CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-34a D23.291209 Ontwerpbestemmingsplan Frisostraat BP Frisostraat 2 Schore incl bijlagen pdf versie

Raadsvergadering 26 september 2023, gemeente KapelleBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Frisostraat29.682 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Later werden zulke heuvels ten onrechte ‘vliedbergen’ genoemd. 31 De parochie Schore is halverwege de 13 de eeuw gesticht; deze parochie is afgesplitst van die van Vlake. In 1250 verkreeg de abdij van Sint-Bernard aan de Schelde gronden in Schore en exploiteerde hier een kloosterboerderij. In 1266 verkocht de abdij deze (en andere) bezittingen aan het Victorinnenklooster Jeruzalem in Biezelinge. Het Biezelingse klooster oefende in Schore het patronaatsrecht uit: het recht om de patroonheilige van de kerk vast te stellen en een pastoor voor benoeming voor te dragen. Dit laatste wordt ook collatierecht genoemd. 32 In Schore werd een kapel gesticht waarvoor de nonnen van het klooster van Biezelinge verantwoordelijk waren. De dorpskerk van Schore is in de 15de eeuw voltooid; dit was een zogenoemde kruiskerk, die op een zeker moment is verkleind en in de 20ste eeuw is vervangen. 33 Het is niet bekend aan welke heilige(n) de kerk was gewijd. In de directe nabijheid van de Eeweg had het klooster Jeruzalem een kloosterstede (zie figuur 14). Een document uit halverwege de 14 de eeuw noemt deze kloosterstede als een uithof. Volgens Dekker kan worden gesproken van een grangia (grote hoeve). 16de -Eeuwse overl0pers spreken van de “Houck daer cloesterste in plach te staene, tusschen den Steenwech ende den Eewech.

”.34 Dit betekent dat deze kloosterstede zich ten (west)zuidwesten van het plangebied bevond. Door de verslechtering van de moergebieden werd Schore in zijn bloei en groei belemmerd. Sommige nederzettingen konden door de verslechtering van de moergebieden helemaal niet uitgroeien tot dorp; dit gold bijvoorbeeld voor Westdorp, ten zuidwesten van Schore. Gaandeweg raakte het klooster Jeruzalem in verval; in de tweede helft van de 16de eeuw kwam het aan zijn einde door de officiële invoering van het protestantisme. 35

30 Dekker 1971: 204-205. Het jaar 1248 als ontstaansdatum van het krekensysteem lijkt ons echter te laat. Omstreeks

diezelfde tijd werd Schore immers al een parochie; op dat moment moet er dus al een nederzetting hebben bestaan, en daarmee ook de onderliggende kreekrug. Ook zou het impliceren dat dijkherstel na de veronderstelde dijkbreuk zeer lang is uitgebleven; om zich te vormen, heeft een kreekrug immers langdurig getijdenwerking nodig. 31 https://www.kapelle.nl/canon-van-kapelle. Vooralsnog is van één vroegere vlied- of motteberg de locatie vastgesteld; deze bevond zich direct ten oosten van de noordelijke helft van het plangebied (zie hoofdstuk 2.4 in voorliggend rapport en De Kort 2006: 5-6). 32 https://www.kapelle.nl/geschiedenis; https://www.kapelle.nl/canon-van-kapelle. 33 Van Ysseldijk 1968: 201. 34 Dekker 1971: 205. 35 https://www.kapelle.nl/geschiedenis; https://www.kapelle.nl/canon-van-kapelle.

27

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Figuur 14 Overzichtskaart met o.a. 12 de-eeuwse dijkaanleg. De ligging van het plangebied wordt bij benadering aangegeven met een rode pijl. Bron: Dekker 1971: 100, afb. 15.

Bij de grote overstromingen in de 16 de eeuw bleef de Westwatering gespaard. De oostelijke grens, bestaande uit de Zanddijk en de Molendijk, werd na de stormvloed van 1530 versterkt tot zeewering, aangezien het ten oosten hiervan gelegen poldergebied (de Oostwatering) op dat moment geheel overstroomde. 36 Illustratief daarvoor is figuur 15, waar de gele pijl bij benadering het plangebied aanduidt. Ten oosten van Yerseke, aangeduid als ‘Yersicken’ (rechts op onderstaande figuur) staat het Verdronken Land van Zuid-Beveland weergegeven, inclusief vele verdronken nederzettingen, waaronder de stad Reimerswaal (‘Reymerswale’). Schore staat weergegeven als een kerkdorp ter hoogte van een kruispunt. De wegen lopen respectievelijk naar het noordwestelijk gelegen Biezelinge (‘Bieselingen’), het noordoostelijk gelegen Vlake (‘Vlackee’), de oostelijk gelegen Zanddijk en de westelijk gelegen zeedijk.

36 Wilderom 1968: 115-116.

28

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Figuur 15 Ligging plangebied bij benadering (gele pijl) op uitsnede uit Ostium Scaldis, Kaart van de Zeeuwse Delta, door C. Sgrooten, 1573. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België.

Een kaart van Visscher en Roman (figuur 16) geeft de situatie in de 17de eeuw weer. De kaart is vaak schematisch en de maatvoering klopt niet overal. Ten noordwesten van Schore staat nabij Biezelinge (‘Bieselingen’) nog ‘’t Klooster’ vermeld, dat toen niet meer als zodanig in gebruik was. Schore staat weergegeven als een kerk met een aantal huizen, op een knooppunt van wegen die een driehoekige ring vormen. Het plangebied is vanwege de geringe nauwkeurigheid niet precies op deze kaart te projecteren.

29

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Figuur 16 Globale ligging van het plangebied, aangegeven met rode cirkel, op uitsnede van een kaart van Visscher en Roman uit de tweede helft van de 17de eeuw. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I, nr 428.

Kaartmateriaal van Hattinga (figuur 17) uit het midden van de 18 de eeuw is betrouwbaarder en schaalvaster dan de kaart van Visscher en Roman. De kaart geeft meer bebouwing en wegen aan, alsook enkele namen van wegen. De ‘Schoorse Soutweg’ ten zuidoosten van Schore heeft de loop en ligging van de tegenwoordige Zandweg. Misschien is deze naamsaanduiding niet correct, omdat de Kadastrale Minuut (1811-1832) niet deze weg, maar de ten noorden hiervan gelegen ontsluitingsweg (de tegenwoordige Haaimeet) aanduidt als ‘De Schoorsche Zoute Weg’. Het dorp staat binnen ‘De Heerlykheit Schore’ afgebeeld als een ringdorp. Het stratenpatroon vertoont een aantal parallellen met de huidige situatie. Ten westen van de ring lijkt de Frisostraat / Eeweg te staan weergegeven, al staat de weg niet met naam aangeduid. Het plangebied valt ten noorden van deze weg en ten westen van de ring te situeren. Hier geeft Hattinga bebouwing aan, maar de kaart is niet precies genoeg om te kunnen vaststellen of deze bebouwing ter plaatse van het plangebied te situeren is.

30

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Figuur 17 Situering van het plangebied (rode cirkel; bij benadering) op een uitsnede van kaart uit omstreeks 1750, vervaardigd door Hattinga. Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland.

