CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

RO-BP-618.152.10 BP 1e herziening Oud Ade - Rijpwetering

Gemeenteraad 29 maart 2021, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘1e herziening Oud Ade-Rijpwetering’31.576 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

30

worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing is, en geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: - er geen andere bevredigende oplossing is, en - indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Kaag en Braassem is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb.

Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

31

nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt.

De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 4.8.2

Onderzoek Soortenbescherming Met voorliggend bestemmingsplan wordt het slopen van voormalige agrarische bebouwing, het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en het bouwen van één woning mogelijk gemaakt aan de Pastoor van der Plaatstraat 36. Op 14 november 2018 is door het ecologisch bureau Van der Goes en Groot een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3 behorende bij deze toelichting. Enerzijds is er een bronnenstudie gedaan en anderzijds is een veldonderzoek uitgevoerd. Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is (voor zover mogelijk) een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, zullen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.

In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

32

werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.

Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep Pastoor van der Plaatstraat 36 te Rijpwetering omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Zorgplicht De Wet natuurbescherming (Wnb) erkent de intrinsieke waarde van het in het wild levende dier. Dat betekent dat voor de wet alle dieren van onvervangbare waarde zijn en dat mensen daar niet onzorgvuldig mee mogen omspringen. Vanuit deze gedachte is de zorgplicht in artikel 1.11 van de Wnb opgenomen. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (en dus niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is een algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt.

Concreet betekent dit dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, gelegen op ca. 11 km afstand. Dit gebied is stikstofgevoelig. Andere Natura 2000- gebieden liggen op grotere afstand. Gezien de afstand van 11 km en de aard van het initiatief (sloop gebouwen en bouw van 1 woning), worden geen significante negatieve effecten op stikstofgevoelige Natura 2000‐ gebieden verwacht.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

33

Het plangebied is niet gelegen in een gebied wat onderdeel is van NNN en is niet gelegen in een provinciaal belangrijk weidevogelgebied. Gelet op het voorgaande levert het deelaspect gebiedsbescherming geen planologische belemmering op. Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving aan de orde is dan die hiervoor beschreven. 4.8.3

Conclusie Voor het initiatief aan de Pastoor van der Plaatstraat 36 is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat voor twee soorten dieren nader onderzoek nodig is. Het gaat om vogels met jaarrond beschermde nesten en vleermuizen. Er is vanwege het te saneren asbest, voldoende aannemelijk gemaakt dat een eventueel noodzakelijke ontheffing kan worden verkregen. Dit is voldoende om het bestemmingsplan, ook zonder dat de resultaten van een nader onderzoek naar huismussen en vleermuizen bekend zijn, vast te stellen. Wel moet voorafgaand aan de sloop het nader onderzoek naar huismussen en vleermuizen worden uitgevoerd. Indien de sloop zonder nader onderzoek naar deze soorten wordt verricht, wordt de Wet natuurbescherming mogelijk overtreden. Voor de overige soorten en wat betreft de gebiedsbescherming is het plan niet in strijd met de Wet natuurbescherming. Voorgesteld wordt in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting op te nemen. In de voorwaardelijke verplichting dient opgenomen te worden dat niet eerder omgevingsvergunning voor de woning wordt verleend, dan nadat uit het nadere onderzoek blijkt dat er geen strijd is met de Wet natuurbescherming of dan nadat ontheffing of vergunning is verleend op basis van de Wet natuurbescherming.

Voor de overige deelgebieden hoeft geen onderzoek te worden uitgevoerd en kan gesteld worden dat het aspect flora en fauna geen belemmeringen veroorzaakt.

4.9

Water

4.9.1

Kader Nationaal Waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

34

bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en is en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, vooral op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater.

Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Waterbeheerplan Rijnland 2016-2021 De waterbeheerder ter plaatse van het projectgebied is het Hoogheemraadschap van Rijnland (HHR). Elke zes jaar leggen waterschappen het beleid en de aanpak die noodzakelijk zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren, vast in een zogeheten waterbeheerplan. In het vijfde waterbeheerplan (WBP5) geeft het Hoogheemraadschap van Rijnland richting aan het waterbeheer voor de periode 2016 -2021. Door niet tegen het water te strijden maar met het water mee te bewegen kan het beheergebied met innovatieve en duurzame oplossingen zo worden ingericht dat ook toekomstige generaties prettig kunnen wonen, werken en recreëren, tegen zo laag mogelijke kosten. Dit alles vraagt om zorgvuldige afwegingen tussen de belangen voor de mens, de natuur en de economie, waarbij het vinden van de juiste balans tussen deze drie de grote uitdaging is.

