2024-21a D24.301450 Definitief bestemmingsplan Smokkelhoek oos Smokkelhoek 3e herziening Smokkelhoek Oost
Tekst van het document
36/48
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Toetsing en conclusie Aangenomen wordt dat het om een bedrijfspand gaat waar werknemers aanwezig zullen zijn. Dat maakt het conform de definitie van het bevi een kwetsbaar object. Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen worden getoond, zijn in de nabije omgeving van het plangebied enkele risicobronnen gelegen.
Figuur 4.6 Uitsnede risicokaart, zwarte omcirkeling geeft plangebied weer. (atlas leefomgeving, 2022) Risicovolle inrichtingen Het plan maakt een risicovolle inrichtingen mogelijk waarvan de plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar binnen de inrichting is gelegen. De locatie ligt op voldoende afstand tot bedrijfswoningen en burgerwoningen. Daarnaast ligt de locatie nabij een goed ontsloten weg. Hiermee is de externe veiligheid op het bedrijventerrein voldoende gewaarborgd. Vervoer gevaarlijke stoffen Zowel ten noorden, ten oosten, ten zuiden als door het plangebied worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Dit vindt plaats over het spoor, de weg, het water en door buisleidingen. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10-6 contour van deze transportroute. Door het zuidelijk deel van het plangebied lopen enkele ondergrondse buisleidingen van onder andere leidingbeheerder Gasunie en PZEM waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Zowel Gasunie als PZEM hebben een zienswijze ingediend. Berekening van het plaatsgebonden risico als het groepsrisico van de aardgasleidingen is daarom gewenst. Deze is opgenomen in bijlage 11.
37/48
Plaatsgebonden risico Rond de aardgasleidingen A515 en A-672 is geen sprake van een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico van de aardgasleidingen vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Groepsrisico Voor aardgasleiding A-672 is er geen sprake van een groepsrisico. Het groepsrisico van de leidingen A515 is in zowel de huidige als de toekomstige situatie lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Aandachtsgebieden De ontwikkeling ligt gedeeltelijk binnen het brandaandachtsgebied van aardgasleiding A-672 en volledig binnen het brandaandachtsgebied van aardgasleiding A515. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen het aandachtsgebied van aardgasleiding A515 rekening houden dat er een kans bestaat dat per jaar tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen het brandaandachtsgebied. Rijksweg A58/N289 en Spoorweg Ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen over land heeft AVIV RBM-II berekeningen uitgevoerd in het kader van het geldende bestemmingsplan 'Smokkelhoek'. De resultaten hiervan zijn weergegeven in de rapportage: "Externe veiligheid bestemmingsplan Smokkelhoek te Kapelle" (zie bijlage 8). Uit de verrichte QRA’s blijkt het risico in alle gevallen ruimschoots onder de oriëntatiewaarde te liggen.
Dit betekent dat een toename van het groepsrisico als gevolg van een enkel bedrijfsgebouw in geen geval tot onaanvaardbare risico’s zal leiden. Door veiligheidsregio Zeeland is aandacht gevraagd voor de inrichting van de gevel aan de zuidzijde, hier wordt geadviseerd de glasoppervlakte te beperken. Hier zal in de uitwerking rekening mee gehouden worden. Ten noorden van het plangebied worden gevaarlijke stoffen vervoerd over het spoor. Het betreft het traject Bergen op Zoom - Sloehaven Vlissingen. Voor dit traject zijn eveneens berekeningen verricht om de externe veiligheidssituatie te beoordelen. Hieruit volgt dat de ontwikkelingen in het plangebied geen effect hebben op het groepsrisico. De dorpskern Kapelle is maatgevend voor het groepsrisico omdat hier de bevolkingsdichteid groter is dan op het bedrijventerrein. Daarnaast worden in de nachtperiode de meeste goederenvervoerstreinen gereden. De PR 10-6 risicocontour is 0 meter. Dit betekent dat deze niet voorkomt op dit traject. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Daarnaast is in overleg met de veiligheidsregio besproken dat aan de spoorzijde ruimten waarin een minimale personenbezetting mogelijk zijn, hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld een opslagruimte.
Aan deze zijde dient een dichte gevel te worden gerealiseerd waarin een nooddeur komt. Ruimten waarin doorgaans personen aanwezig zullen zijn, worden verder van het spoor gepositioneerd. Kanaal door Zuid-Beveland Voor de vaarweg geldt dat het een zwarte vaarweg betreft. Deze is op circa 1.100 meter van het plangebied gelegen en vormt daarmee geen onaanvaardbaar risico.
38/48
Kerncentrale Borsele Verder is het plangebied gelegen in de schuilzone van de kerncentrale in Borsele. Er dient een beknopte verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld aangezien de verwachte toename van het groepsrisico voor enkele bronnen. Beknopte verantwoording van het groepsrisico De onderstaande beknopte verantwoording van het groepsrisico zal op basis van het advies van de veiligheidsregio nader worden uitgewerkt. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via verschillende wegen, waaronder de Kloosterpoort, de Handelsweg, Kelhoekseweg en de Veldzichtweg. Deze straten sluiten allen aan op het verdere wegennetwerk. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan een mogelijke brand via meerdere aanvalswegen worden geblust.
