Toelichting Verordening Sociaal Domein 2024
Tekst van het document
Artikelsgewijze toelichting
Waar inwoner staat kan ook inwoners gelezen worden. De inwoner heeft altijd een contactpersoon met wie de gesprekken worden gevoerd.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn bepalingen gedefinieerd, die niet in de Jeugwet, Wmo of Participatiewet of Algemene wet bestuursrecht voorkomen en/of die kenmerkend zijn voor de situatie in onze gemeente.
Hoofdstuk 2 Aanvraag- en beoordelingsprocedure De integrale benadering is van essentieel belang om met inwoner(s) en het/de betrokken team(s) te komen tot het verhelderen van de vraag, die de inwoner heeft op één of meerdere gebieden binnen het sociaal domein. Artikel 2 Melding hulpvraag In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan stellen aan de gemeente. Een hulpvraag kan op verschillende manieren binnenkomen bij de gemeente. Dit kan bijvoorbeeld telefonisch, op het Serviceplein of bij het wijkteam. Ook kan iemand anders namens de inwoner (op verzoek van de inwoner) om hulp vragen of dient een inwoner bijvoorbeeld een aanvraag in voor een voorziening. Het derde lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om gratis cliëntondersteuning te bieden aan inwoners met een hulpvraag (artikel 2.2.4 lid 1 sub a van de Wmo). De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven. Hierbij is in het derde lid benadrukt dat de cliëntondersteuning voor de inwoner gratis is.
In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo is bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen door iemand uit het sociaal netwerk. In het vierde en vijfde lid wordt gesproken over het overleggen van de noodzakelijke gegevens. De gemeente werkt volgens de richtlijnen van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) om de privacy van de inwoner te waarborgen. Artikel 3 Het gesprek, onderzoek, verslag en integraal plan
Het gesprek over de hulpvraag kan overal in de gemeente plaatsvinden, zoals bij de inwoner thuis, in een buurthuis of op het gemeentehuis. In dit artikel staat een aantal punten genoemd die in het gesprek aan de orde kunnen komen. Er zijn nog meer punten die behandeld kunnen worden, afhankelijk van de hulpvraag. Bijvoorbeeld de financiële situatie van de inwoner. Van het gesprek tussen de inwoner en een medewerker over de hulpvraag wordt een verslag op hoofdlijnen gemaakt. Dit verslag kan ook meteen vormgegeven worden in de vorm van een integraal plan, volgens het principe 1 gezin 1 plan. De medewerker van het team maakt dit verslag en/of plan en spreekt met de inwoner af wat een redelijke termijn is waarbinnen de inwoner dit ontvangt. Het verslag en/of plan wordt opgenomen in het dossier van de inwoner waar hij/zij toegang toe heeft. De inwoner heeft ook de mogelijkheid om, indien gewenst, opmerkingen of latere aanvullingen aan het verslag en/of plan te laten toevoegen. Deze clausule is opgenomen zodat de inwoner regie heeft en kan hebben over de eigen hulpvraag en dus zeggenschap heeft over de inhoud van het verslag en/of het plan. Zo wordt ook recht gedaan aan het principe van ‘eigen kracht’.
Stappenplan bij hulpvraag of aanvraag Het proces om te komen tot een zorgvuldige beoordeling van een hulpvraag wordt aan de hand van de stappenplannen van de Centrale Raad van Beroep van 2017 en 2018 beschreven. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanvragen in het kader van de Jeugdwet en in het kader van de Wmo. Dit omdat deze aanvragen een ander karakter hebben die om een specifieke accenten vraagt in de beoordelingsprocedure. Artikel 4 Aanvraag van een maatwerkvoorziening Een aanvraag kan rechtstreeks ingediend worden bij het college. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan ook via het team ingediend worden bij het college. Uitzondering hierop is de aanvraag voor een uitkering. Deze moet gericht worden aan het college en ingediend worden bij het UWV. Artikel 5 Verstrekken van een maatwerkvoorziening Samen met de inwoner wordt op basis van het verslag en/of integraal plan (artikel 3) gekeken welke maatwerkvoorziening het beste bijdraagt aan het verbeteren van de zelfredzaamheid van de inwoner. Hierbij worden de in lid 1 en 2 omschreven criteria gebruikt. Op basis daarvan neemt het college een beslissing welke maatwerkvoorziening ingezet wordt. Lid 2 betreft een ‘kan’-bepaling.
De grondslag voor deze bepaling is artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de Wmo 2015), waarin is bepaald dat de raad in de verordening bepaalt op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013-14, 33841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is. Alleen wanneer iemand echt niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg en hulp van andere personen uit het sociale netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met
zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Er kan dan sprake zijn van verhuizing naar een inadequate woning. Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18). Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige rechtspraak is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Dit lid voorziet in een dergelijke grondslag.
Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag. Met het oog op de duidelijkheid en de noodzaak tot een individuele belangenafweging is een tweede zin aan dit artikellid toegevoegd. Belangrijke rechterlijke uitspraken, waarin de “voorzienbaarheid” en belangenafweging van een Wmo-voorziening een rol spelen zijn: Rechtbank Roermond 22-8-2008, ECLI:NL:RBROE: 2008: BE9440, Rechtbank Leeuwarden 8-10-2009, ECLI:NL:RBLEE:2009:BK1051, Rechtbank Zutphen 1-122010, ECLI:NL:RBZUT:2010:BO5844, CRVB 15-12-2010, ECLI:NL:CRVB:2010: B08856, CRVB 9-5-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6548, CRVB 21-5-2014, ECLI:NL: CRVB: 2014:1864 en Rechtbank NoordNederland 16-12-2014, zaaknummer AWB 14/2898. De grote lijnen, die uit de voornoemde uitspraken naar voren komen, zijn dat in een verordening met het oog op de “voorzienbaarheid” niet als afwijzingsgrond “algemeen gebruikelijk” mag worden gehanteerd. Het college dient bij de beoordeling van de “voorzienbaarheid” van een aanvraag rekening te houden met alle van belang zijnde individuele feiten en/of omstandigheden van de aanvrager.
Hieronder vallen volgens rechtspraak in ieder geval: de persoonskenmerken van de aanvrager, zoals leeftijd, gezinssituatie, woonsituatie en/of gezondheidssituatie, de behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met de wijziging van leefsituatie, de capaciteit van aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien, en tenslotte ook de onverwachtheid van een optredende (medische) noodzaak tot een maatwerkvoorziening. Lid 5 en 6 gaan over advisering. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 van de Awb geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt een persoon of college bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren over door een bestuursorgaan te nemen beslissingen en niet werkzaam onder de verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de Awb is niet geregeld dat een adviseur benoemd moet worden en in deze verordening is ook niet opgenomen wie de adviseur is. Omdat er wisselende situaties zijn, kunnen er ook verschillende adviseurs aangewezen worden.
Artikel 5a Maatwerkvoorziening via een pgb In het eerste lid is verankerd dat het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en/of artikel 2.3.6 van de Wmo een pgb kan verstrekken. Zowel in de jeugdwet als in de Wmo wordt een compleet beeld gegeven van de rechten en plichten van de cliёnt. In beide wetten is bepaald dat een pgb pas verstrekt wordt als: -
-
de inwoner op eigen kracht of met hulp uit het sociale netwerk of met hulp van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, voldoende in staat is de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de inwoner gemotiveerd kan aantonen dat de maatwerkvoorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is; gewaarborgd is dat de ondersteuning die tot de maatwerkvoorziening behoort en die de inwoner van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit is.
In de Wmo 2015 is geregeld dat inwoners, aan wie een maatwerkvoorziening verstrekt is, onder voorwaarden, het recht hebben om te kiezen voor een pgb. Voor een algemene voorziening kan dus geen pgb verstrekt worden. In de Wmo 2015 worden drie voorwaarden beschreven waaraan inwoners moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een pgb: -
-
Inwoners moeten het vermogen hebben om een pgb goed te besteden. Dit betekent dat de inwoner in staat moet zijn om de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren. De inwoner mag daarbij ondersteund worden door mensen uit zijn sociaal netwerk dan wel door een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde. De persoon of organisatie die de inwoner hierbij vertegenwoordigt, is niet ook uitvoerder van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht, tenzij dit, gezien de situatie van de inwoner, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college aanvaardbaar is. Hiermee wordt voorkomen dat voor de inwoner een te grote afhankelijkheid ontstaat van de beheerder van het pgb en er sprake is van belangenverstrengeling. De inwoner moet zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen. De voorzieningen die de inwoner met het pgb wil inkopen moeten veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn.
Een pgb kan een geschikt instrument zijn voor de inwoner om zijn leven naar eigen wensen en behoeften in te vullen. Het is een verstrekkingsvorm die bij uitstek geschikt is voor inwoners die zelf de regie over hun leven kunnen voeren. De gemeente Alphen aan den Rijn streeft ernaar dat een pgb niet nodig is, omdat alle gewenste voorzieningen op lokaal en regionaal niveau aanwezig zijn, maar beseft hierbij dat dit niet in alle gevallen mogelijk is. Maatschappelijke opvang kan niet uitgesloten worden van een pgb. Het is echter de vraag of mensen aan wie maatschappelijke opvang verstrekt is, kunnen voldoen aan de voorwaarden die aan een pgb verbonden zijn. In de praktijk wordt een pgb voor maatschappelijke opvang daarom niet verstrekt.
