Toelichting Past.vd.Plaatstr.36bRijpw 14mei2024
Tekst van het document
Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Op basis van dit onderzoek zijn de boven- en ondergrond indicatief als zijnde klasse Niet Toepasbaar bestempeld (op basis van lood); Beoordeling onderzoeken Omgevingsdienst West-Holland De bodemonderzoeken zijn beoordeeld door de Omgevingsdienst West-Holland (zaaknummer 2023-011567). In het aanvullend bodemonderzoek is opgenomen dat ter plaatse sprake is van 3 spots. Op basis van dit onderzoek en voorhanden zijnde gegevens wordt de aanwezige sterke verontreiniging geschat op minder dan 25 m3. De hoeveelheid matig verontreinigde grond bedraagt beduidend meer.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
28
Naar verwachting is de verontreiniging veroorzaakt voor 1987. Derhalve is geen sprake van een zorgplicht. Conform de memo van de omgevingsdienst dient ter plaatse van boring PB01 en de boringen B02 na sloop nader onderzoek te worden verricht voor de verdere inkadering van de verontreiniging met lood. Mocht uit dit nader onderzoek blijken dat er sprake is van een ernstige verontreiniging met een omvang meer dan 25 m3 (dan is er wel sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging) dient een BUS-melding te worden ingediend voor het uitvoeren van werkzaamheden ter plaatse van de sterke verontreiniging. Volgens opgave is het de bedoeling om de verontreinigde grond onder de woningen en gesloten verhardingen te verwerken. Conclusie Bij het aanvullend onderzoek zijn op 3 plaatsen kleine spots gevonden met een hoog loodgehalte in de bodem. De verwachting is dat het gaat om minder dan 25 m3 verontreiniging. Na sloop zal er nader onderzoek naar deze verontreiniging plaatsvinden. Mocht de verontreiniging groter zijn dan 25 m3 dan zal alsnog een BUS-melding worden gedaan. De bodem is, ten behoeve van de bestemmingswijziging, voldoende onderzocht.
4.2
Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. In de nabijheid van het perceel liggen geen spoorwegen. Voor het plangebied is verkeerslawaai het enige aspect van milieuhinder dat speelt aangezien er geen lawaaiproducerende bedrijven in de nabijheid gevestigd zijn. Onderzoek Wat betreft verkeerslawaai is door het bureau Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd, d.d. 9 mei 2022 Uit het rapport blijkt het volgende. De geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeer zijn inzichtelijk gemaakt en getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten gevolge van de gezoneerde wegen geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde aanwezig is. De cumulatie van de wegen resulteert in een gecumuleerde geluidbelasting LVL,cum van maximaal 54 dB (zonder aftrek). De berekeningen zijn gebaseerd op basis van twee losse woningen.
Omdat dit een voorontwerp is, zijn twee twee-onder-een kapwoningen ook mogelijk indien deze niet buiten de uiterste grenzen van het bouwvlak gerealiseerd worden. Op basis van de resultaten is een aanvraag hogere waarden niet nodig. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt het plan voldoet aan de Wet geluidhinder. Er is geen hogere grenswaarde nodig.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
29
4.3
Externe veiligheid
Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), het Besluit Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. De twee normstellingen die worden gehanteerd zijn: • Plaatsgebonden risico (PR): als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. • Groepsrisico (GR): afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron.
De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. Beoordeling In en nabij de planlocatie liggen geen EV relevante bedrijven en transportroutes over het spoor, het water of via een buisleiding. Provinciale weg N445 De provinciale weg N445 is bij besluit van 13 november 2013 door het college van B&W van de gemeente Kaag en Braassem aangewezen als een route gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied (200 meter) van deze weg. Het aantal transporten over deze weg zijn zeer beperkt. Deze weg vormt namelijk geen doorgaande route voor dergelijke transporten. De bijbehorende 10-6 plaatsgebonden risicocontour zal daarom niet buiten het wegprofiel gelegen zijn. De voorgenomen ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, zal ertoe leiden dat het groepsrisico toeneemt. De toename wordt veroorzaakt, doordat in de toekomstige situatie meer mensen zich binnen het aandachtsgebied voor het groepsrisico bevinden dan in de huidige situatie.
