmatige zetting en paalrot, maar ook aan schade aan particulier groen. Eventuele particuliere maatregelen dienen niet te leiden tot overlast of schade voor derden (bijvoorbeeld door overmatige grondwateronttrekking of diepgelegen drainage). De gemeentelijke zorgplicht richt zich op het openbaar gebied. Eventuele maatregelen zullen daarom ook in openbaar gebied worden getroffen. De grondwaterzorgplicht is, evenals de hemelwaterzorgplicht, een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-62-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
8.2.1
Overlast en onderlast Er is onderscheid te maken in grondwateroverlast door te hoge grondwaterstanden en zogenaamde grondwateronderlast door te lage grondwaterstanden. Om overlast te voorkomen en perceeleigenaren de mogelijkheid te bieden hun eigen terrein te ontwateren, stelt de gemeente de bewoners een overnamepunt ter beschikking voor de afvoer van overtollig grondwater. De gemeente zal het aangeboden water afvoeren naar een geschikt lozingspunt. Dit is in volgorde van voorkeur: oppervlaktewater, regenwaterriolering of gemengde riolering. De gemeente heeft een ontvangstplicht voor het overtollige grondwater, maar aan de omvang en de aard van het aangeboden grondwater kunnen door de gemeente voorwaarden worden gesteld, evenals bij hemelwater. Burgers dienen de voorschriften over waterdichtheid van gebouwen en afvoer van hemelwater op te volgen die in het bouwbesluit opgenomen zijn. Daarin is onder meer opgenomen, dat woningen die na 1 januari 1993 gebouwd zijn, moeten beschikken over dampdichte vloeren. Ook problemen als gevolg van lekke kelders behoren niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente. In veel gevallen ligt de focus bij grondwater vaak op grondwateroverlast. Voor de toekomst is grondwateronderlast echter ook een realistisch probleem.
Door langdurig droge periodes kan het grondwaterpeil zodanig laag worden dat ongelijke zettingen en paalrot leiden tot schade aan eigendommen. Vanuit klimaatadaptatie is droogte één van de vier thema’s waarvoor een strategie wordt ontwikkeld. Omdat voldoende kennis hierover nog ontbreekt, wordt in de planperiode ingezet op het gezamenlijk ontwikkelen (via de SAZ+ en de KaSZ) van voldoende kennis om de juiste keuzes te maken in de te nemen maatregelen. Het infiltreren van regenwater in de gebieden, waardoor het grondwaterpeil op een acceptabel niveau blijft, wordt naar verwachting een belangrijke maatregel.
8.2.2
Streefwaarden De gemeente wil structurele grondwateroverlast voorkomen. Daarom hanteert de gemeente bij nieuwe ontwikkelingen een streefwaarde voor de maximale grondwaterstand (ontwateringsdiepte) om structurele overlast zoveel mogelijk te voorkomen bij in- en uitbreidingen. Deze streefwaarde is afhankelijk van lokale kenmerken van de betreffende (ontwikkel)locatie. De streefwaarden zijn weergegeven in de navolgende tabel. Tabel 8.1: streefwaarde gewenste grondwaterstanden nieuwe ontwikkelingen
Functie van de grond Wegen en openbaar gebied Groen – plantsoenen en perken Groen – sportparken
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
Streefwaarde grondwaterstand ten opzichte van aanlegniveau < 70 centimeter onder het maaiveld < 50 centimeter onder het maaiveld < 50 centimeter onder het maaiveld
-63-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
Een tijdelijke verhoging van de grondwaterstand boven de streefwaarde leidt niet direct tot structurele schade. Indien er wel sprake is van structurele problemen (groter gebied en langdurige overlast) vindt er onderzoek plaats naar de aard en de oorzaak van de grondwateroverlast en/of -onderlast. Hoge(re) grondwaterstanden op percelen van particulieren blijven de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar en daar treft de gemeente geen maatregelen. Wel geeft de gemeente op verzoek advies aan particulieren die hinder ondervinden van hoge grondwaterstanden op hun perceel.