Artikel 3 lid 4 van de verordening stelt dat als een integraal plan opgesteld wordt daarin aangegeven wordt van welke voorzieningen gebruik gemaakt wordt en/of voor welke maatwerkvoorzieningen de inwoner een aanvraag bij het college indient. Hiermee wordt voldaan aan een belangrijk criterium vanuit de Jeugdwet, waarin de toepassing van één gezin, één plan, als één van de belangrijke instrumenten genoemd wordt. Een plan, door de aanvrager samen met het jeugd- en gezinsteam opgesteld, moet dan ook de basis zijn voor het verstrekken van een pgb. Als voorwaarde wordt daarom gesteld dat een plan ten grondslag moet liggen aan het verstrekken van een pgb. In het plan moet benoemd worden welke resultaten nagestreefd worden (stabilisatie problematiek, ontwikkeling vaardigheden etc.). Als de besteding van het pgb niet opgenomen is in het integraal plan, dan moet de budgethouder een afzonderlijk budgetplan opstellen waarin hij aangeeft hoe hij het pgb gaat inzetten. Door periodiek het plan te gebruiken om vast te stellen wat de ondersteuning opgeleverd heeft, wordt ook de kwaliteit en doelmatigheid van de verleende ondersteuning inzichtelijk gemaakt. Het pgb kan overigens deel uitmaken van een arrangement, waarbij onderdelen van ondersteuning in natura en onderdelen via een pgb ingezet worden.
De Jeugdwet stelt dat, om in aanmerking te komen voor een pgb, de inwoner zich gemotiveerd op het standpunt moet stellen dat het door de gemeente gecontracteerde aanbod niet passend is in zijn situatie. De aanvrager heeft dus een motiveringsplicht. Als de aanvrager dit beargumenteerd heeft, dan kan deze voorwaarde geen basis voor het college zijn om een pgb te weigeren. De Wmo 2015 stelt dat de inwoner zich gemotiveerd op het standpunt moet stellen dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen. In de voorwaarden is opgenomen dat de inwoner of zijn ouders voldoende in staat moet zijn om zijn belangen te behartigen. In de Jeugdwet is vastgelegd dat een pgb alleen verstrekt wordt als de inwoner (bij inwoners tot 16 jaar gaat het om de ouders van de inwoner) naar het oordeel van het integraal ondersteuningsteam op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociaal netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde in staat is de aan een pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uit te voeren. Het gaat om de volgende twee aspecten: -
Kan hij een juiste beoordeling maken van zijn belangen ten aanzien van de hulpvraag? Kan hij de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde manier uitvoeren? Hierbij gaat het onder meer om het kiezen van een zorgaanbieder, het aangaan van een contract en het aansturen van de zorgaanbieder. De inwoner mag hierbij ondersteund worden door mensen uit zijn sociaal netwerk, dan wel door een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde.
Het gaat niet om het beheren van het budget, dat doet de SVB. Het is wel van belang om te weten dat een budgethouder, die voor vier of meer dagen per week ondersteuning inkoopt, een werkgever is met de werkgeversplichten die daarbij horen. Denk hierbij onder meer aan het overeenkomen van een redelijk uurloon, het doorbetalen van loon bij ziekte en het hanteren van een redelijke opzegtermijn. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de inwoner getoetst, maar het oordeel van het integraal ondersteuningsteam is leidend. Als het team van mening is dat de inwoner onbekwaam is, dan kan het college het pgb weigeren. Tegen deze beslissing staat bezwaar en beroep open. In de Wmo en in de Jeugdwet is opgenomen dat de gemeente kan bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden de inwoner aan wie een pgb verstrekt wordt, de mogelijkheid heeft om hulp of ondersteuning te betrekken van een persoon die deze anders dan in de uitoefening van een beroep levert. Het gaat hier bijvoorbeeld om situaties waarin iemand zijn baan opzegt of minder gaat werken om kinderen intensief te ondersteunen of waarin het veiliger/praktischer is dat een naaste
uit het gezin de hulp of ondersteuning levert. Als iemand vanuit het sociaal netwerk de hulp of ondersteuning gaat bieden, dan moet dat gepaard gaan met een wijziging in de bestaande situatie, omdat uit het verslag/integraal plan blijkt dat vanuit de bestaande situatie de inzet van het sociaal netwerk ontoereikend is. Extra inzet is dus nodig. Het uitgangspunt is dat een pgb voor niet-professionele zorgverleners beperkt moet blijven tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere hulp of ondersteuning leidt of minimaal gelijkwaardig is. Het belang van de inwoner staat hierbij centraal. Het gaat om argumenten zoals: -
zorgcontinuïteit: de partner of ouder kan zorgen voor permanent toezicht. Een professional kan dit niet; emotionele binding: de ouder of andere familie/kennissen hebben een emotionele band die bijdraagt aan de effectiviteit van de hulp of ondersteuning; een praktische reden: de partner of ouder kan taken flexibel combineren die anders door meerdere professionals op verschillende tijdstippen/locaties uitgevoerd worden.
Als iemand vanuit het sociaal netwerk de hulp of ondersteuning gaat bieden, dan moet diegene wel over de juiste competenties en expertise beschikken: -
bereidheid tot het volgen van trainingen/cursussen waar nodig; bereidheid tot het samenwerken met professionals waar nodig en; de inzet mag niet leiden tot overbelasting. Indien nodig wordt tijdig aan de bel getrokken.