Aangezien het echter om slechts één woning gaat en gezien de zeer beperkte transportaantallen zal de toename van het groepsrisico zeer beperkt zijn en zal deze niet boven de oriënterende waarde uitkomen. De toename van het groepsrisico wordt dan ook acceptabel geacht.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
30
Rijksweg A4 Verder ligt de planlocatie op een afstand van meer dan 500 meter van de A4, onderdeel van het landelijke basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3/LT2 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 kilometer. Een risicoberekening is niet nodig omdat de afstand tot de transportroute A4 meer dan 200 meter bedraagt (Besluit externe veiligheid transportroutes, art 8). Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Bevt, art 7). Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende.
Afbeelding 11
uitsnede risicokaart
Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de N445 en het effectgebied van de A4. Aangezien slechts sprake is van de bouw van één extra woning is sprake van een zeer beperkte toename van het groepsrisico. Deze toename is accepttabel, waardoor de bouw van de woning vanuit externe veiligheid mogelijk is.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
Beleid en regelgeving In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies zoals woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
31
Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Beoordeling Algemeen In 2021 is omgevingsvergunning verleend voor de woning Pastoor van der plaatstraat 36a. Conclusie was dat sprake is van een voldoende woon- en leefklimaat. De extra woning die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt ligt op korte afstand van deze woning. Hier zal daarom ook sprake zijn van een voldoende woon- en leefklimaat. Daarbij liggen tussen de omliggende bedrijven en de nieuwe woning ook nog meerdere andere woningen.
Specifiek In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven en/of activiteiten in de buurt: 1. Pastoor van der Plaatstraat 40: melkveehouderij en kaaswinkel Castelijn; 2. Pastoor van der Plaatstraat 125a: Rederij van der Meer; 3. Pastoor van der Plaatstraat 38: Ribe Schoonmaakdiensten 4. Pastoor van der Plaatstraat 133: veehouderij Ad 1 Op 14 december 2009 is door de melkrundveehouderij een melding op grond van het Besluit landbouw milieubeheer ingediend voor de bouw van een nieuwe stal. Uit de plattegrondtekening bij die melding blijkt dat het emissiepunt van de nieuwe stal op minimaal 50 meter is gelegen van de meest nabijgelegen woning (Pastoor van der Plaatstraat 38a). Het clustertje woningen (nr. 34, 34a, 36, 38 en 38a) is destijds beoordeeld als gelegen buiten de bebouwde kom. Op grond van het geurbeleid dienen nieuwe ontwikkelingen buiten de geurcirkel van 50 meter plaats te vinden. Deze afstand kan worden verkleind naar 25 meter. Dit kan alleen als de uitbreidingsmogelijkheden van de betreffende veehouderij al wordt beperkt door een bestaand geurgevoelig object. Dit is niet het geval. De nieuwe woning komt op meer dan 50 meter van het emissiepunt te liggen (afbeelding 12). Op deze manier wordt de melkveehouderij niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Naast het onderdeel geur zijn ook de onderdelen stof en geluid van belang.
Voor de beoordeling of vanuit deze aspecten een belemmering voor het bedrijf ontstaat kan aansluiting worden gezocht bij de richtlijnen uit de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Op grond hiervan is de richtafstand voor zowel stof als geluid bij melkveehouderijen 30 meter. Omdat sprake is van gemengd gebied geldt een richtafstand van 10 meter. Het plan voldoet aan deze afstand.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
32
Afbeelding 12
situatie met emissieafstand van 50 meter zone
Ad 2 De rederij heeft op de Pastoor van der Plaatstraat 125a het postadres. De rederij zelf ligt op een andere locatie. Hierdoor is meer sprake van een kantoor met milieucategorie 1. De richtafstand hiervoor is 10 meter. De afstand tussen het plangebied en dit perceel is ca. 95 meter wat ruim voldoende is om te voldoen aan een goed woon- en leefklimaat. Ad 3 Het schoonmaakbedrijf heeft op de Pastoor van der Plaatstraat het postadres. De werkzaamheden vinden op locatie plaats. Het bedrijf valt daarom in milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter. Deze afstand is echter niet nodig aangezien er geen activiteiten plaatsvinden. Ad 4: De veehouderij heeft schapen, vleesvarkens en rundvee. Dit bedrijf valt op basis van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) in milieucategorie 4.1. met een minimaal gewenste afstand van 200 meter in een rustig woongebied en 100 meter in een gemengd gebied. Gezien de omgeving van het plangebied is het gerechtvaardigd uit te gaan van een gemengd gebied. Dus voor dit bedrijf geldt een richtafstand van 100 meter. De werkelijke afstand is meer dan 100 meter. In verband met de omgekeerde werking van de geurwetgeving voor veehouderijen is de V-Stacksberekening bijgevoegd behorende bij de laatste verleende omgevingsvergunning met beperkte milieutoets (2013) voor dit bedrijf (afbeelding 13).
