2024-21a D24.301450 Definitief bestemmingsplan Smokkelhoek oos Smokkelhoek 3e herziening Smokkelhoek Oost
Tekst van het document
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
6
1.2.3
ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE
Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten.
1.3
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden.
7
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED
Het projectgebied is gelegen in de gemeente Kapelle in kilometerhok: X: 57 / Y: 387 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied is gelegen aan de Veldzichtweg te Kapelle bij de N289 en bestaat uit een grasveld met ruigte planten. Op verschillende plekken is zand aanwezig. In het noordwestelijk deel van het projectgebied is rietland aanwezig. In het midden van het projectgebied is een watergang aanwezig, met aan de randen riet. Ten noorden van het projectgebied is oppervlaktewater aanwezig. Ten oosten is akkerland aanwezig en ten westen is industriegebied aanwezig. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN Op een perceel wat momenteel bestaat uit een braakliggend terrein is de mogelijkheid gegeven voor bedrijven om zich te vestigen. Waar deze gerealiseerd worden is niet inzichtelijk. Op afbeelding 2 is een kaart weergegeven van de huidige situatie. De toekomstige situatie is nog niet vastgesteld.
Afbeelding 2: Bovenaanzicht huidige situatie
8
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK
Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening Wet natuurbescherming Zeeland’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.
Voor de provincie Zeeland zijn middels artikel 6.4 van de Verordening Wet natuurbescherming Zeeland soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 10 januari 2022 en is uitgevoerd door ing. B. Albers. Ten tijden van de habitatscan was het droog en bewolkt met een temperatuur van circa 5 °C en een windkracht van 2 Bft. 3.2.1
ZOOGDIEREN
In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. Er zijn geen bomen of bebouwing aanwezig in het projectgebied. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen op voorhand worden uitgesloten. Er zijn geen lijnvormige structuren aanwezig die mogelijk gebruikt kunnen worden als vliegroutes van vleermuizen. Potentiële vliegroutes worden dan ook niet verwacht. Het projectgebied kan door vleermuizen gebruikt worden als foerageergebied. Er zijn in de directe omgeving tevens alternatieven aanwezig die gebruikt kunnen worden als foerageergebied. In de omgeving van het projectgebied zijn de hermelijn en de wezel bekend voor te komen. Tijdens de habitatscan zijn geen potentiele verblijfplaatsen in de vorm van takkenhopen of oude holen van konijnen waargenomen in het projectgebied. Er zijn wel muizenholen aanwezig in het projectgebied. Het riet biedt dekking en het gebied is geschikt voor prooidieren. Derhalve kunnen verblijfplaatsen van de hermelijn en de wezel niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. In de omgeving van het projectgebied zijn de haas en het konijn bekend voor te komen. Tijdens de habitatscan zijn geen verblijfplaatsen van het konijn waargenomen.
Het projectgebied is geschikt als leefgebied voor de haas, waarbij het ook een verblijfsfunctie heeft voor de haas. Er zijn twee hazen waargenomen in het projectgebied. Derhalve kunnen verblijfplaatsen van de haas niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied.
9
3.2.2
VOGELS
In de omgeving van het projectgebied zijn de gierzwaluw en de huismus waargenomen. De gierzwaluw en de huismus hebben nestlocaties in bebouwing. Er is geen bebouwing aanwezig in het projectgebied, waardoor nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus kunnen worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de steenuil. De steenuil leeft voornamelijk in kleinschalige cultuurlandschappen met ruige vegetatie en bebouwing op het platteland. De steenuil gebruikt boomholten, nestkasten en ruimtes tussen dakbedekking en het beschot als nestlocaties. Er zijn geen bomen of bebouwing aanwezig in het projectgebied waardoor nestlocaties van de steenuil kunnen worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. Er zijn geen bomen aanwezig in het projectgebied, waardoor jaarrond beschermde nesten van soorten die in bomen broeden niet verwacht worden voor te komen In het projectgebied komen algemene broedvogels voor, zoals de fazant en de veldleeuwerik, die mogelijk ook in het projectgebied of binnen de invloedssfeer broeden. Het struweel in het projectgebied en de omgeving van het projectgebied bieden een geschikt broedbiotoop voor algemene vogels.