Een periodiek gesprek (1 keer per jaar of vaker) moet inzicht geven in de kwaliteit van de geboden hulp of ondersteuning. De persoon die vanuit het sociaal netwerk hulp of ondersteuning biedt moet zich bewust zijn van de verantwoordelijkheid die hij, mogelijk langdurig, op zich neemt. De vraag die daarbij gesteld moet worden is: kan de persoon die hulp of ondersteuning levert een keer overslaan als hij ziek is of op vakantie gaat en hoe wordt de hulp of ondersteuning dan geleverd? Als hulp of ondersteuning ingezet wordt in situaties waarin sprake is van onvoldoende opvoedvaardigheden of bij (dreigende) overbelasting, dan kan geen pgb ingezet worden voor het sociaal netwerk. Het is aan de professional om dit te beoordelen. Artikel 6 Beschikking maatwerkvoorziening Beschreven wordt in welke gevallen de inwoner na een beslissing (artikel 5) een beschikking ontvangt. Voorts is vastgelegd wat er in ieder geval in deze beschikking moet staan. Op basis van de Awb kan een inwoner altijd bezwaar aantekenen tegen de beslissing. Een bezwaarclausule maakt standaard deel uit van de beschikking. Artikel 8 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering voor Jeugdwet en Wmo In dit artikel worden regels gesteld voor het bestrijden van een ten onrechte ontvangen (maatwerk)voorziening of pgb alsmede voor het oneigenlijk gebruik of misbruik hiervan.
Het eerste lid benadrukt dat volgens de wet een inwoner verplicht is aan te geven wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op de (maatwerk)voorziening of het pgb kunnen zijn. Het tweede lid stelt dat de gemeente
ook zelf de situatie kan bekijken en kan besluiten om een beslissing over de (maatwerk)voorziening of het pgb te herzien, in te trekken of terug te vorderen en onder welke omstandigheden de gemeente dit mag doen. Het derde lid regelt dat als door de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt zijn die bij volledigheid en/of juistheid tot een andere beslissing geleid hadden, het pgb of de geldswaarde van de voorziening (de daadwerkelijke kosten van de voorziening) teruggevorderd kunnen worden. Het vierde lid geeft aan dat als een pgb na 12 maanden nog niet gebruikt is voor het doel waarvoor het uitgegeven is, de beslissing ingetrokken kan worden. Het vijfde lid regelt de terugvordering van een (maatwerk)voorziening in eigendom of een pgb als het recht hierop ingetrokken is/wordt. Tenslotte geeft het zesde lid het college de mogelijkheid om naast de beoordeling van de kwaliteit, al dan niet steekproefsgewijs, te onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen (in natura of pgb) op een rechtmatige en doelmatige manier worden ingezet/gebruikt).
Tenslotte geeft het zesde lid het college de mogelijkheid om naast de beoordeling van de kwaliteit, al dan niet steekproefsgewijs, te onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van de cliënt, ouders van de cliënt of een pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Voor het onderzoek naar de rechtmatigheid kan het college een toezichthouder aanwijzen.
Hoofdstuk 3 Voorzieningen
Paragraaf 1 Voorzieningen op grond van de Jeugdwet Artikel 9 Algemene voorzieningen jeugd Dit artikel regelt de jeugdhulpvoorzieningen die vrij toegankelijk zijn. Dit betekent dat een jeugdige en/of de (pleeg)ouders hier gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een toegangsbeslissing van de gemeente of verwijzing van een arts zoals genoemd in artikel 22 noodzakelijk is. De in deze verordening genoemde algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen jeugd worden in de Jeugdwet 'overige voorzieningen' genoemd. Artikel 10 Maatwerkvoorzieningen jeugdhulp In lid 1 gaat het om situaties waarin ernstige of complexe problemen zijn en waarvoor meer of andere hulp nodig is, dan waarin het jeugd- en gezinsteam kan voorzien. Dit is specialistische jeugdhulp aan jeugdigen en ouders bij: -
problematische (gezins)situaties; psychiatrische stoornissen van de jeugdige; verslaving van de jeugdige; (licht) verstandelijke beperking van de jeugdige; zintuigelijke beperking van de jeugdige; lichamelijke beperking van de jeugdige; ernstige somatische aandoening van de jeugdige.
Lid 2 geeft aan dat het college in nadere regels een aantal individuele jeugdhulpvoorzieningen nader kan specificeren of alsnog kan aanwijzen als vrij toegankelijk. Beweegredenen daarvoor zouden kunnen zijn het verminderen van bureaucratie of omdat voorzieningen bij nader inzien toch niet specialistisch blijken te zijn. Paragraaf 2 Voorzieningen op grond van de Wmo Artikel 11. Algemene voorzieningen op grond van de Wmo Deze toelichting heeft ook betrekking op de artikelen 11a, 11b, 11c en 11d. In artikel 2.1.3 lid 2 sub a van de Wmo is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, Ondersteuning met wonen of Opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een voorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief geregeld wordt welke maatwerkvoorzieningen verstrekt worden.