De Kadastrale Minuut (1811-1832), opgemeten ten behoeve van het heffen van grondbelasting, toont voor het eerst individuele percelen en bebouwing op een gedetailleerde en schaalvaste manier. Het plangebied valt hier met vrij hoge nauwkeurigheid op te projecteren (figuur 18). Het wegenpatroon dat de kaart laat zien in de omgeving van Schore, komt voor een groot deel overeen met het tegenwoordige wegenpatroon. De huidige Frisostraat wordt op de kaart aangeduid als deel van de Zandstraat. Aan de westzijde van het plangebied loopt een kromme waterloop (zonder naamsaanduiding) vanaf de weg in noordelijke richting. Deze waterloop valt deels samen met de westelijke begrenzing van het plangebied. Tegenwoordig is een restant van deze waterloop nog terug te vinden ten noorden van het plangebied. Uit de Kadastrale Minuut blijkt dat het plangebied in de eerste helft van de 19 de eeuw deel uitmaakte van vijf verschillende percelen. Aan de zuidzijde maakte het deel uit van een groter perceel met bebouwing. Uit de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels blijkt dat het gaat om het huis en erf van burgemeester Adriaan Cornelisse Rottier. Een deel van dit grote huis met een deel van het erf valt binnen het plangebied te situeren. Volgens een eerder bureauonderzoek naar een onderzoeksgebied elders in Schore is de burgemeesterswoning waarschijnlijk in mei 1940 verwoest of beschadigd geraakt.

37 Een aangrenzend kleiner, vierhoekig perceel, dat in zijn geheel binnen het plangebied valt, was de tuin van de burgemeester. De drie ten noorden hiervan gelegen percelen waarvan het plangebied deel uitmaakt, waren respectievelijk een tuin, een weiland en het erf (met huis) van ‘bouweres’ Catharina Houtvers uit Schore. Haar huis valt buiten het plangebied te situeren, namelijk ten noorden van de kerk.

37 De Kort 2006: 6.

31

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Figuur 18 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op een uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.

In de 19de eeuw waren er belangrijke veranderingen te zien in het landschap, bijvoorbeeld door de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland en de spoorweg. Op een kaart van Schore uit de Gemeente-atlas van Zeeland uit 1866 (figuur 19) zijn beide vernieuwingen weergegeven, respectievelijk ten oosten en ten noorden van Schore. Een projectie van het plangebied (bij benadering) geeft de indruk dat de bebouwing in het zuiden van het plangebied zich meer richting het westen uitstrekte. Omdat de maatvoering op deze kaart minder nauwkeurig is dan die van de Kadastrale Minuut, is niet duidelijk in hoeverre het gaat om dezelfde bebouwing als die op de Kadastrale Minuut. Er kan eventueel ook sprake zijn van een opvolger of westelijke aanbouw van de burgemeesterswoning.

32

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Figuur 19 Projectie van het plangebied (rode polygoon), bij benadering, op een kaart uit de Gemeente-atlas van Zeeland (J. Kuyper, 1866). Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I, nr 484.

In de 19de eeuw leefde de fruitteelt sterk op. Ook in de omgeving van Schore werd fruit geteeld. 38 Op kaartmateriaal (figuur 20) is te zien dat de noordelijke helft van het plangebied in de vroege 20 ste eeuw in gebruik was als boomgaard. In die periode was de bebouwing langs de Frisostraat toegenomen. Ook in de zuidelijke helft van het plangebied staat nog steeds bebouwing weergegeven. Het is ook hier niet duidelijk of het om dezelfde bebouwing gaat of om een opvolger uit de latere 19 de , of vroege 20ste eeuw. Ten noorden van de bebouwing staat in de vroege 20 ste eeuw tevens een bijgebouwtje weergegeven. De noord-zuid georiënteerde waterloop ten westen van het plangebied is in zijn oude vorm niet meer weergegeven op kaartmateriaal vanaf de 20 ste eeuw. De kerk van Schore was begin 20ste eeuw zo vervallen dat deze, op de toren na, werd gesloopt en herbouwd. Bij de Duitse inval in 1940 werd bijna het hele dorp in puin geschoten. De kerk werd hierop in zijn geheel gesloopt inclusief de middeleeuwse toren en opnieuw herbouwd. In de zomer van 1944 werd Schore opnieuw getroffen, dit keer door geallieerde bombardementen. 39 De bebouwing is uit het plangebied verdwenen op naoorlogs kaartmateriaal. Vanaf toen bleef het hele plangebied onbebouwd en in gebruik als boomgaard.

38 Van Ysseldijk 1968: 18, 475-480. 39 https://www.kapelle.nl/canon-van-kapelle.

33

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

1916

1950

1962

1985

1995

2005

Figuur 20 Plangebied (roze polygoon) geprojecteerd op topografische (militaire) kaarten tussen 1916 en 2005. Bron: Esri Nederland, Kadaster.

Samenvatting Het plangebied maakt deel uit van het oude poldergebied de Breede Watering bewesten Yerseke. Het ligt aan de rand van de dorpskern van het middeleeuwse dorp Schore, dat halverwege de 13 de eeuw als parochie werd genoemd. Het dorp is ontstaan op een kreekrug. In de omgeving van het plangebied bevonden zich in de Middeleeuwen naar verluidt één of twee mottes en een kloosterboerderij. Er werd in de wijde omgeving van het plangebied aan moernering gedaan. Schore is altijd een kleine woonkern gebleven. In de eerste helft van de 19 de eeuw maakte een zuidelijk deel van het plangebied deel uit van een woonhuis en erf, die op dat moment toebehoorden aan de burgemeester. Het is niet uit te sluiten dat ook voor die tijd al bebouwing in het plangebied aanwezig is geweest. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de bebouwing verdwenen en is het hele plangebied in gebruik geweest als boomgaard.

34

ARTEFAC T RAPPORT 730

2.3.2

SCHORE FRISOSTRAAT

Verstoringsgeschiedenis

De geraadpleegde gegevens geven een aantal aanwijzingen voor mogelijke verstoringen in het plangebied. Historische gegevens Bij het gebruik van het plangebied als boomgaard, kan bewerking van het land en de doorworteling van de bomen tot verstoringen hebben geleid. Ook kunnen plaatselijk verstoringen aanwezig zijn door toedoen van (vroegere) perceelsgreppels. In het zuiden van het plangebied hebben tenminste één woning en een bijgebouw gestaan, die vermoedelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gesloopt. Restanten van deze bebouwing en het bijbehorende erf, met funderingsresten, uitbraaksleuven, putten etc. zullen de natuurlijke ondergrond in zekere mate hebben verstoord. Gezien de (mogelijke) ouderdom worden dergelijke resten in voorliggend rapport vooralsnog niet behandeld als verstoringen, maar als archeologische resten (hoofdstuk 2.6). Bodemgegevens Op de websites Bodemrapportage Zeeland 40 en het Bodemloket 41 zijn met betrekking tot het plangebied geen bodemonderzoeken of saneringen bekend. KLIC De graafmelding leert dat binnen de contouren van het plangebied geen verstoringen door kabels en leidingen te verwachten zijn. Archief, opdrachtgever Bij de opdrachtgever zijn geen mogelijke verstoringen in het plangebied bekend.

Raadpleging van (de websites van) het Zeeuws Archief en Beeldbank de Bevelanden heeft geen aanvullende informatie opgeleverd omtrent mogelijke verstoringen in het plangebied.

40 https://zeeland.nazca4u.nl/Rapportage/, geraadpleegd op 13 september 2022. 41 https://www.bodemloket.nl/, geraadpleegd op 13 september 2022.

35

ARTEFAC T RAPPORT 730

2.4

SCHORE FRISOSTRAAT

Archeologische waarden

In dit hoofdstuk worden de archeologische resten en onderzoeken besproken die in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Om hiervan een goed overzicht te krijgen, is een straal van 800 m rond het plangebied aangehouden (figuur 21).