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
33
Afbeelding 13
V-Stacks berekening behorende bij OBM (2013) Past. vd Plaatstr. 133
Uit deze berekening blijkt dat ter hoogte van Pastoor van der Plaatstraat 119b sprake is van een geurbelasting van 6,6 odeur. Deze woning ligt aan de overkant van de weg op ca. 25 meter van het plangebied. Aangezien de Pastoor van der Plaatstraat 36 buiten de bebouwde kom ligt, geldt een geurnorm van 8 odeur. Hier wordt gezien de V-Stacksberekening aan voldaan. De nieuwe woning vormt hiermee geen belemmering voor de veehouderij en omgekeerd zorgt de veehouderij niet voor teveel hinder ter plaatse van de nieuwe woning. Conclusie Door de bouw van de nieuwe woning worden omliggende bedrijven en andere functies niet belemmerd. Daarnaast is er voldoende afstand tussen de woning en de bedrijven om een goed woon- en leefklimaat te garanderen.
4.5
Luchtkwaliteit
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wijziging van de Wet milieubeheer is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De wijziging houdt in dat niet elk ruimtelijk plan getoetst hoeft te worden aan de normen.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
34
Hierbij is met name het begrip “in betekenende mate” van belang. Een project draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit indien sprake is van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBMgrens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere de volgende gevallen, waarbij een luchtkwaliteitonderzoek niet meer nodig is: a. Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. b.
Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Woon- en leefklimaat Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. In de hiervoor genoemde wetgeving worden grenzen gesteld aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit De luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied is beoordeeld aan de hand van de monitoringstool van de NSL. In de volgende 3 afbeeldingen is, per te toetsen stof, met behulp van kaartmateriaal van de NSL in beeld gebracht of in het gebied al dan niet wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen. Er wordt in het hele gebied voldaan aan de grenswaarden. Conclusie Het plan betreft het realiseren van één extra woning. Een luchtkwaliteitonderzoek is daarom niet nodig. Het plan draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast voldoet de luchtkwaliteit binnen het plangebied aan de luchtkwaliteitseisen.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
35
Afbeelding 14 en 15 Monitoring)
Afbeelding 16
4.6
NO2-concentratie 2020 (NSL Monitoring) en PM10-concentratie 2020 (NSL
PM2,5 -concentratie 2020 (NSL Monitoring)
Natuur
De bescherming van de Nederlandse natuur maakt onderscheid tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. De regelingen ter bescherming van kwetsbare natuurgebieden en soorten is geregeld in de nieuwe Wet natuurbescherming die sinds 1 januari 2017 in werking is getreden. Deze wet vervangt drie natuurwetten, namelijk de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Naast een bundeling van de wetten hebben ook inhoudelijke wijzigingen plaatsgevonden. Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
36
Zo zijn enkele beschermde soorten vervallen die eerder wel beschermd waren en andersom. De wet voorziet in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. De onder de wet beschermde soorten mogen niet worden verstoord of gedood en hun leefgebieden mogen niet worden vernietigd. Bij nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. Ter bescherming van de Natura 2000-gebieden voorziet de wet in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Ecologisch onderzoek Op 21 maart 2022 is door het ecologisch bureau Van der Goes en Groot een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Enerzijds is er een bronnenstudie gedaan en anderzijds is een veldonderzoek uitgevoerd. Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is (voor zover mogelijk) een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Resultaten Soortenbescherming Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, grondgebonden zoogdieren, vogels en vleermuizen.
Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van de Huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.
Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (zoals de Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
37
Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Het plangebied ligt op circa negen kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, De Wilck. Gezien de grote afstand, en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Er worden ook geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting.
Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.` Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht. Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht. Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: • Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. • Het verwijderen van groen kan zoveel mogelijk beperkt worden of na de werkzaamheden kan nieuw groen aangeplant worden op dezelfde locaties als waar groen verwijderd wordt. Houdt bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen een zo smal mogelijke werkbreedte aan. • Bij de sloop- en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.
Aanbevelingen ter bevordering van natuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in het plangebied versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Als aanvulling worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan: • Plaatsen van voorzieningen voor Huismussen en Spreeuwen d.m.v. speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
38
• •
Het plaatsen van zogenaamde ‘insectenhotels’ aan de muren van de bebouwing, in tuinen of in bestaande of aan te planten groenstructuren. Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals meidoorn, Wilde liguster, Klimop en Sleedoorn die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken. Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, muizen en vleermuizen.
Aanvullend ecologisch onderzoek Op 20 oktober 2023 is door Van der Goes en Groot het onderzoek afgerond naar de huismus en vleermuizen. Uit het onderzoek blijkt het volgende. Tijdens de inventarisatie zijn 4 soorten vleermuizen aangetroffen (afbeelding 17).
Afbeelding 17 het plangebied
tabel aangetroffen beschermde soorten met vastgestelde gebruiksfuncties binnen
In het plangebied zijn alleen langsvliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Er is tijdens het onderzoek geen vliegroute van vleermuizen vastgesteld. Er valt bij uitvoer van de plannen dan ook geen significant negatief effect te verwachten van dit type gebruik door vleermuizen. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot eind juli. Wanneer tóch in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk, voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels, het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn.
Het ongeschikt maken geldt in dat geval voor het gehele plangebied maar in het bijzonder voor het open nokstuk van de stal (waar het spreeuwennest is vastgesteld) en de aanwezige nestkastjes, gezien dit kansrijke plekken zijn waar broedvogels als Spreeuw en Koolmees tot broeden kunnen komen. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
39
Conclusie Uit de uitgevoerde ecologische onderzoeken blijkt dat er geen sprake is van negatieve effecten op aanwezige beschermde soorten. Wel dient er zoveel mogelijk buiten het broedseizoen van vogels te worden gewerkt. Ook voor de overige soorten en wat betreft de gebiedsbescherming is het plan niet in strijd met de Wet natuurbescherming.
4.7
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Sinds 1 april 2011 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Eén van de wijzigingen in dit besluit is dat in elk initiatief dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten) van het Besluit m.e.r. aandacht moet worden besteed aan de vraag of er al dan niet een m.e.r.-beoordeling nodig is. Het komt erop neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op (een) activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarde vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze toets is een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Het realiseren van een woning in het buitengebied komt niet voor op bijlage D van het Besluit m.e.r. Conclusie Het plan is niet m.e.r beoordelingsplichtig
4.8
Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het 2e Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd; • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
40
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit en -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning. 2e Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) vastgesteld door het kabinet. Het beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het waterplan vormt daarnaast het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen.
Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen, maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zo maar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan. Het rijksbeleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is met de vastgestelde Deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Deze Deltabeslissingen zijn in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het Nationaal Waterplan 2009-2015 en zijn inmiddels in het Nationaal Waterplan 2016-2021 geïntegreerd. De volgende onderwerpen zijn in het Nationaal Waterplan 2016-2021 opgenomen: hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid, gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van de watersystemen in Nederland, benodigde maatregelen en ontwikkelingen, beheerplannen voor de stroomgebieden, beheerplannen voor de gebieden met overstromingsrisico mariene Strategie, beleidsnota Noordzee en functies van de rijkswateren. Waterbeheerplan en Keur waterschap Amstel, Gooi en Vecht (2016-2021) Het waterschap heeft de zorg voor het regionale watersysteem en streeft - op een duurzame en kosteneffectieve wijze - naar optimale bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van schoon water en efficiënte zuivering van afvalwater.