De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In deze artikelen is deze verplichting uitgewerkt Artikel 11c. Aanvullende voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen Wmo “Maatschappelijke opvang” In de Wmo 2015 is de opdracht aan gemeenten verwoord om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning (waaronder maatschappelijke opvang). Volgens de Wmo 2015 is elke gemeente, tot welke een ingezetene van Nederland zich wendt, verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke opvang. De maatschappelijke opvang is dus ‘landelijk toegankelijk’ voor cliënten. Dit betekent dat een ingezetene van Nederland in aanmerking komt voor een voorziening maatschappelijke opvang (in eerste instantie) te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, (dan wel het regionaal samenwerkingsverband waartoe de gemeente behoort), indien hij de thuissituatie heeft verlaten en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Vanaf 2023 zijn de gemeenten van Holland Rijnland zelf verantwoordelijk voor Maatschappelijke Opvang. Mensen die voor Maatschappelijke Opvang in aanmerking wensen te komen kunnen hiervoor tijdens kantoortijden een melding doen Tom in de buurt.
Het onderzoek van de noodzaak van een voorziening wordt door Tom in de buurt uitgevoerd. Buiten kantoortijden kunnen inwoners een aanvraag doen bij de Binnenvest in Leiden. Artikel 12 Ondersteuning en voorzieningen voor arbeidsinschakeling Het derde lid bepaalt dat het college een bijdrage vraagt aan niet uitkeringsgerechtigden en mensen met een nabestaanden uitkering (Anw). Bij een gezamenlijk inkomen hoger dan 110% van de toepassing zijde bijstandsnorm worden de draadkrachtregels van de bijzondere bijstand toegepast. Niet in alle situaties is het wenselijke een bijdrage te vragen. Te denken valt hierbij aan situaties waarin iemand een indicatie beschut werk heeft of dat men onder de doelgroep voor een loonkostensubsidie (banenafspraak) valt. Artikel 13 De voorzieningen
Gezien de afweging die per klant gemaakt moet worden, wordt hier volstaan met een niet-limitatieve opsomming van voorzieningen die het college kan aanbieden aan belanghebbende. Waar nodig kunnen ook andere voorzieningen ingezet worden. Artikel 14 Scholing Bij de keuze van het aanbieden van scholing, wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij bekeken wordt of de scholing (gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een belanghebbende) het meest doelmatig, adequaat en toereikend is met het oog op aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel 15 Premie en scholing bij participatieplaats Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7 lid 8 Participatiewet). Het doel van de participatieplaats is door middel van het verrichten van additionele werkzaamheden en door het volgen van scholing, uit te kunnen stromen naar werk. Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken dan wel het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden.
Iedere zes maanden moet beoordeeld worden of de betrokkene voldoende heeft meegewerkt om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Als het college van oordeel is dat dit zo is dan wordt een premie toegekend. Artikel 16 Beschut werk UWV voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). Op basis van het advies van UWV beslist het college of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het UWV, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen. Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat. Het betreft een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking. Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken. Het aanbod van beschutte werkplekken is mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers. Daarom voert het college overleg met partners om de omvang van het aanbod te kunnen bepalen.
Artikel 18 Vaststelling loonwaarde In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. Het UWV, dan wel een door het UWV gecertificeerde arbeidsdeskundige, adviseert het college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon (artikel 18, tweede lid, van deze verordening). Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het college loonkostensubsidie aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van de Participatiewet. De
vastgestelde loonwaarde en de hoogte van de loonkostensubsidie legt het college vast in een beschikking. In de bijlage bij artikel 18, eerste lid, wordt de methode die het college gebruikt om de loonwaarde van die persoon te bepalen omschreven. Deze werkwijze is afgestemd met het UWV en met de Regio Holland Rijnland. Artikel 20 Sociale activering Onder 'sociale activering' wordt binnen de Participatiewet verstaan: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk, deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt maar ook door klanten te faciliteren en te stimuleren in het gebruik van hun eigen kracht. Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie maar participatie voorop.
Artikel 21 Onkostenvergoeding Aan het meewerken aan een traject kunnen voor belanghebbenden kosten verbonden zijn, zoals reiskosten, kinderopvangkosten of verwervingskosten. Het college kan hier een vergoeding voor verstrekken, indien de kosten noodzakelijk zijn in relatie tot het doel van het traject: verkrijgen en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Het college kan in nadere regels specifieke regels hieromtrent vastleggen. Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Jeugdwet In dit hoofdstuk wordt uitgewerkt hoe de gemeente de toeleiding naar jeugdhulp uitwerkt. In artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet staat dat er deskundige toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en/of ouders die jeugdhulp vragen. Artikel 22 Verwijzing naar jeugdhulp In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de door de gemeente georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen verwijzen naar de jeugdhulp. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke voorzieningen als de individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen. In de praktijk zal het de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is.
Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. De verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts geeft dus rechtstreeks toegang tot de jeugdhulp. Er zal geen beschikking volgen van de gemeente. De gemeente moet wel zorgen dat er voldoende zorg beschikbaar is. Als de jeugdige en/of ouders het niet eens kunnen worden, kan de jeugdhulpaanbieder de jeugdige en/of ouders erop wijzen dat zij een aanvraag voor jeugdhulp kunnen indienen bij het jeugd- en gezinsteam volgens artikel 2 van deze verordening.
Het is van belang dat de verwijzing goed verloopt. De gemeente zal daarom afspraken maken met artsen en aanbieders over de verwijzing naar jeugdhulp. Artikel 23 Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en de jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder deze bevoegdheid hebben staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet. In het eerste lid wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter – of een andere instantie - kan worden uitgevoerd. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking. Artikel 24 Jeugdhulp in spoedeisend geval In dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kan treffen. Dit is het geval als een spoedmachtiging is afgegeven door de rechter (of andere instantie) omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet kan worden afgewacht.
De Jeugdwet noemt de inzet jeugdhulp in spoedeisende gevallen in de artikelen 6.1.3 en 6.1.8. Het college neemt dit besluit in afwijking van artikel 6 van de verordening. Het kan zijn, dat vanwege de spoed er nog geen goed gemotiveerde aanvraag is en dat nog niet echt duidelijk is of aan de voorwaarden voor een individuele voorziening is voldaan. Na het treffen van een tijdelijke voorziening zal daarin later worden voorzien. Artikel 25 Vertrouwenspersoon jeugd De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) koopt dit namens alle gemeenten in bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), een stichting die op dit moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg uitvoert. Uit de Jeugdwet vloeit voort dat naast jeugdigen en ouders ook pleegouders het recht hebben zich tot een vertrouwenspersoon te wenden. Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Wmo Artikel 26 Regels voor bijdragen in de kosten voor Wmo voorzieningen Op een maatwerkvoorziening/pgb blijft een landelijke inkomensafhankelijke bijdrageregeling van toepassing die vastgelegd is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Geen bijdrage wordt gevraagd voor: -
voorzieningen voor inwoners onder de 18 jaar. een rolstoel en het onderhoud hiervan, maar voor voorzieningen die van de rolstoel een vervoersvoorziening maken, zoals een handbike, wordt wel een bijdrage gevraagd. Een handbike kan overigens verstrekt worden als sportvoorziening of als vervoersvoorziening. In het gesprek met de belanghebbende wordt besproken wat her probleem van iemand is en hoe dit het beste kan worden opgelost. Of een handbike als port- of als vervoersvoorziening wordt ingezet, is afhankelijk van de behoefte van de client en is altijd maatwerk. Een
-
-
-
handbike als sportvoorziening wordt altijd in de vorm van een pgb uitbetaald. Een handbike als vervoersvoorziening kan ook in natura worden verstrekt. het CVV, hiervoor wordt een gereduceerd tarief (ritbijdrage) aan de inwoner gevraagd. vergoeding voor verhuiskosten, woningsanering, autokosten en sportvoorzieningen. Het bijdrageplichting inkomen wordt vastgesteld door het GAK en is afhankelijk van het inkomen en het vermogen van de belanghebbende en zijn echtgenoot. Op basis van dit inkomen wordt de maximale bijdrage vastgesteld. De hoogte van de bijdrage is afhankellijk van: de hoogte van het inkomen van belanghebbende (belanghebbende kan bij het GAK om een correctie van zijn inkomen vragen als zijn inkomen inmiddels lager is dan zijn inkomen in het rekenjaar, het rekenjaar ligt twee jaar voor het jaar waarin de aanvraag gedaan is); de samenstelling van het huishouden van de belanghebbende; de leeftijd van de belanghebbende; de kosten van de maatwerkvoorziening/pgb; al betaalde bijdragen.
Voor alle maatwerkvoorzieningen geldt de termijn zolang de voorziening gebruikt wordt of tot de kostprijs van de voorziening bereikt is. De kostprijs van de voorziening vormt een belangrijke beperking van de termijn waarover een bijdrage gevraagd mag worden. De bijdrage mag niet hoger zijn dan de kostprijs. Dus zodra belanghebbende een bijdrage ter hoogte van de kostprijs betaald heeft, dan kan niet langer een bijdrage gevraagd worden. Bij de huur van een voorziening geldt geen maximale termijn voor de bijdrage, maar wordt een bijdrage gevraagd zolang de gemeente huur betaald voor de voorziening. Artikel 27 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke manier het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners die gebruik maken van een voorziening van de Wmo. Omdat het uitvoering betreft leent dit onderwerp zich voor overdracht aan het college. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een inwoner die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan.
