2022-17b. Ontwerpbestemmingsplan Abdijstraat te Biezelinge (supermakrt)
Tekst van het document
Methoden
Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 40022, volgens specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform het opgestelde beleid voor archeologisch onderzoek binnen de provincie Zeeland3 en de gemeente Kapelle. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); relevante (wetenschappelijke) literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Kapelle;
2 3
SIKB, 2018 Provincie Zeeland, 2019
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 9 van 57
2.3
Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Het plangebied ligt aan de zuidkant van de bebouwede kom van Biezelinge tussen het Schotwegje in het zuidwesten en de Abdijstraat in het noordoosten. Het plangebied ligt in de kadastrale gemeente Kapelle, sectie E en beslaat perceel 3384. De oppervlakte van het plangebied is 1,4 ha. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en figuur 2. Huidige situatie Het grootste deel van het plangebied is in gebruik als boomgaard. Het uiterste noordwesten van het plangebied is verhard met stelconplaten en hier is ook een schuur/loods aanwezig. In figuur 3 is de huidige situatie weergegeven. Vigerend beleid Volgens het vigerend bestemmingsplan Kapelle-Biezelinge uit 2010 heeft het noordwestelijke deel van het plangebied een dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 1’. Volgens de bijbehorende planregels geldt er een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -mv.4 De rest van het plangebied heeft geen dubbelbestemming volgens dit bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan is ouder dan de gemeentelijke beleidskaart (figuur 4), die een hoge archeologische verwachting laat zien voor dit plangebied. Op basis van het gemeentelijk beleid zou dit gebied momenteel een dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 2’ krijgen met vrijstellingsgrenzen van 250 m2 en 40 cm -mv.
Milieukundige situatie Volgens het Bodemloket zijn binnen het plangebied geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd.5 2.4
Toekomstige situatie
Het plangebied is in gebruik als boomgaard en heeft nu een archeologische dubbelbestemming, maar de initiatiefnemer wil er een Aldi en een Action vestigen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een bestemmingsplanwijziging worden doorgevoerd. De Aldi winkel met een oppervlakte van 1850 m2 zal in het noordwestelijke deel van het plangebied geplaatst worden en de Action winkel (1180 m2) met een Fruitshop eraan vast (200 m2) zal in het zuiden van het plangebied geplaatst worden. Tussen de winkels en aan de oostkant van het plangebied worden circa 210 parkeerplaatsen gerealiseerd (figuur 5). In deze fase van de planvorming is de mate van verstoring nog niet te bepalen. Het is echter aannemelijk dat de vrijstellingsgrens uit het bestemmingsplan wel zal worden overschreden.
4 5
www.ruimtelijkeplannen.nl Bodemloket
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 10 van 57
2.5
Aardwetenschappelijke context
Landschappelijke ontwikkeling De landschappelijke ontwikkeling zal aan de hand van paleogeografische kaarten in figuur 6 en enkele standaardwerken6 worden beschreven. Het plangebied ligt in het Zeeuws zeekleigebied, op het eiland Zuid-Beveland. De landschappelijke ontwikkeling van dit gebied hangt nauw samen met de Holocene zeespiegelstijging. Aan het begin van het Holoceen (10.000 jaar geleden) staat de zeespiegel zo’n 100 m lager dan nu. In het Holoceen stijgt de zeespiegel door afsmelting van het landijs. Hierdoor ontstaat in West-Nederland een getijdegebied. Rond 5500 v. Chr. bestaat dit getijdengebied uit wadden en kwelders met aan de randen een veengebied (figuur 6B). Rond 3850 v. Chr. (figuur 6C) heeft het getijdegebied zijn grootste omvang bereikt en is er een uitgebreid netwerk van geulen ontstaan. Het plangebied ligt op dat moment tussen twee getijdengeulen in. In de loop van het vierde millennium voor onze jaartelling neemt de zeespiegelstijging af en kan het kustmoeras zich uitbreiden. Op de plek van de oostelijke getijdegeul is rond 2750 v. Chr. een veengebied ontstaan, de westelijke getijdengeul blijft nog bestaan (figuur 6D). In het derde millennium voor onze jaartelling sluiten de strandwallen zich aaneen. Rond 1500 v. Chr. (figuur 6E) is het gehele gebied overveend en de veengroei gaat door tot het begin van onze jaartelling.