3.2.3
AMFIBIEËN
In de omgeving van het projectgebied is de rugstreeppad bekend voor te komen. De rugstreeppad kan geschikte gebieden snel koloniseren. Het projectgebied is geschikt voor de rugstreeppad. Er zijn ondiepe poelen aanwezig voor voortplantingswater. De oevers van de watergang met vergraafbare bodem en de zandhopen zijn geschikt voor overwinteringslocaties en het gehele projectgebied is geschikt als landbiotoop. De populatie in het natuurgebied ten zuiden van Hansweert heeft de mogelijkheid om het projectgebied te koloniseren. De rugstreeppad kan niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. Algemene, provinciaal vrijgestelde amfibieën, zoals de gewone pad kan voorkomen in de groenstructuren in of nabij het projectgebied.
3.2.4
REPTIELEN
In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde reptielen. Er is geen geschikt leefgebied aanwezig voor beschermde reptielen, waardoor deze niet worden verwacht voor te komen in het projectgebied.
3.2.5
VISSEN
In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vissoorten. De watergang in het projectgebied is te ondiep voor vissoorten. Beschermde vissoorten kunnen worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied.
3.2.6
ONGEWERVELDEN
De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit dagvlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten. Door het ontbreken van waardplanten van beschermde vlindersoorten en watergangen met opgaande oever- en watervegetatie worden er geen beschermde ongewervelden in het projectgebied verwacht voor te komen.
3.2.7
VAATPLANTEN
In de omgeving zijn waarnemingen bekend van dreps en naakte lathyrus. De dreps en de naakte lathyrus hebben een standplaats voornamelijk op graanakkers, braakliggend terrein en wegbermen met droge grond. Tijdens de habitatscan zijn geen groeiplaatsen waargenomen van de dreps en de naakte lathyrus. Daarnaast is het projectgebied is zeer vochtig, waardoor standplaatsen van de dreps en de naakte lathyrus niet verwacht worden voor te komen.
10
3.2.8
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES
Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep
Functies
Bescherming Wnb
Mogelijk aanwezig in:
Broedvogels
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Struweel
Hermelijn en wezel
Verblijfplaatsen
Artikel 3.10 (Bijlage A)
Muizenholen, struweel
Haas
Verblijfplaatsen
Artikel 3.10 (Bijlage A)
Gehele projectgebied
Rugstreeppad
Voortplantingswater
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Watergangen
Overwinteringslocatie
Oevers watergangen
Landbiotoop Algemene
amfibieën
Gehele projectgebied
Leefgebied
Artikel 3.10 (Bijlage A)
Gehele projectgebied
en zoogdieren* *Vrijgesteld in de provincie Zeeland in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen
3.3
EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.3.1
EFFECTEN ONTWIKKELINGEN
De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen mogelijk gepaard gaan met geluid en trillingen. Dit verstoort mogelijk de amfibieën, (broed)vogels en zoogdieren die gebruik maken van het projectgebied. Permanente effecten Door de beoogde inrichting van het gebied kan het functioneel leefgebied met verblijf en voorplantingsfunctie van de haas en verblijfplaatsen van de rugstreeppad vernietigd worden en kunnen individuen van de haas en de rugstreeppad worden gedood. Tevens kunnen door het verwijderen van struweel verblijfplaatsen van de hermelijn en de wezel vernietigd worden en kunnen individuen van de bunzing, hermelijn en de wezel worden gedood. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep
Effect
Verbodsbepaling
Broedvogels
Opzettelijk doden
Artikel 3.1 (VR) Lid 1
Opzettelijk vernielen / beschadigen nest
Artikel 3.1 (VR) Lid 2
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.1 (VR) Lid 4
Opzettelijk doden
Artikel 3.10 (Bijlage A) Lid 1a
Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats
Artikel 3.10 (Bijlage A) Lid 1b
Opzettelijk doden
Artikel 3.10 (Bijlage A) Lid 1a
Bunzing, hermelijn en wezel Haas
Opzettelijke
vernielen
/
beschadigen
Artikel 3.10 (Bijlage A) Lid 1b
verblijfplaats Rugstreeppad
Algemene amfibieën en zoogdieren*
Opzettelijk doden
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1
Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2
Opzettelijk verstoren
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4
Opzettelijk doden
Artikel 3.10 (Bijlage A) Lid 1a
*Vrijgesteld in de provincie Zeeland in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen
Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Wanneer de geplande werkzaamheden binnen het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus)
11
plaatsvinden kunnen broedgevallen van vogels worden verstoord en individuen van algemene broedvogels worden gedood. Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming
3.3.2
AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED
Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor de hermelijn, haas, rugstreeppad de wezel. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen, haas en de rugstreeppad.