Het gaat dus ook om mantelzorgers van inwoners die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Verder is de woonplaats van de inwoner bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Artikel 29 Klachtenregeling en medezeggenschap maatschappelijke ondersteuning In het eerste lid is een bepaling over klachtenregelingen van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3 lid 2 sub e van de Wmo. De aanbieder van maatschappelijke ondersteuning is op grond van artikel 3.2 lid 1 sub a van de Wmo verplicht een klachtenregeling op te stellen. In de memorie van toelichting staat dat cliënten in principe een klacht kunnen indienen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich behandeld voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de manier waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over de behandeling van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder indienen. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot het opstellen van een klachtenregeling door aanbieders goed wordt uitgevoerd. In het eerste lid is daarnaast een bepaling over medezeggenschapsregelingen van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3. lid 2 sub f van de Wmo. Het gaat hier om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de regels van de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen. Onder de Wet medezeggenschap cliënten zorgsector werd inspraak tegenover de aanbieder al gerealiseerd via de cliëntenraad. Onder de Wmo is het stellen van regels helemaal aan gemeenten overgelaten.
In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is op grond van artikel 3.2 lid 1 sub b van de Wmo verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen. In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Op aanbieders van voorzieningen die onder de Jeugdwet vallen, is een landelijk kader van toepassing. Artikel 30 Kwaliteitseisen maatwerkvoorzieningen Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3 lid 2 sub c van de Wmo waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen kunnen ook betrekking hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel.
De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3 lid 2 sub c van de Wmo dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en verder van de Wmo en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Op voorzieningen die onder de Jeugdwet vallen, is een landelijk kwaliteitskader van toepassing. In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1 van de Wmo. Hoofdstuk 6 Specifieke bepalingen Participatiewet en IOAW/IOAZ Paragraaf 1 Tegenprestatie
Artikel 31 Inhoud van de tegenprestatie Tegenprestaties zijn onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden die kunnen worden uitgevoerd door een uitkeringsgerechtigde. Wat voor werkzaamheden een tegenprestatie precies omvat kan verschillen per persoon. De tegenprestatie mag niet worden ingezet als re-integratie instrument. Voorbeelden van een tegenprestatie zijn: voorleesouder op een school, activiteiten bij een sportvereniging (bijvoorbeeld bardienst) of wandelingen maken met inwoners van een verpleegtehuis. Artikel 32 Verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie In lid 1 staat vermeld aan welke inwoners met een uitkering in elk geval een tegenprestatie kan worden opgelegd. Het gaat om inwoners die via de gemeente een re-integratietraject hebben doorlopen en nog geen baan hebben gevonden, en om inwoners waarbij het van belang is dat zij buiten de deur actief worden in het kader van het integraal plan. In het tweede lid wordt omschreven waar mee rekening wordt gehouden als een inwoner een tegenprestatie opgelegd krijgt. Een tegenprestatie is altijd maatwerk en de inwoner is zelf aan zet om in eerste instantie een tegenprestatie te vinden. Indien dit niet lukt zorgt de gemeente voor een aanbod. Verder wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie en omstandigheden van de inwoner.
Artikel 34 Geen werkzaamheden voorhanden Indien er geen werkzaamheden voorhanden zijn dan wordt geen tegenprestatie opgelegd. Periodiek wordt bekeken of er wel werkzaamheden zijn die de inwoner als tegenprestatie kan uitvoeren. Het college bepaalt wanneer er weer wordt gekeken of er een tegenprestatie beschikbaar is. Paragraaf 2 Individuele inkomenstoeslag en studietoeslag Artikel 37 Hoogte individuele inkomenstoeslag Uit een onderzoek van Nibud/Nyfer in 2015 blijkt dat huishoudens met kinderen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar het financieel zwaar hebben. Deze gezinnen hebben maandelijks een tekort. Dit is de reden dat de bedragen voor een gezin met ten minste een kind in deze leeftijdscatergorie hoger is vastgesteld. De hoogte van de inkomstentoeslag wordt berekend aan de hand van een percentage van de bijstandsnorm als bedoeld artikel 21 onderdeel b van de P-wet. Hierdoor hoeft de hoogte van de inkomenstoeslag niet jaarlijks geindexeerd te worden. De individuele inkomenstoeslag wordt eenmaal per 12 maanden betaald. Artikel 40 Gedragingen Participatiewet Vanaf 1 januari 2022 treedt het nieuwe artikel 56a van de P-wet in werking. Hierin is de gemeentelijke taak om te ‘ontzorgen’ neergelegd.
´Ontzorgen’ betekent dat de gemeente betalingen verricht uit de bijstandsuitkering van de statushouder: de huur, de premie voor de verplichte zorgverzekering en de voorschotten voor de rekeningen van gas, water en licht worden voor de duur van zes maanden direct betaald uit de bijstandsuitkering. Het artikel heeft alleen betrekking op inburgeringsplichtigen met recht op bijstand die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben. Als de inburgeringsplichtige niet meewerkt aan het verplichte ‘ontzorgen’ en bijvoorbeeld weigert een machtiging te ondertekenen, dan moet het college de bijstandsuitkering verlagen op grond van
artikel 18 van de Participatiewet en de afstemmingsverordening. Dit kan alleen als deze voorziet in een verlaging wegens het niet nakomen van de ‘ontzorgingsplicht’. Artikel 41 Gedragingen IOAW/IOAZ De artikelen 41 en 42 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 41 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 41, zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 42 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Artikel 42 De hoogte en duur van een maatregel Lid 1: De hoogte van de maatregel wordt toegepast over de toegekende uitkeringsnorm, inclusief de eventuele toeslag. Lid 2: Voor iedere partner gelden individueel de rechten en plichten die zijn verbonden aan de uitkering. Aan de ene partner kunnen andere plichten zijn opgelegd of voorzieningen zijn aangeboden, dan aan de andere partner. De maatregel wordt overigens wel opgelegd over de uitkeringsnorm en raakt dus beide partners. Lid 3: Wanneer de inschrijving bij het UWV Werkbedrijf niet in orde is, kan eerst een waarschuwing gegeven worden.