Het wegennetwerk biedt daarnaast vluchtmogelijkheden in drie richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal het plangebied bestaan uit een bedrijf. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. Toetsing en conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van verschillende transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Echter liggen de risico's in alle gevallen ruimschoots onder de oriëntatiewaarde. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
39/48
Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Hoogspanningsverbindingen Voor hoogspanningsverbindingen gelden, afhankelijk van de sterkte, belemmeringstroken. De Hoogspanningsverbinding is opgenomen in het rijksinpassingsplan 'Zuid-West 380kV west'. Onderzoek Door Tennet is een nieuwe 380 kV-leiding op Zuid-Beveland gerealiseerd. Deze ligt ten noorden en ten westen van het plangebied. Het plangebied valt buiten de IP en ZRO (zakelijk recht overeenkomst) zones van de hoogspanningsverbinding.
De wijziging van voorliggend bestemmingsplan heeft geen invloed op de werking van deze leiding.
Figuur 4.7: Ligging 380kV leiding (plangebied is in rood aangegeven) (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Overige planologisch relevante leidingen Aan de westkant van het plangebied ligt een drinkwatertransportleiding. In het geldende bestemmingsplan is ten behoeve van de bescherming van deze leiding een dubbelbestemming opgenomen. Deze dubbelbestemmings is echter niet conform de daadwerkelijke ligging van de leiding op de verbeelding opgenomen en wordt met dit bestemmingsplan gerepareerd. Binnen de leidingstrook gelden bouw- en
40/48
aanlegbeperkingen. Aan de zuidkant van het plangebied liggen een leidingen voor transport gevaarlijke stoffen. Deze leidingen, inclusief de wettelijke beschermingszone is in het geldende bestemmingsplan beschermd doormiddel van een dubbelbestemming 'Leiding - Leidingstrook'. Binnen de leidingstrook gelden bouw- en aanlegbeperkingen. Deze wordt ook in voorliggend bestemmingsplan overgenomen. Er worden geen nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt met voorliggend bestemmingsplan. In paragraaf 4.9 is aandacht besteed aan het aspect veiligheid met betrekking tot deze buisleidingen. Daaruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn. Toetsing en conclusie De bestaande kabels en leidingen leveren geen directe belemmering op voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Er wordt voor zover mogelijk voldaan aan de toekomstige wetgeving en het beleidskader.
4.11 Verkeer en parkeren Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Verkeersgeneratie Het mogelijk maken van een bedrijfsuitbreiding heeft extra verkeersgeneratie tot gevolg. Voor het verkeer is het belangrijk te bepalen dat het extra verkeer opgevangen kan worden op het huidige wegennet. Met behulp van CROW publicatie 381 is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekent. Hierbij is gebruik gemaakt van tabel A8, waarbij de beoogde ontwikkeling is gedefinieerd als een 'gemengd bedrijventerrein'. Voor dit type bedrijventerrein hanteert het CROW een verkeersgeneratie van 158 mvt/etmaal (128 personenauto en 30 vrachtauto) per netto hectare terrein. Het plangebied heeft een oppervlakte van 3,2 netto hectare. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van (3,2 x 158 =) 506 mvt /etmaal gedurende een gemiddelde weekdag, waarvan 96 mvt/etmaal aan vrachtverkeer. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde werkdag maatgevend.
Voor het omrekenen van weekdag naar werkdag wordt conform CROW publicatie 381 een omrekenfactor van 1,33 toegepast. Hiermee heeft de beoogde ontwikkeling een verkeersgeneratie van (506 x 1,33 =) 672 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Verkeerstoedeling Met behulp van de navigatietool van Google Maps is de routering van het gegenereerde verkeer bepaald. Vanaf het plangebied wordt het gegenereerde verkeer volledig ontsloten via de Handelswegen wordt vervolgens via de Kloosterpoort afgewikkeld naar de aansluiting op de N289. Vanaf hier wordt 65%(437 mvt/etmaal) in westelijke richting afgewikkeld over de N289 naar het kruispunt Smokkelhoekseweg - N289 - Schoorse Oudedijk. De overige 35% (235 mvt/etmaal) van het gegenereerde verkeer wordt ontsloten via de aansluiting van de N289 op de A58 ten oosten van de aansluiting van de Kloosterpoort. Vanaf het kruispunt Smokkelhoekseweg - N289 Schoorse Oudedijk wordt 30% (202 mvt/etmaal) verder over de N289 in westelijke richting ontsloten. De
41/48
resterende 35% (235 mvt/etmaal) wordt ontsloten via de Schoorse Oudedijk naar de A58, om vervolgens te worden ontsloten in oostelijke richting. In figuur x is de beoogde verkeerstoedeling weergegeven.