Dan wordt, door natuurlijke drainage, bewoning op het veen mogelijk. Het maaiveld daalt door de drainage van het gebied en mede door de ontginning van het veengebied in de Late IJzertijd en Romeinse tijd. In de Laat Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen ontstaat er een grote getijdengeul die Zuid-Beveland doorsnijdt. Deze geul slibt rond 800 n. Chr. echter weer op. Hierbij verdwijnen grote delen van het veen en op het resterende veen wordt een kleidek afgezet. In deze periode raakt Zeeland grotendeels ontvolkt. Rond 800 n. Chr. ligt het plangebied midden in een getijdengebied, op de overgang van een kreekrug naar een kweldervlakte ten noorden van een getijdengeul (figuur 6I). Het getijdegebied breidt zich verder uit en vanaf de 11e eeuw vindt bewoning in het gebied plaats op terpen en wordt het gebied steeds meer ingepolderd, waardoor het eiland Zuid-Beveland ontstaat. Rond 1250 worden de overgebleven getijdegeulen en het opgeslibd land ingepolderd (figuur 6J). Daarna (in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd) vindt opnieuw mariene erosie plaats in het gebied, waarbij onder andere de Westerschelde ontstaat. Het plangebied blijft echter bespaard. Zeeland wordt meerdere malen geteisterd door overstromingen, om deze te voorkomen (met name na de Watersnoodramp van 1953) worden de Deltawerken na 1953 aangelegd.
Geologie Volgens het digitale ondergrondmodel BRO GeoTOP v1.47 blijkt dat de top van de pleistocene afzettingen rond -25 m NAP ligt. De pleistocene ondergrond bestaat uit fluviatiele afzettingen van de Formaties van Waalre en Peize. Op deze pleistocene afzettingen ligt een dik pakket getijdeafzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). De top van deze afzettingen ligt rond -4 m NAP. Hierop ligt een pakket veen (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop). De top van dit pakket ligt op circa -3,50 m NAP. Hierop ligt ten slotte een pakket getijdeafzettingen uit de Middeleeuwen (Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk). De dikte van dit pakket is zo’n 3,5 m.
6 7
Mulder e.a. (2003); Stouthamer e.a. (2015) www.dinoloket.nl
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 11 van 57
Volgens de een reconstructie van het pleistocene maaiveld 8 heeft dit in het plangebied tussen -10 en -8 m NAP gelegen. Door de marine insnijdingen in het Holoceen is de pleistocene ondergrond tot 25 m NAP geërodeerd (figuur 7). Deze insnijdingen hebben, op grond van de paleogeografische ontwikkeling, plaatsgevonden in het Mesolithicum/Neolithicum (afzettingen van het Wormer Laagpakket) of in de Late Romeinse tijd/Middeleeuwen (afzettingen van het Walcheren Laagpakket). Jongere geulen hebben de oudere geulen ten dele oversneden, maar het is niet duidelijk of de latere erosie tot een dieper niveau is gekomen dan de eerdere. Dit is waarschijnlijk niet het geval. Dit blijkt uit de gemeentelijke verwachtingskaarten, waarop te zien is dat de pleistocene afzettingen in het plangebied niet meer aanwezig zijn, terwijl de verwachting is dat de Wormerafzettingen en het Hollandveen wel nog deels aanwezig zijn ondanks de erosie tijdens de Walcheren-afzettingen (figuur 4). Geomorfologie en maaiveldhoogte Volgens de geomorfologische kaart van Nederland (figuur 8) ligt nagenoeg het gehele plangebied op een getij-inversierug ofwel kreekrug. Kreekruggen ontstaan doordat verzande kreken door reliëfinversie als gevolg van differentiële klink uiteindelijk relatief hoog in het landschap komen te liggen.
Op het Actueel hoogtebestand van Nederland (AHN3; figuur 9) is te zien dat de omgeving van het plangebied tamelijk reliëfrijk is, waarbij de maaiveldhoogte varieert tussen circa -1 en meer dan 1,5 m NAP. Het reliëf oogt natuurlijk, wat blijkt uit de het reliëf op perceel niveau. Egalisatie of ontgraving heeft waarschijnlijk niet plaatsgevonden in het plangebied. Het maaiveld in het plangebied ligt tussen de 0,1 en 1 m NAP en daarmee hoger dan de omliggende wegen, maar ongeveer gelijk aan de omgeving. Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart van Nederland (figuur 10) komen in het plangebied poldervaaggronden (Mn15A) voor. Dit zijn kleigronden met een slecht ontwikkelde bovengrond en door periodieke hoge grondwaterstanden komen binnen 50 cm –mv gleyverschijnselen (roestvlekken) voor. Deze gronden hebben geen veen binnen 80 cm en geen donkere bovengrond. In de omgeving rondom het plangebied komen ook knippige poldervaaggronden (gMn53C) en hollebollige gemoerde zeekleigronden (AGm9C) voor. De knippige poldervaaggronden komen voor in oude kernen van Zuid-Beveland. Knippig betekent dat de grond de eigenschap heeft van geringe structuurstabiliteit en interne slemp. De knippigheid in de bodem is alleen te herkennen in de bovengrond, de criteria zijn daarom niet toegepast waar de bodem geëgaliseerd is. De geëgaliseerde gronden worden daarom ingedeeld bij de kalkarme poldervaaggronden.