In het waterbeheerplan zijn de doelstellingen voor de aankomende periode per watertaak uitgewerkt. Kort samengevat gaat het om:  Waterveiligheid: Bescherming tegen overstromingen vanuit zee en de rivieren.  Voldoende Water: Er is voldoende water. Niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik.  Schoon en gezond water: Rijnlands water is schoon, zodat de mens, de natuur en economie er optimaal gebruik van kunnen maken.  Waterketen: Het afvalwater wordt optimaal gezuiverd en de grondstoffen hergebruikt.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

35

Om deze doelen te bereiken hanteert het Hoogheemraadschap een manier van denken en werken die uitgaat van kansen, samenwerken en het zoeken naar nieuwe wegen. Het Hoogheemraadschap werkt daarbij samen met inwoners en bedrijven in het gebied, hun wensen en belangen staan centraal. Daarnaast streeft het HHR naar een duurzame en innovatieve werkwijze, tegen zo laag mogelijk kosten. Keur en beleidsregels Per 1 juli 2015 is de nieuwe Keur in werking getreden. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen). Aan deze Keur zijn bepalingen toegevoegd voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem. De Keur geeft regels voor het gebruik van of het uitvoeren van activiteiten op:  waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);  watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);  andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur stelt verbodsbepalingen op voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Rijnland kan met de afgifte van een vergunning ontheffing verlenen van de Keur voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten. De Keur is een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen.

In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De ontheffing van de Keur is een activiteit in de zin van de Waterwet. Bij een aanvraag omgevingsvergunning, waarbij sprake is van een keurontheffing, zal dit bij de Keur onderdeel uitmaken van het toetsingskader. Beleid Riolering en afvalwaterzuivering Rijnland streeft naar samenwerking in de afvalwaterketen en wil hierover graag adviseren. Rijnland geeft de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater. Naast een voorkeursvolgorde voor afvalwater geldt voor de behandeling van hemelwater de zorgplicht. Rijnland geeft daarbij de voorkeur aan brongerichte maatregelen boven 'end-of-pipe' maatregelen. Hemelwater kan de capaciteit van riolering en zuivering aanzienlijk belasten. Dat is niet wenselijk en vaak ook niet nodig. Zeker bij nieuwbouwontwikkelingen is het gescheiden aanbieden van hemelwater en afvalwater vaak een doelmatige maatregel. Rijnland volgt hierbij de voorkeursvolgorde (rijksbeleid), waarbij voorop staat het voorkomen van het ontstaan van afvalwater, als er afvalwater is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging en waar mogelijk afvalwaterstromen scheiden. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP).

De uiteindelijke afweging wordt lokaal gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Het te lozen hemelwater mag geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaken. Maatregelen om dit te bereiken zijn duurzaam bouwen, infiltratie, het toepassen van berm- of bodempassage en straatkolken met extra voorzieningen. Als ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en hoogheemraadschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe' aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

36

4.9.2

Onderzoek Bestaande situatie watersysteem In Oud Ade en Rijpwetering zijn diverse oppervlaktewateren aanwezig, waaronder de Oude Ade, de Rijpwetering, de Ringsloot en een deel van de Koppoel. Deze watergangen zijn in de legger van het hoogheemraadschap aangemerkt als primaire watergangen maar zijn allen buiten de plangebieden gelegen. Daarnaast bevinden zich binnen het plangebied ook geen ondergeschikte watergangen en oppervlaktewateren. De locatie aan de Pastoor van der Plaatstraat 36 is op dit moment geheel verhard. De bouw van de woning zal geen negatieve invloed op de waterhuishouding hebben.

Afbeelding 4.2: uitsnede legger Hoogheemraadschap van Rijnland; ligging primaire en overige watergangen.

Waterkwaliteit Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater van de DWA komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen bij de toekomstige ontwikkelingen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Voorliggend plan heeft geen effect op de waterkwaliteit omdat door middel van het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen, voorkomen wordt dat het hemelwater wordt vervuild. Voor

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

37

de nieuwbouw van woningen gaan het waterschap en de gemeente daarnaast uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Veiligheid De locaties aan de Pastoor van der Plaatstraat 36 en de Pastoor van der Plaatstraat 85 zijn gelegen binnen de beschermingszone van een regionale waterkering (van de Rijpwetering) gelegen (zie afbeelding 4.3). De beschermingszone van deze waterkering is in dit bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Om de veiligheid te kunnen garanderen geldt binnen de kern- en beschermingszones de Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland. De keurzone is de strook waarbinnen een vergunning nodig is voor werken of werkzaamheden in, op, langs of in de nabijheid van de waterkering. De te realiseren woning aan de Pastoor van der Plaatstraat 36 zal buiten deze dubbelbestemming gerealiseerd worden.