Figuur 4.8 De verkeerstoedeling van de beoogde ontwikkeling Beoordeling verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid De hoogste verkeerstoename vindt plaats op de Handelsweg en de Kloosterpoort, waar de beoogde ontwikkeling zorgt voor een toename van 672 mvt/etmaal. Beide wegen zijn ingericht als een erftoegangsweg-type 1 met een maximumsnelheid van 30 km/u. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt op basis van het ontwerpprincipe Duurzaam Veilig voor ETW-type I aangehouden dat een verkeersomvang van 4.000 à 6.000 mvt/etmaal zonder problemen vlot en veilig kan worden afgewikkeld. De Handelsweg en de Kloosterpoort maken geen deel uit van een doorgaande route. De wegen zijn enkel bedoeld als de ontsluitingsroute van de aangelegen bedrijven. Om deze reden wordt aangehouden dat de verkeersintensiteit op beide wegen niet dermate hoog is dat de beoogde verkeerstoename zou leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid van de wegen. De N289 is de U-route van de A58, deze wordt gebruikt als omleidingsroute in het geval de A58 gestremd is. Het verkeer vanaf het gehele bedrijventerrein wordt ook op deze weg afgewikkeld. Op de N289 is dan sprake van druk verkeer waarbij het verkeer vanaf Smokkelhoek zich bij de kruising met de Nijverheidsweg voegt. Dit is een uitzonderlijke situatie waarbij het verkeer zich stapvoets rijdend in het verkeer op de N289 voegt.
Parkeren Het parkeren gebeurt op het eigen bedrijfsperceel. Ter plaatse van de leidingstrook aan de zuidkant van het bedrijventerrein, wordt eveneens parkeren mogelijk gemaakt. Toetsing en conclusie De ligging van de planlocatie ten opzichte van het omliggende wegennet is goed. Problemen als gevolg van een
42/48
toenemende verkeersgeneratie worden dan ook niet verwacht. Parkeren wordt op eigen terrein geregeld en/ of er wordt gebruik gemaakt van de groenvoorzieing aan de zuidzijde. De uitbreiding van het bedrijventerrein leidt niet tot negatieve gevolgen ten aanzien van verkeer en parkeren.
4.12 Cultuurhistorie en archeologie 4.12.1 Cultuurhistorie Bij cultuurhistorische waarden aangaande gebouwd erfgoed gaat het over de positieve waardering van bouwsporen, objecten, patronen, structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken. Toetsing en conclusie De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.8 is te zien dat er zich ten zuiden en ten noorden van het plangebied enkele historische boerderijen bevinden. Verder is de spoorweg ook als cultuurhistorische infrastructuur aangewezen. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten of gebieden aanwezig. De uitbreiding van het bedrijventerrein heeft dan ook geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorische aspecten vragen geen bijzondere aandacht bij het opstellen van de bestemmingsregeling.
Figuur 4.8 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart (ligging plangebied in rood aangegeven) (Bron: Provincie Zeeland)
43/48
4.12.2 Archeologie Toetsingskader Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan door het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente) worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. Ten behoeve van het opstellen van het bestemmingsplan 'Smokkelhoek' in 2013 is archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. (ADC, Grootschalige veenwinning in Kapelle Smokkelhoek; maart 2013); bijlage 9. Dit onderzoek is beoordeeld door de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (4 maart 2013 kenmerk 13.U.0061); bijlage 10. Het proefsleuvenonderzoek heeft aangetoond dat binnen het huidige plangebied in het verleden op grote schaal moernering, oftewel veenwinning, heeft plaatsgevonden. De afmetingen van de moerneringskuilen varieerden sterk.
In twee gevallen is een veenwinningskuil aangetroffen in een veendam. Zowel op fysieke als op inhoudelijke kwaliteit wordt de vindplaats laag gewaardeerd. Er is geen enkele aanwijzing aangetroffen voor de aanwezigheid van een vindplaats uit de Romeinse tijd. Op basis van de lage waardering luidt het selectieadvies dat het plangebied vrijgegeven kan worden voor ontwikkeling. Toch kan niet geheel uitgesloten worden dat zich in de strook van circa 20 meter breed tussen de meest westelijke rij proefsleuven en de ten westen daarvan gelegen perceelsscheiding in de vorm van een sloot archeologische sporen en/of vondsten kunnen worden aangetroffen. Bij het opstellen van eventuele nieuwbouwplannen voor het huidige plangebied, dient hiermee rekening te worden gehouden. Toetsing en conclusie Bij het opstellen van het bestemmingsplan Smokkelhoek in 2013 is archeologisch onderzoek uitgevoerd en beoordeeld. Het plan is vrijgegeven voor ontwikkeling. Mochten er toch archeologisch waardevolle vondsten worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden dan bestaat de wettelijke meldplicht op grond van artikel 53 van de Monumentenwet.
44/48
Hoofdstuk 5
5.1
Toelichting op de juridische regeling
Wettelijk Kader
In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar.
5.2
Opzet van de bestemmingsregeling
5.2.1 Verbeelding Op de verbeelding wordt met bestemmingen en dubbelbestemmingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. Naast enkelbestemmingen die met een kleur worden aangeduid, zijn er een dubbelbestemmingen en functieaanduidingen in het plan opgenomen. Op het bij de verbeelding horende renvooi zijn de onderdelen van de verbeelding toegelicht.