De knippige polder vaaggronden zijn gekenmerkt door een kalkloze, vaak zure bovengrond en worden tussen 50 en 100 cm kalkrijk. De hollebollige gemoerde zeekleigronden zijn cultuurgronden die zijn ontstaan doordat in de Late Middeleeuwen veen is gewonnen door het vroegmiddeleeuwse kleidek opzij te zetten, het veen af te graven voor selnering en het kleidek weer terug te zetten. Als gevolg van het moerneren is een zeer onregelmatig (hollebollig) oppervlak ontstaan, dat niet door latere egalisaties (als gevolg van ruilverkaveling) is aangetast.9 De poldervaaggronden in het plangebied hebben grondwatertrap VI. Dit betekent dat de hoogste grondwaterstand (winterpeil) tussen 40 en 80 cm –mv staat en de laagste grondwaterstand (zomerpeil) dieper dan 120 cm –mv.
8 9
Vos & De Vries, 2015, niet opgenomen Bazen (1987)
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 12 van 57
De grondwaterstand is van invloed op de conservering van organische archeologische resten, zoals hout, leer en bot. Deze resten worden boven de laagste grondwaterstand niet of slecht geconserveerd verwacht. 2.6
Beschrijving van het historische gebruik
Korte bewoningsgeschiedenis van Zuid-Beveland De eerste bewoning op Zuid-Beveland, waar Biezelinge op gevestigd is, vindt plaats op het veen in de Romeinse tijd. Bewoningssporen uit deze tijd zijn echter schaars en bewoning vind waarschijnlijk in deze periode vooral plaats aan de oevers van de Schelde, ten noorden van het plangebied. Door de ontginning van het veengebied in de Romeinse tijd vindt er maaivelddaling plaats en ontstaat er door het binnendringen van de zee een getijdenbied. Hierdoor komt er een einde aan de bewoning op het veen. De getijdenkreken slibben naar verloop van tijd op en de eerste nederzettingen ontstaan vanaf dat moment op kreekinversieruggen. Bewoningssporen zijn terug gevonden van het einde van de 8ste eeuw10. Vanaf 1200 vindt bedijking plaats van de hoger gelegen delen van het getijdegebied. Dit zijn over het algemeen de delen van Zeeland waar nog veen in de ondergrond aanwezig is, dit betreft de kernen van de huidige eilanden. Hierna vindt moernering en selnering, winning van veen onder het kleidek plaats. Hierdoor wordt het maaiveld verlaagd en kan de zee opnieuw inbreken in het gebied, waarbij veel land verloren gaat. Een voorbeeld hiervan is het verdronken land van Saaftinge, Zuid-Beveland, Markiezaat. Hierna vindt opnieuw inpoldering plaats van verloren gebieden, die vaak aangeduid worden als Nieuwland.
Het dorp Biezelinge is ontstaan in de 11e/12e eeuw en vormt een tweelingdorp met Kapelle. Op 17 april 1529 wordt Biezelinge een zelfstandige parochie, na de Reformatie wordt Biezelinge echter weer samengevoegd met Kapelle. In 1659 krijgt de gemeente een eigen predikant (G.W. Anslaer). Biezelinge heeft één van de belangrijkste havens van Zuid-Beveland, maar aan het begin van de 18e eeuw verzand deze en in 1715 wordt ze afgedamd.11 Historisch kaartmateriaal Aan de hand van historisch kaartmateriaal kan de ontwikkeling van het plangebied verder worden geschetst. Op een kaart van Hattinga uit 1750 is de ligging van Biezelinge te zien aan de toenmalige haven en ligt het plangebied aan de Abdijstraat ten zuiden van Biezelinge. Er staat geen bebouwing langs de Abdijstraat aangegeven. Het Schotwegje die op deze kaart nog niet is aangegeven lijkt de grens tussen de heerlijkheid Kapelle (Capelle) en Vlake te volgen. De ligging van het plangebied is op deze kaart indicatief (figuur 11A). Op de kadastrale minuut uit de periode 1811- 1832 is te zien dat het plangebied deel uitmaakt van vier percelen. Op een daarvan staat een huis met een tuin die op een tweede perceel is aangegeven. Het huis staat vermoedelijk in het noordelijkste deel van het plangebied. Het tweede en derde perceel zijn in gebruik als boomgaard.
Het plangebied ligt in die periode tussen de Zandweg naar Schore (de huidige Abdijstraat) en Hans hoeks of Schot Wegje (huidige Schotwegje) en heeft de naam De Mool hoek. De percelen in het plangebied hebben de nummers 166 (huis), 167 (tuin bij een het huis), 175 en 176 (boomgaard). Tot op heden is de situatie nagenoeg ongewijzigd, alleen lijkt het plangebied vanaf 1850 geheel te worden gebruikt als boomgaard (figuur 11B-F).