8.3
Grondwater gemeente Kapelle Bij het ontstaan van Zuid-Beveland en Kapelle is de zee van grote invloed geweest. Enkele eeuwen voor de jaartelling kreeg de zee meer toegang tot de achter de strandwallen gelegen veengronden waarbij een landschap van kreken en eilanden ontstond. In de kreken werd het veen door de zee weggeslagen. In en langs de kreken kwam zand en zavel tot afzetting. Verder van de kreken was er door de lagere stroomsnelheden aanslibbing met fijnere zandfracties en kleidelen. Aangezien het zand in en nabij de geulen niet noemenswaardig inklonk en de verderop gelegen veenachtige en kleiachtige gronden wel, zijn de verzande kreken als verhogingen, de zogenaamde kreekruggen, in het omliggende landschap zichtbaar geworden. De lager gelegen gronden worden poelgronden genoemd. In de 20e eeuw zijn door technische ingrepen de verschillende polderpeilen ingesteld. De kernen van de gemeente Kapelle zijn ontstaan op de hoogstgelegen plekken in het landschap. In de 20e eeuw zijn de kernen uitgebreid, door aan de randen ervan nieuwe woonwijken te bouwen, steeds verder van het hooggelegen centrum, in steeds lager gelegen gebieden. De grondwaterstroming in het freatisch pakket is afhankelijk van de gehanteerde polderpeilen en lokale afwateringsmiddelen. Verder is de lokale bodemopbouw van invloed.
Het freatisch grondwater binnen de gemeente Kapelle is overwegend brak en soms zoet. Direct nabij het Kanaal door Zuid-Beveland en de Haven vindt er zoute kwel plaats als gevolg van het hogere waterpeil in het Kanaal dan in het omliggende gebied. Op sommige locaties kan dit leiden tot verhoogde grondwaterstanden. Er zijn binnen de gemeente Kapelle enkele locaties waar grondwater soms tot problemen leidt (onder meer door de genoemde kweldruk). De eventuele meldingen die zich daarbij voordoen, zijn echter lokaal van aard en soms ook gekoppeld aan slecht afstromende neerslag. Per melding wordt bezien of, en zo ja, welke maatregelen mogelijk zijn. De gemeente Kapelle ontwikkelt een bodemmodel, gebaseerd op beschikbare bodemgegevens uit onder meer sonderingen en grondwatermetingen (peilbuizen). Met behulp
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-64-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
van dit bodemmodel wordt getracht in de toekomst de kansen en beperkingen van ondergrond (bijvoorbeeld infiltratie) nadrukkelijker te betrekken bij maatregelen en/of nieuw ontwikkelingen.
8.4
Grondwatervoorzieningen
8.4.1
Bestaande voorzieningen Binnen de gemeente Kapelle functioneert een beperkt aantal voorzieningen ten behoeve van het grondwater. Er zijn enkele IT-riolen en drainageleidingen in gemeentelijk eigendom. Daarnaast zijn er diverse wadi-voorzieningen zoals in Wemeldinge Noordzijde, Overtieringe en de nieuwe wijk Zuidhoek 3. De IT-riolering wordt meegenomen in het reguliere beheer en onderhoud van de riolering. De wadi-voorzieningen voor wat betreft de bovengrond in het groenonderhoud en voor wat betreft de onderliggende leidingen in het rioleringsonderhoud. Voor de drainageleidingen is geen specifiek onderhoudsprogramma aanwezig. Deze drainage in openbaar gebied wordt niet onderhouden, tenzij er sprake is van structurele grondwateroverlast. Wel wordt de drainage van sportvelden, speelterreinen en begraafplaatsen regulier onderhouden in combinatie met het groenonderhoud
8.4.2
Nieuw te realiseren voorzieningen Bij vervanging van bestaande (lekke) riolering wordt per locatie onderzocht of de gelijktijdige aanleg van drainage noodzakelijk is om overlast te voorkomen. De lokale (bodem)omstandigheden zijn hierin bepalend. Bij nieuw te realiseren bebouwing wordt grondwater in het kader van de watertoets in de planvorming betrokken. Afhankelijk van de resultaten hiervan, wordt besloten of er grondwaterregulerende voorzieningen noodzakelijk zijn. Goed inzicht in de bodemopbouw is hierbij van groot belang. Daarbij wordt, waar mogelijk, gebruik gemaakt van het eerder genoemde bodemmodel van de gemeente Kapelle. Indien een grondwaterregulerende voorziening wordt aangelegd, is dit meestal drainage. Deze drainage wordt rechtstreeks aangesloten op het oppervlaktewater of op de regenwaterriolering. De nieuwe drainageleidingen dienen te worden opgenomen in het beheersysteem en meegenomen in de reguliere onderhoudsronden. Bij bouwprojecten zullen ontwikkelaars en andere initiatiefnemers nadrukkelijk gewezen worden op de eis tot het realiseren van voldoende drooglegging en eventueel noodzakelijke maatregelen daarvoor (bijvoorbeeld kleischelpen in kruipruimte of kruipruimteloos bouwen).