5.2.2 Regels De regels zijn opgedeeld in hoofdstukken, volgens de bepalingen uit SBVP2012: Hoofdstuk 1 (inleidende regels): hierin worden de in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald; Hoofdstuk 2 (bestemmingsregels): hierin worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven; Hoofdstuk 3 (algemene regels): dit hoofdstuk bevat regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals algemene afwijkingsregels of wijzigingsbevoegdheden, de anti-dubbeltelbepaling et cetera; Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregel): dit hoofdstuk geeft het overgangsrecht weer voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Tevens is de titel van het plan opgenomen. De artikelen in Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn als volgt opgebouwd: bestemmingsomschrijving: hier wordt aangegeven welk gebruik binnen de bestemming is toegestaan; bouwregels: deze zijn onderverdeeld in de toelaatbaarheid van bouwwerken, bouwhoogte, oppervlakte en inhoud; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden: beschreven wordt of voor het uitvoeren van specifieke werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning benodigd is. Het gaat dan bijvoorbeeld om het afgraven of ophogen van grond, werkzaamheden aan beschermde stoepen.
45/48
Niet ieder bestemmingsartikel hoeft al deze elementen te bevatten. Dat is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingsartikelen bevatten in ieder geval een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
5.3
Gehanteerde bestemmingen
In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de gehanteerde bestemmingen en wat binnen deze bestemmingen is toegestaan met betrekking tot bouwen en gebruik. Artikel 3 Bedrijf De voor Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten. Er zijn bedrijven toegestaan tot en met maximaal milieucategorie 4.1. De bouwregels, afwijkingsregels en wijzgingsregels zijn overgenomen zoals die gelden in het bestaande bestemmingsplan 'Smokkelhoek'. Artikel 4 Groen De bestemming Groen is opgenomen voor de belangrijke groenstroken en de landschappelijke inpassing. In verband met de flexibiliteit zijn ook perceelsontsluitingen en langzaamverkeersverbindingen rechtstreeks toegestaan binnen deze bestemming. De aanleg van ontsluitingswegen (erftoegangswegen) en parkeervoorzieningen zijn uitdrukkelijk niet rechtstreeks toegestaan. Uitzondering hierop vormt parkeerruimte ter plaatse van de leidingstrook, voor zover dit wordt gebruikt zoals in de specifieke gebruiksregels is vastgelegd. Artikel 5 Leiding - Gas De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor een aardgastransportleiding van 20 inch en maximaal 80 bar (vastgestelde bedrijfsdruk: 66,2 bar), 4 inch en maximaal 50 bar (vastgestelde bedrijfsdruk: 40 bar). Er gelden bouw- en aanlegbeperkingen om de leiding te beschermen.
Artikel 9 Leiding - Leidingstrook Langs de zuidrand van het bedrijventerrein ligt de leidingstrook. Deze is overeenkomstig bestemd en beschermd. Binnen de leidingstrook gelden bouw- en aanlegbeperkingen. Artikel 7 Leiding - Water De bestaande drinkwaterleiding is als zodanig bestemd. Deze ligt in het westelijk deel van het plangebied onder de bestaande verharding. Er gelden bouw- en aanlegbeperkingen om de waterleiding te berschermen.
46/48
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
In het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is bepaald dat in de toelichting op het bestemmingsplan in ieder geval 'de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan' moeten zijn opgenomen. Dit volgt uit artikel 3.1.6 Bro. Het gaat daarbij over de financiële uitvoerbaarheid, waaronder de vraag of voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om het plan te realiseren. In afdeling 6.4 van de Wro is de grondexploitatiewet opgenomen. Deze afdeling regelt verplicht kostenverhaal door de gemeente. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Van een exploitatieplan kan worden afgeweken door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (overeenkomst met alle grondeigenaren in het plangebied of volledig grondeigendom). In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6.2.3. tot en met 6.2.5. Bro) als een bouwplan (6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt. De gemeente is zelf eigenaar van de grond in het plangebied. De uitgeefbare gronden zijn opgenomen in het gemeentelijk grondexploitatieplan en om die reden is het plan financieel uitvoerbaar.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro.
6.2.1 Vooroverleg Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg gepleegd te worden met besturen van gemeenten, met rijks- en provinciale diensten, etc. De provincie Zeeland en Waterschap Scheldestromen hebben beiden een reactie ingediend. Het Waterschap heeft aangegeven dat de reactie mag worden gezien als het wateradvies. De reacties hebben geleid tot een paar kleine aanpassingen en toevoegingen in de toelichting en het vastleggen van de waterberging in de regels. Provincie Zeeland, ontvangen op 24 augustus 2023 Evides, ontvangen op 23 augustus 2023 Veiligheidsregio Zeeland, ontvangen op 21 augustus 2023 Toptaste Holding BV, ontvangen op 7 september 2023 Rijkswaterstaat, ontvangen op 20 september 2023
47/48
6.2.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van xx tot xx ter inzage gelegen voor de vaststellingsprocedure (op grond van artikel 3.8, lid 1, Wet ruimtelijke ordening). Tijdens deze periode zijn 2 schriftelijke zienswijzen kenbaar gemaakt. De zienswijzen zijn samengevat en van beantwoording voorzien in bijlage XX. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn de bestemmingen Leiding - Gas en Leiding - Water opgenomen in het bestemmingsplan. Daarnaast zijn de regels in de bestemming Leiding - Leidingstrook aangepast.
48/48
bestemmingsplan
Smokkelhoek 3e herziening (Smokkelhoek Oost) Kapelle
DATUM IMRO IDN
17-07-2023 NL.IMRO.0678.smokkelhoekHZ003-VAST
PROJECT PROJECTLEIDER
J.A. van Broekhoven
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Gemeente Kapelle 20211206
AUTEUR STATUS
L. ten Braak ontwerp
Inhoudsopgave
Bijlagen toelichting
5
Bijlage 1
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.
