CConstaterende datKapelle
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-34a D23.291209 Ontwerpbestemmingsplan Frisostraat BP Frisostraat 2 Schore incl bijlagen pdf versie

Raadsvergadering 26 september 2023, gemeente KapelleBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Frisostraat29.682 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Toelichting bestemmingsplan Frisostraat 2 Schore

31

B&RO Advies Conclusie De voorgenomen ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van genoemde categorie, dit betekent dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd dient te worden. Echter gezien de kleinschaligheid, de ligging, de overwegingen en conclusies uit hoofdstuk vier kan een verdere beoordeling achterwegen worden gelaten. Er zullen geen nadelige milieugevolgen ontstaan.

Toelichting bestemmingsplan Frisostraat 2 Schore

32

B&RO Advies

5. Juridische aspecten 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt in het kort ingegaan op de opbouw en inhoud van de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied' en de daarop volgende herzieningen. In het voorgaande hoofdstuk is de ruimtelijke en functionele opzet van het plangebied toegelicht. De regels van dit bestemmingsplan vormen de juridische vertaling van de gemaakte keuzes voor dit plangebied.

5.2 Systematiek bestemmingen De planregels zijn opgedeeld in 4 hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk worden de inleidende regels gegeven. In het tweede hoofdstuk is de bestemmingsregeling gegeven die geldt voor het plangebied. In hoofdstuk 3 zijn vervolgens de algemene regels opgenomen. Tot slot in hoofdstuk 4 staan de overgangsen slotregels. In de onderstaande paragrafen wordt per artikel uiteen gezet wat de functie van het artikel is binnen het bestemmingsplan.

5.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1) en Wijze van meten (artikel 2) De begrippen die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, worden in artikel 1 nader gedefinieerd. Bij toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel opgenomen definities van de begrippen. Naast begrippen zijn in het bestemmingsplan hoogte- en andere maten opgenomen die van belang zijn bij het bouwen van bouwwerken. Artikel 2 van de regels geeft een nadere omschrijving hoe de bedoelde maten gemeten moeten worden.

5.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Tuin Op de verbeelding zijn voortuinen bij woningen bestemd met een aparte bestemming Tuin. In de bestemming Tuin is een ontheffingsbevoegdheid opgenomen voor het uitbouwen van op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen. Daarnaast zijn ook een aantal grote tuinen voorzien van de bestemming Tuin. Artikel 4 Wonen Alle burgerwoningen, met bijbehorende bijgebouwen en erven zijn als zodanig bestemd. De inhoudsmaat van woningen bedraagt maximaal 750m³. Aan-huis-gebonden beroepen, kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en aan-huis-gebonden en logies zijn toegestaan in toegestaan van gedeelten van hoofdgebouwen, inclusief aan- en uit of bijgebouwen. De oppervlakte van aan- en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 60m². Via ontheffing kan op percelen groter dan 800 m² ruimte worden geboden tot 120m². Artikel 5 Archeologie-waarde 3 Ter bescherming van de aanwezige archeologische (verwachtings-)waarden zijn deze bestemmingen opgenomen. Binnen Archeologie – 3 is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien bouwwerken worden gerealiseerd die groter zijn dan 50m² en dieper reiken dan 40cm. In de regels staan de precieze regeling.

Toelichting bestemmingsplan Frisostraat 2 Schore

33

B&RO Advies

5.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Antidubbeltelregel De regel is om te voorkomen dat mocht in het bestemmingsplan zijn bepaald, dat bij een gebouw een open terrein verplicht is, dat terrein nog eens meetelt bij de beoordeling van een aanvraag van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke verplichting wordt gesteld. Artikel 7 Algemene bouwregels Hier wordt de overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, en de toelaatbaarheid van bouwwerken met afwijkende maatvoering geregeld. Artikel 8 Algemene gebruiksregels Met de regels over bestaande maten wordt voorkomen dat bestaande situaties die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht vallen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Dit artikel is opgenomen om ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan met een omgevingsvergunning mogelijk te maken. De regeling voorziet in een duidelijke begrenzing van het toepasbaar bereik van de afwijking. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Dit bestemmingsplan bevat slechts een algemene wijzigingsregel. Het betreft wijzigingsbevoegdheid waarmee kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen mogelijk zijn.

een

Artikel 11 Overige regels In de overige regels is een regeling opgenomen voor de wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, geldend zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

5.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12 Overgangsrecht Het overgangsrecht ten aanzien van het bouwen staat verwoord in artikel 3.2.1 en 3.2.2 Bro. Dit artikel is één op één overgenomen in dit bestemmingsplan. Een bouwwerk dat op het moment dat het bestemmingsplan in werking treedt aanwezig is dan wel planologisch mogelijk is, mag gedeeltelijk worden vernieuwd, veranderd of in het geval van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De aard van het gebouw mag hierbij niet veranderen en ook mag de omvang niet worden vergroot. Eventuele uitbreiding is slechts mogelijk met een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag. Het tweede lid gaat in het gebruik van (on)bebouwde gronden en bouwwerken, dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit bestemmingsplan in werking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Ander strijdig gebruik is niet toegestaan. Artikel 13 Slotregel Het laatste artikel van het bestemmingsplan betreft de slotregel, waarin de naam, zoals de regels aangehaald kunnen worden, is opgenomen.

Toelichting bestemmingsplan Frisostraat 2 Schore

34

B&RO Advies

6. Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Procedurele kosten

De bestemmingsplanprocedure wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de procedure zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via een anterieure overeenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Hiermee zijn de kosten voor de gemeente afgedekt.