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-65-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
8.4.3
Grondwatermeetnet Om gemeente-breed inzicht te verkrijgen in de heersende grondwaterstanden, maar ook in het kader van projecten en gebiedsontwikkelingen voert de gemeente metingen van de grondwaterstand uit met behulp van peilbuizen op diverse locaties. Aan de hand van de meetgegevens uit dit gemeentelijke grondwatermeetnet ontstaat inzicht in de lokale situatie en kan desgewenst worden nagegaan of maatregelen noodzakelijk zijn. Ook worden de meetresultaten gebruikt als input voor het bodemmodel. Het beleid van de gemeente is om proactief te reageren op meldingen ten aanzien van grondwateroverlast. Met behulp van de informatie uit het grondwatermeetnet en het bodemmodel en op basis van gericht nader onderzoek kan onderbouwd gereageerd worden op klachten en meldingen over grondwateroverlast of grondwateronderlast. Ten behoeve van diverse onderzoeken voor bijvoorbeeld drainageaanleg, rioolvervanging, bouwrijp maken, het inventariseren van mogelijkheden ten behoeve van afkoppelen en infiltreren en bouwputbemalingen worden verder basisgegevens verzameld over het grondwater en de bodemopbouw. Hierbij kunnen de meetgegevens van tijdelijke projectpeilbuizen gekoppeld worden aan de langjarige meetgegevens van het gemeentelijke of landelijke grondwatermeetnet. Mogelijkheden voor infiltratie in de bodem zijn in de gemeente Kapelle sterk afhankelijk van de lokale bodemopbouw.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-66-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
9
Beleid oppervlaktewater In dit hoofdstuk wordt de strategie voor het oppervlaktewatersysteem beschreven. Rondom het oppervlaktewater wordt nauw samengewerkt met het waterschap. Zij is namelijk, naast waterkwantiteits- en kwaliteitsbeheerder, degene die verantwoordelijk is voor het beheren en onderhouden van het watersysteem.
9.1
Overzicht oppervlaktewatersysteem Het oppervlaktewatersysteem binnen en rondom de kernen van de gemeente Kapelle is qua beheer en onderhoud overgedragen aan waterschap Scheldestromen. Het watersysteem bestaat uit drie relatief grote peilgebieden die uiteindelijk hun water uitslaan op de Westerschelde en de Oosterschelde. Figuur 9.1: watersysteem gemeente Kapelle
Dekker
Postweg
Maelstede
9.2
Verantwoordelijkheden Het werken aan water doen de gemeente en waterschap Scheldestromen samen, maar ieder heeft zijn eigen verantwoordelijkheden en taken. In de onderstaande tabel is een overzicht op hoofdlijnen opgenomen van de verschillende verantwoordelijkheden van de verschillende partijen.