Daarnaast draagt het waterschap op het gebied van recreatie, landschap en cultuurhistorie bij aan verbetering van de beleving van het water. In het waterbeheerplan legt het waterschap vast hoe het invulling geeft aan de zorg voor deze taken voor de komende zes jaar. Het waterschap zet in de komende periode in op een hoger waterbewustzijn. Veiligheid gaat niet vanzelf, en hetzelfde geldt voor de beschikbaarheid van voldoende en schoon water. Ook het behoud van cultuurhistorische waarden en de natuur gebeurt niet automatisch. Daarnaast is de ambitie van het waterschap om water robuust te zijn en te blijven. Met de huidige klimaatverandering zijn de uitdagingen aanzienlijk. Het waterschap is de waterautoriteit, maar het bestuur gaat graag de dialoog aan over de eisen die je aan schoon water mag stellen, over het beperken van het zoetwatergebruik, over innovaties in de waterketen, over de mogelijkheden van en de grenzen aan waterrecreatie.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
41
Dit waterbeheerplan is dan ook ontstaan met input van andere overheden, burgers, verenigingen en bedrijven. Naast de invulling voor de komende zes jaar, staat er in het plan ook wat het waterschap op de lange termijn wil bereiken. De strategische uitgangspunten voor de langere termijn (2030) zijn: samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit, een klimaatbestendig en waterrobuust gebied, steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte, een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid, water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie, gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water, gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen, vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit, afstemming over alle watertaken per stroomgebied, behoud van de zelfstandige bevoegdheid. Keur De Keur is een instrument waarmee het hoogheemraadschap (een deel van) de doelen uit het Waterbeheerplan kan realiseren. In de Keur staat beschreven welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen verboden zijn. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigen.
Daarnaast zijn in de Keur regels opgenomen over het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen. Voor de nieuwbouw kunnen verplichtingen ten aanzien van het onttrekken en lozen, afvoeren een aanvoeren van water (meld- en meetplicht) van toepassing zijn. Het beleid waarop het Hoogheemraadschap vergunning kan verlenen ten aanzien van werken en werkzaamheden is vastgelegd in Beleidsregels Keurvergunningen. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Plan Het plangebied ter plaatse van de woning is op dit moment al verhard. De bouw van de woning zal daarom geen negatieve invloed op de waterhuishouding hebben. Waar mogelijk zal het afvalwater en hemelwater worden gescheiden. Er zullen geen uitlogende materialen worden toegepast. Op een deel van het perceel ligt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. De nieuwe woning wordt binnen deze dubbelbestemming gerealiseerd. Op deze plek staat al bebouwing, namelijk de bestaande woning en een schuur.
Voordat gebouwd gaat worden zal advies worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap. De dubbelbestemming wordt ook weer overgenomen in dit bestemmingsplan. Conclusie Het gehele plangebied is al verhard en zal daarom geen negatieve invloed op de waterhuishouding hebben. Er zal eerder sprake zijn van een verbetering. Omdat de woning in de beschermingszone van de waterkering wordt gebouwd is een watervergunning van het Hoogheemraadschap nodig. Deze zal worden aangevraagd. De verwachting is dat deze watervergunning verkregen kan worden aangezien er sprake is van een schoeiing en 4,0 m afstand uit de waterlijn. Mogelijk wordt het bouwpeil ook nog iets hoger. Dit zal verder bij de aanvraag omgevingsvergunning worden uitgewerkt.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
42
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). Zij vervangt een aantal wetten zoals de Monumentenwet (deels met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) en de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. Zij moeten de kans bieden om zienswijzen in te dienen en bij het vermoeden van landelijke betekenis een adviescommissie van deskundigen inschakelen. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen. Dit betreft de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. De minister van OCW kan voortaan wel te beschermen ensembles aanwijzen. De tegemoetkoming van het Rijk aan gemeenten voor excessieve opgravingskosten vervalt. Er is hiervoor een beperkte tegemoetkoming in het gemeentefonds. En er komt (tijdelijk) een landelijk fonds of subsidieregeling voor archeologische vondsten van (inter)nationaal belang.
Voorts wordt de opgravingsvergunning vervangen door een archeologie-certificaat. Verdrag van Malta Op internationaal niveau geldt dat Nederland in 1992 het Verdrag van Malta heeft ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is om op verantwoorde wijze om te gaan met archeologische belangen in de ruimtelijke ordening. Een belangrijk uitgangspunt van het Verdrag van Malta en het rijksbeleid is dat het behoud in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van veldonderzoek vroegtijdig inzicht wordt gegeven in de archeologische en cultuurhistorische waarden in het gebied. Op deze manier kunnen de aanwezige waarden bij de planontwikkeling voldoende worden gewaarborgd. Het Verdrag van Malta vindt zijn weerslag in een (ingrijpende) wijziging van de Monumentenwet 1988 die in 2007 van kracht is geworden. Wet op de Archeologische Monumentenzorg De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta. Het is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden. De nieuwe wet beoogt het cultureel erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen.