Figuur 21 Monumenten, onderzoeken en vondstlocaties. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

Archeologische Monumentenkaart (AMK) De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als een statisch bestand kan worden beschouwd. (Een deel van) de monumententerreinen werden opgenomen op de gemeentelijke beleidskaarten en benoemd als gemeentelijke vindplaats. De wettelijk beschermde monumenten, waarvoor het rijk bevoegd is, worden enkel op de AMK weergegeven. Het grootste deel van het plangebied maakt deel uit van een AMK-terrein van hoge archeologische waarde (AMKterrein 13454), namelijk de oude dorpskern van Schore, daterend uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Als parochie wordt Schore genoemd in 1251. Het dorp is herhaaldelijk getroffen door overstromingen. Vermoed wordt dat de streek zwaar te lijden heeft gehad van een dijkdoorbraak in 1248. Ten zuidoosten of ten noordoosten van de kerk lag een vlied- of motteberg, die in het midden van de 19de eeuw is geslecht.42 De contouren van het AMK-terrein komen 42 De Kort (2006: 5-6) heeft vastgesteld dat de vlied- of motteberg circa 80 m ten noordnoordwesten van de kerk heeft

gelegen.

36

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

niet overeen met die van de gewaardeerde dorpskern die het gemeentelijke beleid aangeeft (hoofdstuk 1.3). De gewaardeerde dorpskern strekt zich aan de oost- en westzijde verder uit dan het AMK-terrein, omdat in het gemeentelijke beleid de begrenzing van het bebouwde gebied rond 1830 is aangehouden. 43 Verder bevinden zich in een straal van 800 m rond het plangebied geen AMK-terreinen. Gemeentelijke terreinen van archeologische waarde Naast de AMK-terreinen is er ook informatie van waarnemingen en vindplaatsen bekend van andere archeologische terreinen, die niet op de AMK zijn opgenomen. In opdracht van de gemeente heeft de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland een analyse uitgevoerd van deze waarnemingen en vindplaatsen. Het resultaat van deze analyse is een catalogus van vindplaatsen die met een fysieke begrenzing zijn opgenomen in de gemeentelijke beleidsadvieskaart als een terrein van archeologische waarde. Binnen een straal van 800 m rond het plangebied bevindt zich één zo’n terrein (KAPE-2; zie ook vondstlocatie 15 en De Kort 2006: 5-6). Dit terrein begrenst de noordelijke helft van het plangebied aan de oostzijde en overlapt deels met AMK-terrein 13454. Het betreft een in de 19de eeuw afgegraven vliedberg/motte/kasteelheuvel, daterend uit de Late Middeleeuwen A (1050 1250 n. Chr.).

De begrenzing is bepaald aan de hand van een luchtfoto uit maart 2009 in combinatie met een zeer sterke indicatie van de locatie op basis van schriftelijke bronnen. Een waarderend archeologisch onderzoek zal definitief moeten uitwijzen of er sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. 44 Eerder uitgevoerd onderzoek en vondstlocaties Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat binnen het plangebied nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden en nog geen archeologische vondstlocaties bekend zijn. In een straal van 800 m rondom het plangebied zijn echter meerdere onderzoeken uitgevoerd, die in de onderstaande tabel worden opgesomd. De nummers corresponderen met de groene nummers op figuur 21. Nr.

Uitvoerder

Aard en resultaten onderzoek

1

Onderzoek nummer 2077297100

RAAP

Aanvullende Archeologische Inventarisatie (2001) op een terrein aan de oostzijde van de Vlaketunnel (gemeente Reimerswaal) langs de A58. Rapport niet online beschikbaar.

2

2097669100

RAAP

Bureau- en booronderzoek (2005) Zandweg. 45 Tot circa 2 - 3 m -mv/ 1,76 - 2,71 m -NAP komen Afzettingen van Duinkerke voor. De aanwezigheid van een puinspikkel in een zandlaag op 1,25 m -mv/ 1,47 m -NAP doet vermoeden dat minstens een gedeelte van deze afzettingen te rekenen is tot de Afzettingen van Duinkerke III(a). De afzettingen worden naar onder toe zandiger en kunnen geïnterpreteerd worden als kreekafzettingen. Onder de Afzettingen van Duinkerke komt bosveen voor. De overgang van veen naar Afzettingen van Duinkerke is in alle boringen scherp en erosief. De Afzettingen van Calais bestaan uit matig tot uiterst siltige klei met enkele siltlagen. De top is doorworteld met riet. De top van de Afzettingen van Duinkerke is sterk geroerd; mogelijk is een gedeelte van het pakket te interpreteren als een ophogingslaag. Tijdens het booronderzoek is een vindplaats aangetroffen (zie vondstlocatie 14). Vermoedelijk betreft het een boerderijplaats van na het midden van de 17de eeuw en mogelijk veel jonger; deze wordt niet als behoudenswaardig beschouwd. Er zijn geen aanwijzingen voor oudere bewoning aangetroffen. Advies: geen vervolgonderzoek.

43 Brugman et al. 2011: 14. 44 Brugman et al. 2011: bijlage 2-3. 45 De Kort 2006.

37

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Het bureauonderzoek heeft geleid tot een zoektocht naar de vliedberg of motte van Schore, maar geconcludeerd is dat deze ten noorden van de kerk heeft gelegen; zie vondstlocatie 15. 3

2124981100

RAAP

Archeologisch vooronderzoek (2006). Geen rapport beschikbaar.

4

2154570100

RAAP

Archeologische begeleiding (2007) gasleiding. In de omgeving van het huidige plangebied is het tracé echter niet begeleid.

5

2193507100

RAAP

Booronderzoek beschikbaar.

6

2242285100

Becker & Van de Graaf

Booronderzoek (2009) M. Broersweg. 46 Een dun, vermoedelijk marien kleidek dekt een dik pakket veen af. In het grootste deel van het plangebied is het veen afgegraven voor de winning van zout en brandstof. Ook het kleidek is verstoord, zoals blijkt uit de zandbrokken die zijn aangeboord. In slechts één boring bleek de top van het veen intact, maar ook hier is het kleidek omgewerkt. Geen vervolgonderzoek geadviseerd.

7

2384010100

ADC

Proefsleuvenonderzoek (2012) bedrijventerrein Smokkelhoek. 47 Het proefsleuvenonderzoek heeft aangetoond dat er op grote schaal moernering heeft plaatsgevonden. In 25 van de 29 proefsleuven zijn moerneringskuilen/-putten aangetroffen; ook zijn in sommige sleuven veendammen aangetroffen. De veenwinningsputten zijn na de veenwinning dicht geworpen met brokken veen, klei en zavel. Er zijn enkele fragmenten aardewerk verzameld, afkomstig uit moerneringskuilen. Deze dateren deels uit de late 12de of 13de eeuw en deels uit de late 18de of 19de eeuw. Dit vormt mogelijk een aanwijzing dat nog in deze periode moernering heeft plaatsgevonden. Van een eventuele vindplaats uit de Romeinse tijd zijn geen sporen of vondsten aangetroffen. Advies: vrijgeven voor ontwikkeling, wel rekening houden met mogelijke Romeinse vindplaats aan westzijde onderzoeksgebied (i.v.m. Romeinse vindplaats KAPE-3 ten westen van onderzoeksgebied).

8

2387487100

Sweco

Bureauen booronderzoek (2013) mastvoeten hoogspanningsverbinding. 48 Voor locaties 1060 en 1061, die het dichtstbij het huidige plangebied liggen, geldt na het booronderzoek: een middelhoge verwachting voor het Laagpakket van Walcheren (0,30 m -mv/ 1,04 – 1,56 m -NAP), een hoge verwachting voor het Hollandveen Laagpakket (0,55 m -mv/ 1,21 – 1,81 m -NAP), een lage verwachting voor het Laagpakket van Wormer en geen verwachting voor het Pleistoceen.

9

2475809100

ADC

Proefsleuvenonderzoek (2015) Smokkelhoek. 49 Tijdens het onderzoek zijn drie moerneringskuilen, een paalkuil en een greppel aangetroffen (vondstlocatie nr. 17). De greppel is van latere datum. De paalkuil is waarschijnlijk gegraven ten tijde van het moerneren. Hiermee zijn voornamelijk restanten aangetroffen die te relateren zijn aan het moerneringsproces, zoals ook veelvuldig is aangetroffen uit de directe omgeving. Geen vondstmateriaal. Advies: geen vervolgonderzoek.