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-67-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
Tabel 9.1: taakverdeling overheden (ruimer dan alleen oppervlaktewater)
Partij gemeente
waterschap Scheldestromen
Provincie Zeeland Rijkswaterstaat Particuliere grondeigenaren en bedrijven
Verantwoordelijk voor • Riolering: zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater en overtollig hemelwater • Milieu en volkshuisvesting • Beheer en onderhoud openbaar gebied • Ontwatering van de (eigen) openbare ruimte • Voorkomen van negatieve effecten van het freatisch grondwater • Ruimtelijke ordening (inclusief bestemmingplannen, watertoetsen) • Veiligheid fysieke leefomgeving • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater binnen stedelijk gebied conform BOB-afspraken (‘droge deel’) • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater binnen stedelijk gebied zijnde ‘niet-legger wateren’ (buiten BOB-overeenkomst) • Waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer van het oppervlaktewater in het beheersgebied • Draagt zorg voor de afwatering • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater ten behoeve van waterhuishoudkundige functies (waterafvoer etc.) • Beheer en onderhoud van oppervlaktewater binnen stedelijk gebied (sierwater, recreatiewater en dergelijke (legger wateren)) • Baggeren en slibafvoer conform de BOB-afspraken • Afvoer en zuivering van afvalwater (RWZI) • Kustverdediging • Operationeel grondwaterbeheer (onder andere vergunningverlening, toezicht, handhaving, beleidsontwikkeling) • Advisering bij ruimtelijke plannen (wateradvies) • Vergunningverlening grondwateronttrekking diepe grondwater • Beheer Kanaal door Zuid-Beveland • Ontwatering en afwatering op eigen
perceel • Onderhoud watergangen en taluds op eigen perceel
Voor het oppervlaktewater heeft de gemeente geen zorgplicht. De gemeente heeft echter wel (samen met de andere partijen in het waterbeheer) een resultaatsverplichting voor de maatregelen die gezamenlijk zijn afgesproken voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze maatregelen zijn opgenomen in stroomgebiedsbeheerplannen. De gemeente moet daaraan een bijdrage leveren wanneer lozingen vanuit de riolering hier een negatieve invloed op hebben. Ook dient het water te voldoen aan de functie die aan de waterloop of waterpartij is gegeven (bijvoorbeeld bergingsfunctie). Daarmee is er een direct verband met de uitvoering van het waterkwaliteitsspoor (zie paragraaf 9.4.2). Het waterschap is beheerder van het oppervlaktewatersysteem, beheert de peilen in de watergangen en draagt zorg voor een goede afwatering. Zij heeft haar beleid vastgelegd in het Waterschapsbeheerprogramma 2022-2027. Voor zover als mogelijk zijn de aandachtspunten uit dit plan meegenomen in het verbreed GRP Kapelle.
9.3
Beheer en onderhoud Beheer en onderhoud van waterlopen is van wezenlijk belang voor het in stand houden van een goed functionerend watersysteem. In het kader van het project BOB (Beheer en Onderhoud Bebouwd gebied) hebben de gemeente en waterschap Scheldestromen gezamenlijk een overeenkomst getekend, waarin duidelijke afspraken zijn gemaakt wie er verantwoor-
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-68-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
delijk is, wie er wat onderhoudt en hoe de kostenverdeling geregeld is. Deze afspraken worden jaarlijks inhoudelijk besproken en geëvalueerd. De BOB-overeenkomst is in 2016 geactualiseerd aan de hand van de ervaringen in de voorgaande jaren.
9.4
Maatregelen
9.4.1
Kaderrichtlijn water Naar aanleiding van de Europese Kaderrichtlijn water worden er geen ingrijpende maatregelen verwacht, anders dan de reeds voorgestelde maatregelen. Binnen de grenzen van de gemeente bevinden zich enkele KRW-waterlichamen. Deze zijn hoofdzakelijk buiten de bebouwde kom of aan de rand van een kern gelegen. De waterlopen die als KRW-waterlichaam zijn aangemerkt, zijn weergegeven in de navolgende figuur. Het waterschap is verantwoordelijk voor het beheer van deze waterlichamen. Figuur 9.2: waterlichamen Europese Kaderrichtlijn Water binnen de gemeente Kapelle
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-69-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
9.4.2
Waterkwaliteitsspoor In het kader van het emissiespoor (of de basisinspanning) zijn de afgelopen decennia de emissies uit de afvalwaterketen flink beperkt. Lokaal kunnen er echter nog steeds nadelige effecten op de waterkwaliteit optreden. Het waterkwaliteitsspoor heeft als doel die nadelige effecten tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Dit spoor is een gezamenlijke inspanning van waterschap en gemeente. Omdat de waterkwaliteitseffecten lokaal sterk kunnen verschillen, en de veelal brakke watersystemen in Zeeland afwijken van de rest van Nederland, is de afgelopen jaren aan de hand van metingen onderzocht wat voor de Zeeuwse situatie de bepalende invloeden voor de waterkwaliteit (en ecologie) zijn. Er is onderzoek gedaan in stedelijke watersystemen op Tholen, in Vogelwaarde en in Goes. Daaruit blijkt dat het (vaak wisselende) chloridegehalte en de hoge nutriëntengehalten de meest bepalende factoren zijn voor de aanwezigheid van macrofauna en kiezelwieren. In deze brakke watersystemen hadden de overstorten vanuit het afvalwatersysteem op dat moment geen significante invloed op de (ecologische) waterkwaliteit. Op basis hiervan wordt een aanpak voorgesteld, waarbij gemeente en waterschap samen bepalen of de waterkwaliteit voldoet aan de eisen en wensen. Ook zullen ze een ambitie voor stedelijke wateren moeten vastleggen.