7
Bijlage 2
Watertoets
19
Bijlage 3
Quicksan ecologie
23
Bijlage 4
Inventarisatierapport ecologie
43
Bijlage 5
Verkennend bodemonderzoek
57
Bijlage 6
Stikstofdepositieberekening
59
Bijlage 7
Geurbeleid gemeente Kapelle
163
Bijlage 8
Externe veiligheid bestemmingsplan Smokkelhoek
173
Bijlage 9
Onderzoek archeologie Smokkelhoek
201
Bijlage 10
Archeologisch advies
245
Bijlage 11
QRA Gasleidingen
249
3/280
4/280
Bijlagen toelichting
5/280
6/280
Bijlage 1
7/280
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.
17 februari 2022
1/11
17 februari 2022
Herziening BP Smokkelhoek ing. J.A. van Broekhoven Gemeente Kapelle 20211206 Mink Enthoven Concept
2/11
3/11
Het bestemmingsplan Smokkelhoek is vastgesteld op 25 juni 2013. Er zijn ondertussen ontwikkelingen gewenst die niet meer binnen het planologische kader passen. Voornaamste wijziging betreft het herbestemmen van gronden om een bedrijfsuitbreiding mogelijk te maken. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken wordt het bestemmingsplan herzien. In het Besluit milieueffectrapportage is in categorie D (sectie D 11.3) opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein m.e.r.-beoordelingsplichtig In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder deze drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Dit document bevat deze beoordeling.
In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als er sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ● de plaats van het project; ● de kenmerken van het project; ● de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: ● beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en kenmerken van het project; ● licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; ● geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling.
4/11
Het plangebied is gelegen in Kapelle. Ten zuidoosten van de kern ligt het industrieterrein Smokkelhoek ingesloten door de spoorlijn ten noorden en de A58 ten zuiden. In figuur 1 is de ligging van het plangebied globaal weergegeven. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde grondgebieden (bv. Natuurnetwerk Nederland) of gevoelig gebied (zoals een stiltegebied).
Figuur 1 Ligging plangebied (Basisviewer Rho)
Met het plan wordt het bestemmingsplan voor industrieterrein de Smokkelhoek herzien. Aanpassingen die verwerkt worden in de herziening zijn: ● De waterberging is ergens anders aangelegd dan in het bestemmingsplan voorzien. De gemeente wil de oorspronkelijke plaats van de waterberging bestemmen als Bedrijf om de grond zo te kunnen uitgeven. ● De ligging van waterlopen in het gebied is aangepast. De nieuwe feitelijke situaties wordt verwerkt op de verbeelding. ● De maximale bouwhoogte voor schoorstenen is in het geldende plan 25 meter. In verband met het beperken van de stikstofuitstoot is het niet langer wenselijke dergelijke grote schoorstenen toe te staan in het gebied. De regels worden hier op aangepast. ● Er is een rijksinpassingsplan voor de 380 kV verbinding vastgesteld na vaststelling van het bestemmingsplan Smokkelhoek. Door TenneT wordt archeologisch onderzoek uitgevoerd ter voorbereiding op de bouw van de nieuwe verbinding. Dit najaar is het onderzoek gereed. De uitkomst van dit onderzoek verwerken we in het plan. ● De raad heeft beleid voor energieprojecten vastgesteld “Bouwstenen elektriciteit”. Daarin heeft de raad akkoord gegeven voor een zonnepark aan de oostzijde van Smokkelhoek. Het is de wens dit zonnepark op te nemen in het bestemmingsplan, maar niet rechtstreeks te bestemmen.
De definitieve invulling en de bijbehorende onderzoeken zijn de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer. ● Om landschappelijke inpassing te borgen van het nieuwe bedrijfspand wordt gezorgd dat er een groene afscheiding gevormd wordt tussen de weg en het op te richten gebouw.
5/11
De voornaamste wijziging waarbij in potentie belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden is het mogelijk maken van een bedrijfsuitbreiding (punt 1). Deze locatie ligt op de zuidoostelijke punt van het industrieterrein (zie figuur 2). De toetsing voor de milieuaspecten zal met name gericht zijn op dit punt.
Figuur 2 Locatie nieuwe bedrijfsbestemming (Basisviewer Rho)
6/11
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Aspecten waarvan op voorhand aangenomen kan worden dat er geen belangrijke negatieve effecten voor optreden zijn buiten beschouwing gelaten. Deze aspecten worden wel meegenomen in de milieuafweging bij het bestemmingsplan. Voor deze beoordeling wordt per relevant sectoraal aspect een analyse gedaan om te bepalen of het plan kan leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
Het mogelijk maken van een bedrijfsuitbreiding heeft extra verkeersgeneratie tot gevolg. Daarnaast geldt er een parkeerbehoefte om te voorzien in parkeerplekken voor werknemers en bezoekers. Voor het verkeer is het belangrijk te bepalen dat het extra verkeer opgevangen kan worden op het huidige wegennet. Op basis van de uitgevoerde stikstofberekeningen wordt uitgegaan van 549,1 motorvoertuigen per etmaal, waarvan 19% vrachtverkeer en 81% personenauto’s. Het plangebied wordt ontsloten door de Kloosterpoort en Veldzichtweg. Deze beide wegen sluiten al snel aan op de N289. Gezien de goede ontsluiting van de locatie zal de verkeerstoename hier niet tot knelpunten leiden. Andere effecten zoals een afname van verkeersveiligheid zijn uitgesloten. Er is afdoende ruimte om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te vangen. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor de aspecten verkeer en parkeren zijn daarmee uitgesloten.