6.1.2 Economische uitvoerbaarheid

De eigenaren van het perceel zijn financieel draagkrachtig genoeg om te voorzien in de kosten. De beoogde ontwikkeling is dan ook economisch uitvoerbaar. Tussen de initiatiefnemers en de gemeente is een planschadeovereenkomst gesloten.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen

De beoogde ontwikkeling is gezien de locatie en de kleinschaligheid ruimtelijk aanvaardbaar ten opzichte van de omliggende bedrijven, woningen en wegbeheerder. De directe buren en omgeving is geïnformeerd over de plannen. Desalniettemin bestaat de mogelijkheid dat tegen het planvoornemen bezwaren bestaan.

6.2.2 Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan wordt daartoe toegezonden aan de voor de gemeente Kapelle vaste vooroverlegpartners.

Toelichting bestemmingsplan Frisostraat 2 Schore

35

B&RO Advies

Bijlagen Bijlage 1 Archeologisch onderzoek Bijlage 2 Bodemonderzoek Bijlage 3 Flora en Fauna onderzoek Bijlage 4 Stikstofberekening

Toelichting bestemmingsplan Frisostraat 2 Schore

36

B&RO Advies

Bijlage 1

Archeologisch onderzoek

Toelichting bestemmingsplan Frisostraat 2 Schore

ARTEFACT! RAPPORT 730

Schore Frisostraat percelen KPL01S226, 227 en KPL01M2183 Gemeente Kapelle Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

M. van den Berg F.G.R. D’hondt

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Colofon Titel

Schore Frisostraat percelen KPL01S226, 227 en KPL01M2183. Gemeente Kapelle. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

Auteur(s)

M. van den Berg MA en Drs. F.G.R. D’hondt

Artefact rapport

730

Status rapport

Concept Voorliggend conceptrapport dient te worden beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.

Datum

27 september 2022

Projectcode

2022ART105

Projectleider veldwerk

Drs. F.G.R. D’hondt (Senior KNA Prospector)

ISSN

2213 7424

Autorisatie

Naam

Drs. F.G.R. D’hondt (Senior KNA Prospector)

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V., 2022 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.

2

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Inhoud Samenvatting .......................................................................................................................................... 4 Administratieve Gegevens.......................................................................................................................... 5

1

Inleiding ..................................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek........................................................................................................7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen................................................................................. 8 1.3 Wettelijk kader en beleid ............................................................................................................10 1.4 Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming ..............................................................................12

2

Archeologisch bureauonderzoek .............................................................................................. 13 2.1 Methoden ................................................................................................................................ 13 2.2 Landschap en geologie ...............................................................................................................14 2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling........................................................................................ 14

2.2.2

Aardkundige waarden ..................................................................................................... 17

2.3 Historie................................................................................................................................... 26 2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling ............................................................................... 26

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis..................................................................................................35

2.4 Archeologische waarden.............................................................................................................36 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden............................................................................................43 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ...............................................................................................43

3

Inventariserend veldonderzoek ................................................................................................ 49 3.1 Methoden ............................................................................................................................... 49 3.2 Geologie en bodem....................................................................................................................50 3.3 Archeologie .............................................................................................................................. 51

4

Conclusie en Advies.................................................................................................................. 54 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen.................................................................................54 4.2 Advies ..................................................................................................................................... 57

Lijst met figuren ..................................................................................................................................... 58 Bronnen ................................................................................................................................................ 60

Bijlage 1

AMZ-cyclus

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen

Bijlage 3

Tijdstabel

Bijlage 4

Planvorming

Bijlage 5

Boorstaten

3

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Samenvatting Een initiatiefnemer heeft het voornemen om in een plangebied aan de Frisostraat te Schore (gemeente Kapelle) nieuwbouw en een tuin te realiseren. Het plangebied is momenteel in gebruik als boomgaard. In het kader van de benodigde bestemmingsplanwijziging heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in opdracht van B&RO Advies een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen in het plangebied uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd die geleid hebben tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model werd vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten dit onderzoek kan het volgende gesteld worden: ⎯ In het plangebied zijn kreekbeddingafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig, die op de meeste plaatsen het Hollandveen en de top van het Laagpakket van Wormer hebben geërodeerd. Alleen in het noorden van het plangebied zijn de top van het Laagpakket van Wormer en het onderste deel van het Hollandveen nog aanwezig; ⎯ In de bovenzijde van de kreekbeddingafzettingen bevindt zich in de meeste boringen een gevlekte menglaag, vanaf circa 0,40 m beneden maaiveld.

Dit lijkt een doorwerkte natuurlijke bodem te zijn, die zich kan hebben gevormd door antropogene activiteit en/of bioturbatie. Deze menglaag bevat spikkels en brokken zachtgebakken baksteen dat middeleeuws aandoet, alsook plaatselijk houtskool; ⎯ Aan de westzijde van de zuidelijke helft van het plangebied is vermoedelijk een gedempte sloot of waterloop aangeboord; ⎯ Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van een afgegraven vlied- of motteberg (direct ten oosten van het plangebied), de middeleeuwse dorpskern van Schore en een voormalige (niet meer aanwezige) kloosterstede; ⎯ In een zuidelijk deel van het plangebied bevond zich in de Midden Nieuwe Tijd waarschijnlijk bebouwing met mogelijke erfstructuren; ⎯ Dit alles leidt tot een hoge verwachting voor de Middeleeuwen in het hele plangebied en een hoge verwachting voor de Nieuwe Tijd in een zuidelijk deel van het plangebied, allebei te verwachten vanaf 0,40 m beneden maaiveld.

Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt het volgende geadviseerd: ⎯ Voor het hele plangebied een archeologische dubbelbestemming in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen, met een dieptevrijstellingsgrens van 0,40 m beneden maaiveld en een oppervlaktevrijstellingsgrens van 50 m2; ⎯ Ten aanzien van de huidige planvorming wordt geadviseerd te onderzoeken in hoeverre deze archeologievriendelijk kan worden uitgevoerd, zodat eventueel aanwezige archeologische waarden in situ behouden kunnen blijven. Blijkt dit niet mogelijk, dan wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Voor vondsten die (ondanks het vooronderzoek) tijdens de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen, bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016).

4

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Administratieve Gegevens Projectnaam

Schore Frisostraat percelen KPL01S226, 227 en KPL01M2183

Onderzoeksvorm

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

LOCATIE Provincie

Zeeland

Gemeente

Kapelle

Plaats

Schore

Adres / Locatie

Frisostraat

Hoekpunten coördinaten RD Centrum coördinaat RD

NW 58.568 / 387.066 ZW 58.489 / 386.940 58.545 / 386.993

Kaartblad

65H

Kadastraal perceel

Gemeente Kapelle, Sectie S, Percelen 226 en 227, en Sectie M, Perceel 2183

Oppervlakte plangebied

3.739 m²

Vigerende bestemmingsplan

Buitengebied 2 e herziening (2015, NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ002VA02); enkelbestemming Agrarisch; WA-3 / WA-4

NO 58.589 / 387.055 ZO 58.506 / 386.926

BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats

Deel plangebied ligt binnen de gewaardeerde dorpskern van Schore en direct grenzend aan vindplaats KAPE-2 (afgegraven vlied-/motteberg)

AMK-terrein

Grootste deel plangebied ligt binnen AMK-terrein 13454 (hoge archeologische waarde): oude dorpskern van Schore (Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd)

Archis vondstlocatie

Geen

Zeeuws Archeologisch Depot

Geen (mail helpdesk d.d. 06-09-2022)

OPDRACHTGEVER Naam

B&RO Advies

Contactpersoon

Dhr. A. de Looff

Adres

Etty Hillesumstraat 39, 4335 SB Middelburg

Telefoon

06 20505282

Email

info@benroadvies.nl

BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Kapelle

Contactpersoon

Dhr. P. Vogel

Adres

Postbus 79, 4420 AC Kapelle

Telefoon

0113 140113

Email

p.vogel@kapelle.nl 5

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam

Erfgoed Zeeland

Contactpersoon

Dhr. K-J. R. Kerckhaert

Adres

Postbus 49, 4330 AA Middelburg

Telefoon

0118 670611

Email

adviesarcheologie@erfgoedzeeland.nl

BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Zeeuws Archeologisch Depot

Contactpersoon

dhr. J.J. H. van den Berg

Adres Telefoon

Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618

Email

jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl

E-depot

EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V.

Contactpersoon

dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact-info.nl

Certificaat

ARC-010/2 - BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

Bestemmingsplanwijziging

Begin/einddatum veldwerk

21 september 2022

Projectnummer Artefact

2022ART105

Archis onderzoeksmelding

5288956100

Vindplaats(en)

-

6

ARTEFAC T RAPPORT 730

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

SCHORE FRISOSTRAAT

In opdracht van B&RO Advies heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Frisostraat te Schore (gemeente Kapelle; figuren 1 en 2). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de initiatiefnemer om hier nieuwbouw en een tuin te realiseren. Het plangebied is momenteel in gebruik als boomgaard. Het plangebied bestaat uit drie percelen, die kadastraal bekendstaan onder Gemeente Kapelle, Sectie S, Perceel 226 en 227 en Sectie M, Perceel 2183, en beslaat een oppervlakte van 3.739 m².

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

Het plangebied is binnen bestemmingsplan Buitengebied 2 e herziening (2015, NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ002VA02) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Agrarisch. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 3; voor het noordelijke deel van het plangebied geldt een dubbelbestemming waarde archeologie 4. Binnen deze gebieden geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan respectievelijk dan 50 en 250 m² én dieper reiken dan 0,40 m -mv (meter beneden maaiveld). Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen herinrichting past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. In het kader hiervan is voorliggend archeologisch onderzoek uitgevoerd. 7

ARTEFAC T RAPPORT 730

1.2

SCHORE FRISOSTRAAT

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Conform de AMZ- cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: ⎯ Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek ⎯ Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.

Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVOproefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯ De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. ⎯ Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen.

⎯ Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 2 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20193 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. 1

SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4.

2 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4-5. 3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

8

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Daarbij dienen volgende vragen te worden beantwoord: ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? ⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: E sri Nederland, Jan Willem van Aalst – www.imergis.nl.

9

ARTEFAC T RAPPORT 730

1.3

SCHORE FRISOSTRAAT

Wettelijk kader en beleid

In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta door de lidstaten ondertekend. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De drie belangrijkste bepalingen daarbij zijn het behoud in situ, een goede en vroegtijdige inpassing in het ruimtelijke ordening(proces) en het verstoorder betaalt principe. Dit verdrag werd binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg uit 2007. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht die samen met de (binnenkort in werking tredende) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Tot dan blijven de bepalingen uit de Monumentenwet die niet zijn opgenomen in de Erfgoedwet van kracht. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020.

In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 4 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯ Basale harde gegevens en diachrone datasets ⎯ Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen ⎯ Uitwerking oud archeologisch onderzoek ⎯ Verdronken land en dorpen ⎯ Onderzoek naar infrastructuur ⎯ Verdedigingswerken in Zeeland ⎯ Boerderijen en rurale nederzettingen ⎯ Voedseleconomie van stad en platteland ⎯ Religieuze en rituele verschijningsvormen ⎯ Scheeps- en onderwaterarcheologie ⎯ Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 5 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet.

Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007, de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening. Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning. Het uitgangspunt van de gemeente Kapelle is .dat het gemeentelijk bodemarchief zoveel mogelijk ongestoord moet blijven (behoud in situ). Alleen als de gemeente van mening is dat andere belangen prevaleren, worden belangrijke bedreigde archeologische resten en sporen veiliggesteld door opgraving. Eerst zal daarbij moeten worden onderzocht 4 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. 5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

10

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

wat de gevolgen van de geplande bodemingrepen zijn voor eventueel aanwezige archeologische resten en sporen. Het gemeentelijke beleid is in 2011 door Vestigia opgesteld 6 en vervolgens door het College van Burgemeester en Wethouders vastgesteld. In de beleidsnota is geconcludeerd dat de gemeentelijke ondergrond in vier archeologisch relevante lagen kan worden onderverdeeld. Op de hieruit volgende archeologische maatregelenkaart-in-lagen is de archeologische waarde bepaald op basis van bekende landschappelijke en bodemkundige informatie, archeologische waarnemingen en bekende vindplaatsen. Elk van de vastgestelde 8 categorieën vertegenwoordigt een bepaalde archeologische waarde of – wanneer de waarde nog niet is vastgesteld – een archeologische verwachting. Dit gemeentelijk beleid is meegenomen in de sinds 2011 opgestelde bestemmingsplannen, waarbij gebieden met (een) archeologische (verwachtings)waarde een planologische bescherming hebben gekregen. De vrijstellingsgrenzen zijn toegekend op basis van de (verwachtings)waarde. Op de vigerende gemeentelijke archeologische maatregelenkaartin-lagen geldt voor het plangebied: ⎯ Geen verwachting voor het Pleistoceen (Formatie van Boxtel; Laag 4).

⎯ Een hoge verwachting voor het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk; Laag 3) en het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop; Laag 2) in een groot noordelijk deel van het plangebied en in een klein deel van het uiterste zuiden (zie de linker kaart van figuur 3); geen verwachting voor beide niveaus in het tussengelegen gebied. ⎯ Een hoge verwachting voor het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk; Laag 1) in een groot noordelijk deel van het plangebied; het deel ten zuiden daarvan maakt deel uit van de gewaardeerde dorpskern van Schore (zie de rechter kaart van figuur 3). Het noorden van het plangebied wordt op deze Laag 1 aan de oostzijde begrensd door een gemeentelijk terrein van archeologische waarde; dit betreft een afgegraven motte-/vliedberg (zie hoofdstuk 2.4).

Figuur 3 Situering van het plangebied (blauwgroene polygoon) op de Maatregelenkaarten-in-Lagen. De linker figuur is van toepassing op zowel het Laagpakket van Wormer als het Hollandveen; rechts op het Laagpakket van Walcheren. De kaart voor het Pleistoceen (geen verwachting) wordt niet getoond. Bron: Brugman et al. 2011.

In het plangebied is het bestemmingsplan Buitengebied 2 e herziening (2015, NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ002-VA02) vigerend. Er geldt een enkelbestemming Agrarisch. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 3 in het zuidelijke deel van het plangebied en een dubbelbestemming waarde archeologie 4 in het noordelijke deel van het plangebied. Binnen deze gebieden geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan respectievelijk dan 50 en 250 m² én dieper reiken dan 0,40 m -mv. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen herinrichting past niet binnen het bestaande bestemmingsplan.

6 Alkemade et al. 2011; Brugman et al. 2011.

11

ARTEFAC T RAPPORT 730

1.4

SCHORE FRISOSTRAAT

Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming

Het plangebied (figuren 2 en 4) ligt aan de noordwestzijde van de dorpskern van Schore. Het betreft een langwerpig terrein met een oppervlakte van 3.739 m2, dat momenteel in gebruik is als boomgaard. Het plangebied bestaat uit drie percelen, die kadastraal bekendstaan onder Gemeente Kapelle, Sectie S, Perceel 226 en 227 en Sectie M, Perceel 2183. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Frisostraat. De zuidelijke helft van het plangebied wordt aan de west- en oostzijde begrensd door woonpercelen. De noordelijke helft van het plangebied wordt aan de west-, noorden oostzijde begrensd door agrarische percelen. De boomgaard wordt volledig gerooid, waarna het terrein bouwrijp wordt gemaakt. In het zuiden van het plangebied zijn twee woningen voorzien. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van 897 m2; het staat blauwgroen gearceerd aangegeven op figuur 4. Een funderingsplan en bouwtekeningen waren tijdens het opstellen van voorliggend rapport nog niet beschikbaar. De rest van het plangebied wordt een tuin; hier zijn geen bodemingrepen voorzien. Er zijn geen plannen om in de toekomst eventueel nog meer woningen in het plangebied te realiseren. 7

Figuur 4 Plangebied (rode polygoon) en de locatie van de voorgenomen nieuwbouw (blauwgroen gearceerde vlak) op een uitsnede van een luchtfoto. Bron: Beeldmateriaal.nl.

7 Informatie ontleend aan mondelinge en schriftelijke communicatie met dhr. A. de Looff (B&RO Advies) d.d. 29 juli,

1 augustus en 13 september 2022.