10 11
Artefact! Rapport 226, Zaakid. 3983495100, archis.cultureelerfgoed.nl encyclopedievanzeeland.nl/Biezelinge
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 13 van 57
Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Binnen 50 m van het plangebied liggen geen Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of MIPobjecten. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.12 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 2.7
Archeologische waarden
Voor inzicht in archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is Archis3 geraadpleegd. Ook is navraag gedaan bij het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD). AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied In de omgeving van het onderzoeksgebied (binnen een straal van 550 m) liggen twee archeologische monumenten (figuur 12 en bijlage 2). De oude dorpskern van Biezelinge (300 m ten noordwesten van het plangebied), is een AMK-terrein van hoge archeologische waarden (AMK nummer 13452). Hier zijn resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd aangetroffen, onder andere in de vorm van enkele oude boerderijen teruggevonden. Zo’n 550 m ten noordoosten van het plangebied ligt een klooster complex met zeer hoge archeologische waarden voor de Late Middeleeuwen t/m de Nieuwe tijd. Het klooster is het jonkvouwen-klooster Jeruzalem (het meest noordelijke Victorinnen-klooster), gesticht voor 1246 (AMK-nummer 661). Uitgevoerde onderzoeken Zoals in figuur 12 en bijlage 3 is te zien, zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd in de omgeving van het plangebied. In 2011 is aan de Noordstraat 4, in de dorpskern van Biezelinge (250 m ten noordwesten van het plangebied), een bureau-en booronderzoek uitgevoerd (zaakid. 2348022100). Tijdens dit onderzoek zijn drie boringen gestuit op massief metselwerk en in twee boringen zijn fragmenten van menselijk botmateriaal teruggevonden.
De middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de late prehistorie en de Romeinse tijd werden wegens het ontbreken van (intact) Hollandveen in het profiel gewijzigd in een lage verwachting. De hoge verwachting voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd werd tijdens het booronderzoek bevestigd. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is geadviseerd geen bodemverstorende activiteiten uit te voeren binnen het plangebied beneden een diepte van 0,30 m – mv. Aan de hand van dit onderzoek is er een inventariserend veldonderzoek, door middel van proefsleuven, uitgevoerd (zaakid. 2359363100). Er werden meerdere vondsten gedaan tijdens dit proefsleuven onderzoek, waaronder aardewerkfragmenten afkomstig uit de 17e t/m 19e eeuw, natuursteen, keramisch bouwmateriaal uit de 18e eeuw, glas uit de 19e eeuw, ijzeren spijkers en enkele fragmenten menselijk bot.
12
Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ikme.nl/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990.
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 14 van 57
Naar aanleiding van het proefsleuven onderzoek werd er in 2012 een archeologische begeleiding ondernomen (zaakid. 2379095100). Tijdens de archeologische begeleiding is keramisch materiaal aangetroffen uit 1500 – 1800 na Chr., keramisch bouwmateriaal uit de 19e eeuw, bakstenen uit de Late Middeleeuwen (circa 1250 – 1550 na Chr.), funderingen en een muur uit de Nieuwe tijd als voorganger van de huidige kerk uit 1908 na Chr., glasfragmenten van 1650 na Chr. – heden, metalen hengsels die bij een houten grafkist hebben behoord uit de eerste helft van de 19e eeuw en spijkers en menselijk skeletmateriaal zowel in situ als losse vondsten. In 2013 is aan de Noordstraat 23 (400 m ten noordwesten van het plangebied) een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (zaakid. 2394825100). De bodemopbouw die werd vastgesteld aan de hand van vier boringen bestaat uit een opgebrachte humeuze toplaag van 0,5 m dik, met daaronder een vergraven kleipakket. Onder het kleipakket bevind zich een natuurlijke (geul)afzetting van het Laagpakket van Walcheren, hieronder werd geërodeerd Hollandveen aangetroffen. Onder het veen werden intacte afzettingen van het Laagpakket van Wormer aangetroffen op een diepte tussen 2,72 en 2,87 m -NAP. Tijdens het booronderzoek werden kleine fragmenten baksteenpuin, houtskool en een fragment van een fles in steengoed uit de 19e of vroege 20e eeuw aangetroffen.
De conclusie van het onderzoek is dat niet dieper gegraven mag worden dan 0,40 m beneden maaiveld binnen een bepaalde zone, in de rest van het gebied geen graafwerkzaamheden dieper dan 2,45 tot 3,40 m – mv. Nadat er concrete bouwplannen voor dit plangebied waren opgesteld, is in hetzelfde jaar proefsleuven onderzoek uitgevoerd (zaakid. 2412385100). Tijdens dit onderzoek zijn er (muur)funderingen aangetroffen van een woonhuis dat is weergegeeven op de kadastrale kaart (minuutplan) uit 1811 – 1832. Verder zijn er paalgaten, muurrestanten, grondsporen, aardewerk uit de Late Middeleeuwen en uit de Nieuwe tijd aangetroffen. Er is ook keramisch bouwmateriaal uit de Nieuwe tijd en vensterglas, metaalslak en een drietal dierlijke bot fragmenten aangetroffen. Na aanleiding van dit onderzoek is geadviseerd de aanwezige archeologische resten voor zover mogelijk in situ te behouden. Vondstmeldingen In de omgeving van het plangebied zijn meerdere losse vondsten gedaan (figuur 12 en bijlage 4). Vier vondsten zijn gedaan op de oostelijke grens van het plangebied (zaakid. 2811812100) en betreffen keramiek uit de Late Middeleeuwen. De vondstlocatie is echter globaal ingetekend en het is daarom niet bekend of het aardewerk in of buiten het plangebied is gevonden. Een andere melding betreft een vondst 250 m ten noordwesten van het plangebied op het marktplein van Biezelinge.