46 Blom 2009. 47 Bouma 2013. 48 Besuijen et al. 2015. 49 Loopik 2016.

(2008) Smokkelhoek.

Rapport

niet

online

38

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

10

2476368100

SOB

Booronderzoek (2015) Gemaal Schore. 50 In het grootste deel van het onderzoeksgebied liggen onder de bouwvoor Afzettingen van Duinkerke IIIb/ II op Hollandveen, op Afzettingen van Calais IV. In een klein aantal boringen was het veen niet meer intact door moernering dan wel erosie. Elders was het veen intact aanwezig op 0,70 – 1,60 m -mv/ 0,83 – 2,3 m -NAP, hetgeen leidde tot een hoge verwachting voor de IJzertijd en Romeinse tijd. Ook voor (infrastructurele) resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd was de verwachting hoog, alsook voor resten uit het Laat-Neolithicum – Vroege Bronstijd in de top van Calais, op 2,80 – 3,05 m -mv/ 2,40 – 4,60 m -NAP. Advies: vervolgonderzoek.

11

3292726100

RAAP

Proefsleuvenonderzoek (2015-2016) Gemaal Schore. 51 Het onderzoek heeft geen archeologische sporen uit de IJzertijd of Romeinse tijd opgeleverd. Wel is een groot aantal moerneringskuilen aangetroffen. Het gaat zowel om incidentele als systematische moernering. Op basis van aardewerk dat in sommige kuilen is gevonden (vondstlocatie nr. 18), kan de moernering vermoedelijk in de 15de eeuw, maar mogelijk ook daarna geplaatst worden. Ook zijn enkele jongere sporen uit de Nieuwe tijd aangetroffen in de vorm van greppels. Er is sprake van wadafzettingen die door veen overgroeid zijn geraakt. De bovenkant van het veen is in het grootste deel van het plangebied veraard. Op het veen zijn kwelderafzettingen gevormd, die nog slechts in enkele delen van het tracé aanwezig zijn. Op het veen, dan wel de kwelderafzettingen, zijn poelafzettingen gevormd. In verschillende delen van het tracé is, in tegenstelling tot wat verwacht werd, sprake van smalle geulen die zich hebben ingesneden tot in het veen. Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van (waardevolle) archeologische resten in het onderzoeksgebied. Advies: geen vervolgonderzoek.

12

4643247100

RAAP

Bureauonderzoek (2018) Sluizen Hansweert en Vlakebrug.

13

4716893100

RAAP

Vervolg op onderzoek nr. 8. 52 In de omgeving van het huidige plangebied heeft één proefsleuvenonderzoek plaatsgevonden (locatie 1060). Bovenin het Laagpakket van Walcheren is in één profiel een laklaag of vegetatieniveau aangetroffen, die elders mogelijk in de bouwvoor is opgenomen. Het Laagpakket van Walcheren bestaat uit poelafzettingen. De overgang van de poelafzettingen naar het Hollandveen is erg rommelig in alle profielen. Het gaat om zogenoemde load casts, een natuurlijk fenomeen. Geen aanwijzingen voor een vindplaats; geen vervolgonderzoek. Locatie 1061 is niet onderzocht.

In onderstaande tabel worden de vondstlocaties opgesomd die bekend zijn in een straal van 800 m rond het plangebied. De nummers corresponderen met de blauwe nummers in figuur 21. Nr.

Vondst locatie

Datering

Aard van de vondsten

14

1079697

NTM-NTL

Ondetermineerbaar aardewerk, complextype huisplaats. Hoort bij onderzoek nr. 2.

50 Ras 2015. 51 De Groot 2017. 52 De Groot 2022.

39

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

15

1081236

MELA-MELB

Ophogingslaag; complextype: mottekasteel. Volgens De Man heeft in Schore een zogenaamde vluchtberg gelegen. 53 Deze is rond 1850 afgegraven. De locatie van deze afgegraven motte- of vliedberg kan aan de hand van de beschrijving echter slecht bepaald worden. Volgens De Man lag de heuvel ten zuiden of ten oosten van de kerk en achter de hoeve van wethouder Rijn. Langs de heuvel zou een voetpad gelopen hebben, dat bekendstond als de Bergweg en naar het strand of de Zoutenweg leidde. Ook zouden er nog sporen zijn van een sloot die het weiland omgaf. Op dinsdag 1 november 2005 is dhr. De Klerk bij dhr. Chr. Rijn, Molenweg 10 te Schore, op bezoek geweest. Rijn is een kleinzoon van de door De Man bedoelde wethouder; hij heeft zijn hele leven in Schore gewoond. Het huis van zijn grootvader is inmiddels afgebroken, maar stond op perceel D461, ongeveer 120 m ten noorden van de kerk. De heuvel heeft gelegen op perceel D463, waar tegenwoordig op het hoogste punt een paardenbak ligt. Het door De Man beschreven pad (Bergweg) staat aangegeven op de Kadastrale Minuut, evenals de ronde sloot. Hoort bij onderzoek nr. 2.

16

1110338

MEL

Ophogingslaag; complextype: mottekasteel. Particuliere melding. Tijdens onderzoek nr. 2 is echter geconcludeerd dat niet op deze vondstlocatie, maar op vondstlocatie 15 een vlied- of motteberg heeft gelegen. 54

17

1118670

MEL-NT

Moerneringskuilen/-putten en een greppel/sloot. Hoort bij onderzoek nr. 9.

18

1143237

ME-NT

Greppel/sloot, paalgat/paalkuil en kuil; fragmenten aardewerk, dakpan, glas. Grotendeels te relateren aan moernering. Hoort bij onderzoek nr. 11.

19

1145126

MELB-NTL

Tijdens rioolwerkzaamheden (2013) naast het dorpshuis te Schore werden menselijke skeletresten aangetroffen. Het is hoogstwaarschijnlijk afkomstig van een kerkhof uit de Late Middeleeuwen. De botten zijn herbegraven in een gemeentelijke knekelput.

Uit bovenstaande komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied archeologische resten bekend zijn uit de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. De oudste hiervan betreft resten van een vlied- of motteberg uit de Late Middeleeuwen A. Deze lag net ten oosten van het plangebied. De berg is afgegraven in de 19de eeuw, maar in de ondergrond kunnen nog restanten aanwezig zijn. Ook komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied veel moernering heeft plaatsgevonden. Niettemin wordt het Hollandveen soms plaatselijk nog intact aangetroffen. Vindplaatsen in of op het Hollandveen zijn in een straal van 800 m rond het plangebied echter nog niet aangetroffen. Ditzelfde geldt voor vindplaatsen van nog grotere ouderdom in de top van het Laagpakket van Wormer. Oudere archeologische resten op Zuid-Beveland In de wijdere omgeving zijn wel resten uit periodes vroeger dan de Late Middeleeuwen bekend. Uit de Romeinse tijd zijn op Zuid-Beveland meerdere resten van veenwinning/-ontginning gevonden. 55 Een belangrijke vindplaats is Ellewoutsdijk, waar meerdere huisplaatsen uit de Romeinse tijd zijn opgegraven. 56 Bij ’s-Heer Abtskerke zijn uit deze periode ovenstructuren gevonden, waarvan wordt vermoed dat deze werden gebruikt voor de productie van kalkmortel, of wellicht zoutproductie.

57 Dichterbij het plangebied, namelijk 1.200 m ten noordwesten ervan, bevindt zich de gemeentelijke vindplaats KAPE-3 met resten uit de Romeinse tijd. Dit betreft twee haardkuilen en een houten constructie, die waarschijnlijk niet als restant van een boerderij of stal kan worden geïnterpreteerd. De haardkuilen lijken een industriële functie te hebben gehad, mogelijk zoutpannen. 58 Uit de Vroege Middeleeuwen kunnen resten 53 De Man 1897. 54 De Kort 2006: 5-6. 55 De Clercq & Van Dierendonck 2008: 22; Van Heeringen et al.1995. 56 Sier 2003. 57 Van Dierendonck 2012: 48. 58 Brugman et al. 2011: bijlage 2-3.