12

ARTEFAC T RAPPORT 730

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methoden

SCHORE FRISOSTRAAT

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 8 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1.4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1.3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1.4

Beschrijven historische situatie

LS03

2.3.1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2.3.2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

LS02-03-04

2.5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2.2.2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2.4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2.6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. ⎯ (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten ⎯ Paleogeografische kaarten ⎯ Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ⎯ (Specialistische) literatuur ⎯ Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek ⎯ Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven ⎯ Lucht- en satellietfoto’s ⎯ Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten ⎯ Gemeentelijk en/of provinciaal archief; Provinciaal depot: archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) ⎯ Archeologische Monumenten Kaart (AMK) ⎯ Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) ⎯ Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis ⎯ Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) ⎯ Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) ⎯ Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten ⎯ Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer

gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn ⎯ Amateurarcheologen, AWN en/of heemkundevereniging

8 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

13

ARTEFAC T RAPPORT 730

2.2

Landschap en geologie

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling

SCHORE FRISOSTRAAT

Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Omdat in beginsel de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen grotendeels te herleiden zijn tot de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan geschetst worden aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos et al. zijn gepubliceerd. 9 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar wordt, met de globale ligging van het plangebied, afgebeeld op figuur 5. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (circa 8.400 – 6.950 v. Chr.) steeg de zeespiegel, waardoor het pleistocene zandlandschap langzaam vernatte. Plantaardig materiaal werd als gevolg van het stijgende waterniveau niet meer afgebroken.

Eerst op de lagergelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap, groeide laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als de Basisveen Laag (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei deed zich eerst in het westen van Zeeland, maar de grens verschoof door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk in oostelijke richting. Aan het veenvormingsproces kwam een einde in het Midden- tot Laat-Atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). 10 Door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking werd de strandbarrière opgeruimd en liep het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstond een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Ook het plangebied maakte van dit getijdengebied deel uit. Grote delen van het oude pleistocene landschap werden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die toen zijn gevormd, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden. 11 Vanaf het Subboreaal stagneerde de stijging van de zeespiegel in die mate dat de sedimentatie en de stijging elkaar in balans hielden. Er zetten zich meer kleiige sedimenten af. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels. Die wortels zijn een indicatie voor het begin van een periode met veenvorming.

Op de hoger opgeslibde kwelders groeide een dichte rietvegetatie en plaatselijk ging zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het MiddenSubboreaal (3.100 v. Chr.) een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstond met daarachter een groot veenlandschap dat bestond uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes. 12 Het plangebied lag in dit veenlandschap. Geologisch wordt het dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Het veenmilieu veranderde in het Subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof en kon opgroeien tot ruim boven NAP. Omstreeks 500 v. Chr. bereikte het veenkussen zijn maximale omvang. Daarna trad een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zocht zijn weg richting de zee in steeds bredere geulen. Hierdoor werd de mariene invloed op het achterliggende land opnieuw geactiveerd. Tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, op Walcheren, brak de strandwal door en ontstond een sluftergebied met een veelvoud aan smalle geulen die de verbinding tussen het veengebied en de zee versterkten. Het Veerse Gat, de inbraakgeul tussen Walcheren en NoordBeveland, is in oorsprong wellicht toen ontstaan. 13

9 Vos et al. 2018. 10 Van Rummelen 1978: 62-64. 11 Van Rummelen 1978: 53. 12 Vos & Van Heeringen 1997: 28. 13 Vos & Van Heeringen 1997 paleogeografische kaart.

14

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

15

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: globale ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018.

16

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Tot in de Late IJzertijd werd de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment. Grofweg vanaf de Romeinse tijd ging de antropogene invloed een geleidelijk aan meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap. 14 De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteerden in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee kreeg opnieuw vat op het gebied. De eerste tekenen van overstromingen dateren dan ook al uit de 2de helft van de 2de eeuw. Vanaf het Midden-Subatlanticum (circa 250 n. Chr.) kon de zee ook verder en breder het achterland instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstond. 15 Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf het deze periode resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich insneden, zijn zandige pakketten afgezet. De hoger gelegen veengronden zijn afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand kwamen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland overal aan het oppervlak.

Het plangebied werd omstreeks 800 n. Chr. omgeven door kwelders en kwelderwallen. Als gevolg van opslibbing werd het landschap geleidelijk droger en stabieler en ontstonden nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgden, vond een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt lag hier op schapenteelt en wolproductie. Op den duur begonnen de bewoners zich met dijken tegen het water te beschermen en werden ook nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuw gewonnen land werd naast landbouw ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen kon hoofdzakelijk worden gebruikt bij de productie van zout. Het weggraven van het veen had echter ook een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en een erosie van het leefoppervlak tot gevolg. 16 De degeneratie van het landschap in de Late Middeleeuwen werd in de hand gewerkt door slecht onderhoud aan dijken, hetgeen tijdens stormvloeden leidde tot dijkdoorbraken met catastrofale gevolgen, waarbij veel land verloren ging. Het oostelijke deel van Zuid-Beveland en meer specifiek Reimerswaal, die na zware stormen aan het einde van de 16de eeuw onder water kwamen te staan, zijn hiervan de bekendste exponent. Ook waren er fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland.

De hoofdstroom van de Schelde, die tot dat ogenblik steeds via het Kreekrak en de Oosterschelde zijn weg naar de zee had gevonden, verlegde zich zuidwaarts naar de Westerschelde. Reeds eeuwen drong deze zeearm verder binnen in het land, maar door de plots ontstane ruimte die het water kreeg op de verdronken Bevelanden, kon de Westerschelde de laatste barrière opruimen en zich ontwikkelen tot zijn huidige dimensies. 17

2.2.2

Aardkundige waarden

Geologie Het plangebied maakt deel uit van het zuidwestelijke zeekleigebied. Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland 18 (niet afgebeeld) ligt het plangebied binnen een zone met code Na7, hetgeen betekent dat hier het Laagpakket van Walcheren en Formatie van Nieuwkoop (zeeklei en -zand met inschakelingen van veen) aanwezig zijn. Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland (figuur 6) is het grootste deel van het plangebied gesitueerd in een bruingroene zone met code A0.2 Deze code duidt op Afzettingen van Duinkerke II op Hollandveen op Afzettingen van Calais (klei op zand). Volgens de nieuwe nomenclatuur betreft dit het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), op het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop), op het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Duinkerke II wil zeggen dat het gaat om relatief oude Walcheren-afzettingen. Een deel binnen de zuidelijke helft van het plangebied valt binnen een smalle, bochtige west-oost georiënteerde, geelgekleurde zone met code D0.3b. Dit wil zeggen dat hier sprake is van Afzettingen van Duinkerke IIIb, oftewel jongere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Dit gebied komt overeen met de zone waar volgens de gemeentelijke 14 Vos & Van Heeringen 1997. 15 Vos & Van Heeringen 1997. 16 Dekker 1971: 20. 17 Coen 2008. 18 TNO 2010, naar De Mulder et al. 2003.