Afbeelding 4.3: uitsnede legger Hoogheemraadschap van Rijnland; ligging regionale waterkering

4.9.3

Conclusie Het voorontwerpbestemmingsplan wordt, conform het gestelde in ex artikel 3.1.1. van het Bro, aan het Hoogheemraadschap van Rijnland voorgelegd. Eventuele opmerkingen van het Hoogheemraadschap worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

38

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

4.10.1 Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het betreft dan: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo’n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren.

Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 13 mei 2013 het (geactualiseerde) gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. In dit beleid is de verwachting en archeologische bescherming in kaart gebracht en onderbouwd. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart weergegeven. Deze kaart is richtinggevend bij de ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen. Erfgoedverordening De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 8 november 2016 de gemeentelijke Erfgoedverordening vastgesteld. In de Erfgoedverordening zijn de lokale regels en procedures voor de omgang met monumenten en archeologie vastgelegd.

De gemeente is als bevoegd gezag voor (rijks-)monumenten en archeologie het eerste aanspreekpunt voor vraagstukken over gebouwd en ondergronds erfgoed.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

39

Afbeelding 4.4.: uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Kaag en Braassem

4.10.2

Onderzoek

Archeologie De archeologische beleidsadvieskaart geeft een gedetailleerd overzicht van de aanwezige archeologische waarden en de archeologische verwachtingen in de gemeente Kaag en Braassem (zie afbeelding 4.4). Het grondgebied van de gemeente Kaag en Braassem is met betrekking tot archeologie opgedeeld in diverse categorieën (o.a. een hoge, middelhoge en lage verwachting). Voor deze categorieën worden door burgemeester en wethouders op grond van de Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

40

omvang en diepte van bodemingrepen voorwaarden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is, afhankelijk van de omvang van de ingreep, een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd. De verschillende deelgebieden behoren tot de historische kernen met een middelhoge verwachtingswaarde. Vertaling in bestemmingsplan Voor de archeologische verwachtingswaarde dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie 1”.

is

in

het

bestemmingsplangebied

de

In de dubbelbestemmingen is bepaald dat voor verstorende werkzaamheden in de bodem die een bedreiging kunnen vormen voor de mogelijk aanwezige archeologische waarden een vergunning verplicht is. Voor de verschillende verwachtingswaarden gelden verschillende criteria voor wanneer een (omgevings)vergunning verplicht is en archeologisch onderzoek verricht moet worden. De dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1” is opgenomen voor de gronden die onderdeel zijn van een historische kern en/of ontginningsas. Voor deze gronden bedraagt de maximale verstoring 150 m2 en 30 cm diep. Indien deze vrijstellingsgrenzen worden overschreden, dient een archeologisch onderzoek overlegd te worden. Pastoor van der Plaatstraat 36 In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Op grond hiervan is archeologisch onderzoek nodig indien een bouwwerk groter is dan 150 m2 en/of dieper dan 30 cm wordt gegraven. Ten behoeve van de nieuw te realiseren woning wordt dieper dan 30 cm gegraven en geheid. Daarom is archeologisch onderzoek nodig. Dit onderzoek is op 8 november 2018 door Vestigia Archeologie & cultuurhistorie uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4 behorende bij deze toelichting. Bureauonderzoek Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 750 m2 en is momenteel deels bebouwd en verhard.