Met de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een aantal andere wetten ook aangepast, waaronder de Monumentenwet 1988 (inmiddels vervangen door de Erfgoedwet), de Wet op de Ruimtelijke Ordening (vervangen door Wet ruimtelijke ordening), de Ontgrondingenwet, de Wet Milieubeheer en de Woningwet. Ook is sinds 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van kracht. Deze wet bundelt bestaande vergunnings- en toestemmingsstelsels die te maken hebben met ingrepen in de leefomgeving, zoals wonen, monumenten, ruimte en milieu. De omgevingsvergunning die voortkomt uit deze wet is onder andere van toepassing op tuinen en parken die behoren tot ons cultureel erfgoed.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
43
Archeologisch onderzoek In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Op grond hiervan is archeologisch onderzoek nodig indien een bouwwerk groter is dan 150 m2 en/of dieper dan 30 cm wordt gegraven. Ten behoeve van de woning wordt dieper dan 30 cm gegraven en geheid. Daarom is archeologisch onderzoek nodig. In juli en augustus 2022 en mei 2023 heeft ADC Archeoprojecten een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek. Onderzoeken 2022 Op basis van het bureauonderzoek bleek dat in theorie op het dekzand en het basisveen archeologische resten kunnen voorkomen vanaf het Paleolithicum tot het Neolithicum. Vanwege de grote diepte waarop deze afzettingen aanwezig zijn, zijn hierover te weinig gegevens voorhanden om hierover een gefundeerde uitspraak te doen. Voor de getijdeafzettingen van het Laagpakket van Wormer geldt een lage verwachting. Vanaf de Bronstijd was bewoning mogelijk op het veen. Indien het veen goed ontwaterd was, geldt een middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten uit de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen. De top van het veen wordt verwacht op 0,4 tot 3,1 m -mv. Vanaf de 10e eeuw werd het veengebied ontgonnen.
Aangezien de Rijpwetering, waaraan het plangebied ligt, als ontginningsbasis diende, geldt voor de periode Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Deze resten worden vanaf het maaiveld verwacht en bevinden zich op of in het opgebrachte toemaakdek. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat in het plangebied inderdaad Hollandveen aanwezig is dat werd afgedekt door een toemaakdek en recent bouwzand. In het veen zijn echter geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op (potentieel) gebruik ervan. Er zijn geen veraarde lagen of een archeologische laag aangetroffen. Bovendien is de top van het veen in de meeste boringen verstoord. De middelhoge verwachting wordt bijgesteld naar een lage verwachting. Vanwege de aangetroffen verstoringen en vanwege het ontbreken van archeologische resten in het toemaakdek wordt de verwachting op het aantreffen van resten uit de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd bijgesteld naar laag. Specifiek voor de eventuele bebouwing uit het begin van de 19e eeuw onder het huidige woonhuis blijft de hoge verwachting gehandhaafd. Het kon niet worden uitgesloten dat geen resten van deze bebouwing meer aanwezig zijn.