Deze vondst bestaat uit keramiek afkomstig van een kapel uit de Late Middeleeuwen – het einde van de Nieuwe tijd (zaakid. 2811820100). In 1997 vond er een opgraving plaats 250 m ten noordwesten van het plangebied aan de oude haven van Biezelinge (zaakid. 3049020100). Hier zijn drie vondsten gedaan bestaand uit hout/houtskool, keramiek en metaal daterend uit de Late Middeleeuwen – einde van de Nieuwe tijd. Verder zijn er ook drie sporen aangetroffen betreffend een beerput (Vroege tot Midden-Nieuwe tijd), een waterput/reservoir (Vroege - Midden Nieuwe tijd) en een fundering van een huis (Late Middeleeuwen – Late Nieuwe tijd). Gemeentelijke verwachtingskaart De archeologische verwachtingskaart van Biezelinge (figuur 4) onderscheidt een archeologische verwachting voor vier stratigrafische niveaus. Het onderste niveau betreft de pleistocene afzettingen in de ondergrond. Omdat de top van deze afzettingen is geërodeerd, heeft dit niveau geen archeologische verwachting in het plangebied. De drie daarop volgende niveaus betreffen respectievelijk de top van de afzettingen van het Laagpakket van Wormer, de top van het Hollandveen en de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. De verwachting voor deze drie niveaus is hoog.
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 15 van 57
2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (zie Tabel I). Tabel I.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Verwachting en complextype
Te verwachten resten
Relatieve maaiveld
diepte
t.o.v.
het
Laat-Paleolithicum - Mesolithicum
-
-
-
Neolithicum
Laag tot middelhoog; bewoningssporen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen; sloten/greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; vuur- en natuursteen, aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot, verbrand leem
In de top van de Wormerafzettingen
Bronstijd – Midden-IJzertijd
-
-
-
Late IJzertijd - Romeinse tijd
Middelhoog tot hoog; bewoningssporen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen; sloten/greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot, verbrand leem, baksteen, fosfaatvlekken
In de top van het Hollandveen, indien veraard
Vroege Middeleeuwen
Laag
-
Eventueel in een de top van vroegmiddeleeuwse kwelderafzettingen.
Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd
Hoog
Akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen; sloten/greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot, keramiek, glas, verbrand leem, baksteen, fosfaatvlekken, sporen van landgebruik
In de top van laatmiddeleeuwse getijdeafzettingen, direct onder de bouwvoor
Binnen het plangebied worden in de ondergrond getijdeafzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) verwacht, die in het Mesolithicum en Neolithicum zijn afgezet. Op deze mariene afzettingen is een pakket Hollandveen (Formatie van Nieuwkoop) aanwezig, dat in de periode Neolithicum – IJzertijd is gevormd. In de Late IJzertijd en de Romeinse tijd vond bewoning op het veen plaats. In de Vroege Middeleeuwen is een kleidek op het veen afgezet en later ontstond een getijdegebied met kreken (Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk). Op de opgeslibde kreekruggen ontstonden nederzettingen, onder andere Biezelinge. Dit dorp is ontstaan in de 11e/12e eeuw. In de 17e eeuw behoorde een deel van het plangebied tot een tuin en een deel was in gebruik als boomgaard. Vanaf 1850 lijkt de locatie in gebruik als boomgaard. De getijdeafzettingen en dan met name kreekruggen in de top van het Wormer Laagpakket hebben volgens de gemeentelijke verwachtingskaart een hoge verwachting voor resten uit het Neolithicum, maar deze verwachting wordt niet echt gestaafd door de aanwezigheid van vindplaatsen in het gebied. De verwachting is dus eerder laag tot middelhoog te noemen.