De nieuwbouwkavels zijn gepland op het terrein achter de bestaande huizen. Op de archeologische verwachtingenkaart staat het plangebied gekarteerd met een middelhoge archeologische verwachting voor de periode Bronstijd tot en met Late Middeleeuwen en een hoge verwachting voor de periodes Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. In beide gevallen betreft het nederzettingsresten, waarbij voor de Late Middeleeuwen een dorpskern ook binnen de verwachting valt. Op de archeologische beleidskaart is het plangebied gekarteerd als een onderdeel van de ontginningsas en de historische kern. Hiervoor geldt dat het gebied onderzoeksplichtig is bij bodemingrepen groter dan 150 m2 en dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld. Het bureauonderzoek had tot doel na te gaan of er reeds bekende archeologische waarden in de vorm van archeologische monumenten of waarnemingen/vondstlocaties binnen het plangebied bekend zijn en om een gespecificeerde archeologische verwachting te bepalen. De geologische omstandigheden, een nat en laaggelegen veengebied, vormden in het verleden geen goede omstandigheden voor bewoning. Wel was er bewoning mogelijk op het veen vanaf de Bronstijd. De archeologische verwachting voor de periodes Bronstijd tot en met Vroege Middeleeuwen is daarom middelhoog. Pas vanaf Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

41

de ontginning en de aanleg van de dijk in de Late Middeleeuwen werd het plangebied geschikt voor bewoning en bebouwing. Het plangebied ligt aan het lint van oude bebouwingsconcentraties van het dorp Rijpwetering dat waarschijnlijk in de 17e eeuw ontstond. Volgens de BAG-viewer dateert het huidige huis in het noordoosten van het plangebied uit 1830, en is dus mogelijk al zichtbaar op de kadastrale minuut van 1811-1832. Mocht er op de kadastrale minuut een voorganger zichtbaar zijn van het huidige huis, dan bevinden mogelijk resten van dit gebouw zich onder het huidige huis, op basis van de topografie zichtbaar op de kadastrale minuut. Geconcludeerd kan worden dat op basis van het bureauonderzoek het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft voor sporen uit de dorpskern uit de periode Late Middeleeuwen (ontginning, aanleg dijk) en Nieuwe Tijd (het dorp Rijpwetering vanaf de 17 e eeuw). Veldonderzoek Tijdens het veldonderzoek zijn 4 boringen uitgevoerd met een minimale diepte van 2 meter beneden maaiveld. Een boring is doorgezet tot een diepte van 4 meter beneden maaiveld. Binnen de boringen is verstoorde grond aangetroffen tot een diepte van 190 tot 310 centimeter beneden maaiveld. Het bouwzand was lichtbruin van kleur boven de grondwaterspiegel en grijs onder de grondwaterspiegel.

Onder het bouwzand zijn in twee boringen nog restanten van het toemaakdek aanwezig, deze bestaan uit kleiig matig grof zand met veenresten en kleibrokken. Daaronder is Hollandveen aangetroffen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kan de archeologische verwachting voor het plangebied worden bijgesteld naar laag. Binnen het plangebied is de verstoring zodanig groot dat eventuele archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd op het Hollandveen verstoord zullen zijn geraakt. Er zijn ook geen resten, zoals bouwlagen, aangetroffen van een eventuele vroeg 19e-eeuwse voorganger van de huidige bouw (daterend uit 1830). Zoals al tijdens het bureauonderzoek geconcludeerd bevinden de mogelijk resten van de eventuele voorganger van het huidige huis (uit 1830) zich naar alle waarschijnlijkheid onder het huidige huis. Cultuurhistorie Op grond van de cultuurhistorische hoofdstructuur Zuid-Holland zijn de boezemkades langs de Rijpwetering, Oude Ade en Ringsloot aangeduid als landschappelijk waardevolle lijn van hoge waarde. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet slechts in het regelen van een aantal omissies en er zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien. Daarmee zijn de bestaande kwaliteiten van het bebouwingslint en de boezemkades voldoende gewaarborgd.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

42

Afbeelding 4.5.: uitsnede CHW

Monumenten In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. 4.10.3 Conclusie Voor de archeologische verwachting is in het bestemmingsplangebied de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1” opgenomen. Daarmee zijn eventueel aanwezige archeologische waarden voldoende gewaarborgd. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek voor de ontwikkeling aan de Pastoor van der Plaatstraat 36 kan gezien de aangetroffen bodemopbouw worden gesteld dat de kans op het aantreffen van een (intacte) archeologische vindplaats klein is. De archeologische verwachting voor het plangebied kan daarom worden bijgesteld naar ‘laag’. Een vervolgonderzoek is niet nodig. Voor de overige deelgebieden hoeft geen onderzoek te worden uitgevoerd en kan gesteld worden dat het aspect Archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

43

4.11

Geurhinder

4.11.1 Kader Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv))) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