3.3.3
MITIGERENDE MAATREGELEN
Om overtreding op de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. In de muizenholen en struweel in het projectgebied zijn mogelijke verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de hermelijn en de wezel zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. -
In het gehele projectgebied zijn mogelijke verblijfplaatsen van de haas aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de haas zullen nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden.
-
Bij de watergangen, de oevers van deze watergangen en het gehele projectgebied is voorplantingswater, overwinteringslocaties en landbiotoop van de rugstreeppad aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad zullen (indien beschermde functies aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden.
-
Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zal struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.
-
Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen en te houden aan de zorgplicht.
-
De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.
3.3.4
ONTHEFFING W ET NATUURBESCHERMING
De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en verstoring niet voorkomen kan worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.
12
4
GEBIEDSBESCHERMING
Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden liggen op circa 1 kilometer van het projectgebied en betreffen Westerschelde & Saeftinghe en Yerseke & Kapelse Moer. Op 200 meter van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN. Dit betreft een ecologische verbindingszone. In afbeelding 3 is de globale ligging van het projectgebied ten opzichte van beschermde natuur weergegeven
Projectgebied Natura 2000 NNN Afbeelding 3: Projectgebied ten opzichte van beschermde natuur (atlasleefomgeving.nl)
4.1
EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich in de nabijheid van beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000- gebieden bevinden zich nabij het projectgebied, gezien de werkzaamheden kunnen directe effecten op de Natura 2000gebieden uitgesloten. Het gedeelte van het NNN bevindt zich in de nabije omgeving van het projectgebied. De werkzaamheden leiden niet tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, vermindering van de oppervlakte of van verandering van de samenhang van het NNN. Directe effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het NNN en het Natura 2000-gebied worden niet verwacht. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. In de Wnb (artikel 2.9a) is een partiële vrijstelling geïntroduceerd van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector. De gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door aangewezen activiteiten (o.a. bouwen, slopen, vernieuwen, veranderen en vergroten) van de bouwsector worden buiten beschouwing gelaten. Voor de realisatiefase is derhalve geen vergunning benodigd. In de gebruiksfase vindt er na de werkzaamheden verandering van gebruik plaats. Als gevolg van stikstofdepositie wordt er geen negatief effect verwacht op de Natura 2000-gebieden. Er is een stikstofonderzoek uitgevoerd.
De beschikking hierover ligt bij de provincie Zeeland.
13
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
5.1
CONCLUSIES
In het projectgebied zijn muizenholen en struweel aanwezig die kunnen dienen als verblijfplaatsen van kleine marterachtigen zoals de hermelijn en de wezel. Het braakliggende terrein is tevens geschikt voor het leefgebied met verblijfsfunctie van de haas. De haas is tevens waargenomen in het projectgebied. Daarnaast is het projectgebied geschikt voor voortplantingswater, overwinteringslocaties en landbiotoop van de rugstreeppad. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. Door het verwijderen van struweel en de beoogde inrichting van het gebied kunnen verblijfplaatsen van de hermelijn en de wezel vernietigd worden en kunnen individuen van de hermelijn en de wezel worden gedood. tevens kunnen het functioneel leefgebied met verblijfs- en voorplantingsfunctie van de haas en verblijfplaatsen van de rugstreeppad vernietigd worden en kunnen individuen van de haas en de rugstreeppad worden gedood. Directe effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het NNN en het Natura 2000-gebied worden niet verwacht. De gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door aangewezen activiteiten (o.a. bouwen, slopen, vernieuwen, veranderen en vergroten) van de bouwsector worden buiten beschouwing gelaten.