De beoogde milieucategorie van het op te richten bedrijf past binnen de geluidruimte. Het plan bevat verder geen nieuwe geluidgevoelige functies of geluidbronnen die tot hinderlijke situaties kunnen leiden. Voor het aspect geluid zal het plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen opleveren.
Het plan bevat geen risicovolle bronnen. De ontwikkeling maakt wel gronden geschikt om een bedrijf op te richten. Aangenomen wordt dat het om een bedrijfspand gaat waar werknemers aanwezig zullen zijn. Dat maakt het conform de definitie van het bevi een kwetsbaar object. Zowel ten noorden, ten oosten, ten zuiden als door het plangebied worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Dit vindt plaats over het spoor, de weg, het water en door buisleidingen. Ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen over land heeft AVIV RBM-II berekeningen uitgevoerd. Deze zijn bijgevoegd bij het vigerende bestemmingsplan. Uit de verrichte QRA’s blijkt het risico in alle gevallen ruimschoots onder de oriëntatiewaarde te liggen. Dit betekent dat een toename van het groepsrisico als gevolg van een enkel bedrijfsgebouw in geen geval tot onaanvaardbare risico’s zal leiden. Voor de vaarweg geldt dat het een zwarte vaarweg betreft. Deze is op circa 1.100 meter van het plangebied gelegen en vormt daarmee geen onaanvaardbaar risico. Verder is het plangebied gelegen in de schuilzone van de kerncentrale in Borsele. In het nieuwe bestemmingsplan is een verantwoording van het groepsrisico opgenomen, aangezien de verwachte toename van het groepsrisico voor enkele bronnen. Hieruit blijkt onder andere dat de locatie goed bereikbaar is en dat gebruikers naar verwachting zelfredzaam zullen zijn.
Belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect externe veiligheid zijn daarmee uitgesloten.
De beoogde planwijziging maakt een functiewijziging mogelijk ten opzichte van de huidige situatie. Hierom is er bodemonderzoek noodzakelijk om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Deze wordt uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan. Naar verwachting is de bodem afdoende voor de beoogde functie en zal de nieuwe invulling geen negatieve effecten hebben op de bodem. Belangrijke milieugevolgen zijn dan ook niet te verwachten.
7/11
Als onderdeel van het nieuwe plan wordt er verharding toegevoegd aan het plangebied. Ook wordt een bedrijfspand mogelijk gemaakt. Conform de leggers van het waterschap Scheldestromen ligt de locatie van het nieuwe bedrijfspand niet in de omgeving van een waterkering. De beoogde functiewijziging is mogelijk vanwege een alternatieve invulling voor de watercompensatieopgave als gevolg van het vigerende bestemmingsplan. De compensatie is nu ten noordoosten gerealiseerd. Deze compensatie voorziet ook in de opgave voor de beoogde planwijzigingen. Verdere effecten op het watersysteem als gevolg van het nieuwe plan worden niet verwacht. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van het oppervlakte- en grondwater dienen duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt te worden, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase van het nieuwe pand. Negatieve effecten als gevolg van het nieuwe plan op het watersysteem zijn daarmee uitgesloten.
Vanwege de functiewijziging en mogelijkheid tot het daar oprichten van een bedrijfspand moet bepaald worden of daarbij (beschermde) soorten geraakt worden. De huidige ecologische waarden in het plangebied zijn vastgesteld aan de hand van een ecologische quickscan (bijlage 1). Hieruit blijkt de geschiktheid van het gebied voor onder andere hermelijn, wezel, haas en rugstreeppad. Voor deze soorten is aanvullend onderzoek benodigd om te bepalen of de locatie beschermde functies huist. Als er beschermde functies aanwezig blijken te zijn is het nodig daar gepaste mitigerende maatregelen voor te nemen. Dit wordt getoetst door middel van een ontheffingsaanvraag. Bij het op de juiste manier doorlopen van de procedures kunnen nadelige natuureffecten uitgesloten worden.
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er zal dus ook geen sprake zijn van areaalverlies of versnippering. Gezien de afstand tot Natura 2000 en de aard van de ontwikkeling zal ook geen sprake zijn van verstoring of verandering van de waterhuishouding. Wel leidt het plan mogelijk tot vermesting of verzuring van beschermde natuur als gevolg van stiktofdepositie. Om dit te onderzoeken is met Aerius een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (bijlage 2). Uit de berekening blijkt geen sprake van een depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten.
Uit voorgaande analyse van de verschillende sectorale aspecten blijkt dat er geen mitigerende maatregelen benodigd zijn om belangrijke nadelige milieugevolgen uit te kunnen sluiten. Wel gelden er enkele uitvoeringsvereisten. Zo is het van belang dat er nog bodemonderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan. Voor ecologie is het nog nodig aanvullend onderzoek naar enkele beschermde soorten uit te voeren. Mochten er beschermde soorten aanwezig zijn dan is ook het doorlopen van een ontheffingsaanvraag nodig.