40

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

van kleinschalige bewoning verwacht worden in de vorm van schaapsboerderijen, die verspreid lagen over het schorrengebied. Er werden in deze tijd woonhoogtes opgeworpen; op Zuid-Beveland zijn vroege exemplaren hiervan gevonden in Abbekinderen en Wemeldinge. 59 Overige meldingen Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD; mail helpdesk archeologie d.d. 6 september 2022) heeft geen aanvullende informatie opgeleverd met betrekking tot het plangebied. Wel leverde het ZAD informatie over een booronderzoek dat is verricht in 2002 aan de Steenweg (centrumcoördinaat 57.900 / 386.100), circa 1.000 m ten zuidwesten van het plangebied. In de dertien verrichte boringen werden kleiige Duinkerke-afzettingen, op Hollandveen, op Calais-klei aangetroffen. Het Hollandveen was in de meeste boringen intact; in drie boringen was het veel deels geërodeerd door een geulinsnijding. De top van het veen bevond zich op diepten vanaf circa 0,90 m -mv60, de top van Calais werd in één boring bereikt, op 2,55 m -mv. 61 Archeologische indicatoren zijn niet aangetroffen; aanwijzingen voor moernering evenmin. 62 Luchtfotoanalyse Luchtfoto’s kunnen aan de hand van herkenbare soil- en/of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen in de bodem. Ook kunnen ze aanvullende informatie geven over mogelijke verstoringen.

In het kader van dit onderzoek zijn meerdere luchtfoto’s geraadpleegd: foto’s gemaakt door de Royal Air Force tijdens de Tweede Wereldoorlog (Wageningen University), luchtfoto’s uit 1959 en 1970 (Geoloket Atlas van Zeeland), 1989 en 2003 (Foto-atlas Zeeland) en satellietfoto’s uit 2003 t/m 2021 (Geoloket Atlas van Zeeland). Meerdere hiervan, waaronder uit 2008 en 2009 (figuren 22 en 23), geven een duidelijke indicatie van de ligging van het restant van de middeleeuwse vlied- of motteberg, die in Archis bekendstaat als vondstlocatie 15 en in het gemeentelijk beleid als vindplaats KAPE-2. De kromme loop van de perceelsgrens ten noorden hiervan is door de vroegere aanwezigheid van de berg te verklaren; deze kromme perceelsgrens is ook al te zien op de Kadastrale Minuut. Op luchtfoto’s van na 2011 wordt de vindplaats gedeeltelijk afgedekt door een paardenbak. Voor andere vindplaatsen of andere bijzonderheden in of nabij het plangebied zijn op de bestudeerde luchtfoto’s geen aanwijzingen gezien.

59 Besuijen & De Boer 2019: 43. 60 Dit komt hier grofweg neer op een diepte van 1,60 m -NAP. 61 Dit komt hier grofweg neer op een diepte van 3,25 m -NAP. 62 Jongepier 2002.

41

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Figuur 22 Plangebied geprojecteerd op een luchtfoto uit 2008. Centraal op de foto zijn soilmarks zichtbaar die te relateren zijn aan de afgegraven vlied- of motteberg. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.

Figuur 23 Plangebied geprojecteerd op een luchtfoto uit 2009. Centraal op de foto zijn cropmarks zichtbaar die te relateren zijn aan de afgegraven vlied- of motteberg. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.

42

ARTEFAC T RAPPORT 730

2.5

SCHORE FRISOSTRAAT

Bouw- en cultuurhistorische waarden

Om vast te stellen of er binnen, of direct grenzend aan, het plangebied waardevolle bouw- en cultuurhistorische elementen voorkomen, is het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland geraadpleegd. Dit geeft de ligging aan van het plangebied binnen de middeleeuwse polder de Breede Watering bewesten Yerseke. Ook geeft het aan dat ter plaatse van de dorpskern van Schore, direct ten oosten van het plangebied, sprake is van het verdronken dorp Schore; hierbij wordt het jaartal 1134 genoemd. De dorpskern van Schore staat in het Geoloket aangegeven als een ringdorp, een van de oudste dorpstypen van Zeeland. De ringdorpen dateren in een aantal gevallen uit de periode voor de systematische bedijkingen en komen voor in de oudlandgebieden van o.a. Zuid-Beveland. Net als de meeste oude wegen, liggen de dorpen op de kreekruggen. De dorpskern bezit een min of meer ronde vorm met de kerk in het midden. Een belangrijk onderdeel van het ringdorp is de kerkring. Deze weg of straat kan ook bijvoorbeeld een rechthoekige vorm hebben. Vaak was het van oorsprong een driesprong of kruising van wegen. Door een nieuw verbindingsweggetje aan te leggen, ontstond dan de ringvorm. Binnenin de ring bevindt zich het vaak hoger gelegen kerkhof met de kerk. Aan de buitenzijde van de ring staat meestal gesloten bebouwing. De meeste andere dorpswegen komen op de ring uit.

Vroeger was vaak een gracht rondom het kerkhof aanwezig, dit is nu echter zeer zeldzaam (alleen nog in Dreischor en Noordgouwe). Een ander karakteristiek element in het centrum is de vaete (drinkput), vooral nog op Zuid-Beveland veelvoorkomend. Tot slot staat net ten zuidoosten van het plangebied, aan de overzijde van de Frisostraat, een historische, beeldbepalende boom die tenminste dateert van vóór 1953. Verder geeft het Geoloket geen bouw- of cultuurhistorische elementen aan. Ook in de publicatie van de Heemkundige Kring De Bevelanden, Kleine monumenten in Kapelle, Biezelinge, Eversdijk en Schore 63 worden geen meldingen gemaakt binnen of direct grenzend het plangebied. Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat binnen, of direct grenzend aan, het plangebied geen militaire relicten worden weergegeven. Voor het plangebied geldt alleen de algemene melding dat er resten kunnen worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen.

2.6

Archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Het plangebied ligt ter hoogte van een kreekrug, i.c. een getij-inversierug. Op het centrum van deze rug bevinden zich de dorpskern van Schore maar ook het zuiden van het plangebied, waardoor het maaiveld in het zuiden van het plangebied een meter hoger ligt (0,20 m +NAP) dan in het noorden (0,80 m -NAP). De getij-inversierug is gedurende de Middeleeuwen ontstaan uit afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze hebben in de zuidelijke helft van het plangebied naar verwachting dieper gelegen archeologische niveaus geërodeerd. In de resterende delen van het plangebied kunnen het Hollandveen en het Laagpakket van Wormer mogelijk nog aanwezig zijn. De zone waar dit conform de gemeentelijke beleidskaart te verwachten valt, staat gearceerd weergegeven op figuur 24. In de omgeving van Schore heeft veel veenwinning plaatsgevonden. Indien echter nog intact Hollandveen aanwezig is, is dit op grond van ondergrondgegevens van het DINOloket te verwachten vanaf ongeveer 1,90 – 2,50 m -NAP, maar op grond van archeologisch onderzoek in de omgeving kan het plaatselijk al vanaf 0,83 m -NAP worden aangetroffen. Het 63

De Regt 2004.

43

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Laagpakket van Wormer is op basis van DINO-ondergrondgegevens te verwachten vanaf circa 3,40 – 3,80 m -NAP, maar op grond van archeologisch onderzoek in de omgeving al vanaf 2,40 m -NAP. Als gevolg van erosie is een archeologisch relevant niveau in pleistocene afzettingen niet meer te verwachten. Enkel perioden met een middelhoge of hoge verwachting zijn hieronder in een verwachtingstabel opgenomen.