In de top van het Hollandveen kunnen bewoningssporen uit de Late IJzertijd en de Romeinse tijd worden verwacht, mits de top van het veen is veraard, dat wil zeggen is geoxideerd door de met de ontginning gepaard gaande ontwatering. Als er een veraarde veentop aanwezig is, is de archeologische verwachting hoog. Is deze veraarde veentop nooit gevormd of door erosie verdwenen, dan is de verwachting laag. Meerdere vindplaatsen uit de Late IJzertijd en Romeinse tijd zijn reeds aangetroffen in Zuid-Beveland. Aannemelijk is dat het veenlandschap vanaf deze periode dan ook vrij intensief is ontgonnen. Rond 800 na Chr. ligt het plangebied aan de rand van een getijdengeul, door erosie aan de randen van deze geul is er kans dat het onderliggende veenpakket gedeeltelijk of geheel is
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 16 van 57
geërodeerd. De archeologische waarden uit de IJzertijd en de Romeinse tijd binnen het plangebied moet daarom waarschijnlijk aangepast worden naar een middelhoge verwachting. De getijdeafzettingen die in de Middeleeuwen op het veen zijn afgezet, hebben een hoge archeologische verwachting voor bewoningssporen en sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Resten worden in de top van de afzettingen, direct onder de bouwvoor verwacht. Resten van nederzettingen en sporen van landgebruik uit het Neolithicum, de Late IJzertijd, de Romeinse tijd, de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd worden verwacht in de vorm van akkerlagen, ophogingslagen, cultuurlagen; greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; aardewerk, houtskool, verbrand leem en(verbrand) bot. Resten uit het Neolithicum kenmerken zich verder door het voorkomen van vuursteen. Uit de Romeinse tijd, de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen ook metaal en baksteen en ander bouwkeramiek worden verwacht. Op grond van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal wordt in het grootste gedeelte van het plangebied ook geen bewoningssporen van na de 17e eeuw verwacht, op het noordelijkste deel van het plangebied na, waar waarschijnlijk een huis heeft gestaan (kadastrale minuut 1811-1832, perceelnummer 166).
Bodemverstoring Zoals gezegd, heeft er in het grootste gedeelte van het plangebied na de 17e eeuw geen bewoning plaats gevonden en is het plangebied alleen in gebruik geweest als boomgaard, met uitzondering van het noordelijkste deel van het plangebied waar vermoedelijk een huis met bijbehorende tuin heeft gestaan. Er zijn geen aanwijzingen voor subrecente verstoringen. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er vier potentiele archeologische niveaus in het plangebied aanwezig zijn (top van de Wormer-afzettingen, top van het Hollandveen en top van de middeleeuwse getijdeafzettingen). Om de archeologische verwachting te toetsen is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Dit onderzoek heeft tot doel om de landschappelijke opbouw en de mate van verstoring vast te stellen en hiermee de archeologische verwachting te toetsen.
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 17 van 57
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloed in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 400313, volgens specificaties VS01, VS03 en VS05. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform beleid voor archeologisch onderzoek binnen de provincie Zeeland.14 Het veldonderzoek is in december 2020 uitgevoerd door R.S. Verheij MSc. en drs. A.J. Wullink (senior KNA-prospector). Voorafgaand aan het veldwerk is door R.S. Verheij MSc.en drs. A.J. Wullink een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld, dat naar regioarcheoloog K.J.R. Kerckhaert is gestuurd. In totaal zijn er dertien boringen tot maximaal 5 m –mv geplaatst. De boringen zijn in een 40 x 40 m grid geplaatst. De locatie van de boringen is ingemeten met behulp van GPS. De maaiveldhoogte is bepaald aan de hand van het AHN. De locatie van de boringen is te zien figuur 13. Voor de boringen is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn lithologisch beschreven conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode.15 De boorbeschrijvingen en de boorprofielen zijn weergegeven in bijlage 5 en bijlage 6.
13
SIKB, 2018 Provincie Zeeland, 2019 15 Bosch, 2005 14
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 18 van 57
3.3
Resultaten
Bodemopbouw De bodemopbouw in het plangebied is behoorlijk heterogeen. In essentie kunnen er op basis van stratigrafische positie en samenstelling vier verschillende sedimentpakketten worden onderscheiden. Pakket 1 Het onderste pakket, pakket 1, wordt aangetroffen in 6 boringen (1, 2, 4, 10, 12 en 13). Het pakket bestaat uit kalkrijke zanden, afgewisseld met kleilagen of kleien afgewisseld met zandlagen. De top van het pakket is kleiig, zonder zandlaagjes en iets humeus. In de kleiige top en ook in de top van de onderliggende gelaagde afzettingen komen rietresten en wortels voor. De top van het pakket ligt 325 en 415 cm -mv (-2,71 en -3,08 m NAP). De maximaal waargenomen dikte van het pakket is 25 tot 85 cm. Pakket 2 Het tweede pakket bestaat uit mineraalarm veen. Dit veen wordt aangetroffen in boringen 1, 2, 4 en 10 – 13 aangetroffen. In boring 11 wordt het veen aan de basis van de boring aangetroffen. In de overige boringen ligt het op de zanden en kleien van pakket 1. Aan de basis van het veenpakket komen soms wat humeuze kleilaagjes voor. In boring 2 zijn rond 315 cm -mv zand- en detrituslaagjes waargenomen. Dit is waarschijnlijk een stormlaagje. De overgang naar het onderliggende pakket 1 is geleidelijk. De top van het veenpakket ligt tussen 260 en 385 cm -mv (-1,81 en -3,17 m NAP). De maximaal waargenomen dikte van het pakket is 25 tot 140 cm.