Voor de realisatiefase is derhalve geen vergunning benodigd. Voor de gebruiksfase is reeds een berekening middels de Aerius-calculator uitgevoerd. Op basis hiervan is door de provincie Zeeland een beschikking afgegeven. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
5.2
AANBEVELINGEN Er is nader onderzoek naar kleine marterachtigen, haas en de rugstreeppad benodigd, alvorens men met de werkzaamheden kan aanvangen. In tabel 3 is de onderzoeksperiode weergegeven. Indien er beschermde functies voor haas, hermelijn, rugstreeppad of de wezel worden aangetroffen tijdens aanvullend onderzoek, is er een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig voor de uitvoering van de werkzaamheden. Voor het verkrijgen van de ontheffing dienen er mitigerende maatregelen worden getroffen. Er wordt aanbevolen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) plaats te laten vinden. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen broedgevallen worden verstoord. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Tabel 3: Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep
Aanvullend onderzoek
Onderzoeksperiode
Algemene broedvogels
Nesten, indien niet buiten het broedseizoen
Binnen de periode 1 maart t/m 15 juli
gewerkt wordt Hermelijn en wezel
Verblijfplaatsen
Mei t/m augustus
Haas
Verblijfplaatsen, leefgebied
Februari t/m augustus
Rugstreeppad
Verblijfplaatsen, leefgebied
April t/m augustus
14
6
LITERATUUR
BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument huismus, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet NDFF www.atlasleefomgeving.nl/kaarten www.gbif.org www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl
15
Bijlage 1: Foto-impressie
16
Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in directe omgeving van projectgebied Soortgroep Naam Bescherming
Afstand
Amfibieën
gewone pad1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
rugstreeppad
HR IV & Bern II
< 5km
Vaatplanten
dreps
Wnb B
< 5km
Vaatplanten
naakte lathyrus
Wnb B
< 5km
Vleermuizen
gewone dwergvleermuis
HR IV
< 3km*
Vleermuizen
laatvlieger
HR IV & Bern II
< 3km*
Vleermuizen
ruige dwergvleermuis
HR IV & Bern II
< 3km*
Vleermuizen
watervleermuis
HR IV & Bern II
< 5km
Vogels
blauwe reiger
Cat. 5
< 2km
Vogels
boerenzwaluw
Cat. 5
< 5km
Vogels
bonte vliegenvanger
Cat. 5
< 5km
Vogels
boomkruiper
Cat. 5
< 5km
Vogels
boomvalk
Cat. 4
< 3km*
Vogels
buizerd
Cat. 4
< 3km*
Vogels
ekster
Cat. 5
< 3km*
Vogels
gierzwaluw
Cat. 2
< 5km
Vogels
grauwe vliegenvanger
Cat. 5
< 5km
Vogels
groene specht
Cat. 5
< 3km*
Vogels
grote bonte specht
Cat. 5
< 3km
Vogels
grote gele kwikstaart
Cat. 3
< 1km
Vogels
havik
Cat. 4
< 2km
Vogels
hop
Cat. 5
< 5km
Vogels
huismus
Cat. 2
< 3km*
Vogels
huiszwaluw
Cat. 5
< 5km
Vogels
ijsvogel
Cat. 5
< 3km
Vogels
kerkuil
Cat. 3
< 2km
Vogels
koolmees
Cat. 5
< 5km
Vogels
oeverzwaluw
Cat. 5
< 3km
Vogels
ooievaar
Cat. 3
< 2km
Vogels
pimpelmees
Cat. 5
< 5km
Vogels
ransuil
Cat. 4
< 5km
Vogels
slechtvalk
Cat. 3
< 3km
Vogels
sperwer
Cat. 4
< 3km*
Vogels
spreeuw
Cat. 5
< 3km*
Vogels
steenuil
Cat. 1
< 2km
Vogels
tapuit
Cat. 5
< 3km
Vogels
torenvalk
Cat. 5
< 5km
Vogels
wespendief
Cat. 4
< 3km
Vogels
zwarte kraai
Cat. 5
< 5km
Vogels
zwarte mees
Cat. 5
< 3km
Vogels
zwarte roodstaart
Cat. 5
< 2km
Zoogdieren
aardmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
bosmuis
1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
bunzing
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
dwergmuis1
Wnb A
< 5km
1
Zoogdieren
egel
Wnb A
< 3km*
Zoogdieren
gewone bosspitsmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
haas
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
hermelijn
Wnb A
< 5km
17
Soortgroep
Naam
Bescherming
Afstand
Zoogdieren
huisspitsmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
konijn
Wnb A
< 5km
1
Zoogdieren
rosse woelmuis
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
veldmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
vos
1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
wezel
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
1
Wnb A woelrat * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. 1 = Vrijstelling
< 5km
18
42/280
Bijlage 4
43/280
Inventarisatierapport ecologie
NATUURONDERZOEK SMOKKELHOEK KAPELLE Haas, kleine marterachtigen en rugstreeppad