Figuur 24 Delen van het plangebied (zwart gearceerd) waar een intact Laagpakket van Wormer en Hollandveen Laagpakket verwacht worden. Gebaseerd op: Brugman et al. 2011 (zie ook hoofdstuk 1.3). Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

Oud getijdenlandschap - Laagpakket van Wormer – Formatie van Naaldwijk In de loop van het Mesolithicum (rond 6000 voor Chr.) was het plangebied binnen bereik van de zee komen te liggen. Het verdrinkende (en met kustveen overgroeide) pleistocene landschap veranderde in een lagunair gebied, dat vervolgens transformeerde in waddengebied. Rond het begin van het Neolithicum bereikte dit getijdengebied zijn maximale omvang, waarna het begon te verlanden. Het landschap bestond, in plaats van alleen uit wadden, ook uit kwelders en geulen met hoger opgeslibde oevers. Hoewel in Zeeland nagenoeg geen vindplaatsen uit deze periode uit het getijdengebied bekend zijn, is het niet ondenkbaar dat hier bewoning heeft plaatsgevonden, zoals op de ZuidHollandse eilanden het geval is. Een dergelijke omgeving bood aanzienlijk meer bestaansmogelijkheden: veeteelt en kleinschalige akkerbouw op de hoger opgeslibde oevers langs de geulen, jacht en visvangst in de lager gelegen moerassen en kreken. Evenzo zullen er ook grote delen van het oude getijdenlandschap ongeschikt zijn geweest voor bewoning. De moeilijke opspoorbaarheid, de beperkte grootschalige ontsluitingen, de huidige stand van het onderzoek en het ontbreken van gericht onderzoek naar dit niveau maken het moeilijk de verwachting op het aantreffen van vindplaatsen in te schatten.

Omdat er in de wijde omgeving vooralsnog geen aanwijzingen zijn gevonden voor neolithische bewoning, wordt de verwachting niet hoog, maar middelhoog geacht. Deze verwachting 44

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

geldt voor de gearceerde delen van het plangebied in figuur 24. Voor het niet gearceerde deel geldt, conform het gemeentelijke beleid, geen verwachting. Datering

Neolithicum

Complextype Soort vindplaats

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, agrarische productie en voedselvoorziening Vindplaatsen met zowel grondsporen als een vondststrooiing

Omvang

Huisplaats: 500-2.000 m²

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Vanaf 1,60 m -mv/ 2,40 m -NAP, mogelijk dieper

Locatie

Gearceerde delen op figuur 24

Gaafheid en conservering

Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal

Mogelijke verstoringen

-

Veenlandschap – Hollandveen Laagpakket– Formatie van Nieuwkoop Door definitieve sluiting van de kustbarrière rond 4.000 jaar geleden verslechterde de afwatering in het gebied en vond op uitgebreide schaal veengroei plaats. De bewoningsmogelijkheden namen hierdoor af. Dit zich ontwikkelende veenmoeras zal in deze periode (Bronstijd – Midden-IJzertijd) vrijwel alleen door mensen zijn gebruikt voor activiteiten die van tijdelijke aard waren. Te denken valt aan al of niet rituele deposities of overblijfselen van vervoer (achtergelaten kano, knuppelweg door het veen). De verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de periode BronstijdMidden IJzertijd in (de onderzijde van) het veen wordt daarom ook laag geacht. Het zijn bovendien puntlocaties die moeilijk met geijkte onderzoeksmethoden zijn op te sporen waardoor ook de kans op het aantreffen daarvan bijzonder klein wordt geacht. Deze verwachting geldt voor de gearceerde delen van het plangebied in figuur 24. Voor het niet gearceerde deel geldt, conform het gemeentelijke beleid, geen verwachting. In de loop van de IJzertijd drong de zee het veengebied binnen, hetgeen in eerste instantie gunstige bewoningscondities creëerde.

De geulen, maar ook door de mens gegraven afwateringskanalen (vanaf de Romeinse tijd) zorgden voor drainage van het omliggende veenmoeras, waardoor delen van het veengebied droger en steviger werden (te herkennen aan een veraarde top van het veen). Op Zuid-Beveland is een aantal vindplaatsen uit de Romeinse tijd bekend. Voor zover niet geërodeerd door uitbreidende getijdengeulen of door de mens afgegraven, geldt voor delen waar veraarding van het veen heeft kunnen plaatsvinden, een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Late IJzertijd en Romeinse Tijd. Historische en archeologische gegevens geven aanwijzingen voor vrij uitgebreide veenwinning in de omgeving van het plangebied gedurende de Middeleeuwen, maar her en der wordt het veen toch nog intact aangetroffen. Zolang niet bekend is in hoeverre het veen in het plangebied nog intact aanwezig is, blijft de verwachting, conform het gemeentelijk beleid, hoog. Deze verwachting geldt voor de gearceerde delen van het plangebied in figuur 24. Voor het niet gearceerde deel geldt, conform het gemeentelijke beleid, geen verwachting. Datering

Late IJzertijd – Romeinse Tijd

Complextype

Rurale nederzettingen, grafvelden, sporen gerelateerd aan ambachtelijke activiteiten, infrastructuur

Soort vindplaats

Grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels) en houten paaltjes in het veen, bodembewerking in functie van de landbouw; vondststrooiing mogelijk

45

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Omvang

Huisplaats: 500-2.000 m²; Nederzetting: 2.000-8.000 m²

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; mogelijk voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Vanaf 0,83 m -NAP (dit kan plaatselijk al vlak onder de bouwvoor zijn), maar waarschijnlijk dieper

Locatie

Gearceerde delen op figuur 24

Gaafheid en conservering

Matig: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor anorganisch materiaal, maar organisch materiaal mogelijk slechter bewaard door zure omstandigheden in veen; veen mogelijk aangetast door erosie vanuit Laagpakket van Walcheren en/of veenwinning

Mogelijke verstoringen

Boomgaard, greppels

Jong getijdenlandschap - Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk In de Vroege Middeleeuwen begon het jonge, post-Romeinse getijdenlandschap te verlanden. Als gevolg van differentiële klink kwamen inversieruggen, ook wel kreekruggen genoemd, relatief hoog in het landschap te liggen. Hierdoor werden dit vanaf de Vroege Middeleeuwen preferente bewoningsplekken in het onbedijkte, jonge getijdenlandschap. Schapenboeren maakten hiervan gebruik. Het plangebied ligt ter hoogte van de kreekrug waarop Schore is ontstaan. Net ten oosten van de noordelijke helft van het plangebied bevond zich een vlied- of motteberg. Het plangebied maakt deel uit van de polder de Breede Watering bewesten Yerseke, een van de oudste polders van Zeeland. Schore was halverwege de 13 de eeuw een parochie. In de omgeving bevond zich een kloosterboerderij. Er vond in de wijde omgeving moernering plaats. Een zuidelijk deel van het plangebied valt binnen respectievelijk de gewaardeerde dorpskern van Schore (gemeentelijke beleidskaart) en AMK-terrein 13454 (hoge archeologische waarde): oude dorpskern van Schore. Dit alles leidt tot een hoge verwachting voor de Middeleeuwen in het hele plangebied. Eventueel aanwezige archeologische waarden zijn te verwachten op of in de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, direct onder de geroerde bovenlaag.