De ontgravingsdiepte ten behoeve van de realisatie van de nieuwbouw in het plangebied zal circa 0.75 m -mv bedragen. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijven de geplande graafwerkzaamheden daarmee in een groot deel van het plangebied binnen het recent verstoorde pakket. Het is niet volledig uit te sluiten dat onder het huidige woonhuis nog archeologische resten voorkomen. Om de op het bureauonderzoek gebaseerde gespecificeerde verwachting voldoende te kunnen aanvullen en toetsen, is een IVO-P variant archeologische begeleiding te adviseren. Dit betreft de begeleiding van de sloop van het woonhuis onder het maaiveld en van het uitgraven van de bouwkuip ten behoeve van de nieuwbouw De archeologische begeleiding dient hetzelfde doel als een inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven. Dit betekent dat indien bij de civiele werkzaamheden toch vondsten of archeologische sporen worden aangetroffen, deze worden geregistreerd en, in zover de werkzaamheden dat toelaten, worden gedocumenteerd. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
44
Onderzoek mei 2023: Aanvullend inpandig booronderzoek Op aanvraag van de opdrachtgever is op 2 mei 2023 een aanvullend inpandig booronderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat onder de huidige bebouwing het toemaakdek is afgegraven, en vervangen door modern bouwzand. Eventueel aanwezige archeologische resten onder de huidige bebouwing zullen hierbij verloren zijn gegaan. Het booronderzoek kan echter geen 100% uitsluitsel opleveren over aanwezigheid van eventuele fundamenten uit begin 19e eeuw die op de kadastrale minuut zichtbaar zijn. Hiervoor is booronderzoek geen geschikte methode. Volledig uitsluitsel wordt verkregen als bij de sloop van het woonhuis onder het maaiveld en het uitgraven van de funderingsbalken ten behoeve van de nieuwbouw plaats vindt onder toezicht van een archeoloog. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies. Conclusie Op basis van de resultaten van alle uitgevoerde onderzoeken kan gesteld worden dat de kans zeer klein is op het vinden van archeologische resten. De kleine kans op resten uit de 19 e eeuw onder de bestaande bebouwing is te verwaarlozen. Hiernaar is geen nader onderzoek nodig. Mochten er na de sloop toch resten worden aangetroffen dan zal dit bij de daarvoor aangewezen instantie worden gemeld.
4.10 Duurzaamheid In de Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2021 is ook aandacht besteed aan het onderwerp duurzaamheid. De gemeente ziet de grootste opgaven voor een duurzaam Kaag en Braassem in: • de toekomstige energievraag (warmte, elektra en brandstof) en bijbehorende infrastructuur betaalbaar te verduurzamen; • het werken richting een kringloopeconomie waarin er geen sprake meer is van afval en we steeds meer duurzaam geproduceerde, hernieuwbare grondstoffen en materialen gebruiken. Maar een zeer klein deel van het daadwerkelijke energieverbruik en het gebruik van fossiele, niet hernieuwbare en zeldzame materialen en grondstoffen komt voor rekening van de gemeente. Met andere woorden: de directe invloed van de gemeente in beide opgaven is beperkt. Dit betekent echter niet dat gemeente een beperkte rol heeft in de energietransitie en het realiseren van een (circulaire) kringloopeconomie: • De gemeente zal ervoor moeten zorgen dat de eigen bedrijfsvoering steeds meer duurzaam, circulair en energieneutraal is (presterende overheid). • Waar nodig zal de gemeente aansluiten en ondersteuning bieden bij initiatieven van inwoners, ondernemers, agrariërs en anderen om de eigen gemeenschap, de eigen (sport)vereniging of de eigen bedrijfsvoering energieneutraal en circulair te maken (participerende overheid).
• Omdat bij beide opgaven veel inwoners, ondernemers en (regionale) organisaties betrokken zijn, wat afstemming en verbinding vraagt, ziet de gemeente voor zichzelf ook een samenwerkende rol weggelegd. De ambities zijn: • Vóór 2025 een besparing van 44 terajoule realiseren in onze woningen wat gelijkstaat aan een gemiddelde besparing van ongeveer 15% van het totale energieverbruik (gas en elektriciteit) in een gemiddelde woning.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
45
• • •
Vóór 2025 een besparing van 59 terajoule realiseren bij onze agrariërs en 19 terajoule minder energie verbruiken in onze kantoren, sportkantines, scholen en op het gemeentehuis. Vóór 2025 liggen er minimaal gemiddeld 6 zonnepanelen op iedere woning in Kaag en Braassem. Vóór 2025 wekken onze agrariërs minimaal 61 terajoule duurzame energie op (= 76.250 zonnepanelen) en is de commerciële en publieke dienstverlening verantwoordelijk voor een opwek van 19,6 terajoule (= 24.500 zonnepanelen).