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V Leimuiden, 13-9-2022
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:
Uitvoering: Adres:
Rho Adviseurs Lotte ten Braak Postbus 150 3000 AD Rotterdam 0118-689054 lotte.tenbraak@rho.nl
Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider:
ing. D. Withagen
Auteur: Kwaliteitscontrole:
ing. D. Withagen ing. J. Koorevaar
Projectcode: Status: Datum:
RAVW2262 Concept 13-9-2022
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is aangesloten bij brancheorganisatie Netwerk Groene Bureaus.
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland.
2
INHOUDSOPGAVE
1 1.1 1.2
Inleiding............................................................................................................................................. 4 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 4 Wettelijk kader ............................................................................................................................... 4
2 2.1 2.2 2.3 2.4
Onderzoeksmethodiek ..................................................................................................................... 6 Haas .............................................................................................................................................. 6 Kleine marterachtigen .................................................................................................................... 6 Rugstreeppad ................................................................................................................................ 6 Overzicht inventarisaties ................................................................................................................ 6
3 3.1 3.2 3.3 3.4
Resultaten ......................................................................................................................................... 7 Haas .............................................................................................................................................. 7 Kleine marterachtigen .................................................................................................................... 7 Rugstreeppad ................................................................................................................................ 7 Beschermde functies projectgebied ............................................................................................... 7
4 4.1 4.2
Conclusie en aanbevelingen ........................................................................................................... 8 Conclusie ....................................................................................................................................... 8 Aanbevelingen t.a.v. de Wet natuurbescherming........................................................................... 8
Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4:
Kaart resultaten haas ................................................................................................................. 9 Kaart locaties cameravallen kleine marterachtigen .................................................................. 10 Kaart resultaten rugstreeppad .................................................................................................. 11 Foto’s cameravallen ................................................................................................................. 12
3
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL
De initiatiefnemer is voornemens braakliggend terrein open te stellen voor vestiging van bedrijven. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. In 2022 is door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. verkennend natuuronderzoek uitgevoerd middels een quickscan Wet natuurbescherming 1. Uit de quickscan is gebleken dat het projectgebied mogelijk functies herbergt voor de haas, kleine marterachtigen en de rugstreeppad. In opdracht van Rho Adviseurs is derhalve een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van het projectgebied door de haas, kleine marterachtigen en de rugstreeppad. Dit rapport bevat de resultaten van het onderzoek en aanbevelingen ten opzichte van de Wet natuurbescherming.