Er valt te denken aan bewoningsresten, maar bijvoorbeeld ook aan vindplaatsen die te maken hebben met landbouw of nijverheid. Datering

Middeleeuwen

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing

Omvang

Huisplaats: 500-2.000 m²; nederzetting: 2.000-8.000 m²

Uiterlijke kenmerken

Vondstdichtheid

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Direct onder de bouwvoor

Locatie

Volledige plangebied

Gaafheid en conservering Mogelijke verstoringen

Mogelijk deels aangetast door later gebruik Boomgaard, greppels

46

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Voor de Nieuwe Tijd wordt de verwachting op het voorkomen van vindplaatsen hoog ingeschat voor de zuidelijke helft van het plangebied (roze gearceerd op figuur 25). Hierbinnen valt tevens het gebied dat in het gemeentelijk beleid deel uitmaakt van de gewaardeerde dorpskern van Schore. Dit deel van het plangebied ligt vlakbij de kerkring en direct langs een belangrijke, oude toegangsweg (de huidige Frisostraat) op de kreekrug. Op basis van kadastrale gegevens is bekend dat zich hier in elk geval in de vroege 19de eeuw (en later) een deel van een woning en erf bevonden, dat in elk geval in die tijd toebehoorde aan de toenmalige burgemeester. Gezien de gunstige ligging, maar ook op grond van de kaart van Hattinga, valt niet uit te sluiten dat hier tevens al eerder in de Nieuwe Tijd bebouwing aanwezig is geweest. Van de voormalige bebouwing vallen funderings- of muurresten, uitbraaksleuven en restanten van erfinrichting (zoals putten en paalsporen) te verwachten. Voor de rest van het plangebied, die op grotere afstand tot de weg en de dorpskern ligt, wordt de verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de Nieuwe Tijd laag ingeschat. Van Schore is immers bekend dat het in de Nieuwe Tijd altijd een klein dorp is gebleven.

Daarom valt voor terreinen op ruimere afstand tot de oude dorpskern en tot toegangswegen te verwachten dat hier in de Nieuwe Tijd geen erven en bebouwing hebben gelegen. Een klein westelijk hoekje van het plangebied maakt geen deel uit van de zone waar een hoge verwachting geldt; hier bevindt zich op de Kadastrale Minuut een waterloop.

Figuur 25 Deel van het plangebied (roze gearceerd) waar de verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe Tijd hoog wordt ingeschat. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

Datering

Nieuwe Tijd

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing

Omvang

Huisplaats: 500-2.000 m²; nederzetting: 2.000-8.000 m²

47

ARTEFAC T RAPPORT 730

Uiterlijke kenmerken

SCHORE FRISOSTRAAT

Vondstdichtheid

Funderingen, muurresten, kelders, uitbraaksleuven, restanten van erfinrichting (putten, paalsporen etc.). Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Direct onder de bouwvoor

Locatie

Zuidelijke helft plangebied: gearceerde gebied op figuur 25

Gaafheid en conservering

Matig: mogelijk deels aangetast door later gebruik

Mogelijke verstoringen

Boomgaard, greppels

48

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

3

Inventariserend veldonderzoek

3.1

Methoden

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO-O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak 64 . Dit wil zeggen dat er vier boringen diep zijn doorgezet, d.w.z. tot in het Laagpakket van Wormer dan wel tot in diep reikende kreekbeddingafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Aanvullend zijn nog vijf (minder diepe) boringen tot in het Laagpakket van Walcheren geplaatst in de nabijheid van de afgegraven vlied- of motteberg, om na te gaan in hoeverre er een niveau aanwezig is dat mogelijk aan de nabijgelegen vondstlocatie te relateren is. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan- of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond.

De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen

9

Grid

Verspreid door plangebied, mede afgestemd op voorziene bouwlocatie

Dichtheid

8 boringen per hectare (4 boringen voor plangebieden < 5.000 m²)

Plaats- en hoogtebepaling

RTK-GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2 cm)

Boorgegevens

Digitaal vastgelegd op iPad

Gebruikte codelijsten - standaard

(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)

Boordiepte

Maximaal 4,00 m -mv / 4,62 m -NAP

Gehanteerde boor

Edelmanboor (Ø 7 cm tot circa 1,3 m -mv), Gutsboor (Ø 3 cm)

Opsporen indicatoren

In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen

Monstername

Geen

Oppervlaktekartering

Geen

Tijdens het beschrijven van de boringen is verder specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: ⎯ de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment ⎯ aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) ⎯ de genese van de laag ⎯ bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.) ⎯ de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 26, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 5.

64

Wattenberghe & Van den Berg, 14-09-2021: Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen Schore Frisostraat percelen KPL01S226, 227 en KPL01M2183.

49

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Figuur 26 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

3.2

Geologie en bodem

Het booronderzoek heeft een goed beeld opgeleverd van de bodemopbouw binnen het plangebied. Zoals verwacht, loopt het maaiveld gemiddeld af in noordelijke richting. In de meest zuidelijke boring (boring 1) ligt het maaiveld rond NAP-hoogte, terwijl het in de overige boringen om en nabij 0,50 m -NAP ligt. Bij boring 5 werd de laagste maaiveldhoogte gemeten, namelijk 0,82 m -NAP. Laagpakket van Wormer – Formatie van Naaldwijk Onderin het bodemprofiel is in het noorden van het plangebied (boring 4) zwak siltige, matig slappe, kalkloze klei aangetroffen. Deze is grijs van kleur en bevat weinig riet. Deze klei is geïnterpreteerd als wadafzettingen (slik), behorende tot het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). De top ligt op 2,80 m -mv/ 3,45 m -NAP en is matig humeus en bruin van kleur. Deze humeuze top markeert de overgang naar het hierboven gelegen veen. Boring 4 is de enige boring waar het Laagpakket van Wormer is bereikt. In de overige drie diep doorgezette boringen (boringen 1, 2 en 3) werden tot op de einddiepte (respectievelijk 3,48, 4,62 en 4,57 m -NAP) afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangetroffen, hetgeen impliceert dat de top van het Laagpakket van Wormer hier als gevolg van erosie is verdwenen.

Hollandveen Laagpakket – Formatie van Nieuwkoop Dit veen, alleen aangetroffen in de meest noordelijke boring 4, betreft een 0,20 m dikke laag zwak kleiig, los rietveen. Het is bruin van kleur en matig amorf en valt te rekenen tot het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). De oorspronkelijke bovenzijde van het Hollandveen is hier niet meer aanwezig, omdat het op 2,60 m -mv/ 3,25 m -NAP

50

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

erosief wordt afgedekt door kreekbeddingafzettingen. In de overige drie diep doorgezette boringen (1, 2 en 3) is het Hollandveen Laagpakket niet aangetroffen en kan met zekerheid gesteld worden dat daar helemaal geen Hollandveen meer aanwezig is als gevolg van erosie vanuit het Laagpakket van Walcheren. Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk In alle negen boringen zijn kalkrijke kreekbeddingafzettingen aangeboord. Deze zijn te rekenen tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk).De lithologie is niet overal hetzelfde. In boringen 1 en 4, oftewel in respectievelijk het zuiden en het noorden van het plangebied, bestaan de kreekbeddingafzettingen uit matig fijn, grijsgekleurd zand. Onderin is dit zwak siltig, naar boven toe neemt de siltigheid toe. De afzettingen bevatten in boring 1 klei-, veengruis- en detrituslaagjes en in boring 4 schelpfragmenten. In de overige boringen zijn de kreekbeddingafzettingen kleiiger, met dunne zandlaagjes. De klei is matig slap tot matig stevig en grijsgekleurd. De kleiige kreekbeddingafzettingen zijn soms zandig, soms eerder siltig.