Daarin moeten vragen beantwoord worden als: • Is ecologie belangrijk of juist de beleving van een watergang? • Wordt daarbij een verschil gemaakt tussen brakke en zoete wateren? • Wat is verplicht? • Wat is de potentie van het stedelijk water naar de toekomst toe? • Welke eisen stelt klimaatadaptatie?
9.4.3
Stedelijke wateropgave (SWO) De uitwerking van de Stedelijke Wateropgave vloeit voort uit de verantwoordelijkheid die de gemeente samen met het waterschap heeft om de effecten van klimaatverandering in bebouwd gebied het hoofd te bieden. Binnen de SAZ+ is daarom een uitvoeringsprogramma planvorming Stedelijke Wateropgave opgesteld. Het doel van het uitvoeringsprogramma is om de planvorming aan te laten sluiten op de urgentie van de problematiek in de verschillende Zeeuwse kernen en de beschikbaarheid van personele capaciteit. Uiteindelijk moet het resulteren in: • een gewenste ontwikkelingsrichting (per woonkern of wijk) voor het klimaatbestendig inrichten van de waterhuishouding; • een programma van maatregelen dat tussen de gemeente en het waterschap is afgestemd. Om de planvorming handen en voeten te geven, kan gebruik worden gemaakt van de werkwijze ‘toekomstbestendige waterhuishouding in bebouwd gebied’ (SAZ+, 2015). Deze werkwijze, ook wel ‘redeneertrant’ genoemd, is ontwikkeld voor het zoeken naar integrale oplossingen voor watervraagstukken in bebouwd gebied onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente en waterschap. De integrale benadering verbindt de
verbreed GRP Kapelle definitief rapport
-70-
R017.P243/R007/RHOU 1 mei 2024
aanwezige kennis van rioleringszorg, stedelijk oppervlakte- en grondwaterbeheer en ruimtelijke inrichting en benut ze in samenhang De belangrijkste kenmerken van de redeneertrant zijn: • Integrale samenwerking (via multidisciplinaire aanpak): denken vanuit de totale waterhuishouding in samenhang met de bovengrondse ruimte en mogelijkheden van de ondergrond. • Beredeneren in plaats van berekenen, waarbij de kennis en ervaring van de betrokken vakmensen centraal staat. • Data opwaarderen tot inzicht in het functioneren van de systemen. Dit vraagt om een inspanning ten aanzien van het analyseren en interpreteren van beschikbare gegevens. • Feitelijke waarnemingen als basis voor inzicht in het functioneren van de watervoerende systemen en de onderlinge samenhang daarvan. • Adaptatie, ofwel optimaal gebruik maken van de kansen die de ruimte en de lokale situatie biedt. • Dienstverleningsniveau in plaats van norm: lokaal maatwerk dat niet persé in generieke maatstaven is te beschrijven. Uitgaan van de mogelijkheden van een gebied. Het proces van ruimtelijke adaptatie loopt parallel aan deze planvorming (SWO-proces). Zowel de regionale als de lokale risicodialoog, waarin de strategie wordt bepaald hoe wordt omgegaan met de klimaatontwikkelingen, is van invloed op de uitkomsten van de SWO-onderzoeken.