Niet-concentratiegebied

diercategorieën Rgv

max. 3 ouE/m³

max. 2 ouE/m³

andere diercategorieën

min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object

min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object

diercategorieën Rgv

max. 14 ouE/m³

max. 8 ouE/m³

andere diercategorieën

min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Tabel 4.3: beoordelingskader De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). 4.11.2 Onderzoek en conclusie De ontwikkelingen aan de Pastoor van der Plaatstraat 36 en de Pastoor van der Plaatstraat 85 vallen buiten de geurcirkel van de naastgelegen melkveehouderij en de veehouderij. In het kader van een goede woonkwaliteit is er wel om advies gevraagd aan de GGD Hollands Midden. Dit advies is opgenomen in paragraaf 4.5 Bedrijven en milieuzonering.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

44

In de overige gebieden worden geen nieuwe geurgevoelige functies (zoals woningen) bestemd die beschermd dienen te worden. Tevens worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die meer geur kunnen veroorzaken en daarmee een bijdrage kunnen leveren aan een verslechtering van het bestaande woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen of andere te beschermen geurgevoelige objecten. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan. 4.12

Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. in het plangebied zijn geen leidingen of andere belemmeringen aanwezig die een planologische bescherming behoeven, of die de planuitvoering in de weg staan.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

45

5 5.1

Juridische planbeschrijving Planvorm Het doel van dit plan is het herstellen van een aantal omissies uit het bestemmingsplan ‘Oud Ade en Rijpwetering’, het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en het mogelijk maken van de bouw van één extra woning aan de Pastoor van der Plaatstraat 36. Bij de opzet van het plan is zoveel mogelijk aangesloten op dit bestemmingsplan en is gekozen voor een gedetailleerde wijze van bestemmen waarmee de bestaande situatie wordt vastgelegd en welke geschikt is voor de beheersituatie. In het plan is sprake van zogenaamde eindbestemmingen. De keuze voor deze planvorm komt voort uit het gemeentelijke beleid dat er op gericht is de bestaande ruimtelijke en functionele situatie en kwaliteit van het gebied te handhaven en waar mogelijk te versterken. Het onderhavige plan is opgesteld conform het gestelde in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) die door het rijk is opgesteld in het kader van het project Digitale Uitwisseling van Ruimtelijke Plannen (DURP), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) die bindende afspraken en aanbevelingen bevat, en het coderingssysteem InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

Geometrische plaatsbepaling Door middel van een combinatie van begrenzingen, coderingen, arceringen en/of kleuren, is in de geometrische plaatsbepaling (verbeelding) de verdeling aangegeven van de diverse binnen het plangebied onderscheiden bestemmingen. Hiernaast bevat de geometrische plaatsbepaling aanduidingen die gelezen moeten worden in samenhang met de bebouwingsbepalingen, die voor de onderscheiden bestemmingen zijn gegeven.

5.2

Toelichting op de regels De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken: • Inleidende regels (hoofdstuk 1); • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2); • Algemene regels (hoofdstuk 3); • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). Hierna worden de vier hoofdstukken kort toegelicht. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een groot aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel “Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Begrippen Geeft de definities van een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie daarvan vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

46

Met de begripsbepaling ‘peil’ aangegeven vanaf welk punt de aangegeven hoogte van bouwwerken gemeten dient te worden. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorkomende maten dienen te worden bepaald. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. Per artikel is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen. Tuin De voortuinen van (bestaande) woningen zijn zoveel mogelijk voorzien van de bestemming ‘Tuin’. Binnen deze bestemming zijn de gronden onder andere bestemd voor tuinen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en insteekhavens. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn beperkt. Het bouwen van erkers is onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Wonen - 1 De bestemming ‘Wonen - 1’ is opgenomen voor de locatie aan de Kolk 5. Hierbij is de feitelijke begrenzing van de garagebox afgestemd op de functieaanduiding ‘garagebox’. De bestemmingsregeling is één op één over genomen uit het vigerende bestemmingsplan. Wonen – 2 De bestemming ‘Wonen – 2’ is opgenomen voor de woningen in de deelgebieden aan de Pastoor van der Plaatstraat in Rijpwetering.

Hierbij is de het maximum aantal wooneenheden aangepast en is de begrenzing van deze aanduiding in overeenstemming gebracht met de eigendomsverhoudingen. De bouwvlakken van de te slopen agrarische bijgebouwen aan de Pastoor van der Plaatstraat 36 zijn gewijzigd in het bouwvlak van de nieuw te bouwen woning. De bestemmingsregeling is één op één over genomen uit het vigerende bestemmingsplan. Waarde – Archeologie 1 De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden. De voorwaarden voor wanneer een omgevingsvergunning is vereist is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde. Waterstaat – Waterkering Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de gronden die een waterkerende functie hebben. Voor de bestemming is sprake van een zogenoemde dubbelbestemming waarbij de waterkerende functie primair is gesteld ten opzichte van de andere aangegeven bestemmingen. Op deze gronden is tevens de Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing.