1.2
WETTELIJK KADER Wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Er wordt onderscheid gemaakt in soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. Wanneer er door uitvoering van werkzaamheden sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen in artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wet natuurbescherming, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Er kan mogelijk zonder een ontheffing middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt.
Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten en aan de voorwaarden in de gedragscode wordt voldaan. De rugstreeppad is op Europees niveau beschermd. De verbodsbepalingen voor de Europees beschermde soort zijn opgenomen in artikel 3.5 (Habitatrichtlijn) van de Wet natuurbescherming. De haas en kleine marterachtigen zijn op nationaal niveau beschermd. De verbodsbepalingen voor nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming.
1
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. (2022). Quickscan Wet natuurbescherming Smokkelhoek te Kapelle (Projectcode: RANA2221). 14 maart 2022. 4
Europees beschermde soorten – Habitatrichtlijn (Artikel 3.5 Wet natuurbescherming) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten (Artikel 3.10 Wet natuurbescherming) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
5
2
ONDERZOEKSMETHODIEK
2.1
HAAS
De aanwezigheid van de haas in het projectgebied is onderzocht met behulp van een warmtebeeldkijker. In de periode maart – april 2022 is hiertoe één nachtelijke inventarisatieronde uitgevoerd. Gedurende de inventarisatie is het projectgebied met een warmtebeeldkijker onderzocht op de aanwezigheid van de haas. Tijdens de overige inventarisaties is eveneens aandacht besteed aan het voorkomen van de haas binnen het projectgebied.
2.2
KLEINE MARTERACHTIGEN De onderzochte kleine marterachtigen betreffen de hermelijn en de wezel. Het onderzoek naar de hermelijn en de wezel heeft primair plaatsgevonden met behulp van zogenaamde wezelcamera’s. Dit zijn standaard cameravallen welke in een behuizing zijn geplaatst met twee openingen geschikt voor kleine marterachtigen. In de behuizing is vervolgens geurstof en lokvoer aangebracht. Deze cameravallen zijn minstens zes weken actief geweest in de periode maart – augustus 2022, waarbij ze tweewekelijks zijn uitgelezen en de batterijen ververst zijn. Aanvullend op de wezelcamera’s is op een strategische plaats in het veld een struikrover geplaatst. Dit betreft een standaard cameraval welke in een korte PVC buis is geplaatst. Voor de camera is een geurstof aangebracht om de trefkans op individuen van kleine marterachtigen te vergroten. De cameraval locaties zijn ter plaatse in het veld bepaald aan de hand van het voorkomen van geschikt habitat. De verschillende inventarisatiemethoden vullen elkaar aan en weergeven een nauwkeurig beeld van de verspreiding. Het voorkomen van de wezel en de hermelijn is naast de aanwezigheid van voldoende dekking ook afhankelijk van de aanwezigheid van voldoende prooidieren. Om die reden is bij de plaatsing en bij de controles ook specifiek gelet op sporen, prooiresten en individuen van prooidiersoorten voor de marterachtigen.
Het onderzoek naar kleine marterachtigen is uitgevoerd conform de "Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming" van de Provincie Noord-Brabant 2.