Alleen in boring 4 werd de onderzijde van de kreekbeddingafzettingen bereikt (zie boven); in de – eveneens diep doorgezette – boringen 1, 2 en 3 reiken deze afzettingen tot aan de einddiepte, oftewel in elk geval dieper dan in boring 4 (maximaal bereikte einddiepte boring 2: 4,00 m -mv/ 4,62 m -NAP). De bovenzijde van het ongeroerde deel van de natuurlijke afzettingen ligt tussen 0,40 en 1,00 m -mv, oftewel meestal tussen 1,00 en 1,50 m -NAP en in boring 1 al op 0,63 m -NAP. In de meeste boringen (namelijk boringen 1, 3, 4, 5, 6 en 9; figuur 27) bestaat de top van de kreekbeddingafzettingen uit een gevlekte menglaag. Dit lijkt een doorwerkte natuurlijke bodem te zijn, die zich kan hebben gevormd door antropogene activiteit en/of bioturbatie. Deze menglaag bevat archeologische indicatoren (zie hoofdstuk 3.3). De bovenzijde van de menglaag ligt meestal rond 0,40 m -mv oftewel rond 1,00 m -NAP (in boring 1 is dit al op 0,43 m NAP en in boring 5 op 1,32 m -NAP). Geroerde bovenlaag / bouwvoor De natuurlijke afzettingen met de bovenin gelegen menglaag worden afgedekt door een geroerde bovenlaag dan wel bouwvoor. Alleen in boring 2, waar een grondspoor is aangetroffen, is de situatie anders (zie hoofdstuk 3.3). Aan het maaiveld bestaat de bovenlaag overal uit een 0,10 – 0,50 m dikke laag humeus, matig siltig, matig fijn zand.

In de noordelijke helft van het plangebied (boringen 5 t/m 9) bevindt zich hieronder nog een 0,25 – 0,30 m dikke laag matig zandige klei, die eveneens tot de geroerde bovenlaag dan wel bouwvoor te rekenen valt.

3.3

Archeologie

Tijdens het veldwerk zijn een mogelijk grondspoor en een menglaag aangeboord, met in beide archeologische indicatoren. Ook in de geroerde bovenlaag dan wel bouwvoor zijn indicatoren aangetroffen. Dit alles wordt hieronder besproken. Vondsten zijn niet gedaan. Op onderstaande kaart wordt weergegeven waar het mogelijke grondspoor, de menglaag en de archeologische indicatoren binnen deze menglaag zijn aangetroffen. Mogelijk grondspoor Tijdens het booronderzoek is in boring 2 een mogelijk grondspoor aangetroffen. Dit is tot een diepte van 1,65 m -mv/ 2,25 m -NAP ingesneden in het Laagpakket van Walcheren. De onderste vulling, aanwezig vanaf 0,85 m -mv/ 1,47 m NAP, betreft een 0,80 m dikke laag opgebrachte grond, bestaande uit matig zandige, stevige, kalkrijke klei. Deze is zwak humeus en donkergrijs van kleur en bevat een spoor van baksteen. Deze opgebrachte grond is geïnterpreteerd als een vermoedelijke demplaag van een sloot of waterloop. In de onderliggende natuurlijke afzettingen van het Laagpakket van Walcheren werd een laag met rietwortels aangetroffen, die vermoedelijk zijn ingegroeid vanuit de bodem. Een typische slootbodem ontbreekt evenwel. De vermoedelijke demplaag voelde hard aan, hetgeen doet vermoeden dat de demping al lang geleden heeft plaatsgevonden.

De vermoedelijke demplaag wordt afgedekt door een 0,65 m dikke laag opgebrachte grond, bestaande uit matig siltig, matig fijn kalkrijk zand, met eveneens een spoor van baksteen. Deze opgebrachte laag is direct onder de bouwvoor aanwezig, vanaf 0,20 m -mv/ 0,82 m -NAP. Op basis van de stratigrafie en de gevonden archeologische indicatoren valt de gedempte sloot of waterloop niet nader te dateren dan in de periode vanaf de Late Middeleeuwen of later.

51

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Menglaag In de menglaag (zie hoofdstuk 3.2) zijn in boringen 4, 5, 6 en 9 sporen van baksteen aangetroffen, in de vorm van spikkeltjes en brokken. In het algemeen lijkt het om zachtgebakken baksteen te gaan, dat oogt als middeleeuws puin. In boring 6 werd het meeste baksteen aangetroffen, ook in grotere brokken. Hoe noordelijker en hoe westelijker er werd geboord, hoe minder puin er werd waargenomen. In boring 3 bevatte de menglaag groenoranje roestvlekken. De groenige kleur kan zijn veroorzaakt door mest. In dezelfde boring werd in de menglaag ook wat houtskool aangetroffen. Geroerde bovenlaag / bouwvoor Ook de geroerde bovenlaag dan wel bouwvoor bevat sporen van baksteen alsook plaatselijk van kalkmortel en kolenas. Dit materiaal oogt jonger dan het baksteenpuin in de menglaag. Omdat het zich bevindt in de geroerde bovenlaag, geeft het geen informatie over het gebruik van het plangebied in het verleden.

Figuur 27 Resultatenkaart met situering van de boringen waar respectievelijk het mogelijke grondspoor en de menglaag zijn vastgesteld, alsook waar houtskool (HK) dan wel baksteen (BS) in de menglaag is aangetroffen. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

Verband met historische en bekende archeologische gegevens Het mogelijke grondspoor in boring 2 kan mogelijk worden verklaard aan de hand van de Kadastrale Minuut (figuur 18). In de nabijheid van deze boring is op de Kadastrale Minuut zowel een west-oost georiënteerde perceelsgrens als een noord-zuid georiënteerde waterloop te zien. Ter plaatse van boring 2 ligt het maaiveld relatief laag. Mogelijk is de demping met ofwel de vroegere waterloop, ofwel een oude perceelsloot in verband te brengen, maar dit is op basis van voorliggend booronderzoek niet met zekerheid te zeggen.

52

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Het aantreffen van vermoedelijk middeleeuws puin in de menglaag kan te relateren zijn aan de nabijheid van de middeleeuwse dorpskern van Schore, de kloosterstede, of wellicht aan de motte- of vliedberg die zich immers direct ten oosten van het plangebied bevond. Omdat de restanten van deze berg nog niet archeologisch zijn onderzocht, is niet bekend wanneer de berg precies is opgeworpen, op wat voor manieren zij is gebruikt en of hier op enig moment bouwkeramiek is gebruikt. Hierdoor is de relatie tussen de aangetroffen indicatoren en de motte- of vliedberg ook niet duidelijk. Boring 1 is geplaatst ter hoogte van de vroegere burgemeesterswoning die staat aangegeven op de Kadastrale Minuut. Er zijn in deze boring (en in de overige boringen) geen resten aangetroffen die met de woning in verband te brengen zijn, zoals funderingen of uitbraaksporen. Gezien de hoge nauwkeurigheid van de Kadastrale Minuut is het echter aannemelijk dat dergelijke resten wel in de nabije omgeving van boring 1 in de bodem aanwezig zullen zijn.

53

ARTEFAC T RAPPORT 730

4

Conclusie en Advies

4.1

Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen

SCHORE FRISOSTRAAT

Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens uit het bureauonderzoek is een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen beantwoord worden en het verwachtingsmodel bijgesteld en verfijnd worden. ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? In het noorden van het plangebied zijn vanaf 2,80 m -mv/ 3,45 m -NAP wadafzettingen met weinig riet aanwezig, die te rekenen zijn tot het Laagpakket van Wormer. Hier bovenop heeft zich Hollandveen gevormd, waarvan in het noorden van het plangebied nog een onderzijde aanwezig is. In de rest van het plangebied zijn het Hollandveen en de top van het Laagpakket van Wormer niet meer aanwezig als gevolg van erosie door toedoen van kreekbeddingafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze maken deel uit van een systeem van relatief laat gevormde kreekruggen, waarop ook het dorp Schore ontstond in de Middeleeuwen. In de bovenzijde van de kreekbeddingafzettingen, omstreeks 0,40 m -mv/ 1,00 m -NAP (in boring 1 op 0,43 m -NAP en in boring 5 op 1,32 m NAP) lijkt de natuurlijke bodem doorwerkt te zijn, waardoor een gevlekte menglaag is ontstaan. Deze bevat o.a. spikkels en brokken zachtgebakken baksteen, dat middeleeuws aandoet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13144193/1