Eventuele toekomstige ontwikkelingen binnen de bestemming zijn slechts toelaatbaar, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de waterkering. Het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de secundaire bestemmingen is afhankelijk gesteld van een Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

47

door burgemeester en wethouders te verlenen omgevingsvergunning voor afwijken. Alvorens bij omgevingsvergunning afwijking te verlenen wordt ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten advies ingewonnen bij het Hoogheemraadschap. Naast de bepalingen van het bestemmingsplan zal, op grond van de keurbepalingen, bij het oprichten van bebouwing dan wel het uitvoeren van een aantal werken en/of werkzaamheden tevens een watervergunning van het Hoogheemraadschap nodig zijn. Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, diverse aanvullende regels gesteld. Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, galerijen en kelders. Daarnaast zijn er regels opgenomen ten aanzien van ondergronds bouwen en bestaande afstanden en maten.

Voor zover in de bestemmingsregels geen specifieke parkeernorm is opgenomen, is in de algemene bouwregels een regeling ten aanzien van parkeren opgenomen. Indien op grond van één van de in het voorliggende plan opgenomen bestemmingen wordt gebouwd, dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het vigerende gemeentelijke parkeerbeleid. Thans is het gemeentelijk parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2017’. Indien deze parkeernota in de toekomst herzien wordt, dient getoetst te worden aan het meest recente gemeentelijke parkeerbeleid. Voor de functies die niet zijn benoemd in het vigerende gemeentelijke parkeerbeleid, worden de meest recente parkeerkencijfers van het CROW toegepast. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier onder meer een standaardregeling die beperkte afwijkingen in de maatvoering bij de uitvoering van bouwplannen mogelijk maakt. Daarnaast is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor de bouw van openbare nutsvoorzieningen, kunstobjecten en andere nutsgebouwen. Ook is er een algemene afwijking opgenomen voor de realisatie van openbare recreatieve voorzieningen en bed & breakfast-accommodaties.

Algemene wijzigingsregels Een wijzigingsbevoegdheid is onder voorwaarden opgenomen voor geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmeting van bestemmingsgrenzen met niet meer dan 10%. Tevens is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van de realisatie van een bed & breakfastaccommodatie. Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

48

Specifieke gebruiksregels In dit artikel is in algemene zin aangegeven wanneer sprake is van strijdig gebruik met de regels uit het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 5.3

Overig Geometrische plaatsbepaling en verbeelding Voor het tekenen van de verbeelding is een topografische ondergrond gebruikt. Op de verbeelding wordt met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op de verbeelding met aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van geometrisch bepaalde bestemmingen. Hiermee kan ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld worden met andere overheden en samenwerkingspartners. Ook maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

49

6

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

6.1.1

Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Ten behoeve van de ontwikkelingen aan Pastoor van der Plaatstraat 36 en de Pastoor van der Plaatstraat 85 hebben de gemeente en de eigenaar een anterieure overeenkomst afgesloten waarin het verhaal van de kosten is geregeld. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen.

Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst.

6.1.2

Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” is opgesteld om een aantal kleine omissies in het bestemmingsplan ‘Oud Ade en Rijpwetering’ te herstellen, een bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning en de bouw van een nieuwe woning mogelijk te maken. De regelingen die zijn opgenomen in het bestemmingsplan hebben een overwegend conserverend karakter en voorzien met name in het herstel van de omissies. Aan de Pastoor van der Plaatstraat wordt de bouw van één extra woning mogelijk gemaakt. Het plan voor deze ontwikkeling is besproken met alle direct omwonenden. Allen zijn akkoord met het plan en hebben dit schriftelijk bevestigd. Bovendien past het voorliggende plan binnen het beleid van het Rijk, de provincie en van de gemeente. Gelet hierop wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