Plan Het ontwerp voor de nieuwe woning(en) is nog niet uitgewerkt. Sowieso dienen deze gasloos te zijn en zullen zij volgens BENG (Bijna Energie neutraal) worden gebouwd. Er zal waarschijnlijk gebruik worden gemaakt van een warmtepomp en zonnepanelen. Waar mogelijk zal zoveel gebruik worden gemaakt van duurzame materialen. Conclusie Het plan voldoet aan de ambitie van de gemeente om zoveel mogelijk duurzaam te bouwen.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
46
5
Juridische planbeschrijving
5.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de aanleiding, onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.
5.2
Hoofdopzet
Verbeelding De verbeelding is ten opzichte van de verbeelding uit het geldende bestemmingsplan ‘1e herziening Oude Ade en Rijpwetering’ aangepast. Daarbij is de maatvoeringaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ aangepast van 6 naar 7 en is de aanduiding ‘vrijstaand’ gewijzigd naar ‘twee-aaneen’. Daarnaast is de ‘specifieke bouwaanduiding – uitsluitend twee-aaneen of geschakeld’ opgenomen, zodat de twee woningen twee aaneen of geschakeld worden gerealiseerd. Planregels De hoofdstukken voor de planregels hebben de volgende indeling: • Hoofdstuk 1 (artikel 1 en 2) bevat inleidende regels. In artikel 1 worden de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen beschreven en in artikel 2 wordt de wijze van meten uitgelegd. • Hoofdstuk 2 (artikel 3, 4, 5 en 6) bevat de bestemmingsregels. In artikel 3 en 4 zijn de bestemmingen Tuin en Wonen overgenomen uit het bestemmingsplan ‘1e herziening Oude Ade en Rijpwetering’. In artikel 5 en 6 zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. • Hoofdstuk 3 (artikelen 7, 8, 9, 10 en 11) bevat de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene afwijkingsregels, de algemene wijzigingsregels en de specifieke gebruiksregels. • Hoofdstuk 4 (artikel 12 en 13) bevat de overgangs- en slotregels.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
47
6.
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
De gemeente en de eigenaar zullen een exploitatieovereenkomst afsluiten waarin het verhaal van de kosten is geregeld. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst. In de overeenkomst worden ook afspraken gemaakt over de afwenteling van planschade.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het plan is naar de volgende vooroverleginstanties verzonden: 1. Provincie Zuid-Holland; 2. Hoogheemraadschap van Rijnland; Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft, conform afdeling 3.4 Awb, van 7 december 2023 tot en met 17 januari 2024 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon iedereen een zienswijze indienen. Tijdens de inzageperiode is door de provincie Zuid-Holland een zienswijze ingediend. In de Nota van Beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Pastoor van der Plaatstraat 36b Rijpwetering’ is de zienswijze samengevat en voorzien van een reactie. In overleg met de provincie is het ontwerp van het plan aangepast. De twee woningen zullen in één volume worden gerealiseerd, waarbij zoveel mogelijk zal worden aangesloten bij het huidige beeld van de bestaande boerderij. Het bestemmingsplan (Verbeelding, regels en toelichting) is hierop aangepast.
Overleg buren De initiatiefnemer heeft vanaf het begin overleg gehad met de omwonenden. Eerder in 2018 hebben omwonenden ook al schriftelijk ingestemd met de plannen voor de sloop en bouw van twee extra woningen op het perceel, zie pagina 49.
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
48
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
49
Bijlagen bij toelichting
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
50
Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek Pastoor van der Plaatstraat 36 en 36b (01-06-2022)
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
51
Bijlage 2
Nader bodemonderzoek Pastoor van der Plaatstraat 36 en 36b (21-06-2023)
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
52
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek Pastoor van der Plaatstraat 36 (0905-2022)
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
53
Bijlage 4
Ecologisch onderzoek Pastoor van der Plaatstraat 36 (2103-2022)
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
54
Bijlage 5
Nader ecologisch onderzoek Pastoor van der Plaatstraat 36 (20-10-2023)
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
55
Bijlage 6
Archeologisch onderzoek Pastoor van der Plaatstraat 36 (05-05-2022)
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
56
Bijlage 7
Archeologisch onderzoek Pastoor van der Plaatstraat 36 (19-08-2022)
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
57
Bijlage 8
Aanvullend archeologisch onderzoek Pastoor van der Plaatstraat 36 (05-05-2023)
Bestemmingsplan Pastoor van der Plaatstraat 36b, Rijpwetering - toelichting
58