8/11
Uit de analyse van de verschillende sectorale aspecten blijkt dat er geen sprake zal zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r. procedure wordt niet noodzakelijk geacht.
9/11
10/11
11/11
Bijlage 2
19/280
Watertoets
Aanmeldformulier watertoets De watertoets of waterschapstoets geeft inzicht in de consequenties van uw plan voor de taken van Waterschap Scheldestromen. Voorafgaand aan het overleg stuurt u ons een zo volledig mogelijk ingevuld aanmeldformulier (vervang onze cursieve toelichtingen in de rechter kolom door uw invullingen). Dit formulier is de agenda voor ons contact met u (in persoon, per mail en/of telefonisch). De watertoetstabel met definitieve invullingen en eventueel aanvullende documenten is inhoudelijk gelijk aan de, wettelijk verplichte, waterparagraaf van het ruimtelijk plan. Het ruimtelijk plan vormt de basis voor ruimtelijke besluitvorming en vergunningverlening.
Uw gegevens
Gegevens initiatiefnemer (particulier/bedrijf)
Naam: Organisatie: Adres: Postcode + plaats: E-mailadres: Telefoonnummer: Datum aanvraag:
Gemeente Kapelle Kerkplein 1 4421 AA Kapelle gemeente@kapelle.nl 14 0113
Formulier ingevuld door
(werkend voor initiatiefnemer, b.v. adviesbureau)
Mevr. L. ten Braak Rho adviseurs en leefruimte Segeerssingel 6 4337 LG Middelburg
Lotte.tenBraak@rho.nl 0118-689054
Gegevens van het plan Wat is de (concept)plannaam: Waar is het plan gelegen:
Herziening Smokkelhoek
Kadastrale nummers Kapelle: S175, S493 ged., S902, S904, S905, S909, S911, S1058 ged.
Beknopte planomschrijving
Uitbreiding van bedrijventerrein Smokkelhoek aan de oostzijde.
Watertoetstabel
De watertoetstabel ondersteunt de onderbouwing van de wateraspecten in een ruimtelijk plan. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen
Het plangebied ligt volgens de Legger Waterkeringen niet binnen de kern- en beschermingszone van een waterkering.
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
2
Vermeld de totale oppervlakken (in m2) van:
dakoppervlak dichte bodemverharding doorlatende bodemverharding wateroppervlak
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
huidige situatie
na realisatie
0
32.018
0
1 2 3 4
Binnen de bedrijfsbestemming mag in totaal maximaal 70 % resp. 80% van het bouwvlak worden bebouwd met gebouwen. Dit komt op een maximum toegestaan dakoppervlak van 32.018m². Voor toename in verharding zal 75 mm waterberging per m² verharding moeten worden gerealiseerd. Nog onbekend is hoeveel er daadwerkelijk gebouwd gaat worden. Aangrenzend aan het plangebied wordt in overleg met het Waterschap een waterberging gerealiseerd die de het extra water als gevolg van de verharding kan bergen. In het bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen die de realisatie van voldoende waterberging als voorwaarde voor het gebruik van de gronden stelt. Het plangebied is niet gelegen binnen een infiltratiezone of een kwetsbaar gebied. Er is geen sprake van grondwateroverlast.
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.
Het afvalwater wordt gescheiden van het hemelwater afgevoerd via het bestaande gemeentelijke rioolstelstel en aangeboden voor zuivering. Hiervoor is het noodzakelijk dat er nieuwe aansluitingen worden aangebracht. Het hemelwater wordt afgekoppeld op het oppervlaktewater.
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Er wordt geen grondwater onttrokken ten behoeve van de ontwikkeling. De ontwikkeling veroorzaakt evenmin mogelijke wateroverlast.
Zowel tijdens de bouwfase als de gebruiksfase worden geen uitlogende materialen gebruikt. Negatieve effecten op het grondwater worden daarom niet verwacht. Er vindt geen lozing op oppervlaktewater plaats. Zowel tijdens de bouwfase als de gebruiksfase worden geen uitlogende materialen gebruikt. Negatieve effecten op het grondwater worden daarom niet verwacht
3
Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.
Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
De ontwikkeling wordt gerealiseerd in sterk zettingsgevoelig gebied. Hiermee dient rekening gehouden te worden tijdens de bouwfase. In de nabije omgeving van de ontwikkeling is geen natte natuur aanwezig. Daarom vormt de ontwikkeling hier geen belemmering voor. Aan de oostzijde en noordzijde van het plangebied ligt een primaire watergang met een beschermingszone tot 7 meter vanaf de insteek van de watergang. In de beoogde ontwikkeling wordt de beschermingszone vrijgehouden van bebouwing. De Veldzichtweg is door de gemeente aangekocht van het waterschap. Het eigendom en beheer is dus bij de gemeente. Een deel wordt meeverkocht met het bouwperceel. Er zijn geen belemmeringen voor het waterschap.
Andere belangen waterbeheer M²
elatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.
Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen? * na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?
* na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken. Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd?
Er zijn geen waterschapswegen of sloten in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied.