6.3

Handhaving De aandacht voor handhaving neemt de laatste jaren sterk toe. Zowel de hogere overheden als de burgers spreken de gemeente in toenemende mate aan op het handhaven van de eigen regels en de rechter spreekt zich nadrukkelijk uit over de verplichtingen die gemeentebesturen hebben om de eigen regelgeving te handhaven. Het bestemmingsplan vervult een aantal functies op het gebied van handhaving. Een bestemmingsplan is toekomstgericht. Het geeft een beeld van de te verwachten ruimtelijke ontwikkelingen en verwoordt het gemeentelijk beleid ten opzichte van de ontwikkelingen. Eveneens functioneert het bestemmingsplan als toetsingskader voor bouwplannen en andere werkzaamheden. Hierdoor is het bestemmingsplan bindend voor burgers, bedrijven, instanties en overheid. Om ervoor te zorgen dat handhaving van het bestemmingsplan in de praktijk met succes kan worden afgedwongen, dient aan het volgende te worden voldaan: Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

50

• • •

De regels en het kaartmateriaal moeten duidelijk en overzichtelijk zijn; Regels moeten zodanig zijn dat duidelijk is wanneer er sprake is van een overtreding en overtredingen moeten herkenbaar/zichtbaar én controleerbaar zijn; Het plan dient uitvoerbaar te zijn.

De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (grondgebruik, bebouwing) van het plangebied bij de opstelling van het bestemmingsplan en een deugdelijk mutatiesysteem bij de uitvoering van het bestemmingsplan. Onderdeel van dit mutatiesysteem is een goede registratie van verleende omgevingsvergunningen. Bij de opstelling van dit bestemmingsplan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de feitelijke situatie. Daarnaast vindt registratie plaats van verleende omgevingsvergunningen. Handhaving kan plaatsvinden via publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Dit laatste is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. In het ruimtelijk bestuursrecht is de gemeente op grond van de Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ten aanzien van ontwikkelingen die strijdig zijn met de bepalingen van het bestemmingsplan. Deze vormen van handhaving vallen onder de zogenoemde repressieve handhaving. Hiermee wordt gedoeld op de middelen en/of het instrumentarium waarmee de gemeente naleving kan afdwingen, dan wel tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden. Daarnaast wordt onderscheiden de preventieve handhaving. Deze komt voornamelijk tot uitdrukking in het toezicht op het gebruik van gronden en gebouwen.

Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen door informele middelen waaronder bijvoorbeeld informeel contact tussen de met handhaving belaste personen en de grondgebruikers. Hoewel het effect van dergelijke middelen niet goed meetbaar is, wordt aan deze middelen toch zeker betekenis toegekend. Daarnaast zijn in het bestemmingsplan instrumenten van toezicht opgenomen. Gedoeld wordt op afwijkingsbevoegdheden, de bevoegdheid nadere eisen te stellen en de mogelijkheid omgevingsvergunningen te verlenen. Deze instrumenten maken een toetsing mogelijk voordat met de beoogde activiteit (bouwen, gebruiken, het verrichten van werken en/of werkzaamheden) een aanvang wordt gemaakt. De te nemen besluiten op basis van de genoemde bevoegdheden dienen te berusten op een deugdelijke motivering.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

51

7

Procedure

7.1

Voorbereidingsfase

7.1.1

Overleg Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van waterschappen en met de Rijksen provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het voorliggende bestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen.

7.1.2

Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan is gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd, zodat een ieder een inspraakreactie heeft kunnen indienen.

7.2

Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgden uit de ingediende reacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Ook zijn er enkele ambtshalve aanpassingen doorgevoerd.

7.3

Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.

Bestemmingsplan “1e herziening ‘Oud Ade en Rijpwetering’” Toelichting Vaststelling d.d. 29 maart 2021

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, HGOadvies, d.d. 6 oktober 2019

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai realisatie woning Pastoor van der Plaatstraat 36a Rijpwetering

Opdrachtgever Kenmerk Datum Colofon Auteur Adres Mail Internet Telefoon

Adviesbureau CTVision - Gouda p/a mevr. T. Revet 2019-023-AO.v1 6-10-2019 HGOadvies L. Herveille Zesstedenweg 219 1613JE Grootebroek info@hgoadvies.nl www.hgoadvies.nl 0629030343

Inhoudsopgave

bladzijde 1

Inhoudsopgave……………………………………………….…... 1

2

Samenvatting……………………………………………….…….. 2

3

Inleiding ………………..…………………………………………. 3

4

Wettelijk kader..……………………………………….………….. 4

5

Wegverkeer.…………………..…………………………............. 6

6

Beleidsregel hogere waarden Omgevingsdienst West-Holland 7

7

Afweging maatregelen ..………….……………………………… 8

8

Rekenmethode…………….………..…..………………………..