Iemand kan zich positief en actief opstellen richting re-integratie, maar de inschrijving vergeten zijn tijdig te verlengen. Het direct verlagen van de uitkering wordt dan als een te zware maatregel gezien. Belanghebbende krijgt een hersteltermijn om de inschrijving alsnog in orde te maken. Artikel 45 Verrekenen maatregel Het college heeft de mogelijkheid, als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, bij verlaging van de bijstand wegens schending van arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet, de verlaging te verrekenen over drie maanden. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend. Wanneer belanghebbende zich weer aantoonbaar houdt aan de opgelegde verplichtingen, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van de arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet, (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht aan: -
vergroting schuldenproblematiek; (dreigende) huisuitzetting; afsluiting van gas en elektriciteit.
Met de ‘maand van oplegging’ wordt in deze verordening bedoeld: de maand waarin de maatregel wordt uitgevoerd.
Artikel 46 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): -
het te snel interen van vermogen; het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; het door eigen schuld niet of te laat aanvragen van een voorliggende voorziening.
In lid 1 sub b is opgenomen dat de uitkering wordt verlaagd met 100% voor de periode dat de belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen, indien hij op verantwoorde wijze de middelen waarover hij beschikte of redelijkerwijs had kunnen beschikken zou hebben aangewend. In dit geval is artikel 56 van de verordening van toepassing. Dit betekent dat de maatregel dient te worden afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. Artikel 47 Zeer ernstige misdragingen Met de komst van de Participatiewet is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf. Er hoeft dus geen sprake meer te zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de wet. Voor IOAW en IOAZ is de situatie anders, vandaar dat lid 2 is opgenomen. Het college kan namelijk alleen een verlaging opleggen als er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op een uitkering.
Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ tegen deze gedraging geen sanctie mogelijk op grond van de IOAW en IOAZ. Wel kan aangifte worden gedaan. Artikel 50 Individuele beoordeling en afzien van een maatregel In lid 2 zijn overwegingen opgenomen op grond waarvan het college kan besluiten af te zien van het opleggen van een maatregel. Hierbij kan lid 2 sub b een dringende reden zijn gelet op bijzondere omstandigheden. Uit het woord ‘dringend’ blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid in relatie tot de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin.
Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een uitkering.
In lid 3 is opgenomen, dat belanghebbende schriftelijk op de hoogte wordt gesteld bij afzien van een maatregel. Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive (zie toelichting artikel 55) Artikel 51 Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel In lid 1 is opgenomen, dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. Het is niet altijd mogelijk een verlaging op een lopende uitkering toe te passen. In die gevallen kan op grond van lid 2 de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast. Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte uitkering in het verleden. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de IOAZ, worden teruggevorderd. In lid 4 is tenslotte de mogelijkheid opgenomen de maatregel op een volgende periode van bijstand op te leggen.
Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, dient dit gemotiveerd in het dossier te worden opgenomen. Een dergelijke maatregel kan namelijk vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het recht op bijstand beoordelen in hoeverre aanleiding bestaat een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open. Artikel 52 Berekeningsgrondslag In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de IOAZ. In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud.
Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. Artikel 53 Samenloop van gedragingen
Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere verplichtingen worden geschonden Het tweede lid regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Als dit niet verantwoord is, wordt gekeken naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende (zie ook art. 50). Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd. Samenloop met een bestuurlijke boete Een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedraging is.
Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd. Bij samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen. Artikel 54 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat.
De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast volgens artikel 41 en 42. Artikel 55 Recidive Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is echter vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan wordt het besluit om af te zien van een maatregel voor de bepaling of er sprake is van recidive wel meegeteld. Artikel 56 Het besluit tot opleggen van een maatregel
Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoofdstuk 7 Overige bepalingen Toelichting artikel 61 Nadere regels Inburgering Voor de Wet Inburgering heeft de gemeenteraad geen bepalingen in deze, of een andere, Verordening opgenomen aangezien de uitvoeringsbevoegdheden van het college aangaande de inburgering, in de Wet Inburgering 2021 zijn opgenomen. De nadere uitwerking van de wettelijk vastgelegde uitvoeringsbevoegdheden worden, conform artikel 1:3 lid 4 Awb, opgenomen in de Nadere Regels.