Nee Ja, op basis van CROW kengetallen zal er een toename zijn van 586 mvt/etmaal. Dit wordt afgewikkeld via het bestaande wegennet en niet over waterschapswegen.
Bestaande weg
* na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?
Ja nog niet bekend afhankelijk van de invulling
* na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).
Nee de weg is eigendom van de gemeente en het verkeer wordt afgewikkeld via het bestaande wegennet.
Tot slot
Wij verzoeken u het formulier zo volledig mogelijk in te vullen en met een overzichtskaart van het plan te mailen naar waterschap Scheldestromen: info@scheldestromen.nl of postbus 1000, 4330 ZW Middelburg. Het waterschap coördineert de watertoets ook voor Rijkswaterstaat als die betrokken is.
Bijlage 3
23/280
Quicksan ecologie
QUICKSCAN SMOKKELHOEK TE KAPELLE Definitief rapport
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 14-3-2022
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:
Uitvoering: Adres:
Rho Adviseurs Mevr. ten Braak Segeerssingel 6 4337 LG Middelburg 0118-689054 lotte-tenbraak@rho.nl
Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider:
ing. J. Koorevaar
Auteur: Kwaliteitscontrole:
ing. B. Albers ing. J. Koorevaar
Projectcode: Status: Datum:
RANA2221 Definitief 14-3-2022
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2
SAMENVATTING
De initiatiefnemer is voornemens braakliggend terrein open te stellen voor vestiging van bedrijven. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. In het projectgebied zijn muizenholen en struweel aanwezig die kunnen dienen als verblijfplaatsen van kleine marterachtigen zoals de hermelijn en de wezel. Het braakliggende terrein is tevens geschikt voor de haas. Tijdens de habitatscan is de haas waargenomen in het projectgebied. Het terrein is daarnaast geschikt voor de rugstreeppad als voortplantingswater, landbiotoop en winterbiotoop. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. Door het verwijderen van struweel en door de beoogde inrichting van het gebied kunnen verblijfplaatsen van de hermelijn en de wezel vernietigd worden en kunnen individuen van de hermelijn en de wezel worden gedood. Verder kunnen door de beoogde inrichting van het gebied verblijfplaatsen van de haas en de rugstreeppad vernietigd worden en kunnen individuen van de haas en de rugstreeppad worden gedood.
Directe effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het NNN en de Natura 2000-gebieden, Westerschelde & Saeftinghe en Yerseke & Kapelse Moer worden niet verwacht. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. In de Wnb (artikel 2.9a) is een partiële vrijstelling geïntroduceerd van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector. De gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door aangewezen activiteiten (o.a. bouwen, slopen, vernieuwen, veranderen en vergroten) van de bouwsector worden buiten beschouwing gelaten. Voor de realisatiefase is derhalve geen vergunning benodigd. In de gebruiksfase vindt er na de werkzaamheden een verandering van gebruik plaats. Hiertoe heeft een Aerius-berekening plaatsgevonden en is door provincie Zeeland een beschikking afgegeven. Er is nader onderzoek naar kleine marterachtigen, haas en de rugstreeppad benodigd, alvorens men met de werkzaamheden kunnen aanvangen. Indien er beschermde functies voor marterachtigen, haas en de rugstreeppad worden aangetroffen tijdens aanvullend onderzoek is er een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig voor de uitvoering van de werkzaamheden. Voor het verkrijgen van de ontheffing dienen er mitigerende maatregelen worden getroffen.
Er wordt aanbevolen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) plaats te laten vinden. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen broedgevallen worden verstoord. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaatsvinden, dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen en zich te houden aan de algemene zorgplicht. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
3
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding ...................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel .................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 5 1.2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 5 1.2.2 Soortbescherming ................................................................................................................. 6 1.2.3 Ontheffing en gedragscode ................................................................................................... 7 1.3 Leeswijzer ................................................................................................................................ 7 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen ............................................................................................... 8 Projectgebied ........................................................................................................................... 8 Ontwikkelingen......................................................................................................................... 8
3 Soortbescherming ...................................................................................................................... 9 3.1 Bronnenonderzoek ................................................................................................................... 9 3.2 Habitatscan.............................................................................................................................. 9 3.2.1 Zoogdieren ........................................................................................................................... 9 3.2.2 Vogels ................................................................................................................................ 10 3.2.3 Amfibieën ........................................................................................................................... 10 3.2.4 Reptielen ............................................................................................................................ 10 3.2.5 Vissen ................................................................................................................................ 10 3.2.6 Ongewervelden ...................................................................................................................
10 3.2.7 Vaatplanten ........................................................................................................................ 10 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ........................................................... 11 3.3 Effecten ................................................................................................................................. 11 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ....................................................................................................... 11 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming .................................................... 12 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied............................................................................ 12 3.4.2 Mitigerende maatregelen ..................................................................................................... 12 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming...................................................................................... 12 4 4.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 13 Effecten ................................................................................................................................. 13
5 5.1 5.2
Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................. 14 Conclusies ............................................................................................................................. 14 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 14
6
Literatuur .................................................................................................................................. 15
Bijlage 1: Foto-impressie .................................................................................................................... 16 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ....................................................................................... 17
4
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL
De initiatiefnemer is voornemens braakliggend terrein open te stellen voor vestiging van bedrijven. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
5
1.2.2
SOORTBESCHERMING
Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.