Pakket 3 Het derde pakket wordt in drie boringen (1, 2 en 10) aangetroffen en ligt op het veen van pakket 2. Het pakket bestaat uit al dan niet humeuze, sterk zandige tot matig siltige klei. De overgang naar het onderliggende veen is scherp. De top van het pakket ligt tussen 230 en 330 cm -mv (-1,51 en -2,43 m NAP) en de maximaal waargenomen dikte van het pakket is 10 tot 70 cm. Pakket 4 Het vierde pakket, dat aan het maaiveld wordt aangetroffen en overwegend uit gelaagde, kalkrijke, matig tot uiterst siltige zanden bestaat, is uitermate heterogeen van samenstelling. Het pakket ligt in boringen 1, 2, 4 en 10 - 13 discordant op pakketten 1, 2 of 3 en heeft hier een dikte van 230 tot 385 cm -mv. In boringen 3 en 5 - 8 is alleen dit pakket aangetroffen, tot een diepte van 500 cm -mv. Boring 9 is op een diepte van 400 cm -mv gestaakt in dit pakket. De top van het pakket is in alle gevallen humeus en rommelig en bevat onder andere baksteen en houtskool. De dikte van deze humeuze toplaag varieert van 10 tot 65 cm. In boring 1 is onder de bovenste humeuze, geroerd laag een tweede humeuze, geroerde laag met houtskool en rood- en geelbakkend baksteen aangetroffen. De dikte van deze laag is 45 cm, de ondergrens ligt op 90 cm -mv. In boringen 1, 2, 7, 8, 11, 12 en 13 wordt onder de humeuze toplaag kalkrijke, sterk zandige klei met roestvlekken aangetroffen.
De basis van kleipakket ligt tussen 60 en 120 cm -mv (0,32 en -1,10 m NAP). De maximale dikte is 20 tot 110 cm. Onder de zandige kleilaag en in de overige boringen onder de humeuze toplaag, worden matig tot uiterst siltige zanden aangetroffen tot 215 à 500 cm -mv (-1,51 à -4,37 m NAP). In boringen 3, 4 en 10 is de top van dit zandpakket geroerd en is mortel, baksteen en houtskool waargenomen. Tot een diepte van 120 tot 230 cm -mv (-0,88 tot -2,10 m NAP) zijn roestvlekken waargenomen en is gelaagdheid grotendeels verdwenen. Hieronder zijn de zanden veel meer gelaagd en komen ook kleien detrituslaagjes, humeuze bandjes en verspoelde plantenresten voor.
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 19 van 57
In boringen 4 en 9 gaat het zandpakket op een diepte van respectievelijk 290 en 355 cm -mv (-2,37 en -2,73 m NAP) over in een pakket detritus (verspoeld veen) met zandlaagjes. In boringen 7 gaat het zand op 220 cm -mv (-2,10 m NAP) over in zandige klei met zandlaagjes. In boring 8 gaat het zand op 215 cm -mv (-1,86 m NAP) over in sterk siltige, zwak humeuze klei met zandlaagjes. Deze klei gaat op 435 cm -mv (-4,06 m NAP) over in een pakket detritus met zandlagen. Archeologische indicatoren In boring 1 is in de geroerde toplaag roodbakkend geglazuurd aardewerk, baksteen en steenkool aangetroffen. Onder deze top bevindt zich een tweede geroerde laag met roodbakkend en geelbakkend baksteen en houtskool tussen 0,5 en -0,4 m NAP. In boring 3 en 4 is in de eerste 10 tot 20 cm geroerde toplaag houtskool en roodbakkend baksteen aangetroffen. In boring 5 en 6 bevindt zich in de eerste 50 tot 65 cm een geroerde laag met sporen van baksteen. In boring 8 zijn in de 15 cm geroerde toplaag sporen van houtskool en baksteen aangetroffen. Onder deze toplaag bevindt zich een matig baksteenhoudende kleilaag. De eerste 15 cm geroerde toplaag in boring 9 en 10 is baksteen houdend. In boring 10 is de laag onder de geroerde toplaag uiterst baksteenhoudend, matig houtskoolhoudend en bevat bouwkeramiek en kalkmortel. De bovenste laag van boring 11 en 13 is baksteenhoudend.
Interpretatie Pakket 1 Het onderste pakket zanden en kleien (pakket 1), dat in boringen 1, 2, 4, 10, 11 en 12 is aangetroffen, betreft getijdeafzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). De opeenvolging van zand naar matig siltige klei met rietresten laat een opslibbend getijdemilieu zien, dat uiteindelijk verandert in een brakke lagune met riet. De lagune verandert uiteindelijk in een veenmoeras. Pakket 2 Het veen (pakket 2) dat in dit veenmoeras is gevormd is aangetroffen in boringen 1, 2, 4, 10, 11, 12 en 13 en vormt het Hollandveen Laagpakket in de Formatie van Nieuwkoop. De overgang van het veen naar de bovenliggende siltige klei/zandlaag (pakket twee) is scherp en er is zeker geen sprake van een veraarde veentop. De top van het veen is door mariene erosie verdwenen. Hiermee is ook de verwachting voor archeologische resten uit de Late IJzertijd/Romeinse tijd verdwenen. Pakketten 3 en 4 Pakketten 3 en 4 betreffen getijdeafzettingen uit de Middeleeuwen (Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk). Pakket 4 betreft de opvulling van een getijdegeul en oeverafzettingen van deze getijdegeul.