17

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Maatregelenkaarten-in-Lagen (hoofdstuk 1.3) geen verwachting geldt voor het Hollandveen Laagpakket en het Laagpakket van Wormer. Volgens de bijkaarten bij de Geologische Kaart van Nederland valt in het plangebied pleistoceen dekzand te verwachten vanaf een diepte tussen 20 en 25 m -NAP.

Figuur 6 Projectie van het plangebied (rode polygoon) en vier nabijgelegen DINO-boringen op een uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1978.

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Om de diepteligging van de verschillende geologische lagen na te gaan, zijn ook boorgegevens uit het DINO-loket geraadpleegd. 19 Hieronder worden de resultaten van de vier meest nabijgelegen boringen (voor de situering op de Geologische Kaart: zie figuur 6) opgesomd. ⎯ In boring 1 (B48H1237), verricht op 220 m ten noordwesten van het plangebied, is vanaf het maaiveld tot 2,90 m -mv/ 2,50 m -NAP sprake van kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Hieronder ligt een 1,30 m dikke laag Hollandveen, die op 4,20 m -mv/ 3,80 m -NAP het Laagpakket van Wormer afdekt. Het Laagpakket van Wormer (klei) reikt tot de einddiepte van 10,70 m -mv/ 10,30 m -NAP. ⎯ In boring 2 (B48H1236), verricht op 170 m ten westen van het plangebied, is vanaf het maaiveld tot 6,10 m mv/ 6,50 m -NAP sprake van het Laagpakket van Walcheren. Dit bestaat grotendeels uit klei, alleen de

19 https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens.

18

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

onderste 1,10 m betreft zand. Hieronder ligt tot de einddiepte van 11,70 m -mv/ 12,10 m -NAP het Laagpakket van Wormer (klei). ⎯ In boring 3 (B48H1129), verricht op 60 m ten westen van het plangebied, is tot aan de einddiepte van 10,00 m -mv/ 9,40 m -NAP alleen het Laagpakket van Walcheren aanwezig. Er is bijna alleen klei aangeboord; alleen onderin de boring bestond het sediment uit zand. ⎯ In boring 4 (B48H1136), verricht op 100 m ten zuidwesten van het plangebied, is vanaf het maaiveld tot 2,00 m -mv/ 1,90 m -NAP het Laagpakket van Walcheren aanwezig (klei op zand op klei). Hieronder ligt een 1,50 m dikke laag Hollandveen. Vanaf 3,50 m -mv/ 3,40 m -NAP tot aan de einddiepte van 5,00 m -mv/ 4,90 m -NAP is het Laagpakket van Wormer aangeboord (klei op zand). Een appelboormodel van DINO20 voorspelt dat zowel in de noordelijke als in de zuidelijke helft van het plangebied het Laagpakket van Walcheren direct het Laagpakket van Wormer afdekt en dat er dus geen Hollandveen aanwezig is. De overgang ligt rond 4,25 m -NAP, hetgeen neerkomt op 3,50 m -mv in het noorden en 4,50 m -mv in het zuiden van het plangebied. Bodem Op de Bodemkaart van Nederland (figuur 7)21 ligt de noordelijke helft van het plangebied in een zone met code Mn15A. Dit wil zeggen dat hier sprake is van kalkrijke poldervaaggronden, ontwikkeld in lichte zavel.

De zuidelijke helft van het plangebied maakt deel uit van niet gekarteerd gebied, maar op grond van het kaartbeeld valt te vermoeden dat de bodem hier vergelijkbaar is met die in het noorden van het plangebied.

20 https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen: BROGeoTOP v1.4.1. 21 Bazen 1987.

19

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Figuur 7 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op de Bodemkaart van Nederland. Bron: Bazen 1987.

Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen. Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog (zie onderstaande tabel). Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. De grondwatertrap binnen het (gekarteerde deel van het) plangebied bedraagt volgens de Bodemkaart van Nederland VI. Daarmee bevindt de gemiddeld hoogste grondwaterstand zich op 0,40 tot 0,80 m -mv. De gemiddeld laagste grondwaterstand bevindt zich op meer dan 1,20 m -mv. Dit houdt in dat binnen het plangebied goed ontwaterde gronden voorkomen, die aantrekkelijk waren als landbouwgebied en/of vestigingsplaats. grondwatertrap

I

II

III

IV

V

VI

VII

GHG in cm -mv

(< 20)

(< 40)

< 40

> 40

< 40

40 – 80

> 80

GLG in cm -mv

< 50

50-80

80-120

80-120

> 120

> 120

(> 160)

GHG = gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG = gemiddeld laagste grondwaterstand