9

9

Berekeningsresultaten……………………………….............…

9

10 Geluidsniveau wegverkeerslawaai / gevelisolatie …………… 10 11 Conclusie…………………………………………………………

11

12 Bijlagen………………………………………………………… … 12

Akoestische rapportage Pastoor van de Plaatstraat 36a - Rijpwetering 2019-023-AO

1

2. Samenvatting Op het perceel Pastoor van der Plaatstraat 36a te Rijpwetering is men voornemens een nieuwe woning te realiseren ter vervanging van bestaande opstallen. De woning is gelegen achter het perceel Pastoor van der Plaatstraat 36 binnen de bebouwde kom. De locatie van de nieuw te realiseren woning is weergegeven in figuur 2.1. Figuur 2.1 Pastoor van der Plaatstraat 36a

= locatie nieuwe woning

Voor de realisatie van een nieuwe woning op dit perceel dient een ruimtelijke procedure Wro te worden doorlopen. Ten behoeve van deze procedure is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Adviesbureau voor ruimtelijke ordening CTvision, begeleider van deze nieuwe ontwikkeling, heeft adviesbureau HGOadvies opdracht gegeven voor een akoestisch onderzoek. Het akoestisch onderzoek maakt de geluidsbelasting op de woning ten gevolge van de relevante wegen in de omgeving inzichtelijk. De relevante wegen betreffen de Pastoor van der Plaatstraat, de provinciale weg N445 en de Zuidweg. De Pastoor van der Plaatstraat heeft een 30 km/h regime. De provinciale weg N445 heeft een 80 km/h regime, de Zuidweg een 50 km/h regime. Doel onderzoek Doel van het onderzoek is het berekende geluidsniveau op de nieuw te realiseren woning te beoordelen in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) en de ‘goede ruimtelijke ordening’. Het toetsingskader van de Wet geluidhinder is niet van toepassing op wegen met een 30 km/h regime. In dit onderzoek betreft de wettelijke toetsing Wgh de geluidbelasting ten gevolge van de provinciale weg N445 en de Zuidweg. Alle wegen (tezamen) worden wel getoetst in het kader van de ‘goede ruimtelijke ordening’. Het toetsingskader wat is gehanteerd voor het inzichtelijk maken van de ‘goede ruimtelijke ordening’ betreft eveneens de Wet geluidhinder.

Akoestische rapportage Pastoor van de Plaatstraat 36a - Rijpwetering 2019-023-AO

2

Conclusie Ten behoeve van het onderzoek zijn de in onderstaande tabel genoemde maximale gevelbelastingen berekend ten gevolge van de onderzochte wegen (incl. Art. 110g Wgh). De berekende waarden op de woning overschrijden de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai (48 dB). De maximale hogere grenswaarden worden niet overschreden. Voor de nieuw te realiseren woning dienen hogere grenswaarden te worden vastgesteld. In tabel 2.1 zijn de maximaal berekende gevelbelastingen per weg weergegeven inclusief de aftrek Art. 110g Wgh. Voor de Pastoor van der Plaatstraat is deze aftrek niet toegepast in verband met het 30 km/h regime. Tabel 2.1

Weg

Toetspunt

Hoogte

Max. gevelbelasting*

Pastoor van de Plaatstraat

TP1-VG

4,5 m

42 dB

N445

TP3-ZGz

4,5 m

50 dB

Zuidweg

TP1-VG

4,5 m

22 dB

Geluidsluwe gevel Uit de berekeningen blijkt dat de woning in het bezit is van een geluidsluwe achtergevel. De maximale gevelbelasting op de achtergevel bedraagt 46 dB ten gevolge van de N445. Cumulatief bedraagt deze 48 dB, hiermee wordt voldaan aan de eisen van de Beleidsregel Hogere waarden van de Omgevingsdienst West-Holland. De relevante onderdelen van de beleidsregel zijn weergegeven in hoofdstuk 6 ‘Beleidsregel hogere waarden Omgevingsdienst West-Holland’. . Afweging maatregelen Gelet op het feit dat er sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai zijn akoestische maatregelen overwogen. Deze blijken om meerdere redenen niet toepasbaar. Gevelisolatie De maximaal benodigde gevelisolatie op basis van de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen bedraagt 19 dB. Deze gevelisolatie voldoet aan de wettelijk voorgeschreven isolatie-eis van 20 dB. Hiervoor dient geen nader onderzoek plaats te vinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=b30e42a0-36ea-4e43-b384-7d4c5dbd2024