2.3
RUGSTREEPPAD De inventarisaties van de rugstreeppad zijn uitgevoerd onder voor deze soort gunstige weersomstandigheden en op basis van het Kennisdocument Rugstreeppad 3. Hierbij is de aanwezigheid van koorzang en larven onderzocht. Bij het onderzoek naar de rugstreeppad hebben twee bezoeken plaatsgevonden in de periode 15 april – 1 juni 2022 (t.b.v. koorzang) en één bezoek in de periode juni – juli 2022 (t.b.v. koorzang en larven). Tijdens de overige inventarisaties is eveneens aandacht besteed aan het voorkomen van beschermde amfibieën. 2.4
OVERZICHT INVENTARISATIES In tabel 1 is een overzicht gegeven van de data en weersomstandigheden van het onderzoek. De inventarisaties zijn uitgevoerd door ing. A.C.Y. van den Berg, ing. W. Poppe en ing. D. Withagen. Tabel 1: Overzicht inventarisaties Datum
Tijd
Hoofdgroep
Activiteit
Weersomstandigheden
28-04-2022
22:00 – 23:00
Landzoogdieren
Kleine marterachtigen
Vrijwel geheel bewolkt, 3 Bft, 11 °C
28-04-2022
23:00 – 00:00
Landzoogdieren
Haas
Vrijwel geheel bewolkt, 3 Bft, 10 °C
12-05-2022
21:15 – 22:15
Landzoogdieren
Kleine marterachtigen
Half bewolkt, 3 Bft, 13 °C
12-05-2022
22:15 – 23:15
Amfibieën
Rugstreeppad
Half bewolkt, 3 Bft, 13 °C
24-05-2022
00:30 – 01:30
Amfibieën
Rugstreeppad
Vrijwel geheel bewolkt, 4 Bft, 12 °C
09-06-2022
14:00 – 15:00
Landzoogdieren
Kleine marterachtigen
Half bewolkt, 3 Bft, 19 °C
09-06-2022
15:00 – 16:00
Amfibieën
Rugstreeppad
Half bewolkt, 3 Bft, 19 °C
09-06-2022
23:00 – 00:00
Amfibieën
Rugstreeppad
Half bewolkt, 3 Bft, 15 °C
2 3
Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. BIJ12 2017, Kennisdocument Rugstreeppad, versie 1.0. juli 2017. 6
3
RESULTATEN
3.1
HAAS
In het projectgebied zijn tijdens het onderzoek met de warmtebeeldkijker zes individuen van de haas waargenomen. De zes individuen van de haas zijn bij elkaar aangetroffen in het oosten van het projectgebied in een grasland. Het projectgebied fungeert als verblijfplaats voor zes individuen van de haas. In de directe omgeving van het projectgebied zijn vijf individuen van de haas waargenomen met de warmtebeeldkijker. Tijdens overige inventarisaties zijn eveneens individuen van de haas waargenomen in en in de directe omgeving van het projectgebied. De groenstructuren in de directe omgeving van het projectgebied fungeren eveneens als verblijfplaats van de haas. In bijlage 1 zijn de resultaten van het onderzoek naar de haas op kaart weergegeven.
3.2
KLEINE MARTERACHTIGEN Tijdens het onderzoek zijn geen individuen van kleine marterachtigen aangetroffen. Op de wezelcamera’s zijn individuen van de bosmuis, bruine rat, huisspitsmuis en de woelmuis (soort onbepaald) waargenomen. Op de struikrover zijn individuen van de bergeend, bosmuis, bruine rat, egel, fazant en de haas vastgelegd. Het projectgebied lijkt voldoende prooidieren voor kleine marterachtigen te bevatten. Aangezien er geen individuen van kleine marterachtigen zijn vastgelegd op de cameravallen, wordt de aanwezigheid van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen uitgesloten. In bijlage 2 zijn de locaties van de cameravallen van het onderzoek naar kleine marterachtigen op kaart weergegeven. In bijlage 4 zijn camerabeelden van de cameravallen in het projectgebied weergegeven. 3.3
RUGSTREEPPAD In het projectgebied zijn geen individuen van de rugstreeppad waargenomen. Tijdens de inventarisatierondes voor koorzang zijn geen roepende individuen vastgesteld. Er zijn eveneens geen individuen van de rugstreeppad waargenomen tijdens het onderzoek naar larven. Gedurende het onderzoek zijn enkele roepende individuen van de bastaardkikker waargenomen in de omgeving van het projectgebied. In bijlage 3 zijn de resultaten van het onderzoek naar de rugstreeppad op kaart weergegeven. 3.4
BESCHERMDE FUNCTIES PROJECTGEBIED Het projectgebied bevat elementen welke worden benut door beschermde soorten. In tabel 2 is weergegeven welke beschermde functies zijn aangetroffen in het projectgebied. Tabel 2: Beschermde functies Wet natuurbescherming Nederlandse naam Artikel 3.10 Haas
Wetenschappelijke naam Lepus europaeus
Functie Verblijfplaats
7