20

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Volgens de meer gedetailleerde Bodemkaart van de Polder “De Brede Watering bewesten Yerseke” 22 (figuur 8) bevindt het plangebied zich binnen een noord-zuid georiënteerde zone met code MMr3. Dit wil zeggen dat hier sprake is van middelland, namelijk kalkhoudende jongere kreekruggrond met zavelige bovengrond. Middelland is ontstaan op plaatsen waar het oudland door de zee werd aangetast. Hierbij ontstonden nieuwe getijdengeulen, die werden opgevuld met zand en zavel en soms met klei. Aan de flanken ontstonden zavelige oeverwalafzettingen, verder van de geulen af zwaardere zavel- en kleigronden. De ontkalking is in middelland minder sterk dan in oudland. 23 Ook de westoost georiënteerde rug ter plaatse van de Eeweg staat (ten westen van het plangebied) aangeduid als middelland, namelijk als MMk-zone (kalkrijke jonge kreekruggrond). Volgens de toelichting bij de Bodemkaart ontstond dit “Systeem Eeweg-Schore” tijdens een jongere inbraak, die zeer waarschijnlijk ná de bedijking plaatsvond: “Een aanwijzing hiervoor is te zien in de knik van de dijk voor deze jongere afzetting. Ook de ligging is relatief laag en het verschil met de MMr grond op de zuidzijde bedraagt ongeveer 1 m. Ook hier ligt weer een diepe bedding waarlangs de oeverwallen zijn opgebouwd.” 24

Figuur 8 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Bodemkaart van “De Brede Watering bewesten Yerseke”. Bron: Van der Meer et al. 1952.

Geomorfologie De noordelijke helft van het plangebied ligt op de Geomorfologische Kaart van Nederland 25 (figuur 9) binnen een zone met code 3K33. Dit betekent dat het landschap wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een getij-inversierug. De 22 Van der Meer et al. 1952.

23

Van der Meer et al. 1952: 3-4. 24 Van der Meer et al. 1952: 57-58. 25 Brus & De Lange 1986.

21

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

zuidelijke helft van het plangebied en de dorpskern van Schore liggen in niet-gekarteerd gebied, maar op grond van het kaartbeeld valt ervan uit te gaan dat de getij-inversierug hier eveneens aanwezig is. Getij-inversieruggen ontstaan door de afzettingen van een geul dan wel kreek. Doordat het omliggende landschap inklinkt, komt een getijinversierug op den duur hoger te liggen dan het omliggende landschap. Door de relatief hogere ligging waren dergelijke ruggen vaak preferente bewoningslocaties. Er liggen dan ook vaak dorpen op, alsook belangrijke wegen. Schore ligt op zo’n rug; de Eeweg en Frisostraat volgen de loop van de rug. De bruingekleurde zones met codes 3L27 en 2M51 in de wijde omgeving van het plangebied geven gebieden aan waar moernering heeft plaatsgevonden, dan wel waar egalisatie heeft plaatsgevonden op de plaatsen waar door de moernering een hollebollig reliëf was ontstaan.

Figuur 9 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus & De Lange 1986.

Actueel Hoogtebestand Nederland Op een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4; figuur 10) is de hogere ligging van de getij-inversieruggen (kreekruggen) ten opzichte van het omringende landschap duidelijk zichtbaar. Op getijinversieruggen in de omgeving van Schore ligt het maaiveld doorgaans boven NAP, terwijl het elders onder NAP ligt. Zoals de Geomorfologische Kaart liet zien, ligt ook de dorpskern van Schore op zo’n getij-inversierug. Op het hoogte punt in de dorpskern, bij de kerk, ligt het maaiveld op hoogten van 1,15 tot 1,40 m +NAP.

22

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Figuur 10 Projectie plangebied (zwarte polygoon) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).

Indien wordt ingezoomd en verder verfijnd wat betreft de hoogteverschillen (figuur 11), is ten eerste te zien dat het maaiveld binnen het plangebied vanuit het zuiden (circa 0,20 m +NAP) richting het noorden (circa 0,80 m -NAP) afloopt. De zuidzijde bevindt zich immers ter hoogte van het centrale deel van de kreekrug waarop de Frisostraat loopt. Halverwege het plangebied ligt het maaiveld rond 0,40 m -NAP. Ten tweede is een nogal abrupte, kaarsrechte overgang in maaiveldhoogte te zien ter plaatse van de oostgrens van de zuidelijke helft van het plangebied. Direct ten oosten van deze grens ligt het maaiveld 0,65 tot 0,85 m hoger dan direct ten westen ervan. Dit kan betekenen dat er in het zuidelijke deel van het plangebied op enig moment een ontgraving heeft plaatsgevonden. Langs de overige randen van het plangebied zijn zulke verschillen echter niet te zien. Het is zodoende ook mogelijk dat het maaiveld direct ten oosten van het plangebied juist is opgehoogd, bijvoorbeeld om de achtertuinen van de betreffende woonpercelen (met woningen uit de tweede helft van de 20 ste eeuw) op gelijke hoogte te brengen met het straatniveau aan de oostzijde. Duidelijke aanwijzingen voor potentiële vindplaatsen zijn op de actuele hoogtekaart niet waargenomen.

Een duidelijke aanwijzing is echter wel te zien op een oudere hoogtekaart (figuur 12), namelijk AHN2, daterend uit de periode 2007 – 2012. De vormgeving van deze weergave wijkt af omdat het betreffende databestand niet ter bewerking te downloaden was. Op AHN2 is ten oosten van het plangebied en ten noorden van de dorpskern een cirkelvormige hoogte in het maaiveld te zien. Dit betreft het restant van een afgegraven vlied- of motteberg (zie ook hoofdstuk 2.4). Op AHN2 lag het maaiveld ter plaatse van de hoogst gelegen kring rond NAP-hoogte en ter weerszijden hiervan rond 0,10 m -NAP. Sinds ongeveer 2012 worden de restanten van de heuvel deels afgedekt door een paardenbak; op AHN4 ligt het maaiveld ter plaatse van de afgegraven berg enkele decimeters lager dan op AHN2.