De sedimentaire structuren in de top van dit zandpakket zijn door bodemvorming (oxidatie/reductie) wat verdwenen, maar het is aannemelijk dat het pakket zanden en kleien in boringen 1, 2, 4 en 10 – 13, waar in de ondergrond nog veen en Wormer-afzettingen aanwezig zijn, oeverafzettingen van de geul zijn. In de overige boringen, waar het veen en de Wormer-afzettingen zijn verdwenen en waar tot de einddiepte van de boringen gelaagde afzettingen (zanden/kleien/detritus) zijn aangetroffen, gaat het om geulopvullingen. De afzettingen van deze getijdegeul stammen uit de Middeleeuwen De kleien van pakket 3 betreffen mogelijk oudere kwelderafzettingen (uit de Vroege Middeleeuwen) die door de jongere getijdegeul grotendeels zijn opgeruimd. Maar omdat dit pakket maar in drie boringen is aangetroffen en het er in deze drie boringen ook niet het zelfde uitziet, gaat het hier mogelijk om variaties van de geul- en oeverafzettingen van pakket 4.
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 20 van 57
In de top van de afzettingen van pakket 3 zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische niveau aangetroffen. Dus als het hier al gaat om vroegmiddeleeuwse kwelderafzettingen, dan is de archeologische verwachting voor dit niveau laag. In de top van de afzettingen van pakket 4, dus de top van de verlande getijdegeul en de aanpalende oeverafzettingen, is een bouwvoor aanwezig, met daarin baksteen, houtskool en een enkel fragment roodbakkend aardewerk. In enkele boringen (1, 3, 4 en 10) zijn ook de afzettingen direct onder de bouwvoor geroerd en is ook baksteen en houtskool aangetroffen. De archeologische indicatoren wijzen op gebruik of bewoning in de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. De top van de getijdeafzettingen van pakket 4 heeft dus en hoge archeologische verwachting voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. 3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloed in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. Volgens het bureau-onderzoek worden er in het plangebied vier archeologische niveaus verwacht, namelijk in de top van de Wormer-afzettingen met een hoge verwachting voor resten uit het Neolithicum, de top van het Hollandveen met een hoge verwachting voor resten uit de Late IJzertijd en de Romeinse tijd, de top van vroegmiddeleeuwse getijdeafzettingen met een lage verwachting voor resten uit de Vroege Middeleeuwen en de top van laatmiddeleeuwse getijdenafzettingen voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het veldonderzoek heeft aangetoond dat de verwachting voor de Wormer-afzettingen van hoog naar laag kan worden bijgesteld. De top van de Wormer-afzettingen bestaat uit lagunaire klei en zand zonder tekenen van bodemvorming. Ook de verwachting voor het Hollandveen Laagpakket kan van hoog naar laag worden bijgesteld. Het veen, voor zover nog aanwezig, is afgetopt en daarmee is ook de verwachting verdwenen. Voor zover al vroegmiddeleeuwse afzettingen aanwezig zijn (mogelijk in boringen 1, 2 en 10), zijn hierin geen aanwijzingen voor archeologische niveaus aangetroffen. De verwachting voor dit niveau is dan ook laag.
In de top van de middeleeuwse geul- en oeverafzettingen zijn archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op bewoning in de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. De archeologische verwachting voor dit niveau blijft dus hoog. Het bijgestelde verwachtingsmodel na uitvoering van het veldwerk is weergeven in onderstaande tabel II.
RAPPORT 13891.001 versie 2
Pagina 21 van 57
Tabel II.
Gespecificeerde archeologische verwachting na het verkennend booronderzoek
Archeologische periode
Verwachting en complextype
Te verwachten resten
Relatieve maaiveld
Laat-Paleolithicum - Mesolithicum
-
-
-
Neolithicum
Laag
-
In de top van de Wormerafzettingen; 325 tot 415 cm -mv (2,71 tot -3,08 m NAP)
Bronstijd – Midden-IJzertijd
-
-
-
Late IJzertijd - Romeinse tijd
Laag
Vroege Middeleeuwen
Laag
-
Top vroegmiddeleeuwse kwelderafzettingen; 230 tot 330 cm -mv (1,51 tot -2,43 m NAP
Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd
Hoog
Akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen; sloten/greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot, keramiek, glas, verbrand leem, baksteen, fosfaatvlekken
Aan het maaiveld, in en direct onder een geroerde toplaag met een dikte van 10 tot 110 cm.
RAPPORT 13891.001 versie 2
diepte
t.o.v.
het
In de top van het Hollandveen; 260 tot 385 cm -mv (-1,81 tot 3,17 m NAP)
Pagina 22 van 57