23

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Figuur 11 Projectie plangebied (zwarte polygoon) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).

Figuur 12 Projectie plangebied (zwarte polygoon) op uitsnede oudere versie Actueel Hoogtebestand Nederland (2007-2012). Rechts van het plangebied: een afgegraven vlied- of motteberg. Bron: www.pdok.nl (AHN2 0,5 meter maaiveld).

24

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Samenvatting Samenvattend kan worden gesteld dat het plangebied ter hoogte van een kreekrug, i.c. een getij-inversierug ligt. Hierdoor ligt het maaiveld in het zuiden van het plangebied een meter hoger (0,20 m +NAP) dan in het noorden (0,80 m -NAP). De getij-inversierug is gevormd uit relatief jongere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Het plangebied wordt zodoende gerekend tot het middelland. In het zuiden van het plangebied is door toedoen van de betreffende geul naar verwachting sprake van diep reikende Walcheren-afzettingen die het Hollandveen en het Laagpakket van Wormer hebben geërodeerd. In de noordelijke helft van het plangebied zijn de twee laatstgenoemde niveaus mogelijk nog wel aanwezig, al voorspellen ondergrondmodellen van het DINOloket dat dit niet het geval is. Indien nog Hollandveen aanwezig is, is dit op grond van ondergrondgegevens van het DINOloket te verwachten vanaf ongeveer 1,90 – 2,50 m -NAP. Het Laagpakket van Wormer is te verwachten vanaf circa 3,40 – 3,80 m -NAP. Uit de hoogtekaart blijkt een abrupt verschil in maaiveldhoogte tussen het zuidelijke deel van het plangebied en het terrein direct ten oosten daarvan. Vermoedelijk komt dit door ophoging ten oosten van het plangebied, maar het is niet geheel uit te sluiten dat in het een deel van het zuiden van het plangebied een ontgraving heeft plaatsgevonden.

Indien dit het geval is, zal plaatselijk ongeveer de bovenste 0,75 m van het oorspronkelijke profiel ontbreken. Ten tweede blijkt uit een oudere hoogtekaart de ligging van een archeologische vindplaats ten oosten van het plangebied, namelijk een afgegraven vlied- of motteberg.

25

ARTEFAC T RAPPORT 730

2.3

Historie

2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling

SCHORE FRISOSTRAAT

Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij tevens vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport is gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor kaarten daterend vanaf het midden van de 18 de eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten werden ontwikkeld met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend van vóór deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. Omstreeks de 8ste eeuw begonnen schaapherders met hun kudden de schorren te gebruiken. Ze werkten vooral voor Vlaamse abdijen. Om veilig te zijn voor vloeden, wierpen ze stellen of stelbergen op. Ook de eerste vaste bewoners in het gebied wierpen kunstmatige hoogten op. Vliedbergen zijn vaak ontstaan als woonhoogte in het toen nog onbedijkte gebied.

26 Schore, en daarmee het plangebied, ligt in de polder De Breede Watering bewesten Yerseke, kortweg de Westwatering genoemd (figuur 13). Dit is een van de oudste en grootste Zeeuwse poldergebieden. De oostelijke grens wordt gevormd door de Zanddijk en de Molendijk tussen Hansweert en Yerseke. 27 Wanneer de polder precies tot stand is gekomen, is niet bekend, maar rond 1300 vormde zij één geheel. 28 Vermoed wordt dat een grote overstroming in 1134 een aanzet heeft gegeven tot systematische bedijking. 29

Figuur 13 Overzichtskaart met de voormalige eilanden van Zuid-Beveland in de Middeleeuwen. Het plangebied is bij benadering te situeren ter hoogte van de rode stip. Bron: Wilderom 1968: 41.

26 https://www.kapelle.nl/canon-van-kapelle. 27 Wilderom 1968: 114. 28 Van Ysseldijk 1968: 20. 29 Dekker 1971: 92-136.

26

ARTEFAC T RAPPORT 730

SCHORE FRISOSTRAAT

Schore is ontstaan als poeldorp in een uitgestrekt veengebied. Hoewel de naam van het dorp verwijst naar schorren, is het nooit afzonderlijk als schorrengebied ingepolderd geweest. Volgens Dekker waren sommige gebieden na de bedijking evenwel nog lange tijd niet in cultuur gebracht. Het is dan ook mogelijk dat het gebied ook na het leggen van de dijk nog lang zijn oorspronkelijke uiterlijk hield, van niet geheel ontzoute schaapsgronden, doorsneden door kreken. Bij Schore moet volgens Dekker in een vroeg stadium een grote dijkbreuk hebben plaatsgevonden. In navolging van Van der Meer et al. (zie ook hoofdstuk 2.2.2 in voorliggend rapport) gaat Dekker ervanuit dat de kreek dateert van ná de bedijking. Uit de hierbij ontstane inbraakkreek werd de kreekrug gevormd waarop tegenwoordig de Eeweg ligt (de Frisostraat vormt het oostelijke verlengde hiervan). Hierbij oppert hij een stormvloed van 1248 als mogelijke aanstichter van de dijkbreuk. 30 Figuur 14 geeft de door Dekker geschetste situatie weer. Hierop geeft hij in de legenda overigens niet 1248, maar 1134 aan als het jaar waarin de kreken ontstonden. Op de kreekruggen legden bewoners woonhoogten aan, die samengroeiden tot dorpsterpen. Zo is ook Schore ontstaan. In Schore bevonden zich één of twee mottebergen. Dit waren kunstmatige heuveltjes waarop ambachtsheren een houten toren bouwden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13144193/1